03c Toelichting
Tekst van het document
Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen; Partijen die onze gemeente goed kennen, zich vereenzelvigen met onze ambitie en hier ook aantoonbaar naar handelen, hebben een streepje voor. Zij krijgen de ruimte en het vertrouwen om samen met ons Horst aan de Maas aantrekkelijker te maken. Minder regels, snelle doorloop van processen; Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. We verminderen de regeldruk waar mogelijk, organiseren parallelle processen en houden initiatiefnemers aangehaakt.
Hoofdstuk 3
27
Participatie & communicatie; Inwoners voelen zich gehoord, betrokken bij de ambitie en zijn trots. Dat dragen ze ook uit.
Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.375. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor ruimtelijke plannen dienen volgende uitgangspunten daarbij in acht te worden genomen: Het plan voorziet, kwalitatief en kwantitatief, in de behoefte van inwoners. Dit betekent concreet dat: - de type woningen en bijbehorende aantallen aansluiten bij de opgave zoals omschreven in dit Masterplan én bij de lokale wensen en behoeften van inwoners (zie ook ‘maatwerk per kern’). - ontwikkelaars/corporaties met inwoners en samen met de gemeentegesprekken hebben gevoerd en de lokale woonwensen als uitgangspunt hebben genomen. Een programma met 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop waarbij maatwerk mogelijk is bij kleine locaties of een aangetoonde andere behoefte aan sociale huur. Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG). Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten wateroverlast en hittestress ontstaan.
Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk, uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet onze voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan. Kwalitatief goede, tijdelijke woonconcepten worden omarmd. Deze wordt, indien geschikt, ingezet om snel voor extra aanbod te zorgen. In het plan is goed nagedacht over de kwaliteit van de woonomgeving. Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas), bestemmingsplannen, stedenbouwkundige visies, het bouwbesluit en financiële haalbaarheid. Nieuwbouwplannen worden getoetst op basis van bovenstaand afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op medewerking van de gemeente. Anders dan voorheen is dit afwegingskader geen ‘toets achter de schermen’, maar een vrij beschikbaar en inspirerend document, dat gemeente, corporaties en ontwikkelaars motiveert om al in de eerste, prille fase van conceptontwikkeling de juiste keuzes te maken. De woningbouwambitie is gebaseerd op de woningmarkt anno nu (vraag en aanbod), gecombineerd met prognoses (CBS, Stec) en signalen uit de markt.
Afweging Voor de kern Horst geldt dat de kern bouwt naar eigen woningbehoefte aangezien zij getypeerd wordt als ‘centrumdorp’. Doorstroming op de woningmarkt staat centraal en om dit voor elkaar te krijgen is actie nodig: versnellen, versterken en doorzetten. De toevoeging van 80 woningen draagt nadrukkelijk bij aan dit doel. De beoogde woningen zijn verdeeld in de gevarieerde opbouw, namelijk 35% sociale huur en 65% koopwoningen. Ook vindt de ontwikkeling vindt plaats op een locatie die in het woningbouwprogramma reeds is voorzien als locatie voor woningbouw. Gezien de beoogde woningbouwsegmenten en het aantal woningen voldoet onderhavig plan
Hoofdstuk 3
28
aan het gemeentelijk woningbouwkader, zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. Hierdoor is sprake van een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie. Vanuit het Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen. Het planvoornemen draagt juist bij aan de gestelde opgave om 1.000 woningen te vergunnen tot en met 2025. 3.4.3 Welstandsnota De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor reguliere woongebieden geldt het niveau ‘normaal’ en aangezien binnen het plangebied sprake zal zijn van een regulier woongebied, zal hiervoor het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld.
De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. Er is een beeldkwaliteitsplan de Afhang (Bijlage 2) opgesteld, dat door de gemeenteraad gelijktijdig met het bestemmingsplan zal worden vastgesteld als onderdeel van de Welstandsnota. Dat document zal fungeren als welstandstoetsingskader voor de vergunningsaanvragen voor deze locatie. Voor de woningen en de openbare ruimte zijn hierin regels opgenomen om het gewenste eindbeeld te realiseren. Het beeldkwaliteitsplan wordt tevens aan de regels toegevoegd. Afweging In het kader van de concrete bouwplannen voor de beoogde woningen binnen het plangebied zal een welstandstoets plaatsvinden. 3.4.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op 31 januari 2020 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Horst aan de Maas’ ter inzage gelegd, waarin de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas is opgenomen als Bijlage 1. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie).
