CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toelichting

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Kempweg 12d en 15, Meterik.26.910 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale opgaven voor de diverse thema’s;

▪

Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

ambities en

31

Toetsing Onderhavige locatie ligt in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het planvoornemen draagt bij aan een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame ontwikkeling van en landbouwbedrijf. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen de Provinciale Omgevingsvisie. 3.1.3.2 Provinciale omgevingsverordening Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg in werking getreden. In deze verordening is het provinciaal beleid nader uitgewerkt in regelgeving. Het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is gebaseerd op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het hoofdstuk Ruimte van de Omgevingsverordening 2014 zijn voor een beperkt aantal onderdelen van het POL-beleid regels opgenomen. In het POL 2014 is een toelichting gegeven op de gemaakte keuzes voor de onderwerpen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarnaast zijn regelingen opgenomen die naar de mening van het Rijk door de Provincies nader moeten, dan wel kunnen worden uitgewerkt in een provinciale ruimteverordening. De ruimteverordening richt zich tot de gemeentebesturen. De instructies die in dit hoofdstuk staan moeten door de gemeentebesturen in acht worden genomen bij het opstellen van bestemmingsplannen en beheersverordeningen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen.

De ruimteverordening heeft dus geen rechtstreekse werking naar burgers en bedrijven, zoals dat voor de meeste andere hoofdstukken van de Omgevingsverordening 2014 wel het geval is. Bronsgroene landschapszone Het beleid van de provincie Limburg is er op gericht om de (huidige) landschappelijke kernkwaliteiten van de bronsgroene landschapszone te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Ontwikkelingen binnen de ruimte die het beleid voor de verschillende thema’s biedt zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden (‘ja-mits’). Bij verlies van natuurwaarden in de bronsgroene landschapszone is compensatie aan de orde. Behoud van een duurzame grondgebonden land- en tuinbouw in balans met de omgevingskwaliteiten De grondgebonden land- en tuinbouw heeft van oudsher bijgedragen aan de ontwikkeling en het beheer van het zeer aantrekkelijke en afwisselende cultuurlandschap in de bronsgroene landschapszones. De in deze sector voorkomende schaalvergroting, verbreding en ketenintegratie kan een negatief effect hebben op de aantrekkelijkheid van deze gebieden. Behoud van de grondgebonden land- en tuinbouw is echter van groot belang voor het beheer en grondgebruik van deze gebieden.

Vandaar dat er wordt ingezet op het: • meer toepassen van de beschreven ontwerpende aanpak; • stimuleren van duurzame bedrijfsontwikkeling in een kwetsbare omgeving, specifiek voor bedrijven in monumentale en beeldbepalende agrarische bebouwing; • toepassen van nieuwe financiële arrangementen en verdienmodellen, naast de reeds bestaande instrumenten zoals groenblauwe diensten. Hierbij worden ook de kansen van het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) betrokken;

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

32

•

reguleren en inpassen van teeltondersteunende voorzieningen inclusief containerteelt e.d. binnen de maat van het landschap. Om de identiteit van het landschap te waarborgen wordt uitgewerkt hoe de oprichting van grote opslagloodsen meer geclusterd kan plaatsvinden op landschappelijk minder kwetsbare locaties zoals bij bestaande bebouwing en op bedrijventerreinen. Het noordelijke deel van het plangebied is gelegen in deze zone. Milieubeschermingsgebieden De Wet milieubeheer biedt de Provincie de mogelijkheid om bepaalde gebieden aan te wijzen die een bijzondere bescherming behoeven. De Provincie heeft in de Omgevingsverordening Limburg 2014 deze bijzondere gebieden aangewezen. Dit zijn de milieubeschermingsgebieden. In hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening worden regels gesteld voor gedragingen in deze milieubeschermingsgebieden. De milieubeschermingsgebieden zijn onderverdeeld in: • waterwingebieden; • grondwaterbeschermingsgebieden; • boringvrije zones de Roerdalslenk en de Venloschol; • het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg; • stiltegebieden. Het plangebied is gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. De grondwaterbeschermingsgebieden liggen rondom de waterwingebieden. De grens van het grondwaterbeschermingsgebied wordt bepaald door de verblijfstijd van 25 jaar.

Dit betekent dat een waterdeeltje vanaf de grens van het grondwaterbeschermingsgebied tenminste 25 jaar nodig heeft om de putten te bereiken. In de Provinciale milieuverordening Limburg heeft de provincie de grondwaterbeschermingsgebieden aangegeven. In deze verordening staan ook de (extra) regels welke voor deze gebieden voor de burgers, de bedrijven, de gemeenten van toepassing zijn. Voor een aantal activiteiten en handelingen geldt een volledig verbod (bijv. voor nieuwe ondergrondse opslag van aardolieproducten). De locatie is gelegen boven de Venloschol. 3.1.3.3 Ontwerp Omgevingsverordening De provincie Limburg heeft met ingang van 7 juni de Ontwerp Omgevingsverordening Limburg ter inzage gelegd. Dit vormt een belangrijke stap om te komen tot de herziening van de nu nog geldende verordening. Met deze Ontwerp Omgevingsverordening wordt aangesloten bij de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. De inhoud van de Ontwerp Omgevingsverordening (2021) verschilt inhoudelijk niet veel van de huidige Omgevingsverordening (2014). Het betreft, zoals de provincie zelf ook aangeeft, een grotendeels beleidsneutrale omzetting van de huidige omgevingsverordening. 3.1.3.4 Beleidslijn teeltondersteunende voorzieningen Bij de toepassing van teeltondersteunende voorzieningen, zoals hagelnetten en boogkassen is het belangrijk om de landschappelijke impact te beoordelen.

Gemeenten hebben daarvoor regels in Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

33

bestemmingsplannen opgenomen als uitvloeisel van de beleidsregels teeltondersteunende voorzieningen en hagelnetten. 3.1.3.5 Toetsing provinciaal beleid De locatie is gelegen in de POL aanduiding “Buitengebied” en “Bronsgroene landschapszone”. Conform het vigerende beleid van de provincie Limburg verdient het de voorkeur om de nieuwe loods die nu gesitueerd is in de “Bronsgroene landschapszone” te situeren in het Buitengebied. Dit om de aanwezige kernwaarden in het gebied niet aan te tasten. Middels een goede motivatie is het conform het beleid mogelijk om de loods binnen de aanduiding “Bronsgroene landschapszone” te situeren. Er dient dan echter wel toegezien te worden op een goede bescherming van de te beschermen kernkwaliteiten in het gebied. Ook dienen deze middels compenserende maatregelen versterkt te worden. Aanwezige kernkwaliteiten. Uit de onderliggende stukken blijkt dat de aanwezige kernkwaliteit in de “Bronsgroene landschapszone” bestaat uit het beekdal. Het beekdal is zodanig van aard dat de daar door de provincie nagestreefde kwaliteiten beperkt aanwezig zijn. Het reliëf ter plaatse is onvoldoende om hier water vast te houden anders dan in de beek zelf. Ook is er ter plaatse geen sprake van kwel.

