03c Toelichting
Tekst van het document
Hoofdstuk 5
51
5.4 Waterparagraaf In het kader van de voorgenomen plannen is een onderbouwing van het wateraspect opgesteld. De belangrijkste bevindingen hieruit zijn samengevat in de voorliggende waterparagraaf. 5.4.1 Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie 2021, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: • Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); • Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Het provinciaal waterbeleid is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW).
Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening. Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale gronden oppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma. 4. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5.
Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater.
Hoofdstuk 5
52
Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL2014 belangrijke uitgangspunten. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zin om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met dit waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De taken van het waterschap, welke doelen zij per taak wil bereiken en welke maatregelen zij daarvoor inzet, is beschreven in het Waterbeheerprogramma. Daarbij is onderscheid gemaakt in de taken hoogwaterbescherming, klimaatadaptatie, waterkwaliteit en zuiveren. Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang.
Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuilen schoon-waterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstap-pen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen. Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het plangebied wordt vastgehouden. 5.4.2 Kenmerken plangebied Grondwater en waterkwantiteit Het bestemmingsplan is gelegen binnen de ‘Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’.
Het is in de ‘Milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ binnen en buiten inrichtingen beneden 5 meter boven NAP verboden een boorput te maken of te hebben, de grond te roeren, een gesloten bodemenergiesysteem te maken of te hebben, werken op of in de
Hoofdstuk 5
53
bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, een aardwarmtesysteem te maken of te hebben. De gronden van het plangebied zijn gelegen op circa 16,00 – en 18,00 meter boven NAP (conform de AHN-viewer). Ten behoeve van de realisatie van onderhavig initiatief zijn geen van de bovengenoemde werkzaamheden beoogd en vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. Door Cleverland is een rioleringsberekening en een rioleringsadvies uitgevoerd. 12 De resultaten worden hieronder kort samengevat. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Het plangebied is momenteel geheel onbebouwd en geheel in gebruik voor agrarische doeleinden. Op basis van het infiltratieonderzoek en op basis van de locatie van het project zijn er voldoende mogelijkheden om het hemelwater te verwerken in het plangebied. Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak toenemen met 7080 m2. Op basis van de toename in het verhard oppervlak de waterbergingsopgave voor de planlocatie in totaal ca. 708 m3 (708 m2 x 100 mm). Deze hoeveelheid wordt binnen het plangebied opgevangen.
Regenwatersysteem Bergingseis waterschap: • Capaciteit bui: 100 mm/m2/dag • Verwerkingscapaciteit voorziening (wadi's): 24 uur • Er mag gerekend worden met een dynamische berging. Ontwerprichtlijnen riolering/water vanuit de gemeente: • Vasthouden en bergen; waar mogelijk moet regenwater ter plekke in de bodem geïnfiltreerd worden. Van belang is om zo veel mogelijk binnen het gebied water vast te houden, te bergen en dan pas af te voeren; • In het gemeentelijk Rioleringsplan staat beschreven dat we streven naar infiltratiesystemen die bij voorkeur zichtbaar zijn, eenvoudig zijn aan te leggen en te monitoren, makkelijk zijn te reinigen en die goed functioneren. Hemelwater bij voorkeur opvangen in een wadi/buffer. Afwijken hiervan in overleg met cluster klimaatadaptatie/riolering; • Wadi/buffer landschappelijk inpassen; hierbij is de ontwerpeis gesteld dat de wadi in een organische vorm moet worden aangelegd met een gevarieerd talud (min. 1:3 tot 1:10). Maximale waterdiepte in wadi’s 0,30 meter; • Bij toepassing van een hemelwaterriool voor transport naar de buffer: o Minimale diameter regenwaterriool Ø250 mm; o Materiaal PVC: Regenwaterriool, kleur groen; o Minimale dekking op de buis 1,00 meter; o Minimale putafmetingen inw. 800x800 mm, materiaal beton; o Geen valputten toepassen.
12
Cleverland, Memo rioleringsberekening en een rioleringsadvies, Woningbouwplan de Beerendonck te Broekhuizenvorst - Gemeente Horst a/d Maas, rapportnummer: 23085-A01-VS, d.d. 29 februari 2024.
Hoofdstuk 5
54
Bovengrondse infiltratievoorziening (wadi's) Uitgangspunten berekening bovengrondse infiltratiesysteem (wadi) regenwaterriolering: • Het meegenomen verhard oppervlak is totaal: 7080 m2; o Verhard oppervlak rijbaan en trottoirs: 5885 m2; o Verhard oppervlak parkeervakken uitgevoerd in grasbetontegels: 1495 m2. • Infiltratiecapaciteit ondergrond 'Verkennend bodemonderzoek Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst - 220657.BKK': o Gemiddeld: Infiltratiemetingen INF06 t/m INF08: 0,66 m/dag. o Rekenwaarde infiltratiecapaciteit 0,66 m/dag x ¾ (veiligheid): 0,495 ~ 0,50 m/dag. • Neerslagstatistieken reeksen voor het waterbeheer 2019: o ‘Neerslagstatistiek KNMI 1x100 jaar - Tabel 8’. Berekening infiltratiesysteem, maximale peilstijging in de wadi (dynamische berekening): Bij het bepalen van de grote van het infiltratiesysteem is onderstaand verhard oppervlak meegenomen (blauw):
Uitsnede infiltratiesysteem (bron: aangeleverd door opdrachtgever)
Het maaiveld ter hoogte van het blauw gearceerd gebied, watert af op de wadi’s (groen). Het hemelwater wordt hier door middel van molgoten en verlagingen in de berm (greppels) oppervlakkig afgevoerd richting de wadi’s. Om het regenwater zoveel mogelijk bovenstrooms vast te houden en daar te laten infiltreren, worden er ter plaatse van de greppels drempels gesitueerd. De wadi’s worden met elkaar verbonden doormiddel van duikers en overstortputten.
