03c2 Toelichting Bijlage 2 Uitspraak ABRvS
Tekst van het document
Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat [appellant sub 9] de benodigde onderzoeken nog niet heeft laten verrichten, overweegt de Afdeling dat, nu de vaststelling van het bestemmingsplan in dit geval ambtshalve voorziet in het wegbestemmen van ruimere bouwmogelijkheden, de onderzoeksplicht ingevolge artikel 3:2 van de Awb primair op het gemeentebestuur rust. In dat kader kon de raad eventueel aan [appellant sub 9] vragen de benodigde onderzoeken uit te laten voeren. De raad stelt zich dan ook ten onrechte op het standpunt dat [appellant sub 9] de benodigde onderzoeken nog niet heeft laten verrichten. Het betoog slaagt. 56. Voor zover [appellant sub 9] in zijn beroepschrift betoogt dat een gedeelte van de openbare weg ten onrechte bestemd is voor "Recreatie - Verblijfsrecreatie" en "Agrarisch met waarden" heeft hij ter zitting erkend dat weliswaar het ontwerpplan onjuist was, maar dat het vastgestelde plan op dit punt is gecorrigeerd. Het betoog faalt. 57. In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb.
Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel voor de gronden van [appellant sub 9] aan de [locatie 8] te America met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie". 58. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 59. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 9] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellante sub 10] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" 60. [appellante sub 11] heeft een varkenshouderij en een mestverwerkingsbedrijf aan de [locatie 9] te America. Het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak van het bedrijf. [appellante sub 10] beschikt over de gronden voor het glastuinbouwbedrijf van [belanghebbende]. aan de [locatie 1] te America. Het plan "[locatie 1] America, fase II" voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak van dat bedrijf. Hieronder komen de beroepsgronden van [appellante sub 10] aan de orde tegen de planregeling voor de varkenshouderij en het mestverwerkingsbedrijf van [appellante sub 11] in het plan "Buitengebied Horst aan de Maas".
[appellante sub 10] wenst beperktere mogelijkheden voor het bedrijf van [appellante sub 11] omdat zij vreest voor de ontwikkelingsmogelijkheden van het glastuinbouwbedrijf. 61. [appellante sub 10] betoogt dat het bouwvlak van de veehouderij van [appellante sub 11] ten onrechte in noordelijke richting is vergroot. Zij vreest dat dit kan leiden tot een zodanige geurhinder dat de zuidelijke uitbreiding van haar glastuinbouwbedrijf, waarover de onder 67 en verder besproken beroepsgronden van [appellante sub 11] gaan, geen doorgang kan vinden. Hierbij stelt [appellante sub 10] dat bij de berekening van de geurbelasting dient te worden uitgegaan van een maximale planologische invulling. Dat betekent volgens haar dat de emissiepunten van alle stallen moeten worden gesitueerd op de hoek van het bouwvlak van de veehouderij dat het dichtste bij haar glastuinbouwbedrijf ligt. 61.1. Het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" voorziet in een uitbreiding van het bouwvlak van de varkenshouderij en het mestverwerkingsbedrijf van [appellante sub 11] aan de [locatie 9] te America in de richting van het glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 1] te America.
Daartoe voorziet het plan aan de [locatie 9] in de bestemming "Agrarisch met waarden", een aanduiding voor een bouwvlak, de functieaanduiding "intensieve veehouderij", de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestverwerking op regionaal niveau" en de gebiedsaanduiding "overige zone - ontwikkelingsgebied glastuinbouw". Gelet op artikel 3, lid 3.1, onder d, van de planregels is ter plaatse onder meer toegestaan een nietgrondgebonden intensieve veehouderij. Gelet op lid 3.1, onder j, is buurtmestbe- en verwerking en energievoorzieningen hoofdzakelijk gericht op de levering van energie aan bedrijven en functies in het plangebied alsmede aan andere lokale bedrijven dan wel functies, uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - mestverwerking op regionaal niveau".
61.2. Het bestemmingsplan "[locatie 1], fase 2, America" voorziet in een uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 1] te America in de richting van de veehouderij van [appellante sub 11] aan de [locatie 9] te America. Daartoe voorziet het plan aan de [locatie 1] in de bestemming "Agrarisch met waarden", een aanduiding voor een bouwvlak en de functieaanduiding "glastuinbouw". Voor de zuidelijke uitbreiding, die het dichtst bij de veehouderij van [appellante sub 11] ligt, voorziet het plan voor een strook van 2 ha eveneens in de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsluitend kassen toegestaan". Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder lid d, van de planregels luidt: "De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: d. ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' tevens een glastuinbouwbedrijf;". Artikel 3, lid 3.2.1, onder d, luidt: "ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uitsluitend kassen toegestaan' zijn uitsluitend gebouwen toegestaan in de vorm van kassen". Lid 3.4.1, aanhef en onder k, luidt: "Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: k. het oprichten van agrarische bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, of een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - uitsluitend kassen toegestaan'".
Artikel 1, lid 1.48, luidt: "Kas: Een gebouw, bestaande uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal dienend tot het kweken of trekken van bomen, vruchten, bloemen of planten." 61.3. In § 5.2.4 van de plantoelichting van het bestemmingsplan "[locatie 1], fase 2, America" staat dat het bouwvlak is vergroot tot buiten de maximaal vergunde geurcontour van het bedrijf [locatie 9]. De maximaal vergunde geurcontour is als volgt bepaald. Alle vergunde geuremissie binnen het agrarische bouwvlak is conform een zogeheten worst-case scenario gepositioneerd op de ten opzichte van het glastuinbouwbedrijf meest nabij gelegen hoek van het agrarische bouwvlak (lees: het voorheen geldende kleinere bouwvlak). Dit betreft de geuremissie uit stal 2, 3, 4, 5 en 9.1. De vergunde geuremissie uit stallen 8.1, 8.2 en 9.2 bevindt zich buiten het agrarische bouwvlak en is derhalve uitsluitend zoals vergund toegestaan en zodoende ook als zodanig berekend. De maximale geurbelasting afkomstig vanuit het bedrijf [locatie 9] bedraagt op de grens van het vergrote bouwvlak 13,9 OU/m3. De gemeente Horst aan de Maas hanteert een geurnorm van 14 OU/m3 in haar buitengebied, overeenkomstig de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv). Binnen het te vergroten bouwvlak is derhalve sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en is de vergroting van een glastuinbouwbedrijf gerechtvaardigd, aldus de plantoelichting. 61.4.