In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Vandaar dat gekozen is voor één categorie ‘wonen’. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein.
Hoofdstuk 3
29
Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden in totaliteit maximaal 80 woningen mogelijk gemaakt. De totale gemeente Horst aan de Maas kan getypeerd worden als ‘weinig stedelijk’. Binnen de Nota Parkeernormen is zodoende uitgegaan van één stedelijkheidsgraad (weinig stedelijk gebied) voor de totale gemeente. Onderhavig plangebied is gezien de ligging te typeren als ‘Rest bebouwde kom’. Voor een nadere afweging ten aanzien van verkeer en parkeren wordt verwezen naar paragraaf 5.7 van dit bestemmingsplan. 3.4.5 Gemeentelijk groenbeleid Beleidsplan Openbaar Groen 2020 Het BOG 2020 geeft op hoofdlijnen aan op welke wijze de gemeente Horst aan de Maas met het openbaar groen binnen de bebouwde mommen wenst om te gaan. Het gaat hierbij zowel om het in stand houden van groen (groenonderhoud) als ook het renoveren van groen en nieuwe aanleg van groenvoorzieningen. Het beleidsplan geeft een algemeen beeld van de waarde die groen heeft voor de gemeenschap en wat de eisen zijn om de juiste kwaliteit groen dat voldoet aan de gewenste functie te garanderen. De belangrijkste uitgangspunten binnen het vastgestelde Beleidsplan Openbaar Groen 2020 zijn klimaatadaptatie, biodiversiteitsherstel en belevingswaarde, kwantiteit en maatschappelijke baten van groen, duurzaamheid en milieuvriendelijk groenbeheer.
Voor Horst gelden de volgende uitgangspunten: Samenhangende hoofdgroenstructuur: Meer binding tussen het landelijk gebied, de verschillende wijken en het centrumgebied. Herkenbare bomenstructuur binnen de kern en aanvullen ontbrekende delen. Behouden en ontwikkelen groene parels. Verhogen van de hoeveelheid verblijfsgroen in de huidige wijken aan de westzijde van de kern. Kabroekse Beek (noord) en Voor America (oost) als duidelijk herkenbare drager van de hoofdgroenstructuur: meer gebruik maken van de recreatieve en ecologische functie van de beek. Verbetering van de toegankelijkheid en het gebruik het openbaar groen. Ondersteunende groenstructuur: versterken groen in de buurten. Groenstructuurvisie 2020 Om richting en focus aan te brengen in de invulling van het openbaar groen op basis van de randvoorwaarden die in het Beleidsplan Openbaar Groen 2020 zijn gesteld, is de Groenstructuurvisie 2020 opgesteld. Een van de belangrijkste doelen is om de integrale samenhang van te behouden de te ontwikkelen groenblauwe structuren in beeld te brengen en af te stemmen op andere opgaves. De groenvoorziening in het openbare gebied in de Gemeente Horst aan de Maas wordt ingedeeld in vier categorieën, te weten hoofdgroenstructuur, groene parels, ondersteunende groenstructuur en nevenstructuur.
Een van de richtinggevende voorwaarden is de kwantiteitsnorm en de invloeden die deze norm bepalen. Voor de gemeente Horst aan de Maas is uitgegaan van een norm van 35 m2 per inwoner of 73,5 m2 openbaar groen per woning. Gebleken is dat in de kleinere kernen deze norm niet gehaald wordt. Echter door het feit dat het landschap hier nog goed bereikbaar is en de privétuinen nog een redelijk oppervlakte omvatten kan de norm voor de kleinere kerkdorpen ook
Hoofdstuk 3
30
lager zijn. Daarom wordt hier uitgegaan 52,5 m2 per woning voor de nieuwe uitbreidingen. In de Groenstructuurvisie kan gekeken worden waar de hiaten in de groenstructuur zitten en worden voorstellen gedaan om deze aan te vullen. Verder kan er voor de toekomst een gewenste groenstructuur worden opgezet. Afweging In Horst wordt een kwantitatieve norm gehanteerd van minimaal 73,5 m2 aanwezig openbaar groen per woning binnen de bebouwde kom. Het openbaar groen is in totaliteit ongeveer 8.500 m2, waardoor er ruim aan de kwantitatieve groennorm wordt voldaan. Kwalitatief is er zorgvuldig over het plan nagedacht, omdat het groen een kernkwaliteit van het plan moet zijn. Tussen de woningen in zijn hoven voorzien op brede groenstroken, die een geleidelijke overgang vormen van de bebouwing naar het landschap en recreatieve voorziening zijn voorzien. Daarnaast vindt op deze stroken wateropvang plaats. Buiten de groene omranding van de woonwijk is het plan voorzien van groenstructuren door de wijk. De invulling van het groen zal ook kwalitatief zijn, er wordt gekozen voor inheemse (laan)bomen, heesters/houtwallen en extensief beheerde bloemenweides met op sommige plaatsen intensiever gemaaide delen voor speelplekken. Ook het toepassen van notenbomen is mogelijk om wijkbewoners en aanwezige fauna van voedsel te voorzien.
