04c Toelichting
Tekst van het document
Uit gegevens van het Dino-loket blijkt dat ter plekke sprake is van een leemlaag tot circa 1 meter. De gronden ter plaatse van de vijver zijn dieper dan 1 meter afgegraven waardoor er ter plekke geen sprake meer is van een leemlaag en enkel van fijn tot matig grof zand. Een goede doorlatendheid van de bodem ter plekke van de natuurvijvers is gegarandeerd. Dit blijkt ook uit de gegevens van de bodemdoorlatendheid van het Waterschap Limburg. Vanuit de natuurvijver aan de achterzijde van de zonneweide wordt een overstort gecreëerd naar het westelijk gelegen broekbosje om het bosje verder te vernatten.
Figuur 15: Locatie natuurvijver achterzijde bedrijfswoning
45
Figuur 16: Indicatieve locatie en doorsnede infiltratievijver zuid
Het water van de zonneweide infiltreert op de gronden onder de zonnepanelen. Om te voorkomen dat afstroming naar de natuurvijver plaatsvindt wordt tussen de zonneweide en de natuurvijver een greppel aangelegd. Conclusie Naar aanleiding van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het aspect water voldoende is gewaarborgd. Kabels en leidingen In het bestemmingsplan en op de risicokaart komen op, of in de directe omgeving van het plangebied geen boven- of ondergrondse leidingen voor met een dusdanige omvang dat hiervoor veiligheidsafstanden gelden. Bij de realisatie van onderhavig planvoornemen hoeft hiermee dan ook geen rekening te worden gehouden. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering vormt voor het onderhavige planvoornemen. Wet natuurbescherming Algemeen De bescherming van de Nederlandse natuurgebieden is geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb), welke op 1 januari 2017 in werking is getreden. Er geldt een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid Wnb voor activiteiten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen (artikel 2.7, tweede lid Wnb). De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect.
Vanaf 2008 is de vergunningverlening moeizaam verlopen. Weliswaar daalt de stikstofdepositie op landelijk niveau nog steeds, maar voor individuele gevallen kan vaak niet worden aangetoond dat deze geen significante negatieve gevolgen hebben voor de natuur. In 2015 is de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) inwerking getreden om de vergunningverlening in het kader van de Wet Natuurbescherming weer op gang te brengen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geconcludeerd dat het PAS niet als toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt ‘vooruitlopend’ op toekomstige positieve gevolgen van 46
maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor gebieden. De toebedeling van toekomstige ‘ontwikkelingsruimte’ aan nieuwe projecten is vanaf dat moment niet meer toegestaan. Programma Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 (ECLI:RVS:NL:RVS:2019:1603 en ECLI:RVS:NL:RVS:2019:1604) heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) besloten dat het Programma Aanpak Stikstof (hierna te noemen “PAS”) niet als basis gebruikt mag worden om toestemming te verlenen voor activiteiten die een stikstoftoename op stikstofgevoelige habitattypen in Natura2000-gebieden tot gevolg hebben. Vervallen bouwvrijstelling Op 2 november 2022 is de algemene bouwvrijstelling door een uitspraak van de Raad van State komen te vervallen. Door de bouwvrijstelling was het niet noodzakelijk om in de sloop-, bouw- en/of aanlegfase de effecten op natura2000-gebieden in beeld te brengen en een natuurvergunning aan te vragen. De Raad van State heeft echter geoordeeld dat het niet uit te sluiten is dat de natuur in de sloop-, bouwen/of aanlegfase schade oploopt. Daarmee voldoet de bouwvrijstelling niet aan het Europees natuurbeschermingsrecht.
Door het vervallen van de bouwvrijstelling dient voor elk plan een voortoets (Aerius-berekening) en indien noodzakelijk een passende beoordeling te worden uitgevoerd om aan te tonen of mogelijke schade aan de natuur optreed. Ook voor onderhavig planvoornemen is middels een Aerius-berekening in beeld gebracht of sprake is van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. SRV-regeling Deelnemers aan de SRV-regeling waren verplicht alle vigerende (milieu-)rechten, waaronder de Wnbvergunningen waarin de stikstofruimte was vastgelegd, in te trekken. Om toekomstige ontwikkelingen mogelijk te maken heeft de Rijksoverheid in overleg met provincies echter besloten dat deelnemers 15% van hun stikstofruimte mogen behouden. Gebiedsbescherming Ten behoeve van het planvoornemen zijn met behulp van de Aerius-calculator, versie 2022 verschilberekeningen uitgevoerd om te bepalen of sprake is van significant negatieve effecten op omliggende Natura2000-gebieden. In deze verschilberekeningen is de 15% stikstofruimte meegenomen en afgezet tegen de nieuwe bedrijfsactiviteiten. In de bijlage behorende bij deze toelichting zijn de Aerius-berekeningen, inclusief een onderbouwing van de invoergegevens, opgenomen. Voor het planvoornemen is de gebruiksfase in beeld gebracht met behulp van de Aerius-calculator versie 2022.
