CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c2 Toelichting Bijlage 2 Uitspraak ABRvS

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Grubbenvorsterweg 64-66, Sevenum.19.426 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Uitspraak 201803358/1/R1 en 201806967/1/R1 ECLI :

ECLI:NL:RVS:2019:1763

Datum uitspraak :

29 mei 2019

Inhoudsindicatie :

Bij besluit van 19 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" (hierna: het plan) vastgesteld.

 eerste aanleg - meervoudig

 ro - limburg

Volledige tekst 201803358/1/R1 en 201806967/1/R1. Datum uitspraak: 29 mei 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1.

[appellant sub 1], wonend te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas,

2.

[appellante sub 2] h.o.d.n. [bedrijf A], gevestigd te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas,

3.

N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij (hierna: RRP), gevestigd te Rotterdam,

4.

[appellante sub 4], gevestigd te [plaats],

5.

[appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], wonend te Meterik, gemeente Horst aan de Maas,

6.

[appellante sub 6], gevestigd te Swolgen, gemeente Horst aan de Maas,

7. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] (hierna: [appellante sub 7]), gevestigd te America, gemeente Horst aan de Maas, 8.

[appellant sub 8] en anderen, wonend te Kronenberg, gemeente Horst aan de Maas,

9.

[appellant sub 9], wonend te America, gemeente Horst aan de Maas,

10.

[appellante sub 10], gevestigd te America, gemeente Horst aan de Maas,

11.

[appellante sub 11], gevestigd te America, gemeente Horst aan de Maas,

12.

Limburgse Land- en Tuinbouw Bond-Belangenbehartiging (hierna: LLTB), gevestigd te Roermond,

13. [appellante sub 13] en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 13]), gevestigd dan wel wonend te Meerlo, gemeente Horst aan de Maas, 14.

[appellant sub 14], wonend te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas,

15.

[appellant sub 15], wonend te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas,

16. [appellante sub 16] en anderen (hierna: [appellante sub 16] en anderen), allen gevestigd dan wel wonend te Tienray, gemeente Horst aan de Maas, 17.

[appellant sub 17] h.o.d.n. [bedrijf B], gevestigd te Melderslo, gemeente Horst aan de Maas,

18. [appellante sub 18A] en [appellant sub 18B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 18]), gevestigd te Sevenum, gemeente Horst aan de Maas, en de raad van de gemeente Horst aan de Maas, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 19 december 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2], RRP, [appellante sub 4], [appellanten sub 5], [appellante sub 6], [appellante sub 7], [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 9], [appellante sub 10], [appellante sub 11], LLTB, [appellante sub 13], [appellant sub 14], [appellant sub 15], [appellante sub 16] en anderen, [appellant sub 17] en [appellant sub 18] beroep ingesteld. Bij besluit van 3 juli 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellante sub 11] beroep ingesteld. De raad heeft voor beide besluiten een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend of een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 en 12 maart 2019, waar appellanten zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een belanghebbende als partij gehoord.

Overwegingen Inhoudsopgave Inleiding Het beroep van [appellant sub 1] Het beroep van [appellante sub 2] Het beroep van RRP Het beroep van [appellante sub 4] Het beroep van [appellanten sub 5] Het beroep van [appellante sub 6] Het beroep van [appellante sub 7] Het beroep van [appellant sub 8] en anderen Het beroep van [appellant sub 9] Het beroep van [appellante sub 10] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" Het beroep van [appellante sub 11] tegen het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas" Het beroep van [appellante sub 11] tegen het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II" Het beroep van LLTB Het beroep van [appellante sub 13] Het beroep van [appellant sub 14] Het beroep van [appellant sub 15] Het beroep van [appellante sub 16] en anderen Het beroep van [appellante sub 17] Het beroep van [appellant sub 18] Beslissing

Inleiding 1. Het plan voorziet in een integraal planologisch juridisch regime voor het hele buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. 2. Bij de beroepen van [appellante sub 11] en [appellante sub 10] komt tevens het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II" aan de orde. Dat plan voorziet in een uitbreiding van het glastuinbouwbedrijf van [belanghebbende]. 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 1] 4. [appellant sub 1] exploiteert een agrarisch bedrijf aan de [locatie 2] in Sevenum. Het bedrijf bestaat uit drie delen: een rundveehouderij, vergaderlocaties dan wel ontmoetingsruimten en ruimte voor praktijkonderwijs voor studenten van enige onderwijsinstellingen.

Op 27 september 2012 is een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het toen geldende bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van gebouwen voor twee neventakken, te weten het verzorgen van praktijkonderwijs en het bieden van een ontmoetingsplek voor het bedrijfsleven waarbij tevens alcoholhoudende dranken worden geschonken. Het agrarische bedrijf zal, aldus [appellant sub 1], op termijn worden beëindigd en de huidige nevenactiviteiten zullen dan, zo is het voornemen, de hoofdactiviteit voor [appellant sub 1] vormen. 5. In het plan is aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Bedrijf" toegekend en de functieaanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - praktijkonderwijs" en "specifieke vorm van bedrijf - vergaderaccommodatie". Binnen deze bestemming is een maximaal te bebouwen oppervlakte toegestaan van 1.903 m2. 6. [appellant sub 1] betoogt dat de oppervlakte van de tweede bedrijfswoning binnen de bestemming "Bedrijf" ten onrechte niet is betrokken in de berekening voor maximale nieuwe bebouwing ten behoeve van de vergaderlocatie/ontmoetingsruimte. Deze oppervlakte bedraagt 236 m2 en dient bij de bestaande en te behouden oppervlakte te worden gerekend, waarbij 800 m2 voor de beoogde nieuwe bebouwing opgeteld dient te worden. De maximale oppervlakte ten behoeve van bebouwing in het plan zou 2.139 m2 moeten bedragen. 6.1.

De raad heeft ter zitting verklaard dat [appellant sub 1] gelijk heeft. Er is een fout gemaakt door de oppervlakte van de tweede bedrijfswoning niet mee te rekenen. Het totale oppervlak ten behoeve van bebouwing dient uit te komen op 2.139 m2. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. 7. [appellant sub 1] betoogt dat geen enkele vorm van horeca is toegestaan in de bestemming "Bedrijf". Er is sprake van een beperking van de gebruiksmogelijkheden ten opzichte van de omgevingsvergunning en het ontwerpplan. 7.1. Volgens het ontwerpplan waren nevenactiviteiten toegestaan in de vorm van het verzorgen van praktijkonderwijs en een ontmoetingsplek voor het bedrijfsleven waarbij tevens alcoholhoudende dranken worden geschonken met een maximum oppervlakte van 290 m2. In het vastgestelde plan is aan het perceel de bestemming "Bedrijf" toegekend, zonder dat voornoemde nevenactiviteiten waar het betreft het schenken van alcoholhoudende dranken zijn toegestaan. De raad stelt dat in de Nota van zienswijzen is ingestemd met het toestaan van ondergeschikte horeca ten dienste van de hoofdfunctie.

