CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Toelichting

Gemeenteraad 24 oktober 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Afhang fase D.23.511 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuilen schoon-waterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen.

Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het plangebied wordt vastgehouden.

Hoofdstuk 5

51

Kenmerken plangebied Door Econsultancy is een watertoets10 opgesteld. De watertoets is als separate bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Grondwater en waterkwaliteit Op basis van de gegevens uit de modellen van TNO blijkt het eerste watervoerend pakket te worden gevormd door respectievelijk de formaties van Boxtel en Beegden. Het eerste watervoerende pakket wordt op wisselende diepten doorsneden door klei- en leemlagen behorende tot de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven. Het eerste watervoerend pakket wordt aan de onderzijde begrensd door afzettingen van de Formatie Waalre. Het bovenste deel van deze eenheid bestaat uit klei. Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in noordoostelijke richting. Oppervlaktewater Op de leggerkaart van waterschap Limburg zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Aan de oostzijde grenst de planlocatie aan de primaire watergang Voor America. Aan weerszijde van deze primaire watergang geldt een profiel van vrije ruimte. Afval- en hemelwater In de rondom de planlocatie gelegen wegen is een gemengd rioolstelsel gelegen. De doorlatendheid is sterk afhankelijk van de bodemsamenstelling (aantal, grootte en vorm van de poriën en de onderlinge verbindingen tussen de poriën).

Aangezien een bodem altijd een bepaalde mate van heterogeniteit vertoont en er slechts op enkele punten is gemeten, dienen de afgeleide k-waarden zoals bepaald op de locaties te worden beschouwd als een gemiddelde. Volgens de leidraad riolering module C2510 ‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drainage’ is voor infiltratie van hemelwater minimaal een doorlatendheid van 0,2 m per dag nodig. De doorlatendheid van de bodem wordt over het algemeen geclassificeerd als slecht tot matig doorlatend, waarbij k-waarden van <0,1 tot 0,2 m/dag zijn aangetoond. Op basis van de resultaten uit het waterdoorlatendheidsonderzoek wordt de bodem, mede op basis van de textuur, beperkt geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Geadviseerd om voor het dimensioneren van de infiltratievoorzieningen een rekenwaarde te hanteren van 0,1 m/dag. Als rekenwaarde geldt het gemiddelde van alle metingen vermenigvuldigd met een veiligheidsfactor van 0,5. Conform het beleid van waterschap Limburg en gemeente Horst aan de Maas is ten aanzien van de ontwikkeling en het toekomstig verhard oppervlak een compenserende berging benodigd van 100 mm per m2 verhard oppervlak. Voor deze ontwikkeling komt dit neer op een wateropgave van ca. 2.085 m3 (20.588 m2 x 0,1 m).

In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden ingezameld en 10

Econsultancy, ‘Rapportage watertoets Afhang fase D Grad Roosenstraat te Horst’, rapportnr.: 17889.004, d.d. 18 juli 2022.

Hoofdstuk 5

52

binnen de planlocatie worden verwerkt. Water wordt daardoor bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt.

5.4 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de beoogde woningbouwontwikkeling belemmeren.

5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de POVI en de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 2021.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.

Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is

Hoofdstuk 5

53

waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing Soortenbescherming Door BRO is een quickscan flora en fauna11 uitgevoerd. Hieronder zal een samenvatting worden weergegeven van het onderzoek. Het volledige rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd.

Vogels Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het verwijderen van het opgaand groen buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten. Vleermuizen Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaatsen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen, vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen.

Grondgebonden zoogdieren Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdier-

11

BRO, ‘Quickscan flora en fauna Afhang fase D te Horst’, projectnr.: P05084, d.d. 3 februari 2022.

Hoofdstuk 5

54

soort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten. Amfibieën De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieensoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen. Vissen Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten. Ongewervelde diersoorten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.

Conclusie en aanbevelingen Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Een AERIUS-berekening dient de toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door de werkzaamheden te berekenen.  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten.  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Het plangebied biedt in de huidige situatie geen vaste nest- en verblijfsmogelijkheden voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen, terwijl de ligging en omgeving van het plangebied zich hier wel voor lenen.

