03c Toelichting
Tekst van het document
Om te voorkomen dat er ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met het nieuwe beleid, heeft de gemeente Horst aan de Maas op 22 april 2025 een voorbereidingsbesluit genomen. Dit besluit houdt in dat alle initiatieven voor de huisvesting van internationale werknemers zijn bevroren. Het is daardoor niet toegestaan om nieuwe huisvestingsprojecten te starten of bestaande initiatieven uit te breiden. Dit algemene verbod geldt voor het volledige grondgebied van de gemeente, met uitzondering van enkele specifiek aangewezen locaties (welke geen betrekking hebben op onderhavig plangebied). Afweging Binnen het plangebied van dit bestemmingsplan wordt nieuwe huisvesting van internationale werknemers niet mogelijk gemaakt.
Hoofdstuk 4
29
4.6 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.
Hoofdstuk 4
30
5.
SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt getoetst en nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie. Er is hierbij getoetst aan de maximaal planologische situatie.
5.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de Ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De Ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De Ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: ‘De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Uit de jurisprudentie2 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’ (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Afweging Het voorliggende bestemmingsplan maakt de toevoeging van maximaal 81 woningen mogelijk. Het toevoegen van maximaal elf woningen is in lijn met de uitspraak 3 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Beoogd nieuwbouwplan ziet op de realisatie van maximaal 81 woningen. Bij het voorliggende initiatief wordt derhalve de ondergrens overschreden, waardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook vereist.
2 3
o.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319) Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017.
Hoofdstuk 5
31
Ten behoeve van deze ontwikkeling is een separate Laddertoets (bijlage 3) uitgevoerd door initiatiefnemer. Onderstaand wordt de conclusie uit deze toets weergegeven. Het volledig rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. De planlocatie is gelegen ter hoogte van de Beerendonckerweg, Ooijenseweg en Swolgenseweg en het perceel staat kadastraal bekend als Broekhuizen, sectie E, nummer 735 en Broekhuizen sectie E, nummer 562 (gedeeltelijk). 1. Er wordt een verhouding in segmenten beoogd van 30% sociale huur, 10% vrije sector huur en 60% koop in diverse prijscategorieën. 2. Er is in het ontwerp veel aandacht voor groen, spelen en zichtlijnen op het open landschap. Conclusie De beoogde ontwikkeling aan de Beerendonckerweg, waarbij verschillende woningtypen worden gerealiseerd in de verhouding 30/10/60, voorziet in een kwalitatieve behoefte. Door de demografische ontwikkeling is in heel Noord-Limburg nadrukkelijk behoefte aan woningen die geschikt zijn voor ouderen. Daarbij kan gedacht worden aan grondgebonden levensloopbestendige woningen (seniorenwoningen), maar ook aan gestapelde levensloopbestendige woningen (appartementen met lift). Op de korte termijn is nog sprake van behoefte aan reguliere grondgebonden woningen, zoals rijwoningen, tweekappers en vrijstaande woningen. Te meer omdat dit de gewenste doorstroom op de woningmarkt bevordert.
Deze vraag komt met name van jonge huishoudens en gezinnen, die naar verwachting tot 2030 blijven toenemen. Bovendien is ook een deel van de groeiende groep ouderen nog vitaal en wil graag in een reguliere grondgebonden woning blijven wonen. Met de realisatie van grondgebonden woningen in diverse prijsklassen voorziet het initiatief in deze behoefte. De woningbehoefte onder starters is groot. Starters hebben vaak beperkte financiële middelen. De behoefte onder starters varieert van huur- en koopwoningen in het goedkope tot middeldure segment. Een andere manier om de woningmarkt voor starters toegankelijker te maken is om de doorstroom te bevorderen. Dit betekent het toevoegen van woningen voor ouderen of gezinnen, zo- dat deze kunnen doorstromen en plek vrijmaken voor starters. Het initiatief draagt hieraan bij door vrijstaande woningen, tweekappers en rijwoningen te realiseren. De positie van middeninkomens op de woningmarkt staat landelijk onder druk, zo ook in Horst aan de Maas. Deze groep is nu veelal aangewezen op de vrije huur- sector. Om de positie van middeninkomens te verbeteren zijn veel meer betaalbare woningen nodig, zowel huur als koop.
Aan deze behoefte kan invulling worden gegeven door de toevoeging van huur en koopwoningen in het middeldure segment, hier voorziet het initiatief Beerendonckerweg in door een deel van de huur- en koopwoningen in dit segment te realiseren. De richtlijn bij nieuwbouwontwikkelingen in Horst aan de Maas is 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koopwoningen. Op basis van behoefteonderzoek (woon- enquête) en prognoses is de inschatting dat voor Beerendonckerweg het aandeel markthuurwoningen kan worden verlaagd van de in het Masterplan Wonen opgenomen 30% naar 10%. De verdeling is dan
Hoofdstuk 5
32
30/10/60. Specifiek is in de kern Broekhuizenvorst een (lichte) vraag naar alle woningtypen aangezien vrijwel alle doelgroepen een lichte groei laten zien. Daardoor ontstaat vraag naar nultredenwoningen (ouderen), maar ook reguliere grondgebonden (koop)woningen.
5.3 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.3.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Het plangebied is reeds bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’ in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Er is geen specifieke aanduiding opgenomen die erop toeziet dat de gronden binnen het plangebied gebruikt mogen worden voor woondoeleinden.