Het gebied is dan ook ongeschikt voor het vasthouden van het regenwater en kan niet van toegevoegde waarde zijn bij het bereiken van de ecologische doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water en/of in specifieke gevallen Natura 2000. Ook fungeert het gebied niet als ecologische verbinding tussen natuurkernen en vormen het landschappelijk raamwerk, een dergelijke verbinding is hier op basis van provinciaal niet voorzien. De gronden ter plaatse van het plangebied kunnen dan ook geen aanvullende waarde leveren t.b.v. de gewenste natuurlijk klimaatbuffer. Noodzaak realisatie loods ter plaatse. De nieuw te realiseren loods is gesitueerd in de noord westelijke hoek van het plangebied binnen de aanduiding “Bronsgroene Landschapszone”. Conform het vigerende beleid van de provincie Limburg heeft dit niet de voorkeur. De nieuwe loods wordt gebruikt voor de stalling van werktuigen. De activiteiten in de loods beperken zich tot het aan- en afkoppelen van machines in combinatie met licht onderhoud. De bestaande gebouwen en/of loodsen in de onmiddellijke nabijheid van de Kempweg worden gebruikt voor de dagelijkse werkzaamheden om de diverse plantensoorten te sorteren en op te slaan voorafgaand aan aflevering aan de klanten of aan het planten op de eigen percelen.

De aard van het gebruik van deze loodsen brengt met zich mee dat hier gedurende de dag de werknemers en ook vaak bezoekers van het bedrijf bevinden. De aard van het gebruik van deze bebouwen/loodsen verschilt daarmee aanmerkelijk van het gebruik van de nieuwe werktuigenloods. Vanwege optimale looplijnen binnen het bedrijf en ook vanwege de veiligheid van bezoekers en werknemers heeft het de voorkeur om de loods in de noord -westhoek van het plangebied te realiseren. Deze scheiding van activiteiten tussen de machine berging en agrarische activiteiten vormt in de agrarische sector vrijwel altijd de meest optimale inrichting van het locatie. Een bijkomend voordeel is dat een eventuele opslag van producten binnen de locatie wordt onttrokken aan de omgeving door de nieuwe bebouwing met inpassing. Tegenprestatie

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

34

Om de realisatie van de loods binnen de “Bronsgroene landschapszone” mogelijk te maken is het noodzakelijk dat de aangetaste waarden worden gecompenseerd en de gebiedskwaliteit wordt verbeterd. Deze compensatie en kwaliteitsverbetering is uitgewerkt in het landschapsinrichtingsplan. Dit plan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd en wordt verder besproken in paragraaf 2.3. In dit inpassingsplan is o.a. een infiltratie voorziening voor hemelwater inclusief inpassing opgenomen ten noorden van het plangebied. Een bijkomend voordeel van de nieuwe opzet van het inrichtingsplan is dat een toekomstige uitbreiding van de bebouwing kan plaatsvinden binnen de nu aan te leggen inpassing. 3.1.4

Regionaal beleid

3.1.4.1 Regionaal Ruimtelijk Kwaliteitskader Landelijk gebied Noord-Limburg (2019) Het doel van het regionaal ruimtelijk kwaliteitskader is: 'Hoe kunnen we, vanuit ons DNA waar we trots op zijn, niet alleen de kwaliteit van ons landelijk gebied behouden en versterken, maar ook de transitie-opgaven van kwaliteit voorzien?' Het Ruimtelijk Kwaliteitskader: • is een instrument om een afweging te maken of een ontwikkeling (energie, land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie) een bijdrage kan leveren aan het versterken van ons DNA. • geeft de kaders weer om bij deze afweging op regionaal niveau lokaal dezelfde uitgangspunten te hanteren. • wil bewustwording creëren over onze gedeelde kwaliteiten en de kansen hierbinnen voor ontwikkelingen. Het ruimtelijk kwaliteitskader wordt ingezet bij de afweging van initiatieven om een compleet beeld te krijgen hoe een initiatief aansluit bij het regionale DNA. Regionale opgaven Het landelijk gebied in Noord-Limburg is aan verandering onderhevig. Met name in de agrarische sector zien we schaalvergroting en intensiever grondgebruik. Daarnaast staat de regio voor een enorme (ruimtelijke) opgave in de overstap naar het duurzaam opwekken van energie, het klimaatbestendig maken van onze omgeving et cetera.

Tegelijkertijd hebben we ook een opgave als het gaat om de kwaliteit van onze woon- en leefomgeving te verbeteren en zo onze huidige én toekomstige inwoners, ondernemers en bezoekers aan ons te blijven binden. In het plangebied wordt specifiek ingezet op de wateropgave. Voor het garanderen van de waterveiligheid en het aanpakken van wateroverlast en verdroging ligt in de regio Noord-Limburg nog een grote opgave. Deze opgave vraagt ruimte voor beken & brongebieden ten behoeve van het voorkomen van verdroging & wateroverlast. DNA en ontwikkelingsperspectief Het plangebied ligt grotendeel in de 'Hoge zandgronden tussen Peel en Maas'. Daar waar de Maas de ruggengraat van onze regio is, zijn de beken de ribben. In het glooiende dekzandgebied ten westen van de Maas zijn dat de zogenaamde laaglandbeken. Het stroomgebied van deze beken is over het algemeen groot. Deze traagstromende beken die als gevolg van kanalisering, egaliseringen en ontwateringen landschappelijk soms nauwelijks herkenbaar zijn. Alleen Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

35

daar waar water en natuur samengaan wordt het beekdal gekenmerkt door kleinschaligheid: weilanden omzoomd door houtwallen en bosjes. De beken hebben van oudsher structuur gegeven aan de ontwikkeling van de regio. Wegen en bebouwing ontstonden parallel aan de beek. Ze zorgden voor water en voor de afvoer van te veel aan water. In veel gevallen zijn de beekdalen momenteel echter nauwelijks meer herkenbaar. Het mozaïek van beken, bossen en heide, laanstructuren vormt de drager van de natuurlijke en recreatieve verbinding tussen het Peelgebied en de Maasvallei, maar biedt ook ruimte voor ontwikkeling op basis van de volgende richtinggevende uitspraken: • Koester de beekdalen als natuurlijke, kenmerkende en langzame tegenhanger van het dynamische en grootschalig ontwikkelende Noord-Limburg. Maak de loop van de beken beleefbaar en bereikbaar. Versterk de rol van de beekdalen als structurerend element in het landschap en benut kansen voor klimaatadaptatie en natuurontwikkeling ? Stimuleer in de kleinschalige (oudere) ontginningsgebieden agrotoerisme (o.a. op bezoek bij de boer) en verbrede landbouw (o.a. zorgboerderijen) en extensieve recreatie. Niettemin is/blijft in deze gebieden het agrarische grondgebruik leidend en is er (beperkt) ruimte voor bebouwing en andere voorzieningen op de rand van velden of overgang naar andere gebieden.