Deze wijziging is per abuis niet doorgevoerd in het vastgestelde bestemmingsplan. De raad ziet gelet daarop aanleiding voor de conclusie dat de omschrijving van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - praktijkonderwijs" en de omschrijving van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vergaderaccommodatie" moeten worden gewijzigd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt. 8. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd wat betreft de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - praktijkonderwijs" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - vergaderaccommodatie" voor zover deze aanduidingen ter plaatse waar deze zijn toegekend geen ondergeschikte horeca mogelijk maken. 9. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 10.

De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellante sub 2] 11. [appellante sub 2] exploiteert sinds 1994 aan de [locatie 3] in Sevenum een dierenpension en verzorgt daar hondentrainingen. 12. In het plan is aan het perceel [locatie 3] de bestemming "Bedrijf" toegekend en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - dierenpension/ -asiel/ -begraafplaats". 13. Voor zover [appellante sub 2] aanvoert dat zonder haar op de hoogte te stellen het plan ter inzage is gelegd en de beroepstermijn is begonnen te lopen, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt. 14. [appellante sub 2] betoogt dat zij een wens tot uitbreiding heeft en dat haar uitbreidingsplannen ten onrechte niet in het plan zijn meegenomen. In dit verband wijst zij op een revisievergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer van 21 november 2006 waaruit de hoofdactiviteiten blijken, zoals dierenpension, dierenasiel, hondentrainingen, evenementen en dergelijke. 14.1.

De raad stelt dat in het zogeheten principebesluit van 14 november 2016 is aangegeven dat de uitbreiding van het hondenpension, de overkapping van het bestaande therapiebad en de uitbreiding van de hondenkennels (nieuw gebouw) plaats vindt binnen de begrenzing van de geldende bedrijfsbestemming en deze onderdelen van het initiatief ruimtelijk gezien aanvaardbaar zijn, mits hiervoor de behoefte en noodzaak wordt onderbouwd. Er is aangegeven dat uit een in te dienen ruimtelijke onderbouwing en al dan niet noodzakelijke bijbehorende onderzoeken dient te blijken dat het initiatief ter plaatse inpasbaar en aanvaardbaar is. Door appellant is niet voldoende en tijdig onderbouwd, waarom de beoogde activiteiten wel ingepast zouden moeten worden in het bestemmingsplan. Aan de andere gewenste uitbreidingen, te weten een evenementenhal, aanleg van een veld met zonnepanelen, een waterberging, een kampeergelegenheid en landschapsversterking gekoppeld aan de evenementenhal is geen principe medewerking verleend. Voor de evenementen en de camping is slechts sprake van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer. Er is geen sprake van een vergunning of een anderszins doorlopen ruimtelijke procedure die deze activiteiten mogelijk maakt. Het ingediende uitbreidingsplan past niet binnen de visie en het beleidskader van Structuurvisie Klavertje 4, omdat de bufferfunctie van het gebied wordt aangetast.

De bouw van een grote evenementenhal en een solarpark passen qua bebouwingsschaal niet in het gebied. Daarnaast wordt met de evenementenhal een relatief grote publieksaantrekkende functie in het gebied geïntroduceerd, die niet past bij de beoogde rust van het gebied. De toename van het aantal bezoekers leidt tot een ongewenste intensivering van het gebied. Tevens is de Zeesweg niet geschikt voor de verwachte bezoekersstromen. Het deel van de Zeesweg tot aan de Romerweg is erg smal en vanaf de Romerweg is de weg ‘slechts' een zandpad. Door appellant is verder niet voldoende en tijdig onderbouwd, waarom de beoogde activiteiten wel ingepast zouden moeten worden in het bestemmingsplan. 14.2. De door [appellante sub 2] gewenste uitbreiding van het hondenpension, de overkapping van het bestaande therapiebad en de uitbreiding van de hondenkennels worden door de raad op zichzelf ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Met het oog op een snelle actualisatie van verouderde bestemmingsplannen kan het onder omstandigheden aanvaardbaar zijn als uitgangspunt slechts concrete plannen in het bestemmingsplan te verwerken. Dat is bij dit bestemmingsplan ook het geval.

Omdat concrete plannen voor de hiervoor genoemde ontwikkelingen ontbreken, heeft de raad zich daarom bij de vaststelling van het plan in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen aanleiding is om daarmee in dit geval rekening te houden.

Voor zover de gewenste uitbreiding ziet op een evenementenhal, de aanleg van een veld van zonnepanelen, een waterberging en om landschapsversterking gekoppeld aan de evenementenhal, acht de raad deze ontwikkelingen ter plaatse niet ruimtelijk aanvaardbaar, onder verwijzing naar het beleidskader Structuurvisie Klavertje 4, vastgesteld op 26 juni 2012. In hetgeen door [appellante sub 2] naar voren is gebracht, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de desbetreffende ontwikkelingen planologisch mogelijk te maken. Een schets van de geplande uitbreiding van de onderneming zoals die met de gemeente is besproken, waarop onder meer het "Solar-Park" is weergegeven, is in dit verband onvoldoende. De enkele omstandigheid dat de afgelopen jaren meerdere gesprekken over een uitbreiding van de activiteiten zijn gevoerd, maakt het ook niet anders. Het betoog faalt in zoverre. 14.3. In de revisievergunning van 21 november 2006 staat het volgende: "De evenementen vinden in de weekenden tussen 08.00 uur en 23.00 uur op het inrichtingsterrein plaats. Onderscheid wordt gemaakt tussen interne evenementen in eigen beheer en interne evenementen in samenwerking met derden. De evenementen zijn met name gericht op de hondensport. Voor interne evenementen is een internationaal deelnemersveld van 40 tot 750 personen mogelijk.

Het aantal bezoekers op deze evenementen is afhankelijk van het evenement en/of het aantal deelnemers. Het aantal bezoekers kan dan ook variëren van 250 tot 1.000. Veel deelnemers blijven tijdens een meerdaags evenement op het kampeerterrein binnen de inrichting overnachten in een tent, caravan of camper. Parkeren en overnachten vindt plaats binnen de begrenzing van de inrichting. Er kan daarbij tevens gebruik worden gemaakt van een omroep- en/of muziekinstallatie." Gelet daarop heeft de raad niet kunnen volstaan met te stellen dat voor de evenementen en de camping slechts sprake is van een vergunning op grond van de Wet milieubeheer en er geen vergunning of anderszins een doorlopen ruimtelijke procedure is die deze activiteiten mogelijk maakt. Voor de met de exploitatie van een dierencentrum samenhangende evenementen heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt dat deze, eventueel begrensd in tijd en omvang, niet zouden passen in de door de raad genoemde bufferfunctie. Ook ten aanzien van het incidentele kamperen heeft de raad dit niet inzichtelijk gemaakt. Daarbij wijst de Afdeling erop dat ook deze activiteit nader kan worden beperkt wat betreft duur en omvang. Het plan is in zoverre niet voorzien van een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt in zoverre. 14.4.