Gelet op de plantoelichting dient als vaststaand te worden beschouwd dat de geurbelasting vanwege de vergunde en verwezenlijkte inrichting van de veehouderij de geurnorm van 14 OU/m3 ter plaatse van het kassencomplex niet overschrijdt. De Afdeling ziet zich daarom voor de vraag gesteld of het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" een voor [appellante sub 10] nadeligere inrichting van de veehouderij mogelijk maakt die kan leiden tot een hogere geurbelasting dan de geurbelasting van de vergunde en verwezenlijkte inrichting. Door de bestaande inrichting van de veehouderij kan niet worden uitgesloten dat de stallen die binnen het bouwvlak uit het voorheen geldende bestemmingsplan liggen nadeliger worden gepositioneerd. Zoals hiervoor is overwogen is voor deze stallen in de geurberekening echter uitgegaan van een worst-case scenario. Wat betreft de noordelijke uitbreiding van de veehouderij is gebleken dat het bouwvlak strak om de vergunde en verwezenlijkte stallen is voorzien. Niet gebleken is dat deze stallen nadeliger kunnen worden gepositioneerd. Gelet hierop, en op de vergunde ligging van de emissiepunten, is niet aannemelijk geworden dat de emissiepunten feitelijk dichterbij de grens van het bouwvlak kunnen worden geplaatst.
Daarom heeft [appellante sub 10] niet aannemelijk gemaakt dat de vergunde en verwezenlijkte inrichting van de noordelijke uitbreiding niet kan worden aangemerkt als een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan.
Onder deze omstandigheden heeft de raad geen rekening hoeven houden met de mogelijkheid dat de geurbelasting vanwege de veehouderij ter plaatse van het kassencomplex meer dan 14 OU/m3 bedraagt. Reeds hierom faalt het betoog. Daarom behoeft de vraag of het kassencomplex kan worden aangemerkt als een geurgevoelig object als bedoeld in de Wgv geen bespreking. 61.5. Voor zover [appellante sub 10] vreest dat de zuidelijke uitbreiding van haar glastuinbouwbedrijf als gevolg van de geurhinder van de veehouderij geen doorgang kan vinden, verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 67. 61.6. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 10] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" ongegrond. 62.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het beroep van [appellante sub 11] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" 63. Hieronder komen de beroepsgronden van [appellante sub 11] aan de orde tegen de planregeling voor haar varkenshouderij en mestverwerkingsbedrijf in het plan "Buitengebied Horst aan de Maas". [appellante sub 11] wenst uitgebreidere mogelijkheden en betoogt in dat verband dat niet volledig is voorzien in de vergunde rechten. 64. [appellante sub 11] betoogt dat het bouwvlak van haar varkenshouderij en mestverwerkingsbedrijf aan de [locatie 9] te America te klein is. Hierbij voert zij aan dat een gedeelte van de vergunde silo's, stallen en het infiltratiebassin buiten het bouwvlak vallen. Het betreft een uitbreiding in westelijke richting op grond van de vergunning van het college van gedeputeerde staten van 9 oktober 2014 met het kenmerk 2013-0340. 64.1. De raad stelt zich op het standpunt dat beoogd was om het bouwvlak aan te passen aan de vergunde situatie. Per abuis is dit niet volledig gebeurd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb.
Het beroep van [appellante sub 11] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover niet is voorzien in de vergunde westelijke uitbreiding van de varkenshouderij en/of het mestverwerkingsbedrijf van [appellante sub 11] aan de [locatie 9] te America. 65. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 66. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 11] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellante sub 11] tegen het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II" Inleiding 67. Hieronder komen de beroepsgronden van [appellante sub 11] aan de orde tegen de planregeling voor het glastuinbouwbedrijf in het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II". [appellante sub 11] richt zich tegen de uitbreiding van het bouwvlak in zuidelijke richting. Zij vreest voor de ontwikkelingsmogelijkheden van haar veehouderij en mestverwerkingsbedrijf. Goede procesorde 68. [belanghebbende] betoogt dat [appellante sub 11] ten onrechte ruim na de beroepstermijn de beroepsgronden heeft uitgebreid. Dat acht zij in strijd met de goede procesorde. [belanghebbende] verwijst in dit verband naar drie uitspraken van de Afdeling. 68.1.
Behoudens in geschillen waar de wet anders bepaalt, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, indien die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, nieuwe beroepsgronden worden ingediend, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende beroepsgrond pas in een laat stadium is aangevoerd, de mogelijkheid voor de andere partijen om adequaat op die beroepsgrond te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.
Bij brief van 25 januari 2019 heeft [appellante sub 11] nieuwe beroepsgronden aangevoerd. Gelet op de aard van deze brief en de tot de zitting resterende termijn bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de nieuwe beroepsgronden in strijd met een goede procesorde zijn aangevoerd. De door [belanghebbende] genoemde uitspraken van de Afdeling gaan over een andere situatie. Namelijk de situatie waarin na afloop van de beroepstermijn nieuwe besluitonderdelen worden aangevochten. De nieuwe beroepsgronden uit de brief van [appellante sub 11] van 25 januari 2019 hebben daarentegen betrekking op het reeds binnen de beroepstermijn aangevochten besluitonderdeel, te weten de voorziene uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 1] te America. Geurhinder 69. [appellante sub 11] vreest dat de uitbreiding van het kassencomplex in het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II" leidt tot een beperking van haar bedrijfsvoering, nu zij een geur emitterend bedrijf exploiteert. Volgens [appellante sub 11] is bij de uitbreiding van het kassencomplex ten onrechte geen rekening gehouden met de uitbreiding van het bouwvlak van haar veehouderij. Daarnaast is ten onrechte geen rekening gehouden met de geurhinder vanwege haar mestverwerkingsbedrijf. 69.1. Voor zover het betoog betrekking heeft op geurhinder vanwege de veehouderij verwijst de Afdeling naar hetgeen is overwogen onder 61.4.
In zoverre faalt het betoog. 69.2. Voor zover het betoog betrekking heeft op geurhinder vanwege het mestverwerkingsbedrijf overweegt de Afdeling dat in de vergunning van het mestverwerkingsbedrijf van het college van gedeputeerde staten van 9 oktober 2014, met het kenmerk 2013-0340, staat dat de geurhinder vanwege het mestverwerkingsbedrijf als verwaarloosbaar kan worden beschouwd tegen de achtergrond van de geurhinder vanwege de veehouderij. Ook in zoverre faalt het betoog. MER 70. [appellante sub 11] betoogt dat voor de uitbreiding van het kassencomplex van Vissers in het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II" ten onrechte geen milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) of een m.e.r.-beoordeling is uitgevoerd. 70.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het voorheen geldende bestemmingsplan reeds een milieueffectrapportage is uitgevoerd. 70.2. Artikel 7.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt: "Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b.
ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben." Het vierde lid luidt: "Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt." 70.3. Artikel 2, tweede lid, van het Besluit milieueffectrapportage luidt: "Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet (lees: de Wet milieubeheer) worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven, […]." Het derde lid luidt: "Als categorieën van plannen als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in kolom 3 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn omschreven, voor zover die plannen een kader vormen voor een besluit dat behoort tot een categorie die is aangewezen op grond van het vierde lid, en voor zover die plannen niet zijn aangewezen als categorieën van besluiten als bedoeld in dat lid" Het vierde lid luidt: "Als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.2, derde en vierde lid, van de wet, worden
aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn omschreven." Het vijfde lid luidt: "[…]. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt: a. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 en 7.20a van de wet in zodanige gevallen, en
b. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de wet in overige gevallen […]." 70.4. Ingevolge onderdeel D, categorie D9, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage moet een m.e.r. worden uitgevoerd voor een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan, in het geval waarin de activiteit betrekking heeft op de vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 ha of meer. De vaststelling van een bestemmingsplan met deze activiteit is zowel aangewezen in kolom 3 als kolom 4. 70.5. Het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II" voorziet in een zuidelijke uitbreiding van het glastuinbedrijf aan de [locatie 1] te America. Voor die gronden was het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" van 19 december 2017 het voorheen geldende bestemmingsplan. Gebleken is dat ook in de uitbreiding had kunnen worden voorzien met toepassing van artikel 3, lid 3.8.2, onder e, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas". Dit artikelonderdeel luidt: "Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen ten behoeve van het veranderen van de vorm en/of het vergroten van een bouwvlak, met dien verstande dat: e.
de oppervlakte van het bouwvlak na wijziging niet meer bedraagt dan 1,5 ha, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw' een maximum van 3 ha geldt. In uitzondering hierop gelden voor bedrijven met een aanduiding 'glastuinbouw' op gronden ter plaatse van de aanduiding 'Overige zone ontwikkelingsgebied glastuinbouw' geen maximum oppervlakte;". Het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" voorzag gedeeltelijk bij recht en gedeeltelijk met een wijzigingsbevoegdheid in glastuinbouw. Dat plan diende daarom te worden aangemerkt als een gemengd bestemmingsplan als bedoeld in overwegingen 2.4.2.1 en 2.4.2.3 van de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2641. Het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" vormde daarmee een besluit als bedoeld in kolom 4 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Hieruit volgt dat bij de totstandkoming van het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" niet een m.e.r. voor plannen uit kolom 3 maar een m.e.r. voor besluiten uit kolom 4 diende te worden uitgevoerd die betrekking had op het gehele project. In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het m.e.r. dat is uitgevoerd voor het "Buitengebied Horst aan de Maas" niet als zodanig kan worden aangemerkt. Nu reeds een m.e.r.
voor besluiten is uitgevoerd, en het plan niet in extra glastuinbouw voorziet, is de m.e.r.plicht voor de functie glastuinbouw uitgewerkt. Het betoog faalt. Ontsluiting en parkeren 71. [appellante sub 11] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een ontsluiting van de zuidelijke gronden van [appellante sub 10] en dat het plan ten onrechte niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen. 71.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." 71.2. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 71.3. Het perceel van [appellante sub 10] is ontsloten aan de [locatie 1] te America.
Dat ligt op ongeveer 2 km van de ontsluiting van [appellante sub 11] aan de [locatie 9] te America. Gelet hierop zien de bezwaren van [appellante sub 11] over de ontsluiting en de parkeersituatie uitsluitend op de belangen van [appellante sub 10] en niet op de belangen van [appellante sub 11]. De in het geding zijnde normen hebben daarom kennelijk niet de strekking het belang van [appellante sub 11] te beschermen, zodat de betogen ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het besluit kunnen leiden. Daarom blijft verdere bespreking van deze beroepsgrond achterwege. Ladder duurzame verstedelijking 72. [appellante sub 11] betoogt dat voor de voorziene uitbreiding van het kassencomplex van Vissers ten onrechte ten geen toepassing is gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
72.1.
Artikel 1.1.1, onder i, van het Bro luidt:
"stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen". Artikel 3.1.6, tweede lid, luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." 72.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad terecht gesteld dat met de bestemming "Agrarisch met waarden", een aanduiding voor een bouwvlak en de functieaanduiding "glastuinbouw" niet is voorzien in een stedelijke voorziening. Met deze agrarische bestemming wordt niet de ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro mogelijk gemaakt. Artikel 3.1.6, tweede lid, is dus niet van toepassing. Het betoog faalt. Waterparagraaf 73. [appellante sub 11] betoogt dat in de waterparagraaf uit de plantoelichting onvoldoende duidelijk wordt hoe door glastuinbouwbedrijven met water mag worden omgegaan. 73.1.
De raad heeft zich met juistheid op het standpunt gesteld dat dit onderwerp regeling vindt in § 3.5.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Daarom was de raad niet gehouden om hier in de waterparagraaf uit de plantoelichting op in te gaan. Het betoog faalt. Landschappelijk inpassingsplan 74. [appellante sub 11] stelt dat bij de landschappelijke inpassing van de kassen van [appellante sub 10] ten onrechte geen rekening is gehouden met de maximale planologische mogelijkheden. Daarbij voert zij aan dat het plan in een groter bouwvlak voorziet dan in het landschappelijk inpassingsplan is ingetekend. 74.1.