• Concentreer grootschalige toeristisch-recreatieve ontwikkelingen in het (geografische) verlengde van de Peelbergen. • Creëer in de grootschalige (jongere) ontginningsgebieden ruimte voor de ontwikkeling van 'nieuwe landschappen' voortbordurend op de ontginningsgeschiedenis. Voor zowel de doorontwikkeling van (intensieve) landbouwbedrijven, inclusief TOV's, als voor de energietransitie (zoals zonneweides, windmolens en geothermie). • Zet in op hergebruik van leegkomende agrarische bebouwing (VAB's) primair in voor landbouw, eventuele andere gebruiksfuncties afstemmen op de mogelijkheden van het gebied. Aanpak bij initiatieven Stap 1, 2 en 3 vormen de basis om het gesprek aan te gaan met de omgeving, een soort van nulmeting. In stap 4 en 5 bekijk je samen met de omgeving wat de kern is van de ontwerpopgave. 1. Beschrijf het initiatief; 2. Analyseer de omgeving; 3. Wat zegt het beleid?; 4. Bepaal samen met omgeving de ontwerpopgave; 5. Zoek samen kwaliteit, vraag eventueel advies. Toetsing Het plangebied is gelegen in het landelijke gebied van Noord-Limburg. In het noorden is een deel gelegen binnen het beekdal. Het overgrote deel van het plangebied is aangemerkt als beekdal. Met name in de agrarische sector zien we schaalvergroting en intensiever grondgebruik binnen het “Buiengebied”.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

36

Een landschapsinrichtingsplan maakt deel uit van het bestemmingsplan, zie ook paragraaf 3.1.5.3. Binnen dit plan wordt aangegeven hoe het beekdal ter plaatse wordt versterkt. De uitbreiding vind plaats op de hoge zandgronden met een zeer beperkte aanvullende landschappelijke waarde. De locatie sluit aan bij een bestaand glastuinbouwgebied en bestaande percelen met teeltondersteunende voorzieningen. Ook wordt een voormalig glastuinbouwbedrijf hergebruikt. De nieuwe gebruiksfuncties sluiten aan bij de bestaande agrarische functies in het gebied. 3.1.4.2 POL-uitwerking Regionale visie Land- en tuinbouw Noord-Limburg (2019) In de regionale visie Land- en Tuinbouw is de gewenste ruimtelijke ontwikkelingsrichting voor de landen tuinbouw in de acht gemeenten in de regio Noord-Limburg vastgelegd. De visie heeft betrekking op de afstemming van de beleidsprincipes, van de werkwijze ingeval van nieuwe initiatieven, van initiatieven met een bovenlokaal/regionaal effect, en over een uitvoeringsprogramma met lokale en regionale acties. Het doel is dat de land- en tuinbouw in de regio Noord-Limburg een sterke economische sector is en kan blijven. Dit is alleen mogelijk indien de ontwikkeling van agrarische bedrijven blijft bijdragen aan de (ruimtelijke) kwaliteit van het landelijk gebied.

De regio Noord-Limburg zet namelijk ook in op het behouden en versterken van een aantrekkelijk landelijk gebied. Kwaliteit staat in alle opzichten voorop. Het gaat hierbij om kwaliteit van wonen, werken én recreëren. Alle aanwezige of toe te voegen functies moeten in balans met elkaar kunnen functioneren, zodat er ook voor de toekomst ontwikkelingsruimte voor de land- en tuinbouw in Noord-Limburg blijft. Ook dat is een belangrijke kwaliteit van de regio. Toetsing In de onderhavige situatie is sprake van een toekomstbestendige locaties. Zowel het korte als lange termijn toekomst perspectief is prima. De locatie is uitermate geschikt voor het beoogde gebruik en dit past dan ook binnen de omgeving. Het regionaal ruimtelijk kwaliteitskader is als hulpmiddel gebruikt voor het landschapsinrichtingsplan. Woon- en leefklimaat worden als gevolg van het gevraagde andere gebruik nergens negatief beïnvloed. 3.1.5

Gemeentelijk beleid

3.1.5.1 Teeltondersteunende voorzieningen De gemeenteraad van de gemeente Horst aan de Maas heeft op 11 juli 2019 de “Beleidsnotitie Teeltondersteunende Voorzieningen” vastgesteld. Het doel van deze beleidsnotitie is om een actueel beleidskader te hebben voor teeltondersteunende voorzieningen, op basis waarvan nieuwe ontwikkelingen en initiatieven worden beoordeeld. Het mogelijk maken van een duurzame bedrijfsontwikkeling, passend in de omgeving met oog voor de verschillende waarden enerzijds als een gezonde bedrijfsvoering en het bieden van toekomstperspectief aan de tuinbouwsector anderzijds.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

37

afbeelding 23, Uitsnede bijlage 3, analysekaart beleidsnotitie.

Het onderhavige initiatief is in strijd met het vigerende bestemmingsplan. In de onderhavige situatie is sprake van een zogenaamde “Toekomstbestendige ontwikkellocatie”, zie afbeelding 23 . Medewerking aan het plan is mogelijk als voldaan wordt aan het beleid van de gemeente zoals verwoord in deze beleidsnotitie. Ook is een aanvullende kwaliteitsbijdrage noodzakelijk. In de onderhavige situatie is sprake van een “Categorie 2” voorziening, een permante lage voorziening. De hoogte van de teeltondersteunende voorziening is maximaal 1,5 meter boven maaiveld, waarbij de teelt los van de bodem plaatsvindt, zoals containervelden, kweken op lage stellingen en kweken op/in water. De voorziening is langer dan 6 maanden per jaar aanwezig. Conform de beleidsnotie is op deze ontwikkeling de structuurvisie van toepassing. 3.1.5.2 Structuurvisie Op 9 april 2013 is de Integrale Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. Het betreft een integrale structuurvisie voor het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. De structuurvisie geeft een integraal beeld van de ruimtelijke en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen die de gemeente op haar grondgebied voor ogen staat voor de langere termijn. Verder is de integrale structuurvisie opgesteld om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid tot het plegen van kostenverhaal die de Wet ruimtelijke ordening biedt.