Met een geringe inspanning, bijvoorbeeld door het inbouwen van neststenen of vleermuiskasten en/of de dakranden/spouwmuren toegankelijk te maken, kan de nieuwbouw wel gaan fungeren als vaste rust- en verblijfplaats voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Gelet op het steeds verder verdwijnen van broed- en verblijfsgelegenheid kunnen relatief eenvoudige maatregelen een positief effect hebben op de lokale populatie van een soort. Het heeft de voorkeur dat de initiatiefnemer bij het bouwen natuur inclusieve maatregelen

Hoofdstuk 5

55

neemt in de vorm van het treffen van eenvoudige maatregelen, zoals het plaatsen van nestkasten en vleermuiskasten voor vaste rust- en verblijfplaatsen voor huismussen, gierzwaluwen en/of vleermuizen. Vogelbescherming Nederland heeft samen met BAM Utiliteitsbouw een checklist ontwikkeld, waarmee een bouwonderneming zijn projecten en de directe omgeving natuurvriendelijker kan maken. Door middel van het beantwoorden van enkele ja/nee vragen, kunnen eenvoudige maatregelen worden toegepast die goed zijn voor de stadsnatuur en speciaal voor vogels. Deze checklist is voor iedereen gratis te downloaden van de website van Vogelbescherming (www.vogelbescherming.nl/checklist/). Daarnaast is er tevens een brochure beschikbaar omtrent het vleermuis-vriendelijk bouwen. Deze brochure is onder andere te vinden op de website van de Zoogdiervereniging (www.zoogdiervereniging.nl/brochure-verschenen-over-vleermuisvriendelijk-bouwen/). Gebiedsbescherming Door Econsultancy is een stikstofdepositie onderzoek 12 uitgevoerd. Het rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aangemerkt.

Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar de nieuwe woningen. Middels het opnemen van een voorwaarde in de vergunning wordt de realisatie van haarden en kachels uitgesloten. De berekening van het projecteffect is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2022). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten.

Houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Conclusie Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

12

Econsultancy, ‘Onderzoek stikstofdepositie Grad Roosenstraat te Horst’, rapportnr.: 17889.005, d.d. 17 maart 2023.

Hoofdstuk 5

56

5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Door Econsultancy is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek 13 uitgevoerd. Hierna worden de conclusies van het onderzoek besproken. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodem-opbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting.

Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge gespecificeerde archeologische verwachtingswaarde voor resten uit het Laat Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Resultaten inventariserend veldonderzoek Op basis van de sterk verstoorde bodemopbouw, waarbij in de meeste boringen geen intact plaggen-dek bewaard is gebleven en bij alle boringen de oorspronkelijke top van de C-horizont is verstoord, en de natte omstandigheden van het plangebied maakt de kans dat in het plangebied nog (onverstoorde) archeologische resten zijn klein. De aanwezigheid van gleyverschijnselen in de verstoorde afzettingen en de waargenomen plaggendekken duiden erop dat het plangebied min of meer permanent periodiek hoge grondwaterstanden kent. Dit beeld is ook waargenomen bij eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied. Op basis van de natte omstandigheden in het plangebied en de aangetroffen verstoringen kan de gespecificeerde verwachtingswaarde van het plangebied worden bijgesteld naar laag voor alle perioden.

Advies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven.

13

Econsultancy, ‘Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Grad Roosenstraat te Horst’, rapportnr.: 17889.002, d.d. 25 februari 2022.

Hoofdstuk 5

57

Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit. In de zuidwesthoek van het gebied wordt op advies van de gemeentelijke archeoloog nog een proefsleuvenonderzoek gerealiseerd. Het terrein wordt voor het overige archeologisch vrij gegeven. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). 5.6.2 Cultuurhistorie Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt het plangebied beschreven als een ‘gebied met sedert 1830 matig veranderd verkavelingspatroon’, ‘enkeergrond’ en ‘cultuurlandschap’. Daarnaast is het plangebied gelegen binnen de landschappelijk waardevolle ‘groene parel’ voor America. Met onderhavige ontwikkeling worden deze landschappelijke waardevolle gebieden niet aangetast. Tot slot is de Almeweg beschreven als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Het verloop en profiel van deze weg wordt niet gewijzigd middels onderhavig initiatief.

Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op deze weg.

5.7 Verkeer en parkeren Door Grenspaal12 is een verkeerskundige onderbouwing14 opgesteld. De volledige memo is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Parkeren De nieuwe ontwikkeling moet voorzien in 158 parkeerplaatsen voor de bouw van maximaal 80 woningen. De parkeerplaatsen worden onderverdeeld in 36 parkeerplaatsen voor rijwoningen, 60 parkeerplaatsen voor tweekappers, 26 parkeerplaatsen voor vrijstaande woningen en 21,6 (ofwel 22) parkeerplaatsen voor appartementen. De stedenbouwkundige marge van 10% heeft invloed op het aantal parkeerplaatsen waardoor er 14 extra parkeerplaatsen moeten worden voorzien bovenop de 144 te voorziene parkeerplaatsen. Verkeer De woonontwikkeling van 73 nieuwe wooneenheden gaat gepaard met een verwachte verkeersgeneratie tussen 516,6 en 575,0 voertuigen per etmaal. De grootste verkeersgeneratie zal afkomstig zijn van de tweekappers en rijwoningen. Van de bewoners van de appartementen verwachten we de minste verkeersgeneratie per etmaal. De stedenbouwkundige marge van 10% zorgt voor een extra verwachte verkeersgeneratie van 58 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Worstcase worden er 632,5 motorvoertuigbewegingen (afgerond 633

14

Grenspaal 12, ‘Verkeerskundige onderbouwing Afhang fase D Horst a/d Maas’, kenmerk: 21-1119-02, d.d. 5 augustus 2022.

Hoofdstuk 5

58

motorvoertuigbewegingen) per etmaal verwacht. Hierdoor stijgt de totale verkeersstroom in de omgeving van 2.800 voertuigen per etmaal naar maximaal 3.433 voertuigen indien de ontsluiting volledig via de Westsingel verloopt. Een maximale ontsluiting via deze weg vormt geen probleem op het gebied van intensiteiten. Deze extra verkeersintensiteiten zijn zonder problemen af te wikkelen. Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.8 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:  gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers;  een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden;  duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling);  verantwoord watergebruik;  voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Bij de bouw van de woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.

5.9 Gezondheid 5.9.1 Endotoxinen In de onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 80 woningen in Horst. De beoogde realisatie heeft geen invloed op de endotoxine belasting en dit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Daarbij is gekeken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. In onderhavig geval kan worden gesteld dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de gestelde norm van Gezondheidsraad, doordat de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij op meer dan 1 kilometer van het plangebied is gelegen. Zodoende kan ook geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 5

59

5.9.2 Geitenhouderij In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 20142016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht. Aangezien de planlocatie op meer dan 2 km van een geitenhouderij is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.9.3 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten.

Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten. Binnen een afstand van 50 meter zijn geen gronden rondom het plangebied gelegen, waarop bomen of andere gewassen in de openlucht worden geteeld, die bespoten moeten worden.

Hoofdstuk 5

60

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien:  het kostenverhaal anderszins is verzekerd;  het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en  het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van maximaal 80 woningen mogelijk en biedt hiermee mogelijkheden voor een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. De gronden binnen het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. Het kostenverhaal is derhalve geregeld middels de gronduitgifte. Er is een exploitatieplan opgesteld voor onderhavige woningbouwontwikkeling.

6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.

Hoofdstuk 6

61

De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Op 1 november 2022 heeft een inloopavond voor dit woningbouwplan plaatsgevonden. Het plan is hierbij op een laagdrempelige wijze gepresenteerd aan de bewoners in de omgeving van het plangebied. Er waren circa 50 geïnteresseerden aanwezig. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Bij het voorliggende initiatief zal het bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg aan de provincie Limburg en het waterschap Limburg worden voorgelegd. Zowel de provincie Limburg en het Waterschap hebben aangegeven akkoord te zijn met het bestemmingsplan. Er zijn geen belangen van het Rijk in het geding, waardoor vooroverleg met de rijksoverheid niet noodzakelijk is. Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor eenieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen.

Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in de Wro gedurende 6 weken ter inzage gelegen met de mogelijkheid voor een ieder om een zienswijze op het plan in te dienen. Tijdens deze periode van ter inzage legging zijn geen zienswijzen ontvangen.

Hoofdstuk 6

62

7.

JURIDISCHE TOELICHTING

7.1 Planstukken Het bestemmingsplan ‘Afhang fase D’ is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

7.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De bestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’ zijn weergegeven. Daarnaast zijn archeologische dubbelbestemming opgenomen conform het vigerend archeologisch beleid, te weten: ‘Waarde - Archeologie 2’, ‘Waarde – Archeologie 3’, ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ en ‘Waterstaat – Waterlopen’.

7.3 Toelichting op de regels 7.3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de bij het bestemmingsplan behorende planregels van een nadere toelichting voorzien. De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Deze zijn opgesteld op basis van de Wro, het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede de gemeentelijke notitie ‘Bestemmingsplannen van de gemeente Horst aan de Maas, uitgangspunten voor bureaus’. De planregels geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en waar er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is aangesloten bij de regels voor recente woningbouwplannen in de gemeente Horst aan de Maas. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken. Deze hoofdstukindeling is opgebouwd conform de richtlijnen uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012).

Hoofdstuk 7

63

Inleidende regels In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Bestemmingsregels In dit artikel wordt de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Algemene regels In de algemene regels is een aantal artikelen opgenomen die van toepassing zijn op het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelregel, de algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings-, wijzigings- en afwijkingsregels en de overige regels. Overgangs- en slotregels In de bepaling ‘overgangsrecht’ zijn de overgangsregels ten aanzien van bebouwing en gebruik opgenomen. De slotregel bevat de titel hoe het plan aangehaald dient te worden. 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels Hiernavolgend worden de planregels artikelsgewijs van een nadere toelichting voorzien. Hoofdstuk regel Inleidende regels 1. Begrippen

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 7

toelichting De in de planregels gebezigde begrippen worden hierin omschreven.

2. Wijze van meten

Een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden.

3. Groen 4. Verkeer 5. Wonen

De bestemmingen ‘Groen’, ‘Verkeer’ en ‘Wonen’ zijn opgebouwd conform de richtlijnen uit de SVBP 2012 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin een vaste opzet voor de bestemmingsregels is vastgelegd. De opzet voor het bestemmingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk

64

Wijzigingsbevoegdheid 6. Waarde – Archeologie 2 7. Waarde – Archeologie 3 8. Waterstaat – Waterbergingsgebied 9. Waterstaat – Waterlopen

Artikel 6 bevat de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Artikel 7 bevat de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’. Artikel 8 bevat de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’. Artikel 9 bevat de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterlopen’.

Algemene regels

10. Anti-dubbeltelregel 11. Algemene bouwregels 12. Algemene gebruiksregels 13. Algemene aanduidingsregels 14. Algemene afwijkingsregels 15. Algemene wijzigingsregels 16. Overige regels

In de anti-dubbeltelregel is vastgelegd dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. In de algemene bouwregels zijn de regels omtrent ondergronds bouwen en bestaande afstanden en andere maten opgenomen. In de algemene gebruiksregels zijn de algemene regels omtrent het gebruik van de gronden opgenomen In de algemene aanduidingsregels zijn de regels omtrent gebiedsaanduidingen opgenomen. In de algemene afwijkingsregels zijn algemene regels opgenomen voor geringe afwijkingen. In de algemene wijzigingsregels zijn de algemene regels omtrent het verschuiven van bestemmingsgrenzen opgenomen. In de overige regels zijn regels omtrent parkeren opgenomen.

Overgangs- en slotregels

17. Overgangsrecht 18. Slotregel

Artikel 17 bevat de overgangsbepalingen met betrekking tot bebouwing respectievelijk het gebruik van gronden en bouwwerken. De slotregel in artikel 18 geeft de titel van de planregels aan.

Hoofdstuk 7

65

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13195658/1