03c Toelichting bp Maoleveld
Tekst van het document
Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 19. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 84 woningen. Derhalve voorziet onderhavig plan in de realisatie van kwetsbare objecten. Er dient zodoende een toetsing aan het aspect externe veiligheid plaats te vinden. Toetsing Bij de toetsing aan het aspect externe veiligheid is het volledige ontwikkelingsgebied in ogenschouw genomen. Ontwikkellocatie Op circa 1,1 km ten zuidoosten van het plangebied, aan de Venloseweg 16, is een tankstation gelegen. Het tankstation heeft een invloedsgebied van 150 meter.
Deze inrichting vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
19
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
Hoofdstuk 5
51
Risicovol transport over (spoor- en water)wegen Er zijn in de omgeving geen (spoor- en water)wegen gelegen, welke behoren tot het basisnet. Risicovol transport buisleiding Op 1,2 km ten noorden van het plangebied is een buisleiding gelegen. Gelet op de afstand tot het plangebied vormt deze buisleiding geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Figuur 5.4 Uitsnede risicokaart
Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft advies20 uitgebracht over onderhavig planvoornemen. Het volledige advies is als separate bijlage (bijlage 9) aan onderhavige toelichting toegevoegd. De veiligheidsregio adviseert rekening te houden met onderstaande beheersmaatregelen voor zowel de initiatiefnemer, gebruiker van het gebouw als de gemeente, ter verbetering van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid: Initiatiefnemer: Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop, waarmee de installatie uitgezet kan worden, zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast worden geplaatst. Realiseer voldoende primaire bluswatervoorzieningen (regulier: ondergrondse brandkranen) in de nieuwe woonwijk. Daarbij dienen de uitgangspunten van het beleid bluswater en bereikbaarheid te worden gehanteerd: voorzieningen met een minimaal debiet van 30 m3/uur op een maximale afstand van 100 meter van een woning.
20
Veiligheidsregio Limburg-Noord, ‘Voorontwerp Bestemmingsplan Mäöleveld’, kenmerk: 2022-023654, d.d. 10 mei 2022.
Hoofdstuk 5
52
Gebruiker van het gebouw: Zorg dat de gebruikers op de hoogte zijn van de risico’s van een toxisch incident met gevaarlijke stoffen, het handelingsperspectief: "binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten" en hiernaar wordt gehandeld. Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie, is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. Gemeente: Informeer de initiatiefnemer en de gebruikers van het plan over de risico’s van de risicobron en het daarbij horende handelingsperspectief en borg dit in overeenkomsten, voorschriften etc. voor zover dit (juridisch) mogelijk is. De Hees 4 en De Hees 6 De ontwikkeling voorziet in de verplaatsing de huisvestingslocatie voor internationale werknemers. De personen worden echter verplaatst naar een locatie waar reeds internationale werknemers zijn gehuisvest. Derhalve voorziet onderhavig plan van bewoning in bestaande objecten. Er is dus geen sprake van een verandering in het risiconiveau. Risicovolle inrichtingen Op meer dan 1 km ten zuidoosten van het plangebied, aan de Venloseweg 16, is een tankstation gelegen. Het tankstation heeft een invloedsgebied van 150 meter. Deze inrichting vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.
Risicovol transport over (spoor- en water)wegen Er zijn in de omgeving geen (spoor- en water)wegen gelegen. Risicovol transport buisleiding Op meer dan 1 km ten noorden van het plangebied is een buisleiding gelegen. Gelet op de afstand tot het plangebied vormt deze buisleiding geen belemmering voor onderhavig initiatief. De Hees 10 De ontwikkeling voorziet in het toevoegen van een woonbestemming. Dit kan worden aangeduid als een kwetsbare functie. Risicovolle inrichtingen Op meer dan 1 km ten zuidoosten van het plangebied, aan de Venloseweg 16, is een tankstation gelegen. Het tankstation heeft een invloedsgebied van 150 meter. Deze inrichting vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. Risicovol transport over (spoor- en water)wegen Het plangebied bevindt zich op een afstand van bijna 2 km van de spoorlijn Eindhoven-Venlo. Ten aanzien van het plaatsgebonden risico blijkt dat de PR-contour 10 -6/jr. is gelegen op 10 meter van de as van de spoorlijn. Het plangebied ligt hier op ruime afstand achter. Dit houdt in dat voor dit aspect geen knelpunt aanwezig is.
Hoofdstuk 5
53
Risicovol transport buisleiding Er is in de omgeving van de plangebied (binnen een straal van 1 km) geen sprake van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Derhalve vormt dit aspect geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.2.7 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht In het plangebied vindt woningbouw plaats in de vorm van maximaal 84 woningen. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De voorgenomen ontwikkeling van 84 woningen valt onder onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
in de categorie D11.2: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien sprake is van een oppervlakte van 100 hectare of meer, de ontwikkeling een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m 2 of meer betreft. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Tabel: Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project
Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Hoofdstuk 5
54
Plaats van het project
Bestaand grond gebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Omdat het plan wel voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
De ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van maximaal 164 woningen. Daarnaast worden ten behoeve van de woningbouwontwikkeling parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt het plangebied groen ingericht. Ter plaatse van De Hees 4 en De Hees 6 wordt de verplaatsing van de huisvesting van internationale werknemers mogelijk gemaakt. De woning ter plaatse van De Hees 6 zal weer worden gebruikt als reguliere woning. Voor De Hees 10 geldt dat de bestaande woning is meegenomen in het plangebied en het een woonbestemming heeft gekregen.