Hoofdstuk 5
55
Op de locaties waar de greppel doorkruist wordt door zijwegen en inritten worden duikers aangebracht.
Uitsnede plaatsing overstortputten (bron: aangeleverd door opdrachtgever)
Het totale verhard oppervlak van de gebieden is 7080 m2. De maximale infiltrerend oppervlak ter plaatse van de wadi’s en de greppel is 1360 m2. Bij het berekenen van de dynamische berging (bij een K-waarde van 0,50 m/dag) met bovenstaande aanvoer- en infiltratie oppervlakte wordt de maximale peilstijging in de wadi 0,32 m. Deze peilstijging wordt bereikt bij een bui van 1x100 jaar bij een regenduur van 2 uur. Berekening infiltratiesysteem, leegloop wadi (statische berekening) Bij het berekenen van de statische berging (bij een K-waarde van 0,50 m/dag) met bovenstaande aanvoer- en infiltratie oppervlakte wordt de maximale peilstijging in de wadi 0,52 m. De voorziening is na ca. 24,9 uur leeg (0,52/0,50*24). Waterkwaliteit/waterveiligheid De waterbeheerder heeft specifieke doelen met betrekking tot de waterkwaliteit in dit gebied, er wordt wel rekening gehouden met algemene doelen als het waarborgen van schoon en gezond water voor mens en natuur. Het is aannemelijk dat de geplande ontwikkeling geen negatieve invloed zal hebben op de waterkwaliteit, aangezien er geen vervuilende activiteiten worden toegevoegd. Bij het opstellen van plannen moet ernaar gestreefd worden om wateroverlast te verminderen, mits dit binnen de mogelijkheden van het plan past en in verhouding staat tot de economische schade die door wateroverlast kan ontstaan.
Hoewel het plangebied oorspronkelijk is gelegen binnen het rivierdal, blijkt dat op basis van de nieuwe zoneringen van Rijkswaterstaat, deze zone kan komen te vervallen. Het is hierdoor vastgesteld dat de locatie niet op gronden ligt die gevoelig zijn voor wateroverlast, waardoor aanvullende maatregelen of voorzieningen niet noodzakelijk zijn. 5.4.3 Wateradvies Afweging en planrealisatie De gemeente Horst aan de Maas en het waterschap Limburg hebben als doelstelling om zoveel mogelijk hemelwater lokaal te verwerken en waar mogelijk het water in de bodem te infiltreren. Op deze manier wordt het gemeentelijk rioolstelsel ontlast en wordt er positief ingespeeld op de waterhuishoudkundige systemen.
Hoofdstuk 5
56
Het onderhavig planvoornemen is voorgelegd aan het Waterschap en aan de belangrijkste beleidskaders van het Waterschap is voldoende opvolging gegeven omdat het uitgewerkt is in onderhavige toelichting. Bij de vergunningaanvraag voor het bouwen van de woningen moeten de beleidsuitgangspunten precies zijn uitgewerkt. Op grond van het Barro moet de bestemming ‘overige zone - rivierdal’ gecompenseerd moet worden. Echter, blijkt uit de huidige watermodellen dat het plangebied op een niet-hoogwatergevoelige plek ligt. Daarom is compensatie van de verdwenen ‘overige zone - rivierdal’ bestemming, zoals het Barro voorschrijft, niet verplicht. Op basis van de nieuwe gebieden van Rijkswaterstaat wordt er voor het planvoornemen geen watervergunning meer vereist.
Zonering oppervlaktewateren (bron: aangeleverd door Rijkswaterstaat)
Conclusie Indien de bovenstaande adviezen worden meegenomen in de ontwerp-, realisatie en beheersfase is de gewenste balans tussen grondgebruik, bestemmingen of waterhuishoudkundige functies in relatie tot waterbeheer geborgd. Indien er rekening wordt gehouden met de randvoorwaarden uit deze rapportage en de inpassing van de (hemelwater)voorzieningen, kan er vanuit hydrologisch opzicht dus positief ontwikkeld worden.
Hoofdstuk 5
57
5.5 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de beoogde woningbouwontwikkeling belemmeren.
5.6 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de POVI en de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 2021.
Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.
Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend.
