CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029

Gemeenteraad 1 juni 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de Nota Bodembeheer Limburg-Noord 2020-2029.24.209 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Module regelgeving

| 40

[Module 2 regelgeving]

2.2.1 Onderzoek bij gebruik bodemkwaliteitskaart Vooronderzoek NEN 5725 Het doel van het vooronderzoek NEN 5725 is om inzicht te krijgen in de eventuele aanwezigheid van (punt)verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Zonder een goed en gedegen vooronderzoek, is het niet mogelijk om een goede uitspraak te doen over een eventueel vervolgonderzoek. Ook is een vooronderzoek nodig voor een juiste interpretatie van de resultaten van een bodemonderzoek of de gegevens van een bodemkwaliteitskaart. De Regio hecht daarom veel waarde aan het correct uitvoeren van een vooronderzoek conform NEN 5725. Bij veel procedures wordt begonnen met een NEN 5725 vooronderzoek. De zwaarte van eventueel vervolgonderzoek is afhankelijk van de aanleiding en van de mate van verdenking van aanwezige bodemverontreiniging. Er zullen potentieel verdachte locaties zijn waarbij een verkennend bodemonderzoek kan aantonen dat de kwaliteit van de locatie toch blijkt aan te

sluiten bij de te verwachten kwaliteit van de bodemkwaliteitskaart. De eerdere verdenking is dan onterecht. In dergelijke gevallen kan alsnog gebruik worden gemaakt van de aandachtsgebieden milieuhygiënische verklaring. In de paragrafen 2.3, 2.4 en 2.5 is voor elk spoor nader toegelicht wanneer de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel gebruikt kan worden. Bij grotere verharde oppervlaktes dient er in het vooronderzoek uitsluitsel gegeven te worden over de eventueel toegepaste funderingslaag onder de verharding en de eventuele asbestverdachtheid hiervan. Bij het ontbreken van voorinformatie hierover kan het noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld profileringsboringen uit te voeren als aanvulling op het vooronderzoek.

Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Op de BKK ontgravingskaarten zijn enkele gearceerde gebieden weergegeven in de gemeenten Roermond en Weert. Vanwege de heterogene bodemkwaliteit van deze gebieden in Roermond en de mogelijke aanwezigheid van zinkassen in Weert is enkel een vooronderzoek onvoldoende. Feitelijk bodemonderzoek conform NEN 5740 is hier altijd nodig. Indien een verkennend bodemonderzoek wordt gedaan dan kan dat onderzoek alleen maar worden gebruikt om aan te tonen of de grond voldoet aan de in de bodemkwaliteitskaart vastgestelde bodemkwaliteitsklasse. Het verkennend onderzoek heeft slechts een indicatief karakter. Wanneer de te ontgraven grond wordt onderzocht door middel van een partijkeuring dan geldt die keuring als een erkende milieuhygiënische verklaring. De partijkeuring bepaald dan de kwaliteit van de te ontgraven grond. In niet-gezoneerde gebieden moet een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd op de toepassingslocatie en moet een partijkeuring worden gedaan of een fabrikanteigen-verklaring worden overlegd

Module regelgeving

| 41

[Module 2 regelgeving]

van de toe te passen grond. De resultaten van het verkennend bodemonderzoek van de toepassingslocatie in combinatie met de functiekaart vormen de dubbele toets waaruit moet blijken of een gekeurde partij grond toepasbaar is binnen een niet gezoneerd gebied. Alleen bij schone grond die onderzocht is met een partijkeuring of fabrikant-eigenverklaring kan een verkennend bodemonderzoek van de toepassingslocatie achterwege blijven.

2.2.2 Onverwachte situaties (zorgplicht) Het kan voorkomen dat tijdens de ontgraving toch onverwacht een (mogelijke) afwijking van de bodemkwaliteit wordt geconstateerd. Een dergelijke onverwachte situatie doet zich voor indien: • De grond een afwijkende kleur, geur of samenstelling heeft (bijvoorbeeld benzinegeur); • De grond een bijmenging aan bodemvreemde materialen bevat (puin, gruis, kooltjes, etc.) waardoor wordt verwacht dat

•

de bodemkwaliteitskaart niet meer representatief is voor de milieuhygiënische kwaliteit, of waardoor redelijkerwijs vermoed kan worden dat de bijmenging de bodemkwaliteit negatief kan beïnvloeden; In de grond visueel asbest (verdacht materiaal) wordt waargenomen.

In die gevallen kan de bodemkwaliteitskaart niet gebruikt worden als milieuhygiënische verklaring. Bij waarnemingen van bijvoorbeeld benzinegeur, asbestverdacht materiaal en blauwkleurige grond kan er sprake zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Wordt een onverwachte situatie aangetroffen, dan moeten de graaf- en/of toepassingsactiviteiten altijd worden gestaakt en moet de situatie worden gemeld bij de gemeente. Vervolgens wordt de verdere voortgang bepaald.

Voorbeeld: onverwachte situatie bijmenging De ondergrond van een locatie uit een stadscentrum wordt op basis van de bodemkwaliteitskaart ergens anders in de gemeente toegepast als bovengrond in de zone landbouw/natuur. Volgens de bodemkwaliteitskaart is er in beide gevallen sprake van grond die voldoet aan de Achtergrondwaarde en volgens het vooronderzoek is er sprake van een onverdachte locatie. Tijdens het graven in de centrumlocatie blijkt er 5 tot 10% puin in de ondergrond aanwezig te zijn. Deze zintuiglijk waarneembare bijmenging past niet bij de kwalificatie schone ondergrond en heeft een verdacht karakter. Toepassing van de grond is dan niet toegestaan op basis van de BKK. Er is een partijkeuring nodig om na te gaan of de grond in een andere zone of in een grootschalige bodemtoepassing (GBT) toegepast kan worden. Afvoeren van de grond is een alternatief. (Voor meer informatie over GBT, zie paragraaf 2.3.4).

Module regelgeving

| 42

[Module 2 regelgeving]

2.2.3 Voorrang bewijsmiddelen Het uitgangspunt is om de BKK zoveel mogelijk als bewijsmiddel te gebruiken binnen de sporen. In sommige gevallen kunnen er bij grondverzet of bij het doorlopen van een ruimtelijke procedure al eerdere onderzoeken bekend zijn. Voorbeelden zijn een verkennend bodemonderzoek bij een RO-procedure of een partijkeuring bij grondverzet. De informatie uit deze onderzoeken is mede bepalend voor de vraag of de bodemkwaliteitskaart een voldoende betrouwbare uitspraak doet over de bodemkwaliteit ter plaatse. Informatie uit eerdere onderzoeksrapporten kan en mag daarbij niet worden genegeerd. Van belang is of de resultaten van het verkennend bodemonderzoek binnen de statistische variatie liggen van de zone waaruit de partij grond ontgraven is of gaat worden. Als de resultaten passen binnen de statistische variatie en er is geen sprake van een verdachte (puntbron)locatie, dan kan de bodemkwaliteitskaart gebruikt worden.

Een partijkeuring is een zelfstandig bewijsmiddel voor grondverzet en heeft voorrang op de veronderstelde kwaliteit op basis van de BKK. Een verkennend onderzoek is bij grondverzet geen zelfstandig bewijsmiddel, maar kan net als een vooronderzoek worden gebruikt om aan te tonen dat de grond van een ontgravingslocatie voldoet aan de veronderstelde kwaliteit van de ontgravingskaart. Indien de resultaten uit het verkennend onderzoek overeenkomen met de veronderstelde kwaliteit dan kan de BKK dienen als bewijsmiddel voor grondverzet. Indien het onderzoek een slechtere kwaliteit aantoont, kan grondverzet alleen plaatsvinden nadat er een partijkeuring is uitgevoerd.

