CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Toelichting

Gemeenteraad 24 oktober 2023, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Afhang fase D.23.511 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Vastgesteld bestemmingsplan Afhang fase D NL.IMRO.1507.BPHOAFHANGD-BPV1

34

N 2315

15d

N 2316

32

Tuinder

N 2749

15

N 1676

12

c

N 2317

slaan

30

15

b

N 2318 15a

10

N 382 15

N 2458

0

N 1678

3.0

13

9.00 N 2354

8.00

N 2750

3.00

N 2284

3.00

6

N 1677

R6.00

9.00

R6.00

N 2257

N 1669

11

9.00

R6.00

1.80

2.00

3.00

3.00

3.00

3.00

N 2258

5.00

N 1668

0

9.00

1.8

0

7.00

4.1

3.00

2.50

5.50 5.65

3.00

2.00

5.50

9.00

5.00

7.00

N 1736

3.00

9.00

5.50

3.00

9

N 374

5.50

9.00

2.00

.50

4c

3.00

N 397

R6.00

R6

.00

5.50

17

5.50

9.00

R6.00

9.00

4d

N 2350

4b

0

1.5

R1

5.50

0

7.0

7

4a

7.0

3.00

0

1.80

0

3.5

9.0

N 2352

2.50

9.00

4

4.0

5.15

3.00

R3.00

4.80

R2.00

5.00

N 2669

.00

R2

R6.00

5.40

0

6.00

R2.00

4.5

1.80

5.50

21.50

9.00

1.80 2.00

5.40

5.15

3.00

9.00

9.00

5.15

2.00

2.50 9.00

5.4

0

N 1335

22.00

5.65

5.65

R6.00

5

44 p.p.

5.65

3.00

3.00

2.50

9.00

2.50

6.00

9.00

2.50

R2.00

9.00

6.00

2.00

5.15

R3.00

3.00

4.80

3.00

9.00

6.00

0

4

5.55

4.10

0 2.40

5.6

N 2667

3.00

4.50

8.00

Alm

1.80 2.00

9.00

N 2755

.00

8.00

3.70

R100.00

1.80

1.80 2.00

Van de

n Beker

omstra

3.00

5.55

2.50

2.50

at

3.70

N 2673

R6.00

1.80

1.80

3.00

6.00

R50.0 R6.00

5.55

1.80

3.00

3.00

23.16

3.00

2.50 4.00

.00

3.70

R100

1.80

2.00

5.55

2.00

.00

6.70

9.00

0

2.50

5.65

10.06

2.50

R6.00

3.00

5.50

3.70 4.00

6.00

1.8

10.06

3.00

0

.00

R6

6.00

6.00

R6

N 2579

6.70

9.00

2.00

N 2578

.00 R6

2.50

12.00

1.80

5.65

8.00

1.50

3.00

N 2666

5.55

R6

ew

8.00

2.00 1.80

eg

00

R6.

8.00

5.50

2.10

1.50

1.50

8.00

3.90

7.00

1.80

5.50

3.00

5

3.70

1.10 1.80

5.4

R250.00

6.70

9.00

N 2445

6.70 N 2766

6.70

N 2573

N 2764 N 2671

N 2342

3.00

92

6.50

80a

N 2574

9.00 8.50

N 2760

N 1673

N 2640

N 2552

N 2643 N 2641

88

86c

Sch

86b

ool

59

str

86a

aat

N 2751

86

1.80 2.00

R250.00 N 2674

N 2763

8.50

N 2642 N 2630

N 2761

9.00

3.00

N 1735

3.00

Grad Roosenstraat

N 2765 90

N 1734

N 2762

9.00

82

9.00

57

M 2862

3.00

2.10

4.00

80

R6.

47a

00

.00

R6

R6.

R6.

00

Westsin gel

00

55a

M 2254

M 3425

M 3154

53

51a

51

53a

M 3107 55

M 593 M 2509

M

M 3501

M 3675

43

M 2590 M 2565

M 3507 M 3652

Bestemmingsplan ‘Afhang fase D’ Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld

Rapportnummer:

P05084

Idn nr.