De sanering van het voormalig varkensbedrijf heeft inmiddels plaatsgevonden en voor de bouw van de bebouwing zijn de noodzakelijke omgevingsvergunningen al verleend. Uit de uitgevoerde Aerius-berekeningen blijkt dat het planvoornemen geen significant negatieve effecten op Natura2000 gebieden tot gevolg heeft. Conclusie Het planvoornemen heeft geen significant negatieve effecten op natura2000-gebieden. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is in de Wet natuurbescherming (Wnb) geregeld. Deze bescherming wordt op verschillende manieren uitgevoerd. Zo is er een verbod om beschermde planten te plukken of beschermde dieren te doden of te vangen. Ook andere handelingen die dier- en plantensoorten kunnen bedreigen zijn verboden of slechts onder voorwaarden toegestaan. De Wet natuurbescherming schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in het wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora en fauna, achterwege moeten blijven. Op grond van artikel 1.11 van de wet (die de algemene zorgplicht regelt) moet schade aan soorten zoveel mogelijk worden voorkomen of worden beperkt. Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd.
Vóór sanering van het varkensbedrijf is een quickscan flora en fauna uitgevoerd binnen het plangebied. Naar aanleiding van de quickscan is de volgende conclusie getrokken: Het planvoornemen en de daarbij behorende werkzaamheden (sloop van de bebouwing en grondwerkzaamheden) zullen naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van 47
instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dier- en/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten. Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. Na sloop van de bebouwing is gestart met de diverse grondwerkzaamheden en de aansluitende bouw van nieuwe bebouwing binnen het plangebied. Door de constante intensieve werkzaamheden is het niet aannemelijk dat zich in de periode tussen het uitvoeren van de quickscan en het opstellen van het bestemmingsplan nieuwe (zeldzame) flora en fauna hebben kunnen vestigen in het plangebied.
Een nieuwe quickscan flora en fauna wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. De uitvoering van de landschappelijke inpassing, waaronder ook de aanleg van een natuurvijver, kruiden- en bloemrijk grasland en een nieuw vogelbosje zullen in de toekomst waarschijnlijk een positief effect hebben op het voorkomen van (zeldzame) flora en fauna binnen het plangebied. Het planvoornemen heeft geen significant negatieve effecten op de gunstige instandhouding van (waardevolle) planten- en diersoorten in de directe omgeving. Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect ‘soortenbescherming’ geen belemmering is voor het planvoornemen. Houtopstanden Het planvoornemen voorziet niet in het kappen van houdopstanden die vanwege hun omvang, lengte of aantal onder de directe werking van de Wnb vallen. Een toetsing aan de bescherming van houtopstanden is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie De Wet natuurbescherming is geen belemmering voor het planvoornemen. Archeologie en cultuurhistorie Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven hoe het Rijk, de provincies en gemeenten om moeten gaan met aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. • Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.
48
De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente heeft op 26 mei 2015 de “Archeologische Maatregelenkaart” vastgesteld. Op basis hier van wordt bepaald of een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Deze “Archeologische Maatregelenkaart” is door de gemeente opgenomen in het vigerend bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” door het opnemen van dubbelbestemmingen.
Figuur 17: Uitsnede digitale erfgoedkaart, plangebied in zwart weergegeven
Binnen het plangebied liggen de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 4” en “Waarde – Archeologie 6” . Voor activiteiten waarbij de bodem dieper dan 50 cm onder maaiveld over een oppervlakte groter dan 2.500 m2 worden verstoord dient een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Tevens vloeit hier de verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek uit voort. Ten behoeve van het planvoornemen is door KSP Archeologie een archeologisch bureau onderzoek uitgevoerd. De conclusie en het advies van het onderzoek luiden als volgt: Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is aan het noord- en zuidoostelijke deel een gematigde archeologische verwachting toegekend (Figuur 15). Voor de zuidwestelijke rand en een strook in het zuidoostelijke deel van het plangebied geldt een specifieke archeologische verwachting voor (beek)dalen en oude Maasgeulen. Naar aanleiding van de resultaten van het bureauonderzoek is deze verwachting nader gespecificeerd per periode/bijgesteld.