De structuurvisie bestaat uit een beleidskader en een uitvoeringsparagraaf waarin het Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) is geïmplementeerd. Het grondprincipe van het gemeentelijk en provinciaal) kwaliteitsmenu is, dat bepaalde ontwikkelingen ter plaatse leiden tot verlies aan omgevingskwaliteit, hetgeen dient te worden gecompenseerd door een kwaliteitsbijdrage. Dit geldt zowel binnen als buiten de ‘rode contouren’. De kwaliteitsbijdrage wordt ingezet om de omgevingskwaliteit en leefbaarheid te versterken. Het doel is dat per saldo daarmee de kwaliteit toeneemt. Toetsing Het plangebied ligt in gebied 3A van de structuurvisie (agrarisch gebied tussen Horst en Park de Peelbergen). Het ligt aan de rand van een glastuinbouwconcentratie gebied. In de onderhavige situatie is sprake van de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. In de Structuurvisie is geen Module Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

38

opgenomen voor bedrijven die in hoofdzaak trayvelden hebben (niet- grondgebonden agrarische bedrijven). Om te beoordelen of medewerking kan worden verleend is in dit geval aansluiting gezocht bij de module glastuinbouw. Qua aard zijn ze namelijk vergelijkbaar, de containerteelt en glastuinbouw (intensieve vormen van teelt, die geen open grond nodig hebben). Voor de effecten wordt vervolgens aangesloten bij de module uitbreiding grondgebonden agrarisch bedrijf. Hier is dus sprake van maatwerk. Binnen gebied 3A geldt van uitbreiding van ‘glastuinbouwbedrijven’ een meedenkende grondhouding. Hierop voortbordurend kan ook voor containerteelt een meedenkende grondhouding worden ingenomen.

afbeelding 24, Uitsnede structuurvisie Horst aan de Maas

Voor plannen die niet rechtstreeks passen in het bestemmingsplan is een kwaliteitsverbeterende maatregel verplicht. In praktijk betekent dit dat oude gebouwen in het buitengebied worden gesloopt, dan wel een financiële afdracht wordt gedaan om het kwaliteitsverlies te compenseren. In de structuurvisie zijn voor het bepalen van het af te dragen bedrag verschillende modules uitgewerkt. Voor dit initiatief wordt aangesloten voor wat betreft de effecten bij de module uitbreiding grondgebonden agrarisch bedrijf. Dit betekent dat de ontwikkeling moet worden ingepast op basis van een inpassingsplan, dat is Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

39

afgestemd op de specifieke omgevingskenmerken (landschappelijke en ruimtelijke inpassing) en dat er voorzieningen worden getroffen voor de afkoppeling van het hemelwater. Omdat de referentiemaat voor de agrarische bouwkavel wordt overschreden, geldt ook een aanvullende kwaliteitsverbetering. Dit kan zijn de sloop van bebouwing, de aanleg van nieuwe natuur of landschap en andere kwaliteitsverbeterende maatregelen. Ook dient, vanwege de overschrijding van de referentiemaat, de volledige kavel te worden ingepast. De landschappelijke inpassing, infiltratie van het hemelwater en aanvullende kwaliteitsverbetering is uitgewerkt in het landschapsinpassingsplan, zie hiervoor paragraaf 3.1.5.3 en bijlage 3. 3.1.5.3 Landschapsinrichtingsplan. Het bedrijf “De Kemp” staat aan de vooravond van een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling naar een toekomst bestendig bedrijf. Dit plant voorziet in een herinrichting van de locatie en een uitbreiding van de mogelijkheid voor teelt ondersteunende voorzieningen. Als onderdeel van dit plan voor de toekomst heeft de “Plattelandscoöperatie” een tweetal landschapsplannen opgesteld. Dit landschapsplan is als bijlage bij dit bestemmingsplan gevoegd, zie bijlage 3. Het bedrijf is gelegen aan de Kempweg op de grens van de open akkers Meterik en aan de achterzijde het Schadijkerbroekgebied.

Rondom het bedrijf is aan de voorzijde groen aanwezig tussen de inritten en aan de achterzijde staan enkele fraaie elzensingels welke het landschap een de achterzijde een kleinschaliger beeld geven. Aan de achterzijde geven de singels een aardige inpassing van het bedrijf, maar bij de nieuwe ontwikkelingen wordt een grovere inpassing gevraagd. Qua natuurwaarden geven de singels van elzen aan de achterzijde samen met de lanen een gevarieerd landschap, wat voor flora en fauna toevluchtsoorden biedt vanuit de tussenliggende landbouwpercelen. Het groen aan de Kempweg vormt een groene ader door de bedrijfsgebouwen en woonhuizen en is meer aankleding dan ecologische waarden. De landschapsplannen geven weer wat aangeplant zal worden om er een mooi geheel van te maken. Zeker door het feit dat het gehele bedrijf nu is meegenomen ontstaat er een landschappelijke structuur, waarbinnen het bedrijf zicht ontwikkeld. De forse groene rand achterzijde is een mooie tegenhanger en buffer vanuit het “cultuurlandschap”.

3.2 3.2.1

Beleidsthema’s Milieu

3.2.1.1 Milieu Effect Rapportage De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De Nederlandse regelgeving voor de milieueffectrapportage (“m.e.r.“) is opgenomen in de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Er dient in ieder geval een MER te worden opgesteld indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Daarnaast zijn in de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage drempelwaarden opgenomen voor ontwikkelingen. Wanneer een ontwikkeling groter is dan de genoemde drempelwaarde dient een MER te worden opgesteld. Op grond van een uitspraak van het Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

40

Europese Hof en het daarop aangepaste Besluit milieueffectrapportage geldt dat de omvang van het project niet het enige criterium mag zijn om te bepalen of een MER nodig is. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zoals opgenomen in de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage zit, kan een project immers nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Wanneer een project beneden de drempelwaarde ligt zoals opgenomen in het Besluit m.e.r. dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden (vergewisplicht). In het Besluit m.e.r. staan alle activiteiten opgenomen waarvoor een milieueffectrapportage (MER), aanmeldingsnotitie of vormvrije-mer noodzakelijk is. In deze mer-beoordeling worden de milieugevolgen van het plan in beeld gebracht. Als gevolg van de herziening van de m.e.r. richtlijn is nu wettelijk verankerd dat verzachtende maatregelen mogen worden meegenomen in de (vormvrije) m.e.r.- beoordeling. Er is namelijk vastgelegd dat het bevoegd gezag deze nadrukkelijk dient te beschouwen in de beslissing. Dit biedt dus de kans om reeds in een vroeg stadium maatregelen, die effecten kunnen wegnemen, te betrekken in de effectbeoordeling. m.e.r.-beoordelingsplicht In onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden.

Dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r.-procedure moet worden gevolgd. Hierbij is opgenomen dat een plan m.e.r.beoordelingsplichtig is wanneer de activiteit betrekking heeft op bijvoorbeeld: ▪ ▪ ▪ ▪

De inrichting van het landelijk gebied; De aanleg van recreatieve voorzieningen; Een stedelijk ontwikkelingsproject; De aanleg van een industrieterrein.

Het voorliggende planvoornemen betreft geen activiteit welke in onderdeel D van de bijlage bij het besluit m.e.r. is aangegeven. Vormvrije m.e.r.-beoordeling Een vormvrije m.e.r. beoordeling is voor situaties onder de drempelwaarden uit kolom 2 waarvoor een m.e.r. beoordeling noodzakelijk is, dus qua omvang relatief kleine activiteiten. Ook in deze situaties zijn er mogelijk toch belangrijke nadelige gevolgen voor milieu te verwachten. De vormvrije m.e.r.-beoordeling voor een omgevingsvergunning afwijken bestemmingplan ontstaat als in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage: ▪ ▪

De activiteit wordt genoemd in kolom 1; Niet voldaan wordt aan de voorwaarden in kolom 2.

Het voorliggende planvoornemen is een niet genoemde activiteit in kolom 1 van onderdeel D. Het perceel blijft immers in gebruik voor tuinbouwteelten waarbij doordat de teelt uit de grond gaat er op milieugebied uitsluitend voordelen ontstaan doordat hergebruik van drainwater plaats kan vinden waardoor er geen sprake meer is van uitspoeling van meststoffen of gewasbeschermingsmiddelen in de nieuwe situatie. In 2001 is de Europese richtlijn milieubeoordeling van plannen opgesteld. In 2006 is deze richtlijn geïmplementeerd in de Nederlandse milieuregelgeving door middel van een wijziging van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage 1994. Bij deze wijzigingen is de figuur van de plan-mer (mer = milieueffectrapportage) geïntroduceerd.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

41

Ten aanzien van plannen die (uiteindelijk) kunnen leiden tot concrete projecten of activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn overheden verplicht een plan-mer uit te voeren. De plan-mer dient een passende beoordeling van de gevolgen van het plan voor het milieu te bevatten. Ook ten aanzien van bestemmingsplannen welke mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben geldt deze onderzoek plicht onder voorwaarden. Onderhavig plan valt niet onder de in onderdeel C of onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten. Geconcludeerd wordt derhalve dat het opstellen van een milieueffectrapportage of beoordeling in de onderhavige situatie niet nodig is. 3.2.1.2 Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Het Activiteitenbesluit) In het besluit zitten algemene regels voor bedrijven die onder de Wm vallen en voorheen een milieuvergunning nodig hadden. Het Barim (Activiteitenbesluit) maakt onderscheid tussen 3 categorieën van bedrijven: type A, B en C. Het hangt af van de milieubelasting, onder welke categorie een bedrijf valt. Type A bedrijven moeten zich houden aan de regels van het Barim (Activiteitenbesluit) maar zijn niet meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten. Type B bedrijven zijn wel meldingsplichtig ten aanzien van hun activiteiten.

Voor type C bedrijven geldt dat zij (voor het onderdeel milieu) nog steeds een omgevingsvergunning moeten aanvragen Het Activiteitenbesluit is een Algemene Maatregel van Bestuur. Dit betekent dat bedrijven aangeduid met het begrip inrichting, die onder dit besluit vallen, geen aparte omgevingsvergunning milieu nodig hebben, maar wel moeten voldoen aan de regels uit het besluit. De regels zijn bedoeld om een zo groot mogelijke bescherming van het milieu te bereiken. Meer specifiek gaat het daarbij om het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van gevaar, schade of hinder voor de directe omgeving. Daarnaast zijn meer op preventie gerichte voorschriften opgenomen over verwijderen, voorkomen en hergebruiken van afvalstoffen en zuinig gebruik van energie en water. De vergunningplicht betreft: • •

Omgevingsvergunning milieu (Wabo, artikel 2.1 onder e) en/of Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (Wabo, artikel 2.1 onder i). De Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) is een toestemming van het bevoegd gezag voordat een bedrijf kan starten met deze activiteiten. Deze vergunning bevat verder geen voorschriften. Sinds 1 januari 2011 heeft een bedrijf deze vergunning nodig voor specifiek aangewezen activiteiten. Het onderhavige initiatief heeft betrekking op een agrarisch bedrijf dat met name actief is in de vermeerdering van aardbeien en aspergeplanten. Het bevoegd gezag kan alleen meewerken aan de gevraagde wijziging van het bestemmingsplan indien voldaan wordt aan o.a. wet Milieubeheer. Hiervoor is het nodig dat voldaan wordt aan de voorwaarden voor een melding conform het activiteitenbesluit milieubeheer of, wanneer dit niet mogelijk is, een omgevingsvergunning conform artikel 2.1 lid 1 onder e van de Wabo verleend kan worden. Om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de voorwaarden voor een melding conform het activiteitenbesluit zijn de volgende activiteiten van belang; 1. Telen van gewassen in de open lucht, par. 3.5.3. Het bedrijf voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in art. 3.78 t/m art. 3.88 van het activiteitenbesluit milieubeheer. Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

42

2. Waterbehandeling voor agrarische activiteiten, par. 3.5.4. Het bedrijf voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in art. 3.89 t/m art. 3.91 van het activiteitenbesluit milieubeheer. Op grond van het activiteitenbesluit voldoet het bedrijf aan de voorwaarden. Het bedrijf voldoet ook aan de verdere daaraan gestelde voorwaarde. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw zal ook een melding in het kader van het activiteitenbesluit plaatsvinden. 3.2.1.3 Bodem en grondwater De Wet bodembescherming is op 3 juli 1986 inwerking getreden en bevat het wettelijk kader voor het bodembeleid. Op 1 januari 2006 is de Wet Bodembescherming gewijzigd (artikel 46 Besluit financiële bepalingen bodemsanering). De grote hoeveelheid verontreinigde locaties maakte dit noodzakelijk. Met de voortzetting van het toenmalige beleid zou het nog zeker honderd jaar duren voordat de Nederlandse bodem `schoon’ is. De nieuwe regels moeten er voor zorgen dat de bodemverontreinigingsproblematiek in circa vijfentwintig jaar wordt beheerst. Dit door bodemsaneringen beter aan te laten sluiten bij de maatschappelijke dynamiek. Het doel is zo te komen tot een effectiever bodembeleid. Volgens de modelverordening van de VNG is er een bodemonderzoek noodzakelijk indien er op de locatie mensen langer dan 2 uur in de gebouwen verblijven.

