CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

04c Toelichting

Gemeenteraad 12 mei 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Kempweg 12d en 15, Meterik.26.910 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

De woning “Kempweg 11” ligt op een afstand van 50 m. van het bouwvlak van de paardenhouderij. Het nu voorliggende plan maakt het niet mogelijk om een geurgevoelig object op te richten binnen een afstand die minder is dan 50 m. van het bouwvlak. Overige bedrijven zoals een pluimveehouderij (Schengweg 6), de camping (grotmolenweg 19) of de molen (schadijkerweg 36, liggen op een zodanige afstand dat deze bedrijven niet belemmerd worden in hun bestaande mogelijkheden. Ook is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Conclusie Bestaande rechten van bewoners en bedrijven in de omgeving worden als gevolg van de gevraagde planwijziging niet aangetast. 3.2.2

Waterparagraaf

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.Watertoets Sinds 1 november 2003 zijn overheden wettelijk verplicht om de watertoets procedure toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets is een instrument waarmee waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze worden meegewogen in de belangenafweging. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder zo vroeg mogelijk met elkaar in gesprek brengt. Alle ruimtelijke plannen die van invloed kunnen zijn op de waterhuishouding worden voor advies voorgelegd aan de waterbeheerders. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

53

waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. De waterhuishoudkundige aspecten die in de watertoets procedure worden betrokken zijn de veiligheid, wateroverlast, watervoorziening, verdroging en riolering. Er wordt aandacht besteed aan zowel grondwater als oppervlaktewater en aan zowel waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het watertoets proces loopt van de locatiekeuze tot en met de inrichting en is van toepassing zowel in de stad als in landelijk gebied. De watertoets procedure is verplicht voor alle bestemmingsplannen en uitgebreide omgevingsvergunningsprocedures, inclusief uitwerkings- en wijzigingsplannen (zie het Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.1). Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Aan de voorschriften in het activiteitenbesluit voor wat betreft de first flush opvang vereisten zal in de nadere uitwerking van het plan worden voldaan. Het waterschap heeft de uitgangspunten opgenomen in het praktisch handboek watertoets.

Mate waarin wordt afgekoppeld; Beleid van het waterschap is om te proberen 100% van het verhard oppervlak af te koppelen en het schone regenwater te infiltreren in de bodem. De volgende stap is het bergen van water. Pas wanneer vasthouden en bergen niet mogelijk is kan gekozen worden voor afvoeren. Sinds 1 april 2019 is er een nieuwe keur. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt er voor verhard oppervlak een nieuwe eis van 100 mm in 24 uur. Zie bovenstaande toetsingspunten. Bij nieuwe ontwikkelingen is het streven om alles zoveel mogelijk klimaat adaptief aan te leggen. Daarnaast zal er ook met het activiteitenbesluit rekening moeten worden gehouden. In het activiteitenbesluit wordt naast een opvang van water ook een first flush berging gevraagd voor tray en container teelt. Keuze van voorziening Kempweg 15: Plantenkwekerij de Kemp B.V. heeft op de locatie Kempweg 11, 13 en 15 te Meterik momenteel een bestemd verhard oppervlak van 3,739 hectare aan bebouwing/trayveld. Van deze oppervlakte was voor 2003 reeds 1,962 hectare bestemd en is de watertoetsprocedure niet van toepassing omdat dit een reeds bestemde situatie betrof. Voor de oppervlakte van 3,739 hectare -/- 1,962 hectare = 1,777 hectare van de bestaande bestemde oppervlakte wordt meegenomen in de watertoetsprocedure (gerealiseerd na 2003).

Middels onderhavige procedure wordt het bestemde verhard oppervlak vergroot met 2,9685 hectare. In totaal komt hiermede het bestemde verharde oppervlak op 4,7455 hectare waarvoor de watertoetsprocedure van toepassing is. In de huidige situatie is er de beschikking over een hemelwaterbassin met een afmeting van circa 45 meter bij 35 meter = 1.575 m². Het bassin is gemiddeld 3,25 meter diep waardoor de bergingscapaciteit 5.118m³ bedraagt. Daarnaast is het trayveld van 3 hectare voorzien van een lavalaag van 10 cm dik. Gezien de poreusheid van de lava voorziet het tray(lava)veld in een bergingscapaciteit van 40% te weten 1.200 m³ in het trayveld. Hierdoor is er op de locatie een bergingscapaciteit aanwezig van 6.318m³ in totaal. Bij de realisatie van dit bassin is reeds rekening behouden met toekomstige uitbreiding van het verharde oppervlak van de onderhavige locatie. Tevens wordt ten noordwesten van de locatie een Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

54

infiltratiezone (licht verdiept gelegen inpassingsstrook). In deze inpassingsstrook van circa 120 meter lang en circa 10 meter breed wordt de landschappelijke inpassing licht verdiept gerealiseerd waardoor infiltratie in deze zone mogelijk is. Naar verwachting resteert circa 0,5 hectare nieuwe overig verhard oppervlak welke afwatert naar deze infiltratiezone. De infiltratiezone krijgen een inhoud van circa 700-800 m3. De huidige bouwwerken incl. trayvelden wateren af op het hemelwaterbassin. De toekomstige bouwwerken zullen ook afwateren op het hemelwaterbassin. Ter plaatse van de infiltratiezone is sprake van een k-waarde tussen de 0,45-0,75 m/dag hetgeen afdoende is om voldoende water te kunnen infiltreren. Op tekening is de infiltratievoorziening weergegeven. Er zal een nood overstort vanuit het hemelwaterbassin op de waterlossing “Diepeling” van Waterschap Limburg. De bodemdoorlatendheid van de ondergrond is op onderstaande kaart vanuit het Waterschap weergegeven. De plangebied is indicatief middels rode omlijning weergegeven:

afbeelding 27, Bodemdoorlatendheid

De beregening van het trayveld vindt plaats vanuit het hemelwaterbassin en tevens de bestaande grondwaterputten. Dynamische hemelwaterberging Kempweg 15: De dynamische hemelwaterberging dient te voldoen aan de eisen van het waterschap. Boven de statische waterberging dient een dynamische buffer gerealiseerd worden waarin een bui van 100 mm in 24 uur dient 4.7455 m³ geborgen te worden. De voorziening mag tot aan de rand gevuld zijn. Gezien het feit dat voorgenoemde hoeveelheden op de locatie in de bestaande voorzieningen kunnen worden geborgen heeft dit plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Verder wordt er een plasdraszone aangelegd. Dit is een laagte langs de singel en de vrijkomende grond wordt gebruikt in de aangrenzende singel. De breedte is ca 3 meter en geeft extra variatie. Door Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

55

de steile taluds en op andere plekke erg flauw wordt er een laagte gecreëerd welke met regenwater soms gevuld zal zijn. Deze is niet waterhoudend. Keuze van voorziening Kempweg 12d glastuinbouwperceel: Plantenkwekerij de Kemp B.V. heeft op de locatie Kempweg 12d te Meterik momenteel een bestemd verhard oppervlak van 4,202 hectare aan bebouwing/bouwvlak. Deze oppervlakte was voor 2003 reeds volledig bestemd en hierdoor is de watertoetsprocedure niet van toepassing omdat dit een reeds bestemde situatie betrof. In de huidige situatie is er de beschikking over een hemelwaterbassin met een afmeting van circa 30 meter bij 40 meter = 1.200 m². Het bassin is gemiddeld 3,5 meter diep. Deze zal worden verdiept tot 4,5 meter, waardoor de bergingscapaciteit 5.400 m³ bedraagt. Dit bassin zal ook worden gebruikt voor de uitbreiding van het bouwvlak ten behoeve van glastuinbouw aan de zuidzijde van deze locatie. Na uitbreiding van het bouwvlak voor realisatie van glasopstanden is er een toename van het bouwvlak met 1,2 hectare waardoor het totale bouwvlak een oppervlak van 5,4 hectare verkrijgt. Gezien het feit dat voorgenoemde hoeveelheden op de locatie kunnen worden geborgen heeft dit plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. Keuze van voorziening Kempweg 12d trayveld: Omgang met hemelwater nieuwe trayveld.

Het nieuwe trayveld en bijbehorende hemelwaterbassin wordt gerealiseerd op kadastrale percelen in totaal groot circa 7,1 hectare. Het hemelwaterbassin zal een inhoud verkrijgen van circa 7.100 m³ waarbij dit bassin naast een statische berging van 3.550 m³ een de dynamische berging van 3.550 m³ zal worden gerealiseerd. De dynamische hemelwaterberging dient te voldoen aan de eisen van het waterschap. Op basis van 100 mm in 24 uurdient met een verhard oppervlak van 7,1 hectare 7.100m³ hemelwater te worden geborgen. Gezien het feit dat voorgenoemde hoeveelheden op de locatie kunnen worden geborgen heeft dit plan geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding. De bodemdoorlatendheid van de ondergrond is op de bovenstaande kaart vanuit het Waterschap weergegeven. De plangebied is indicatief middels rode omlijning weergegeven op bovenstaande afbeelding van de bodemdoorlatendheidskaart. Toepassing van duurzame bouwmaterialen; Om bodemverontreiniging te voorkomen dient het gebruik van uitlogende materialen voorkomen te worden in de te realiseren bouwwerken/gebouwen. Uitlogende bouwmaterialen zijn: • koper • zink • bitumen • lood Sinds de wettelijke verankering van de watertoets in het Besluit op de ruimtelijke ordening van 1 november 2003 worden de waterbeheerders eerder en vaker betrokken bij het opstellen van nieuwe ruimtelijke plannen (Bro artikel 3.1.1).

In de praktijk wordt vooral een wateradvies gevraagd voor concept- of voorontwerp-bestemmingsplannen en projectbesluiten.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

56

Voor plannen waarbij door de aard of omvang van het plan geen gevolgen voor de waterhuishouding te verwachten zijn, hoeft geen (pre)wateradvies te worden aangevraagd bij het watertoetsloket en bepaalt de gemeente zelf aan welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden het plan moet voldoen. Het waterschap Limburg heeft inmiddels advies uitgebracht. Deze uitgangspunten zijn in deze paragraaf verwerkt. 3.2.2.1 Regen- en afvalwater In het kader van de waterhuishouding dient nagegaan te worden hoe met regenwater en afvalwater wordt omgegaan in het plangebied. Het waterschap eist een scheiding van beide waterstromen. Voor het regenwater is het principe: vasthouden, bergen en dan pas afvoeren. Het hemelwater afkomstig van de nieuwe bebouwing en nieuwe verharding wordt opgevangen conform bovenstaande watervoorzieningen. De afvoer van huishoudelijk afvalwater wordt op de gebruikelijke manier aangesloten op het riool. Bij de bouw van de nieuwe bedrijfsgebouwen worden geen uitlogende materialen gebruikt, waardoor er geen risico is voor verontreiniging van hemelwater. 3.2.3

Cultuurhistorie en Archeologie

3.2.3.1 Cultuur Historische Waarden Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is- door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld. In gebieden met een lage indicatieve archeologische waarde is er een geringe kans op het aantreffen van archeologische waarden. De raad van Horst aan de Maas heeft op 26 mei 2015 de 'Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas' vastgesteld. Het gemeentelijk grondgebied wordt hier opgedeeld in verschillende categorieën. Per categorie maakt het gemeentelijk archeologiebeleid inzichtelijk of, en zo ja waar en wanneer archeologisch (voor)onderzoek nodig is bij ruimtelijke planvorming en bodemingrepen, en welke eisen en ontheffingen daarbij gelden.