Hoofdstuk 5
58
Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing In het kader van onderhavig plan is door Econsultancy een quickscan flora en fauna13 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De conclusies uit dit onderzoek worden hieronder kortstondig toegelicht. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen. Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000.
Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Maasduinen, bevindt zich op circa 1,5 kilometer afstand ten noordoosten van de onderzoekslocatie.
Figuur 2 Plangebied ten opzichte van Natura-2000 gebieden (bron: Aerius) 13
Econsultancy, Quickscan Wet natuurbescherming Beerendonckerweg Broekhuizenvorst, rapportnummer: 20103.002, d.d. 31 mei 2023.
Hoofdstuk 5
59
Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er een AERIUS-berekening14 uitgevoerd. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Uit de berekening van de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,04 mol N/ha/jaar is (ter plaatse van het Natura 2000- gebied ‘Maasduinen’). Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten hoogste 0,05 mol N/ha/jaar is (ter plaatse van het Natura 2000- gebied ‘Maasduinen’). Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden dus mogelijk significante negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Dit is aangetoond middels een ecologische voortoets 15. De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt een toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,05 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige natuur binnen de Natura 2000-gebied Maasduinen.
Voor de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat de KDW wordt overschreden, is onderzocht of de berekende toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakte verlies van het stikstofgevoelige areaal. Op basis van een gebiedsspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat dit niet het geval is. De stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling staat ook niet in de weg van het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden van kwalificerende soorten. Significant negatieve gevolgen door de geringe toename aan stikstofdepositie ten gevolge van het voorgenomen project zijn hierom uitgesloten. Landschapszones Het plangebied is niet gelegen binnen de goudgroene of zilvergroene natuurzone. De onderzoekslocatie maakt wel deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het oostelijke deel van de locatie valt onder de bronsgroene landschapszone. Vanwege genomen maatregelen is de bronsgroene landschapszone niet meer relevant voor het planvoornemen. Houtopstanden Wegens het ontbreken van bomen op de onderzoekslocatie, kan het onderdeel houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming buiten beschouwing worden gelaten. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.
14 15
De Roever, Stikstofdepositieonderzoek Vorster Parc Broekhuizenvorst, rapportnummer 20250217.v02, d.d. 16 juni 2025 Sweco, Ecologische beoordeling stikstofdepositie Broekhuizenvorst, rapportnummer 51030041 D5, d.d. 23 juni 2025
Hoofdstuk 5
60
Soortenbescherming Er is voor meerdere soort(groep)en aanvullend onderzoek uitgevoerd en er zijn vervolgstappen uitgevoerd voor de torenvalk, steenuil en ooievaar. Daarnaast moet er rekening gehouden worden met broedgevallen van algemene broedvogels, tevens dient er rekening gehouden te worden met de zorgplicht ten aanzien van algemene zoogdieren, amfibieën en reptielen en zijn er mogelijk aanvullende maatregelen te treffen voor de beschermde levendbarende hagedis. Op basis van deze resultaten is er een vervolgonderzoek 16 naar deze soorten uitgevoerd. De belangrijkste resultaten worden onderstaand samengevat weergegeven, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Vervolgonderzoek Uit het uitgevoerde onderzoek naar aanleiding van de quickscan in 2023 en opmerkingen vanuit de Provincie Limburg blijkt dat met de ontwikkeling in het plangebied de in de directe omgeving aanwezige steenuil en ooievaar niet worden verstoord. Met het verwijderen van de nestkast voor de torenvalk is geen broedsel verstoord en is geen beschermde nestplek verloren gegaan. De aangrenzend aan het plangebied staande en positief bebroede kunstnestpaal voor ooievaars zal door de voorgenomen ontwikkeling niet verdwijnen. Ook zullen de ooievaars naar verwachting niet worden verstoord.
Om de ooievaars een alternatieve nestplek te bieden, zodat ze de keus hebben om naar een wat rustiger gebied te verhuizen met in de omgeving veel geschikt foerageergebied, zal er op 430 meter afstand, nabij de uiterwaarden van de Maas, een nieuwe kunstnestpaal voor ooievaars worden gerealiseerd. Dit terwijl de bestaande paal behouden zal blijven. Om de veiligheid van de aanwezige ooievaars te waarborgen is er een werkprotocol 17 opgesteld. Dit ecologisch werkprotocol dient aanwezig te zijn voorafgaande en tijdens de werkzaamheden. Alle aanwezigen tijdens de werkzaamheden dienen op de hoogte te zijn van de specifieke maatregelen om aan de wet natuurbescherming en de zorgplicht te voldoen. Het te ontwikkelen plangebied dat de laatste jaren als akkerbouwland is gebruikt is geen essentieel onderdeel van het leefgebied van in de buurt aanwezige steenuilen. Deze zullen met het verleggen van het foerageergebied niet in conflict komen met andere steenuilen. In de omgeving van het plangebied is voldoende alternatief foerageergebied aanwezig. Indien het bouwrijp maken van de planlocatie buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, vinden er geen er overtredingen plaats voor algemene broedsoorten. In de provincie Limburg geldt een vrijstellingsperiode voor de levendbarende hagedis van 15 augustus tot en met 15 oktober.