Op basis van de landschappelijke ligging op een Maasterras is aan het noordoostelijke deel van plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Het potentiële archeologische niveau wordt direct onder de bouwvoor verwacht vanaf ca. 30 cm beneden maaiveld. In het zuidoostelijke deel ligt een strook die in het verleden is afgegraven. Hier is het archeologische bodemarchief weggegraven en geldt een lage verwachting. De zuidwestelijke rand ligt in een oude Maasgeul. De laaggelegen dalen vormden geen geschikte bewoningslocatie, maar hier kunnen wel archeologische vondsten worden aangetroffen die samen49
hangen met bewoning op de naastgelegen hogere terrassen. Op basis van historisch kaartmateriaal kunnen op de zuidwestgrens van het plangebied restanten van een oude duiker worden verwacht. Hier lag in het begin van de 19e eeuw een weg die een aantal boerenerven verbond met de ten zuidwesten gelegen weg Beekveld. Binnen het centrale deel van het plangebied lagen twee huisplaatsen die vermoedelijk uit de 18e – 19e eeuw dateren. In het plangebied kunnen nog funderingsresten en andere sporen die bij de nieuwe tijdse erven horen in de bodem aanwezig zijn. Tot slot geldt voor het plangebied, met name het centrale deel, een concrete verwachting voor sporen en vondsten uit de Tweede Wereldoorlog. Op een luchtfoto zijn kraterinslagen en (mogelijke) mangaten waargenomen, die in het najaar van 1944 zijn aangelegd, omdat het plangebied toen in de frontlinie lag van de bevrijding van Zuid-Nederland. Het noordwestelijke deel van het terrein is in de 20e eeuw ingericht als boerenbedrijf en door schaalvergroting zijn ook in het centrale deel van het plangebied (varkens)stallen aangelegd. De stallen zijn voorzien van kelders, waardoor het archeologische bodemarchief in grote delen van het plangebied is verstoord. Ook andere bodemingrepen zoals de aanleg van verharding, kabels en leidingen en de bouw van loodsen hebben voor bodemverstoringen gezorgd.
Deze zijn minder diep, maar zullen het archeologische bodemarchief wel hebben aangetast vanwege de ondiepe ligging. Delen van het terrein in het zuidoosten zijn in het verleden afgegraven/ontgrond, waardoor de archeologische verwachting op laag is gesteld. Ook ter plaatse van de recent aangelegde vijver is het archeologische bodemarchief verdwenen. Op dit moment is de exacte ruimtelijke indeling echter nog niet bekend. Met een maximale inhoudsmaat van 1000 m3 die wordt opgenomen in dit wijzigingsplan is het echter aannemelijk dat de in de dubbelbestemming opgenomen maximale verstoringsoppervlakte niet zal worden overschreden. Een archeologisch onderzoek wordt in het kader van dit planvoornemen dan ook niet noodzakelijk geacht. Mocht dit als gevolg van de omgevingsvergunningaanvraag toch noodzakelijk blijken te zijn dan kan dit alsnog als voorwaarde aan de te verlenen omgevingsvergunning worden verbonden. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘Archeologie en cultuurhistorie’ geen belemmering vormen voor onderhavig planvoornemen. Advies Op basis van de landschappelijke ligging geldt in de basis voor een groot deel van het plangebied een middelhoge (gematigde) archeologische verwachting. Voor de zuidwestelijke strook van het plangebied geldt een specifieke verwachting voor een vindplaats in ‘natte context’.
Daarnaast zijn enkele concrete verwachtingszones aangegeven in het centrale deel van het plangebied. Het betreft twee huisplaatsen uit de Nieuwe tijd en sporen uit de Tweede Wereldoorlog (o.a. kraterinslagen en mangaten). Het potentiële archeologische niveau wordt direct onder de bouwvoor verwacht vanaf ca. 30 cm beneden maaiveld.
50
De ontwikkelingen die in de 20e en 21e eeuw in het plangebied hebben plaatsgevonden, zorgen ervoor dat de archeologische verwachting zoals vermeld op de gemeentelijke, archeologische beleidskaart voor grote delen van het terrein naar laag kan worden bijgesteld vanwege de bodemverstoringen. Het advies is om alleen voor de huidige groenstroken (inclusief zonneweide) de gematigde archeologische verwachting en daarmee dubbelbestemming archeologie te handhaven. In de rest van het plangebied kan de dubbelbestemming archeologie vervallen. Enige uitzondering hierop vormen de twee historische erven in het centrale deel van het plangebied. Deze liggen wel binnen het bedrijventerrein, waar ondiepe bodemverstoringen worden verwacht, maar eventuele funderingen van de voormalige boerderijen/ huizen kunnen tot diep in de bodem reiken. Mogelijk zijn hiervan nog sporen aanwezig. Als op deze locaties bodemingrepen plaatsvinden, dan kan met archeologisch onderzoek mogelijk worden vastgesteld hoe oud deze huisplaatsen waren. Het voorstel is om ter plaatse van deze twee erven de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 vast te leggen. Dit is in het archeologiebeleid van de gemeente de categorie voor historische kernen/bebouwing waar een onderzoeksplicht geldt bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,3 m (Figuur 16).