Artikel 3, lid 3.4.3, van de planregels luidt:
"Het oprichten van gebouwen is toegestaan als de te ontwikkelen nieuwe natuur, die voorwaarde is voor de landschapsontwikkeling, is gerealiseerd en vervolgens in stand wordt gehouden overeenkomstig Bijlage 1". Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bij de planregels opgenomen. 74.2. Het landschappelijk inpassingsplan voor het glastuinbouwbedrijf aan de [locatie 1] biedt uitsluitend een landschappelijke inpassing aan de zijde van de Nieuwe Peeldijk. [appellante sub 11] heeft niet aangevoerd dat dit onjuist is. Voorts stelt [appellante sub 11] weliswaar terecht dat het plan in een groter bouwvlak voorziet dan in het landschappelijk inpassingsplan is ingetekend, maar dit betreft een uitbreiding in zuidelijke richting. Niet gebleken is dat deze uitbreiding afbreuk doet aan het aanzicht vanaf de Nieuwe Peeldijk. Daarom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het landschappelijk inpassingsplan niet als zodanig als bijlage bij de planregels heeft mogen opnemen. Het betoog faalt. Andere functies 75. [appellante sub 11] betoogt dat het plan "[locatie 1], fase II, America" ook andere functies dan glastuinbouw mogelijk maakt. Daarnaar is ten onrechte geen onderzoek verricht. Weliswaar voorziet het plan in de aanduiding "uitsluitend kassen toegestaan", maar niet is uitgesloten dat die kassen voor andere functies worden gebruikt.
In dit verband wijst [appellante sub 11] op de mogelijke huisvesting van arbeidsmigranten. Ter zitting heeft [appellante sub 11] de beroepsgrond ingetrokken, voor zover zij in dit verband wees op de functies intensieve veehouderij, grondgebonden bedrijvigheid, paardenbakken en mestbewerking. 75.1. Het plan voorziet ter plaatse van de zuidelijke uitbreiding van het kassencomplex in de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsluitend kassen toegestaan". Gelet op artikel 3, lid 3.2.1, onder d, en lid 3.4.1, aanhef en onder k, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.48, van de planregels zijn ter plaatse uitsluitend kassen toegestaan, gedefinieerd als een gebouw, bestaande uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal dienend tot het kweken of trekken van bomen, vruchten, bloemen of planten. Dit betekent dat deze gronden niet mogen worden gebruikt voor de huisvesting van arbeidsmigranten. Het betoog faalt. Conclusie
76. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 11] tegen het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II" ongegrond. 77.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het beroep van LLTB Inleiding 78. LLTB komt op voor de belangen van land- en tuinbouwbedrijven in het plangebied. Zij richt zich in beroep tegen de aanduiding van agrarische gronden als beekdalzone. Daarnaast voert zij diverse beroepsgronden aan met betrekking tot spuitzones voor gewasbeschermingsmiddelen. Beekdal 79. LLTB betoogt dat de aanduiding "overige zone - beekdal" te ruim is ingetekend binnen agrarische bestemmingen. Zo is de aanduiding ook toegekend aan bouwvlakken en hoger gelegen gronden. Daar is geen sprake van een beekloop of natte structuur en evenmin van ecologische verbindingszones, hoge natuurwaarden of (strategische) waterberging. Voorts is de aanduiding ruimer ingetekend dan in het POL, terwijl dat is gebaseerd op het laatste onderzoek. LLTB vreest als gevolg hiervan voor beperkingen in de bedrijfsvoering. Dat kan de vorm hebben van onder meer nadere eisen aan bebouwing, beperkingen aan bebouwing buiten het bouwvlak en beperkingen aan de toepassing van wijzigingsbevoegdheden. Dat geldt in het bijzonder voor het gebied bij de Dijkerheideweg te Horst, waar veel teeltondersteunende voorzieningen voorkomen. Het vorenstaande klemt temeer nu de aanduiding niet geldt voor andere dan agrarische bestemmingen, aldus LLTB. 79.1. De planregeling voor de bestemming "Agrarisch" is neergelegd in artikel 3 van de planregels.
In een aantal artikelen zijn beperkingen opgenomen voor gronden met de aanduiding "overige zone - beekdal". Dit betreft een nadere eisenregeling voor bebouwing en erf- en terreinafscheidingen, extra voorwaarden voor de toepassing van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden en een aanlegvergunningstelsel. In artikel 3, lid 3.3, is een nader eisenregeling neergelegd voor bebouwing en erf- en terreinafscheidingen. Onder b, sub 2, staat dat nadere eisen mogen worden gesteld ter voorkoming van onevenredige aantasting van de waarden en belangen ter plaatse van de aanduidingen die zijn opgenomen in artikel 47. Lid 3.4.2 bevat een afwijkingsbevoegdheid voor een grotere hoogte van erf- en terreinafscheidingen buiten het bouwvlak. Onder d staat dat geen onevenredige aantasting mag optreden van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden of natuurwaarden, zoals onder meer uiteen gezet in artikel 47. Lid 3.4.3 bevat een afwijkingsbevoegdheid voor lage teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak. Onder j staat dat geen onevenredige aantasting mag optreden van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden of natuurwaarden, zoals onder meer uiteen gezet in artikel 47. Lid 3.4.4 bevat een afwijkingsbevoegdheid voor hoge teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak. Onder f staat dat die niet zijn toegestaan binnen de aanduiding "overige zone - beekdal".
Lid 3.4.6 bevat een afwijkingsbevoegdheid voor schuilgelegenheden dan wel kleinschalige opslag buiten het bouwvlak. Onder h staat dat geen onevenredige aantasting mag optreden van de aanwezige en landschapswaarden, zoals onder meer uiteen gezet in artikel 47. Lid 3.8.2 bevat een wijzigingsbevoegdheid voor verandering of vergroting van het bouwvlak. Onder f staat dat de waarden en belangen ter plaatse van de aanduidingen die zijn opgenomen in artikel 47 niet onevenredig mogen worden aangetast. Lid 3.8.3 bevat een wijzigingsbevoegdheid voor verandering of vergroting van het aanduidingenvlak "specifieke bouwaanduiding - agrarische voorzieningen". Onder c staat dat de waarden en belangen ter plaatse van de aanduidingen die zijn opgenomen in artikel 47 niet onevenredig mogen worden aangetast. Artikel 47, lid 47.1, luidt: "Ter plaatse van de aanduidingen in de navolgende tabel zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden welke zijn opgenomen in de navolgende tabel". In de tabel zijn voor de aanduiding "overige zone - beekdal" de volgende waarden vermeld:
"- Beekdalen zijn belangrijke structuurdragers van het landschap met (al dan niet rechtlijnige) beeklopen. - Doorgaans natte structuur, waardoor de beekdalen functioneren als ecologische verbindingszones. - Hoge natuurwaarde voor: Reulsberg en 't Ham; omgeving Kasteelpark Ter Horst (flora, amfibieën en vogels), en zone Groote Molenbeek. - Specifieke functie voor (strategische) waterberging." Artikel 50, lid 50.1, voorziet ter plaatse van de aanduiding "overige zone - beekdal" in een aanlegvergunningstelsel. In lid 50.2 zijn de uitzonderingen op de vergunningplicht neergelegd. Zo is voor het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende bestemmingen geen aanlegvergunning nodig. 79.2. Niet in geschil is dat de gebiedsaanduiding "overige zone - beekdal" in het plan ruimer is ingetekend dan in het POL 2014. De raad heeft evenwel toegelicht dat hij voor deze ruimere begrenzing heeft aangesloten bij het gemeentelijke Landschapsontwikkelingsplan 2011. Daarin zijn bij het beekdal behorende waarden genoemd zoals zichtlijnen, de beplantingsstructuur, de ecologische ontwikkeling, het landschappelijke en het natuurlijke karakter. Voorts wijst de raad op de in het Landschapskader Noord- en Midden-Limburg uit 2009 genoemde waarden.