Naar het oordeel van de Afdeling mist het bestreden besluit ook een deugdelijke motivering wat betreft het niet met een bedrijfsbestemming in het plan opnemen van het gedeelte van het afgezette en verlichte hondensportveld dat daar in het vorige plan buiten viel. Dat dit veld in het vorige plan ook niet volledig binnen de bedrijfsbestemming viel, betekent niet zonder meer dat deze situatie onder het nieuwe plan zou moeten worden voortgezet, ook al heeft het plan volgens de raad een in hoofdzaak conserverend karakter. Het betoog slaagt in zoverre. 15. Voor zover [appellante sub 2] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb, overweegt de Afdeling dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. 16. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd wat betreft het plandeel voor [locatie 3] te Sevenum met de bestemming "Bedrijf". 17.

De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 18.

De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van RRP 19. RRP exploiteert een tweetal ondergrondse hogedrukbrandstofleidingen ten behoeve van het transport van ruwe olie en olieproducten van het Europoort gebied via Venlo naar Duitsland. RRP vreest voor aantasting van het functioneren van de pijpleidingen als gevolg van hetgeen is geregeld in artikel 23, lid 23.5, in samenhang met artikel 50, van de planregels.

20. Ter zitting heeft RRP haar beroepsgronden die betrekking hebben op artikel 50, lid 50.2 en 50.3, van de planregels ingetrokken. Wat de planregels betreft, ziet het beroep alleen nog op artikel 50, lid 50.1, onder c, en op dit artikellid voor zover in de tabel daarin bij de dubbelbestemming "Leiding - brandstof" de onder d genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden niet zijn opgenomen als activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is benodigd. Ook heeft RRP haar beroepsgronden ingetrokken voor zover deze betrekking hebben op diverse gewenste aanpassingen in de plantoelichting, behoudens waar het gaat om de vermelding van afstanden in verband met de externe veiligheid. 21. RRP betoogt dat haar zienswijze ten onrechte buiten beschouwing is gelaten en dat daarom beroep is ingesteld. 21.1. De raad stelt dat de zienswijze van RRP abusievelijk niet is betrokken bij de vaststelling van het plan. Deze zienswijze is ontvangen en geregistreerd. In het verweerschrift is de raad ingegaan op de inhoud van de zienswijze. 21.2. De Afdeling stelt vast dat de raad de zienswijze van RRP niet heeft meegenomen in de nota van zienswijzen. De raad heeft derhalve het bestreden besluit in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het beroep van RRP is gegrond, zodat het bestreden besluit wat betreft artikel 50, lid 50.1, onder c, van de planregels en voor zover in de tabel in dit artikellid bij de dubbelbestemming "Leiding - brandstof" de onder d genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden niet zijn opgenomen als activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is benodigd, wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb moet worden vernietigd. De Afdeling zal bezien of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in zoverre in stand te laten, nu de raad zich in het verweerschrift gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de zienswijze van RRP niet tot aanpassing van het plan hoeft te leiden. RRP heeft hierop kunnen reageren en in beroep haar standpunt nader kunnen toelichten. 22.

Artikel 14 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb) luidt:

"1 Een bestemmingsplan geeft de ligging weer van de in het plangebied aanwezige buisleidingen alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding. De belemmeringenstrook bedraagt ten minste vijf meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding. 2 Een bestemmingsplan waarbij aan gronden de bestemming wordt toegewezen die de aanwezigheid van een buisleiding toelaat, bevat in elk geval voor de belemmeringenstrook: a. geen nieuwe bestemmingen die het oprichten van bouwwerken toestaan; b. een vergunningenstelsel als bedoeld in artikel 3.3 van de Wet ruimtelijke ordening, voor werken of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding, niet zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken." 23. Via de dubbelbestemming "Leiding - Brandstof" worden de desbetreffende buisleidingen planologisch mogelijk gemaakt. Artikel 23 luidt als volgt: "23.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Brandstof' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a.

een ondergrondse pijpleiding voor het transport van aardolieproducten met een diameter van ten hoogste 24 inch en een druk van ten hoogste 62 bar en met de daarbij behorende belemmerde strook van 5 m ter weerszijden van de leiding; b. een ondergrondse pijpleiding voor het transport van ruwe olie met een diameter van ten hoogste 36 inch en een druk van ten hoogste 43 bar en met de daarbij behorende belemmerde strook van 5 m ter weerszijden van de leiding; c. het beheer en onderhoud van de leiding(en) met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

24. Voor zover RRP bezwaren heeft tegen de plantoelichting overweegt de Afdeling dat deze niet juridisch bindend is. RRP kan dan ook niet worden gevolgd in haar wens, zoals ter zitting toegelicht, dat in plaats van de in de plantoelichting genoemde afstanden, de afstanden in verband met de externe veiligheid worden gehanteerd die in een nader aangegeven tabel zijn genoemd. Het betoog faalt in zoverre. 25. RRP betoogt dat de omschrijving van werk "c" in de planregel over het aanlegvergunningstelsel ertoe leidt dat het rooien van niet diepwortelende beplanting en handelingen die niet de dood of ernstige beschadiging daarvan tot gevolg kunnen hebben binnen de dubbelbestemming "Leiding-Brandstof" zonder omgevingsvergunning uitgevoerd mogen worden. RRP acht dit onjuist, omdat niet is uitgesloten dat dergelijke handelingen het functioneren van de buisleidingen kunnen aantasten. Ook stelt RRP zich op het standpunt dat werk "d" op gronden met de dubbelbestemming "Leiding - Brandstof" omgevingsvergunningplichtig zou moeten zijn. 25.1. Ingevolge artikel 23, lid 23.5, van de planregels is voor de omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden het bepaalde in artikel 50 van toepassing.

Ingevolge artikel 50, lid 50.1, is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning ter plaatse van de nader genoemde bestemmingen of aanduidingen de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren te doen of te laten uitvoeren. Bij de bestemming "Leiding - Brandstof" zijn de werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden genoemd onder d niet in de tabel opgenomen. De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden genoemd onder c hebben betrekking op het vellen en rooien van bomen, hakhout en andere diepwortelende beplantingen en het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging daarvan ten gevolge hebben of kunnen hebben. De werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden genoemd onder d hebben betrekking op het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. 25.2. De raad heeft ter zitting verklaard dat er geen aanleiding is om de onder c vermelde handelingen van vergunningplicht uit te sluiten. Er zal moeten worden nagedacht over een diepte waar beneden het gelet op de diepte waar de leidingen liggen van belang is om een vergunningplicht te hanteren. Het begrip diepwortelend is in dit verband volgens de raad te onbepaald.