Cumulatie met andere projecten
Nee. Het betreft uitsluitend de voorliggende ontwikkeling van een woningbouwlocatie.
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
N.v.t.
Productie van afvalstoffen
N.v.t.
Verontreiniging en hinder
Luchtkwaliteit: het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. (zie par. 5.2.3). Geluid: Alleen ten gevolge van de Molenveldweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde van de Molenveldweg van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Molenveldweg is een afweging van geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk, dit betreft fase 2 dus vormt voor onderhavige ontwikkeling geen belemmering. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is respectievelijk niet en gedeeltelijk doelmatig. Vanwege de Molenveldweg dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Voor de woningen dient
Hoofdstuk 5
55
het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de drie woningen aan de Molenveldweg is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Voor de woningen ten zuiden in deelgebied 1 aan De Hees kan vanwege het ontbreken van een zone formeel geen hogere waarde worden vastgesteld. Dit is tevens een 30 km-uur weg. (zie par. 5.2.2). Geur: Het aspect ‘geurhinder’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. (zie par. 5.2.4). Milieuzonering: Het plangebied is deels geprojecteerd binnen de richtafstanden van twee nabijgelegen bestemmingen. In het concept-ontwerp zijn echter geen woningen binnen de richtafstand geprojecteerd. Indien alle bouwvlakken binnen het plangebied worden geprojecteerd buiten de weergegeven richtafstanden, is nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat niet noodzakelijk. (zie par. 5.2.5) Risico van ongevallen
Het voorliggend plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. Daarnaast zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied vanwege risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving.
Conclusie Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In de nieuwe woningen is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat. Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik
Toets In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit een akkerbouwperceel (fruitteelt). Ten noorden grenst het plangebied aan diverse agrarische percelen, alsmede aan de achtertuinen van diverse woningen
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regene-
N.v.t.
ratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor:
Gevoelige gebieden (wetlands, kustge-
Het plangebied is niet gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld
bieden, berg- en bosgebieden, reserva-
in artikel 1 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
ten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden)
Gebieden waarin bij communautaire wet-
Er is geen sprake van gebieden waarin bij communautaire wetge-
geving vastgestelde normen inzake mili-
ving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden over-
eukwaliteit reeds worden overschreden
schreden.
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
Hoofdstuk 5
N.v.t.
56
Landschappen van historisch, cultureel of ar-
Het plangebied maakt geen deel uit van een landschap van histo-
cheologisch belang
risch of cultureel belang (zie par. 5.6). Uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat vervolgonderzoek noodzakelijk is. Dit onderzoek zal worden uitgevoerd. In het voorliggende bestemmingsplan zijn de archeologische dubbelbestemmingen vooralsnog gehandhaafd ter bescherming van eventueel aanwezige waarden.
Conclusie Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied21 (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Toets Beschermd natuurmonument
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een beschermd natuurmonument.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Het plangebied biedt potentieel leefgebied voor steenuil. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient uitsluitsel te geven of het plangebied tot het territorium van een steenuil behoort. Door middel van een Aerius-berekening is aangetoond dat negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten.
Watergebied van internationale
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een water-
betekenis
gebied van internationale betekenis.
NNN
Het plangebied is niet gelegen in het NNN.
Landschappelijk waardevol gebied
Het gebied is niet als zodanig bestemd.
Waterwinlocaties, waterwingebieden en
Het plangebied is niet gelegen binnen dergelijke gebieden.
grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument
Er is geen sprake van een beschermd monument.
Belvédère-gebied
Er is geen sprake van een Belvédère gebied.
Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Kenmerken van het potentiële effect Criteria Toets Bereik van het effect (geografische zone en
Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in
grootte van de getroffen bevolking)
geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking.
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Er is sprake van een kleinschalig initiatief dat geen grensoverschrijdend karakter heeft.
Waarschijnlijkheid van het effect
Geen effecten te verwachten.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
De effecten van de woningbouw zijn blijvend maar niet van dien
van het effect
aard dat sprake is van significant negatieve effecten op het milieu, die het opstellen van een MER noodzakelijk zouden maken.
21
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Hoofdstuk 5
57
Conclusie 1. De ontwikkeling van woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde drempelwaarde wordt bij lange na niet overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
5.3 Waterparagraaf Door Econsultancy is een waterparagraaf opgesteld 22 en is een doorlatendheidsonderzoek uitgevoerd. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen (bijlage 11). Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Grondwater Op basis van de gegevens van de grondwaterpeilputten alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op ca. 26,4 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op 2 m -mv in het noorden en 1,5 m -mv in het zuiden bevinden. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. Oppervlaktewater Op de leggerkaart van waterschap Limburg zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Aan de noordwestzijde grenst de planlocatie aan de primaire watergang Sevenums Molenveld (2098). Doorlatendheidsonderzoek De doorlatendheid is sterk afhankelijk van de bodemsamenstelling (aantal, grootte en vorm van de poriën en de onderlinge verbindingen tussen de poriën). Aangezien een bodem altijd een bepaalde mate van heterogeniteit vertoont en er slechts op enkele punten is gemeten, dienen de afgeleide k-waarden zoals bepaald op de locaties te worden beschouwd als een gemiddelde.
Volgens de leidraad riolering module C2510 ‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage’ is voor infiltratie van hemelwater minimaal een doorlatendheid van 0,2 m per dag nodig. De doorlatendheid van de bodem wordt over het algemeen geclassificeerd als matig tot goed doorlatend, waarbij k-waarden van 0,1 tot 2,4 m/dag zijn aangetoond. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem, mede op basis van de textuur, geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Geadviseerd wordt om
22
Econsultancy, “Rapportage watertoets ‘t Mäöleveld De Hees te Sevenum”, rapportnr.: 17887.004, d.d. 10 maart 2022.
Hoofdstuk 5
58
voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van maximaal 0,5 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5. Waterbergingsopgave Conform het beleid van de gemeente Horst aan de Maas is de bergingseis project specifiek. Voor dit planvoornemen hanteren de gemeente en het waterschap het uitgangspunt dat bij afstroming naar probleemlocaties (lager gelegen woningen met risico op wateroverlast en bereikbaarheid doorgaande wegen) een berging van 100 mm en leegloop binnen 48 uur gerealiseerd dient te worden. De hoeveelheid water dat opgevangen dient te worden in de openbare ruimte is voor dit plan ca. 1.578 m3 (15.780 m2 x 0,1 m). Dit betreft de waterbergingsopgave. Het verhard oppervlak van de woonkavels zoals daken, inritten en tuin- en erfverhardingen dient binnen de begrenzing van de uitgeefbare kavels gecompenseerd te worden conform de gemeentelijke eis van 100 mm per m 2 verhard oppervlak. De grootte van de kavel en het te realiseren verhard oppervlak zijn bepalend voor benodigde inhoud van de waterberingsvoorziening op particulier terrein.
Hemelwater In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) niet op het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden aangesloten maar separaat worden ingezameld en binnen de planlocatie worden verwerkt. Hierdoor wordt water bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en wordt hemelwater op een duurzame wijze verwerkt. Het plan voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van een diverse "groene" bovengrondse voorzieningen, zoals een wadi. Een wadi is een bovengrondse afkoppelvoorziening waarbij het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig wordt getransporteerd naar een laagte waar het vervolgens kan infiltreren in de bodem. Een dergelijke voorziening is controleerbaar en beheersbaar en kan tevens een zuiverende werking hebben. Bovengronds Binnen het planvoornemen is ca. 2.750 m2 gereserveerd voor waterberging. In bijlage 6 zijn de locaties voor waterberging weergegeven. In de berekening is rekening gehouden met een diepte van 0,53 m voor de wadi’s en greppels. Conform het beleid van de gemeente mag de maximale waterdiepte in wadi’s max. 0,30 meter bedragen. Wanneer de wadi’s en greppels worden aangelegd met een diepte van 0,53 meter, maximale waterdiepte van 0,30 m en een talud van 1 op 3 biedt dit ruimte om ca. 765 m3 water te bergen.
Ondergronds De resterende wateropgave (690 m3) dient ondergronds geborgen te worden. Afhankelijk van het type voorziening en de belastbaarheid hebben ondergrondse systemen een bepaalde gronddekking nodig. De GHG en de benodigde gronddekking zijn bepalend of een ondergrondse bergingsvoorziening zonder verlies van berging kan worden aangelegd.
Hoofdstuk 5
59
Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een (potentiële) voorziening hoort, is een alternatief uitgewerkt waarbij het hemelwater wordt geborgen middels infiltratiekratten. Bij de berekening is uitgegaan van de inhoud van de Q-Bic+ Infiltratie unit van Wavin (430 liter). Er is gekozen voor de toepassing van de Q-Bic+ infiltratiekrat omdat deze inspecteerbaar en reinigbaar is. Het gebruik van andere systemen is uiteraard ook mogelijk. Het Q-Bic+ infiltratiekrat van Wavin heeft de volgende kengetallen: Holle Ruimte: 95 % Lengte: 1,2 m Breedte: 0,6 m Hoogte: 0,6 m Netto inhoud: 430 liter (0,43 m3) Aansluitingen: 160-500 mm buis Minimale gronddekking o Groenzones (onbelast): 0,30 m o Lichte verkeersbelasting (1 ton wiellast): 0,30 m o Zware verkeersbelasting (10 ton wiellast): 0,80 m Om de resterende wateropgave van 690 m3 met kratten te kunnen bergen zijn in totaal 1.605 kratten benodigd. Wanneer de kratten niet worden gestapeld, is een minimaal oppervlak benodigd van ca. 1.155 m2 (1,2 m x 0,6 m x 1.605 st). Indien de kratten worden gestapeld zal het benodigd oppervlak afnemen. Particulier gebied De waterbergingsopgave verschilt per kavel en is afhankelijk van de kavelgrootte en het toekomstig verhard oppervlak. Er zijn verschillende maatregelen die particulieren zelf kunnen treffen om het hemelwater op eigen terrein te bergen.