Daarin staat dat naast de natte structuur ook de gradiënten, het hoogteverschil loodrecht op de beek naar de verder weg gelegen hogere gronden een belangrijke kwaliteit zijn. Ook zijn de randen van de beekdalen op de hogere gronden cultuurhistorisch en archeologisch waardevol. Verder is daar de karakteristieke kleinschaligheid bewaard gebleven en het landschap visueel-ruimtelijk nog aantrekkelijk en waardevol. Gelet hierop is de motivering voor de begrenzing van de beekdalzone breder dan de aanwezigheid van een natte structuur, natuurwaarden en de mogelijkheid tot waterberging. Voorts omvat de motivering waarden, zoals zichtlijnen, het landschappelijke en cultuurhistorische karakter zoals kleinschaligheid, die kunnen worden beïnvloed door het gebruik van bouwvlakken. Verder heeft de raad, gelet op de hoeveelheid en de omvang daarvan, de bescherming van de beekdalzone in redelijkheid kunnen beperken tot agrarische bestemmingen, nog daargelaten dat LLTB geen concrete plandelen met andere bestemmingen heeft genoemd. Wat betreft de belangenafweging overweegt de Afdeling als volgt. Gelet op artikel 3, lid 3.3, en artikel 47 van de planregels brengt de aanduiding "overige zone - beekdal" met zich dat nadere eisen alleen gesteld mogen worden gesteld ter voorkoming van een onevenredige aantasting van de beekdalzone.
Waar deze waarden niet aanwezig zijn, kan het bevoegd gezag geen nadere eisen stellen. Dat geldt ook voor de extra voorwaarden voor de toepassing van de diverse afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden die voortvloeien uit de aanduiding "overige zone - beekdal". Een grotere beperking ligt in het aanlegvergunningstelsel uit artikel 50, lid 50.1. Daarin staat echter dat voor het normale onderhoud en beheer van de gronden en de daaraan toegekende bestemmingen geen aanlegvergunning nodig is. Onder die omstandigheden heeft de raad in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan de bescherming van de beekdalzone dan aan de belangen van de agrariërs om geheel van een vergunningplicht gevrijwaard te blijven. Gelet op het vorenstaande bestaat in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de begrenzing van de beekdalzone de aanduiding "overige zone - beekdal" ten onrechte en in afwijking van het POL 2014 ook heeft toegekend aan bouwvlakken en hoger gelegen gronden. Het betoog faalt. Spuitzones 80. LLTB betoogt dat in de planregels ten onrechte een afstand van 50 m wordt aangehouden tussen fruiten boomteelt en voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies. Door de driftreducerende maatregelen uit het recent gewijzigde artikel 3:78a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer kan een kortere afstand toelaatbaar zijn.
Voorts voorziet het plan ten onrechte in een ongedifferentieerde regeling voor fruit- en boomteelt. Verder is onduidelijk onder welke voorwaarden van de aan te houden afstand kan worden afgeweken. Ook zijn niet alle artikelen juist geformuleerd. Tot slot zijn ten onrechte niet dezelfde voorwaarden gesteld aan nieuwe gevoelige functies, aldus LLTB. 80.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de door LLTB bedoelde artikelen niet zijn geformuleerd zoals dat is beoogd. De raad zal na overleg met LLTB in een veegplan de artikelen wijzigen. De raad heeft zich in zoverre op een ander standpunt gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven. Daarom moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is vastgesteld. Het betoog slaagt.
Met het oog op het vast te stellen veegplan overweegt de Afdeling dat een mogelijkheid om van een gebruiksregel uit de planregels af te wijken die een nadere afweging vereist, geformuleerd kan worden als een afwijkingsbevoegdheid. Conclusie 81. In hetgeen LLTB heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van LLTB is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover niet is voorzien in de door de raad beoogde formulering van de planregels met betrekking tot spuitzones. 82. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 83. De raad dient ten aanzien van LLTB op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellante sub 13] Inleiding 84. [appellante sub 13] heeft een tuinbouwbedrijf op volle grond aan de [locatie 10] te Meerlo. Hij richt zich in beroep tegen de aanduiding van zijn gronden als beekdalzone. Voorts wenst hij een wijziging van de vorm van zijn bouwvlak. Beekdal 85.
Voor zover het beroep betrekking heeft op de aanduiding "overige zone - beekdal" verwijst de Afdeling naar het overwogene onder 79.2. Het betoog faalt. Bouwvlak 86. [appellante sub 13] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de door hem gewenste wijziging van de vorm van zijn bouwvlak. Hierbij voert hij aan dat de wijziging nodig is gebleken om de nieuwe loods op zijn perceel optimaal te kunnen gebruiken. Voorts blijft de oppervlakte van het bouwvlak gelijk. Hij acht de weigering in strijd met het gelijkheidsbeginsel. 86.1. De raad stelt zich op het standpunt dat alleen ontwikkelingen zijn meegenomen die in de voorbereiding van dit bestemmingsplan al zijn beoordeeld en waarbij alle onderzoeken zijn ingediend en positief zijn beoordeeld. De constatering dat na realisatie van de loods er te weinig ruimte is, is niet tijdig kenbaar gemaakt en onvoldoende onderbouwd. 86.2. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd.