Voorbeeld 1: grondverzet In een gemeente binnen de regio wil een initiatiefnemer 140 m3 grond verzetten van een onverdachte locatie in het buitengebied naar een andere locatie in de gemeente. Op basis van de Nota is dit toegestaan met de BKK als milieuhygiënische verklaring. Uit het vooronderzoek NEN 5725 blijkt al een partijkeuring beschikbaar te zijn van de ontgravingslocatie. Uit de partijkeuring blijkt dat de bodemkwaliteit van de ontgravingslocatie matig is verontreinigd met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (klasse industrie) door restanten van een oude parkeerplaats. De resultaten van een partijkeuring hebben altijd voorrang op de BKK waardoor dit grondverzet niet is toegestaan. Afvoer kan naar een verwerker of een GBT, of de grond krijgt een nuttige toepassing in of buiten de regio waar klasse industrie is toegestaan.

Module regelgeving

| 43

[Module 2 regelgeving]

Voorbeeld 2: grondverzet In een gemeente binnen de regio wil een initiatiefnemer 200 m3 grond verzetten van een onverdachte locatie in het buitengebied naar een andere locatie in de gemeente. Op basis van de Nota is dit toegestaan met de BKK als milieuhygiënische verklaring. Uit het vooronderzoek blijkt dat er al een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd op de ontgravingslocatie. In 2 van de 5 grondmengmonsters van de bovengrond is het gehalte zink vergelijkbaar met de klasse wonen. Het gemiddelde gehalte aan zink in de bovengrond is ongeveer 1,5 x de Aw. In dit soort gevallen is sprake van maatwerk en dient de initiatiefnemer contact op te nemen met het bevoegde gezag. In dit geval ligt het gehalte dusdanig dicht bij de berekende gemiddelde zonekwaliteit dat er geen sprake is van zonevreemde gehalten. De BKK kan hierdoor als bewijsmiddel gebruikt worden voor het voorgenomen grondverzet. Voorbeeld 3: omgevingsvergunning bouwen In een gemeente wil een initiatiefnemer een woning bouwen en hij vraagt hiervoor een omgevingsvergunning aan. De woning wordt gebouwd in de zone landbouw/natuur. Uit het vooronderzoek blijken geen verdachte activiteiten, maar er is wel een oud indicatief onderzoek bekend. Uit dit onderzoek blijkt dat er destijds lichte verontreinigingen zijn aangetoond met koper, zink en PAK met de kwaliteit industrie.

De waarden zijn aanmerkelijk hoger dan de gemiddelde zonekwaliteit maar er is geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De BKK blijkt hierdoor samen met het indicatief onderzoek geschikt te zijn als bewijsmiddel voor de procedure die doorlopen moet worden. Sanerende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Vanwege de kwaliteit industrie is grondverzet naar een andere locatie op basis van de BKK niet mogelijk aangezien de kwaliteit van de grond naar verwachting niet overeenkomt met de gebiedskwaliteit. Voor toepassing elders is een partijkeuring nodig.

Module regelgeving

| 44

[Module 2 regelgeving]

2.2.4  Geldigheidstermijn en actualisatie bewijsmiddelen In deze Nota zijn geen eisen vastgelegd over de geldigheidstermijn van eerder uitgevoerde onderzoeken. In zijn algemeenheid geldt dat er sprake moet zijn van representatieve gegevens. Om de representativiteit van een onderzoek te bepalen, moeten de volgende zaken worden afgewogen: • Wijzigingen in het gebruik van een perceel sinds de uitvoering van het eerdere onderzoek; • Bodembedreigende activiteiten die hebben plaatsgevonden sinds het uitvoeren van het eerdere onderzoek; • Verrichtte grondwerkzaamheden op een perceel; • Calamiteiten op een perceel; • Asbestverdachtheid van een perceel; • Mobiliteit van eerder aangetoonde verontreinigingen; • Stortingen bij een partij grond; • Wijzigingen in stoffenpakketten, toetsingsnormen, protocollen en/ of richtlijnen.

Indien een onderzoek niet meer representatief is voor een locatie of een partij, dient de initiatiefnemer opdracht te geven tot een vooronderzoek, bodemonderzoek of partijkeuring.

Module regelgeving

| 45

[Module 2 regelgeving]

2.3

Spoor 1: Grondverzet 2.3.1

Inleiding •

Het Besluit bodemkwaliteit vormt het wettelijke kader bij hergebruik van grond. Deze paragraaf beschrijft de spelregels die gelden voor grondverzet binnen de regio. Dit geeft een uitgebreid beeld van generieke regels (deels met een regionale invulling), van samenhangende regels (voortvloeiend uit provinciaal beleid) en van zaken die in de praktijk vaak tot interpretatieverschillen leiden (zoals wegen en bermen). Deze paragraaf geeft een nadere toelichting voor onderstaande aspecten: • Grootschalige bodemtoepassing

• •

• • •

(zie paragraaf 2.3.4); Tijdelijke uitname en tijdelijke opslag (zie paragraaf 2.3.5); Melden (zie paragraaf 2.3.6); Zintuiglijke bijmengingen en duurzaam grondverzet (zie paragraaf 2.3.7); Agrariërs en particulieren (zie paragraaf 2.3.8); Provinciale regelgeving (zie paragraaf 2.3.9); Grondverzet binnen wegen en bermen (zie paragraaf 2.3.10).

Naast de opgesomde aspecten gelden onverkort de algemene generieke regels. Dat

er bij grondverzet sprake moet zijn van een nuttige en een functionele toepassing is hier een voorbeeld van. Daarnaast geldt altijd de zorgplicht. Uitgangspunt: voor zover niet nader ingevuld in deze Nota, gelden de generieke regels uit het Besluit bodemkwaliteit.

Voordat wordt ingaan op het gebruik van de BKK binnen het grondverzetspoor worden de hergebruiksmogelijkheden binnen de gehele regio inzichtelijk gemaakt met een grondstromenmatrix.

Module regelgeving

| 46

Roerdelta

Wonen Roermond Binnenstad

Landbouw/Natuur

Ondergrond (toepassingskaart)

Roerdelta

Wegbermen Nederweert

Industrie

Van:

Wonen

De grondstromenmatrix toont de hergebruiksmogelijkheden binnen de Regio in de verschillende deelgebieden/zones. De grondstromenmatrix houdt rekening met de dubbele toetsing die binnen het generieke kader van de BKK geldt voor het toepassen van grond: de kwaliteit van de toe te passen grond moet gelijk zijn aan of beter zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem én de kwaliteit van de toe te passen grond mag geen belemmering vormen voor het gewenste gebruik van de locatie.

Landbouw/Natuur

2.3.2  Grondstromenmatrix regio Limburg Noord 2017-2022

Bovengrond (toepassingskaart)

Naar:

Industrie Roermond Havengebied

[Module 2 regelgeving]

Bovengrond (ontgravingskaart) Landbouw/Natuur Wonen Industrie Wegbermen Nederweert Roerdelta Ondergrond (ontgravingskaart) Landbouw/Natuur

De generieke grondstromenmatrix is opgenomen in Tabel 6. De toepassingskaarten boven- en ondergrond zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 4.

Wonen Roermond Binnenstad *)

Tabel 6 Grondstromenmatrix

BKK kan dienen als milieuhygienische verklaring indien door middel van een NEN 5725 onderzoek is aangetoond dat de ontgravingslocatie onverdacht is. Voor de op de ontgravingskaart gearceerde gebieden in Weert en Roermond gelden specifieke eisen (zie nota bodembeheer).

Industrie Roermond Havengebied *) Roerdelta

Hergebruik binnen Roerdelta is alleen mogelijk op basis van de voorwaarden die staan beschreven in de Nota bodembeheer van de regio Limburg Noord BKK kan niet worden gebruikt als milieuhygienische verklaring. Er dient onderzoek plaats te vinden conform de geldende wetten en normen. *) Alleen in Roermond zijn in de ondergrond enkele gebieden waar de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor Landbouw/Natuur.