In de onderhavige situatie is dit voor een deel van het plangebied van toepassing. Om deze reden is het gehele plangebied onderzocht. Toetsing Kempweg 11, 13 en 15. Econsultancy heeft de locatie aan de Kempweg 11, 13 en 15 te Meterik in november 2017 onderzocht, zie bijlage 5a. Het vooronderzoek is verricht conform de NEN 5725. Volgens historisch kaartmateriaal was de locatie, alsmede de omgeving ervan, in agrarisch gebruik en werd extensief bewoond. Tot op heden is dit gebruik van de onderzoekslocatie niet wezenlijk veranderd. De onderzoekslocatie is deels in gebruik als containerveld, grasland en deels als opslagterrein en heeft voor zover bekend altijd een agrarische bestemming gehad. Op 1 november 2017 is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. Op de locatie bevinden zich 2 paden die leiden naar het achter terrein. Deze paden zijn voorzien van een semi verhardingslaag bestaande uit gebroken puin. Gezien de toepassingsperiode is het aannemelijk te stellen dat alhier geen verontreiniging met asbest wordt verwacht. Daarbij zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen waargenomen. Verder kwam de tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in hoofdstuk 4.

Op de onderzoekslocatie zijn verder geen mogelijke bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging aangetroffen. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Er zijn, vooralsnog, geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Op basis van het vooronderzoek en de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bouwplannen op de onderzoekslocatie. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

43

Toetsing Kempweg 12. Econsultancy heeft de locatie aan de Kempweg 12 te Meterik in oktober 2019 onderzocht, zie bijlage 5b. Het historisch bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en heeft tot doel te bepalen of er aanleiding bestaat voor het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740 en/of NEN 5707, door middel van een archiefonderzoek, een interview met de eigenaar/gebruiker en een terreininspectie. Het vooronderzoek is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Er zijn geen aanwijzingen gevonden, die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de onderzoekslocatie te verwachten. Op basis van het vooronderzoek en de terreininspectie kan gesteld worden dat er milieuhygiënisch géén belemmeringen bestaan voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging op de onderzoekslocatie. De onderzoeksresultaten geven géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag. 3.2.1.4 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm).

Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. b. c. d.

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel ‘Niet in betekende mate’ is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interim periode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

44

stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De ministeriële Regeling NIBM geeft aan in welke gevallen een nieuw project in ieder geval een NIBMproject is. Dit is bijvoorbeeld het geval als er minder dan 500 woningen worden gebouwd bij minimaal één ontsluitingsweg, of minder dan 1.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. De Regeling NIBM geeft daarnaast aan, wanneer een nieuwe inrichting of een uitbreiding van een bestaande inrichting NIBM is. In de Regeling NIBM zijn voor twee categorieën inrichtingen (getalsmatige) grenzen opgesteld: 1. landbouwinrichtingen (voorschrift 1A.1 en 1B.1) 2. spoorwegemplacementen (voorschrift 1A.2 en 1B.2) De Regeling NIBM noemt de volgende subcategorieën van landbouwinrichtingen: a. akkerbouw- of tuinbouwbedrijven met open grondteelt* b. inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor witloftrek of teelt van eetbare paddenstoelen of andere gewassen in een gebouw* c. permanente en niet-verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen* d. permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van ge-wassen, mits niet groter dan 2 hectare (3% criterium); e. kinderboerderijen*.

* Al deze inrichtingen zijn NIBM, ongeacht de omvang van het bedrijf.

Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving bedroeg in 2017 de concentratie fijnstof PM10 ter plaatse 18,64 μg/m³ en de concentratie fijnstof PM2,5 11,34 μg/m³. De concentratie stikstofdioxide NO2 ter plaatse bedroeg in 2017 17,45 μg/m³. In de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 en PM10 40 μg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 μg/m³. Volgens de kaarten van het Planbureau voor de Leefomgeving is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Toetsing De uitbreiding van het bestaande agrarisch bedrijf, gericht op vollegronds tuinbouw en akkerbouw, draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Dit soort agrarische bedrijven draagt namelijk, ongeacht de omvang, niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Volgens de kaarten van het planbureau voor de leefomgeving is ter plaatse sprake van een luchtkwaliteit die voldoende om te spreken over een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor realisering van de beoogde uitbreiding van de bedrijfsgebouwen.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

45

3.2.1.5

Geluid en Trillingen

Achtergrond In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien geluidgevoelige objecten (zoals bijvoorbeeld woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van een weg, spoor of gezoneerd industrieterrein akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. De voorgenomen ontwikkeling behelst de uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf met daarbij behorende bedrijfsgebouwen. Agrarische bedrijfspanden betreffen geen geluidgevoelig objecten. Vanuit de Wgh bestaan er derhalve geen belemmeringen voor realisering van de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen en het trayveld. De ontwikkelingen ten zuiden van de Kempweg vindt plaats op zeer grote afstand van woningen. Ten noorden van de Kempweg is er geen sprake van wijziging van de in- en uitritten en wordt het gebruik niet intensiever. Nu wordt gebruik gemaakt wordt van externe koel-/vriesruimte. In de toekomst is het de bedoeling dat dit in eigen beheer plaats gaat vinden op de hoofdlocatie. Het legaliseren van het trayveld aan de noordzijde brengt geen aanvullende akoestische bronnen met zicht mee ten opzichte van het gebruik van het perceel als vollegrondsperceel. Op het perceel van het trayveld zullen in ieder geval werkzaamheden en laad -en losactiviteiten worden uitgevoerd, die een geluidemissie veroorzaken. Verder zullen er voor de beregening ook elektrapompen in werking zijn.

Ook in de huidige situatie, het gebruik van het perceel als vollegrondsperceel, zijn er geluidsemissies. In de nieuwe situatie zijn er geluidsemissies. Echter deze zijn minder als de huidige situatie daar er geen zware grondbewerkingen en beregening met beregeningsmotoren op diesel meer plaatsvinden. Gezien het voorgaande is er geen noodzaak tot een akoestisch onderzoek. De voorgenomen activiteit leidt namelijk niet tot een verslechtering van de woon- en leefomgeving voor de in de nabijheid gelegen locaties. Voor het toelaten van een zogenoemde ‘locatiegebonden activiteit’ is door HMB een akoestisch onderzoek uitgevoered. Deze is als bijlage 9 aan deze toelichting gevoegd. Uit het onderzoek volgt dat de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt alleszins inpasbaar is in de lokale omgeving. Aanvullende geluidreducerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Toetsing Het aspect geluid vormt geen belemmering voor realisering van de beoogde uitbreiding van de bedrijfsgebouwen. 3.2.1.6 Geur Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Omliggende veehouderijen mogen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Daarnaast dient bij de vestiging van een veehouderij rekening te worden gehouden met aan te houden afstanden tot bestaande geurgevoelige objecten. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