Figuur 18: Archeologische advieskaart op basis van de resultaten van het bureauonderzoek
Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Dit selectieadvies betekent nog niet dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek een verwachting betreft, kan op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden. 51
Beoordeling Archeologisch Bureauonderzoek Het rapport is namens de gemeente Horst aan de Maas door Vestigia beoordeeld. De conclusies van deze beoordeling luiden als volgt: Het BureauOnderzoek (BO) is verricht conform de KNA-richtlijnen (versie 4.1). De presentatie van het bureauonderzoek in het conceptrapport is goed en overzichtelijk, en het rapport is opgesteld conform de al genoemde KNA-richtlijnen. Wat vooral blijkt uit dit rapport is welke bodemingrepen hier hebben plaatsgevonden de laatste tientallen jaren. Het slopen van stallen is ook gepaard gegaan met grondverzet. De uitvoerder van het Archeologisch Bureauonderzoek stellen voor om op basis hiervan de archeologische warden van het plangebied aan te passen en dat ook door te voeren in de dubbelwaarde archeologie in het bestemmingsplan. Dat is een optie voor wanneer de gemeente Horst aan de Maas haar archeologische beleidsplan aanpast. Voor nu is mijn voorstel om de dubbelbestemming gewoon voort te zetten.
Gezien de mate van bodemverstoring in het plangebied en het voorgenomen inrichtingsplan adviseer ik geen randvoorwaarden met betrekking tot de gemeentelijke archeologische monumentenzorg op te nemen in de bestemminsplanwijziging en de later te verstrekken omgevingsvergunning met uitzondering van de onderstaande bepaling: • Krachtens de Erfgoedwet 2016 (artikel 5.10 & 5.11) behoren archeologische vondsten die tijdens grondwerkzaamheden in het kader van de verleende vergunning aan het licht komen direct te worden gemeld aan de gemeente Horst aan de Maas. Conclusie Het aspect ‘archeologie’ is geen belemmering voor het planvoornemen. De archeologische dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 4’ en ‘Waarde – Archeologie 6’ blijven behouden. Cultuurhistorie Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied staan geen cultuurhistorische objecten of groenstructuren. Een nader onderzoek naar cultuurhistorische waarden is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ is geen belemmering voor het planvoornemen. Verkeer en parkeren Verkeer Ontsluitingsstructuur Het plangebied wordt via Hogenbos ontsloten in noordelijke en zuidelijke richting. In noordelijke richting ontsluit het plangebied via Hogenbos (erftoegangsweg) en de Tienrayseweg (gebiedsontsluitingsweg) in de richting van Venray (noordelijke richting) en Horst en de A73 (zuidelijke richting).
In zuidelijke richting ontsluit het plangebied via Hogenbos in de richting van de kernen Tienray en Swolgen. Via deze kernen is ontsluiting van het bedrijf richting Horst en de A73 mogelijk. De noordwestelijke ontsluiting vormt een goede ontsluitingsmogelijkheid voor het bedrijf. Langs Hogenbos en het kleine deel van de Dorpbroekstraat liggen weinig woningen en/of andere functies. Dit verkleint de mogelijke kans op overlast als gevolg van een toename van de verkeersintensiteiten. De enige woning die met de voorzijde georiënteerd is naar deze ontsluiting betreft de woning aan Hogenbos 4 in Meerlo. De overige woningen zijn met de voorgevel georiënteerd naar de Tienrayseweg. Gezien de relatief hoge verkeersintensiteiten op deze weg zal de stijging van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het planvoornemen op Hogenbos 10 en 14 in Meerlo niet leiden tot (extra) verkeersoverlast voor omwonenden. Een groot gedeelte van de toename bestaat daarbij uit personenauto’s en bestelen werkbusjes. Deze categorie verkeer heeft een zeer beperkte invloed op de verkeersveiligheid, verkeersdoorstroming en het ervaren van mogelijke overlast vanuit omliggende functies. Eenmaal op de Tienrayseweg gaat het bestemmingsverkeer op in het regionale verkeer tussen de dorpen Meerlo en Tienray.