3.5 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.
Hoofdstuk 3
31
4.
PLANBESCHRIJVING
4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan De hoofdstructuur van het gehele woongebied De Afhang heeft een sterk gelaagde opbouw, waarin oude en nieuwe patronen elkaar versterken. Bestaande landwegen zoals de Afhangweg, Schoolstraat en Almeweg en bestaande percelen en groenstructuren zijn als belangrijke identiteitsdragers benut en gehandhaafd. Bestaande elementen hebben een nieuwe betekenis in het stedenbouwkundig plan gekregen. Naast de bestaande wegen en de ringweg is een patroon van openbare ruimtes gecreëerd door de woonstraten en hoven. De hoven vormen belangrijke robuuste groenstructuren in het plan en krijgen deels een functie als speelplek en deels de functie van waterberging. Het groene karakter van de woonstraten wordt vooral bepaald door boombeplanting tussen de parkeerplaatsen en door de groene voortuinen. Binnen onderhavig planvoornemen worden ook deels extra gestapelde woningen mogelijk gemaakt om te voorzien in de behoefte hieraan binnen de kern Horst. Voor de ontwikkeling is een stedenbouwkundig ontwerp 3 opgesteld.
Figuur 4.1: Stedenbouwkundig ontwerp
3
Kragten, ‘Afhang fase D’, projectnr.: HOT462-0001, d.d. 7 maart 2022.
Hoofdstuk 4
32
Het initiatief ziet op de realisatie van 73 woningen. Om flexibiliteit te behouden wordt een marge gehanteerd van 10%. Onderhavig bestemmingsplan maakt derhalve maximaal 80 woningen mogelijk. Het betreft hierbij de realisatie van twee onder een kapwoningen, rij woningen, vrijstaande woningen en een appartementencomplex. Het programma ziet verder op 35% sociale huurwoningen en 65% koopwoningen. De bouwhoogte van de woningen bedraagt maximaal 11 meter. De goothoogte van de woningen zal maximaal 6,5 meter bedragen.
4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Het plangebied valt onder het uitbreidingsgebied De Afhang. Dit betreft een woonwijk in aanbouw. In De Afhang zijn gefaseerd ruim 500 woningen gerealiseerd. Uitgangspunt in het plan is de hoogwaardige en duurzame ruimtelijke kwaliteit van zowel de bebouwing als de openbare ruimte. De met onderhavig plan voorziene verdichting betreft momenteel nog onbebouwde gronden, welke braakliggen, en onderdeel zijn van agrarische percelen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 80 woningen mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging in Horst. Verder sluit de bebouwing qua hoogte en opbouw in grote mate aan bij de omliggende stedenbouwkundige structuur. Wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt aansluiting gezocht bij recente bestemmingsplannen voor woningbouw op uitleglocaties in de gemeente Horst aan de Maas. De nieuwe bebouwing zal hierdoor qua situering en maatvoering aansluiten bij de omliggende woningen. Middels onderhavig plan wordt kwalitatief hoogwaardige bebouwing ter plaatse van het plangebied gerealiseerd. Dit heeft een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.
De nieuwbouw is van hoge kwaliteit en zorgt ervoor dat de indeling van het plangebied een samenhangend stedenbouwkundig geheel vormt en goed is ingepast in zijn omgeving. Hierbij is rekening gehouden met de omliggende functies en de functies van de aangrenzende gronden. Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.