Aanbevolen wordt om verstorende werkzaamheden als het verwijderen van strooisellaag en bode bedekkende vegetatie uit te voeren in de vrijstellingsperiode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde diersoorten verstoord, verwond of gedood en wordt er geen rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. In de omgeving van het plangebied is en blijft voldoende geschikt foerageergebied aanwezig voor genoemde vogelsoorten. De werkzaamheden hebben geen significant negatief effect.
16 17
Brabant Eco, Plan van aanpak Beerendonckerweg, rapportnummer 2024-BE-0916, d.d. 26 april 2024 Brabant Eco, Ecologisch werkprotocol, rapportnummer 2023-BE-0916, d.d. 27 mei 2024
Hoofdstuk 5
61
Het betreft hier niet louter een dorpsuitbreiding maar een concept dat is gebaseerd op de landschappelijke identiteit en ruimtelijke karakteristiek van de plek. De sfeer van de erven en Maasdorpen vormen een vanzelfsprekende inspiratiebron voor zowel architectuur, structuur en uitstraling. Het totale gebied is onder te verdelen in 3 onderdelen: een wooncluster, erf en lint. Ieder onderdeel met een eigen karakteristiek aan bebouwing. In, maar vooral ook tussen deze onderdelen is veel ruimte voor de aanleg van groen. De hagen en erfbeplantingen van de bestaande omliggende achtertuinen en ook de beplanting en vegetatie gelegen voor de verhoogde akker in het noorden zullen behouden blijven. Daarnaast wordt de bomenstructuur naast de Beerendonckerweg benut. Conclusie Gelet op de bovenstaande resultaten kan er geconcludeerd worden dat er met betrekking tot het aspect ecologie voldoende maatregelen worden gehouden met het leefgebied van de ooievaar. Daarnaast zijn er met betrekking tot de gebiedsbescherming, houtopstanden en soortenbescherming tevens geen belemmeringen te verwachten. Derhalve is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.
5.7 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie De bevoegde overheid, de gemeente Horst aan de Maas, heeft op gemeentelijk niveau een archeologisch beleid vastgesteld en beschikt over een Archeologische Verwachtings- of Beleidsadvieskaart. Op de Archeologische Maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas (2015) ligt het plangebied in drie beleidszones:
Uitsnede Gemeentelijke Archeologische Maatregelenkaart met ligging plangebied rood omlijnd
Hoofdstuk 5
62
• • •
Categorie 2 (Archeologische waarde) - onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –mv; Categorie 3 (Hoge archeologische verwachting) - onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm –mv; Categorie 4 (Gematigde archeologische verwachting) – onderzoeksplicht bij bodemingrepen groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 cm – mv.
Binnen het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (2017) gelden dezelfde dubbelbestemmingen (‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’ en ‘Waarde – Archeologie 4’) met dezelfde ondergrenzen. Gezien de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied (realisatie van 81 woningen en infrastructuur) is ter plaatse van het plangebied door Geonius een archeologisch booronderzoek18 uitgevoerd. De resultaten worden hieronder beschreven. Er zijn tien proefsleuven aangelegd. Voordat het reguliere vlak bereikt werd, werden in sommige werkputten al sporen aangetroffen, die onder vlak 1 gedocumenteerd zijn. Het reguliere vlak (top C‐horizont) is als vlak 2 gedocumenteerd, ook als er in een werkput geen sporen op een eerste vlak waren gedocumenteerd. Onder dit reguliere vlak was in wp3 en wp5 nog een sporenvlak nodig. Dit vlak is als vlak 3 gedocumenteerd. Deze werkwijze is gekozen om in de overzichtskaarten de sporen die bij hetzelfde niveau horen ook in dezelfde kaart te krijgen. In elke sleuf zijn twee profielkolommen gedocumenteerd. Alleen in wp10 is slechts één profielkolom gedocumenteerd omdat in het noordprofiel al een lange coupe door s32 en s34 was gedocumenteerd. In wp8 is een lange coupe door s8 in de zuidwand gedocumenteerd. In wp3 is een lang profiel door de depressie s50 gedocumenteerd. Vrijwel alle sporen zijn gecoupeerd.
De proefsleuven in het oosten en zuiden bevatten geen relevante sporen. In wp1, 4 en 8 zijn geen relevante sporen aangetroffen. Wp6, 9 en 10 zijn totaal afgetopt. Mogelijk is er sprake van zandwinning waarbij de kuilen met een egale vulling weer opgevuld zijn. In dat pakket zijn sporen van tractorbanden (of vergelijkbare grote banden) aangetroffen. Misschien hangt de opvulling samen met de herverkaveling in de jaren ’60. De recente opvulling van een grote afgraving wordt in wp10 naar het noorden begrensd door karrensporen van een pad dat hier tot de jaren ’60 nog liep. Ook aan de noordoostelijke rand van wp9 zijn karrensporen van een weg aangetroffen (s16). Beide wegen zijn te vinden op de kaart van 1937. De sporen concentreren zich in wp 2, 3, 5 en 7. Er zijn 78 vondstnummers uitgedeeld. De vondsten zijn onder te verdelen in 182 stuks aardewerk, waarvan 83 stuks handgevormd aardewerk, 11 stuks bouwmateriaal en drie vondstnummers die bestaan uit brokken huttenleem. Daarnaast zijn er 14 stuks ijzer en één bronzen knoop aangetroffen. Van steenvondsten zijn 30 stuks verzameld, waarvan één stuk vuursteen. Tenslotte is er één fragment vensterglas en vier metaalslakken gevonden. Tijdens het onderzoek zijn zes houtskoolmonsters verzameld ten behoeve van een eventuele 14C‐datering.