De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. 86.3. [appellante sub 13] heeft zijn plan voor de wijziging van de vorm van het bouwvlak reeds bij zijn inspraakreactie van 10 augustus 2016 op het voorontwerp bekend gemaakt. Voorts gaat het om een zeer beperkte wijziging, waarbij het slechts de bedoeling is om enkele meters verharding aan te leggen. Gelet op de bekendheid met en de mate van concreetheid van dit voornemen ziet de Afdeling niet in waarom de raad niet in het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan al had kunnen beoordelen of en zo ja, in welke vorm, daaraan had kunnen worden meegewerkt. Dat nog niet alle volgens de raad benodigde onderzoeken waren verricht, is onvoldoende rechtvaardiging om de beoordeling achterwege te laten. Daarbij betrekt de Afdeling dat het op de weg van de raad had gelegen zo nodig aan [appellante sub 13] kenbaar te maken dat zijn verzoek onvoldoende uitgewerkt was zodat hij in staat kon worden gesteld om het verzoek tijdig met de benodigde en met nader genoemde onderzoeken aan te vullen. Dat heeft de raad niet gedaan.
Ook ter zitting heeft de raad niet kunnen concretiseren welke aspecten nog onderzoek behoeven. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Het betoog slaagt. Conclusie
87. In hetgeen [appellante sub 13] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellante sub 13] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover de door [appellante sub 13] gewenste wijziging van de vorm van zijn bouwvlak aan de [locatie 10] te Meerlo niet bij de vaststelling van het plan is betrokken. 88. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 89. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 13] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 14] Inleiding 90. [appellant sub 14] heeft een varkens- en paardenhouderij aan de [locatie 11] en [locatie 12] te Sevenum. Hij richt zich in beroep tegen de aanduiding van zijn gronden als beekdalzone met betrekking tot de bouwvlakken en hoger gelegen delen en tegen de aanduiding als extensiveringsgebied. Beekdal 91. Voor zover het beroep betrekking heeft op de aanduiding "overige zone - beekdal" verwijst de Afdeling naar het overwogene onder 79.2. Het betoog faalt in zoverre.
Extensiveringsgebied 92. [appellant sub 14] betoogt dat het plan ten onrechte ook voor zijn bouwvlakken voorziet in de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied". Hij vreest dat als gevolg van die aanduiding bepaalde Europese subsidies zullen worden afgewezen. 92.1. Niet in geschil is dat de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" uit het plan overeenkomt met de aanduiding "Extensiveringsgebied intensieve veehouderij" van de kaart "Intensieve veehouderijen en glastuinbouwbedrijven" uit de Omgevingsverordening Limburg 2014. [appellant sub 14] bestrijdt de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" uitsluitend voor zover het betreft zijn gronden die zijn voorzien van een aanduiding voor een bouwvlak. Op grond van de planregels komt aan deze aanduiding echter alleen buiten het bouwvlak betekenis toe. Wat betreft de vrees van [appellant sub 14] dat als gevolg van de aanduiding bepaalde Europese subsidies zullen worden afgewezen, doelt [appellant sub 14] mogelijk op artikel 46 van de voormalige Reconstructiewet concentratiegebieden. Op grond daarvan mochten geen subsidies worden verstrekt indien de verstrekking daarvan strijdig zou zijn met het reconstructieplan. Deze wet is per 1 juli 2014 is vervallen. [appellant sub 14] heeft niet aannemelijk gemaakt dat actuele subsidieregelingen bestaan die niet gelden voor extensiveringsgebieden.
Gelet op het vorenstaande heeft de raad geen belangrijk gewicht hoeven toekennen aan de wens van [appellant sub 14] om gevrijwaard te blijven van de aanduiding "reconstructiewetzone - extensiveringsgebied" op zijn bouwvlakken. Het betoog faalt. Conclusie 93. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 14] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" ongegrond. 94.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het beroep van [appellant sub 15] Inleiding 95. [appellant sub 15] heeft een bedrijfslocatie aan de [locatie 13] te Sevenum en een aantal percelen in de omgeving daarvan. Deze gronden zijn gedeeltelijk in gebruik voor fruit- en boomteelt. Voor zover dat niet zo is, wil hij de mogelijkheid houden om dat gebruik alsnog aan te vangen. Dit in verband met de verkoop van zijn huidige thuislocatie aan de [locatie 14] te Sevenum ten behoeve van de gebiedsontwikkeling van "Greenport Venlo".
Spuitzones 96. Voor zover [appellant sub 15] zich richt tegen de planregeling voor spuitzones verwijst de Afdeling naar het overwogene onder 80.1. Aanlegvergunningstelsel 97. [appellant sub 15] betoogt dat het herplanten van een houtopstand ten onrechte niet in artikel 50, lid 50.2, van de planregels is opgenomen als uitzondering op het aanlegvergunningstelsel uit lid 50.1. 97.1. De raad stelt zich op het standpunt dat deze uitzondering per abuis niet aan artikel 50, lid 50.2, van de planregels is toegevoegd. 97.2. Artikel 50, lid 50.1, van de planregels voorziet ter plaatse van diverse aanduidingen in een aanlegvergunningstelsel. In lid 50.2 zijn de uitzonderingen op de vergunningplicht neergelegd. 97.3. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid. Illegale tuinen en erven 98. [appellant sub 15] vreest dat artikel 3, lid 3.5.1, aanhef en onder b, van de planregels ten onrechte tot gevolg heeft dat hij ook een afstand van 50 m dient aan te houden tot illegale tuinen en erven. 98.1.
Artikel 3, lid 3.5.1, aanhef en onder b, van de planregels luidt:
"Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: […] b. het gebruik van de gronden voor fruitteelt en boomteelt binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfs)woningen inclusief tuinen en erven, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, uitgezonderd en voor zover: […]." 98.2. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van artikel 3, lid 3.5.1, aanhef en onder b, van de planregels met zich dat de op grond daarvan aan te houden afstand alleen geldt ten opzichte van op grond van het bestemmingsplan toegelaten tuinen en erven. Het betoog faalt. Conclusie 99. In hetgeen [appellant sub 15] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 15] is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover niet is voorzien in de door de raad beoogde formulering van de planregels met betrekking tot spuitzones en voor zover het herplanten van een houtopstand niet in artikel 50, lid 50.2, van de planregels is opgenomen als uitzondering op het aanlegvergunningstelsel uit lid 50.1. 100.