Hoofdstuk 4
33
5.
SECTORALE ASPECTEN
5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie.
5.2 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1 Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Aangezien onderhavige ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies betreffen dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Door Econsultancy is een vooronderzoek bodem 4 uitgevoerd. Hieronder wordt een samenvatting en de conclusie van het onderzoek beschreven.
Het volledige rapport is als separate bijlage toegevoegd aan onderhavige toelichting. Uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem blijkt, dat er op een groot deel van de onderzoekslocatie geen sprake (meer) is van bodembelasting anders dan een regionale of landelijke diffuse achtergrondbelasting in de grond en het grondwater. Op dit deel van de onderzoekslocatie worden geen verontreinigende stoffen (meer) verwacht in gehalten boven de achtergrondwaarde of boven het in het betreffende gebied geldende achtergrondgehalte. Dit geldt zowel voor natuurlijke achtergrondgehalten als voor "antropogene" achtergrondgehalten waarvan de
4
Econsultancy, ‘Rapportage milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Grad Roosenstraat te Horst’ rapportnr.: 17889.001, d.d. 3 mei 2022.
Hoofdstuk 5
34
oorzaak niet eenduidig is aan te wijzen. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat dit deel van de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "onverdacht, niet lijnvormig" (ONV-NL). Ter plaatse van de brandplaats is sprake van een voormalige en/of huidige bodembelasting, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. De kern van de verwachte verontreiniging is duidelijk. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK en minerale olie. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd, dat dit deel van de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met plaatselijk bodembelasting en met een duidelijke verontreinigingskern" (VEP). Ter plaatse van de deels gesloopte bebouwing op Schoolstraat 80c wordt verwacht dat er wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK minerale olie en asbest. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat dit deel van de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL).
Verkennend bodemonderzoek Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hierna worden de conclusies van het onderzoek weergegeven. De bodem bestaat voornamelijk uit matig tot sterk siltig, matig fijn zand. De ondergrond bestaat plaatselijk uit sterk zandig leem. De bovengrond (tot maximaal 0,7 m -mv) is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op de onderzoekslocatie zijn de volgende deellocaties onderzocht: Deellocatie A: Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie " verdacht, plaatselijke bodembelasting" (VEP). In de bovengrond van deellocatie A zijn in verschillende gradaties koolhoudende bijmengingen aangetroffen. Daarnaast is de bovengrond plaatselijk zwak baksteenhoudend. De bovengrond is sterk verontreinigd met koper en licht verontreinigd met zink, het grondwater is licht verontreinigd met barium, kwik, nikkel en xylenen. Het sterk verontreinigde koper mengmonster is separaat geanalyseerd op de parameter koper. Uit de separaat geanalyseerde monsters is gebleken dat de sterk koolhoudend grond uit traject 0,00-0,25 m -mv sterk verontreinigd is met koper.
De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "plaatselijk verdacht’’ dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Econsultancy adviseert om op termijn de aard en de omvang van de vastgestelde koper verontreinigingen ter plaatse van de brandplaats nader te onderzoeken.
Hoofdstuk 5
35
Deellocatie B: Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat deze deellocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "Verdacht, Heterogeen verdeeld, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). De bovengrond van deellocatie B is plaatselijk zwak tot sterk betonhoudend, matig asfalthoudend, zwak kolengruishoudend en sterk koolhoudend. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met barium, cadmium, zink, minerale olie en PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel, xylenen en 1,2-dichloorethenen. De vooraf gestelde hypothese dat deze deellocatie als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Echter, gelet op de aard en mate van de aangetroffen verontreinigingen, bestaat er hier géén reden voor een nader onderzoek. Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 Er zijn op het maaiveld wel asbesthoudende plaat materialen aangetroffen. In het kader van de herontwikkeling van de locatie is het noodzakelijk het op het maaiveld aangetroffen asbesthoudend materiaal middels ‘handpicking’ (door een erkend asbestverwijderingsbedrijf) te laten verwijderen. In de bodem zijn zintuiglijk in de fractie > 20 mm geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond.
Algemeen Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie” of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Er dient nader onderzocht te worden wat de omvang in horizontale en verticale richting van de verontreiniging met koper is. Het uitvoeren van dit nader onderzoek is middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de regels. 5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van (spoor)wegverkeer en gezoneerde industrieterreinen. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Door Econsultancy is een onderzoek wegverkeerslawaai 5 uitgevoerd. Het bijbehorend rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt ingegaan op een samenvatting van het onderzoek.