NL.IMRO.1507.BPHOAFHANGD-BPV1

Datum:

Juni 2023

Opdrachtgever:

Gemeente Horst aan de Maas

Projectteam BRO:

SSh, IMo

Trefwoorden:

Woningbouw, Grad Roosenstraat, Van den Bekeromstraat, Horst, gemeente Horst aan de Maas

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 3

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van maximaal 80 woningen aan de Grad Roosenstraat en de van den Bekeromstraat te Horst (gemeente Horst aan de Maas).

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer

4 4 5 6 8

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur 2.3 Relatie beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan en stedenbouwkundig ontwerp

9 9 9 10

3.

BELEID 3.1 (Europees) en Rijksbeleid

11 11

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid

11 12 13 13 16 17

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.2.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) 3.3 Regionaal beleid

17 19 20 21 22

3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 3.4 Gemeentelijk beleid

22 24

3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 – 2025 3.4.3 Welstandsnota 3.4.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 3.4.5 Gemeentelijk groenbeleid 3.5 Conclusie

24 27 29 29 30 31

4.

PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

32 32 33

5.

SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten

34 34 34

Inhoudsopgave

1

5.2.1 Bodem 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geurhinder 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 Milieueffectrapportage 5.3 Waterparagraaf 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie

34 36 37 39 40 43 46 50 53 53 57

5.6.1 Archeologie 5.6.2 Cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren 5.8 Duurzaamheid 5.9 Gezondheid

57 58 58 59 59

5.9.1 Endotoxinen 5.9.2 Geitenhouderij 5.9.3 Spuitzones

59 60 60

6.

UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

61 61 61 62

7.

JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels

63 63 63 63

7.3.1 Algemeen 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels

63 64

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Stedenbouwkundig ontwerp Bijlage 2: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 3: Ladderonderbouwing Bijlage 4: Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem Bijlage 5: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 6: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7: Quickscan bedrijven en milieuzonering Bijlage 8: Advies veiligheidsregio Bijlage 9: Watertoets Bijlage 10: Quickscan flora en fauna Bijlage 11: Stikstofdepositieberekening Bijlage 12: Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

Inhoudsopgave

2

Bijlage 13: Verkeerskundige onderbouwing

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De gemeente Horst aan de Maas is voornemens om een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken aan de Grad Roosenstraat en de Van den Bekeromstraat te Horst. Het plangebied is gelegen aan de westzijde van Horst. Het beoogde woningbouwplan omvat de realisatie van verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, openbaar groen en maximaal 80 woningen.

Figuur 1.1: Uitsnede topografische kaart met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)

Het plangebied is gelegen binnen uitbreidingsgebied ‘De Afhang’. In dit gebied zijn gefaseerd ruim 500 woningen gerealiseerd. Het plan heeft de hoogwaardige en duurzame ruimtelijke kwaliteit van zowel de bebouwing als de openbare ruimte hoog in het vaandel staan. Ten behoeve van deze nieuwe woonwijk De Afhang, is op 14 december 2010 het bestemmingsplan 'De Afhang' vastgesteld door de raad van de gemeente Horst aan de Maas. De onderstaande fase van de Afhang zijn reeds gerealiseerd:  Fase A: 160 woningen (buiten bestemmingsplan 'De Afhang' met een afwijkingsprocedure);  Fase B1 en B2: circa 185 woningen;  Fase C1: circa 90 woningen;  Face C2: circa 90 woningen.