Op basis van de verschillende waarderingscriteria blijken de vindplaatsen 1‐3 bovengemiddeld te scoren zodat ze behoudenswaardig zijn. Vindplaats 4 scoort laag en is niet behoudenswaardig.
18
Geonius, Archeologisch onderzoek Beerendonckerweg, rapportnummer AB240035.R01v0.2‐EVA, d.d. 31 mei 2024
Hoofdstuk 5
63
De drie behoudenswaardige vindplaatsen nemen binnen het plangebied een vermoedelijke oppervlakte van ca. 5800 m² in. Voor de zuidrand van het archeologisch relevante gebied is de weg genomen die tot de ruilverkaveling in de jaren ’60 door het terrein gelopen heeft. Deze weg is als s34 in wp10 aangetroffen. Uit het proefsleuvenonderzoek blijkt dat ten zuiden van deze weg het terrein afgegraven is geweest waarna het weer opgevuld is. Door de afgraving zijn hier geen archeologische resten meer te verwachten. Voor de west‐ en noordzijde is de grens van het plangebied als begrenzing van de binnen het plangebied relevante archeologische zone genomen, terwijl in het oosten de grens gevormd wordt door een zone waarin geen archeologische sporen zijn aangetroffen. Duidelijke begrenzingen van de drie vindplaatsen kunnen niet gegeven worden. Deze zullen door een eventueel vervolgonderzoek duidelijk moeten worden. Wel is duidelijk dat de vindplaatsen elkaar waarschijnlijk overlappen. De vindplaatsen zullen oorspronkelijk groter geweest zijn dan door het onderzoek is aangetoond. De kern van de bewoning moet vermoedelijk in het hogergelegen zuidoostelijke deel van het plangebied gezocht worden. Dit gebied is echter afgegraven waardoor archeologische sporen verdwenen zijn. Wat rest zijn de sporen op de flank van het stuifzandduin.
Cultuurhistorie Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt de ‘Beerendonckerweg’ beschreven als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Aangezien het verloop en profiel van deze weg niet wordt veranderd door het voorliggende plan, is er geen sprake van negatieve effecten op deze weg. Conclusie De dubbelbestemmingen zijn op basis van de resultaten uit het archeologische onderzoek aangepast ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Op gronden welke niet zijn vrijgegeven conform het archeologisch onderzoek, blijkt nog een dubbelbestemming op basis waarvan er onderzoek benodigd is bij werkzaamheden dieper dan 50 centimeter en/of groter dan 500 m2, deze dubbelbestemming is opgenomen in de regels en verbeelding behorende bij onderhavig bestemmingsplan. Hiermee blijven de archeologische waarden gewaarborgd. Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen waardoor het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
5.8 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het plangebied wordt voor autoverkeer ontsloten via de Beerendonckerweg, aan de westzijde van het plangebied en de Ooijensweg aan de oostzijde van het plangebied. Via de nieuwe wegenstructuur in het plangebied zijn de woonkavels bereikbaar. Via twee inprikkers worden de erven ontsloten en kunnen bezoekers en bewoners parkeren op de achter terreinen/erven. Het centrale lint blijft hierbij grotendeels vrij van parkerende auto’s. Het lint takt aan op de Beerendonckerweg (westzijde) en de Ooijensweg (oostzijde). De randen van het plangebied worden benut als parkeerkoffers.
Hoofdstuk 5
64
Parkeren Voor de woningen geldt de op 3 juli 2019 vastgestelde ‘Nota Parkeernormen Horst aan de Maas’. Conform bijlage 1 is het plangebied heel strikt gezien gelegen buiten de kern van Broekhuizenvorst en dus buiten de bebouwde kom. Echter gezien het gebied direct grenst aan de kern van Broekhuizenvorst kan worden aangesloten bij de parkeernormen voor rest bebouwde kom. Indien wordt uitgegaan van een ligging binnen de rest van de bebouwde kom geldt een parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per wooneenheid. De totale parkeerbehoefte komt zodoende uit op 162 parkeerplaatsen. Blijkens de afbeelding met de toekomstige functionele indeling van het plangebied (paragraaf 4.1) zal voornamelijk op eigen terrein worden geparkeerd (en/of parkeerhavens). Daarnaast zal op het noordwestelijke gedeelte van het plangebied een parkeerterrein gerealiseerd worden met 12 parkeerplaatsen en 22 parkeerhavens aan de zijkant van de weg vanaf het noordelijke gedeelte richting het oosten. In het voorliggende bestemmingsplan zijn parkeerregels opgenomen, waarmee wordt gewaarborgd dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. In het kader van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen zal worden getoetst aan de 'Nota parkeernormen gemeente Horst aan de Maas' (of de op het moment van indiening van de omgevingsvergunningaanvraag van toepassing zijnde actualisatie/ opvolger).