Het aanbrengen, verwijderen of verleggen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur is onder d opgenomen als categorie werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunningplicht geldt indien dit bij de desbetreffende bestemming in de tabel is aangegeven. Bij de dubbelbestemming "Leiding - Brandstof" is deze categorie niet vermeld. De raad heeft in dit verband ter zitting naar voren gebracht dat de onder d vermelde werken gelet op de aard daarvan op zichzelf vergunningplichtig moeten zijn. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft deze onderdelen niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt in zoverre. 26. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd wat betreft artikel 50, lid 50.1, onder c, van de planregels en voor zover in de tabel in dit artikellid bij de dubbelbestemming "Leiding - brandstof" de onder d genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden niet zijn opgenomen als activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is benodigd.

Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in zoverre in stand te laten. 27. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 28.

De Afdeling ziet aanleiding om na te melden voorlopige voorziening te treffen.

29.

Van voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Het beroep van [appellante sub 4] 30. [appellante sub 4] levert diensten aan champignonproductiebedrijven en wenst in dit verband zijn gronden aan de [locatie 4] te gebruiken voor de opslag van champignoncompost, ook genoemd champost.

31. [appellante sub 4] betoogt dat het plan ter plaatse van zijn perceel aan de [locatie 4] opslag van champost mogelijk maakt hoewel de in het ontwerp opgenomen aanduiding "specifieke vorm van agrarisch champignoncompost" bij de vaststelling van het plan niet is overgenomen. Hij wil daar duidelijkheid over. Zou het plan die activiteit niet mogelijk maken, dan stelt [appellante sub 4] zich op het standpunt dat ten onrechte is voorbij gegaan aan het al tientallen jaren plaatsvindende gebruik van de locatie voor de opslag van champost. De raad was ermee bekend dat zij deze activiteiten aldaar wilde voortzetten. 31.1. In het plan is aan het perceel van [appellante sub 4] de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. 31.2. De raad stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van het perceel in het ontwerpplan per abuis een aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - champignoncompost" was opgenomen. Het plan is in hoofdzaak conserverend van aard. Gelet daarop ziet de raad geen aanleiding de opslag mogelijk te maken. [appellante sub 4] heeft de gewenste ontwikkeling niet nader onderbouwd. Op basis van de bekende gegevens kon de ruimtelijke aanvaardbaarheid niet worden beoordeeld. Voorts brengt de raad naar voren dat uit nadere controle is gebleken dat in de periode vanaf 2007 tot en met 2010 geen sprake is geweest van het opslaan van champost.

Op basis van de luchtfoto’s is geconcludeerd dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Buitengebied Horst 2009" geen opslag van champost plaatsvond, zodat op grond van het overgangsrecht bij dat plan geen opslag van champost was toegestaan. [appellante sub 4] is daarvan op 1 mei 2018, vóór de inwerkingtreding van het plan, schriftelijk op de hoogte gebracht. Daarbij is tevens aangegeven dat er op dat moment geen champost was opgeslagen. Indien toch champost wordt opgeslagen, zal, aldus de raad, handhavend worden opgetreden. 31.3. De Afdeling overweegt dat het plan ter plaatse geen opslag van champost mogelijk maakt. Het begrip "agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik" in artikel 3, lid 3.1, van de planregels is weliswaar niet gedefinieerd, maar opslag valt daar niet onder. Daarbij betrekt de Afdeling dat in artikel 3, lid 3.1, van de planregels in een afzonderlijke aanduiding voor opslag is voorzien. Het is aan [appellante sub 4] om aannemelijk te maken dat de gestelde opslag van champost op zijn perceel aan [locatie 4] onder het overgangsrecht van het vorige plan viel, dat op 8 januari 2010 in werking is getreden. Zij is daar niet in geslaagd. De in dit verband aan de Afdeling overgelegde, in februari 2019 afgelegde, verklaringen geven geen aanleiding voor een ander oordeel.

Deze verklaringen houden niet meer in dan dat sprake is geweest van gebruik voor opslag van champost in de periode 2007 tot en met 2010. Zij zijn niet nader gespecificeerd. Eventueel gebruik van de gronden voor opslag van champost was derhalve, in welke omvang ook, in strijd met het vorige plan. Het betoog van [appellante sub 4] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dergelijke opslag ter plaatse niet planologisch mogelijk kan worden gemaakt. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat een onderbouwing van de gewenste opslag ten tijde van de vaststelling van het plan ontbrak. De omstandigheid dat in het ontwerpplan een aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - champignoncompost" was opgenomen, was, zo heeft de raad verklaard, een vergissing en heeft op zichzelf niet tot gevolg dat de raad gehouden was om die aanduiding bij de vaststelling te handhaven. 32.

Het beroep is ongegrond.

33.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellanten sub 5] 34. [appellanten sub 5] wonen sinds 2005 aan de [locatie 5] te Meterik. Het betreft een voormalige bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf. Zij voeren aan dat zij bij de aankoop niet wisten dat burgerbewoning aldaar niet is toegestaan. Aan het perceel is een agrarische bestemming toegekend. De woning dient gelet daarop als bedrijfswoning gebruikt te worden. [appellanten sub 5] wensen dat het feitelijke gebruik als burgerwoning planologisch mogelijk wordt gemaakt of dat hun woning wordt voorzien van de aanduiding "plattelandswoning". Er is volgens hen, anders dan de raad veronderstelt, geen belemmering voor glastuinbouwbedrijven in de nabije omgeving. Zij stellen te voldoen aan het Beleid plattelandswoningen waar de raad zich op beroept. Er is volgens hen gelet op de gemeentelijke structuurvisie geen sprake van een glastuinbouwconcentratiegebied. Zij doen in dit verband een beroep op het gelijkheidsbeginsel. 34.1. Aan het perceel [locatie 5] is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. In artikel 3, lid 3.1, van de planregels is bepaald dat wonen in een bedrijfswoning met bijbehorende tuin door een derde mogelijk is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning". Zonder die aanduiding is ingevolge de planregels wonen in een bedrijfswoning door een derde niet mogelijk.

34.2. De Afdeling overweegt dat de raad zich bij de vaststelling van het plan op het standpunt heeft gesteld dat het bestemmen van de woning [locatie 5] te Meterik tot burgerwoning of plattelandswoning niet wenselijk is omdat dit vanwege de belangen van de omliggende tuinders tot ongewenste situaties leidt. De raad wijst erop dat het perceel is gelegen in "ontwikkelingsgebied glastuinbouw", zoals aangewezen in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (hierna: POL 2014) en ook aangegeven op de desbetreffende bij de Omgevingsverordening behorende kaart. De raad heeft tevens aangesloten bij het door het college van burgemeester en wethouders op 17 december 2013 vastgestelde Beleid plattelandswoningen, waarin een plattelandswoning is uitgesloten in zogeheten glastuinbouwconcentratiegebieden. Ter zitting is gebleken dat met dit begrip in het beleid hetzelfde wordt bedoeld als met het in het POL 2014 gehanteerde begrip "ontwikkelingsgebied glastuinbouw". Voor zover [appellanten sub 5] betogen dat hun perceel niet is gelegen in een glastuinbouwconcentratiegebied zoals bedoeld in de gemeentelijke structuurvisie, is van belang dat de structuurvisie er niet toe strekt om de door de provincie vastgelegde begrenzing van deze gebieden aan te passen. De raad hanteert in het bestemmingsplan de door de provincie vastgelegde begrenzing.