Hoofdstuk 1

4

Onderhavig initiatief betreft fase D. Voor deze fase was reeds een stedenbouwkundig ontwerp gemaakt. Echter is dit ontwerp in de tussentijd aangepast en past het initiatief niet meer volledig binnen het vigerend bestemmingsplan. Daarnaast valt het plangebied onder de werking van bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan De Afhang, vastgesteld op 22 november 2016 en bestemmingsplan ‘2e herziening bestemmingsplan De Afhang, vastgesteld op 16 april 2019. Binnen deze bestemmingsplannen zijn de bouwregels en de afwijkingsregels binnen de bestemming ‘woongebied’ aangepast. Tot slot ligt het plangebied gedeeltelijk binnen bestemmingsplan ‘Herverkaveling Schoolstraat 90 Horst, vastgesteld op 8 juli 2014. Het plangebied heeft binnen dit bestemmingsplan de bestemming ‘Woongebied’. Deze bestemmingsplannen staan eveneens de beoogde inrichting van het plangebied niet toe. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk (conform artikel 3.1 Wro). In het voorliggende bestemmingsplan wordt zodoende de nieuwe bestemming voor de gronden wettelijk geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en onderhavige toelichting.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de westzijde van de kern van Horst. De locatie is gelegen in het bebouwd gebied van de gemeente Horst aan de Maas. Onderhavig plangebied omvat de percelen, kadastraal bekend als Horst, sectie N, nrs. 397, 2751, 2755, 2760, 2761, 2762, 2780, en 2781.

Figuur 1.2: Uitsnede kadastrale ondergrond met aanduiding plangebied rood omlijnd

Hoofdstuk 1

5

1.3 Vigerende bestemmingsplannen Bestemmingsplan ‘De Afhang’ Het plangebied valt onder de werking van het bestemmingsplan ‘De Afhang, onherroepelijk sinds 19 oktober 2011. Het plangebied heeft binnen dit bestemmingsplan de bestemmingen ‘Groen’, ‘Wonen’, ‘Woongebied’ en ‘Verkeer’. Daarnaast zijn de dubbelbestemmingen ‘Waterstaat - Waterbergingsgebied’ en ‘Waterstaat – Waterlopen’ op een deel van het plangebied gelegen.

Figuur 1.3: Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘de Afhang’ met ligging plangebied (rood omlijnd)

Bestemmingsplan ‘Herverkaveling Schoolstraat 90 Horst’ Daarnaast valt een gedeelte van het plangebied onder het bestemmingsplan ‘Herverkaveling Schoolstraat 90 Horst’, zoals vastgesteld op 8 juli 2014 door de gemeenteraad van Horst aan de Maas. Het gedeelte van het plangebied dat onder dit bestemmingsplan valt heeft de bestemming ‘Woongebied’.

Hoofdstuk 1

6

Figuur 1.4: Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Herverkaveling Schoolstraat 90 Horst' met ligging plangebied (rood omlijnd)

Bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan De Afhang’ Verder valt het plangebied eveneens onder de werking van bestemmingsplan ‘1 e herziening bestemmingsplan De Afhang’, vastgesteld op 22 november 2016. Dit bestemmingsplan herziet enkele regels van bestemmingsplan ‘De Afhang’ en herziet de bestemming binnen enkele locaties binnen het plangebied. Op grond van dit bestemmingsplan heeft een gedeelte van de planlocatie de bestemming ‘Woongebied’ en ‘Verkeer’.

Figuur 1.5: Uitsnede vigerend bestemmingsplan '1e herziening bestemmingsplan De Afhang' met ligging plangebied (rood omlijnd)

Hoofdstuk 1

7

Bestemmingsplan ‘2e herziening bestemmingsplan De Afhang’ Tot slot valt het bestemmingsplan onder bestemmingsplan ‘2e herziening bestemmingsplan De Afhang’, vastgesteld op 16 april 2019. Dit bestemmingsplan wijzigt ook een aantal regels van bestemmingsplan ‘De Afhang’. De vigerende bestemmingsplannen laten het initiatief niet rechtstreeks toe en er zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk kunnen worden gemaakt. Derhalve is het besluit genomen om het voorliggende nieuwe bestemmingsplan op te stellen.

1.4 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In het volgende hoofdstuk vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie en wordt tevens ingegaan op het wettelijke onderzoekskader. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de gewenste ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de wijze van bestemmen opgenomen.