Parkeernorm 2 pp per woning 81 x 2,0 = 162 parkeerplaatsen
Uitsnede parkeervoorzieningen plangebied (bron: aangeleverd door opdrachtgever)
Hoofdstuk 5
65
Verkeersgeneratie Het woongebied zal een toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving tot gevolg hebben. Deze is berekend op basis van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (publicatie 381). Binnen het plangebied worden maximaal 81 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Daarvan dient ten minste 30% uit sociale huurwoningen te bestaan. Voor het overige zal een flexibel programma worden gerealiseerd, passend binnen de actuele woonbehoeften. Er is momenteel uitgegaan van de volgende verdeelsleutel welke is aangereikt door Volkshuisvesting • 30% sociale huur • 10% markthuur • 60% koop Voor de voorliggende berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de woningtypen met de hoogste verkeersgeneratie. Hierdoor is de worst-case situatie qua aantal verkeersbewegingen in beeld gebracht. Dit betreft de volgende, maximale planologische invulling: • 30% van 81 woningen sociale huur: 24 woningen in categorie ‘Huur, huis, sociale huur’; • Overige 70% van 81 woningen vrijstaande koopwoningen (dit betreft woningtype met de hoogste verkeersgeneratie): 57 woningen in categorie ‘Koop, huis, vrijstaand’. Wat betreft de stedelijkheidsgraad is sprake van een niet-stedelijke gemeente. Omdat het nieuwe woongebied deel zal uitmaken van de kern Broekhuizenvorst is qua ligging aangesloten bij het omgevingstype ‘rest bebouwde kom’.
Op basis van bovenstaande uitgangspunten is de maximale verkeersgeneratie van het woongebied berekend. De verkeersgeneratie ligt bij invulling van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt tussen de 572 en 637 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De Beerendonckerweg en omliggende wegen zullen deze verkeerstoename naar verwachting probleemloos kunnen verwerken. De Beerendonckerweg betreft een gebiedsontsluitingsweg en heeft een wegcapaciteit tussen de 5.000 en 15.000 mvt/etmaal. Uit de meest recente verkeerstelling (2019) op de Beerendonckerweg is gebleken dat de verkeersintensiteit uit kwam op gemiddeld 3.600 mvt/etmaal. De de Beerendonckerweg kan de toename van maximaal 637 mvt/etmaal derhalve probleemloos opvangen. Vanuit het aspect verkeer en parkeren zijn er geen belemmeringen voor dit planvoornemen.
5.9 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:
Hoofdstuk 5
66
• •
• • •
Gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers; Een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden; Duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling); Verantwoord watergebruik; Voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken.
In samenspraak met de ontwikkelaar zal zo veel mogelijk duurzaam ontwikkeld worden. Om dit te kunnen borgen is er een rapportage natuurinclusieve maatregelen 19 opgesteld en is dit geborgd in de planregels. Het doel van dit rapport is om aanbevelingen te doen voor toe te passen natuurinclusieve maatregelen binnen de planontwikkeling van Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst. De focus ligt op het bevorderen van biodiversiteit door middel van passende natuurinclusieve maatregelen ter bevordering van de huismussen, gierzwaluwen, huiszwaluwen, vleermuizen en bijen op woningniveau. Voor de specifieke maatregelen wordt verwezen naar de bijlagen.
5.10 Gezondheid Ter plaatsen van nieuwe planontwikkelingen dient er sprake te zijn van een gezonde leefomgeving, hierbij valt er te denken aan diverse aspecten als endotoxinen, geitenhouderijen en spuitzones. Onderstaand wordt dit nader toegelicht. 5.10.1 Endotoxinen In de onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 81 woningen aan de Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst. De beoogde realisatie heeft geen invloed op de endotoxine belasting en dit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Daarbij is gekeken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. In onderhavig geval kan worden gesteld dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de gestelde norm van Gezondheidsraad, doordat de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij op meer dan 1 kilometer van het plangebied is gelegen. Zodoende kan ook geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van endotoxinen.
19
HVG, Rapportage natuurinclusieve maatregelen, rapportnummer NAT.0023.24V.01, d.d. 28-02-2024
Hoofdstuk 5
67
5.10.2 Geitenhouderij In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 20142016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht. Aangezien de planlocatie op ruim 2 km van een geitenhouderij is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.10.3 Spuitzones Bij een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijk ordening. Eén van de aspecten waar rekening mee gehouden moet worden is de spuitzone ten behoeve van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift.
Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, dat bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen met tuinen. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor bebouwing aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand. Vooral het opwaarts spuiten veroorzaakt de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woningen. De 50 meter afstand is echter een indicatieve afstand. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering.
Binnen een afstand van 50 meter zijn gronden rondom het plangebied gelegen, waarop bomen of andere gewassen in de openlucht kunnen worden geteeld, die bespoten kunnen worden. Derhalve zijn er spuitvrije zones opgenomen in het plan. Derhalve is er in het planvoornemen een zone van 50 meter rondom de planontwikkeling opgenomen. Binnen deze zone is het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen verboden. Op deze manier is er geen risico voor de gezondheid van de toekomstige bewoners.
Hoofdstuk 5
68
5.11 Niet gesprongen explosieven In de Tweede Wereldoorlog hebben op diverse plaatsen in Limburg, waaronder in de gemeente Horst aan de Maas, oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij gebruik is gemaakt van explosieven. Hierdoor zijn er mogelijk onontplofte explosieven in de bodem achtergebleven. Indien tijdens grondwerkzaamheden in het plangebied op een niet ontploft explosief wordt gestuit, kan dit ongecontroleerd tot ontploffing komen. Op basis van de Arbowetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid dienen alle risico’s voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden in kaart te worden gebracht, waarbij de risico’s zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. In het plangebied is een vooronderzoek naar ontplofbare oorlogsresten 20 uitgevoerd om te beoordelen of er sprake is van een risico op het aantreffen van explosieven alsmede waar er een risico is op het aantreffen hiervan. De resultaten zijn hieronder samengevat. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Het opsporingsgebied ter grootte van 25.218 m2, is onderzocht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten tot 4,50 m -mv (ca. 12,50 m +NAP). Het gebied is afgezocht om de in de toekomst geplande werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren. De aangetroffen verstoringen zijn geïdentificeerd en verwijderd.
AVG Explosieven Opsporing Nederland verklaart dat er, met de gebruikte onderzoeksmethode, verder geen verdachte objecten zijn waargenomen in het onderzochte gebied. Het onderzochte gebied is gevrijwaard van ontplofbare oorlogsresten, zodat eventuele vervolgwerkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd.
5.12 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht In het plangebied vindt woningbouw plaats in de vorm van maximaal 81 woningen. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De voorgenomen ontwikkeling van 81 woningen valt onder onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. in de categorie D11.2: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien sprake is van een oppervlakte van 100 hectare of meer, de ontwikkeling een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden.
20
AVG, Vooronderzoek Ontplofbare Oorlogsresten Beerendonckerweg, projectnummer: 140000411-PVO-02, d.d. 31 oktober 2023.
Hoofdstuk 5
69
Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect.
Tabel: Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project • • • • • •
Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project • • •
Bestaand grond gebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect • • • •
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Omdat het plan wel voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria
Toets
Omvang van het project
De ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van 81 woningen. Dit betreffen verschillende typen woningen, waaronder woningen in de sociale huursector, vrije huursector en in de koopsector. Onderhavig planvoornemen voorziet daarnaast gedeeltelijk in levensloopbestendige woningen in verschillende types. Op dit moment is nog niet bekend of deze (levensloopbestendige) woningen huur of koop
Hoofdstuk 5
70
betreffen en/of een combinatie daarvan. Ten behoeve van de nieuwe woningen worden, zo veel als mogelijk, op eigen terrein parkeerplaatsen gerealiseerd. Cumulatie met andere projecten
Nee. Het betreft uitsluitend de voorliggende ontwikkeling van een woningbouwlocatie.
Gebruik van natuurlijke grondstoffen
N.v.t.
Productie van afvalstoffen
N.v.t.
Verontreiniging en hinder
Luchtkwaliteit: zowel met als zonder ontwikkeling wordt aan alle grenswaarden voldaan (zie par. 5.2.3). Geluid: Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege het gezoneerde deel van de Beerendonckerweg dient een hogere waarde te worden aangevraagd voor de woning genummerd 1 (53 dB) en de woning genummerd 2 (52 dB). Voor alle woningen waarop een overschrijding plaatsvindt van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Uit het onderzoek blijkt dat het hoogst optredende gecumuleerde (industrielawaai en wegverkeerslawaai) geluidniveau 61 dB(A) bedraagt. De hoogst benodigde gevelwering bedraagt dan 61 – 33 = 28 dB. De betreffende woningen dienen minimaal te voldoen aan een gevelwering van 28 dB ten gevolge van het gecumuleerde geluid. Geconcludeerd kan worden dat er, bij toepassing van de maatregel van het scherm en aanvullende gevelwering, het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw woonwijk voor een gedeelte sprake is van kwaliteit ‘matig’, voor een gedeelte ‘redelijk’ en voor het grootste deel van kwaliteit ‘goed’.
Risico van ongevallen
Het voorliggend plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk, tevens zijn deze niet in de omgeving gelegen.