Module regelgeving

| 47

[Module 2 regelgeving] PROCEDURE GRONDVERZET

2.3.3 Stroomschema grondverzet In Afbeelding 1 is weergegeven op welke wijze de BKK gebruikt kan worden als milieuhygiënische verklaring bij grondverzet in de regio. Het stroomschema is een hulpmiddel dat mogelijk niet voor alle situaties voldoende duidelijkheid biedt. In die gevallen ligt de uiteindelijke beslissing bij de betreffende gemeente.

De bodemkwaliteitskaart (BKK) geeft een indicatie van de gemiddelde bodemkwaliteit op onverdachte locaties binnen een gezoneerd gedeelte van de BKK. Verdachte locaties, puntbronnen en bekende verontreinigingen maken geen deel uit van de diffuse bodemkwaliteit en zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. De BKK in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 kan in onverdachte situaties gebruikt worden om de bodemkwaliteit te bepalen. De keuze is aan de initiatiefnemer om wel of geen gebruik te maken van de bodemkwaliteitskaart (zie disclaimer Nota bodembeheer Limburg Noord)

STAP IS TOEPASSING VOLGENS DE GRONDSTROMENMATRIX TOEGESTAAN?

01

De grondstromenmatrix uit de BKK geeft de hergebruiksmogelijkheden weer binnen de Regio. Deze matrix volgt uit de ontgravingsen toepassingskaart. Alleen als toepassing is toegestaan kan de BKK als bewijsmiddel dienen (stap 2). In alle andere gevallen is een partijkeuring noodzakelijk.

CHECK OP VERONTREINIGING

STAP

02

Bij grondverzet dient een vooronderzoek conform NEN 5725 te worden uitgevoerd om puntbronnen of andere verontreinigingen uit te sluiten. In uitzonderingsgevallen is er vrijstelling voor particulieren en agrariërs. Onderzoek en melden is dan niet nodig bij toepassing van grond op locatie. Natuurlijk blijven de regels van het Besluit Bodemkwaliteit van kracht.

STAP

03

CONCLUSIE

Uit het vooronderzoek volgt of de locatie verdacht is op bodemverontreiniging.

NIET VERDACHT?

STAP

04

De BKK kan in combinatie met het vooronderzoek conform NEN 5725 als milieuhygienische verklaring worden gehanteerd!

WEL VERDACHT?

Aanvullend onderzoek is noodzakelijk. Mocht uit dit aanvullend onderzoek blijken dat de kwaliteit overeenkomt met de verwachte kwaliteit van de BKK, is de BKK in combinatie met de vervolg-onderzoeken bruikbaar als milieuhygiënisch bewijsmiddel. Indien een partijkeuring is uitgevoerd, geldt deze als milieuhygiënische verklaring.

Afbeelding 1

Voor de zones Roermond Binnenstad, Roermond Havengebied en Roermond Roerdelta is meestal een partijkeuring nodig bij toepassing buiten de zone

Melden van het grondverzet is vaak verplicht. Dit kan via het meldpunt Bodemkwaliteit. (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl) Bij het aantreffen van een afwijkende bodemkwaliteit tijdens het graven of toepassen dient men contact op te nemen met de gemeente.

Module regelgeving

| 48

[Module 2 regelgeving]

2.3.4  Grootschalige bodemtoepassing (GBT) Een grootschalige bodemtoepassing is een bijzondere toepassingscategorie waarin een grote hoeveelheid (minimaal 5.000 m3) grond of baggerspecie wordt toegepast. Naast het volumecriterium gelden een aantal andere toepassingsvoorwaarden zoals opgenomen in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Grond met de kwaliteit industrie mag in de kern worden toegepast. De leeflaag moet dezelfde kwaliteit hebben als het gebied waarin de GBT ligt. Voor toepassingen van grond in een grootschalige bodemtoepassing, dient de grond getoetst te worden aan de emissietoetswaarde (Regeling bodemkwaliteit). Hiervoor zijn de (rekenkundige) gemiddelde gehalten uit de diverse bodemkwaliteits-

zones getoetst aan de emissietoetswaarden en opgenomen in de rapportage van de BKK. Uit de BKK blijkt dat in alle gezoneerde gebieden de gemiddelde waarde (beduidend) lager is dan de maximale waarde industrie (MWI). Bovendien is in alle gebieden de gemiddelde waarde lager dan de emissietoetswaarden die gelden voor grootschalige bodemtoepassingen. Grond en/of baggerspecie mag indien een milieuhygienische verklaring beschikbaar is in een grootschalige bodemtoepassing worden verwerkt. In de Regio kan de verwerking in een GBT op basis van de bodemkwaliteitskaart plaatsvinden. In Tabel 7 is weergegeven wanneer de BKK als milieuhygienische verklaring geldt. Voor de overige eisen wordt verwezen naar het Besluit bodemkwaliteit.

Module regelgeving

| 49

[Module 2 regelgeving]

Tabel 7: Bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor grootschalige toepassing

Deelgebied van de ontgravingskaarten

Ontgravingsklasse

Ontgravingsklassekaart is bewijsmiddel voor grootschalige toepassing

Bovengrond Landbouw/Natuur

AW2000

Ja, mits uit vooronderzoek volgt dat sprake is van een onverdachte locatie

Landbouw/Natuur gearceerd gebied Weert

AW2000

Ja, mits uit verkennend bodemonderzoek eenzelfde kwaliteit volgt

Wonen

Wonen

Ja, mits uit vooronderzoek volgt dat sprake is van een onverdachte locatie

Wonen Roermond binnenstad

Wonen

Ja, mits uit verkennend bodemonderzoek eenzelfde kwaliteit volgt of beter

Industrie

Industrie

Ja, mits uit vooronderzoek volgt dat sprake is van een onverdachte locatie

Roermond Havengebied

Industrie

Ja, mits uit verkennend bodemonderzoek eenzelfde kwaliteit volgt of beter

Roerdelta

Industrie

Nee

Wegbermen Nederweert

Industrie

Ja, mits uit verkennend bodemonderzoek eenzelfde kwaliteit volgt of beter Ondergrond

Landbouw/Natuur

AW2000

Ja, mits uit vooronderzoek volgt dat sprake is van een onverdachte locatie

Landbouw/Natuur gearceerd gebied Weert

AW2000

Ja, mits uit verkennend bodemonderzoek eenzelfde kwaliteit volgt

Roermond Binnenstad

Wonen

Ja, mits uit verkennend bodemonderzoek eenzelfde kwaliteit volgt of beter

Roermond Havengebied

Industrie

Ja, mits uit verkennend bodemonderzoek eenzelfde kwaliteit volgt of beter

Roerdelta

Industrie

Nee

Module regelgeving

| 50

[Module 2 regelgeving]

2.3.5  Tijdelijke uitname en tijdelijke opslag Het Besluit bodemkwaliteit maakt onderscheid tussen verschillende vormen van tijdelijke opslag, die voorafgaan aan een

definitieve toepassing. De verschillende vormen en de bijbehorende voorwaarden zijn weergegeven in Tabel 8. Binnen de regio gelden de algemene regels zoals die voor opslag gelden.

Tabel 8: Eisen aan opslag

Het opmengen van verschillende kwaliteiten grond is niet toegestaan. Het samenvoegen van kleine hoeveelheden grond tot partijen groter dan 25 m3 is alleen toegestaan door bedrijven die erkend zijn volgens het protocol BRL 9335. Wanneer verspreid over een gemeente bijvoorbeeld bomen worden geplant, mag de grond die daarbij vrijkomt niet zonder deze erkenning worden samengevoegd tot een partij groter dan 25 m3.