Om het hemelwater op een duurzame manier te verwerken (hydrologisch neutraal) wordt geadviseerd om in het toekomstig ontwerp niet te veel verharding aan te brengen en bijvoorbeeld te werken met half-verhardingen. Het toepassen van half-verhardingen zorgt ervoor dat het regenwater er doorheen kan stromen en in de bodem kan wegzakken. Op deze manier kan het grondwater worden aangevuld. Voorbeelden hiervan zijn de toepassing van waterpasserende verharding of halfverharding (grind, schelpen, steenslag). Daarnaast kan de tuin zodanig ontworpen worden dat het regenwater gemakkelijk naar het groen kan stromen door bijvoorbeeld plantvakken lager te plaatsen en deze zonder opstaande rand aan te leggen. Door in het tuinontwerp te werken met hoogteverschillen kan tijdens zware regenbuien tijdelijk water worden vastgehouden in de onverharde lager gelegen delen. In deze delen kan het regenwater geleidelijk infiltreren in de bodem. Bij het ontwerp dient rekening gehouden te worden dat de lager gelegen delen op afstand van zowel de woning als naastgelegen percelen zijn gelegen. Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen.
Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter =
Hoofdstuk 5
60
300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 148 woningen worden gerealiseerd, met een maximum van 164. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van ca. 49,2 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er wordt voldaan aan de bergingseis, door de aanleg van 2 wadi’s. Beide wadi’s worden aangelegd in fase 1 zodat het plan aan de watereisen voldoet voor zowel fase 1 als fase 2. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de bestemmingswijziging en de uitvoering van het plan. De Hees 10, De Hees 4 en De Hees 6 Ter plaatse van De Hees 10, De Hees 4 en De Hees 6 vindt er binnen de bestaande bebouwing een verbouwing plaats. Het verharde oppervlak neemt ter plaatse derhalve ook niet toe of af. Daarnaast worden de internationale werknemers verplaatst naar een reeds bestaande huisvestingslocatie.
De voorzieningen zijn derhalve reeds aanwezig. De geringe uitbreiding zal op de bestaande voorzieningen worden aangesloten. Het peil van de boomgaard wordt met 30 cm verhoogd voor de nieuwe woonwijk. Dit betekent dat het regenwater dat op de woonpercelen valt, ook op dat perceel moet infiltreren. Dat betekent dat er geen afvloeiing op naastgelegen percelen mag plaatsvinden.
5.4 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de beoogde woningbouwontwikkeling belemmeren.
5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de POVI en de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 2021.
Hoofdstuk 5
61
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effect heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud.
Toetsing Soortenbescherming Natuurtoets locatie tussen De Hees 12 en 20 Voor de locatie tussen De Hees 12 en 20 is een beknopte natuurtoets23 uitgevoerd door BügelHajema. Hieronder wordt een samenvatting van het onderzoek weergegeven. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen (bijlage 12). Op basis van het veldbezoek en de verspreidingsgegevens is een voldoende beeld van de natuurwaarden in het gebied verkregen om de toetsing aan de Wnb op te baseren. Uit de toetsing komt naar voren dat als gevolg van de plannen geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn, mits bij de werkzaamheden in de boomgaard rekening wordt gehouden 23
BügelHajema, ‘Beknopte natuurtoets De Hees Sevenum’, d.d. 30-09-2021.
Hoofdstuk 5
62
met het broedseizoen van vogels. Een ontheffing van de Wnb voor beschermde soorten is niet nodig. Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Een vergunning van de Wnb is dan ook niet nodig. Het plan is ook niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. De Hees 10, De Hees 4 en De Hees 6 Ter plaatse van De Hees 10, De Hees 4 en De Hees 6 zullen geen werkzaamheden plaatsvinden die van invloed zijn op de flora en fauna. Ter Plaatse van de Hees 10 is er reeds een bestaande woning aanwezig, voor de Hees 4 en De Hees 6 vindt enkel een verplaatsing van de gehuisveste internationale werknemers plaats in bestaande bebouwing. Ten alle tijden zal er moeten worden voldaan aan de Wet natuurbescherming. Quickscan flora en fauna ontwikkellocatie Door BRO is een quickscan flora en fauna24 uitgevoerd voor het ontwikkelgebied. Het rapport is als separate bijlage (bijlage 13) aan onderhavige toelichting toegevoegd. Onderstaand zijn de conclusies hieruit weergegeven. Vogels Met het bouwrijp maken van het plangebied bestaat de kans dat er essentieel leefgebied verloren gaat van de steenuil. Door het verdwijnen van essentieel leefgebied kan een nestplaats mogelijk zijn functionaliteit verliezen. Nesten van de steenuil zijn jaarrond beschermd.
Middels een vervolgonderzoek dient duidelijk te worden of het plangebied deel uit maakt van een territorium van steenuil. Op basis van het vervolgonderzoek wordt bepaald of er bij het bouwrijp maken van het plangebied sprake is van overtreding, en of het treffen van maatregelen en een ontheffingsprocedure aan de orde is alvorens er mag worden gewerkt. Bij uitvoering van de plannen gaan geen andere nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden.
Vervolgonderzoek soortgericht onderzoek De voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied kunnen negatieve gevolgen hebben voor de steenuil, wat een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming betreft. Daarom zal middels soortgericht vervolgonderzoek eerst inzichtelijk moeten worden of in de huidige situatie een territorium van steenuil aanwezig is binnen het plangebied. Een vervolgonderzoek naar steenuil loopt van half februari tot en met half april en bestaat uit drie veldbezoeken.
24
BRO, ‘Quickscan flora en faune Mäöleveld te Sevenum’ projectnr.: P05082, d.d. 3 februari 2022
Hoofdstuk 5
63
Vervolgonderzoek steenuil Naar aanleiding van de quickscan flora en fauna is een vervolgonderzoek 25 uitgevoerd naar de steenuil. Het rapport van dit vervolgonderzoek is als separate bijlage (bijlage 14) aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt de conclusie van het onderzoek weergegeven. Met de voorgenomen ontwikkelingen gaan er geen nestplaatsen of (essentieel) functioneel leefgebied verloren van de steenuil. Er hoeft geen ontheffing te worden verkregen, noch zijn er enige vervolgstappen noodzakelijk met betrekking tot deze soort(groep)en. Wel dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen: Met betrekking tot de zorgplicht dienen eventueel aangetroffen dieren tijdens de werkzaamheden de kans te krijgen om het plangebied zelfstandig te verlaten. Bij soorten als egel en gewone pad kunnen de dieren met beleid verplaatst worden naar een veilige plek buiten het plangebied. Vleermuizen Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen. Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren.
Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieensoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten.
25
BRO, ‘Resultaten vervolgonderzoek steenuil’, projectnr.: P05082, d.d. 23 juni 2022.
Hoofdstuk 5
64
Vaatplanten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten. Gebiedsbescherming Door Econsultancy is een stikstofdepositie onderzoek 26 uitgevoerd voor de voorgenomen ontwikkeling. Hieronder wordt volstaan met samenvatting van het onderzoek. De volledige rapportage is als bijlage 15 aan onderhavige toelichting toegevoegd. Aangezien de emissies van de aanlegfase (bouwwerkzaamheden) slechts tijdelijk zijn kunnen significant negatieve effecten, aan de hand van de partiële vrijstelling uit de Wsn, op voorhand worden uitgesloten. Voor het plan wordt uitsluitend het projecteffect van de toekomstige gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2025.). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Houtopstanden Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen en gedeeltelijk buiten de bebouwde kom. Er bevinden zich, op enkele ingemeten bomen na, geen houtopstanden binnen het plangebied.
Het plangebied bestaat vrijwel volledig uit een bedrijfsmatig ge-exploiteerde laagstamfruitboomgaard (oppervlakte van 7,5 hectare). Laagstamfruitbomen zijn uitgezonderd voor aanvragen van een Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden. Toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Conclusie Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen: Het plangebied biedt potentieel leefgebied voor steenuil. Vervolgonderzoek gedurende het juiste seizoen dient uitsluitsel te geven of het plangebied tot het territorium van een steenuil behoort.
Uit het vervolgonderzoek is gebleken dat dit geen belemmering vormt voor het planvoornemen; Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstof-depositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
26
Econsultancy, Onderzoek stikstofdepositie De Hees te Sevenum, rapportnr.: 17887.005, d.d. 29 januari 2025.
Hoofdstuk 5
65
Zowel uit de Aerius-berekening als het vervolgonderzoek steenuil is gebleken dat dit geen belemmering vormt.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Onderzoek locatie tussen De Hees 12 en 20 Voor een klein gedeelte van het plangebied is door De Steekproef een archeologisch onderzoek27 uitgevoerd. Het onderzoek is als separate bijlage (bijlage 16) aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt de conclusie weergegeven. De droge gebieden in de nabijheid van water, waren voor de mens in het verleden zeer geschikte vestigingslocaties. De jager-verzamelaars kozen als vestigingsplaats vaak voor de hoger gelegen delen in het landschap in de buurt van (open) water en in de omgeving van de beekdalen. Ook na de opkomst van de landbouw vanaf het neolithicum blijven deze locaties aantrekkelijke vestigingsplekken. Met name op de hoger gelegen dekzandruggen in de nabijheid van water kunnen archeologische waarden worden verwacht. Op grond van het bureauonderzoek gold voor het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde voor alle perioden. Archeologische resten kunnen vanaf het maaiveld voorkomen en onder een eventueel aanwezig esdek. Deze kunnen bestaan uit grondsporen en materiaal uit alle perioden tot en met de nieuwe tijd. In totaal zijn tijdens het veldonderzoek (verkennende fase) vijf boringen verricht. De bodemopbouw van het plangebied bestaat uit de recente bouwvoor en een geroerd/vergraven pakket met hieronder ongestoorde dekzandafzettingen.
Er zijn in de top van het zand geen intacte bodemhorizonten van een podzolbodem aangetroffen. De aangetroffen bodemprofielen wijzen er op dat in het plangebied inderdaad een hoge zwarte enkeerdgrond aanwezig is, maar door bodemverstorende activiteiten is het esdek volledig verstoord. De bodem is tot in de C-horizont verstoord en het bodemprofiel betreft een zogenaamd “AC-profiel”. Het verstoorde bodemprofiel betekent dat eventueel aanwezige archeologische waarden waarschijnlijk zijn vernietigd of zich niet meer in archeologische context bevinden. In geen van de geplaatste boringen in het plangebied zijn archeologische indicatoren gevonden. Selectie-advies Met het veldonderzoek is vastgesteld dat de bodem in het plangebied als gevolg van eerder uitgevoerde bodemingrepen grotendeels is verstoord. Het onderzoek heeft geen vondsten opgeleverd die op de (voormalige) aanwezigheid van archeologische grondsporen en/of een archeologische vindplaats wijzen. In de boringen is geen intacte podzolbodem en/of intact plaggendek waargenomen. Hiermee is er in het plangebied een lage kans op behoudenswaardige archeologische waarden. Op basis van de afwezigheid van een intacte podzolbodem, een plaggendek of archeologische indicatoren, wordt de kans op archeologische waarden in het plangebied laag geacht.
Er wordt daarmee geen archeologisch vervolgonderzoek voor het onderzochte terrein aan De Hees 12-
27
De Steekproef, ‘Sevenum, De Hees 12-20’ rapportnr.: 2022-02/04, d.d. februari 2022.
Hoofdstuk 5
66
20 te Sevenum geadviseerd. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente Horst aan de Maas, om het opgestelde selectieadvies op basis van dit onderzoek al dan niet op te volgen. De Hees 4 en De Hees 6 De ontwikkeling ter plaatse van De Hees 4 en De Hees 6 heeft geen invloed op de bestaande bebouwing. Voor de Hees 4 en De Hees 6 vindt alleen een verplaatsing plaats van een huisvestingslocatie binnen bestaande bebouwing. De archeologische waarde kan derhalve gehandhaafd blijven. Op het moment dat er op de locatie werkzaamheden plaatsvinden, is een aanlegvergunning nodig voor archeologie. De Hees 10 In een eerder bestemmingsplan voor De Hees 10, is er een archeologisch onderzoek28 uitgevoerd. Onderstaand wordt dit onderzoek samengevat weergegeven. Ten aanzien van archeologie is het uitgangspunt dat het archeologisch erfgoed moet worden beschermd op de plaats waar het wordt aangetroffen. Gezien dit uitgangspunt mogen bekende archeologische monumenten niet aangetast worden en moet in geval van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met een hoge of middelhoge archeologische verwachtingswaarde, in principe een inventariserend en waarderend vooronderzoek plaatsvinden. Eventueel aangetroffen waarden dienen primair ter plekke (in situ) beschermd te worden dan wel - indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is- door een opgraving (ex situ) te worden veilig gesteld.
In gebieden met een lage indicatieve archeologische waarde is er een geringe kans op het aantreffen van archeologische waarden. De raad van Horst aan de Maas heeft op 26 mei 2015 de 'Archeologische Maatregelenkaart Horst aan de Maas' vastgesteld. Het gemeentelijk grondgebied wordt hier opgedeeld in verschillende categorieën. Per categorie maakt het gemeentelijk archeologiebeleid inzichtelijk of, en zo ja waar en wanneer archeologisch (voor)onderzoek nodig is bij ruimtelijke planvorming en bodemingrepen, en welke onderzoekseisen en ontheffingen daarbij gelden. De Hees 10 is gelegen in het gebied aangeduid als categorie 3, met een hoge archeologische verwachting. Voor deze categorie 3 is een maximaal verstoringsoppervlak van 500 m2 opgenomen, en een maximale verstoringsdiepte van 50 cm. Doel van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek is erop gericht om inzicht te krijgen in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied.
Tevens zullen, indien mogelijk, kansrijke en kansarme zones worden geïdentificeerd. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel plan-aanpassing noodzakelijk is.
28
Econsultancy, Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek De Hees 10, rapportnummer 3851.001, d.d. 14 april 2017
Hoofdstuk 5
67
Op basis van de waargenomen bodemverstoringen en de aanwezigheid van bebouwing op een deel van de nieuwbouwlocatie, kan worden geconcludeerd dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek bijgesteld naar laag voor alle perioden. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Op basis van dit advies heeft het bevoegd gezag een selectiebesluit 29 (bijlage 20) genomen aan de planstukken is toegevoegd. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wijst er op dat, dat indien er tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Onderzoek ontwikkelingsgebied Door Econsultancy is voor de ontwikkelingslocatie een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd30 in de vorm van een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek. Het volledige rapport is als bijlage (bijlage 17) aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting.
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodem-opbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum en een hoge gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd.
Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat in het plangebied dekzandafzettingen, afgedekt met een eerddek met bij een deel van de boringen daaronder een oudere akkerlaag, zijn aangetroffen. Bij een deel van de boringen was het bodemprofiel matig verstoord tot in de dekzandafzettingen.
29 30
Selectiebesluit archeologie Econsultancy, “Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek ‘t Mäöleveld te Sevenum”, rapportnr.: 17887.002, d.d. 18 juli 2022.
Hoofdstuk 5
68
Conclusie Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van de aangetroffen bodemprofielen kan de middelhoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Paleolithicum en Mesolithicum worden gehandhaafd. De hoge gespecificeerde verwachtingswaarde voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd kan ook worden gehandhaafd. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is op basis van de bij het booronderzoek aangetroffen bodemprofielen bevestigd voor de perioden Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd. Op basis van het behoud van een (middel)hoge trefkans voor deze perioden blijft de kans reëel dat archeologische resten binnen het plangebied aanwezig zijn. Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen.
Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. 5.6.2 Cultuurhistorie Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt het plangebied bescheven als ‘enkeergrond’, ‘Gebied met sedert 1830 weinig verander verkavelingspatroon’ en ‘cultuurlandschap’. De Molenveldweg is beschreven als een ‘weg uit periode 1806 - 1890’. De Hees wordt beschreven als ‘andere weg ouder dan 1806’. Het verloop en profiel van deze wegen worden niet gewijzigd middels onderhavig initiatief. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op de wegen.
5.7 Verkeer en parkeren Door Grenspaal 12 is een verkeerskundig onderzoek31 uitgevoerd, waarbij gekeken is naar de verkeersgeneratie en afwikkeling van het verkeer als gevolg van de woningbouwontwikkeling. Daarnaast is bepaald hoe met parkeren moet worden omgegaan in het gebied. Het rapport is als bijlage 18 aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting.
31
Grenspaal12, ‘Verkeerskundige advisering BP Mäöleveld Sevenum’, kenmerk: 21-1117-01, d.d. 20 november 2023.
Hoofdstuk 5
69
Parkeren Op basis van het toekomstig aantal woningen is het mogelijk een parkeerbalans op te stellen voor de nieuwe planontwikkeling. De gemeente Horst aan de Maas heeft een eigen parkeernorm. Deze conformeert zich aan de normering conform het CROW, maar wijkt echter af op het gebied van wonen. Vanwege het landelijk karakter van de gemeente Horst aan de Maas heeft de gemeente gekozen voor één algemene omschrijving voor “wonen” en de gemeente hanteert daarom dezelfde norm voor ieder type woningen. Verder onderscheidt de gemeente maar drie gebieden in plaats van vier conform het CROW, zijnde: centrum; de rest van de bebouwde kom; en buiten bebouwde kom. Mäöleveld valt onder “rest van de bebouwde kom”. De normering welke door de gemeente wordt voorgeschreven voor dit gebied en de mogelijke woningtypen, betreft 2 parkeerplaatsen per woning. Deze norm geldt dus voor alle woningen. Parkeerbehoefte Mäöleveld Op basis van het stedenbouwkundig ontwerp en het beeldkwaliteitplan kan worden gesteld dat het bij een groot aantal woningen mogelijk is om op eigen terrein te parkeren of op een gezamenlijk aangewezen plek. De totale parkeervraag voor de gehele ontwikkellocatie Mäöleveld (fase 1 en fase 2) bedraagt 328 parkeerplaatsen (164 woningen x 2 parkeerplaatsen per woning).
Voor fase 1 van Mäöleveld is er een parkeerbehoefte van 168 op basis van de parkeernorm (84 woningen x 2 parkeerplaatsen per woning). De Hees 12-20 Voor de woningen tussen De Hees 12 en De Hees 20 moet voorzien worden in 4 parkeerplaatsen. Deze worden op eigen terrein gerealiseerd. De Hees 4 en De Hees 6 De ontwikkelingen op De Hees 4a vergen geen nieuw parkeerplaatsen. In de overeenkomst die de eigenaar met de gemeente gesloten heeft, is bepaald dat maximaal 15 + 16 internationale werknemers kunnen worden ondergebracht. Dit aantal is hetzelfde als in de bestaande situatie, alleen verandert de locatie. Bovendien moet, ook overeenkomstig de overeenkomst, het parkeren op eigen terrein worden gerealiseerd. Voor de huisvesting van internationale werknemers geldt een parkeernorm voor kamerverhuur (niet zelfstandige woningen). Dat betekent dat per werknemer 0,3 parkeerplaatsen benodigd zijn. Voor de huisvesting van internationale werknemers op het perceel De Hees 4a dient te zijn voorzien in 9,3 (10) parkeerplaatsen (31 x 0,3 parkeerplaatsen). Naast deze parkeerbehoefte voor de internationale werknemers zijn er op deze percelen 2 woningen aanwezig. In totaal dient op de percelen 14 parkeerplaatsen gerealiseerd te zijn. Er is voldoende ruimte op de percelen om daar in te voorzien.
Hoofdstuk 5
70
De Hees 10 Op De Hees 10 is een woning gerealiseerd. Daar hoort een parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen bij. Op het perceel is voorzien in deze eigen parkeerbehoefte. Conclusie parkeerbalans Op basis van het stedenbouwkundig ontwerp en de parkeerbehoefte voor de verschillende locaties in het ontwikkelingsgebied Mäöleveld en losse ontwikkelingen op De Hees, kan worden geconcludeerd dat er in voldoende parkeerruimte wordt voorzien om aan de behoeften van de bewoners en werknemers te voldoen. Voor de gehele locatie Mäöleveld (fase 1 en 2) is er een totale parkeerbehoefte van 328 parkeerplaatsen, waarvan 168 parkeerplaatsen voor fase 1. De parkeerbehoefte voor de woningen aan De Hees 12-20, De Hees 4a, en De Hees 10 wordt eveneens goed ingevuld, met parkeergelegenheid op eigen terrein. Specifiek voor de huisvesting van internationale werknemers op De Hees 4a zijn er geen nieuwe parkeerplaatsen nodig en wordt er geparkeerd op eigen terrein en dit is inclusief de 2 woningen op deze percelen. De parkeerbehoefte voor De Hees 10 is volledig ingevuld met 2 parkeerplaatsen op eigen terrein. Samenvattend, aan de parkeerbehoefte voor de ontwikkelingen in dit bestemmingsplan wordt zorgvuldig en efficiënt voldaan. Er is voldoende ruimte beschikbaar om te voldoen aan de parkeernormen voor zowel de woningen als de huisvesting van internationale werknemers.