Aangezien onderhavige ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies betreffen dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. De onderzoekslocatie is gelegen in de zone met de bodemfunctieklasse Landbouw/natuur en op de ontgravingskaarten boven- en ondergrond de kwaliteitsklasse Landbouw/Natuur. Door BKK is een verkennend bodemonderzoek4 uitgevoerd. Het hele rapport is als separate bijlage aan deze toelichting toegevoegd. Hieronder volgt een samenvatting. Asbest De hypothese ‘asbestonverdacht’ wordt voor de onderzoekslocatie aanvaard. Analytisch onderzoek heeft niet plaatsgevonden aangezien er geen bodemvreemde puinbijmengingen zijn aangetroffen. De bodem kan als asbestonverdacht worden beschouwd. Bodem Boven- en ondergrond In de visueel schone boven- en ondergrond zijn enkele lichte verontreinigingen met kobalt of zink aangetoond. Indicatief getoetst aan de regeling bodemkwaliteit voldoet de boven- en ondergrond aan bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde
4
BKK Bodemadvies, Verkennend bodemonderzoek Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst, rapportnummer: 220657.BKK, d.d. 15 juni 2023.
Hoofdstuk 5
33
Conclusie In het verkennend bodemonderzoek zijn geen bodemvreemde puinbijmengen aangetroffen. Verder analytisch onderzoek is hierdoor niet nodig. De bodem wordt als asbestonverdacht beschouwd. 5.3.2 Geluid In de Wet geluidhinder wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van (spoor)wegverkeer en industriële bedrijven. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt (onder voorwaarden). Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Nabij het plangebied liggen diverse wegen met een onderzoekszone van 200 meter conform de Wgh. Ook is de planlocatie gelegen aan de Beerendonckerweg waar een maximumsnelheid geldt van 50 kilometer per uur. Derhalve zal een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd dienen te worden, waarin alle relevante omliggende wegen (incl. 30 kilometer wegen) worden meegenomen. In dit onderzoek zijn tevens de geluidseffecten van de verkeersaantrekkende werking van het nieuwe woongebied, op bestaande omliggende woningen, in beeld gebracht.
Door Econsultancy is een onderzoek wegverkeerslawaai5 uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hier wordt volstaan met een samenvatting en conclusie van het onderzoek. Maatregelenafweging Bronmaatregelen Het beperken van de rijsnelheid of de verkeersintensiteiten van de Beerendonckerweg zijn onder andere vanuit verkeerskundig oogpunt geen reële maatregelen. De Beerendonckerweg beschikt over een referentiewegdek (AC 16 surf). Met een stiller wegdektype (zoals SMANL8G+) kan een reductie van 3 dB behaald worden. Voor een efficiënte bronmaatregel dient over minimaal 40 meter lengte van de Beerendonckerweg het wegdektype te worden vervangen. De aanleg van een geluidsreducerend wegdek is vanuit civieltechnisch oogpunt (beheer, onderhoud en duurzaamheid) niet realistisch in de volgende gevallen: • Binnen 50 meter vanuit het hart van het kruispunt, bij scherpe bochten, bij bushaltes, bij rijstroken die minder dan 3,50 meter breed zijn en HOV-banen. Er treedt voor het wegdek dan groot en snel kwaliteitsverlies op. • Indien het te asfalteren wegdeel minder dan 50 meter bedraagt. Aanleg is vanwege een beperkte lengte van het geluidsreducerend wegdek vanuit beheers- en onderhoudsoverwegingen niet wenselijk.
5
Econsultancy, ‘Rapportage onderzoek wegverkeerslawaai Beerendonckerweg Broekhuizenvorst’, rapportnummer: 20103.004 D4, d.d. 18 april 2024.
Hoofdstuk 5
34
De vervanging van het wegdek over een beperkte lengte zal in verband met beheer en onderhoud op overwegende bezwaren stuiten. Overdrachtsmaatregelen Het plaatsen van een geluidsscherm of -wal is een effectief middel zijn om het geluid in de woonomgeving terug te dringen. Er is met het planvoornemen een geluidsscherm voorzien en 2 tuinschermen. Aanvraag Hogere waarden Voor twee woningen dient vanwege de overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van het gezoneerde deel van de Beerendonckerweg een hogere waarde bij het college van Burgemeester en Wethouders te worden aangevraagd. De hogere waarden worden vastgesteld voor vaststelling van het bestemmingsplan. Voor de woning genummerd 1 dient een hogere waarde van 53 dB te worden aangevraagd. Voor woning genummerd 2 dient een hogere waarde van 52 dB te worden aangevraagd. Hierbij worden door het bevoegd gezag de volgende kenmerken van het plan in overweging genomen: • bron- en overdrachtsmaatregelen zijn niet doelmatig of stuiten op overwegende bezwaren; • de berekende geluidsbelastingen zijn lager dan de maximaal te ontheffen waarde; • op de zij- en achtergevels van de woningen is sprake van een geluidsluwe gevel; • middels een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevels wordt het vereiste binnenniveau conform het Bouwbesluit 2012 gewaarborgd.