De Afdeling acht het ten tijde van de vaststelling van het plan door de raad ingenomen standpunt dat binnen een gebied waar het accent ligt op de ontwikkeling van glastuinbouw, burgerwoningen of plattelandswoningen in beginsel onwenselijk zijn en dat gelet daarop niet kan worden meegewerkt aan de door appellanten gewenste bestemming ter plaatse, niet onredelijk. Bij het voorgaande betrekt de Afdeling dat er bij de voorbereiding van het plan voor is gekozen om een functieverandering van agrarische bedrijfswoning naar burgerwoning alleen mogelijk te maken als tijdig - vóór 1 september 2016 - een ruimtelijke onderbouwing met bijbehorende onderzoeken is aangeleverd. Bij de publicatie van het voorontwerp is deze handelwijze bekend gemaakt. Daarbij is aangegeven dat de stukken vanaf 1 juli 2016 gedurende 6 weken ter inzage liggen en binnen die termijn een inspraakreactie kan worden ingediend. Met het oog op een snelle actualisatie van verouderde bestemmingsplannen kan het onder omstandigheden aanvaardbaar zijn het uitgangspunt te hanteren om slechts concrete plannen in het bestemmingsplan te verwerken. De omstandigheid dat [appellanten sub 5] van de geboden mogelijkheid om een onderzoek of onderzoeken over te leggen toen geen gebruik hebben gemaakt, dient voor hun rekening te blijven.

Overigens stelt de Afdeling vast dat het na de raadsverkiezing in 2018 tot stand gekomen college van burgemeester en wethouders in beginsel bereid is om mee te werken aan een aanduiding "plattelandswoning" en dat de door [appellanten sub 5] overgelegde onderzoeksrapporten van 14 september 2018 zullen worden betrokken bij de beoordeling of in het kader van het in voorbereiding zijnde zogeheten veegplan een dergelijke aanduiding aan hun perceel kan worden toegekend. 34.3. Over de door [appellanten sub 5] gemaakte vergelijking met de locaties Molenveldweg 30 en Schengweg 5 overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat op de locatie Molenveldweg 30 reeds sprake is van een geldende woonbestemming waardoor een vergelijking met het perceel van [appellanten sub 5] niet op gaat. Op het perceel waartoe de voormalige bedrijfswoning Schengweg 5 behoorde, is sprake geweest van het doorlopen van een ruimtelijke procedure, waarbij de woning aan de Schengweg 5 buiten het bedrijfsperceel is gelaten en tevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid is aangetoond voor de betreffende woning.

In hetgeen [appellanten sub 5] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door hen genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. 35.

Het beroep is ongegrond.

36.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 6] 37. [appellante sub 6] exploiteert een boomkwekerij op het perceel [locatie 6] in Swolgen. Zij betoogt dat anders dan in het voorgaande bestemmingsplan "[appellante sub 6] Swolgen" mogelijkheden ontbreken om buiten het bouwvlak permanente teeltondersteunende voorzieningen op te richten. Met het nieuwe bestemmingsplan buitengebied is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen" geschrapt en wordt de mogelijkheid ontnomen om buiten het bouwvlak permanente teeltondersteunende voorzieningen aanwezig te hebben. Omdat het vorige bestemmingsplan dateert van 11 maart 2014 en de planperiode 10 jaar is, was er volgens [appellante sub 6] geen noodzaak om direct uitvoering te geven aan de mogelijkheden die het voorgaande bestemmingsplan bood. Dat het bestemmingsplan van recente datum is, betekent volgens appellante dat zij er op mocht vertrouwen dat zij ook daadwerkelijk uitvoering kon geven aan het plan voor zover dat zag op het realiseren van permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak.

37.1. De raad stelt dat nooit is beoogd om in het bestemmingsplan "[appellante sub 6] Swolgen" mogelijk te maken dat andere permanente voorzieningen gerealiseerd konden worden dan containervelden en hagelnetten. Dit blijkt volgens de raad ook duidelijk uit de toelichting van het bestemmingsplan "[appellante sub 6] Swolgen". 37.2. Ingevolge het bestemmingsplan "[appellante sub 6] Swolgen", vastgesteld op 11 maart 2014, was aan de desbetreffende gronden van [appellante sub 6] de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch teeltondersteunende voorzieningen" toegekend. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.2, van de bij dat plan behorende planregels waren permanente teeltondersteunende voorzieningen (in de vorm van bouwwerken) uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak en ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - teeltondersteunende voorzieningen’. 37.3. In het thans voorliggende plan is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-teeltondersteunende voorzieningen" die in het vorige plan was opgenomen en die buiten een bouwvlak permanente teeltondersteunende voorzieningen mogelijk maakte, geschrapt. Aan de desbetreffende percelen is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - agrarische voorzieningen".

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder d, van de planregels mogen buiten een bouwvlak worden gebouwd: - containervelden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - agrarische voorzieningen'; - tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - agrarische voorzieningen', met dien verstande dat verankerde palen en open constructies permanent mogen blijven staan, mits voorzieningen zoals doeken, netten, folies of overkappingen buiten het seizoen worden opgerold dan wel verwijderd; - overige permanente teeltondersteunende voorzieningen, uitsluitend overeenkomstig de bestaande situatie; 37.4. In de Beleidsregel teeltondersteunende voorzieningen van 13 december 2011 is een permanente teeltondersteunende voorziening omschreven als een overkapping van de teelt die meer dan 6 maanden in het jaar aanwezig is. Teeltondersteunende voorzieningen zijn volgens de Beleidsregel voorzieningen/constructies inclusief containervelden met als doel het gewas te forceren tot meer groei en of de oogst te spreiden. Het gaat daarbij om zowel het vervroegen als het verlaten van de teelt ten opzichte van de normale open teelt en/of het beschermen van het gewas tegen weersinvloeden, ziekten en plagen hetgeen leidt tot een betere kwaliteit van het product.