46

de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Horst aan de Maas beschikt niet over een geurverordening. Voor het bepalen van de toe te passen normen is het eveneens van belang of het gebied is gelegen binnen een concentratiegebied als bedoeld in bijlage l van de Meststoffenwet, hetgeen voor de gemeente Horst aan de Maas van toepassing is. Dit betekent dat de onderstaande wettelijke normen en afstanden van toepassing zijn binnen het grondgebied van de gemeente: •

de norm van 3 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom; • de norm van 14 ouE/m3 voor de maximale geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen het buitengebied; • een vaste afstand van 100 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in de bebouwde kom; • een vaste afstand van 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen in het buitengebied Naast geurnormen houdt de Wgv ook rekening met (vaste) afstanden van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Bij deze afstanden gaat het om dieren waarvoor in de Rgv geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, waaronder paarden. De minimaal aan te houden afstand bedraagt zoals hiervoor reeds aangegeven 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Deze afstand geldt ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt. De te toetsen afstand wordt gemeten tussen de buitenzijde van een geurgevoelig object en het dichtstbijzijnde emissie-punt. Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Toetsing; In de onmiddellijke nabijheid van het plangebied ligt een paardenhouderij. De afstand tussen beide bouwvlakken bedraagt ca. 45 m. De afstand tussen de bestaande bedrijfsgebouwen is aanmerkelijk groter.

De uitbreiding van het bouwvlak vindt plaats op een minimale afstand van ca. 60 m. van de paardenhouderij. Het onderhavige plan maakt het niet mogelijk om nieuwe bedrijfsgebouwen op te richten binnen 50 m. van de paardenhouderij. Een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe bedrijfsgebouwen is gegarandeerd. De uitbreiding vormt geen belemmering voor de bestaande en toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van de paardenhouderij. 3.2.1.7 Milieuzonering/Bedrijvigheid De handreiking Bedrijven en milieuzonering is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke inrichting. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. De handreiking Bedrijven en milieuzonering is ingrijpend herzien in 2007 en in 2009 licht gewijzigd. De belangrijkste toepassing van de handreiking Bedrijven en milieuzonering is het gebruik bij het opstellen van een bestemmingsplan met bedrijfsbestemmingen. Niet alle soorten bedrijven zijn geschikt voor alle bedrijventerreinen. Sommige terreinen zijn alleen geschikt voor lichte bedrijvigheid. Op andere terreinen kan juist de zware industrie een plek vinden. De handreiking onderscheid 6 milieucategorieën: van heel licht (milieucategorie 1) tot heel zwaar (milieucategorie 6). In de Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

47

handreiking is een lijst opgenomen met ruim 600 verschillende typen bedrijvigheid, elk met een eigen milieucategorie. Deze lijst kan in het bestemmingsplan vertaald worden naar een Staat van bedrijfsactiviteiten, die aan de regels van het bestemmingsplan kan worden gevoegd. In bijlage 4 van de handreiking is een lijst opgenomen met typen bedrijven die, onder voorwaarden, geschikt zijn voor gebieden met functiemenging (met onder meer bedrijven en woningen bij elkaar in één gebied). Deze lijst kan worden gebruikt voor het samenstellen van een Staat van bedrijfsactiviteiten bij de regels van een bestemmingsplan voor een gebied met functiemenging. De handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt daarnaast gebruikt voor: • locatiekeuze studies voor bedrijven, bedrijventerreinen en woningen nabij bedrijven • de ruimtelijke inpassing van woningen nabij bedrijven en bedrijventerreinen • de toetsing van concrete (bedrijfs)activiteiten in het kader van vrijstellingen van het bestemmingsplan. In de handreiking zijn al deze toepassingen in concrete praktijkgerichte stappenplannen uitgewerkt. Toetsing De beoogde activiteit is in de handreiking vermeld onder code 011, Akkerbouw en fruitteelt (bedrijfsgebouwen). Een grondgebonden agrarisch bedrijf (Akkerbouw en fruitteelt) valt onder categorie 2. De richtafstand bedraagt 30 meter voor het aspect geluid.

Voor de overige aspecten (geur, stof en gevaar) is de richtastand 10 meter. Een aantal omliggende bedrijven liggen binnen deze afstand van 30 meter, namelijk op circa 20 meter (zie ook paragraaf 3.2.1.9.). In de paragraaf geluid (paragraaf 3.2.1.5) is geconcludeerd dat er geen noodzaak tot een akoestisch onderzoek. De voorgenomen activiteit leidt namelijk niet tot een verslechtering van de woon- en leefomgeving voor de in de nabijheid gelegen locaties. Op basis hiervan kan gesteld worden dat aan het aspect geluid voldaan kan worden. Voor de andere aspecten geldt dat geen bedrijf binnen de richtastand van 10 meter ligt. Ten aanzien van de ruimtelijke effecten van de omgeving op het plangebied wordt opgemerkt dat in de nabijheid geen bebouwing is gesitueerd die mogelijk een belemmerende factor oplevert voor vergroting van het bouwvlak. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor realisering van de beoogde uitbreidingsplannen. 3.2.1.8 Externe veiligheid Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is in 2004 in werking getreden. Hiermee zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. In 2004 is ook de Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (REVI) in werking getreden. Deze regeling strekt tot uitvoering van het BEVI.

Het BEVI heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

48

risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. De locatie is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour. Groepsrisico: Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Vanuit het Bevt geldt deze verantwoordingsplicht alleen bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde of bij een toename van het groepsrisico.

Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Op de locatie worden geen activiteiten verricht die een toename van groepsrisico met zich meebrengen. Risicokaart Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risicoveroorzakende bedrijven en objecten zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tank-stations enz.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

49

afbeelding 25, Bron; Risicokaart.nl

Volgens de Risicokaart liggen er in de directe omgeving geen inrichtingen die onder het Bevi vallen en liggen er ook geen kwetsbare objecten. Wel ligt er ten oosten van het plangebied Een buisleiding van de Gasunie. Aansluitend aan deze buisleiding ligt een aardgasontvangst station. Dit station heeft een risicocontour van 25 m. De afstand tussen dit station en het plangebied bedraagt ca. 385. Het plangebied ligt buiten de contour behorende bij dit gasontvangststation. Ten westen van het plangebied ligt aan de Molengatweg 4 een glastuinbouwbedrijf met een bovengrondse propaangastank. De veiligheidscontour voor deze tank bedraagt 25 m. De afstand tussen deze contour en het plangebied bedraagt ca. 200 m. Het plangebied ligt buiten de contour behorende bij dit gasontvangststation. Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) De staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, heeft op 19 maart 2014, de regeling gepubliceerd over de vaststelling van de ligging van de risicoplafonds langs transportroutes en regels voor ruimtelijke ontwikkelingen langs transportroutes in verband met externe veiligheid (Regeling basisnet) Om duidelijkheid te verschaffen in de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen is het Basisnet ontwikkeld.