Bij de projectie van een nieuwe geluidgevoelige bestemming binnen de zone van een weg is een onderzoek verkeerslawaai noodzakelijk. De geluidgevoelige bestemmingen zijn gelegen in 5
Econsutlancy, ‘Onderzoek wegverkeerslawaai Grad Roosenstraat te Horst’, rapportnr.: 17889.007, d.d. 28 juli 2022.
Hoofdstuk 5
36
de geluidszone van de Westsingel. In het kader van een goede ruimtelijke ordening worden tevens de nabijgelegen niet-gezoneerde wegen: Afhangweg, Almeweg, Groentestraat, Schoolstraat, Tuinderslaan en de Van den Bekeromstraat in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt de geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemmingen inzichtelijk gemaakt en beoordeeld op basis van het toetsingskader. Voor het plangebied is reeds een tekening opgesteld met de projectie van de woningen. Voor elke zijde van de woning zijn toetspunten ten behoeve van 2 bouwlagen gemodelleerd. De berekeningen zijn verricht aan de hand van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 en met behulp van het programma Geomilieu, versie 2021.1. De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 52 dB. Alleen ten gevolge van de Almeweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Almeweg is een afweging van gevelmaatregelen noodzakelijk. Het treffen van bron- en overdrachtsmaatregelen is niet doelmatig. Vanwege de Almeweg dient een hogere waarde te worden aangevraagd. Voor de woningen dient het akoestisch klimaat in de woning (het zogenaamde binnenniveau) te worden gegarandeerd.
Voor de omgevingsvergunning ten behoeve van de bouw van de woningen is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels noodzakelijk. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen. Ten zuiden van het plangebied loopt op een afstand van ongeveer 2800 meter de spoorlijn Venlo - Eindhoven. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Industrielawaai Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein of bij ontwikkelingen in de nabijheid van bedrijfspercelen dient het aspect industrielawaai betrokken te worden. In de wijde omgeving rondom het plangebied liggen geen zoneerde industrieterreinen. In paragraaf 5.2.5 (bedrijven en milieuzonering) wordt verder ingegaan op (geluid)hinder als gevolg van de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven. 5.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm) staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen.
Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.
Hoofdstuk 5
37
d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM). b. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van maximaal 80 woningen. Hierbij wordt de bovenstaande NIBM-grens bij lange na niet overschreden. De ontwikkeling draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit.
Hoofdstuk 5
38
Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ (2021) is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse tussen de 16 en 18 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) tussen de 10 en 12 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 15 en 20 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Conclusie Onderhavig initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoende voor de beoogde woonfunctie. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan kortom geen belemmeringen. 5.2.4 Geurhinder Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).
Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Op 24 juli 2020 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ in werking getreden. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij de verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt: Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units; Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units; Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units; Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is.
De gemeente Horst aan de Maas is echter momenteel bezig met de ontwikkeling van een geurgebiedsvisie ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4. Deze gebiedsvisie heeft niet alleen betrekking op de omgeving van het Klavertje 4, maar op het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. Deze heeft tot 7 mei 2020 ter inzage gelegen. Omdat deze gebiedsvisie en de bijbehorende kaarten een actueel inzicht geven in de huidige situatie omtrent geur, zijn deze gebruikt in de voorliggende toelichting met betrekking tot onderhavig plangebied.
Hoofdstuk 5
39
Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Conform ‘Kaartbijlage A locaties veehouderijen’ blijkt dat er in de wijde omgeving rondom het plangebied geen intensieve veehouderijen zijn gelegen. Er zijn derhalve binnen een straal van 100 meter rondom het plangebied geen veehouderijen gelegen. Hiermee wordt voldaan aan de vaste afstand van 100 meter tot geurgevoelige objecten. Ook is er geen sprake van de beperking van de vergunde milieuruimte van veehouderijen. Onderhavig plangebied is zodoende niet gelegen binnen de indicatieve geurhindercontouren (vergunde situatie), zoals weergegeven op de Kaartbijlage C indicatieve geurcontouren. In de bijlagen behorende bij de geurgebiedsvisie van de gemeente Horst aan de Maas is een kaart gevoegd (Kaartbijlage B achtergrondbelasting) van de actuele achtergrondbelasting geur. Op basis van deze kaart (zie onderstaande afbeelding) kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft geur, een zeer goed woon- en leefklimaat heerst (0,0-3,0 OU/m3). De achtergrondbelasting geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig initiatief.