De teeltondersteunende voorzieningen dienen ter ondersteuning van de vollegrondsteelt. Een tijdelijke teeltondersteunende voorziening is volgens de Beleidsregel een overkapping die maximaal 6 maanden of korter in het jaar aanwezig is, al dan niet in een aaneengesloten periode. Volgens de Beleidsregel moeten alle gebouwen en bouwwerken zoals bedrijfswoning, stallen, loodsen, waterbassins, mestopslag, kassen (inclusief ondersteunend glas), silo’s en permanente teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak van de bestemming agrarisch bedrijf worden opgericht uitgezonderd containervelden en hagelnetten. 37.5. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat, omdat het opnemen van een aanduiding voor permanente teeltondersteunende voorzieningen in het vorige plan niet was beoogd, het onderhavige plan daarin niet hoeft te voorzien, niet onredelijk. Uit de plantoelichting bij het vorige plan blijkt dat een dergelijke aanduiding niet was beoogd. [appellante sub 6] heeft dat niet bestreden. De Afdeling neemt bij het voorgaande in aanmerking dat [appellante sub 6] nog geen permanente voorzieningen buiten het bouwvlak heeft geplaatst.

Gelet op wat er in de plantoelichting bij het vorige plan staat, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden staande gehouden dat omdat dat plan dateert van 11 maart 2014, [appellante sub 6] er op mocht vertrouwen dat zij de tijd had om daadwerkelijk uitvoering te geven aan het plan voor zover dat zag op het realiseren van permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak. De enkele omstandigheid dat [appellante sub 6] kenbaar heeft gemaakt het voornemen te hebben om dergelijke voorzieningen op korte termijn te realiseren, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Het betoog faalt. 38.

Het beroep is ongegrond.

39.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 7]

40. [appellante sub 7] is gevestigd aan de [locatie 7] te America en vreest voor wateroverlast op de gronden van het bedrijf. [appellante sub 7] voert een civiele procedure tegen het Waterschap Limburg wegens ondervonden wateroverlast in 2014. 41. Aan het perceel [locatie 7] is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend alsmede de aanduidingen "milieuzone - hydrologische beschermingszone" en "overige zone - veenontginning". 42. [appellante sub 7] betoogt dat de aan het plan ten grondslag gelegde watertoets niet voldoet aan de normen van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) en de Bestuurlijke Notitie Watertoets. Er is geen eigen beoordeling van de raad. Gebiedsgericht onderzoek is volgens [appellante sub 7] nodig. Volgens een door [appellante sub 7] ingeschakelde hydroloog voldoet het watersysteem in het gebied niet aan de wettelijke normen van de Waterwet. Het in het plan voorziene adviesrecht voor het waterschap bij vergunningen is gebaseerd op individuele situaties. Het aanleggen van een watergang voor de waterhuishouding is geen watergang die bij de agrarische bestemming hoort, dus voorziet het plan niet in die mogelijkheid en moet het waterschap in voorkomende gevallen voor het verbreden van watergangen grond aankopen van particulieren en een verzoek om planwijziging indienen. 42.1.

De raad stelt dat [appellante sub 7] uit het oog lijkt te verliezen dat onderhavig bestemmingsplan in hoofdzaak een actualisatie is van het geldende bestemmingsplan. De watertoets is vooral bedoeld voor nieuwe initiatieven die de waterhuishouding mogelijk kunnen aantasten. Om die reden heeft het Waterschap verzocht om een adviesrecht op te nemen, zodat bij alle nieuwe initiatieven wordt getoetst in hoeverre er sprake kan zijn van de aantasting van de waterhuishouding. Er kan op deze manier tijdig worden gestuurd. Onderhavig bestemmingsplan is dan ook niet het middel om bestaande waterproblematiek in het gebied van [appellante sub 7] op te lossen. 42.2. [appellante sub 7] heeft niet aangegeven welke bestemmingen of planregels voor zijn perceel tekort schieten uit het oogpunt van waterveiligheid. De enkele vrees voor wateroverlast in het gebied waar het perceel van [appellante sub 7] is gelegen, gebaseerd op gestelde ervaringen uit het verleden, is onvoldoende voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen zoals hij heeft gedaan. De raad heeft aan het plan de in de plantoelichting beschreven watertoets ten grondslag mogen leggen. Het in artikel 3.1.1 van het Bro voorgeschreven vooroverleg heeft mede plaatsgevonden met het toenmalige waterschap Peel en Maasvallei en Rijkswaterstaat.

In dat overleg zijn de consequenties van het nieuwe plan ten aanzien van de waterhuishouding en mogelijk te nemen waterhuishoudkundige maatregelen in kaart gebracht. De Afdeling merkt in dit verband op dat het voorliggende bestemmingsplan niet het kader is om eventuele bestaande waterproblematiek in het gebied op te lossen. Het betoog faalt. 43. Volgens [appellante sub 7] houdt het in de planregels opgenomen aanlegvergunningenstelsel geen rekening met zijn belangen. [appellante sub 7] kan zich niet verenigen met het feit dat hij verplicht is een vergunning aan te vragen voor het aanleggen, graven, verruimen, dempen of herprofileren van watergangen, sloten en andere waterpartijen. [appellante sub 7] stelt zich op het standpunt dat ondernemers de vrijheid moeten hebben om op het moment dat er meer water op het perceel blijft staan dan gewenst, sloten te graven en uit te breiden om het water af te voeren. Er wordt volgens [appellante sub 7] geen afbreuk gedaan aan te beschermen waarden in het gebied. De raad heeft de belangen van [appellante sub 7] niet goed meegewogen. Eerst dient een procedure te worden doorlopen, terwijl bij te laat handelen de schade op de percelen niet meer te herstellen is, aldus [appellante sub 7]. 43.1. De raad stelt dat het gebied waar [appellante sub 7] is gevestigd, grenst aan de Mariapeel, die is aangewezen als Natura 2000-gebied.

De provincie Limburg heeft een gebied rondom de Mariapeel aangewezen als hydrologisch gevoelig gebied dat dient ter bescherming van verdrogingsgevoelige natuurgebieden, in dit geval de Mariapeel. Het verwijderen van de vergunningplicht voor het graven van sloten en grondbewerkingen staat haaks op deze beschermingsdoelstelling. Deze regeling is opgenomen in artikel 47, lid 47.6, van de planregels en vormt een toetsingskader bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Het is niet wenselijk dat [appellante sub 7] en andere omwonenden zonder vergunning grondwerkzaamheden, behoudens normaal beheer en onderhoud van de gronden, kunnen uitvoeren of watergangen mogen verleggen, wanneer dit potentieel grote gevolgen voor de instandhouding van de Mariapeel kan hebben. Het belang van de Mariapeel weegt volgens de raad in dit geval zwaarder dan het belang van [appellante sub 7]. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid in het plan een zogeheten aanlegvergunningstelsel mogen opnemen. Het belang van [appellante sub 7] heeft de raad meegewogen. Zijn betoog geeft geen aanleiding voor het oordeel dat hij met het door hem bestreden vergunningstelsel onevenredig wordt belemmerd in het gebruik van het perceel voor zijn bedrijfsactiviteiten.