Cultuurhistorische waarden van een gebied worden bepaald door de aanwezigheid van historisch bouwkunst (rijks - en/of gemeentelijke monumenten), historische stedenbouw (historische ruimtelijke structuren), oude of jonge cultuurlandschappen, archeologische vindplaatsen en/of archeologische verwachtingswaarden. Volgens de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Limburg is de locatie gelegen in een gebied met een in de afgelopen decennia matig veranderd verkavelingspatroon. Het betreft een cultuurlandschap met enkeerdgronden. Deze gebieden hebben geen bijzondere cultuurhistorische waarde.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

57

3.2.3.2 Archeologische waarden Uitgangspunt is het archeologisch erfgoed in situ (op de oorspronkelijke vindplaats) te beschermen. Op Europees niveau is daarvoor door het Rijk het Verdrag van Malta ondertekend en zijn verplichtingen aangegaan. Voor archeologisch waardevolle terreinen, zoals aangegeven op de Archeologische monumentenkaart Limburg en voor gebieden met een (middel)hoge verwachtingswaarde voor archeologisch erfgoed, moeten bij voorgenomen ruimtelijke activiteiten de archeologische waarden door middel van vooronderzoek in kaart worden gebracht. De gegevens over de archeologie zijn onderverdeeld in: •

•

• •

Archeologische monumenten Deze bevatten de rijksmonumenten en de te beschermen archeologische monumenten en terreinen, die van hoge archeologische waarde of betekenis zijn. Grens Via Belgica Deze grens geeft globaal de breedte aan waar het tracé van deze Romeinse weg is aangelegd. Historische dorpskernen Dit bevat de beschermende dorpsgezichten en historische buitenplaatsen. IKAW (indicatieve archeologische waarden). Deze zogenaamde archeologische verwachtingskaart geeft een gebiedsindeling in drie categorieën, op basis van de verwachting van archeologische vondsten (gebieden met een lage, midden, danwel een hoge archeologische verwachting).

Relevant toetsingskader De Monumentenwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de verstoorder betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe 'de verstoorder betaalt' voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft in de vergadering van 25 mei 2015 de archeologische verwachtings- en beleidskaart, met bijbehorende ondergrenzen als basis voor het gemeentelijke archeologische beleid, voor de gemeente vastgesteld.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

58

afbeelding 28, Uitsnede archeologische waardenkaart gemeente Horst aan de Maas

Op de archeologisch waardenkaart van de gemeente Horst aan de Maas is het zuidelijke deel van de locatie gelegen in een gebied dat is aangemerkt als categorie 3. Dit zijn gronden met een hoge archeologische verwachtingswaarde). Het noordelijke deel van de locatie is gelegen in een gebied dat is aangemerkt als categorie 6 (specifieke archeologische verwachting beekdalen en oude maasgeulen), Dit beleid is verwerkt in het bestemmingsplan voor het buitengebied. De gronden zijn daarin voorzien van de aanduiding “Waarde – Archeologie 3” en de aanduiding “Waarde – Archeologie 6. Archeologie 3 Conform de bouwregels van het bestemmingsplan mag niet worden gebouwd op deze gronden, met uitzondering van: a. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; b. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 500 m² wordt uitgebreid; c. de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²; d. gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.

Het bevoegd gezag kan hiervan bij een omgevingsvergunning afwijken teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

59

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of; c. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen, zodanig dat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' geheel of gedeeltelijk vervalt, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is. Archeologie 6 Conform de bouwregels van het bestemmingsplan mag niet worden gebouwd op deze gronden, met uitzondering van: a. het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; b.

bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 2.500 m² wordt uitgebreid; c. de bestaande bebouwing wordt vergroot met een oppervlakte van ten hoogste 2.500 m²; d. gebouwen en/of bouwwerken die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan dan wel mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning. Het bevoegd gezag kan hiervan afwijken teneinde het oprichten van bouwwerken ten behoeve van de op deze gronden liggende andere bestemming(en), indien op basis van (archeologisch) onderzoek is aangetoond, dat archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of; c.

de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen, zodanig dat de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' geheel of gedeeltelijk vervalt, indien op basis van nader archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

60

Conclusies onderzoek ArcheoPro heeft in opdracht van “De Kemp” een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied, zie bijlage 6a en 6b. Het archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht om te bepalen of er een gerede kans is dat archeologische waarden wel of niet aanwezig (kunnen) zijn in de ondergrond, die door de wijziging van het bestemmingsplan verstoord kunnen worden. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bodemopbouw op het zuidelijke deel van het plangebied uit een hedendaagse bouwvoor bestaat van ongeveer veertig centimeter die tot in het schone gele zand van de C-horizont reikt. Dit betekent dat archeologische indicatoren uit alle perioden hier aan het oppervlak verwacht kunnen worden. In verband met de goede vondszichtbaarheid ten tijde van het veldonderzoek is hier derhalve een vlakdekkende oppervlaktekartering uitgevoerd. Dit heeft echter volstrekt geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Op het noordelijke deel van het plangebied bestaat de ondergrond uit slecht waterdoorlatend, sterk lemig zand. De diepte waarop dit is aangetroffen neemt toe van dertig centimeter tot meer dan een meter op het oostelijke deel van het noordelijke deel van het plangebied. Op dit oostelijke deel is plaatselijk bovendien een laag her-afgezet (verspoeld zand) aanwezig en heeft lokaal enige veenvorming plaatsgevonden.