Het Basisnet geeft de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, vaarwegen en spoorwegen. Zo wordt beschreven welke ruimtelijke ontwikkelingen al dan niet zijn toegestaan in het gebied tot 200 meter vanaf de infrastructuur. Het Basisnet beperkt zich tot de rijksinfrastructuur. Binnen het Btev krijgen provincies de mogelijkheid om voor provinciale wegen een provinciaal Basisnet vast te stellen. Voor Limburg zijn in 2009 en 20100 tellingen verricht en berekeningen Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

50

uitgevoerd om inzicht te krijgen op de risico’s van het vervoer van gevaarlijke stoffen via de provinciale wegen. Hieruit blijkt dat in Limburg, nu en in de toekomst (tot 2020) geen knelpunten te verwachten zijn. Slechts op één locatie was sprake van een plaatsgebonden risicocontour die buiten de weg valt (N280 bij Roermond). Daarbinnen mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden ontwikkeld. Doordat zich geen knelpunten voordoen wordt momenteel bezien of het vaststellen van een provinciaal Basisnet voor Limburg meerwaarde heeft. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een transportroute die is opgenomen in het basisnet. Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor realisering van de beoogde uitbreiding van de bedrijfsgebouwen. 3.2.1.9 Omgekeerde werking In de onderhavige situatie is sprake van een plan dat voorziet in de uitbreiding van een bouwvlak waardoor het mogelijk wordt om o.a. meer gebouwen op te richten. Als gevolg hiervan worden onder andere geurgevoelige functies binnen deze uitbreiding mogelijk. Om te kunnen spreken van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat de gevraagde planwijziging niet leidt tot significant negatieve gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van nabij gelegen gronden en gebouwen.

Ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming moet worden nagegaan of een partij onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

1

2

4

2

3

afbeelding 26, Uitsnede vigerend bestemmingsplan; 1. Uitbreiding bouwvlak “agrarisch – nevenactiviteit”. 2. Uitbreiding trayveld “agrarisch – nevenactiviteit”.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

51

3. 4.

Uitbreiding bouwvlak “glastuinbouw”. Uitbreiding “agrarisch – waterbassin”.

Burgerwoningen De uitbreiding van het trayveld vind plaats aan de Noordwest zijde van het bestaande trayveld. De meest nabijgelegen woning is gelegen op een afstand van ca. 140 m. Na uitbreiding van het bouwvlak bedraagt de afstand van de rand van het bouwvlak tot deze woning 130 m. De afstand tussen de uitbreiding aan de Seurenweg en de bebouwde kom van Meterik bedraagt ca. 300 m. Zoals reeds eerder aangegeven wordt op grond van de handreiking bedrijven en milieuzonering een richtafstand aangegeven van 30 m. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is het niet toegestaan om een woning op te richten binnen 25 m. van een trayveld. De bestaande afstand tussen de woning en het trayveld wijzigt als gevolg van de voorliggende planwijziging niet. De gevraagde ontwikkeling heeft geen onevenredige negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat binnen bestaande (burger|)woningen in de omgeving van het plangebied. Agrarische bedrijven In de omgeving van het plangebied zijn meerdere agrarische bedrijven gevestigd waaronder ook een veehouderij. De gewenste afstand tussen de gevraagde uitbreiding van het bouwvlak en de betreffende agrarische activiteit is afhankelijk van de aard van de activiteit.

DR Droesenweg 4 Kempweg 9 Kempweg 9c Kempweg 12

Agrarisch Agrarisch Agrarisch Agrarisch

Activiteit Grondgebonden Grondgebonden Paardenhouderij rondgebonden

Gewenst 640 25 30 25

Bestaande 340 300 50 150

Nieuw 340 300 50 150

Kempweg 14

Agrarisch

Glastuinbouw

25

20

20

Kempweg 14 c

Agrarisch

Glastuinbouw

25

20

20

Kempweg 16

Agrarisch

Glastuinbouw

25

20

20

Kempweg 18 Kempweg 20

Agrarisch Agrarisch

Glastuinbouw Glastuinbouw

25 25

140 230

140 230

Tabel 1, afstanden tot nabij gelegen bedrijven.

Een aantal omliggende bedrijven liggen binnen deze afstand van 30 meter, namelijk op circa 20 meter (zie ook paragraaf 3.2.1.7.). In de paragraaf geluid (paragraaf 3.2.1.5) is geconcludeerd dat er geen noodzaak tot een akoestisch onderzoek. De voorgenomen activiteit leidt namelijk niet tot een verslechtering van de woon- en leefomgeving voor de in de nabijheid gelegen locaties. Op basis hiervan kan gesteld worden dat aan het aspect geluid voldaan kan worden. Voor de andere aspecten geldt dat geen bedrijf binnen de richtastand van 10 meter ligt. Ten aanzien van de ruimtelijke effecten van de omgeving op het plangebied wordt opgemerkt dat in de nabijheid geen bebouwing is gesitueerd die mogelijk een belemmerende factor oplevert voor vergroting van het bouwvlak.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

52

•

Bestemmingsplan De minimale afstand tussen een en een kas of een perceel voor teeltondersteunende voorzieningen is op grond van het bestemmingsplan 25 m. Het voorliggende plan voorziet niet in het oprichten van nieuwe bedrijfsgebouwen of het trayveld binnen 25 m. van een andere agrarische bestemming.

•

Milieuzonering / Bedrijvigheid Op grond van de handreiking bedrijven en milieuzonering is wordt voor glastuinbouwbedrijven in een gemengd gebied een minimale afstand geadviseerd van 10 m. Voor bedrijven die dieren houden zoals een paardenhouderij wordt een minimale afstand geadviseerd van 30 m. Aan deze afstandseisen wordt voldaan.

•

Wet milieubeheer / activiteitenbesluit Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet de afstand vanuit het dierenverblijf tot aan een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 100 meter zijn. Als het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt, dan geldt een afstand van minimaal 50 meter. Deze afstand wordt gemeten vanuit het emissiepunt van het dierenverblijf. De afstand van de buitenzijde van het dierenverblijf tot de buitenkant van het geurgevoelig object is ten minste 50 meter als het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom ligt. Als het buiten de bebouwde kom ligt, is de afstand minimaal 25 meter. Voor bedrijven zonder dieren gelden er momenteel geen vaste minimale afstanden meer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16846953/1