Het betoog faalt. 44. [appellante sub 7] betoogt dat teeltondersteunende voorzieningen voor blauwe bessen ten onrechte niet op het gehele perceel zijn toegelaten, zoals netten over de bessenstruiken. Door deze voorzieningen kan schade worden voorkomen, zoals in 2016 als gevolg van spreeuwen afkomstig van het naastgelegen natuurgebied Mariapeel. 44.1. De raad stelt dat de concept-beleidsnotitie Teeltondersteunende Voorzieningen nog onvoldoende rijp is voor besluitvorming. [appellante sub 7] kan daarom op basis van het bestemmingsplan uitsluitend gebruik maken van de mogelijkheden die worden geboden door artikel 3, leden 3.4.3 en 3.4.4, van de planregels ten aanzien van teeltondersteunende voorzieningen. De raad acht het mogelijk dat [appellante sub 7] op basis van de beleidsnotitie meer mogelijkheden zal hebben, maar daar is op dit moment nog geen zekerheid over te geven. 44.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.4.3 en 3.4.4, van de planregels kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2.1 ten behoeve van het oprichten van lage onderscheidenlijk hoge teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak onder nader aangegeven voorwaarden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellante sub 7] niet aannemelijk gemaakt dat de mogelijkheden voor teeltondersteunende voorzieningen in voormelde artikelleden voor hem niet voldoende zijn.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat bij de vaststelling van het plan niet vooruit kon worden gelopen op de besluitvorming over de beleidsnotitie Teeltondersteunende voorzieningen. 45.

Het beroep is ongegrond.

46.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 8] en anderen 47. Aan de Heuvelstraat 14 te Kronenberg is het bedrijf van Montair Process Technology B.V. (hierna: MPT) gevestigd, dat bedrijfsactiviteiten verricht op het gebied van metaalbewerking. [appellant sub 8] en anderen zijn omwonenden. Zij verzetten zich tegen de uitbreiding van het bedrijfsvlak met gronden die zijn verhard ten behoeve van manoeuvreerruimte. Ook is volgens hen ten onrechte op een deel van het bedrijfsvlak een afwijkende goothoogte toegestaan. 48. [appellant sub 8] en anderen vrezen dat de strook grond die bij het bedrijfsvlak is getrokken voor meer gebruikt mag worden dan voor manoeuvreerruimte zoals is vergund in de in 2012 verleende aanlegvergunning voor een verharding ter plaatse. 48.1. De thans bij de bedrijfsbestemming getrokken gronden aan de zuidoostzijde van het perceel hadden op grond van het vorige plan de bestemming "Agrarisch Beekdal". Voor de uitbreiding van de bedrijfsbestemming is een omgevingsvergunning verleend op 18 juni 2012. Het gaat om een vergunning voor het uitbreiden van de manoeuvreerruimte en verharding met open grasbetontegels. 48.2. De raad stelt dat de verleende vergunning ten behoeve van manoeuvreerruimte in het bestemmingsplan is vertaald door opname van een bestemming "Bedrijf" voor de desbetreffende gronden in combinatie met een aanduiding voor de activiteiten die het bedrijf ter plaatse uitvoert.

Tevens is voor het bedrijf als geheel vastgelegd dat maximaal de bestaande oppervlakte aan bedrijfsgebouwen is toegestaan. De raad heeft om die reden bedoelde gronden ondergebracht in de bedrijfsbestemming, zonder nadere detaillering ten behoeve van de manoeuvreerruimte. Gelet op de beperking op grond van de gebruiks- en bouwmogelijkheden, de ligging van dit perceelgedeelte ten opzichte van belanghebbenden en de beperkte oppervlakte, acht de raad dit niet onevenredig ten opzichte van de belangen van omwonenden. 48.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, van de planregels beslaat de totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen de bestaande oppervlakte, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "oppervlakte (m2)" waarvoor geldt dat de maximale oppervlakte niet meer mag bedragen dan is aangegeven Ingevolge artikel 48, lid 48.1, onder b, van de planregels kan het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken van het plan ten behoeve van het vergroten van het bebouwingsoppervlak van bedrijfsgebouwen binnen de bestemmingen Agrarisch - Onderzoekscentrum, Bedrijf, Detailhandel, Horeca, Maatschappelijk, Recreatie en Sport met ten hoogste 10% ten opzichte van het bestaande bebouwingsoppervlak, voor zover hiervoor niet reeds op een andere wijze afwijking is verleend. 48.4.

De Afdeling stelt vast dat naar aanleiding van de mondelinge toelichting op de zienswijze van [appellant sub 8] en anderen in de gemeentelijke Commissie Ruimte op 7 december 2017, in artikel 48, lid 48.1, onder b, van de planregels is toegevoegd dat uitbreiding van het bebouwingsoppervlak met 10% alleen mogelijk is voor zover hiervoor niet reeds op een andere wijze afwijking mogelijk is gemaakt. Met deze

gewijzigde planregel beoogde de raad om verdere uitbreiding van bedrijfsbebouwing uit te sluiten, omdat de raad ten tijde van de vaststelling in de veronderstelling verkeerde dat in het verleden al eens is meegewerkt aan uitbreiding, zodat aan de voorwaarde in voormelde bepaling niet is voldaan. De raad heeft gesteld dat hoewel hij bij de vaststelling van het plan ervan is uitgegaan dat deze uitbreiding niet meer kon worden benut omdat de eerder verleende omgevingsvergunning als afwijkingsvergunning kon gelden, hij zich niet langer op dat standpunt stelt. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden volgehouden dat de uitbreidingsmogelijkheid in artikel 48, lid 48.1, onder b, van de planregels voor het perceel van MPT niet meer kan worden benut. Het plan maakt derhalve een ontwikkeling mogelijk binnen de uitbreidingsstrook die raad niet heeft beoogd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan, terwijl niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft de gronden waarmee het bedrijfsvlak van MPT is uitgebreid, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. 48.5.

De Afdeling overweegt voorts dat de raad, door ervan uit te gaan dat bebouwing op de strook grond niet aan de orde kan zijn omdat de maximale omvang aan bebouwing op het bedrijfsperceel al is bereikt, niet heeft onderkend dat de planregeling voor het perceel niet uitsluit dat bebouwing elders op het perceel binnen de planperiode kan worden gesloopt waarna de aldus ontstane bouwmogelijkheid wordt benut binnen de bij het bedrijfsvlak gevoegde strook grond. De raad heeft door deze bouwmogelijkheden binnen de strook niet te bezien, het bestreden besluit ook in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt. 49. [appellant sub 8] en anderen betogen dat ten onrechte een afwijkende goothoogte van 11 m op een deel van het bedrijfsvlak is toegestaan. 49.1. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, geldt voor bedrijfsgebouwen een maximale goothoogte van 7 m, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte", waarvoor geldt dat de goothoogte niet meer mag bedragen dan is aangegeven, en een maximale bouwhoogte van 11 m, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "maximum bouwhoogte", waarvoor geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan is aangegeven. Voor een deel van de gronden binnen de bestemming "Bedrijf" is op de verbeelding de aanduiding "maximum goothoogte =11 m" opgenomen. 49.2.