Vorm van tijdelijke opslag

Voorwaarden van het Besluit Maximale duur opslag

Kwaliteitseisen

Meldingsplicht

Kortdurende opslag

6 maanden

Geen1)

Ja

2.3.6 Melden

Tijdelijke opslag op landbodem

3 jaar

Kwaliteit moet voldoen aan de kwaliteit v.d. ontvangende bodem

Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming

Weilanddepot2)

3 jaar

Alleen baggerspecie die voldoet aan de normen voor verspreiding over aangrenzende percelen

Ja, met voorziene duur van opslag en eindbestemming

Opslag bij tijdelijke uitname

Looptijd werkzaamheden

Geen1,3)

Nee

Gaat iemand grond of baggerspecie toepassen, dan moet hij dit uiterlijk vijf werkdagen van te voren melden via het Meldpunt Bodemkwaliteit (www.meldpuntbodemkwaliteit.nl). De generieke regels uit het Besluit bodemkwaliteit zijn van toepassing. Voor particulieren en agrariërs kan er sprake zijn van een vrijstelling van de meldingsplicht (zie paragraaf 2.3.8).

1) Zorgplicht Wet bodembescherming blijft gelden 2) Opslag van baggerspecie op aangrenzend perceel 3) Voor eisen tijdelijke uitname wordt verwezen naar het handvat Tijdelijke uitname, opgesteld door Bodem+

Wanneer er wordt gekozen om de bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring te gebruiken bij grondverzet dan zal voorafgaand aan de melding duidelijk

Module regelgeving

| 51

[Module 2 regelgeving]

moeten zijn dat de ontgravingslocatie gezoneerd is en er geen sprake is van een verdachte locatie. Om dit aan te tonen moet de initiatiefnemer een vooronderzoek NEN 5725 aan de melding toevoegen. Bij toepassing van grond met de kwaliteit wonen of industrie geldt ook voor de toepassingslocatie dat een vooronderzoek NEN 5725 moet uitwijzen of de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel gebruikt kan worden.

Voorbeeld: onderzoek toevoegen aan melding Een grondverzetbedrijf meldt via het landelijke meldpunt grondverzet van locatie A naar locatie B. Op het formulier staat aangegeven dat de BKK als milieuhygiënische verklaring gebruikt wordt en het bedrijf heeft een vooronderzoek NEN 5725 toegevoegd dat recent is uitgevoerd. Beide percelen liggen in het buitengebied en zijn in gebruik als akker. Volgens de grondstromenmatrix kan de BKK als milieuhygiënische verklaring gebruikt worden. De gemeente informeert (eventueel) het grondverzetbedrijf dat de melding voldoet aan de gestelde eisen uit het Besluit bodemkwaliteit en de Nota. Indien er geen recent vooronderzoek was toegevoegd, had dit onderzoek door de melder alsnog toegevoegd moeten worden.

Module regelgeving

| 52

[Module 2 regelgeving]

2.3.7  Toepassing moet nuttig en functioneel zijn De wet- en regelgeving stelt dat het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen alleen is toegestaan indien er sprake is van een nuttige en functionele toepassing (artikelen 5 en 35 Besluit bodemkwaliteit of BBK). Dit betekent dat het toepassen alleen is toegestaan voor zover: a. Geen grotere hoeveelheden bouwstoffen, grond of baggerspecie worden toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig zijn voor het functioneren van de toepassing; b. De toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waarop, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt.

hieraan ten grondslag. Deze zorgplichtartikelen houden in dat iedereen die op of in de bodem handelingen verricht en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, verplicht is alle maatregelen te nemen om die verontreiniging of aantasting ongedaan te maken. Hieronder staan voorbeelden waarbij de chemische bodemkwaliteit van een partij grond voldoet aan de voorwaarden, maar de grondtoepassing toch als niet functioneel of niet nuttig gezien wordt met het oog op een goede bodemkwaliteit en een goed functionerend bodem- en grondwatersysteem. Binnen de regio is het niet toegestaan om: •

Dit betekent dat de Regio – naast de chemische kwaliteit – ook op andere aspecten kan aangeven dat de (beoogde) toepassing niet gewenst is. Zo nodig kan handhavend worden opgetreden. De zorgplichtartikelen artikel 13 Wet bodembescherming en artikel 7 Besluit bodemkwaliteit liggen

•

•

Grond met resten van de Japanse duizendknoop (of andere invasieve exoten) toe te passen of te verspreiden. Dit moet altijd worden voorkomen. Dit geldt ook voor vergelijkbare schadelijke exoten. Afsluitende (klei)lagen in een kwel-, infiltratiegebied of andere

•

daarvoor gevoelige locatie te gebruiken, waardoor het watersysteem negatief wordt beïnvloed. Dit kan onomkeerbare gevolgen hebben voor de natuurontwikkeling en natuurdoelstellingen in het gebied. Grond met zintuiglijk waarneembare asbestverdachte en/of -houdende delen toe te passen in speeltuinen en tuinen. Grond met een asbestgehalte < 100 mg/ kg d.s. mag in principe vrij worden toegepast, ook als daar zintuiglijk asbestdeeltjes in voorkomen. Indien de grond wordt toegepast onder een verhardingslaag zal dat niet snel tot problemen leiden. Maar zintuiglijke asbestdeeltjes in een speeltuin of tuinen in een nieuwbouwwijk kunnen leiden tot maatschappelijke onrust. Niet draagkrachtige grond te gebruiken op ontwikkellocaties waarvan bekend is dat deze een zeker mate van stabiliteit moeten hebben in de toekomst. Bij het ophogen van locaties waar de

Module regelgeving

| 53

[Module 2 regelgeving]

•

•

mogelijkheid bestaat dat er in de toekomst gebouwd gaat worden, moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de toe te passen grond. Grond met 5-20% aan puinbij­ mengingen in een tuin-, landbouw- of natuurfunctie toe te passen. Dergelijke gehalten geven een aantasting van de functionele eigenschappen die aan een dergelijke bodem worden gesteld. Ook het toepassen van grond van een voormalige hondenuitlaatplaats in een (speel)tuin wordt als niet gangbaar beschouwd; Sterk humeuse lagen toe te passen in natuur- en agrarische gebieden waar dit kan leiden tot buitensporige en dus ongewenste onkruidgroei.

Bij bedrijfsterreinen met de bodemfunctieklasse industrie en de toepassingsklasse AW of wonen kan - wanneer een verkennend bodemonderzoek uitwijst dat er sprake is van industriekwaliteit - in

principe ook industriekwaliteit toegepast worden. Het toepassen van grond met industriekwaliteit mag alleen plaatsvinden na goedkeuring van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezeg stemt alleen in als het om een nuttige en functionele toepassing gaat. Bij haar beoordeling kijkt het bevoegd gezag naar diverse factoren zoals: • De mate waarin de betreffende parameters de zonekwaliteit overschrijden (is er sprake van “ruis” danwel natuurlijke achtergrondgehalten of van een significant, afwijkende bodemkwaliteit); • De parameters/gehalten van de ontvangende bodem in relatie tot de kwaliteit van de voorziene partij waarbij verslechtering op stofniveau ongewenst kan zijn; • De omvang van de locatie (de bekende “postzegels” met slechtere bodemkwaliteit zijn met het oog op duurzaam en efficiënt bodembeheer niet gewenst).

Module regelgeving

| 54

[Module 2 regelgeving]

2.3.8 Vrijstellingen voor agrariërs en particulieren Particulieren en agrariërs zijn in het Besluit bodemkwaliteit vrijgesteld van de volgende verplichtingen: • De onderzoeksplicht bij het toepassen van grond en baggerspecie; • De meldingsplicht bij het toepassen van grond en baggerspecie.