Hoofdstuk 1

8

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1 Ruimtelijke structuur Het plangebied maakt onderdeel uit van uitbreidingsgebied De Afhang. Dit betreft een woonwijk die deels nog in aanbouw is. In De Afhang worden ruim 500 woningen gerealiseerd. Uitgangspunt in het plan is de hoogwaardige en duurzame ruimtelijke kwaliteit van zowel de bebouwing als de openbare ruimte. Het uitbreidingsgebied is opgesplitst in verschillende fases. Fase A, B en C zijn inmiddels gerealiseerd. Onderhavig initiatief valt onder fase D.

Figuur 2.1: Luchtfoto met ligging plangebied (rood omlijnd)

2.2 Functionele structuur Het plangebied is gelegen ten westen van het centrum van Horst en grenst aan de Almeweg, Westsingel, Schoolstraat en de Grad Roosenstraat. De gronden binnen onderhavig plangebied betreffen momenteel nog onbebouwde gronden.

Hoofdstuk 3

9

Figuur 2.2: Aanzicht plangebied vanuit Grad Roosenstraat (Google Streetview 2021)

2.3 Relatie beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan en stedenbouwkundig ontwerp Het bestemmingsplan vormt een juridische verankering van het stedenbouwkundig ontwerp inclusief een toelichting op de planvorming. Het stedenbouwkundig ontwerp is het gewenste eindbeeld voor de ontwikkeling. Naast het bestemmingsplan, waarin het stedenbouwkundig ontwerp (Bijlage 1) is opgenomen, is een beeldkwaliteitsplan de Afhang (Bijlage 2) opgesteld, dat door de gemeenteraad gelijktijdig met het bestemmingsplan zal worden vastgesteld als onderdeel van de Welstandsnota. Dat document zal fungeren als welstandstoetsingskader voor de vergunningsaanvragen voor deze locatie. Voor de woningen en de openbare ruimte zijn hierin regels opgenomen om het gewenste eindbeeld te realiseren.

Hoofdstuk 3

10

3.

BELEID

In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.2, § 3.3, § 3.4 en § 3.5). Bij het rijksbeleid wordt onder andere ingegaan op de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van Provinciale Omgevingsvisie 2021 (POVI), een overkoepelend beleidsstuk. In het kader van het regionaal beleid wordt onder andere ingegaan op de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt ingegaan op diverse relevante gemeentelijke beleidsstukken, waaronder de Structuurvisie Horst aan de Maas.

3.1 (Europees) en Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel;  sterke en gezonde steden en regio’s;  toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen.

Hoofdstuk 3

11

De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. beperken van klimaatverandering; 11. realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. waarborgen van de waterveiligheid en de klimaat-bestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16.

waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agro-productie; 19. behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (in-ter)nationaal belang; 20. verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Onderhavige ontwikkeling is dermate kleinschalig dat geen nationale belangen in het geding zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.

Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken,

Hoofdstuk 3

12

veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door. In het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het plan is dan ook in lijn met het Barro. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. Afweging Aangezien onderhavig bestemmingsplan geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat, vormt de ligging binnen het radarverstoringsgebied geen belemmering.

3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: ‘De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Uit de jurisprudentie1 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’ (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

1

o.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319)

Hoofdstuk 3

13

Afweging Het bestemmingsplan maakt de bouw van 80 woningen mogelijk. Er is derhalve sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Door BRO is een ladderonderbouwing 2 opgesteld. De volledige ladderonderbouwing is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Passend binnen beleidskaders Het planinitiatief past binnen de gestelde beleidskaders en draagt bij aan de beleidsdoelstellingen van Rijk, provincie, regio en gemeente:  Provinciaal, regionaal en gemeentelijk wordt benadrukt dat doorstroming van belang is om een toekomstbestendige woningmarkt te creëren met voldoende woningen van de juiste kwaliteit, waarvan de woningen beschikbaar en betaalbaar zijn. Het initiatief zet in op een gevarieerd programma met o.a. levensfasebestedingen woningen.  Het initiatief draag bij aan de provinciale ambitie van voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. Bovendien past de ontwikkeling binnen de huidige maatschappelijke context, waarin sprake is van een significante woningbehoefte, onder meer voor de doelgroepen starters, ouderen, evenals het levensloopbestendig maken van woningen. Het beoogde gevarieerde programma met tevens aandacht voor levensloopbestendigheid geeft hier invulling aan.