De Afdeling overweegt dat de raad de desbetreffende maximale goothoogte heeft ontleend aan een op 30 juni 2015 verleende omgevingsvergunning. Het hogere maximum maakt het per plaatse mogelijk om een gebouw te realiseren en in stand te houden met een plat dak waarbij de bouwhoogte 11 m is. Dat een bestaand legaal bouwwerk in beginsel bij de vaststelling van een bestemmingsplan als zodanig dient te worden bestemd, geldt ook voor een bouwwerk dat weliswaar nog niet is opgericht, maar wel onherroepelijk is vergund. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt als een dienovereenkomstige bestemming op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Voor het oordeel dat de raad de legale bestaande goothoogte van 11 m niet in redelijkheid heeft kunnen opnemen in het plan, ziet de Afdeling geen aanleiding. Het betoog faalt. 50. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd wat betreft de gronden van MPT aan de Heuvelstraat 14 te Kronenberg met de bestemming "Bedrijf" waarmee het bedrijfsvlak ten opzichte van het vorige bestemmingsplan is uitgebreid. 51.

De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen de na te melden termijn met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. 52.

De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 9] 53. [appellant sub 9] heeft gronden met de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" aan de [locatie 8] te America. Het voorheen geldende bestemmingsplan voorzag in 1.337 m2 aan recreatiewoningen. Daarvan is er, naast een bedrijfswoning, één gerealiseerd. Het plan voorziet slechts in die recreatiewoning en de bedrijfswoning. [appellant sub 9] wenst de uitgebreidere bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan te behouden dan wel een woonbestemming.

54. [appellant sub 9] betoogt dat het plan voor zijn gronden aan de [locatie 8] te America ten onrechte in slechts één recreatiewoning voorziet. Hij wil de ruimere bouwmogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan behouden. Hierbij voert hij aan dat met één recreatiewoning geen levensvatbaar recreatief bedrijf mogelijk is. Voorts heeft hij geen omgevingsvergunning voor de uitbreiding van het aantal recreatiewoningen kunnen indienen, omdat hij er pas laat van op de hoogte kwam dat de mogelijkheid daartoe zou vervallen. 54.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 9] de afgelopen 20 jaar geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om meer recreatiewoningen te bouwen. Voorts past het behoud van de bouwmogelijkheden alleen in het provinciaal beleid, zoals neergelegd in het POL 2014 indien sprake is van een initiatief met het gewenste kwaliteitsniveau. Daarvan is niet gebleken, aldus de raad. 54.2. Het plan voorziet voor de gronden aan de [locatie 8] te America in de bestemming "Recreatie Verblijfsrecreatie" met de aanduiding "recreatiewoning" en de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 1". Uit de tabel bij artikel 14, lid 14.1, onder a, van de planregels volgt dat ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning" een enkele recreatiewoning is toegestaan.

Uit lid 14.1, onder b, volgt dat ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 1" een bedrijfswoning is toegestaan. 54.3. In § 6.4 van het POL 2014 staat dat het aanbod aan vrijetijdsparken en campings in Limburg ruim is en nog steeds een gestage uitbreiding kent. De behoefte aan kwantitatieve groei is echter beperkt, de markt is verzadigd en heeft het karakter van een verdringingsmarkt. Daarom is uitbreiding van het aanbod alleen mogelijk als het kwalitatief echt goed is en extra vraag genereert. Meer van hetzelfde leidt tot verdringing en leegstand. Initiatieven die niet het gewenste kwaliteitsniveau hebben of die een bedreiging vormen voor landschappelijke kwaliteiten of natuurlijke kwaliteiten worden niet ondersteund. 54.4. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In aansluiting op het POL 2014 heeft de raad in redelijkheid alleen uitbreidingen van bungalowparken met het gewenste kwaliteitsniveau wenselijk kunnen achten. Voorts is niet in geschil dat [appellant sub 9] de afgelopen 20 jaar geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om meer recreatiewoningen te bouwen.

Ook had [appellant sub 9] naar aanleiding van het voorontwerp een verzoek om een omgevingsvergunning voor het bouwen kunnen indienen. Dat heeft hij niet gedaan. Onder deze omstandigheden, waarbij niet is gebleken dat [appellant sub 9] een initiatief met het gewenste kwaliteitsniveau zal ontwikkelen, heeft de raad in redelijkheid de bestaande mogelijkheid kunnen wegnemen om meer recreatiewoningen aan de [locatie 8] te bouwen. Het betoog faalt. 55. [appellant sub 9] betoogt dat, indien de bouw van meer recreatiewoningen niet mogelijk is, ten onrechte niet in een woonbestemming is voorzien. In dit verband betoogt hij dat de voorziene recreatiebestemming onlogisch is voor een perceel waar slechts een bedrijfswoning en een recreatiewoning is toegestaan. Hierbij voert hij aan dat met één recreatiewoning geen levensvatbaar recreatief bedrijf mogelijk is. 55.1. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 9] niet tijdig om een woonbestemming heeft verzocht. Ook ontbreekt nader onderzoek en een onderbouwing over de milieutechnische en planologische haalbaarheid van deze functiewijziging, aldus de raad. 55.2. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de raad in redelijkheid de mogelijkheid om meer recreatiewoningen aan de [locatie 8] te bouwen kunnen wegnemen.

Daarbij is het evenwel aan de raad om te voorzien in een bestemming die voldoet aan een goede ruimtelijke ordening en een redelijke belangenafweging. Door te voorzien in de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" met één recreatiewoning en een bedrijfswoning heeft de raad daar niet aan voldaan. Met een enkele recreatiewoning is namelijk niet aannemelijk dat ter plaatse een recreatiebedrijf kan worden gevestigd. Daarom ligt een andere bestemming voor de bedrijfswoning, zoals een woonbestemming, meer voor de hand. Alvorens daartoe over te kunnen gaan, dienen echter nog de nodige onderzoeken te worden uitgevoerd. Met het oog op een snelle actualisatie van verouderde bestemmingsplannen kan onder omstandigheden aanvaardbaar zijn het uitgangspunt te hanteren om slechts concrete plannen in het bestemmingsplan te verwerken. In dit geval is de Afdeling evenwel van oordeel dat door de raad in het kader van het voorliggende plan een ruimtelijke afweging op basis van onderzoeken had kunnen worden gemaakt. Daarbij is van belang dat de gewenste ontwikkeling geen verbouwing van de bedrijfswoning vereist, zodat een woonbestemming slechts een beperkte invloed zal hebben op de ruimtelijke uitstraling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9822193/1