Voor particulieren geldt dat het om niet-bedrijfsmatige hoeveelheden moet gaan (maximaal 25 m3). Wanneer een aannemer werkzaamheden voor een particulier uitvoert, geldt de vrijstelling niet. Voor agrariërs geldt de vrijstelling voor de onderzoeks- en meldingsplicht alleen als de grond of de baggerspecie afkomstig is van een tot datzelfde landbouwbedrijf behorend perceel. Bovendien moet op het perceel waar de grond vandaan komt en waar de grond naartoe gaat een vergelijkbaar gewas worden geteeld. Voor de inde-

ling in vergelijkbare gewassen kan worden aangesloten bij de indeling van gewassen in de Meststoffenwet. Bij de toepassing van grond geldt in alle gevallen dat er sprake moet zijn van een nuttige en functionele toepassing. De zorgplicht voor agrariërs en particulieren blijft wel gelden (zie paragraaf 2.2.2). Hoewel de kwaliteit niet hoeft te worden aangetoond, mag door grondverzet de kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Wanneer er vermoedens of aanwijzingen zijn dat de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie niet voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit, kan het bevoegd gezag de kwaliteit controleren en indien nodig handhavend optreden.

2.3.9 P  rovinciale regelgeving bij grondverzet Naast het Besluit bodemkwaliteit heeft provinciale regelgeving ook invloed op de toepassingsvoorwaarden voor grond en baggerspecie. Binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014 is een aantal verbo-

den opgenomen voor het toepassen van bepaalde kwaliteit grond en baggerspecie (en bouwstoffen) binnen grondwaterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. De ligging van deze gebieden en de bijbehorende verboden zijn te raadplegen onder www.polviewer.nl/ van de provincie Limburg. De ligging van deze gebieden is weergegeven op de toepassingskaarten van de BKK. Meer informatie over de waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden vindt u op www.pol-viewer.nl.

2.3.10  Grondverzet bij (spoor)wegen en bermen Bekend is dat de bodemkwaliteit van (spoor)wegen inclusief bermen kan afwijken van de kwaliteit van de BKK-zone waarin deze zijn gelegen. Deze afwijkende kwaliteit kan verschillende oorzaken hebben zoals gebruikte materialen, calamiteiten, depositie en afspoeling. Op deze plekken vinden regelmatig grondroerende activiteiten plaats vanwege wegwerk-

Module regelgeving

| 55

[Module 2 regelgeving]

zaamheden. De werkzaamheden hebben vaak een civieltechnische insteek: aanleg, herinrichting en/of beheer en onderhoud. In de praktijk bestaat vaak onduidelijkheid over grondverzet rondom wegen en bermen. De Regio hanteert onderstaande uitgangspunten. Verticale begrenzing (spoor)wegen en bermen De begrenzing van het gebied met een afwijkende bodemkwaliteit wordt naast de bodem onder de weg zelf bepaald door bermen, bermsloten, geluidswallen etc. Gezien het geroerde karakter (kabels, leidingen en eventuele opgebrachte materialen) wordt in de regel het traject 0-1,0 m-mv gerekend tot de omvang van de bodem met een afwijkende bodemkwaliteit. Daarnaast kan de fysische samenstelling (civieltechnische eisen) van dit materiaal afwijken van de omliggende bodem. Dieper gelegen trajecten zijn vaak van betere kwaliteit en bestaan veelal uit de originele bodem. Onder riolering zal de bodemkwaliteit (mogelijk) tot grotere diepte zijn beïnvloed.

Horizontale begrenzing (spoor)wegen en bermen De horizontale begrenzing van wegen en bermen zorgt in de praktijk vaak voor onduidelijkheid. De Regio hanteert hierbij de volgende uitgangspunten: • Het betreffende gebied moet verkeersdoeleinden als bestemming hebben. • Indien er een hekwerk langs de (spoor)wegstaat, geldt dat tussen het hekwerk en de infrastructuur sprake is van de toegekende bodemfunctieklasse. • Indien er een geluidswal naast de (spoor)weg ligt, geldt de toegekende bodemfunctieklasse tot aan de kruin van de geluidswal. Bij een grootschalige bodemtoepassing (GBT) geldt het regiem van de GBT. • Indien er een afwateringsgreppel naast de (spoor)weg ligt, geldt de toegekende bodemfunctieklasse tot aan de buitenzijde van deze greppel. • Indien er een berm of fietspad

naast de (spoor)weg ligt, geldt ook voor deze onderdelen de toegekende bodemfunctieklasse. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat er nog meer voorbeelden zijn dan bovenstaande punten. Altijd moet per situatie worden bekeken of er omstandigheden zijn die leiden tot een indeling die anders is dan de toegekende bodemfunctieklasse. Bodemonderzoek blijft veelal noodzakelijk Werkzaamheden aan wegen zijn meestal civieltechnisch: aanleg, herinrichting en/of beheer en onderhoud. Ten behoeve van de aanbesteding en in het kader van de Arbowetgeving dient inzicht gegeven te worden in de te verwachten bodemkwaliteit. Het onderzoek bestaat minimaal uit een vooronderzoek (NEN 5725) en wordt veelal aangevuld met een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740, NEN 5707, NEN 5897). De uiteindelijke diepgang van het bodemonderzoek zal afhankelijk zijn van de specifieke situatie en is daarom maatwerk.

Module regelgeving

| 56

[Module 2 regelgeving]

Bodemkwaliteitskaart bruikbaar De ontgravingskaart van de BKK doet voor het geroerde traject (doorgaans 0-1,0 m –mv) rondom wegen of bermen niet altijd een betrouwbare uitspraak over de te verwachten bodemkwaliteit. Bovengrond uit bijvoorbeeld een wegberm kan daardoor niet altijd zonder partijkeuring worden toegepast in de bouwvoor van een akkerland. In de volgende voorbeelden vindt de Regio de ontgravingskaart BKK wel bruikbaar voor wegen en bermen. 1.

2.

Indien uit een vooronderzoek blijkt dat de ongeroerde (onder)grond onverdacht is ten opzichte van de bodemkwaliteitsklasse voor de zone waarin deze ligt. In dat geval kan alsnog gebruik worden gemaakt van de BKK als milieuhygiënische verklaring. Indien uit een verkennend bodemonderzoek blijkt dat van de geroerde laag onder een weg de bodemkwaliteit (zowel fysisch als chemisch) vergelijkbaar is met de zone waarin de weg ligt. In dat geval mag de grond worden toegepast in een GBT met de BKK als milieuhygiënische verklaring. Toepas-

sing dient vooraf te worden goedgekeurd door de beheerder van de GBT en het bevoegd gezag.

Aan de hand van enkele voorbeelden wordt de systematiek verduidelijkt.

Voorbeeld 1: ongeroerde grond onder wegcunet Onder een bestaande weg in de zone landbouw/natuur wordt een riolering aangelegd op een diepte van ongeveer 3,0 m -mv. Op dat moment ligt er nog geen riolering. Uit een verkennend onderzoek blijkt dat er sprake is van ongeroerde grond vanaf 1,2 m –mv. De kwaliteit van 1,2 – 2,0 m -mv voldoet overal aan de Aw. De gemeente wil de grond die vrijkomt vanaf 1,2 m –mv tot onderzijde (circa 3,5 m –mv) cunet gebruiken als ophoging van een te drassig perceel in de zone landbouw natuur. Op basis van het verkennend onderzoek inclusief vooronderzoek blijkt dat de grond vanaf 1,2 m –mv voldoet aan de bodemkwaliteit van de gehele zone. Voor de bodemlaag van 2,0 – 3,5 m –mv kan ervan uit worden gegaan dat de bodemkwaliteit voldoet aan de gebiedskwaliteit ook al is deze niet verkennend onderzocht. De BKK kan als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt en een partijkeuring van het traject 1,2 - 3,5 m -mv is niet nodig. (Een cunet is een uitgegraven gedeelte.)