Figuur 1 Woningen voor hogere waarden
Cumulatieve geluidsbelasting Bij een relevante blootstelling door meerdere geluidsbronnen dient onderzoek te worden gedaan naar de effecten van de samenloop van verschillende geluidsbronnen (cumulatie). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht in de gecumuleerde geluidsbelasting wenselijk. Maatgevend voor de cumulatieve geluidsbelasting is het wegverkeer over de Beerendonckerweg. De cumulatieve geluidsbelasting bedraagt ten hoogst 59 dB. De concrete toetsing is opgenomen in het rapport bij de bijlagen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de gecumuleerde geluidsbelasting beoordeeld aan de hand van de Methode Miedema. Bij het hanteren van de Methode Miedema wordt gebruik gemaakt van de Milieu Kwaliteits Maat (MKM). De MKM is geen wettelijke vastgelegde norm, maar een maat die een relatie legt over de geluidsbelasting in relatie tot de ervaren milieukwaliteit. De MKM-methode houdt geen rekening met de cumulatie van diverse geluidsbronnen.
Hoofdstuk 5
35
Voor de meeste woningen betreft de gecumuleerde geluidsbelasting lager dan 50 dB. Ter plaatse van het plangebied heerst over het algemeen dan ook een goed woon- en leefklimaat. Voor enkele woningen is de gecumuleerde geluidsbelasting hoger, waardoor sprake kan zijn van een matig/redelijke milieukwaliteit. Elke woning beschikt over een geluidsluwe gevel, waardoor altijd ruimte is om rust op te zoeken in de woning, of tuin. Aanvullend zal voldoende gevelwering gerealiseerd zodat het vereiste binnenniveau voor elke woning behaald wordt. Hierdoor wordt geconcludeerd dat sprake zal zijn van een acceptabel woon- en leefklimaat. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen. Ten westen van het plangebied loopt op een afstand van ongeveer 4.500 meter de spoorlijn Venlo – Nijmegen. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Conclusie Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege het gezoneerde deel van de Beerendonckerweg dient een hogere waarde te worden aangevraagd voor de woning genummerd 1 (53 dB) en de woning genummerd 2 (52 dB).
Voor alle woningen waarop een overschrijding plaatsvindt van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd. Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. 5.3.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm) staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof.
Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM);
Hoofdstuk 5
36
b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: > 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en > 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van maximaal 81 woningen. Hierbij wordt de bovenstaande NIBM-grens bij lange na niet overschreden. De ontwikkeling draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De grenswaarde voor fijn stof (PM2,5) is een jaargemiddelde concentratie van 25 µg/m³. Voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) geldt een jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ als grenswaarde. Volgens de CIMLK is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse 14,7 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) 8,1 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO 2) 14,7 µg/m³. Conform de landelijke normen is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³. Volgens de CIMLK is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2025
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
634
Aandeel vrachtverkeer
2,0%
NO2 in μg/m
3
0,43
PM10 in μg/m
3
0,10
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig
Hoofdstuk 5
37
Conclusie Onderhavig initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoende voor de beoogde woonfunctie. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan kortom geen belemmeringen. 5.3.4 Geurhinder Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Op 24 juli 2020 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ in werking getreden. Op 7 november 2024 is de nieuwe geurverordening ‘Verordening geurhinder en veehouderijen 2024 gemeente Horst aan de Maas’, in werking getreden. In de nieuwste geurverordening is deze locatie en situatie getoetst aan de verordening uit 2020.
Hier is voor gekozen aangezien de conclusie en de toetsing op basis van de nieuwe verordening niet is veranderd. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij de verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt: • Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units. • Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units. • Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units. • Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is. De gemeente Horst aan de Maas is echter momenteel bezig met de ontwikkeling van een geurgebiedsvisie ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4. Deze gebiedsvisie heeft niet alleen betrekking op de omgeving van het Klavertje 4, maar op het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. Deze heeft tot 7 mei 2020 ter inzage gelegen. Omdat deze gebiedsvisie en de bijbehorende kaarten een actueel inzicht geven in de huidige situatie omtrent geur, zijn deze gebruikt in de voorliggende toelichting met betrekking tot onderhavig plangebied.
Toetsing Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk.
Hoofdstuk 5
38
Door M-Tech is een geuronderzoek6 uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hier wordt volstaan met een samenvatting en conclusie van het onderzoek. Rekenresultaten en toetsing Aan de minimale afstanden volgens de Wgv wordt voldaan. De minimale afstand tot de twee dichtstbijzijnde veehouderijen bedraagt circa 880 meter, wanneer er wordt uitgegaan van de worstcase afstanden waarbij er op de randen van het bouwvlak emissie plaatsvindt. Alle rekenpunten van de beoogde projectlocatie liggen buiten deze worst-case afstandscontouren, rekening houdend met de maximale planologische mogelijkheden van de veehouderijen. De berekende voorgrondbelasting bedraagt 4,4 ouE/m3 ter plaatse van de beoogde projectlocatie (toetspunten 1-13). De berekende achtergrondbelasting bedraagt ten hoogste 9,49 ouE/m3 ter plaatse van de beoogde projectlocatie (toetspunten 1-13). De voorgrondbelasting bedraagt meer dan 50% van de achtergrondbelasting voor de toetspunten 4 tot en met 8. Daarmee is de voorgrondbelasting bepalend voor de hinder volgens de Wet geurhinder en veehouderij op deze toetspunten. Hierbij bedraagt de voorgrond belasting ten hoogste 3,6 oue/m3. Volgens de handreiking komt een voorgrondbelasting van 3 tot 4 ouE/m3 voor een concentratiegebied overeen met een geurhinderpercentage van 8-11%4 en milieukwaliteit “goed” tot “redelijk goed”.
Voor de overige toetspunten is de achtergrondbelasting maatgevend. Hierbij bedraagt de hoogste waarde 9,49 oue/m3, wat overeenkomt met een hinderpercentage van circa 12%. Hierbij is de milieukwaliteit “redelijk goed”. De voorgrond en achtergrondbelasting voldoet niet op de toetspunten ter plaatse van de projectlocatie. Maar de “Beleidsregel ruimtelijke ontwikkelingen en geurhinder, gemeente Horst aan de Maas” stelt dat wanneer de achtergrondbelasting kleiner is dan 10 ouE/m3 er voldaan wordt aan het criterium ‘goed woon- en leefklimaat’ en dat er geen belemmering is om mee te werken aan een ruimtelijk initiatief. Op alle locaties van het project is de achtergrondbelasting kleiner dan 10 oue/m3 en wordt er voldaan aan dit criteria. Wanneer de projectlocatie wordt bebouwd zal het gebied tot en met de Beerendonckerweg 8a niet meer gelden als buitengebied maar als bebouwde kom. Op de locatie van een bestaande woning aan de Beerendonckerweg 8a is een achtergrond belasting van 12,06 ouE/m3 en een voorgrondbelasting van 5,0 ouE/m3 aanwezig. Op deze locatie is de achtergrondbelasting maatgevend. Het geurhinderpercentage bedraagt circa 14% en heeft een milieukwaliteit van redelijk goed. Op de locatie van de Beerendonckerweg 2b is de achtergrondbelasting 7,69 ouE/m3 en de voorgrondbelasting 3,8 ouE/m3. Hierdoor is de achtergrondbelasting maatgevend.
Het geurhinderpercentage bedraagt 10% en de milieukwaliteit is op deze locatie “redelijk goed”. Omdat de voorgrondbelasting de geurnorm van 3 ouE/m3 overschrijdt, is het vanwege de 50% regeling voor omringende veehouderijen niet mogelijk om de geurbelasting verder toe te laten nemen. En zal er daarom altijd sprake zijn van een afwaartse beweging van de geurbelasting.
6
M-Tech, Geuronderzoek Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst, rapportnummer: Bee.Bro.23.GO BP-01 d.d. 8 maart 2024.
Hoofdstuk 5
39
De geurbelasting op de woning aan de Beerendonckerweg 8a is hoger dan de waarde voor de beoogde bouwlocatie. Hierdoor zal eventuele nieuwbouw op de beoogde bouwlocatie geen extra beperkend effect hebben op de omliggende veehouderijen (de zogenaamde omgekeerde werking). Aangezien de voorgrondbelasting op de woningen aan de Beerendonckerweg 2b en 8 al hoger is dan de norm van 3 ouE/m3 , mag de geurbelasting van de omliggende veehouderijen op basis van de 50% regeling niet toenemen. Bovenstaande betekent dat er ter plaatse van de beoogde projectlocatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor wat betreft geur en er is geen sprake van extra belemmeringen voor omliggende veehouderijbedrijven. Conclusie Vanuit het aspect geurhinder van veehouderijen zijn er hiermee geen belemmeringen voor de beoogde woningbouw. In de woningen zal sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Tevens worden veehouderijen in de omgeving niet in hun bedrijfsvoering beperkt als gevolg van de ontwikkeling. 5.3.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar.
Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied; 2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richt-
Hoofdstuk 5
40
afstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 81 woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. Toetsing Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functie binnen onderhavig plan niet zal leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. De beoogde woningen binnen het plangebied vormen geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving.
Daarnaast dient volledigheidshalve opgemerkt te worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder die wordt veroorzaakt door de nieuwe verkeersbewegingen van het planvoornemen op de omliggende reeds bestaande woningen. In paragraaf 5.2.2 heeft hieromtrent een toelichting plaatsgevonden. Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen. De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de onderstaande tabel wordt de omliggende bedrijvigheid rondom het plangebied toegelicht. Hierbij is conform het vigerend bestemmingsplan gekeken naar de maximaal toelaatbare milieucategorie (worst-case scenario). De VNG-brochure kent verschillende gebiedskwalificaties. Als de omgeving wordt aangemerkt als ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden volgens de VNG-brochure met één afstandstap worden verlaagd. Dit is het geval voor onderhavige ontwikkeling. De omgeving kent namelijk verschillende functies. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de omliggende percelen waarop bedrijvigheid mogelijk is.
Hoofdstuk 5
41
Bestemming
Maximale
Richtafstand7
Afstand tot woningen8
milieucategorie ‘Sportpark’ (voetbalclub)
3.1
50 meter
Circa 17 meter
‘Aannemersbedrijf, met werkplaats: b.o. > 1000
3.1
50 meter
Circa 0 meter
3.2
100 meter
Circa 13 meter
m2’ ‘Transportbedrijf’
‘Transportbedrijf’ 3.2 100 meter Circa 45 meter Omliggende bedrijvigheid en diens richtafstanden conform de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’
Er vallen 4 bedrijven binnen de hinderafstanden tot de ontwikkellocatie voor woningbouw: Beerendonckerweg 1c, Sportpark ’t Venneke Onderhavige inrichting valt onder de categorie ‘sportpark’ (voetbalclub). Deze heeft volgens lijst 2 -Activiteiten in de ‘VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering’ milieucategorie 3.1. De bijbehorende richtafstand voor geluid bedraagt 30 meter (50 rustige woonwijk, en 30 meter voor gemengd gebied). De beoogde woonlocatie valt binnen de richtafstand. Er is akoestisch onderzoek nodig naar het akoestisch klimaat in de beoogde woonwijk en ter voorkoming van inperking van het sportpark. Zie in dat verband het akoestisch onderzoek industrielawaai onder paragraaf 5.2.2. Beerendonckerweg 1a, Aannemersbedrijf Onderhavige inrichting valt onder de categorie ‘aannemersbedrijf, met werkplaats: b.o. > 1000 m2’. Deze heeft volgens lijst 2 -Activiteiten in de ‘VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering’ milieucategorie 3.1. De bijbehorende richtafstand voor geluid bedraagt 30 meter (50 rustige woonwijk, en 30 meter voor gemengd gebied). De beoogde woonlocatie valt binnen de richtafstand. Er is akoestisch onderzoek nodig naar het akoestisch klimaat in de beoogde woonwijk en ter voorkoming van inperking van het aannemersbedrijf. Zie in dat verband het akoestisch onderzoek industrielawaai onder paragraaf 5.2.2.
Beerendonckerweg 2e, Transportbedrijf Onderhavige inrichting valt onder de categorie ‘transportbedrijf’. Deze heeft volgens lijst 2 Activiteiten in de ‘VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering’ milieucategorie 3.2. De bijbehorende richtafstand voor geluid bedraagt 50 meter (100 rustige woonwijk, en 50 meter voor gemengd gebied). De beoogde woonlocatie valt binnen de richtafstand. Er is akoestisch onderzoek nodig naar het akoestisch klimaat in de beoogde woonwijk en ter voorkoming van inperking van het bedrijf. Zie in dat verband het akoestisch onderzoek industrielawaai onder paragraaf 5.2.2. Ooijenseweg 14-16, Transportbedrijf Onderhavige inrichting valt onder de categorie ‘transportbedrijf’. Deze heeft volgens lijst 2 Activiteiten in de ‘VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering’ milieucategorie 3.2. De bijbehorende richtafstand voor geluid bedraagt 50 meter (100 rustige woonwijk, en 50 gemengd gebied). De beoogde woonlocatie valt binnen de richtafstand. N.b. uit het eerder verschenen akoestisch onderzoek is reeds geconcludeerd dat het Bouwbedrijf en Transportbedrijf niet akoestisch relevant zijn voor de nieuwe woningbouwontwikkeling. Ook worden deze bedrijven
7 8
Gebaseerd op basis van de ligging binnen rustig buitengebied Afstand is gemeten tussen de grens van het bestemmingsvlak en de dichtstbijzijnde woonbestemming.
Hoofdstuk 5
42
niet belemmerd in hun bedrijfsvoering door de realisatie van de nieuwe woningen. Het Bouwbedrijf en Transportbedrijf (Ooijenseweg 14-16 en Beerendonckerweg 2e) worden verder niet meer in onderhavig onderzoek betrokken. Zie in dat verband het akoestisch onderzoek industrielawaai in de bijlagen. Bedrijfsgeluid Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van bedrijven of bij ontwikkelingen in de nabijheid van bedrijfspercelen dient het aspect industrielawaai betrokken te worden. Door Embridge is een onderzoek bedrijfsgeluid9 uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Uit eerder uitgevoerde geluidberekeningen is gebleken dat, zonder maatregelen, er niet overal sprake is van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. Het plaatsen van geluidschermen levert een aanzienlijke geluidreductie op. Verder zal in het bouwplan rekening gehouden gaan worden met een verhoogde gevelwering, daar waar de geluidbelasting te hoog is. Het plaatsen van een geluidscherm ter plaatse van de noordwestelijke grens van het plan levert een aanzienlijke geluidreductie ter plaatse van de nieuwe woningen. Dit scherm dient absorberend (beide zijden absorberend) uitgevoerd te worden en een hoogte van 4 meter en een lengte van 65 meter te hebben.
Verder dienen er een tweetal tuinschermen met hoogte 1,8 meter gerealiseerd te worden bij de percelen K72/K73 (lengte 34 meter) en K74 (lengte 20 meter). Bij de berekeningen in deze rapportage is rekening gehouden met het omschreven geluidschermen. NB. De geluidschermen dienen gesloten te worden uitgevoerd, beide zijden absorberend (bijv. Greenwall) en een minimale massa van 10 kg/m² te hebben. De benodigde locatie en afmeting van het geluidscherm en geluidwering van de gevels zal in het bestemmingsplan worden vastgelegd. Op deze manier maken het geluidscherm en de gevelwering deel uit van het plan. Door middel van een nader gevelweringsonderzoek kan op een later moment bepaald worden welke voorzieningen exact nodig zijn. Bij de berekeningen in deze rapportage is rekening gehouden met het omschreven geluidscherm. In onderstaande paragrafen zal per bedrijf een samenvatting van de bevindingen worden gegeven. Sportpark, Beerendonckerweg 1c Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Ruimtelijke ordening VNG Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse van enkele woningen niet aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering kan worden voldaan (avondperiode). Er wordt wel voldaan aan stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Bron en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht en zijn niet mogelijk/gewenst.
Maatregelen bij de ontvanger zijn daarentegen wel mogelijk. Een goede gevelwering zorgt voor een acceptabel woon- en verblijfklimaat binnen de woningen. De berekende waarden van het sportpark zijn gecumuleerd met de berekende waarden vanuit de overige bedrijven. Op basis van deze gecumuleerde geluidbelasting is een uitspraak gedaan over het woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste woningen en de bijbehorende benodigde gevelwering.
9
Embridge, Akoestisch onderzoek industrielawaai Beerendonckerweg, rapportnummer 20250025, d.d. 26 maart 2025
Hoofdstuk 5
43
De benodigde geluidwering zal in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. Door middel van een nader gevelweringsonderzoek kan op een later moment bepaald worden welke bouwkundige voorzieningen exact nodig zijn. De gemeente kan via stap 3 van de handreiking de overschrijdingen op de gevels toestaan, er is voldoende aangetoond hoe een acceptabel woon- en verblijfsklimaat binnen in de gewenste woningen geborgd kan worden. Activiteitenbesluit Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse van de beoogde woningen aan de grenswaarden van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan. Maximaal geluidniveau Ruimtelijke ordening VNG Ten aanzien van de piekgeluiden, kan ter plaatse van enkele woningen niet aan de richtwaarden van stappen 2 en 3 uit de VNG Handreiking in de dagperiode worden voldaan. Voor de avond- en nachtperiode wordt wel aan de richtwaarde uit stap 2 voldaan. De initiatiefnemer zal met de vereniging in gesprek gaan om zogenoemde excessen ten gevolge van fluitgeluiden zoveel als mogelijk te voorkomen (organisatorische maatregelen). De stillere scheidsrechtersfluitjes type FOX40 zullen aan de vereniging worden verstrekt. Uit paragraaf 5.1.3 blijkt verder dat door toepassing van de benodigde (aanvullende) gevelwering, voldaan kan worden aan een aanvaardbaar binnenniveau in het kader van piekgeluiden.
De gemeente kan via stap 4 van de handreiking de overschrijdingen op de gevels toestaan, er is voldoende aangetoond hoe een acceptabel woon- en verblijfsklimaat binnen in de gewenste woningen geborgd kan worden. Daarbij kan de motivatie in paragraaf 5.1.3 als input dienen. Activiteitenbesluit Ten aanzien van de maximale geluidniveaus uit het Activiteitenbesluit wordt voldaan aan de normering. Maatregelen Geadviseerd wordt om enkel fluitjes toe te staan met een gereduceerd maximaal geluidniveau (zoals het Fox40-classic fluitje, LAmax = 115 dB). Productinformatie van Fox40 is te vinden in bijlage 8. Als uitgegaan wordt van de maatregel met fluitjes met een gereduceerd maximaal geluidniveau, zijn de optredende piekgeluiden bij de woningen enkele dB’s minder hoog. Deze oplossing kan daarmee als organisatorische BBT-maatregelen worden beschouwd. Deze maatregel zal de sportvereniging niet beperken in de bedrijfsvoering. Aannemersbedrijf, Beerendonckerweg 1a Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Activiteitenbesluit/ Ruimtelijke ordening VNG Uit het onderzoek is gebleken dat ter plaatse van 2 woningen niet aan de richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarde uit het Activiteitenbesluit kan worden voldaan. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht en zijn niet mogelijk/gewenst.
Een goede gevelwering dient ervoor te zorgen dat er sprake is van een acceptabel woon- en verblijfklimaat binnen de woningen.
Hoofdstuk 5
44
Er liggen bestaande woningen op kortere afstand van het Aannemersbedrijf, dan de woningen ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling. De gemeente wordt verzocht om maatwerkvoorschriften op te nemen voor het Aannemersbedrijf. Op die manier wordt geregeld dat het plan niet voor een belemmering voor het Aannemersbedrijf kan zorgen. De berekende waarden van het bouwbedrijf zijn gecumuleerd met de berekende waarden vanuit de overige bedrijven. Op basis van deze gecumuleerde geluidbelasting is een uitspraak gedaan over het woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste woningen en de bijbehorende benodigde gevelwering. De benodigde geluidwering zal in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. Door middel van een nader gevelweringsonderzoek kan op een later moment bepaald worden welke voorzieningen exact nodig zijn. De gemeente kan via stap 3 van de VNG Handreiking de overschrijdingen op de gevels toestaan, er is voldoende aangetoond hoe een acceptabel woon- en verblijfklimaat binnen in de gewenste woningen geborgd kan worden. Maximaal geluidniveau Ruimtelijke ordening VNG Ter plaatse van diverse woningen kan niet aan de richtwaarden van stappen 2 en 3 uit de VNG Handreiking worden voldaan.
De piekgeluidbronnen, welke in de dagperiode voor overschrijdingen zorgen, betreffen het lossen van steigermateriaal op het achterterrein, deponeren metaal in afvalcontainer en wisselen containers op het voorterrein. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht en zijn niet mogelijk/gewenst. Maatregelen bij de ontvanger zijn daarentegen wel mogelijk. In de dagperiode betreft het hoge piekgeluiden ter plaatse van de begane grond. Als maatregel bij de ontvanger zouden er ‘dove gevels’ gerealiseerd kunnen worden op de locaties, waar de geluidbelasting ruim te hoog is. Dit is gezien de woningindeling (doorzon) voor de begane grond een reële optie. Een spuivoorziening zou in een andere gevel geplaatst kunnen worden. Gesteld kan worden dat door de toepassing van dove gevels of een aanvullende gevelwering die noodzakelijk is, er een acceptabel woon- en verblijfklimaat heerst binnen de gewenste woningen. Om bovenstaande redenen wordt gesteld dat de verhoogde geluidniveaus geen knelpunt vormen voor de gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Een acceptabel woon- en verblijfklimaat kan worden gegarandeerd. De gemeente kan via stap 4 van de handreiking de overschrijdingen op de gevel toestaan, er is voldoende aangetoond hoe een acceptabel woon- en verblijfklimaat geborgd kan worden.
Er blijkt dan ook dat door toepassing van de benodigde (aanvullende) gevelwering, voldaan kan worden aan een aanvaardbaar binnenniveau in het kader van piekgeluiden. De benodigde geluidwering zal in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. Door middel van een nader gevelweringsonderzoek kan op een later moment bepaald worden welke bouwkundige voorzieningen exact nodig zijn. NB. Piekgeluiden ten gevolge van laad- en losactiviteiten in de dagperiode worden uitgezonderd van toetsing in het Activiteitenbesluit. In het kader van ruimtelijke ordening wordt dit officieel wel getoetst. In de nieuwe Omgevingswet zijn er geen verplichte eisen opgenomen ten aanzien van piekgeluiden in de dagperiode. De wetgever heeft dit beoogd omdat piekgeluiden vooral een relatie hebben met slaapverstoring.
Hoofdstuk 5
45
Activiteitenbesluit Uit het onderzoek blijkt dat aan de grenswaarden ten aanzien van het maximale geluidniveaus wordt voldaan. Maatwerkvoorschriften/ Maatregelen De volgende maatwerkvoorschriften, ten aanzien van geluid, zijn noodzakelijk om het Aannemersbedrijf niet te belemmeren in de bedrijfsvoering: • Verhoogd geluidniveau LAr,LT is toegestaan ter plaatse van de nieuwe woningen 5 en 6. Deze verhoogde waarde is 51 dB(A) in de dagperiode. Bedrijfslocatie, Beerendonckerweg 2e Bij de (milieu)onderzoeken voor dit bedrijf is uitgegaan van de maximale planologische situatie modern transportbedrijf categorie 3.2. en dus niet van de feitelijke situatie. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Er kan ter plaatse van diverse woningen niet worden voldaan aan de richtwaarde van stappen 2 en 3 van de VNG Handreiking. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht en hieruit is gebleken, dat de maatregel van het scherm met afmeting 65 meter lengte en 4 meter hoogte op de noordwestelijke grens van het plangebied effectief is. Verder dienen er een tweetal tuinschermen met hoogte 1,8 meter gerealiseerd te worden bij de percelen K72/k73 (lengte 34 meter) en K74 (lengte 20 meter). Maatregelen bij de ontvanger zijn verder ook mogelijk. Een goede gevelwering zorgt voor een acceptabel woon- en verblijfklimaat binnen de gewenste woningen.
De berekende waarden van de locatie Beerendonckerweg 2e zijn gecumuleerd met de berekende waarden vanuit de overige bedrijven. Op basis van deze gecumuleerde geluidbelasting is een uitspraak gedaan over het woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste woningen en de bijbehorende benodigde gevelwering (paragraaf 6.8). De benodigde geluidwering zal in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd. Door middel van een nader gevelweringsonderzoek kan op een later moment bepaald worden welke bouwkundige voorzieningen exact nodig zijn. De gemeente kan via stap 4 van de VNG Handreiking de overschrijdingen op de gevels toestaan, er is voldoende aangetoond hoe een acceptabel woon- en verblijfklimaat binnen in de gewenste woningen geborgd kan worden. Daarbij kan de motivatie in paragraaf 5.3.2 als input dienen. Maximaal geluidniveau Er zijn overschrijdingen van de richtwaarde uit de VNG Handreiking ter plaatse van diverse woningen in de dag-, avond- en nachtperiode. De relevante geluidbronnen betreffen de pieken door vrachtwagenbewegingen. Er wordt wel voldaan aan stap 3 (70 dB(A) dagperiode, 60 dB(A) nachtperiode, exclusief piekgeluiden door aan- en afrijdend verkeer). De gemeente kan via stap 4 van de VNG Handreiking de overschrijdingen op de gevels toestaan, er is voldoende aangetoond hoe een acceptabel woon- en verblijfklimaat binnen in de gewenste woningen geborgd kan worden.
Maatwerkvoorschriften/ Maatregelen Er kunnen verruimende maatwerkvoorschriften vastgesteld worden, als zich een concreet bedrijf aandient dat zich wil vestigen op het perceel Beerendonckerweg 2e.
Hoofdstuk 5
46
Transportbedrijf, Ooijenseweg 14 Er wordt voldaan aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit en er wordt voldaan aan de richtwaarden uit stap 2 van de VNG Handreiking. Er hoeven geen maatwerkvoorschriften te worden opgesteld en er is sprake van een goed woon- en leefklimaat bij de nieuwe woningen. Conclusie Uit het onderzoek blijkt dat het hoogst optredende gecumuleerde (industrielawaai en wegverkeerslawaai) geluidniveau 61 dB(A) bedraagt. De hoogst benodigde gevelwering bedraagt dan 61 – 33 = 28 dB. De betreffende woningen dienen minimaal te voldoen aan een gevelwering van 28 dB ten gevolge van het gecumuleerde geluid. Geconcludeerd kan worden dat er, bij toepassing van de maatregel van het scherm en aanvullende gevelwering, het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw woonwijk voor een gedeelte sprake is van kwaliteit ‘matig’, voor een gedeelte ‘redelijk’ en voor het grootste deel van kwaliteit ‘goed’. 5.3.6 Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen.
Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant).
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.
Hoofdstuk 5
47
Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de orientatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan.
(Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 10. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 81 woningen. Derhalve voorziet onderhavig plan in de realisatie van kwetsbare objecten. Er dient zodoende een toetsing aan het aspect externe veiligheid plaats te vinden. Toetsing Er is door BRO een quickscan externe veiligheid 11 uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Hier wordt volstaan met een samenvatting en conclusie van het onderzoek. Om de mogelijke risicobronnen in kaart te brengen is gebruik gemaakt van de Risicokaart Nederland. Hieruit blijkt dat géén mogelijke risicobronnen in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn (zie hiertoe onderstaande afbeelding). Het plangebied is gelegen op circa 985 meter van de vaarweg. Deze vaarweg heeft een gifwolkaandachtsgebied, brandaandachtsgebied en explosieaandachtgebied welke buiten het plangebied liggen.
10 11
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen BRO, ‘Quickscan externe veiligheid Beerendonckerweg Broekhuizenvorst, rapportnr.: P06414, d.d. 31 maart 2025.
Hoofdstuk 5
48
Uitsnede risicokaart plangebied blauw omlijnd
Risicovolle inrichtingen Krienestraat 7 Swolgen Op het perceel aan de Krienestraat 7 te Swolgen is een propaantank gelegen met een PR10-6 risicocontour van 25 meter. Het perceel aan de Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst is op een afstand van circa 960 meter van de propaantank gelegen. De propaantank vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief. Blitterswijckseweg 1 Broekhuizenvorst Ten noorden van het plangebied, aan de Blitterswijkseweg 1 te Broekuizen ligt op een afstand van ca. 1,2 km een koelinstallatie met ammoniak. Deze afstand is ca. 995 meter. Het plangebied valt door deze verkleining van de afstand nog steeds buiten de PR 10-6 contour van deze installatie waardoor deze geen belemmering vormt voor het initiatief. Transport Maas De ontwikkellocatie valt binnen het invloedsgebied van de Maascorridor waardoor de toelichting op grond van artikel 7 BEVT inzicht dient te worden gegeven op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet.
Hoofdstuk 5
49
Stofcategorie
Invloedsgebied (m)
LF1 LF2 GF3 GT3
35 35 90 1070
Aantal transporten per jaar 803 2710 289 258
Het projectgebied is gelegen in het invloedsgebied van stofcategorie GT3. Er is derhalve een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. De ontwikkellocatie valt niet binnen de vrijwaringszone van 200 meter waarop op grond van artikel 8 BEVT geen volledige verantwoording van het groepsrisico hoeft plaats te vinden. Het risicobepalende scenario is het vrijkomen van een toxische wolk. Op grond van artikel 9 van het BEVT dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan of omgevingsvergunning door het BG advies gevraagd te worden aan het bestuur van de veiligheidsregio Limburg-Noord. Dit is niet het geval wanneer het standaardadvies van de veiligheidsregio Limburg-Noord wordt overgenomen, zoals in onderhavige memo het geval is. Voor ontwikkelingen op deze afstand en bij uitsluitend een giftige wolkscenario maakt de veiligheidsregio Limburg-Noord gebruik van een standaard advies over de gevolgen van een giftige wolk. Het standaardadvies is uniform toepasbaar op alle situaties die binnen de criteria van het standaardadvies toxisch liggen. Door het advies als basis te gebruiken bij de wettelijk verplichte verantwoording van het groepsrisico, is de weging van de zelfredzaamheid van de aanwezige personen bij de ontwikkeling geborgd. Het doel van de te nemen maatregelen is het bieden van voldoende bescherming aan mensen binnenshuis.
Bij dit project is alleen sprake van een toxisch scenario en daarmee valt het onder de criteria voor het toepassen van het standaardadvies. Onderstaand is het standaardadvies weergegeven en dit advies wordt onderschreven. Het advies voor de initiatiefnemer is: Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst. Het advies naar de gebruikers van de gebouwen is: Maak de gebruikers bewust van de risico’s en het handelingsperspectief: binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten. Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden. Neem het toxisch scenario en handelwijze op in het bedrijfsnoodplan.
Hoofdstuk 5
50
N271 Het projectgebied is op een afstand van circa 1,4 km ten westen van de provinciale weg N271 gelegen. Deze route is geen onderdeel van het Basisnet weg, maar wordt wel gebruikt voor transporten met gevaarlijke stoffen. De PR 10-6 ligt op 0 m van de weg. De overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde van het GR is kleiner dan 0,1 maal de oriënterende waarde. De ligging ten opzichte van de N271 vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Buisleidingen Er zijn in de directe omgeving geen buisleidingen gelegen. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op een afstand van ruim 2,5 km. Dit betreft een defensie pijpleiding. Gelet op de afstand vormt deze leiding geen belemmering voor het planvoornemen. In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Beperkte verantwoording groepsrisico Aspect
Verantwoording
De mogelijkheden ter voorbereiding
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg
van bestrijding en beperking van de
van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij
omvang van een ramp of zwaar on-
de bron. De brandweer kan door middel van waterscherm verspreiding van
geval.
een gifwolk vertragen. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.
De mogelijkheden voor personen
Door een ongeval met een tankwagen op de rijksweg kunnen giftige gas-
om zich in veiligheid te brengen in-
sen vrijkomen. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen.
dien zich op de weg een ramp voor-
Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kun-
doet (zelfredzaamheid).
nen hoge concentraties optreden. Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken.
Conclusie Het projectgebied gelegen in het invloedsgebied van de Maascorridor. Er is derhalve een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Voor het overige is het gebied niet gelegen in het invloedsgebied van transportroutes, buisleidingen of inrichtingen.