 Regionaal en gemeentelijk wordt aandacht besteed aan de leefbaarheid van kleine kernen en daar de doorstroming op gang te laten komen. Specifiek moet in de kernen gebouwd worden naar behoefte. Voor de kern Horst geldt dat de kern bouwt naar eigen woningbehoefte aangezien zij getypeerd wordt als ‘centrumdorp’. Doorstroming op de woningmarkt staat centraal en om dit voor elkaar te krijgen is actie nodig: versnellen, versterken en doorzetten. De toevoeging van 80 woningen draagt nadrukkelijk bij aan dit doel.  Het plan is in 2016 in regionaal verband afgestemd en akkoord bevonden.  Tot slot geldt dat woningbouw plaats dient te vinden binnen of direct aansluitend aan het bestaande dorpsgebied. Hiervan is sprake bij het initiatief Afhang fase D. Kwantitatieve behoefte De beoogde ontwikkeling van 80 woningen in Afhang fase D voorziet nadrukkelijk in een kwantitatieve behoefte:  De regio Noord-Limburg vindt het van belang dat de plancapaciteit in lijn is met de huishoudensprognose, zodat er kan worden gebouwd naar de reële behoefte. Het aantal huishoudens in de gemeente Horst aan de Maas neemt tot 2031 toe met ruim 1.400, een stijging van circa 7,7%. De aanzienlijke behoefte in de gemeente Horst aan de Maas wordt onderschreven in het gemeentelijke Masterplan Wonen. Daarin wordt alleen al tot 2025 ingezet op de vergunning van circa 1.000 extra woningen.

 Het aantal huishoudens neemt relatief meer toe dan het inwonertal, wat betekent dat de gemiddelde omvang van huishoudens de komende jaren afneemt. Dit sluit aan bij de landelijke trends van individualisering en vergrijzing (toename van een- en tweepersoons huishoudens).  De huishoudensontwikkeling geeft een reëel beeld van de woningbehoefte. Wanneer de actuele woningbehoefte (rekening houdend met opgeleverde woningen) wordt afgezet tegen de bestaande harde plancapaciteit blijkt dat er in de gemeente Horst aan de Maas onvoldoende harde plancapaciteit is om in de behoefte te voorzien. Het beeld in de woonregio’s 2

BRO, ‘Ladder voor Duurzame verstedelijke Afhang fase D te Horst’, projectnr.: P05084, d.d. 3 maart 2023

Hoofdstuk 3

14

Venlo en Venray is vergelijkbaar. Dit betekent dat er ruimte is om de 80 woningen in Afhang fase D toe te voegen. Kwalitatieve behoefte Het initiatief Afhang fase D, waarbij 12 appartementen, 18 rijwoningen, 30 twee-onder-een-kapwoningen en 13 vrijstaande woningen worden gerealiseerd in een landelijke sfeer en met een groen karakter, voorziet in een kwalitatieve behoefte:  Door de demografische ontwikkeling (vergrijzende bevolking en afname van jongeren en huishoudens zonder kinderen) is in de regio Noord-Limburg én specifiek in de kleine kernen een nadrukkelijke behoefte aan woningen welke geschikt zijn voor ouderen, jongeren en gezinnen. Horst groeit de komende tien jaar het hardst van alle kernen in de gemeente Horst aan de Maas.  Van belang is dat de toekomstbestendigheid en leefbaarheid van kernen en woningen in acht wordt genomen. Kernpunten zijn om levensloopbestendig te bouwen en de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen. Het initiatief geeft hier invulling aan door levensfasebestendige woningen (appartementen) toe te voegen aan de woningvoorraad én reguliere rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen te realiseren. Beide is van belang om het gebied leefbaar te houden zoals dit gewenst is vanuit regionaal en gemeentelijk beleid en de behoefte/woonwensen.