Module regelgeving

| 57

[Module 2 regelgeving]

Voorbeeld 2: geroerde grond in bovenlaag weg of wegberm vergelijkbaar met omgevingskwaliteit Onder een bestaande weg in een woonwijk die op de ontgravingskaart van de BKK is ingedeeld in klasse wonen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de weg is gefundeerd op een laag menggranulaat van 0,1-0,3 m -mv met daaronder een bodemlaag met zwakke bijmengingen met baksteen. De gehalten van de bodemlaag direct onder het menggranulaat voldoen aan Aw. De zintuiglijke bijmengingen zijn vergelijkbaar met de zone waarin de weg ligt. Bij de reconstructie wordt de weg verlaagd en komt 300 m3 grond vrij van het traject 0,3-0,5 m –mv. Deze grond mag op basis van de BKK in combinatie met het verkennend bodemonderzoek gebruikt worden in het vullichaam van een GBT in de gemeente waar de grond vrijkomt. Schrapen van wegbermen Een bijzondere activiteit is het schrapen van wegbermen. Bij het vrijkomende materiaal kan sprake zijn van een organische afvalstof of van grond (< 20% organisch materiaal). Eventueel kan het vrijgekomen materiaal uitgezeefd worden tot een stroom grond en een stroom organisch materiaal. Wanneer er sprake is van grond en hergebruik op basis van de BKK is voorzien dan zal er minimaal een vooronderzoek conform NEN 5725 moeten worden uitgevoerd.

Over het algemeen kan gesteld worden dat de kwaliteit van het bermschraapsel wordt beïnvloedt door de gebruiksintensiteit van de wegen en het eventueel aanwezige verhardingsmateriaal

langs de weg. Na uitvoering van een vooronderzoek (al dan niet in combinatie met een verkennend bodemonderzoek) dient met het lokale bevoegd gezag afgestemd te worden of hergebruik in een GBT mogelijk is op basis van de bodemkwaliteitskaart. Alternatieven zijn het uitvoeren van een partijkeuring of afzet bij bijvoorbeeld een BRL 9335 erkend bedrijf. Bodemkwaliteitskaart Nederweert als milieuhygiënische verklaring voor de bovengrond bermen buitengebied In de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Nederweert zijn een groot aantal onverharde wegbermen in het buitengebied gezoneerd (traject 0,0-0,3 m -mv).

Volgens de ontgravingskaart is sprake van klasse industrie. De bodemkwaliteitskaart kan voor deze zone als milieuhygiënische verklaring (op basis van de BKK) worden gebruikt. Zinkassenwegen Binnen de Regio bevinden zich met name in de gemeente Weert, Nederweert, Maasgouw, Leudal en Peel en Maas zinkassenwegen. Voor de omgang met zinkassen wordt verwezen naar paragraaf 2.8.2. Aandachtspunt in situ partijkeuring bij wegen en bermen Binnen de regio is vaker geconstateerd dat de resultaten van een in situ partijkeuring ter plaatse van een openbare weg niet overeenkomen met de kwaliteit die erna elders wordt toegepast. Redenen hiervoor zijn dat er binnen de in situ partijkeuring (funderings)lagen worden uitgesloten maar hier wordt bij het graven onvoldoende rekening mee gehouden. Er kan ook sprake zijn van een zekere heterogeniteit die niet bij het onderzoek is aangetroffen. Daarnaast kunnen na het frezen van een asfaltverharding asfaltresten achterblijven

Module regelgeving

| 58

[Module 2 regelgeving]

die een onderliggende grondlaag negatief beïnvloeden. Zowel de ontdoener als de toepasser van een partij grond moeten zich ervan bewust zijn dat de grond die wordt toegepast ook qua samenstelling en bijmengingen overeenkomt met de beschrijving van de onderzochte partij.

Module regelgeving

| 59

[Module 2 regelgeving]

2.4

Spoor 2: Om­ gevingsvergunning afwijken of bestemmingsplan 2.4.1

Inleiding

In de planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de toegestane functies. Wanneer blijkt dat de bodemkwaliteit niet geschikt is voor de gewenste bestemming dan moet een afweging worden gemaakt of er een sanering wordt uitgevoerd, het plan wordt aangepast of dat het plan niet doorgaat. Hierbij speelt het kosteneffect een belangrijke rol. Bij het wijzigen van een bestemmingsplan moet daarom de economische haalbaarheid worden aangetoond. De BKK in combinatie met een vooronder-

zoek NEN 5725 kan in onverdachte situaties gebruikt worden om de haalbaarheid van het plan aan te tonen ten aanzien van het aspect bodem.

2.4.2  Wanneer en welk soort bodemonderzoek nodig voor de activiteit afwijken bestemmingsplan In Afbeelding 2 is aan de hand van de geldende regelgeving opgenomen wanneer en welk type onderzoek nodig is in de regio. Het stroomschema is een hulpmiddel dat mogelijk niet voor alle situaties vol-

doende duidelijkheid biedt. In die gevallen ligt de uiteindelijke beslissing over het uit te voeren onderzoek door de initiatiefnemer bij de betreffende gemeente. Om gebruik te maken van een vooronderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart, geldt dat het plangebied onverdacht moet zijn én binnen een gezoneerd deel van de regionale bodemkwaliteitskaart moet liggen. Het vooronderzoek om aan te tonen of een locatie onverdacht is, dient te voldoen aan de onderzoeksaspecten zoals opgenomen in de NEN 5725. Wanneer een locatie (mogelijk) verdacht is maar aangetoond of gevalideerd kan worden dat deze verdenking niet leidt tot (het vermoeden van) een ernstig geval van bodemverontreiniging of tot beperkingen van de uitvoerbaarheid van het plan dan is vervolgonderzoek niet noodzakelijk. Bij grotere verharde oppervlaktes moet het vooronderzoek uitsluitsel geven over de funderingslaag onder de verharding en de eventuele asbestverdachtheid hiervan. Bij het ontbreken van voorinformatie hierover kan het noodzakelijk zijn om bijvoor-

Module regelgeving

| 60

[Module 2 regelgeving] PROCEDURE RUIMTELIJKE ORDENING

beeld profileringsboringen uit te voeren als aanvulling op het vooronderzoek. Bij (nog niet eerder of onvoldoende onderzochte) verdachte locaties, niet-gezoneerde gebieden, uitgesloten locaties, de zones Roermond Havengebied, Roermond Roerdelta en Roermond binnenstad en de op de BKK aangeduide aandachtsgebieden in Weert is normaliter een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 noodzakelijk, vaak aangevuld met een verkennend onderzoek asbest NEN 5707.

2.4.3 Bodemkwaliteitstoets op basis van het meersporenbeleid Het meersporenbeleid streeft voor alle sporen naar een duurzame bodemgeschiktheid. Getalsmatig is dit ingevuld door het hanteren van de in het kader van het Besluit bodemkwaliteit vastgestelde generieke maximale waarden (AW2000, Maximale Waarde Wonen en Maximale Waarde Industrie).

Het realiseren van deze bodemkwaliteit kunnen we niet in alle gevallen verplicht stellen. In het kader van de Wet bodembescherming en de Woningwet kunnen we alleen een (kwalitatieve) saneringsplicht opleggen indien de bodemverontreiniging leidt tot (humane) risico’s. In de regel is er pas sprake van mogelijke risico’s indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In het meersporenbeleid is ervoor gekozen deze lijn door te trekken naar het ruimtelijke spoor. Dit betekent dat zolang er geen sprake is van (een vermoeden van) een geval van ernstige bodemverontreiniging er geen sanerende maatregelen worden voorgeschreven.

De bodemkwaliteitskaart (BKK) geeft een indicatie van de gemiddelde bodemkwaliteit op onverdachte locaties binnen een gezoneerd gedeelte van de BKK. Verdachte locaties, puntbronnen en bekende verontreinigingen maken geen deel uit van de diffuse bodemkwaliteit en zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. De BKK in combinatie met een vooronderzoek conform NEN5725 kan in onverdachte situaties gebruikt worden om de bodemkwaliteit te bepalen.

STAP IS BODEMONDERZOEK NODIG?

Wil men een klein bouwwerk bijvoorbeeld ten behoeve van nutsvoorzieningen realiseren? Of betreft het een verandering in gebruik waarbij er qua bodem geen (extra) risico's zijn voor het beoogde gebruik en/of uitvoerbaarheid van het plan? Dan is bodemonderzoek waarschijnlijk niet noodzakelijk. Bij twijfel kan contact worden opgenomen met de gemeente. Let op! Vanuit andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn.