De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 101. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 15] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellante sub 16] en anderen 102. [appellante sub 16] en anderen hebben een intensieve veehouderij aan de [locatie 15] te Tienray (hierna: het noordelijke bouwvlak). Direct ten zuiden daarvan ligt het tuinbouwbedrijf van [bedrijf C] aan de [locatie 16] (hierna: het zuidelijke bouwvlak). In geschil is of de bedrijfswoning aan de [locatie 16] in het zuidelijke of het noordelijke bouwvlak zou moeten liggen. 103. [appellante sub 16] en anderen betogen dat de bedrijfswoning aan de [locatie 16] ten onrechte in het zuidelijke bouwvlak van [bedrijf C] ligt. Zij wensen dat de begrenzing van de bouwvlakken zodanig wordt aangepast dat de bedrijfswoning in het noordelijke bouwvlak van [appellante sub 16] en anderen komt te liggen, om beperkingen van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de gebouwen en gronden van [appellante sub 16] en anderen te voorkomen. In dit verband wijzen zij op de voorgeschiedenis.
103.1. In het noordelijke en het zuidelijke bouwvlak liggen in totaal twee bedrijfswoningen. In het noordelijke bouwvlak ligt de bedrijfswoning aan de [locatie 15]. De bestemming daarvan is niet in geschil. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de raad het noordelijke en het zuidelijke bouwvlak zodanig heeft kunnen begrenzen dat de bedrijfswoning aan de [locatie 16] in het zuidelijke bouwvlak ligt. 103.2. In het verleden behoorden de noordelijke en zuidelijke percelen tezamen toe aan [appellante sub 16] en anderen. Het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1999 voorzag in een gezamenlijk bouwvlak voor beide percelen. Rond het jaar 2002 is het zuidelijke perceel privaatrechtelijk afgesplitst en verkocht aan [bedrijf C]. In 2002 is een wijzigingsplan vastgesteld. Daarin is ten behoeve van [bedrijf C] een afzonderlijk bouwvlak aan de zuidelijke gronden toegekend. De bedrijfswoning aan de [locatie 16] lag buiten het plangebied van dit wijzigingsplan en bleef daarmee liggen in het bestaande, nu als noordelijk aan te duiden bouwvlak. Een partiële herziening uit 2007 voorzag in zoverre in dezelfde planregeling. In 2010 is een projectbesluit vastgesteld. De bedrijfswoning aan de [locatie 16] lag buiten het plangebied van dit projectbesluit. In 2013 is een beheersverordening vastgesteld. Daarin lag de bedrijfswoning aan de [locatie 16] in het zuidelijke bouwvlak. 103.3.
[appellante sub 16] en anderen veronderstellen dat de plaatsing van de bedrijfswoning aan de [locatie 16] in het noordelijke bouwvlak met zich zou brengen dat die woning geen milieugevoelig object is ten opzichte van het bedrijf van [appellante sub 16] en anderen in het noordelijke bouwvlak. Die veronderstelling berust evenwel op een onjuiste rechtsopvatting. Gelet op de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer, is bij de beoordeling van de vraag of een woning tot een inrichting behoort in beginsel niet de planologische situatie, maar de feitelijke situatie bepalend. Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3223. Voorts is gebleken dat de bedrijfswoning aan de [locatie 16] feitelijk gebruikt wordt ten behoeve van het zuidelijke bedrijf. Daaruit volgt dat de bedrijfswoning aan de [locatie 16] behoort tot de inrichting van het zuidelijke bedrijf. Daarvoor is niet relevant in welk bouwvlak te woning ligt. Gelet op het vorenstaande heeft de raad geen belangrijk gewicht hoeven toekennen aan de wens van [appellante sub 16] en anderen bij de aanpassing van de vormen van de bouwvlakken. De raad heeft dan ook in redelijkheid het plan kunnen laten aansluiten bij de planologische situatie in de beheersverordening en bij de feitelijke situatie dat de bedrijfswoning aan de [locatie 16] gebruikt wordt ten behoeve van het zuidelijke bedrijf. Het betoog faalt. 104.
Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 16] en anderen tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" ongegrond. 105.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het beroep van [appellante sub 17] 106. [appellante sub 17] heeft een loonwerkbedrijf aan de [locatie 17] te Melderslo. Het voorheen geldende bestemmingsplan voorzag in 2.900 m2 aan bebouwing. Die oppervlakte is nog niet geheel gebruikt. Het plan voorziet slechts in de gerealiseerde bebouwing. 107. [appellante sub 17] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de door hem gewenste oppervlakte aan bebouwing. Hij wenst de uitgebreidere bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan te behouden en wenst tevens een uitbreiding daarvan met 20 procent. Dat kan worden voorzien met een afwijkingsbevoegdheid dan wel bij recht. Hiertoe heeft hij op 31 oktober 2017 een principeverzoek ingediend. 107.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellante sub 17] niet tijdig een concreet plan heeft ingediend. 107.2. Het plan voorziet voor [appellante sub 17] aan de [locatie 17] te Melderslo in de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "agrarisch hulpbedrijf". Het plan voorziet daar niet in een aanduiding voor een oppervlakte aan bedrijfsgebouwen. De planregeling voor deze bestemming is neergelegd in artikel 5 van de planregels.
Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, bedraagt de totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen maximaal de bestaande oppervlakte, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "oppervlakte (m2)" waarvoor geldt dat de maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan is aangegeven.
107.3. Voor zover [appellante sub 17] een uitbreiding van de bij recht toegekende bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan wenst, overweegt de Afdeling als volgt. In het stelsel van de Wro is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld. Eerst op 31 oktober 2017, en dus na de terinzagelegging van het ontwerpplan, heeft [appellante sub 17] een principeverzoek ingediend. Gelet op de vereiste beoordeling daarvan kan dat niet worden aangemerkt als een tijdig ingediend concreet plan. Daarom heeft de raad dit initiatief bij de vaststelling van het plan in redelijkheid buiten beschouwing kunnen laten. 107.4. Voor zover [appellante sub 17] de bij recht toegekende bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan wenst te behouden, overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan 2.900 m2 aan bebouwing was toegestaan.
De raad heeft deze bouwmogelijkheden verminderd onder verwijzing naar het ontbreken van een tijdig ingediend concreet plan. De 2.900 m2 aan bebouwing was echter al mogelijk op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan. De raad heeft miskend dat, waar het gaat om behoud van bestaande bouwrechten op grond van het vorige bestemmingsplan, een tijdig en concreet initiatief van de zijde van [appellante sub 17] ter invulling van de bestaande bouwmogelijkheden niet zonder nadere motivering als voorwaarde kan worden gesteld. Dat het principeverzoek van 31 oktober 2017 niet kan worden beschouwd als een tijdig ingediend concreet plan rechtvaardigt dat de raad dit bij de vaststelling van het bestemmingsplan buiten beschouwing heeft gelaten voor zover het ziet op extra bouwmogelijkheden maar kan geen reden zijn om planologisch reeds bestaande bouwmogelijkheden te ontnemen. De raad had dan ook moeten beoordelen of de ruimere bouwmogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan konden worden voortgezet. Dit heeft de raad onvoldoende gemotiveerd nagelaten. Het betoog slaagt. 108. In hetgeen [appellante sub 17] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.
Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel voor de gronden van [appellante sub 17] aan de [locatie 17] te Melderslo met de bestemming "Bedrijf". 109. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 110. De raad dient ten aanzien van [appellante sub 17] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 18] Inleiding 111. [appellant sub 18] heeft een gemengd agrarisch bedrijf aan de [locatie 18] te Sevenum in de vorm van een intensieve veehouderij met een glastuinbouwtak. Hij wenst ruimere mogelijkheden om zijn gronden te gebruiken voor zonnepanelen. Voorts acht hij de planregeling van zijn glasopstanden onvolledig. Zonnepanelen 112. [appellant sub 18] betoogt dat het plan in onvoldoende mogelijkheden voorziet om zijn gronden te gebruiken voor zonnepanelen. Hierbij voert hij aan dat het plan ten onrechte alleen de productie van elektriciteit voor eigen gebruik mogelijk maakt. Hij wenst daarentegen hoofdzakelijk aan het net te kunnen leveren om te voldoen aan de energiebehoefte van derden. 112.1.
De raad acht het bedrijfsmatig exploiteren van daken en gronden voor zonnepanelen niet wenselijk omdat dit kan leiden tot een groter aantal zonnepanelen dan voor eigen gebruik nodig is. In het aangevoerde bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft mogen toekennen aan de landschappelijke waarden dan aan de belangen van [appellant sub 18] om daken en gronden bedrijfsmatig voor zonnepanelen te kunnen exploiteren. Het betoog faalt. Gebruik glasopstanden
113. [appellant sub 18] betoogt dat op onjuiste wijze in zijn glasopstanden is voorzien. In de nota van zienswijzen heeft de raad gesteld dat bij agrarische bedrijven ook zonder de aanduiding "glastuinbouw" tot 5.000 m2 aan glasopstanden is toegestaan. [appellant sub 18] is daar niet geheel door gerust gesteld. Uit het samenstel van planregels volgt volgens [appellant sub 18] namelijk dat hij uitsluitend glasopstanden zou mogen gebruiken ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Hij heeft echter geen grondgebonden agrarisch bedrijf, maar een intensieve veehouderij. 113.1. Het plan voorziet voor de gronden van [appellant sub 18] in de bestemming "Agrarisch met waarden" met een aanduiding voor een bouwvlak en de aanduiding "intensieve veehouderij". Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik; […] c. grondgebonden agrarische bedrijven, niet zijnde grondgebonden veehouderijen, d. ter plaatse van de hieronder vermelde aanduidingen zijn tevens de daarbij vermelde agrarische bedrijven / functie(s) toegestaan: […] - intensieve veehouderij: niet-grondgebonden veehouderij en/of grondgebonden veehouderij; - glastuinbouw: glastuinbouwbedrijf".
Lid 3.2.1, onder a, luidt: "op de gronden als bedoeld in lid 3.1, mogen uitsluitend gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van de bestemming worden gebouwd;" Lid 3.2.3. luidt: "De maatvoering voor teeltondersteunende voorzieningen, is als volgt: […] Oppervlakte teeltondersteunende kassen binnen het bouwvlak, anders dan ter plaatse van de aanduiding 'glastuinbouw': max. 5.000 m2." 113.2. De Afdeling leidt uit het samenstel van de hierboven weergegeven bepalingen af dat voor alle agrarische bedrijven, dus ook voor een intensieve veehouderij, binnen het bouwvlak teeltondersteunende kassen zijn toegestaan als bedoeld in lid 3.2.3. Het betoog faalt. Conclusie 114. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 18] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" ongegrond. 115.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart gegrond de beroepen van [appellant sub 1], [appellante sub 2] h.o.d.n. [bedrijf A], N.V. RotterdamRijn Pijpleiding Maatschappij, [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 9], [appellante sub 11], Limburgse Land- en Tuinbouw Bond-Belangenbehartiging, [appellante sub 13] en anderen, [appellant sub 15] en [appellant sub 17] h.o.d.n. [bedrijf B] tegen het besluit van 19 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas"; II. vernietigt het besluit van 19 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" voor zover: a. het betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - praktijkonderwijs" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vergaderaccommodatie", voor zover deze ter plaatse waar deze aanduidingen zijn toegekend geen ondergeschikte horeca mogelijk maken; b. het betreft het plandeel voor [locatie 3] te Sevenum met de bestemming "Bedrijf";
c. het betreft artikel 50, lid 50.1, onder c, van de planregels en voor zover in de tabel in dit artikellid bij de dubbelbestemming "Leiding - brandstof" de onder d genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden niet zijn opgenomen als activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is benodigd; d. het betreft de gronden van Montair Process Technology B.V. aan de Heuvelstraat 14 te Kronenberg met de bestemming "Bedrijf" waarmee het bedrijfsvlak ten opzichte van het vorige bestemmingsplan is uitgebreid; e. het betreft het plandeel voor de gronden van [appellant sub 9] aan de [locatie 8] te America met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie"; f. niet is voorzien in de vergunde westelijke uitbreiding van de varkenshouderij en/of het mestverwerkingsbedrijf van [appellante sub 11] aan de [locatie 9] te America; g. niet is voorzien in de door de raad beoogde formulering van de planregels met betrekking tot spuitzones; h. voor zover de door [appellante sub 13] en anderen gewenste wijziging van de vorm van hun bouwvlak aan de [locatie 10] te Meerlo niet bij de vaststelling van het plan is betrokken; i. het plandeel voor de gronden van [appellant sub 17] h.o.d.n. [bedrijf B] aan de [locatie 17] te Melderslo met de bestemming "Bedrijf"; j.
het herplanten van een houtopstand niet in artikel 50, lid 50.2, van de planregels is opgenomen als uitzondering op het aanlegvergunningstelsel uit lid 50.1.; III. draagt de raad van de gemeente Horst aan de Maas op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen wat betreft het vermelde onder II.a, II.b, II.c, II.d, II.e, II.f, II.g, II.h, II.i en II.j een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV.