03c Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld
Bestemmingsplan ‘Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld
Rapportnummer:
P05899
Idn nr.
NL.IMRO.1507.BPBEERENDONCKERWEG-BPV2
Datum vaststelling:
september 2025
Datum vaststelling herstelbesluit:
maart 2026
Opdrachtgever:
Gemeente Horst aan de Maas
Projectteam BRO:
DEe, JEn
Trefwoorden:
Woningbouw, Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst, gemeente Horst aan de Maas
Bron foto kaft:
Hollandse Hoogte 3
Beknopte inhoud:
Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van maximaal 81 woningen aan de Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst (gemeente Horst aan de Maas).
Movares Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 info.bro@movares.nl
TOELICHTING
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
4 4 5 6 7
2.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur 2.3 Relatie beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan en stedenbouwkundig ontwerp 2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie
8 8 9 9 10
2.4.1 Historische ontwikkeling 2.4.2 Cultuurhistorie
10 11
3.
Planbeschrijving 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 3.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten
12 12 13
4.
BELEID 4.1 Inleiding 4.2 (Europees) en Rijksbeleid
15 15 15
4.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 4.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 4.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 4.2.4 Wet milieubeheer 4.3 Provinciaal beleid
15 16 17 17 18
4.3.1 Provinciale omgevingsvisie 2021 4.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 4.4 Regionaal beleid 4.5 Gemeentelijk beleid
18 20 21 23
4.5.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 4.5.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 - 2025 4.5.3 Welstandsnota 4.5.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 4.6 Conclusie
23 27 28 29 30
SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 5.3 Milieuaspecten
31 31 31 33
5.
5.3.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit
Inhoudsopgave
33
1
5.3.2 Geluid 5.3.3 Luchtkwaliteit 5.3.4 Geurhinder 5.3.5 Bedrijven en milieuzonering 5.3.6 Externe veiligheid 5.4 Waterparagraaf
34 36 38 40 47 52
5.4.1 Beschrijving van waterrelevant beleid 5.4.2 Kenmerken plangebied 5.4.3 Wateradvies 5.5 Kabels en leidingen 5.6 Ecologie 5.7 Archeologie en cultuurhistorie 5.8 Verkeer en parkeren 5.9 Duurzaamheid 5.10 Gezondheid
52 53 56 58 58 62 64 66 67
5.10.1 Endotoxinen 5.10.2 Geitenhouderij 5.10.3 Spuitzones 5.11 Niet gesprongen explosieven 5.12 Milieueffectrapportage
67 68 68 69 69
6.
UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
74 74 74 75
7.
JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels
77 77 77 77
7.3.1 Algemeen 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels
77 78
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stedenbouwkundig ontwerp Bijlage 2: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 3: Ladderonderbouwing Bijlage 4: Verkennend bodem- en infiltratieonderzoek Bijlage 5: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6: Akoestisch onderzoek industrielawaai Bijlage 7: Geuronderzoek Bijlage 8: Quickscan externe veiligheid Bijlage 9: Waterparagraaf - Berekening riolering Bijlage 10: Quickscan flora en fauna Bijlage 11: Stikstofdepositieberekening Bijlage 12: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek
Inhoudsopgave
2
Bijlage 13: Vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten Bijlage 14: Memo Bronsgroene Landschapscompensatie Bijlage 15: Natuurinclusieve maatregelen Bijlage 16: Participatieverslag Broekhuizenvorst Bijlage 17: Plan van aanpak ecologie Bijlage 18: Ecologisch werkprotocol Bijlage 19: Ecologische beoordeling
Inhoudsopgave
3
1.
INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Initiatiefnemer is voornemens om een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken aan de Beerendonckerweg te Broekhuizenvorst (gemeente Horst aan de Maas). Het plangebied is hierbij gelegen aan de westzijde van de kern Broekhuizenvorst. Het beoogde woningbouwplan omvat maximaal 81 woonkavels alsmede de realisatie van verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, openbaar groen en ruimte voor hemelwaterinfiltratie. Het sluit direct aan op het bestaand woongebied (zijnde de kern Broekhuizenvorst). De beoogde woningbouwontwikkeling zal gefaseerd uitgevoerd worden, echter wordt er wel voor gekozen de bebouwingmogelijkheden en het functioneel gebruik van de gronden al voor het gehele plangebied juridisch-planologisch te verankeren.
Uitsnede topografische kaart globale ligging aangegeven met rode pijl
Het gehele plangebied valt onder de werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ en de daarop volgende partiële herziening uit 2020. Het gehele plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. De beoogde woningbouwontwikkeling, alsmede de diverse infrastructurele voorzieningen zijn op basis van het vigerend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied niet toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk (conform artikel 3.1 Wro).
Hoofdstuk 1
4
Na vaststelling van het bestemmingplan is een omissie geconstateerd, waarbij een onjuiste bijlage bij de regels gevoegd is. Met een herstelbesluit is deze omissie hersteld. Voor het overige is het bestemmingsplan ongewijzigd gebleven.
1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de westzijde van de kern Broekhuizenvorst en ligt daarmee in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. De locatie grenst echter aan de zuidzijde wel direct aan de kernrand van Broekhuizenvorst. Ten westen van het plangebied grenst het plangebied direct aan het bedrijfsperceel van een transportbedrijf en agrarische gronden. Op circa 760 meter ten oosten van het plangebied is de Maas gelegen. Onderhavig plangebied omvat het perceel, kadastraal bekend als Broekhuizenvorst, sectie E, nr. 735. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 27.490 m2.
Uitsnede kadastrale ondergrond met aanduiding plangebied rood omlijnd
Hoofdstuk 1
5
1.3 Vigerend bestemmingsplan Het gehele plangebied valt onder de werking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ en de daarop volgende partiële herziening uit 2020 (Bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas, herziening 2020). Het gehele plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn in hoofzaak bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik. Het beoogde gebruik van de gronden binnen het plangebied voor woondoeleinden, alsmede de realisatie van diverse infrastructurele ontwikkelingen (en ondergeschikte functies), is derhalve niet rechtstreeks toegestaan.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas' plangebied rood omlijnd
Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waarde – Archeologie 4’, ‘Waterstaat – waterbergend rivierbed’en ‘Waarde – Zone Bronsgroene landschapszone’ aanwezig binnen het plangebied. Ten aanzien van de doorwerking van de archeologische bestemmingen vindt een afweging plaats in paragraaf 5.6. Tot slot gelden de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ en ‘overige zone – rivierdal’ ter plaatse van het gehele plangebied. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied Venloschol' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming van de kwaliteit van het grondwater ten behoeve van de winning van (drink)water. In paragraaf 3.3.2. vindt een afweging plaats ten aanzien van de ligging binnen de Venloschol. Ter plaatse van de aanduidingen ‘overige zone – rivierdal zijn de gronden tevens bestemd voor het behoud, de bescherming, de ontwikkeling en/of het herstel
Hoofdstuk 1
6
van de desbetreffende cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden welke zijn opgenomen in de planregels van het voorliggende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen, waarmee de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk kunnen worden gemaakt. Derhalve is het besluit genomen om het voorliggende nieuwe bestemmingsplan op te stellen.
1.4 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In het volgende hoofdstuk vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie en wordt tevens ingegaan op het wettelijke onderzoekskader. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de gewenste ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de wijze van bestemmen opgenomen.
Hoofdstuk 1
7
2.
BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit een akkerbouwperceel (grasland). Er zijn geen houtopstanden of gebouwen aanwezig binnen het plangebied. Ten noorden grenst het plangebied aan het bedrijfsperceel van een transportbedrijf en een agrarisch perceel. Aan de westzijde grenst de planlocatie aan de Beerendonckerweg die aansluit op de zuidelijk gelegen Swolgenseweg. Aan de andere zijde van de Beerendonckerweg is het sportpark gelegen van de voetbalclub van Broekhuizenvorst. Zuidelijk daarvan liggen een tweetal bedrijfspercelen (aannemersbedrijf) met bijbehorende bedrijfswoningen. Ten zuiden en zuidoosten grenst het plangebied aan de achtertuinen van diverse bestaande woonpercelen die gelegen zijn binnen de kern Broekhuizenvorst en onderdeel uitmaken van het vigerend bestemmingsplan ‘Maaskernen’. Noordoostelijk wordt een nieuwe ontsluiting gerealiseerd richting de Ooijenseweg. Deze ontsluiting is opgenomen in het plangebied van dit bestemmingsplan.
Uitsnede luchtfoto met kadastrale ondergrond en ligging plangebied (rood omlijnd)
Hoofdstuk 2
8
2.2 Functionele structuur De kern Broekhuizenvorst bestaat grotendeels uit woongebieden. Onderhavig plangebied grenst in zuidelijke richting direct aan de kern Broekhuizenvorst. Meer specifiek is onderhavig plangebied gelegen aan de kernrand en ten noorden van het plangebied bevindt zich het landelijk gebied van de gemeente Horst aan de Maas. In het buitengebied rond de kern zijn voornamelijk agrarische bedrijven en landbouwgronden gelegen. Aan de zuid en zuidoostzijde grenst het plangebied direct aan de grens van de bebouwde kom. Direct ten westen van het plangebied is de Beerendonckerweg gelegen.
Aanzicht plangebied vanuit de Beerendonckerweg (bron: GoogleStreetview 2019)
2.3 Relatie beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan en stedenbouwkundig ontwerp Het bestemmingsplan vormt een juridische verankering van het stedenbouwkundig ontwerp inclusief een toelichting op de planvorming. Het stedenbouwkundig ontwerp is het gewenste eindbeeld voor de ontwikkeling. Naast het bestemmingsplan, waarin het stedenbouwkundig ontwerp (Bijlage 1) is opgenomen, is een beeldkwaliteitsplan (Bijlage 2) opgesteld1, dat door de gemeenteraad gelijktijdig met het bestemmingsplan zal worden vastgesteld en is verankerd in de planregels. Dat document zal fungeren als welstandstoetsingskader voor de vergunningsaanvragen voor deze locatie. Voor de woningen en de openbare ruimte zijn hierin regels opgenomen om het gewenste eindbeeld te realiseren.
1
MTD Landschapsarchitecten – HVG Real Estate, Broekhuizenvorrst Beerendonckerweg Beeldkwaliteitsplan, nr. 3581.01, d.d. oktober 2023
Hoofdstuk 2
9
2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie 2.4.1 Historische ontwikkeling Broekhuizenvorst is een dorp in de Limburgse gemeente Horst aan de Maas. Het heeft ongeveer 1.100 inwoners en een oppervlakte van 5,83 km2. Het dorp ligt ongeveer 14 kilometer ten noorden van Venlo, aan de rivier de Maas. Broekhuizenvorst is een van de oudste Maasdorpen. De bewoning van Broekhuizenvorst gaat terug tot de Romeinse tijd. De huidige Swolgenseweg is een weg, die reeds in de Romeinse tijd bestond. Deze weg vormde een belangrijk lijnelement direct aangrenzend aan het plangebied. Broekhuizenvorst was een Romeinse (militaire) post aan de weg Maastricht - Heel - Kessel Blerick - Cuijk - Nijmegen. Het dorp Broekhuizenvorst bestond vroeger uit een marktplein met daaromheen wat huizen, de kerk en enkele boerderijen. De voormalige gemeente Broekhuizen, kleinste Limburgse gemeente op dat moment, is in 2001 opgeheven. Het bestond toen uit twee kernen: Broekhuizen (circa 744 inwoners), Broekhuizenvorst (circa 1053 inwoners) en twee gehuchten: Stokt en Ooijen. Het gemeentehuis stond in Broekhuizenvorst. In 2001 is de gemeente Broekhuizen opgegaan in de gemeente Horst aan de Maas. Uit historisch kaartmateriaal (bron: topotijdreis.nl) blijkt dat onderhavig plangebied al vanaf omstreeks 1850 in gebruik is als agrarische grond zonder bebouwing.