Op het noordelijke deel van het plangebied lijken derhalve nooit voor bewoning geschikte omstandigheden te hebben geheerst. Gezien het bovenstaande geven de resultaten van het onderzoek op beide delen van het plangebied geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. In principe dient binnen het deelgebied waar de kas wordt vergroot een archeologisch vervolgonderzoek te worden uitgevoerd in de vorm van proefsleuven om vast stellen of er daadwerkelijk sprake is van een (behoudenswaardige) archeologische vindplaats. Een dergelijk vervolgonderzoek kan achterwege blijven indien, zoals aangegeven door de opdrachtgever, de geplande glasopstand (tuinbouwkas) enkel wordt gefundeerd middels poeren waarbij één poer van 40cm doorsnede wordt voorzien per 40m². De mate van bodemverstoring blijft dan beperkt tot 1% van het plangebied. Vervolgonderzoek is wenselijk zodra de bodemverstoringsgraad onder de moderne bouwvoor/het akkerdek meer dan 2% bedraagt. Op basis van rapport 17082 kunnen de onderzochte deelgebieden worden vrijgegeven. Hiermee heeft de archeologische adviseur ingestemd. Deze aanpassing van de dubbelbestemming heeft op de plankaart bij dit plan reeds plaatsgevonden.

Rapport 19083 concludeert hetzelfde voor deelgebied B, ook deze is op de plankaart aangepast. Voor deelgebied A geldt dat het graafwerk binnen 30 cm vanaf huidig maaiveld blijft. Hiermee kan toestemming tot bouw verleend worden. De hoge verwachting in het bestemmingsplan blijft gehandhaafd op de plankaart. Indien er geen vervolgonderzoek wordt uitgevoerd dient de archeologische dubbelbestemming te worden behouden en dienen graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm –mv die leiden tot meer dan 2% bodemverstoringsoppervlak door middel van (vergunning)voorschriften te worden te worden voorkomen. Dit is het uitgangspunt in de voorliggende situatie. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan wordt daarvan direct melding gemaakt bij de gemeente Horst aan de Maas en de provinciaal archeoloog. Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

61

3.2.4

Natuurwaarden en landschapswaarden

3.2.4.1 Gebiedsbescherming Ten aanzien van flora en fauna dient in eerste instantie rekening gehouden te worden met gebiedsbescherming. Deze bescherming geschiedt op basis van de Wet natuurbescherming. Sinds 2005 zijn hierin ook alle Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijn gebieden opgenomen als Natura 2000gebieden. Beoordeeld moet worden of de uitbreiding en/of wijziging van de inrichting significante gevolgen heeft voor natuurgebieden die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd moeten worden. In onderstaande afbeelding zijn de meest nabijgelegen gebieden ten opzichte van de inrichting aangegeven.

Locatie

afbeelding 29, Ligging Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden betreft het natuurgebied De Mariapeel. Dit Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van ruim 7.000 m. van het plangebied. De gevraagde ontwikkeling leidt niet tot een stijging van de uitstoot van stoffen die een negatieve invloed hebben op de instanthoudingsdoelstellingen binnen dit of andere Natura 2000-gebieden. omdat er geen oppervlakteverlies of verontreiniging plaatsvindt, geen mechanische effecten zijn en geen sprake is van verstoring door licht en geluid. Ook een significante optische verstoring is niet voorstelbaar, doordat de oppervlakte aan bebouwing weliswaar toeneemt, maar de ontwikkelingen landschappelijk worden ingepast kan mogelijk een nieuwe habitat voor soorten ontstaan.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

62

3.2.4.2 Soortenbescherming De Wet natuurbescherming vormt voor wat betreft de soortenbescherming een concrete en correcte implementatie van de habitatrichtlijn. Doel is de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. Als gevolg van ruimtelijke ingrepen is het mogelijk dat beschermde soorten beschadigd, verstoord of vernietigd worden. Als op basis van onderzoeksgegevens blijkt dat beschermde soorten voorkomen, kan dit consequenties hebben voor de voorgenomen ruimtelijke ingreep. Indien er sprake is van het voorkomen van beschermde sier- en plantensoorten uit tabel 1 behorende bij de FF-wet dan geldt een vrijstelling en moet de zorgplicht worden nagekomen. Zijn er soorten aangetroffen die in tabel 2 behorende bij de FF-wet voorkomen, dan geldt er alleen een vrijstelling als er een goedgekeurde gedragscode van toepassing is. Er is geen door de minister goedgekeurde gedragscode en dus is er geen vrijstelling voor dier- en plantensoorten uit tabel 2 van toepassing. Bij soorten uit tabel 3 behorende bij de Ff-wet kan in geval de soort voorkomt in bijlage 1 bij het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geen ontheffing nodig zijn afhankelijk van getroffen maatregen Gezien de aard van de ontwikkelingen zal de externe invloed op de omliggende natuur niet significant zijn.

In andere gevallen moet bij soorten uit tabel 3 altijd ontheffing worden aangevraagd. Alleen als er geen beschermde dier- of plantensoorten voorkomen in het in het projectgebied hoeft er zeker geen ontheffing te worden aangevraagd. Als er wel beschermde dier- of plantensoorten in het projectgebied zitten, maar er kan aangetoond worden dat de voorgenomen activiteiten geen effecten hebben op beschermde dier- of plantensoorten, dan hoeft er ook geen ontheffing te worden aangevraagd. In beide gevallen is de zorgplicht van toepassing. Pas als er én beschermde dier- en plantensoorten voorkomen in het projectgebied én de activiteiten effecten hebben op de dier- of plantensoorten dan komt een toets aan de tabellen 1, 2 en 3 van de Wet natuurbescherming. De beschermde soorten worden als volgt onderscheiden: • Algemene soorten (FF1); • Overige soorten (FF2); • Streng beschermde soorten (FF3). Als soorten uit de derde categorie door het project schade zullen leiden, is het de vraag of het project wel doorgang kan vinden. Bij soorten uit de tweede categorie zal in ieder geval aangetoond moeten worden dat geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Pas dan zal ontheffing verkregen kunnen worden. Voor de soorten uit de eerste categorie geldt een algemene vrijstelling, waarbij de algemene zorgplicht uit de Wet natuurbescherming centraal staat.

3.2.4.3 Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over het Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Uit de uitspraak volgt dat het PAS niet ten grondslag mag worden gelegd aan het mogelijk maken van projecten of besluiten die mogelijk tot significant negatieve effecten kunnen leiden op omliggende Natura-2000 gebieden. Het gaat hierbij om effecten van gebruik maar ook om effecten door bijvoorbeeld bouwwerkzaamheden. Er is daarom onderzocht of dit plan tot mogelijke effecten kan leiden. Hiervoor is als notitie een Aerius berekening voor de realisatiefase als bijlage 3 toegevoegd. Ook de projectberekening is gemaakt in Aerius. Zie Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

63

hiervoor bijlage 8. Uit de berekende deposities blijkt dat er geen natuurgebieden zijn met reken resultaten die hoger zijn dan 0. Er is geen sprake van vergunningplicht t.a.v. stikstofdepositie. Aan de activiteit kan dan ook medewerking worden verleend. 3.2.4.4 Flora en Fauna onderzoek Om de gevolgen van de gevraagde planwijziging in beeld te brengen is in november 2017 een flora en fauna onderzoek voor de onderhavige locatie uitgevoerd door het bureau Econsultancy te Swalmen. Dit onderzoek is uitgebreid in oktober 2019 Dit onderzoek is als bijlage 7 bij dit onderzoek gevoegd. Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een veldbezoek en een bureauonderzoek. Tijdens het veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Tijdens de onderzoeken zijn de volgende bijzonderheden geconstateerd en opmerkingen gemaakt; •

•

•

•

•

• •

•

Broedvogels het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren, mocht er in het broedseizoen gewerkt worden dient voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelinspectie plaats te vinden Vleermuizen Mogelijk heeft de ingreep een verstorend effect in relatie tot de aanvliegroutes. Geadviseerd wordt om het donkere karakter van de elzenhaag aan de noordzijde van de locatie te behouden. Grondgebonden zoogdieren Mogelijk is de ingreep verstorend voor grondgebonden zoogdieren. Er wordt aandacht gevraagd voor de zorgplicht ten aanzien van de egel en verschillende muizensoorten. Amfibieën De geschiktheid van de locatie voor amfibieën is minimaal. Wel wordt er aandacht gevraagd voor de zorgplicht ten aanzien van algemene soorten als de bruine kikker en gewone pad. Bronsgroene landschapszone De locatie is gelegen in de “Bronsgroene landschapszone”. Overleg met de Provincie Limburg is nodig met betrekking tot de vraag of de gevraagde ontwikkeling passend is binnen het beleid. Bij werkzaamheden aan de waterlichamen (poel aan noordwestzijde en drainagesloot) en/of de oevers (inclusief de takkenrillen), dient voorafgaand een aanvullend onderzoek naar Alpenwatersalamander plaats te vinden; In de boom ten noorden van de onderzoekslocatie is een nest aangetroffen dat mogelijk in gebruik is door een roofvogel of ransuil.

Aanbevolen wordt om werkzaamheden binnen 75 meter van deze boom uit te voeren buiten het broedseizoen van betreffende soorten (buiten de periode half februari tot en met augustus). Indien het niet mogelijk of wenselijk is om de werkzaamheden buiten deze periode uit te voeren, dient een aanvullend onderzoek plaats te vinden naar boomvalk, ransuil en torenvalk; De takkenrillen doen mogelijk dienst als vaste voortplantings- of rustplaats voor steenmarter. Voor steenmarter geldt in Limburg een vrijstellingsperiode van half augustus tot en met februari. Aanbevolen wordt om deze takkenrillen dan ook in deze periode weg te halen.

Daarnaast wordt er landbouwgrond in gebruik genomen als trayveld. Dit stuk is niet onderzocht daar dit reeds in gebruik is genomen als trayveld en het nu niet meer mogelijk is dit voorafgaand te Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

64

onderzoeken. Gelet op de uitkomsten van de flora- en faunaonderzoek van het direct aangrenzende plangebied is aan te nemen dat deze onderzoeksresultaten ook representatief zijn voor dit plandeel. In het onderzoek is aangegeven dat de dassenburcht op dusdanige afstand gelegen (circa 1,0 km) dat de voorgenomen werkzaamheden ter plaatse geen invloed zullen hebben op het leefgebied van das. Daarbij is slechts een deel van de onderzoekslocatie geschikt als foerageergebied voor das, en zijn in de omgeving van de burcht voldoende (en geschiktere) alternatieve foerageergelegenheden voorhanden. Op basis van de locatie van de burcht en de constatering dat op korte afstand van de planlocatie geen dassenpijpen of andere sporen zijn aangetroffen zijn dan ook, geen vervolgstappen benodigd voor das. Conclusie Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen voorkomen worden door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen ten aanzien van algemene zoogdieren en amfibieën. Met deze aspecten is rekening gehouden bij het opstellen van het landschapsinrichtingsplan. Ook zal bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden worden met het broedseizoen en zal invulling worden gegeven aan de gevraagde zorgplicht.

Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen voor deze soorten ten aanzien van de Wet natuurbescherming niet aan de orde. Dit wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling van desbetreffende overige soorten. Met betrekking tot beschermde gebieden en houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoeklocatie. Een vergunning in het kader hiervan hoeft niet te worden aangevraagd. Geadviseerd wordt om in contact te treden met de Provincie Limburg om af te stemmen of het voorgenomen plan past binnen de Bronsgroene Landschapszone. 3.2.5

Kabels en leidingen

De Regeling externe veiligheid buisleidingen strekt ertoe om buisleidingen voor het transport van aardgas en aardolieproducten onder de werking te brengen van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb). De gevolgen van het onder de werking brengen van het Bevb zijn voor buisleidingen voor aardgas en aardolieproducten voldoende onderzocht. De noodzakelijke uitzonderingen voor deze buisleidingen op de algemene regels van het Bevb worden ook in deze regeling vastgelegd. Een uniforme rekenmethodiek wordt voorgeschreven voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De buisleidingen met overige chemische stoffen (zoals etheen, propeen, koolstofdioxide) zullen later worden aangewezen nadat de rekenmethodiek voor die stoffen is vastgesteld, de consequenties van aanwijzing voldoende zijn onderzocht en tevens duidelijk is welke eventuele uitzonderingen op het Bevb nodig zijn. De verplichting tot het verantwoorden van het groepsrisico bij het vaststellen van bestemmingsplannen is vereenvoudigd voor situaties waarbij sprake is van een zeer beperkt groepsrisico of een zeer beperkte toename van het groepsrisico. Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

65

In of nabij het plangebied liggen geen kabels of leidingen, die ten behoeve van het gebruik en/of de veiligheid planologische bescherming behoeven. Kabels en leidingen vormen daarmee geen belemmering voor het planvoornemen. 3.2.6

Verkeer en infrastructuur

3.2.6.1 Ontsluiting De locatie is gelegen aan de Kempweg in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Dit is een buitenweg met een maximum snelheid van 60 km. per uur De locatie is bereikbaar vanaf de Midden Peelweg (N277) via de peelheideweg, de Meteriksebaan, de Bergsteeg, Doctor Droesenweg en de Schadijkerweg. Vanuit het oosten is de locatie goed bereikbaar vanaf de A73 via de Venrayseweg, de Lindweg, de Molenveldweg en de Molengatweg. In het gemeentelijk vervoersplan, juni 2013, worden deze wegen aangemerkt als een “Erftoegangsweg II”. Dit zijn duidelijk rustigere wegen (30/60 km/uur) met een menging van verkeerssoorten en dienen voor de bereikbaarheid van erven/woningen. In de spits maken er tussen de 10 – 30 voertuigen gebruik maken van de weg. Deze weg kan een groei van “De Kemp verwerken. De wegen maken deel uit van recreatieve fietsroutes. Knelpunten zijn niet bekend. De werkzaamheden van “De Kemp” hebben een seizoensgebonden karakter. Het verkeer van en naar “De Kemp” wordt door een aantal factoren bepaald. • • • • •

Werknemers middels auto en fiets. Aanvoer producten middels Lanbouwvoertuigen, bestelbusjes en vrachtauto’s Afvoer van producten middels tractoren, bestelbusjes en vrachtauto’s Bezoek bedrijf middels auto. Landbouwvoertuigen voor het bewerken van het land.

3.2.6.2 Parkeren De gemeente Horst aan de Maas heeft in 2015 de “Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 2015”opgesteld. Deze nota is het uniform toetsingskader voor het beoordelen van parkeervraagstukken in de gemeente. Voor de parkeernormen is aansluiting gezocht bij CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie (oktober 2012). In de onderhavige situatie is geen specifiek beleid vastgesteld voor het parkeren bij een agrarisch bedrijf zoals in de onderhavige situatie wel is in het bestemmingsplan voor het buitengebied een voorwaardelijke verplichting (art. 51.2.1) opgenomen waarin is bepaald dat bij: • een feitelijke gebruiksverandering; • het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen; • het verlenen van een omgevingsvergunning voor de in dit plan opgenomen afwijkingen; • het toepassen van de in dit plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden, dient, indien de omvang of de bestemming van een gebouw en/of het terrein daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, (motor)fietsen, of andere voertuigen, in voldoende mate ruimte aanwezig te zijn of aangebracht te worden in, op of onder de bij dat gebouw of terrein behorende gronden of bouwwerken, met dien verstande dat: a. daarbij wordt uitgegaan van de parkeernormen zoals aangegeven in het meest recente gemeentelijk parkeerbeleid; Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

66

b. de ruimte voor het parkeren van auto's afmetingen moet hebben die zijn afgestemd op gangbare auto's. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan: 1. indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij 5 m en ten hoogste 3,25 m bij 6 m bedragen; 2. indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5 m bedragen. Onderhavige wijziging van het bestemmingsplan heeft mede tot doel om voldoende parkeer gelegenheid te realiseren bij het bedrijf. Hiervoor wordt een deel van het bouwvlak verhard en ingericht. De voorwaardelijke verplichting zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan voor het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas is overgenomen in de regels behorende bij dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

67

Parkeren werknemers

Parkeren bezoekers

afbeelding 30, Luchtfoto met parkeermogelijkheden in de nieuwe opzet.

Vervoer tussen de verschillende locaties binnen dit bestemmingsplan zal ter been/fiets geschieden. Hierbij nemen de vervoersbewegingen per saldo af. Immers is het telen van chrysanten een activiteit met een grotere belasting op het verkeer dan aardbeien qua aan- en afvoer van materiaal. 3.2.6.3 Laden en lossen Ten behoeve van de reguliere werkzaamheden zullen er regelmatig voertuigen geladen en gelost worden. Binnen het voorziene bouwvlak is voldoende plaats om te voorzien in de te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

68

3.2.7

Brandveiligheid

Om brand te voorkomen wordt uitsluitend gewerkt met goedgekeurde installaties en worden de gebouwen conform het bouwbesluit gebouwd. Er zijn voldoende vluchtwegen en brandblusmiddelen aanwezig. Voor de primaire bluswatervoorziening dient er op maximaal 40 meter vanaf de gebouwen een voor blusvoertuigen goed toegankelijke bluswatervoorziening te worden aangelegd met een capaciteit van ten minste 60 m3/uur. Op het bedrijf is een groot waterbassin aanwezig dat als eerste blusvoorziening kan worden gebruikt. Daarnaast zijn op het bedrijf putten aanwezig voor agrarisch gebruik. Deze putten zullen in overleg met de brandweer voorzien worden van de juiste koppelstukken. 3.2.8

Volksgezondheid

Effecten op de (volks)gezondheid betreffen in dit geval vooral het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, maar ook geluidhinder, de effecten van fijnstof, etc.. Laatstgenoemde effecten zijn echter voorafgaand in dit hoofdstuk reeds uitgebreid uitgewerkt. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid. Plantenkwekerij de Kemp voldoet aan alle eisen die het Skal voor de kweek van biologisch plantmateriaal stelt. Onkruid wieden. Absoluut geen kunstmest gebruiken. Een duidelijke scheiding tussen biologische en gangbare percelen. Dierlijke mest gebruiken. De velden schoffelen. Of kiezen voor het planten van bodembedekkers. Zomaar enkele activiteiten die plantenkwekerij de Kemp inzet voor het kweken van biologisch plantmateriaal. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt echter zorgvuldig toegepast, waarbij voldaan wordt aan de wettelijke gebruiksvoorschriften. Hoewel er voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen diverse wetten, besluiten en regels van toepassing zijn, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en gevoelige objecten, waaronder woningen.

In de praktijk is een vuistregel ontstaan die aangeeft dat er ten minste een afstand van 50 meter tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en een gevoelig object in acht moet worden genomen voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat. Uit onderzoek van de Wageningen Universiteit (door J.C. van der Zande) blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor mensen met name liggen bij opname van stoffen door de huid. Uit het onderzoek blijkt dat het middel met het hoogste risico het blootstellingseindpunt niet wordt overschreden bij bespuiting van akkers op een afstand van slechts 10 m. Dit komt onder meer omdat in de akkerbouw voornamelijk in een neerwaartse richting gespoten wordt (hierdoor wordt eventuele drift zo veel mogelijk voorkomen). Deze spuitmethode is voor de kweker het meest efficiënt en effectief, omdat er zo minder spuitvloeistof verloren gaat en de gewassen het meest worden geraakt. Momenteel is sprake van de teelt van akkerbouwproducten in de open lucht binnen het plangebied. De aanwezige gewassen kunnen worden behandeld met gewasbeschermingsmiddelen. Afstand van het plangebied tot omliggende woningen bedraagt meer dan 10 m. Het hanteren van een afstand van 10 m tussen het spuiten van gewassen en een woning is toereikend voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat. Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

69

In de nieuwe situatie is tevens sprake van meer teelt in een kas. In de open lucht is men bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen altijd afhankelijk van het weer door verwaaiing van de spuitvloeistof (drift). In de kas is dit niet meer het geval en kan drift tot een minimum worden beperkt. De afstand van het te telen product bedraagt daarnaast altijd meer dan 25 m van gevoelige objecten omdat kassen niet dichterbij gevoelige objecten mogen worden opgericht. Deze afstand voldoet reeds ruimschoots aan het telen van gewassen in de open lucht, in kassen waar geen drift is, voldoet deze aan te houden afstand dan zeker. De ontwikkelingen bij Plantenkwekerij de Kemp hebben daarmee geen negatieve effecten op de volksgezondheid. 3.2.9

Duurzaamheid

Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om: •

gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; • een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden; • duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling); • verantwoord watergebruik; • voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Voor de uitbreiding van de bedrijfsgebouwen zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheids-eisen worden toegepast.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

70

4 UITVOERBAARHEID 4.1

Economische uitvoerbaarheid

In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien: • • •

het kostenverhaal anderszins is verzekerd; het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Het bepalen van een tijdvak of fasering is voor onderhavig plan niet aan de orde. Ook het stellen van eisen etc. met betrekking tot bouwrijp maken en aanleg van nutsvoorzieningen is niet aan de orde. Met de ontwikkelende partij wordt derhalve een anterieure overeenkomst gesloten. Tevens wordt een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten, waarin afspraken worden opgenomen over verhaal van eventuele tegemoetkomingen in planschade. Het opstellen van een exploitatie-plan is niet nodig.

4.2

Handhaving

In 2017 is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas voert de handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas stelt een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Binnen het vastgestelde beleid is regelgeving vooral gericht op het mogelijk maken van individuelegemeenschaps- en ondernemersinitiatieven. Bij het uitvoeren van onze taken nemen we een dienstbare houding aan ten opzichte van de aanvrager, waarbij de verantwoordelijkheid blijft liggen waar deze hoort. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventie voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden.

4.3 4.3.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Wettelijk vooroverleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening zal het (concept) ontwerp bestemmingsplan worden voorgelegd aan de daartoe in aanmerking komende instanties, zoals de provincie Limburg. Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

71

4.3.2

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen. Dit heeft geleid tot een zienswijze. In bijlage 10 is de zienswijzennota toegevoegd. Dit heeft geresulteerd in een aanpassing van de landschappelijke inpassing en een extra akoestisch onderzoek. 4.3.3

Procedure bestemmingsplan

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De wettelijke procedure voor het bestemmingsplan ziet er als volgt uit: • •

• • •

• •

Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

72

5 WIJZE VAN BESTEMMEN 5.1

Algemeen

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding zijn niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht. Eerst wordt ingegaan op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen, vervolgens op de verbeelding. Daarna wordt aangegeven op welke wijze de regels in algemene zin zijn opgebouwd en de bestemmingsartikelen in het bijzonder. Tot slot wordt ingegaan op een aantal toetsingsaspecten.

5.2

Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012)

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten te digitaliseren. Volgens het Besluit ruimtelijke ordening is het verplicht dat een nieuw bestemmingsplan in digitale vorm wordt vastgesteld. Dit moet gebeuren volgens de RO-standaarden, RO-standaarden en regels 2012. Voor het digitaliseren c.q. standaardiseren van bestemmingsplannen is de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) ontwikkeld. Ook moet van het plan een analoge versie worden vastgesteld. Van een bestemmingsplan is er dus altijd een digitale en een analoge (papieren) verschijningsvorm. Deze zijn beide rechtsgeldig. Bij onduidelijkheid of een tegenstrijdigheid is de digitale weergave van doorslaggevende betekenis. Onder vorige wetten werden bijna geen bepalingen gesteld over de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan. Hierdoor zijn er in de praktijk zeer verschillende bestemmingsplannen ontstaan. Dit, terwijl leesbaarheid, raadpleegbaarheid en helderheid voor de gebruiker van het bestemmingsplan van groot gewicht zijn. Daarnaast is de vergelijkbaarheid van ruimtelijke plannen van groot belang voor degenen die deze plannen in grotere samenhang wensen te bezien. SVBP 2012 maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld.

Zo zijn bijvoorbeeld de bestemmingen en begripsbepalingen in alfabetische volgorde opgenomen en vloeit de naam van een bestemming voort uit een standaardlijst, waaruit ingevolge de SVBP 2012 gekozen dient te worden. Kenmerk van de bestemmingen is dat het gehele plangebied ermee is bedekt. Een bestemmingsplan kan ook dubbelbestemmingen bevatten. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. De dubbelbestemmingen hoeven het gehele plangebied niet te bedekken. Aanduidingen (functieaanduiding of gebiedsaanduiding) worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

73

De SVBP 2012 voorziet overigens uitsluitend in een systematische wijze van bestemmen en er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Wel kent het SVBP 2012 een aantal onderdelen die verplicht moeten worden overgenomen in een bestemmingsplan, zoals de wijze van meten.

5.3

Verbeelding

In de analoge en digitale verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis ingevolge het voorliggende plan, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Als een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis heeft, is deze niet opgenomen in de verbeelding. Ten behoeve van de leesbaarheid is het plan wel op een topografische ondergrond gelegd. De bestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens de SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.

5.4

Regels

De regels zijn standaard als volgt opgebouwd: •

Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde gegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels. • Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen. • Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling, de procedurebepaling en algemene regels ten aanzien van omgevingsvergunningen. • Hoofdstuk 4 tenslotte bevat het overgangsrecht en de slotregels met daarin de titel van het bestemmingsplan. De regels zijn gebaseerd op het bestemmingsplan voor het Buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas zoals die door de gemeenteraad is vastgesteld op 19 december 2017. Onderdelen die niet van belang zijn voor het plangebied zijn verwijderd.

5.5

Handhaving

De doelstellingen van het ruimtelijke beleid kunnen slechts verwezenlijkt worden, indien de regels van het bestemmingsplan worden nageleefd. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray. Het beleidsplan bevat naast een visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijze hoe met geconstateerde overtredingen wordt omgegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar gestructureerd en integraal Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

74

handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt, volgt daadwerkelijk handhavend optreden (repressieve inzet). De uit deze visie voortvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appeleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie; 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij ervan uitgegaan dat men, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie.

5.6

Wijze van toetsing

In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de manier waarop activiteiten aan het bestemmingsplan getoetst moeten worden. Daartoe wordt eerst een werkwijze voorgesteld. Vervolgens wordt ingegaan op een aantal in de regels gehanteerde termen. Het gaat daarbij onder meer om ‘open normen’. Deze worden gebruikt omdat het in veel gevallen onmogelijk is om eenduidige harde criteria op te stellen. Enerzijds omdat daarmee de nodige flexibiliteit in een plan wegvalt en anderzijds omdat het bestemmingsplan een momentopname is waarbij vooraf onmogelijk met alle situaties rekening kan worden gehouden. Werkwijze Om te kunnen beoordelen of bepaalde zaken of ontwikkelingen passen binnen het regime van het bestemmingsplan, wordt de volgende werkwijze geadviseerd: 1. Ga op de verbeelding na welke bestemming(en) en aanduidingen voor de gronden zijn opgenomen waarop de onderzoeksvraag/aanvraag betrekking heeft; 2. Kijk in de regels naar de bepalingen van het artikel van de bestemming die voor de gronden geldt; 3. Beoordeel of het aangevraagde/geconstateerde past binnen de bestemmingsomschrijving. Hierbij dienen meteen de nadere detaillering van de bestemming en de gebruiksbepaling te worden meegenomen omdat die een nadere uitleg/inperking geven van de bestemmingsomschrijving; 4.

Luidt het antwoord op punt 3 ja, dan moet in het geval van een bouwwerk tevens worden gekeken of deze ook past binnen de bouwregels;

Bestemmingsplan ‘Kempweg 12d en 15, Meterik.

75

5. Voor zover er tevens werken/werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, moeten worden uitgevoerd (waarbij gedacht kan worden aan werkzaamheden die bodem-/grondverzet met zich meebrengen) dan moet bovendien worden nagegaan of er een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden verplicht is gesteld; 6. Indien aan de punten 3, 4 en 5 wordt voldaan of kan worden voldaan, dan kan medewerking worden verleend, waarbij het bevoegd gezag eventueel nog gebruik kan maken van de aan haar toekomende bevoegdheid tot het stellen van nadere eisen, teneinde de aanvraag beter te kunnen inpassen. 7. Luidt het antwoord op de punten 3, 4 en/of 5 nee, dan kan nog worden gekeken of het plan voor dit aspect voorziet in een omgevingsvergunnings- of wijzigingsmogelijkheid (dit zijn de zogenaamde flexibiliteitbepalingen). Is dit zo, dan dient een nadere afweging te worden gemaakt in hoeverre afwijken van het bestemmingsplan in dit geval gewenst is. Voorzien de flexibiliteitbepalingen niet in een afwijkingsmogelijkheid of wordt afwijken onwenselijk geacht, dan dient het verzoek te worden afgewezen c.q. het geconstateerde (in principe) te worden gehandhaafd wegens strijd met het bestemmingsplan, tenzij het een situatie betreft waarop het overgangsrecht toeziet. Onevenredige aantasting Op deze open norm wordt op diverse plaatsen in de regels teruggegrepen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16846953/1