Verkeersbewegingen De nieuwe bedrijfsactiviteiten hebben in vergelijking met het voormalige varkensbedrijf een beperkte stijging van het aantal verkeersbewegingen tot gevolg. Bij een bezettingsgraad van 100% van de bedrijfsruimtes stijgt het aantal verkeersbewegingen van circa 23.000 verkeersbewegingen naar circa 38.000 verkeersbewegingen. Bij een verwachtte bezettingsgraad van 70% van alle bedrijfs- en opslagruimtes stijgt het aantal verkeersbewegingen naar circa 26.000 bewegingen. Circa 9.000 52
bewegingen betreffen bewegingen als gevolg van de 3 aanwezige bedrijfswoningen en veranderen als gevolg van het planvoornemen niet. De verkeersbewegingen behorende bij het varkensbedrijf vonden gedurende 365 dagen per jaar in de dag, avond en nachtperiode plaats. De nieuwe verkeersbewegingen zijn geconcentreerd gedurende de dagperiode. Gedurende de avondperiode is sprake van een zeer beperkt aantal verkeersbewegingen. Op zon- en feestdagen vinden weinig tot geen verkeersbewegingen plaats. Tijdens de vakantieperiodes zullen naar alle waarschijnlijkheid ook een beperkt aantal verkeersbewegingen plaatsvinden. In het kader van de inmiddels verleende omgevingsvergunning heeft met de gemeente uitgebreid overleg plaatsgevonden over het planvoornemen en de aspecten ‘verkeer’ en ‘parkeren’. Op basis van de aangeleverde gegevens is gebleken dat het planvoornemen ook met betrekking tot het aspect ‘verkeer’ acceptabel is. Parkeren Parkeren van voertuigen vindt volledig op eigen terrein plaats. In het ontwerp en indeling van de locatie is rekening gehouden met voldoende parkeergelegenheden in en rondom de gebouwen. Zo worden zowel aan de voor- als achterzijde van de gebouwen parkeerplekken aangelegd. In de Nota Parkeernormen is voor arbeidsextensieve bedrijven een parkeernorm van 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bedrijfsvloeroppervlakte buiten de bebouwde kom opgenomen.
Arbeidsextensieve bedrijven worden in het kader van de nieuwe Omgevingswet door de VNG als volgt gedefinieerd: ‘Arbeidsextensief is een vorm van werken waarbij weinig handkracht nodig is en veel machines worden gebruikt. Voor een arbeidsextensief bedrijf wordt uitgegaan van 30 – 50 m2 voor 1 arbeidsplaats.’ De te verhuren bedrijfsruimtes worden veelal gehuurd door kleine bedrijven. Een gedeelte van de bedrijfsruimtes wordt enkel gebruikt voor stalling van materialen en voorraad. In een ander deel van de bedrijfsruimtes wordt gewerkt. Het aantal personen dat werkzaam is binnen deze bedrijfsruimtes is echter zeer beperkt waardoor er in de praktijk meer dan 50 m 2 beschikbaar is per arbeidsplaats. Er is dan ook sprake van een arbeidsextensieve vorm van bedrijvigheid. Op het bedrijf wordt in de toekomst in totaal 10.359 m2 opslagruimte verhuurd. In totaal wordt circa 5.257 m2 aan bedrijfsruimtes verhuurd en wordt 1.066 m 2 gebruikt ten behoeve van agrarische activiteiten. Voor agrarische activiteiten zijn geen parkeernormen opgenomen. De overige activiteiten vallen in de categorie ‘Arbeidsextensieve bedrijven’. De totale parkeerbehoefte is als volgt berekend: 10.359 m2 + 5.257 m2 / 100 m2 bvo = 156,16 156,16 * 1,1 = 171,776. Er is een totale parkeerbehoefte van 172 parkeerplaatsen op het bedrijf. De parkeerbehoefte is volledig op eigen terrein ingevuld.
In totaal wordt op eigen terrein voorzien in 212 parkeerplaatsen. In de bijlage bij deze toelichting is een overzicht van de parkeerplaatsen opgenomen. Het laden, lossen en manoeuvreren van vrachtverkeer vindt volledig op eigen terrein plaats. Vrachtverkeer kan rond de gebouwen rijden waardoor geen verkeersonveilige situaties op de openbare weg of het aangrenzende gebied kunnen ontstaan. Tevens worden op deze wijze mogelijke belemmeringen met de doorstroming op de openbare weg voorkomen. In het kader van de in 2022 verleende omgevingsvergunning voor de bouw van de loodsen en het gebruik van de locatie voor de verhuur van opslag- en bedrijfsruimtes heeft al een uitgebreide toetsing van het aspect ‘verkeer’ plaatsgevonden. Uit deze toetsing is al gebleken dat met betrekking tot het aspect ‘verkeer’ geen belemmeringen bestaan. Ondanks een stijging van het aantal verkeersbewegingen heeft het planvoornemen geen (extra) belemmeringen voor de verkeersafwikkeling en/of verkeersveiligheid ter plaatse tot gevolg. Geconcludeerd wordt dat het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering is voor onderhavig planvoornemen. Omgevingsdialoog De initiatiefnemers hebben in het kader van de voorgenomen plannen een omgevingsdialoog gevoerd met de directe omwonenden. In deze omgevingsdialoog zijn de voorgenomen plannen gepresenteerd 53