In deze kaart is te zien dat er een overgang van hoog naar laag plaatsvindt. Dit is waarschijnlijk een overblijfsel van een vlechtend riviersysteem uit de voorlaatste ijstijd. Ook uit het kaartmateriaal uit 1900 en 1950 blijkt dat het plangebied een agrarisch grondgebruik heeft gehad. Dit grondgebruik is tot op heden ongewijzigd gebleven. Sinds 1987 is ook een gedeelte van het woongebied ten zuiden van het plangebied ontwikkeld. Aangezien de kern van Broekhuizenvorst op hetzelfde hogere gedeelte ligt als de ontsluitingswegen op de juiste hogere en lagere gronden, is dit een logische plaats voor dorpsuitbreiding.
Hoofdstuk 2
10
Uitsneden topografische kaarten jaartallen 1850 (linksboven), 1900 (rechtsboven), 1950 (linksonder) en 2021 (rechtsonder)
2.4.2 Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn, mede op basis van de kaarten van de provincie Limburg en de Atlas van de Leefomgeving geen monumenten of aangewezen karakteristieke c.q. beeldbepalende elementen aanwezig. Met de planontwikkeling wordt het lijnelement van de Swolgenseweg niet aangetast, deze weg grenst aan het plangebied en heeft derhalve geen direct effect op de planontwikkeling. Cultuurhistorische waarden worden door het initiatief dan ook niet aangetast. Een verder afweging vindt plaats in paragraaf 5.6.
Hoofdstuk 2
11
3.
PLANBESCHRIJVING 3.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Onderhavig bestemmingsplan maakt maximaal 81 woningen mogelijk. Het betreft hierbij de realisatie van verschillende type woningen bestaande uit een mix van vrijstaand, tweekappers en rijwoningen. Op 2 locaties is het mogelijk om, in plaats van twee-aaneen en aaneengebouwde woningen, vrijstaande woningen of gestapelde bebouwing te realiseren. Deze appartementen hebben de uitstraling van een twee-onder-een-kapper. Het programma ziet verder op 30% sociale huur, 10% vrije sector huur en 60% koopwoningen. Een deel van de woningen wordt levensloopbestendig, dan wel optioneel levensloopbestendig uitgevoerd. Het stedenbouwkundig plan is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd.
Uitsnede stedenbouwkundig schetsontwerp (bron: aangeleverd door opdrachtgever)
Hoofdstuk 3
12
Het ontwerp houdt de tweeledigheid in sfeer aan, te weten een dorpsbos met erven en een lint met natuurlijke laagte. Beide erven worden omzoomt door groen, in de vorm van een dorpsbosje. Voorwaarde is dat de erven een alzijdig karakter hebben, met een gezicht richting het groen. Een van de erven leent zich voor CPO en zelfbouwkavels. Via twee inprikkers worden de erven ontsloten en kunnen bezoekers en bewoners parkeren op de achter terreinen/erven. Het centrale lint blijft hierbij grotendeels vrij van parkerende auto’s. Het lint takt aan op de Beerendonckerweg (westzijde) en de Ooijnseweg (oostzijde). De grillige randen van het plangebied worden benut als parkeerkoffers (gegroepeerde plaats voor parkeerplaatsen om ruimte te besparen). Het micro reliëf binnen het plangebied wordt aangegrepen om twee sferen in hoogte en bijbehorende beplantingen te realiseren. De laagte wordt extra aangezet. Vrijkomende gronden kunnen worden gebruikt om beide erven in het dorpsbosje op te hogen. Dit zorgt ook voor een gesloten grondbalans en een laagte met genoeg ruimte voor waterinfiltratie en bergend vermogen. Het bebouwde beeld laat zich inspireren door een dorps beeld van een lage goot en langskappen. Dit beeld zien we ook grotendeels terug in de Maasdorpen.
Verbijzonderingen in het dakvlak en de goothoogte kunnen incidenteel gerealiseerd worden om een aangename en verassende afwisseling in het bebouwde beeld te realiseren. Het kappenplan wordt gedomineerd door langskappen met her en der een uitzondering. De maximale nokhoogte binnen de ontwikkeling is gesteld op 10 meter. Ongeacht typologie (vrijstaande woningen of twee-onder-een-kapwoningen en rijwoningen) ontstaat er de mogelijkheid tot het toepassen van steile kappen. De goothoogte is hierbij flexibel maar overwegend laag. Op deze wijze ontstaat een dorpse maat en schaal. Hierop zijn enkele uitzonderingen om incidenteel een ander (straat)beeld te bewerkstelligen. Voor de vrijstaande woningen geld een maximale goothoogte van 3 meter. Voor de rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen geldt een variabele goothoogte tussen de 3 en 6 meter. De ontsluiting vindt plaats via de Beerendonckerweg aan de westzijde van het plangebied. In de toekomst is een ontsluiting voorzien op de Ooijensweg aan de oostzijde. Deze nieuw aan te leggen ontsluiting is opgenomen in het onderhavige plangebied.
3.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 81 woningen mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging aangrenzend aan de kern Broekhuizenvorst. Verder sluit de bebouwing qua hoogte en opbouw in grote mate aan bij de omliggende stedenbouwkundige structuur. Wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt aansluiting gezocht bij recente bestemmingsplannen voor woningbouw op uitbreidingslocatie in gemeente Horst aan de Maas. De nieuwe bebouwing zal hierdoor qua situering en maatvoering aansluiten bij de omliggende woningen. Middels onderhavig plan wordt kwalitatief hoogwaardige bebouwing ter plaatse van het plangebied gerealiseerd. Dit heeft een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De nieuwbouw is van hoge kwaliteit en zorgt ervoor dat de indeling van het plangebied een samenhangend stedenbouwkundig geheel vormt en goed is ingepast in zijn omgeving. Hierbij is rekening gehouden met de omliggende functies en de functies van de aangrenzende gronden. Daarnaast is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan getoetst zal worden.
Hoofdstuk 3
13
Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.
Hoofdstuk 3
14
4.
BELEID 4.1 Inleiding In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.2, § 3.3, § 3.4 en § 3.5). Bij het rijksbeleid wordt onder andere ingegaan op de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van de Provinciale Omgevingsvisie 2021 (POVI), een overkoepelend beleidsstuk. In het kader van het regionaal beleid wordt onder andere ingegaan op de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt ingegaan op diverse relevante gemeentelijke beleidsstukken, waaronder de Structuurvisie Horst aan de Maas. Onderhavig planvoornemen valt op basis van het overgangsrecht nog onder de Wro. Derhalve wordt er in onderhavig hoofdstuk nog gebruik gemaakt van het beleid onder de Wro. Bij een vergunningsaanvraag op basis van onderhavig bestemmingsplan zal er wel gebruik worden gemaakt van de regelgeving en het beleid onder de Omgevingswet.
4.2 (Europees) en Rijksbeleid 4.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Hoofdstuk 4
15
Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12.
Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaat-bestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agro-productie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (in-ter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief zijn geen nationale belangen in het spel. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 4.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.
Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.
Hoofdstuk 4
16
Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken, veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door. In het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het plan is dan ook in lijn met het Barro. 4.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.
Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. Afweging Aangezien onderhavig bestemmingsplan geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt de ligging binnen het radarverstoringsgebied geen belemmering. 4.2.4 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.
In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de
Hoofdstuk 4
17
EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.7.
4.3 Provinciaal beleid 4.3.1 Provinciale omgevingsvisie 2021 Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast is reeds een omgevingsverordening vastgesteld op 17 december 2021 om het beleid juridisch te verankeren. Deze wordt verder behandeld onder paragraaf 3.3.3. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.
Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: • Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied; • Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie); • Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst.
Hoofdstuk 4
18
Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: • Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; • Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn.
De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de Ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf.
Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit.
Hoofdstuk 4
19
Transformatie woningvoorraad Noord-Limburg In de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 wordt nadrukkelijk de verbinding gelegd tussen de (toekomstige) bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad. Uit de regionale analyse die inzicht geeft in de sterke en zwakke segmenten van de woningvoorraad blijkt dat de aandacht met name moet uitgaan naar de bestaande voorraad. De transformatie van de bestaande woningvoorraad naar meer toekomstbestendige woonvormen en woningen speelt ook in Noord-Limburg. Hierbij is speciale aandacht nodig voor het toenemend aantal ouderen, bijzondere doelgroepen (waaronder woonurgenten en internationale werknemers), verduurzaming en de beschikbaarheid van betaalbare woningen. Daarnaast wordt primair gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkt voor uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. Uitbreiding via uitleggebieden vindt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen plaats, met als uitgangspunt dat de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte leidend is. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen.
Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.4 en 3.5). Onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 81 woningen op gronden die direct grenzen aan de kern Broekhuizenvorst. Hiermee worden kwalitatief hoogwaardige woningen toegevoegd aan de huidige woningvoorraad (in diverse woningbouwsegmenten), waardoor wordt bijgedragen aan de noodzakelijke transformatie van de woningmarkt. Daarnaast voldoet onderhavig plan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 4.2.4.) en is de ontwikkeling in lijn met de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 20202024’ en het gemeentelijk ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Provinciale omgevingsvisie’. 4.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld.
Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. De heeft plaatsgevonden op 1 januari 2024, gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnor-men voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het plangebied gedeeltelijk binnen het gebied ‘Buitengebied’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme,
Hoofdstuk 4
20
werklocaties, verstedelijking en wonen. Tevens ligt een gedeelte van het plangebied binnen het gebied ‘Groenblauwe mantel’. Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevings-plan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. In dit bestemmingsplan is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels.
Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. Ook is de ontwikkeling in lijn met de Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024 welke wordt behandeld onder paragraaf 3.4. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen.
4.4 Regionaal beleid In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten: • Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; • Gekeken dient te worden naar koppelkansen; • Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; • Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; • De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; • Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen.
Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:
Hoofdstuk 4
21
• •
• •
Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.
Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. In het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad.
Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn: • De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen; • Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de
Hoofdstuk 4
22
Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)
gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang. Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal 81 woningen mogelijk gemaakt op een uitbreidingslocatie net buiten de kern van Broekhuizenvorst. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 81 woningen op een uitbreidingslocatie net buiten de kern van Broekhuizenvorst, de woningen zijn een mix van diverse soorten woningen. De realisatie van de beoogde woningen zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5 Gemeentelijk beleid 4.5.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig: • De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn;
Hoofdstuk 4
23
• •
De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden; De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld.
De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst.
Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. In de structuurvisie zijn 19 projecten ter verbetering van omgevingskwaliteit benoemd. Geen van deze projecten is gepland in of in de directe omgeving van het plangebied. Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied.
Afweging De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM 'doorvertaald' naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen.
Hoofdstuk 4
24
Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a.
in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: a. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; b. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; c. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; d.