Het bestemmingsplan biedt daarmee een stabiele basis voor de parkeeroplossingen in het gebied. Verkeer Verkeersgeneratie Voor het bepalen van de verkeersgeneratie (het aantal verkeersbeweging als gevolg van deze ontwikkeling) voor dit plan is gebruik gemaakt van de landelijke kencijfers, zoals opgenomen in CROW-publicatie 381 ‘toekomstbestendig parkeren–kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2018’. Per voorzieningstype is in een standaardtabel de verwachte verkeersgeneratie berekend. Net zoals bij de berekening van de parkeerbehoefte is gerekend met een type verblijfplaats, namelijk wonen. Het aantal motorvoertuigbewegingen (mvt) per woning wordt omschreven per etmaal. Uitgegaan wordt van ongeveer 8 motorvoertuigbewegingen per woning gemiddeld. Op basis van de te verwachte verkeersintensiteit voor het prognosejaar 2030 is het worstcasescenario berekend. Voor de gehele ontwikkeling (fase 1 en fase 2) zou het een toename betreffen van circa 1.350 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Voor de ontwikkeling van alleen fase 1, waar dit bestemmingplan op ziet, gaat het om circa 700 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie van deze ontwikkeling zal effect hebben op de intensiteiten van de omliggende ontsluitingen en het bestaande lokale wegennet.
Verkeersafwikkeling In het worstcasescenario wordt verondersteld dat de volledige verkeersafwikkeling via één enkele straat plaatsvindt. Echter, een realistischere benadering is dat de verkeersafwikkeling over meerdere verkeersroutes wordt verdeeld, wat resulteert in een lagere werkelijke toename van het verkeer per weg. Deze verdeling van het verkeer zal de verkeersbelasting per individuele weg verminderen ten opzichte van het worstcasescenario.
Hoofdstuk 5
71
Het verkeer als gevolg van fase 1 wordt via 2 ontsluitingen op het bestaande verkeersnetwerk afgewikkeld. Een aansluiting op de Molenveldweg en een aansluiting op De Hees, waarna het verkeer zich over het bestaande wegennet verder verspreid. De meest voor de hand liggende routes zijn die naar de A67 en naar Horst via de Donckstraat, de Molenstraat en de Steeg. Op deze route nabij het ontwikkelgebied zit veel doorgaand verkeer. De Donckstraat en Molenstraat zijn wegen van het type ETW 2, met een capaciteit die varieert tussen de 4.000 en 6.000 voertuigen per etmaal. In de huidige situatie wordt deze capaciteit, door het bestaande weggebruik en de autonome groei, bijna volledig benut. In 2025 wordt een verkeersonderzoek uitgevoerd naar de knelpunten en oplossingsscenario’s voor Sevenum. De ontwikkeling van Mäöleveld en de gevolgen van de stijgende intensiteit op het omliggende wegennet worden daarin meegenomen. Sluipverkeer Heesbeemd en Hoogbroek De omliggende wegen De Hees (zuidzijde) en Molenveldweg (noordzijde) zijn de meest logische en aangewezen routes om het plangebied te ontsluiten voor het gemotoriseerd verkeer. De kans bestaat altijd dat lokaal verkeer via kleinere wegen gaat rijden om drukte te vermijden op de hoofdwegen.
In dit voorliggende geval zou het voor kunnen komen dat het gemotoriseerde verkeer zich niet afwikkelt via de Molenstraat en De Donckstraat, maar dat het zich via Heesbeemd, Hoogbroek en Blaktdijk verplaatst in noordelijke/zuidelijke richting. Sluipverkeer op de beschreven wegen is onwenselijk. Er zal daarom na realisatie van fase 1 monitoring plaatsvinden om eventuele toename van het verkeer te kunnen constateren en waar nodig passende (infrastructurele) maatregelen te kunnen treffen, ter voorkoming van (veelvuldig) sluipverkeer. Het plaatsen van snelheidsremmende maatregelen, het verlagen van de maximale snelheid, het instellen van eenrichtingsverkeer of het verhinderen van de doorgang (verkeerknips voor gemotoriseerd verkeer) zijn enkele van de mogelijke oplossingsrichtingen om sluipverkeer te weren. Herinrichting De Hees en Molenveldweg Voor De Hees wordt momenteel een herinrichting voorbereid, waarbij de weg verkeersveiliger wordt gemaakt voor alle weggebruikers en wordt ingericht volgens de geldende richtlijnen, afgestemd op de functie van de weg. Wanneer ook fase 2 van Mäöleveld gerealiseerd zal worden, is een herinrichting van de Molenveldweg wenselijk waarbij de uitstraling van het ontwikkelgebied doorgetrokken kan worden voor een uniforme veilige inrichting.