Conclusie Wanneer er in het planvoornemen wordt voldaan aan de eisen, zoals in bovenstaande tabel wordt uitgelegd, zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten en is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik
Toets In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit een akkerbouwperceel (grasland). Er zijn geen houtopstanden of gebouwen aanwezig binnen het plangebied. In het oosten grenst het plangebied aan diverse agrarische percelen. Aan de zuidkant grenst het plangebied aan de achtertuinen van diverse woningen.
Hoofdstuk 5
71
Aan de noordkant grenst het plangebied aan een bestaand transportbedrijf. Ten westen van het plangebied is nog een bedrijfsbestemming en een sportpark gelegen. Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regene-
N.v.t.
ratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder dacht voor: •
Gevoelige gebieden (wetlands, kustge-
Het plangebied is niet gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld
bieden, berg- en bosgebieden, reserva-
in artikel 1 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
ten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) •
Gebieden waarin bij communautaire wet-
Er is geen sprake van gebieden waarin bij communautaire wetge-
geving vastgestelde normen inzake mili-
ving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden over-
eukwaliteit reeds worden overschreden
schreden.
Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid
N.v.t.
Landschappen van historisch, cultureel of ar-
Het plangebied maakt geen deel uit van een landschap van histo-
cheologisch belang
risch of cultureel belang. In het voorliggende bestemmingsplan zijn de archeologische dubbelbestemmingen vooralsnog gehandhaafd ter bescherming van eventueel aanwezige waarden.
Conclusie Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Op de locatie van het plangebied zijn geen onderdelen aanwezig die negatief zijn voor de ontwikkeling. Daarnaast maakt het plangebied geen deel uit van gevoelige of historische gebieden. Gevoelig gebied21 (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Toets Beschermd natuurmonument
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een beschermd natuurmonument.
Habitat en vogelrichtlijngebieden
Het plangebied is niet gelegen binnen een Habitat en Vogelrichtlijngebied (zie par. 5.5). Gezien de aard van de ontwikkeling en de ligging tegen de kern aan worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Door middel van een Aerius-berekening is aangetoond dat negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten.
Watergebied van internationale
Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een water-
betekenis
gebied van internationale betekenis.
NNN
Het plangebied is niet gelegen in het NNN.
Landschappelijk waardevol gebied
Het gebied is niet gelegen in of nabij een landschappelijk waardevol gebied.
21
Waterwinlocaties, waterwingebieden en
Het plangebied ligt binnen het grondwaterbeschermingsgebied de
grondwaterbeschermingsgebieden
Venloschol.
Beschermd monument
Er is geen sprake van een beschermd monument.
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Hoofdstuk 5
72
Belvédère-gebied
Er is geen sprake van een Belvédère gebied.
Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Kenmerken van het potentiële effect Criteria Toets Bereik van het effect (geografische zone en
Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in
grootte van de getroffen bevolking)
geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking.
Grensoverschrijdende karakter van het effect
Er is sprake van een kleinschalig initiatief dat geen grensoverschrijdend karakter heeft.
Waarschijnlijkheid van het effect
Geen effecten te verwachten.
Duur, frequentie en de omkeerbaarheid
De effecten van de woningbouw zijn blijvend maar niet van dien
van het effect
aard dat sprake is van significant negatieve effecten op het milieu, die het opstellen van een MER noodzakelijk zouden maken.
Conclusie 1. De ontwikkeling van woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde drempelwaarde wordt bij lange na niet overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
Hoofdstuk 5
73
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. Het bevoegd gezag kan hiervan afzien indien: • Het kostenverhaal anderszins is verzekerd; • Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en • Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van maximaal 81 woningen mogelijk en biedt hiermee mogelijkheden voor een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. De gronden zijn in eigendom van de gemeente. Het kostenverhaal is daardoor geregeld via de gronduitgifte. Er is geen anterieure overeenkomst of exploitatieplan vereist.
6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.
Hoofdstuk 7
74
De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Er zijn twee informatieavonden georganiseerd in 2022. De eerste avond is informatie vanuit de omgeving opgehaald. In de tweede informatiebijeenkomst is het plan gepresenteerd. Hieronder is een kort verslag van de tweede participatieavond weergegeven. Bebouwing 2 blokken omdraaien zodat de tuin richting het naastgelegen bedrijfsperceel komt te liggen. Plek voor klein appartementencomplex zodat alleenstaande jongeren ook iets kunnen kopen/huren. Woningen bij de wadi richting het open gebied creëren. Groen en Duurzaamheid Iedereen was erg tevreden met de hoeveelheid groen die toegepast is in het plan. Infrastructuur en ontsluiting Beerendonckerweg wordt een erg drukke weg wat gevaar kan opleveren voor kinderen die naar het sportpark moeten. Wandelpad richting de Kerkstraat creëren zodat er een makkelijkere/snellere verbinding is met het dorp. Achterom creëren voor bewoners van de Kerkstraat zodat er een mogelijkheid bestaat om er met een aanhangwagen te komen. Kruispunt richting nieuwe plan kan erg gevaarlijk worden. Pad door laten lopen bij de levensloopbestendige woningen. Overig Speelvoorziening in de wadi realiseren. Parkeren in collectieve schuur wordt als niet dorps beschouwd.