De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Op de volgende pagina is een kaart weergegeven uit de structuurvisie. Op deze kaart is te zien binnen welk gebied het plangebied is gelegen. In de afbeelding is te zien dat het plangebied is gelegen binnen deelgebied 5A ‘Agrarisch gebied rondom Meerlo’. Voor projectmatige woningbouw in uitleggebieden geldt hiervoor een meedenkende grondhouding (ja, mits). Dit dient echter wel zoveel mogelijk aansluitend op bestaande dorpen plaats te vinden. Gezien de ligging van onderhavig plangebied (direct grenzend aan de kern Broekhuizenvorst) is dit het geval
Hoofdstuk 4
25
Uitsnede kaart 'Gebiedsindeling Gemeentelijk Kwaliteitsmenu' uit de Structuurvisie Horst aan de Maas met aanduiding globale ligging plangebied (rode pijl)
Dit betekent dat volgens de structuurvisie en het Gemeentelijk kwaliteitsmenu daarin, sprake dient te zijn van een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied ten behoeve van de realisering van groen, natuur, landschap en herstel landschappelijke cultuurhistorie. Vanwege de ligging binnen gebied met een meedenkende grondhouding dient dit bedrag te worden vermenigvuldigd met een factor 1,2. Dit betekent een kwaliteitsbijdrage van € 6,- per m² plangebied voor rekening van de initiatiefnemer. Evaluatie structuurvisie Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014 – juli 2015 en heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. De module 'Projectmatige woningbouw' is daarbij gewijzigd in de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' De module ‘projectmatige woningbouw’ is enkel van toepassing in exploitatiegebieden. De exploitatiegebieden zijn opgenomen in het woningbouwprogramma ‘Woningbouw Horst aan de Maas 2014-2024’. Het woningbouwprogramma is gebaseerd op bevolkingsonderzoek en voorziet in de woningbehoefte tot 2024. Naast uitbreidingsplannen zijn ook de herontwikkelingslocaties opgenomen in het woningbouwprogramma. In de structuurvisie is een overzicht opgenomen van de exploitatiegebieden.
Wanneer een nieuw woningbouwprogramma vastgesteld wordt, zal ook deze lijst aangepast worden.
Hoofdstuk 4
26
Afweging Het uitbreidingsgebied is gelegen binnen gebied waarvoor een meedenkende grondhouding (ja, mits) geldt volgens de structuurvisie. Met het planvoornemen wordt er in de exploitatie van het plan rekening gehouden met de vereiste kwaliteitsbijdrage van € 6,- per m² plangebied. Dit wordt geborgd in de anterieure overeenkomst. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie. 4.5.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 - 2025 Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2021-2025, dat in april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De hoofdopgaves voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, betreft vooral een nieuwbouwopgave met als hoofddoelen: 1. t/m 2025 1.000 woningen vergunnen; 2. Bouwen naar behoeften. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2021-2025): • Kaders als basis voor mogelijkheden; Door verwachtingen en eisen aan de voorkant helder te hebben, weten ontwikkelaars, corporaties en inwoners waar ze aan toe zijn. Dit zorgt voor enthousiasme, een gedeelde visie en een snellere doorloop. • Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang; We kennen de woonvragen en -behoeften van onze inwoners: nu, morgen en volgend jaar – op zowel gemeenteniveau als in de individuele kernen.
We weten op elk moment in het jaar of we nog op koers liggen. • Maatwerk per kern; Elke kern heeft zijn eigen karakter. Die eigenheid moet doorklinken in de woningopgave en de invulling ervan. • Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen; Partijen die onze gemeente goed kennen, zich vereenzelvigen met onze ambitie en hier ook aantoonbaar naar handelen, hebben een streepje voor. Zij krijgen de ruimte en het vertrouwen om samen met ons Horst aan de Maas aantrekkelijker te maken. • Minder regels, snelle doorloop van processen; Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. We verminderen de regeldruk waar mogelijk, organiseren parallelle processen en houden initiatiefnemers aangehaakt. • Participatie & communicatie; Inwoners voelen zich gehoord, betrokken bij de ambitie en zijn trots. Dat dragen ze ook uit. Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.375. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor ruimtelijke plannen dienen volgende uitgangspunten daarbij in acht te worden genomen.