 Op de korte termijn is nog altijd sprake van behoefte aan reguliere grondgebonden woningen, zoals rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Te meer omdat dit de gewenste doorstroom op de woningmarkt bevordert. Deze vraag komt met name van jonge huishoudens en gezinnen, die naar verwachting tot 2030 blijven toenemen. Bovendien is ook een deel van de groeiende groep ouderen nog vitaal en wil graag in een reguliere grondgebonden woning blijven wonen.  De behoefte aan levensloopbestendige woningen (appartementen) wordt meermaals benadrukt. Bij nieuwbouw is het van belang om in te zetten op woningen die qua omvang en uitstraling interessant zijn voor starters, maar tegelijkertijd volledig geschikt zijn (of geschikt te maken) voor ouderen.  Tot slot is er de behoefte om nieuwbouwplannen toekomstbestendig te ontwikkelen. De gemeente hanteert een beleid voor nieuwbouwplannen dat moet bestaan uit 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop, met ruimte voor maatwerk. Het initiatief Afhang fase D realiseert 35% sociale huur en 65% koop. Geen onaanvaardbare leegstandseffect Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het realiseren van Horst Afhang fase D onaanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden.

De woningbehoefte in de gemeente én specifiek in de kern Horst is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor het realiseren van nieuwe woningen. Bovendien heeft een gezonde woningmarkt 2% leegstand volgens het Planbureau voor de Leefomgeving. De gemeente Horst aan de Maas en de regio Noord-Limburg hadden in 2021 een woningleegstand van 2%. Gesitueerd binnen bestaand stedelijk gebied Voor de onderbouwing via de Ladder is relevant of de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt binnen of buiten het bestaand stedelijk gebied. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve

Hoofdstuk 3

15

van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.  Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan de volgende bestemmingen: Groen, Wonen, Woongebied en Verkeer. Dit betekent dat het plangebied een stedelijke functie heeft.  In de directe omgeving zijn stedelijke functies gelegen. Op de aangrenzende percelen zijn de bestemmingen Groen, Verkeer, Wonen en Woongebied vigerend. Gezien het voorgaande is dus sprake van een ligging ‘binnen bestaand stedelijk gebied’ en is een verder motivering op dit punt niet nodig. 3.1.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie.

In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b. van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.7.

Hoofdstuk 3

16

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. De Provinciale omgevingsvisie Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast is reeds een omgevingsverordening vastgesteld op 17 december 2021 om het beleid juridisch te verankeren. Deze wordt verder behandeld onder paragraaf 3.3.3. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2024. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.

Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;  een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend.

Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit

Hoofdstuk 3

17

terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking.

Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in regionale en gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.4 en 3.5).

Onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 80 woningen in Horst. Het initiatief maakt onderdeel uit van de herverkaveling van De Afhang en wijzigt een deel van een bestaand woningbouwplan. De beoogde woningbouw is afgestemd op de actuele behoefte en draagt bij aan de provinciale ambitie van voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek. Bovendien past de ontwikkeling binnen de huidige maatschappelijke context, waarin sprake is van een significante woningbehoefte, onder meer voor de doelgroepen starters, ouderen, evenals het levensloopbestendig maken van woningen. Het beoogde gevarieerde pro-

