03c2 Toelichting Bijlage 2 Uitspraak ABRvS
Tekst van het document
treft de voorlopige voorziening dat artikel 50, lid 50.1, onder c, van de planregels blijft gelden;
V. bepaalt dat de onder IV. opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van een herziene planregeling voor artikel 50, lid 50.1, onder c, van de planregels; VI. verklaart ongegrond de beroepen van [appellante sub 4], [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], [appellante sub 6], [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B], [appellante sub 10], [appellant sub 14], [appellante sub 16] en anderen en [appellante sub 18A] en [appellant sub 18B] tegen het besluit van 19 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Horst aan de Maas"; VII. verklaart ongegrond het beroep van [appellante sub 11] tegen het besluit van 3 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1] America, fase II"; VIII.
veroordeelt de raad van de gemeente Horst aan de Maas tot vergoeding van:
- bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.280,00 (twaalfhonderdentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - bij [appellante sub 2] h.o.d.n. [bedrijf A] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdentwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - bij [appellant sub 8] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 54,30 (zegge: vierenvijftig euro en dertig cent), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; - bij [appellante sub 11] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - bij Limburgse Land- en Tuinbouw Bond-Belangenbehartiging in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - bij [appellante sub 13] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een
bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
- bij [appellant sub 15] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.024,00 (zegge: duizendvierentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; - bij [appellant sub 17] h.o.d.n. [bedrijf B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.078,30 (zegge: duizendachtenzeventig euro en dertig cent), waarvan € 1.024,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IX. gelast dat de raad van de gemeente Horst aan de Maas aan de hierna vermelde appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht vergoedt: - € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 1]; - € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [appellante sub 2] h.o.d.n. [bedrijf A]; - € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor N.V.
Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij; - € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 8] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; - € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 9]; - € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [appellante sub 11]; - € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor Limburgse Land- en Tuinbouw BondBelangenbehartiging; - € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [appellante sub 13] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; - € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor [appellant sub 15]; - € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) voor [appellant sub 17] h.o.d.n. [bedrijf B]. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid mr. J.S.S. Hupkes, griffier. w.g. Hagen w.g. Hupkes voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019