en zijn omwonenden in de gelegenheid gesteld vragen te stellen en hun reacties en eventuele bezwaren kenbaar te maken. Van de met de omwonenden gevoerde gesprekken zijn door de initiatiefnemer verslagen gemaakt die door de omwonenden zijn ondertekend. Uit de gevoerde gesprekken blijkt dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan. Een verslag van de gevoerde gesprekken is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. Duurzaamheid Het planvoornemen voorziet in het scheppen van een planologisch-juridisch kader voor de exploitatie van een niet-agrarisch bedrijf, enkele agrarische activiteiten en de een zonneweide van 1,5 hectare. In de uitwerking en realisatie van de diverse bedrijfsonderdelen is er uitgebreid aandacht geweest voor het aspect ‘duurzaamheid’. Zo zijn alle zonnepanelen van de daken van de varkensstallen verplaatst naar een nieuwe zonneweide. Deze zonneweide voorziet het gehele bedrijf van duurzame energie. Een gedeelte van de energie wordt teruggeleverd aan het net. De constructies van de nieuwe loodsen zijn hergebruikte constructiedelen van de varkensstallen. Van twee loodsen zijn de constructieve delen en isolatie afkomstig van elders gedemonteerde loodsen. Nieuwe materialen, zoals de buitenzijde van de loodsen en de dakdelen, zijn duurzaam en niet-uitlogend om vervuiling van hemelwater te voorkomen.
De nieuwe loodsen worden allemaal gebouwd volgens de meest recente isolatienormen en voldoen daarmee aan de meest recente eisen ten aanzien van energiezuinigheid en duurzaamheid. In het planvoornemen is uitgebreid aandacht besteed aan de omgang met water. Het schoon hemelwater wordt gescheiden afgevoerd van het (bedrijfsmatig) afvalwater. Al het water afkomstig van de bebouwing en verharding op het eigen perceel opgevangen in een natuurvijver. In deze natuurvijver, die tevens een ecologische functie vervult, kan het schoon hemelwater ter plekke infiltreren in de bodem waardoor plaatselijke verdroging van de bodem zo veel mogelijk wordt tegen gegaan. Het aspect ‘duurzaamheid’ is een integraal onderdeel van de planvorming en geen belemmering voor het planvoornemen.
54
5.
Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten en de daaraan verbonden financiële risico’s van dit bestemmingsplan zijn voor rekening en risico van de gemeente Horst aan de Maas. In overleg met de gemeente is overeen gekomen dat alle met het bestemmingsplan gemoeide (onderzoeks-)kosten en kosten van eventuele noodzakelijke vergunningverlening voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas komen. Ook eventuele planschadeclaims die voortvloeien uit vaststelling van dit bestemmingsplan komen ook voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas. Ten behoeve van de uitvoering van dit bestemmingsplan is naast de saneringsovereenkomst ook een planschadeovereenkomst tussen de initiatiefnemers en de gemeente Horst aan de Maas gesloten. In deze planschadeovereenkomst zijn onder andere de verplichting tot realisatie, beheer en instandhouding van de landschappelijke inpassing en de maatregelen ter voorkoming van wateroverlast opgenomen.
5.2 Handhaving De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst een de Maas en Venray (2012-2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot.
Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid
zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. Preventie gaat boven repressie; 3. Draagvlak creëren; 4. Klantgericht handelen; 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.
55
5.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Onderhavig planvoornemen voorziet in een planologisch-juridische regeling waarbij een voormalige varkenshouderijlocatie kan worden hergebruikt voor niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten, beperkte agrarische activiteiten en de realisatie van een zonnepark. Alle onderdelen van de nieuwe bedrijfsvoering vloeien direct voort uit de in het kader van de SRV-regeling gemaakte afspraken en het flankerend beleid dat in dit kader door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld. Voor alle bouwen gebruiksactiviteiten zijn in 2021 en 2022 al omgevingsvergunningen verleend. Op deze omgevingsvergunningen zijn geen zienswijzen ingediend. In de door de initiatiefnemers gevoerde omgevingsdialoog zijn ook geen overwegende bezwaren naar voren gekomen. In de toelichting bij dit bestemmingsplan is aangetoond dat het planvoornemen ruimtelijk en milieukundig geen nadelige effecten heeft voor de exploitatie en/of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende functies. Ook past het planvoornemen binnen de daarvoor relevante (milieu)wet- en regelgeving. Het planvoornemen is ruimtelijk, stedenbouwkundig en landschappelijk gezien aanvaardbaar en passend in de directe omgeving. Het planvoornemen is voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Horst aan de Maas en akkoord bevonden.
Ook de provincie Limburg is in het kader van de SRV-regeling in een vroegtijdig stadium betrokken bij het planvoornemen. Voor het zonnepark heeft de provincie expliciet toestemming gegeven. Uit de met de direct omwonenden gevoerde omgevingsdialoog is gebleken dat tegen het planvoornemen geen overwegende bezwaren bestaan. Het staat omwonenden, ondanks de uitkomsten uit de omgevingsdialoog, overigens vrij om hun zienswijzen of bezwaren tegen het planvoornemen kenbaar te maken. Het ontwerp bestemmingsplan wordt conform de procedure gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Binnen deze periode hebben belanghebbenden de mogelijkheid om te reageren op het planvoornemen en eventuele zienswijzen in te dienen. Het ontwerp wijzigingsplan is daarnaast, conform de wettelijke procedure ter inzage gelegd. Gedurende 6 weken heeft een ieder kunnen reageren op het planvoornemen en zijn of haar zienswijzen indienen Conform de procedure wordt ook het vastgesteld bestemmingsplan conform de wettelijke procedure ter inzage gelegd. Gedurende 6 weken hebben belanghebbenden de mogelijkheid om tegen het plan een beroep in te stellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. De nieuwe planologisch-juridische situatie blijkt, na een zorgvuldige afweging van diverse belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied.
Het planvoornemen zal gezien bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. De maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen is gegarandeerd.
56
6.
Juridische planopzet
6.1 Planopzet Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, een set regels en een toelichting. De regels en verbeelding zijn de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op het bestemmingsplan is niet juridisch binden, maar biedt wel inzicht in de integrale belangenafwegingen die heeft geleid tot de gekozen bestemmingen en geeft goed inzicht in de doelstellingen van het planvoornemen. Conform het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt dit bestemmingsplan geheel (toelichting, regels en verbeelding) digitaal ter inzage gelegd en gepubliceerd de (conform IMRO-normen en SVBP-normen). Regels In de regels is het juridisch instrumentarium opgenomen dat het gebruik van gronden regelt en regels stelt aan de bebouwing en het gebruik van deze bebouwing. Verbeelding Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde enkelbestemmingen, dubbelbestemmingen, functieaanduidingen en gebiedsaanduidingen. De verbeelding is ingetekend op een digitale kadastrale ondergrond. Bij het opstellen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit het SVBP2012 gehanteerd.
Hierbij is aangesloten bij de systematiek die de gemeente Horst aan de Maas hanteert voor bestemmingen zoals opgenomen in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en de daarop volgende herzieningen. Toelichting De toelichting is geen onderdeel van het juridisch instrumentarium. In de toelichting is het planvoornemen en de wijze waarop het planvoornemen ruimtelijk, milieukundig, stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is.
6.2.
Toelichting op de regels
De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken. In deze hoofdstukken worden achtereenvolgend de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangsen slotregels beschreven. Inleidende regels In de inleidende regels zijn in artikel 1 de begripsomschrijvingen van de in het bestemmingsplan gehanteerde begrippen opgenomen. In artikel 2 ‘Wijze van meten’ is aangegeven op welke wijze in het bestemmingsplan dient te worden gemeten en te worden gerekend. Bestemmingsregels In hoofdstuk 2 komen de specifieke bestemmingsregels aan de orde. In dit hoofdstuk zijn per enkelbestemming de volgende regels opgenomen: 1. Bestemmingsomschrijving 2. Bouwregels 3. Afwijken van de bouwregels 4. Specifieke gebruiksregels 5. Afwijken van de gebruiksregels 6. Wijzigingsbevoegdheden In dit hoofdstuk is een nadere beschrijving van de enkelbestemmingen en toegestane gebruiksactiviteiten en bouwmogelijkheden opgenomen.
57
Algemene regels In hoofdstuk 3 zijn regels met een algemeen karakter opgenomen. Deze regels zijn van toepassing op het gehele plan. De algemene regels zijn (evenals de inleidende regels) van belang voor een juiste interpretatie van de bestemmingsregels. De algemene regels bestaan uit: 1. Anti-dubbeltelregeling 2. Algemene bouwregels 3. Algemene gebruiksregels 4. Algemene aanduidingsregels 5. Algemene wijzigingsregels 6. Overige regels Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 zijn de overgangs- en slotregels opgenomen. In deze regels is het overgangsrecht geregeld.
6.3.