Figuur 5.1: Uitsnede Gebiedsvisie Wet geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Conclusie Het aspect ‘geurhinder’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke
Hoofdstuk 5
40
omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied; 2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies.
Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 80 woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. Toetsing Door Econsultancy is een quickscan bedrijven en milieuzonering6 uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt de samenvatting van de quickscan weergegeven.
6
Econsultancy, ‘Rapportage quickscan bedrijven en milieuzonering Grad Roosenstraat te Horst’, rapportnr.: 17889.006, d.d. 25 maart 2022.
Hoofdstuk 5
41
Bestemmingen binnen 300 meter Binnen dorpskernen of aan de randen daarvan kunnen normaliter bestemmingen tot en met milieucategorie 4.2 aanwezig zijn. De bijhorende richtafstand bedraagt 300 meter. Inrichtingen in hogere milieucategorieën horen doorgaans thuis op bedrijventerreinen of krachtens de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterreinen en worden in de volgende paragraaf behandeld. Nabij het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming met functieaanduiding yogacentrum. Het betreft een kleinschalige, aan huis gebonden, yogastudio. Voor dergelijke bestemmingen geldt een richtafstand van 30 meter. Aangezien de afstand tot het plangebied 32 meter betreft worden er geen belemmeringen voorzien. Daarbij kan worden opgemerkt dat er ten gevolge van een yoga-studio geen belemmering wordt verwacht aangezien er reeds bestaande woonbestemmingen dichter bij de yogastudio zijn gesitueerd dan het plan. Ten noorden van het plangebied ligt een agrarische bestemming met functieaanduiding glastuinbouw. Het betreft een grootschalige plantenkwekerij. Voor dergelijke inrichtingen geldt een richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt op meer dan 50 meter van het kassencomplex. Aan de richtafstand wordt derhalve ruimschoots voldaan. Er zal zich derhalve geen belemmering voordoen. Verder ten noorden, op circa 125 meter van het plangebied ligt een bedrijfsbestemming.
Volgens het bestemmingsplan ‘Peelkernen’, waar de bedrijfsbestemming binnen valt, zijn op dergelijke bestemmingen uitsluitend bedrijven van milieucategorie 1 en 2 mogelijk. De maatgevende richtafstand betreft in dat geval 30 meter. Belemmeringen ten gevolge van de bedrijfsbestemming kunnen derhalve worden uitgesloten. Op circa 110 meter ten noordoosten van het plangebied ligt een recreatiebestemming. Het betreft een indoor amusementshal met een trampolinepark, bowling, minigolf en indoor voetbal. Voor vergelijkbare (indoor) inrichtingen (sporthallen, bowlingcentra) geldt een richtafstand van 50 meter. Hier wordt voor het plangebied ruimschoots aan voldaan. Daarnaast is nabij het plangebied een agrarische bestemming gesitueerd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Peelkernen’ en het bestand veehouderijen van de provincie Limburg is hier geen veehouderij gelegen, worden er geen dieren gehouden en vindt er geen akker- of tuinbouw plaats. Op basis van luchtfoto’s lijkt er op het perceel uitsluitend een loods/stalling aanwezig te zijn. Op basis van voorgaande informatie kan volgens het VNG worden uitgegaan van een richtafstand van 50 meter. Aangezien het te realiseren plangebied op meer dan 75 meter ligt, kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.
Daarnaast geldt dat direct grenzend aan het agrarische perceel, ten noorden en zuiden, reeds bestaande woonbestemmingen zijn gelegen. Op 110 meter van het plangebied ligt een maatschappelijke bestemming. Op basis van de luchtfoto’s is hier een clubgebouw van Jong Nederland (scouting) gelegen. Voor clubhuizen geldt een richtafstand van 30 meter. Derhalve worden er geen belemmeringen voorzien ter plaatse van het plangebied. Bestemmingen op meer dan 300 meter Inrichtingen tot milieucategorie 4.2 kennen een richtafstand tot ten hoogste 300 meter. Op grotere afstand zijn derhalve alleen inrichtingen vanaf categorie 5.1 potentieel belemmerend in relatie tot het plangebied. De grootste richtafstand voor een rustig gebied bedraagt 1.500 meter.