Hoofdstuk 3

18

gramma met tevens aandacht voor levensloopbestendigheid geeft hier invulling aan. Het initiatief voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.1.4.) en is in lijn met de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ en het gemeentelijk ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Provinciale omgevingsvisie’. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Het POL2014 is inmiddels vervangen door de POVI, welke is beschreven onder paragraaf 3.3.1. Nu de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening gelijk is aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2024 blijft tot die tijd de huidige Omgevingsverordening 2014 van kracht. In dat kader zal deze ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan tevens worden meegenomen. Hoofdstuk 2 ‘Ruimte’ In artikel 2.2.2 ‘duurzame verstedelijking’ is ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. In het kader van onderhavig plan is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Hiertoe heeft in paragraaf 3.1.4 reeds een afweging plaatsgevonden. In artikel 2.4.2 ‘wonen’ is omschreven dat een ruimtelijk plan in de regio Noord-Limburg niet mag voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen. De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg'. In paragraaf 3.3.1 wordt hier nader op ingegaan. Milieubeschermingsgebieden Het plangebied is volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening gelegen binnen de milieubeschermingszone ‘Boringsvrije zone Venloschol’.

Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering.

Hoofdstuk 3

19

Motivatie klimaatadaptatie Vooruitlopend op de ontwerp wijziging provinciale omgevingsverordening Limburg is een motivatie van de klimaat adaptieve maatregelen vereist. Dit is vastgelegd in de Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014, in werking getreden op 19 januari 2023. Hierin dient beschreven te worden hoe in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering en welke maatregelen en voorzieningen worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt (wateroverlast, droogte en hittestress). Wateroverlast, droogte en hittestress Om wateroverlast in het plangebied zo veel als mogelijk te voorkomen zijn mede de hoven aangelegd. De hoven vormen belangrijke robuuste groenstructuren in het plan en krijgen deels een functie als waterberging. Deze hoven zorgen voor een vermindering van mogelijke wateroverlast. Daarnaast bestaan er mogelijkheden om waterdoorlatende tegels te leggen, hoogteverschil aan te brengen in tuinen, het graven van een regenwaterbuffer of wadi, het aanplanten van bomen, het plaatsen van infiltratiekratten of het plaatsen van sedumdaken. De openbare ruimtes worden groen ingericht die doorzicht bieden naar het landschap.

De groene inrichting zal attractief, biodivers, klimaatadapatief en gedifferentieerd zijn met bomen en heesters om potenties voor vergroting van natuurwaarden te benutten en om hittestress te voorkomen. In de groene inrichting worden eveneens wadi’s, greppels en duikers aangelegd om wateroverlast te voorkomen. In de toekomstige situatie zal het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) worden ingezameld en binnen de planlocatie worden verwerkt. Water wordt daardoor bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. Dit komt ten goede aan de bestrijding van droogte van het plangebied en draagt bij aan de retentie van het grondwaterpeil. Ter voorkoming van hittestress is beoogd om de woningen te voorzien van goede isolering. Afweging Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Onderhavig plan is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’. 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet.

Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. De inwerkingtreding is voorzien op 1 januari 2024 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmer-

Hoofdstuk 3

20

kelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Landelijke kernen’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen. Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevings-plan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e.

realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

Afweging In dit bestemmingsplan is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. Ook is de ontwikkeling in lijn met de Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024 welke wordt behandeld onder paragraaf 3.4. Bovendien wordt met de bouw van de woningen spoedig een aanvang gemaakt, tenminste binnen 5 jaar na de verleende vergunning. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen. Tot slot wordt het plan opgenomen op de Plancapaciteitsmonitor Limburg. 3.2.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd.

Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk

Hoofdstuk 3

21

worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied.

Afweging De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM 'doorvertaald' naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen. Voor een nadere afweging hieromtrent zie paragraaf 3.4.1.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.

Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten:  toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  gekeken dient te worden naar koppelkansen;  toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  de regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;  zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:  Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.  Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.  Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.  Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

Hoofdstuk 3

22

Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. In het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad.

Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn:  De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen.  Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.

Hoofdstuk 3

23

Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)

Afweging Regionaal wordt aandacht besteed aan de leefbaarheid van kleine kernen en daar de doorstroming op gang te laten komen. Specifiek moet in de kernen gebouwd worden naar behoefte. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. Middels het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal 80 woningen mogelijk gemaakt in Horst. De realisatie van de beoogde woningen zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot doordat de beoogde woningbouw is afgestemd op de actuele behoefte en voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek worden gerealiseerd. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee in overeenstemming met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig:  De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn.  De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden.  De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid

Hoofdstuk 3

24

gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst.

Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. In de structuurvisie zijn 19 projecten ter verbetering van omgevingskwaliteit benoemd. Geen van deze projecten is gepland in of in de directe omgeving van het plangebied. Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken.

Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied.

Hoofdstuk 3

25

Het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: a. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. b. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. c. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. d. De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar. Het plangebied is gelegen binnen deelgebied 6A ‘Centrumdorpen’. Voor projectmatige woningbouw in uitleggebieden geldt hiervoor een meedenkende grondhouding (ja, mits). Dit dient echter wel zoveel mogelijk aansluitend op bestaande dorpen plaats te vinden. Gezien de ligging van onderhavig plangebied (in het westen van de kern Horst) is dit het geval.

Figuur 3.1: Uitsnede kaart 'Gebiedsindeling Gemeentelijk Kwaliteitsmenu' uit Structuurvisie 'Horst aan de Maas' met ligging plangebied (rood omcirkeld)

Dit betekent dat volgens de structuurvisie en het Gemeentelijk kwaliteitsmenu daarin, sprake dient te zijn van een kwaliteitsbijdrage van € 5,- per m² plangebied ten behoeve van de realisering van groen, natuur, landschap en herstel landschappelijke cultuurhistorie. Vanwege de ligging binnen gebied met een meedenkende grondhouding dient dit bedrag te worden vermenigvuldigd met een factor 1,2. Dit betekent een kwaliteitsbijdrage van € 6,- per m² plangebied. Deze kwaliteitsbijdrage wordt meegenomen in de exploitatie van het plan.

Hoofdstuk 3

26

Evaluatie structuurvisie Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014 – juli 2015 en heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. De module 'Projectmatige woningbouw' is daarbij gewijzigd in de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' De module ‘projectmatige woningbouw’ is enkel van toepassing in exploitatiegebieden. De exploitatiegebieden zijn opgenomen in het woningbouwprogramma ‘Woningbouw Horst aan de Maas 2014-2024’. Het woningbouwprogramma is gebaseerd op bevolkingsonderzoek en voorziet in de woningbehoefte tot 2024. Naast uitbreidingsplannen zijn ook de herontwikkelingslocaties opgenomen in het woningbouwprogramma. In de structuurvisie is een overzicht opgenomen van de exploitatiegebieden. Wanneer een nieuw woningbouwprogramma vastgesteld wordt, zal ook deze lijst aangepast worden. Afweging Het uitbreidingsgebied is gelegen binnen gebied waarvoor een meedenkende grondhouding (ja, mits) geldt volgens de structuurvisie. Aan de voorwaarden in het gemeentelijk kwaliteitsmenu voor de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' wordt voldaan, aangezien in de exploitatie van het plan rekening is gehouden met de vereiste kwaliteitsbijdrage van € 6,- per m² plangebied.

Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie. 3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 – 2025 Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2021-2025, dat in april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De hoofdopgaves voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, betreft vooral een nieuwbouwopgave met als hoofddoelen: 1. Tot en met 2025 1.000 woningen vergunnen; 2. Bouwen naar behoeften. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2021-2025):  Kaders als basis voor mogelijkheden; Door verwachtingen en eisen aan de voorkant helder te hebben, weten ontwikkelaars, corporaties en inwoners waar ze aan toe zijn. Dit zorgt voor enthousiasme, een gedeelde visie en een snellere doorloop.  Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang; We kennen de woonvragen en -behoeften van onze inwoners: nu, morgen en volgend jaar – op zowel gemeenteniveau als in de individuele kernen. We weten op elk moment in het jaar of we nog op koers liggen.  Maatwerk per kern; Elke kern heeft zijn eigen karakter. Die eigenheid moet doorklinken in de woningopgave en de invulling ervan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13195658/1