Toelichting op de bestemmingen en aanduidingen
Agrarisch met waarden De bestemming “Agrarisch met waarden” is overgenomen uit het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en maakt in de basis enkel agrarisch bedrijfsmatig en hobbymatig grondgebruik mogelijk. Binnen de enkelbestemming zijn beperkte bouwmogelijkheden opgenomen. Het bouwvlak markeert het gebied waarbinnen het bouwen van gebouwen en bouwwerken mogelijk is. In dit geval zijn enkel bouwregels ten behoeve van de al gerealiseerde zonneweide opgenomen. De bouwregels maken de realisatie van de stellages, het gebouw voor de omvormers en het hekwerk ter bescherming van de zonneweide mogelijk. Bedrijf Voor de bestemming “Bedrijf” is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” en de daarop volgende herzieningen. Binnen deze bestemming is de exploitatie van een bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten toegestaan. Binnen deze bestemming zijn in de basis een breed scala aan bedrijfsactiviteiten mogelijk. Voor de bouwregels voor hoofd- en bijgebouwen is aansluiting gezocht bij de bestaande regeling. Voor de nieuw te realiseren loodsen zijn de noodzakelijke omgevingsvergunningen al verleend. In het bestemmingsplan heeft dan ook een doorvertaling van de in de omgevingsvergunning opgenomen maatvoeringen plaatsgevonden.
In de bouwregels van deze enkelbestemming is de totale oppervlakte bedrijfsgebouwen beperkt tot de bestaande oppervlakte, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘oppervlakte (m2)’ waarvoor geldt dat de maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan is aangegeven. In onderhavige situatie is wel al sprake van een verleende omgevingsvergunning voor alle bedrijfsgebouwen, maar zijn nog niet alle gebouwen gerealiseerd. Op de verbeelding is dan ook een aanduiding ‘oppervlakte (19.500 m2) opgenomen. Op de locatie komt op de verbeelding tevens een aanduiding ‘maximum bouwhoogte: 12m’ te liggen omdat een deel van de al vergunde bebouwing een bouwhoogte van circa 12 meter heeft. Binnen de enkelbestemming “Bedrijf” is tevens de aanduiding ‘bouwvlak’ opgenomen waarbinnen het oprichten van bedrijfsgebouwen en bouwwerken is toegestaan. Tevens is een aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’ opgenomen om alle drie de bedrijfswoningen positief te bestemmen binnen het bouwvlak. Aanduiding “Opslag en verhuur bedrijfsruimtes” De nieuwe bedrijfsactiviteiten voorzien in de verhuur van opslag- en bedrijfsruimtes. Voor de verhuur van bedrijfsruimtes geldt dat deze enkel verhuurd mogen worden voor bedrijfsactiviteiten in de milieucategorieën 1 en 2 en daarmee qua milieuimpact gelijk te stellen activiteiten.
De verhuur van opslag- en bedrijfsruimtes is niet specifiek opgenomen in de lijst van toegestane bedrijfsactiviteiten in de bijlage behorende bij het bestemmingsplan. Om onduidelijkheden te voorkomen is de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – Opslag en verhuur van bedrijfsruimtes” toegevoegd. 58
In de regels is hieraan in artikel 4.1 lid b de volgende regel gekoppeld: ‘Verhuur van opslagruimtes en/of bedrijfsruimtes aan particulieren en/of bedrijven en voor activiteiten in de milieucategorieën 1 en 2 en/of daarmee qua milieueffecten gelijk te stellen bedrijven en/of activiteiten.’ Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Het landschappelijk inpassingsplan is dekkend voor het gehele plangebied waardoor delen binnen de enkelbestemmingen “Bedrijf” en “Agrarisch met waarden” worden opgericht. Binnen beide bestemmingen is de voorwaardelijke verplichting ook van toepassing. Dit geldt dus zowel voor de bedrijfsactiviteiten en de bouw van de nieuwe loodsen alsook voor de realisatie en exploitatie van de zonneweide. De voorwaardelijke verplichting ten aanzien van realisatie, beheer en de instandhouding van de landschappelijke inpassing is derhalve opgenomen in de algemene aanduidingsregels. Voorwaardelijke verplichting waterberging In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting voor de realisatie van voldoende waterberging binnen het plangebied opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting is met een aanduiding ‘voorwaardelijke verplichting – waterberging’ opgenomen op het gehele plangebied.
De voorwaardelijke verplichting is verankerd in de regels en verzekert de realisatie van infiltratievoorzieningen met een minimale inhoud van 3.000 m3 binnen het plangebied.
59
Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Hogenbos 10, 14, Meerlo
60
Bijlage 2: Bodemonderzoek Hogenbos 10, 14, Meerlo
61
Bijlage 3: Archeologisch bureauonderzoek Hogenbos 10, 14, Meerlo
62
Bijlage 4: Aerius-berekeningen Hogenbos 10, 14, Meerlo
63
Bijlage 5: Quickscan Flora en Fauna Hogenbos 10, 14, Meerlo
64
Bijlage 6: Omgevingsdialoog Hogenbos 10, 14, Meerlo
65
Bijlage 7: Overzicht parkeerplaatsen Hogenbos 10, 14, Meerlo
66