Hoofdstuk 5
42
In een bereik van 300 tot 1.500 meter afstand van het plan zijn diverse andere bestemmingen gelegen. Het gaat onder andere om de bestemmingen binnen de kern van Horst en Meterik. Aangezien binnen dorpskernen geen bestemmingen zullen voorkomen met een richtafstand groter dan 300 meter, worden deze bestemmingen niet nader toegelicht. Op circa 350 meter in westelijke richting is een agrarisch hulpbedrijf gesitueerd. Voor een dergelijke inrichtingen geldt maximaal milieucategorie 3.1, met een bijhorende richtafstand van 50 meter. Derhalve is deze bestemmingen met betrekking tot de realisatie van het voorliggend plan niet relevant. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een bedrijfsbestemming met functieaanduiding mestverwerking op regionaal niveau. Voor dergelijke bedrijven geldt milieucategorie 5.1 met een richtafstand van 500 meter. Aangezien het plan op circa 800 meter ligt van het bedrijf vandaan ligt, wordt ruim voldaan aan de richtafstand. Er worden derhalve geen belemmeringen voorzien met betrekking tot deze bedrijfs-bestemming. Daarnaast liggen er in het buitengebied van Horst een aantal andere bedrijfsbestemmingen op minimaal 600 meter afstand van het plangebied. Dit betreft onder andere agrarische (hulp)bedrijven, kantoren, verpakkingsbedrijven, opslag, hoveniersbedrijven en tuincentra.
Ook ten gevolge van deze bedrijven wordt geen hinder verwacht binnen het te realiseren plangebied. Conclusie In het kader van de realisatie van het plangebied aan de Grad Roosenstraat in Horst is middels een quickscan onderzocht of in de nabijheid van het plangebied bestemmingen aanwezig zijn die het woon- en leefklimaat nadelig kunnen beïnvloeden. Op basis van het onderzoek is gebleken dat de bestemmingen in de omgeving van het plan niet voor belemmeringen zullen zorgen. Nader onderzoek naar de hinderaspecten geur, stof, geluid en/of gevaar worden derhalve niet noodzakelijk geacht. 5.2.6 Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Hoofdstuk 5
43
Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de orientatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).
In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 7. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 80 woningen. Derhalve voorziet onderhavig plan in de realisatie van kwetsbare objecten. Er dient zodoende een toetsing aan het aspect externe veiligheid plaats te vinden. Toetsing Transport Op circa 1.5 km ten noordwesten van het plangebied is buisleiding Z-541-22 gelegen. De buisleiding heeft een uitwendige diameter van 324 mm en een maximale werkdruk van 4000 kPa.
Hiervoor geldt een 1%-letaliteitsgrens van 140 meter. Het plangebied ligt buiten deze grens gelegen en vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
7
Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen
Hoofdstuk 5
44
Inrichtingen Op circa 1 km ten zuidoosten van het plangebied is een risicovolle inrichting gelegen in de vorm van een propaantank. De propaantank heeft een invloedsgebied van 25 meter. Gelet op de afstand tot het plangebied vormt deze inrichting geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Op circa 1,1 km ten noorden van het plangebied is eveneens een propaantank gelegen en heeft een invloedsgebied van 25 meter. Het plangebied ligt op een grote afstand van de inrichting en vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen. Tot slot ligt op circa 1,2 km ten noordoosten van het plangebied een LPG-vulpunt met een risicocontour 10-6 van 35 meter. Gelet op de afstand van de inrichting tot het plangebied vormt de inrichting geen belemmering voor het planvoornemen.
Figuur 5.2: Uitsnede kaart met ligging inrichtingen gevaarlijke stoffen, plaatsgebonden risico (10-6 contour, transport gevaarlijke stoffen buisleidingen en transport gevaarlijke stoffen wegen, spoor en water met ligging plangebied (rood omcirkeld)
Door de veiligheidsregio Limburg-Noord is een advies8 opgesteld. Dit advies is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
8
Veiligheidsregio Limburg-noord, ‘Advies bestemmingsplan afhang fase D Horst
Hoofdstuk 5
45
5.2.7 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht In het plangebied vindt woningbouw plaats in de vorm van maximaal 80 woningen. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De voorgenomen ontwikkeling van 80 woningen valt onder onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. in de categorie D11.2: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien sprake is van een oppervlakte van 100 hectare of meer, de ontwikkeling een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m 2 of meer betreft. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen.
Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. de kenmerken van het project; 2. de plaats van het project; 3. de kenmerken van het potentiële effect. Tabel: Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project
Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën
Plaats van het project
Bestaand grond gebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect
Hoofdstuk 5
46
Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Omdat het plan wel voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder
Risico van ongevallen
Hoofdstuk 5
Toets De ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van maximaal 80 woningen. Daarnaast worden parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt het plangebied groen ingericht. Nee. Het betreft uitsluitend de voorliggende ontwikkeling van een woningbouwlocatie. N.v.t. N.v.t. Bodem: Ter plaatse van de brandplaats is sprake van een voormalige en/of huidige bodembelasting, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Voor dit gedeelte van het plangebied zal een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. (zie par. 5.2.1). Geluid: De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woningen bedraagt ten hoogste 52 dB. Alleen ten gevolge van de Almeweg treedt een overschrijding op van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt niet overschreden. Voor de Almeweg is een afweging van gevelmaatregelen noodzakelijk (zie par. 5.2.2). Luchtkwaliteit: het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen (zie par. 5.2.3). Geur: Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen (zie par. 5.2.4). Milieuzonering: Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen (zie par. 5.2.5). Het voorliggend plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. Daarnaast zijn er geen belemmeringen
47
voor de ontwikkeling van het plangebied vanwege risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving. Conclusie Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In de nieuwe woningen is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat. Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik
Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder dacht voor: Gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) Gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Toets In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit braakliggende grond. Er zijn geen houtopstanden of gebouwen aanwezig binnen het plangebied. In de omgeving zijn voornamelijk woningen gelegen. N.v.t.
Het plangebied is niet gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld in artikel 1 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
Er is geen sprake van gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden. N.v.t. Het plangebied maakt geen deel uit van een landschap van historisch of cultureel belang (zie par. 5.6). Uit het uitgevoerde archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat vervolgonderzoek niet noodzakelijk is. Het onderzoek wordt ter toetsing voorgelegd aan het bevoegd gezag.
Conclusie Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten.
Hoofdstuk 5
48
Gevoelig gebied9 (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Toets Beschermd natuurmonument Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een beschermd natuurmonument. Habitat en vogelrichtlijngebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een Habitat en Vogelrichtlijngebied (zie par. 5.5). Gezien de aard van de ontwikkeling en de ligging tegen de kern aan worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Door middel van een Aerius-berekening is aangetoond dat negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten. Watergebied van internationale Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid betekenis van een watergebied van internationale betekenis. NNN Het plangebied is niet gelegen in het NNN. Landschappelijk waardevol gebied Nee. Het gebied is niet als zodanig bestemd. Waterwinlocaties, waterwingebieden Het plangebied niet gelegen binnen dergelijke gebieen grondwaterbeschermingsgebieden. den Beschermd monument Er is geen sprake van een beschermd monument. Belvédère-gebied Er is geen sprake van een Belvédère gebied. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn.
Criteria Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect
Toets Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking. Er is sprake van een kleinschalig initiatief dat geen grensoverschrijdend karakter heeft. Geen effecten te verwachten. De effecten van de woningbouw zijn blijvend maar niet van dien aard dat sprake is van significant negatieve effecten op het milieu, die het opstellen van een MER noodzakelijk zouden maken.
Kenmerken van het potentiële effect Conclusie 1. De ontwikkeling van woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld;
9
In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.
Hoofdstuk 5
49
2. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde drempelwaarde wordt bij lange na niet overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.
5.3 Waterparagraaf Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie 2021, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Het provinciaal waterbeleid is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening.
Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale grondenoppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma.
Hoofdstuk 5
50
4. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater. Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL2014 belangrijke uitgangspunten. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zin om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met dit waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De taken van het waterschap, welke doelen zij per taak wil bereiken en welke maatregelen zij daarvoor inzet, is beschreven in het Waterbeheerprogramma. Daarbij is onderscheid gemaakt in de taken hoogwaterbescherming, klimaatadaptatie, waterkwaliteit en zuiveren.