01

ALLE ANDERE ONTWIKKELINGEN

STAP

02

2.3.8

Bij alle andere ontwikkelingen kan de BKK in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 als bewijsmiddel worden gebruikt (stap 3). De initiatiefnemer heeft de vrijheid om direct een verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform NEN 5740 (stap 4). Hierin is het vooronderzoek standaard opgenomen.

STAP

03

CONCLUSIE

Uit het vooronderzoek volgt of de locatie verdacht is op bodemverontreiniging.

NIET VERDACHT?

STAP

04

De BKK kan samen met het vooronderzoek als bewijsmiddel worden gehanteerd voor de verdere ruimtelijke procedure!

WEL VERDACHT?

De BKK kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Aanvullend onderzoek door de initiatiefnemer is noodzakelijk. Dit heeft minimaal de vorm van een verkennend onderzoek conform NEN 5740 (Kwalibo erkend). Al het vervolgonderzoek gaat als bewijsmiddel dienen

Op de ontgravingskaarten staan gearceerde gebieden in Roermond en Weert waar meestal meer uitgebreide onderzoekseisen gelden.

Afbeelding 2

Module regelgeving

| 61

[Module 2 regelgeving]

2.5

Spoor 3: Omgevingsvergunning voor het bouwen 2.5.1

Inleiding

Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Doel van de Wabo is een eenvoudigere en snellere vergunningverlening en een betere dienstverlening door de overheid op het terrein van bouwen, ruimte en milieu. De Wabo heeft hiervoor de omgevingsvergunning geïntroduceerd, dit is het centrale instrument in de Wabo. De omgevingsvergunning voegt een aantal vergunningen en toestemmingen samen, waaronder:

• • • •

De bouwvergunning ingevolge de Woningwet; De gebruiksvergunning en melding ingevolge het Gebruiksbesluit; De milieuvergunning ingevolge de Wet milieubeheer; Ontheffingen bestemmingsplan en aanlegvergunning ingevolge de Wet ruimtelijke ordening.

Het meersporenbeleid geeft de mogelijkheid om in sommige gevallen de bodemkwaliteitskaart te kunnen gebruiken om uit te sluiten dat er gebouwd gaat worden op ernstig verontreinigde grond.

2.5.2  Wanneer is bodemonderzoek nodig en welk soort bodemonderzoek is nodig voor de activiteit bouwen In Afbeelding 3 is aan de hand van de geldende regelgeving opgenomen wanneer en welk type onderzoek nodig is in de regio. Het stroomschema is een hulpmiddel dat mogelijk niet voor alle situaties voldoende duidelijkheid biedt. In de onduidelijke gevallen ligt de uiteindelijke beslissing over welk onderzoek de initiatiefnemer moet uitvoeren bij de betreffende gemeente. Om gebruik te maken van een vooronderzoek in combinatie met de bodemkwaliteitskaart, geldt dat het plangebied onverdacht moet zijn én binnen een gezoneerd deel van de regionale bodemkwaliteitskaart moet liggen. Het vooronderzoek dient te voldoen aan de onderzoeksaspecten zoals opgenomen in de geldende NEN 5725. Met betrekking tot verdachte locaties wordt opgemerkt dat voor spoor 3 geen

Module regelgeving

| 62

[Module 2 regelgeving] PROCEDURE BOUWEN

verder onderzoek noodzakelijk is indien in het vooronderzoek NEN 5725 is aangetoond of gemotiveerd dat er mogelijk sprake is van een verdachte locatie (lokale puntbron) maar op basis van beschikbare en valide informatie blijkt dat er geen sprake is van (een vermoeden) van een geval van ernstige bodemverontreiniging (zie ook paragraaf 2.5.3). Bij grotere verharde oppervlaktes dient het vooronderzoek uitsluitsel te geven over de funderingslaag onder de verharding en de eventuele asbestverdachtheid hiervan. Bij ontbreken van voorinformatie hierover kan het noodzakelijk zijn om bijvoorbeeld profileringsboringen uit te voeren als aanvulling op het vooronderzoek. Bij (nog niet eerder onderzochte) verdachte locaties, niet-gezoneerde gebieden, uitgesloten locaties en de zones Roermond Havengebied, Roermond Roerdelta, Roermond binnenstad en BKK de gearceerde gebieden in Weert is normaliter een verkennend bodemonderzoek NEN 5740 noodzakelijk, vaak aangevuld met een verkennend onderzoek asbest NEN 5707.

2.5.3  Bodemkwaliteitstoets op basis van het meersporenbeleid

De bodemkwaliteitskaart (BKK) geeft een indicatie van de gemiddelde bodemkwaliteit op onverdachte locaties binnen een gezoneerd gedeelte van de BKK. Verdachte locaties, puntbronnen en bekende verontreinigingen maken geen deel uit van de diffuse bodemkwaliteit en zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. De BKK in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 kan in onverdachte situaties gebruikt worden om de bodemkwaliteit te bepalen.

STAP IS BODEMONDERZOEK NODIG?

Het meersporenbeleid streeft voor alle sporen naar een duurzame bodemgeschiktheid. Getalsmatig is dit ingevuld door het hanteren van de in het kader van het Besluit bodemkwaliteit vastgestelde generieke maximale waarden (AW2000, Maximale Waarde Wonen en Maximale Waarde Industrie). Het realiseren van deze bodemkwaliteit kunnen we niet in alle gevallen verplicht stellen. In het kader van de Woningwet kunnen we alleen een (kwalitatieve) saneringsplicht opleggen indien de bodemverontreiniging leidt tot humane risico’s. In de regel is er pas sprake van mogelijke humane risico’s indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Dit betekent dat zolang er geen sprake is van (een vermoeden van) een geval van ernstige bodemverontreiniging er geen sanerende maatregelen worden voorgeschreven.

Geen bodemonderzoek nodig wanneer: • Het is een bouwwerk wat staat beschreven in de artikelen 2 en 3 van de bijlage II uit het Besluit Omgevingsrecht of vergelijkbaar in aard en omvang; • Het bouwwerk raakt de grond niet; • Het bouwwerk is kleiner dan 50 m2; • In het bouwwerk verblijven minder dan 2 uur per dag mensen. Let op! Vanuit andere regelgeving kan bodemonderzoek toch nodig zijn.

01

ALLE ANDERE BOUWINITIATIEVEN

STAP

02

Bij alle andere bouwinitiatieven kan de BKK in combinatie met een vooronderzoek conform NEN 5725 als bewijsmiddel worden gebruikt (stap 3). De initiatiefnemer heeft de vrijheid om direct een verkennend bodemonderzoek uit te voeren conform NEN 5740 (stap 4). Hierin is het vooronderzoek standaard opgenomen.

STAP

03

CONCLUSIE

Uit het vooronderzoek volgt of de locatie verdacht is op bodemverontreiniging.

NIET VERDACHT?

STAP

04

De BKK kan samen met het vooronderzoek als milieuhygienische verklaring worden gehanteerd voor de verdere bouwprocedure!

WEL VERDACHT?