• Het plan voorziet, kwalitatief en kwantitatief, in de behoefte van inwoners. Dit betekent concreet dat: o De type woningen en bijbehorende aantallen aansluiten bij de opgave zoals omschreven in dit Masterplan én bij de lokale wensen en behoeften van inwoners (zie ook ‘maatwerk per kern’).
Hoofdstuk 4
27
Ontwikkelaars/corporaties met inwoners en samen met de gemeentegesprekken hebben gevoerd en de lokale woonwensen als uitgangspunt hebben genomen. Een programma met 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop waarbij maatwerk mogelijk is bij kleine locaties of een aangetoonde andere behoefte aan sociale huur. Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten wateroverlast en hittestress ontstaan. Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk, uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet onze voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan. Kwalitatief goede, tijdelijke woonconcepten worden omarmd. Deze wordt, indien geschikt, ingezet om snel voor extra aanbod te zorgen. In het plan is goed nagedacht over de kwaliteit van de woonomgeving. Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas), bestemmingsplannen, stedenbouwkundige visies, het bouwbesluit en financiële haalbaarheid. o
• • • •
• • •
Nieuwbouwplannen worden getoetst op basis van bovenstaand afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op medewerking van de gemeente. Anders dan voorheen is dit afwegingskader geen ‘toets achter de schermen’, maar een vrij beschikbaar en inspirerend document, dat gemeente, corporaties en ontwikkelaars motiveert om al in de eerste, prille fase van conceptontwikkeling de juiste keuzes te maken. De woningbouwambitie is gebaseerd op de woningmarkt anno nu (vraag en aanbod), gecombineerd met prognoses (CBS, Stec) en signalen uit de markt. Afweging De onderhavige ontwikkeling vindt plaats op een locatie die in het woningbouwprogramma reeds is voorzien als locatie voor woningbouw. Gezien de beoogde woningbouwsegmenten en het aantal woningen voldoet onderhavig plan aan het gemeentelijk woningbouwkader, zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. Hierdoor is sprake van een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie. Vanuit het Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen. Het planvoornemen draagt juist bij aan de gestelde opgave om de bouw van 1.000 woningen te vergunnen tot en met 2025.
Er wordt met het planvoornemen een verdeling van 30% sociale huur, 10% vrijesector huur en 60% koop in diverse prijscategorieën mogelijk gemaakt. 4.5.3 Welstandsnota De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor reguliere woongebieden geldt het niveau ‘normaal’ en aangezien binnen het plangebied sprake zal zijn van een regulier woongebied, zal hiervoor het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden.
Hoofdstuk 4
28
Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. Afweging Het beeldkwaliteitsplan (BKP) voor deze ontwikkeling wordt vastgesteld als onderdeel van het welstandsbeleid en dat concrete bouwplannen worden daarmee getoetst aan het BKP. 4.5.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op 31 januari 2020 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Horst aan de Maas’ ter inzage gelegd, waarin de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas is opgenomen als Bijlage 1. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie).
In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Vandaar dat gekozen is voor één categorie ‘wonen’. Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden in totaliteit maximaal 81 woningen mogelijk gemaakt. De totale gemeente Horst aan de Maas kan getypeerd worden als ‘weinig stedelijk’. Binnen de Nota Parkeernormen is zodoende uitgegaan van één stedelijkheidsgraad (weinig stedelijk gebied) voor de totale gemeente. Onderhavig plangebied is gezien de ligging te typeren als ‘Rest bebouwde kom’. Na realisatie zal het plangebied deel uitmaken van de kern van Broekhuizenvorst. Voor een nadere afweging ten aanzien van verkeer en parkeren wordt verwezen naar paragraaf 5.7 van dit bestemmingsplan. 4.5.5 TAM-voorbereidingsbesluit gemeente Horst aan de Maas voorbeschermingsregels huisvesting internationale werknemers (23 april 2025) Na het ‘Parapluplan Internationale werknemers Horst aan de Maas 2021’, is de gemeente voornemens het bestaande beleid te herzien.