De BKK kan niet als bewijsmiddel worden gebruikt. Aanvullend onderzoek door de initiatiefnemer is noodzakelijk. Dit heeft minimaal de vorm van een verkennend onderzoek conform NEN 5740 (Kwalibo erkend). Al het vervolgonderzoek gaat als bewijsmiddel dienen

Op de ontgravingskaarten staan gearceerde gebieden in Roermond en Weert waar meestal meer uitgebreide onderzoekseisen gelden

Afbeelding 3

Module regelgeving

| 63

[Module 2 regelgeving]

2.6

Spoor 4: Saneringen 2.6.1  Hergebruik van grond op saneringslocaties Deze Nota gaat in op het hergebruiken van grond en het gebruiken van de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel. De basis voor de Nota is het Besluit bodemkwaliteit en de daarbij horende Regeling bodemkwaliteit. Hergebruik van grond komt ook voor op locaties waar de verontreiniging wordt verwijderd (sanering) en/of de gevolgen van de verontreiniging ongedaan worden gemaakt. Het wettelijke kader hiervoor is de Wet bodembescherming. Voor de regio geldt dat de provincie Limburg bevoegd gezag is voor de Wet bodembescherming. Een uitzondering hierop is het grondgebied van de gemeente Venlo (waar de gemeente het aangewezen be-

voegd gezag is). Naast de regels in deze Nota zijn op werkzaamheden op of in de bodem ook de regels van de Wet bodembescherming van toepassing. De provincie Limburg heeft deze regels beschreven in het provinciaal Beleidskader bodem. In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt onder andere voor: • Terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen); • Aanvullen van ontgravingsput na sanering. In het provinciale Beleidskader bodem van

de provincie Limburg zijn deze overlappingen uitgewerkt.

2.6.2 Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging en zorgplicht Het in paragraaf 2.6.1 genoemde provinciale Beleidskader bodem richt zich met name op de verontreinigingen waarvoor de provincie bevoegd is in het kader van de Wet bodembescherming. Voor de volgende verontreinigingen geldt dat de gemeente bevoegd gezag is of kan zijn in het kader van de Wet bodembescherming: 1. Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging (voor 1987); 2. Zorgplicht (na 1987). Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging: Er is sprake van een niet ernstig geval van bodemverontreiniging indien het volume aan sterk verontreinigde grond (concentratie > interventiewaarde) minder dan 25 m3 bedraagt. Voor asbest geldt dat de concentratie de interventiewaarde niet mag overschrijden.

Module regelgeving

| 64

[Module 2 regelgeving]

Voor graafwerkzaamheden in een niet ernstig geval van bodemverontreiniging geldt dat: • De regels van BRL 6000/7000 niet verplicht zijn op de graafwerkzaamheden; • Een saneringsplan of BUS-melding niet verplicht is; • 10 werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden een plan van aanpak moet worden ingediend bij de gemeente waar de activiteit plaatsvindt. Het plan van aanpak dient inzicht te geven in de voorgenomen handelingen die worden uitgevoerd en wat er met de vrijkomende grond gebeurt.

Zorgplicht Alle verontreinigingen die zijn ontstaan op of na 1 januari 1987 betreffen nieuwe gevallen van bodemverontreiniging waarop het zorgplichtartikel van de Wet bodembescherming (art. 13 Wbb) van toepassing is. Dit betekent dat – voor zover dat redelijkerwijs vergbaar is – de verontreiniging en de gevolgen daarvan volledig ongedaan moeten worden gemaakt. In geval van een calamiteit of een ongewoon voorval dient de veroorzaker dit direct te melden bij het bevoegde gezag. In de regel is de gemeente bevoegd tot handhaving van de zorgplicht van nieuwe gevallen van verontreiniging. Er zijn echter ook situaties waarin de provincie (bijvoorbeeld bij een zorgplicht op een bedrijfsterrein waarvoor de provincie bevoegd gezag is in het kader van de milieuwetgeving), Rijkswaterstaat of het Waterschap bevoegd gezag is.

2.6.3 Onverwachte bodemverontreinigingen tijdens graafactiviteiten Tijdens het graven in de bodem kunnen zich situaties voordoen die niet voorzien waren op basis van een vooronderzoek of verkennend bodemonderzoek. Gedacht kan worden aan een sterke oliegeur, begraven afval, asbestnesten, etc. In dergelijke gevallen moet de ontgraving gestaakt worden en het bevoegd gezag worden ingelicht. Hierna kan in overleg met gemeente en/of provincie bekeken worden op welke wijze met de verontreiniging moet worden omgegaan. Onder alle omstandigheden moet bij het ontgraven en toepassen van grond en baggerspecie de wettelijke zorgplicht in acht worden genomen. Dit geldt overigens ook voor het toepassen van bouwstoffen.

Module regelgeving

| 65

[Module 2 regelgeving]

2.7

Arbo

De BKK is opgesteld volgens de geldende eisen. De CROW-publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’ staat in sommige gevallen het gebruik van een bodemkwaliteitskaart toe als voorspeller van de te bepalen veiligheidsklasse. De gemeenten hebben niet de bevoegdheid hier nadere eisen voor te stellen, omdat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) hier het bevoegd gezag voor is. De in de CROW-publicatie 400 genoemde percentielwaarden (P80 of hoger) bevinden zich in de bijlagen (statistische kentallen) van desbetreffende bodemkwaliteitskaarten binnen de regio.

Onderstaand volgt een opsomming van de vindplaats van deze statistische kentallen per bodemkwaliteitszone: • BKK Regio Limburg Noord; • BKK gemeente Venlo; • BKK gemeente Nederweert; • (W)BKK plangebied Ooijen-Wanssum.

Module regelgeving

| 66

[Module 2 regelgeving]

2.8

Regionale aandachtsgebieden Binnen de regio zijn er gebieden die door menselijk handelen of van nature een afwijkende bodemkwaliteit hebben. Hiernaast zijn deze in deze paragraaf worden deze gebieden nader toegelicht en is beschreven waarmee rekening moet worden gehouden tijdens bijvoorbeeld grondverzet of bodemonderzoek in zo’n gebied.

2.8.1  Lokale Maximale Waarden (LMW’s) bodemkwaliteits­ zone Roerdelta Roermond Het deelgebied Roerdelta is als gevolg van ophogingen uit het verleden, industriële activiteiten en overstromingen van Maas en Roer diffuus verontreinigd. Uit de bij de gemeente Roermond bekende bodemonderzoeken die zijn uitgevoerd binnen dit deelgebied blijkt dat de diffuse verontreinigingen in zowel boven- als ondergrond zeer heterogeen verdeeld zijn en dat er hoge waarden van diverse stoffen diffuus kunnen voorkomen.

Omdat het deelgebied Roerdelta wordt ontwikkeld tot onder andere een woongebied is ervoor gekozen om Lokale Maximale Waarden (LMW’s) vast te stellen, zodat grondverzet binnen dit deelgebied mogelijk is en zodat wordt gewaarborgd dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het toekomstig bodemgebruik. Voor grondverzet van en naar deze zone maar ook voor overige bodemonderzoeken zijn in Bijlage 1 specifieke eisen opgenomen mede ten aanzien van het analysepakket. Voor de zone Roerdelta is in ieder geval het volgende van belang: •

•

De Lokale Maximale Waarden zijn alleen bedoeld om grondverzet binnen het deelgebied Roerdelta mogelijk te maken. Voor grond die van buiten het deelgebied komt geldt een strengere eis (minimaal kwaliteit wonen); De Lokale Maximale Waarden kunnen ook als terugsaneerwaarden en/of als eisen aan de aanvulgrond van een saneringsput dienen in het Wet bodembescher-

Module regelgeving

| 67

[Module 2 regelgeving]

•

•

mingsspoor; Vanwege de sterk heterogene verdeling van de verontreiniging kan de BKK niet als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt. Uitzondering hierop vormt hergebruik binnen de zone Roerdelta in combinatie met een verkennend bodemonderzoek; Bij alle onderzoeken geldt dat het analysepakket uitgebreid moet worden met cyanide (totaal).

2.8.2 Z  inkassen en Actief Bodembeheer de Kempen (ABdK) ln de Kempen, een gebied in Zuidoost-Brabant en het westen van Midden-Limburg is de bodem verontreinigd geraakt met zware metalen, waaronder vooral zink en cadmium. Deze verontreiniging is ontstaan door rookemissies, afvalwaterlozingen en hergebruik van zinkassen (bijvoorbeeld als (weg)fundering, kerkepaadjes en opritten). Om de nadelige effecten van de bodemverontreiniging met zware metalen aan te pakken is in 2001 het milieuprogramma Actief Bodembeheer de Kempen (ABdK)

gestart. In de Regio betreft het met name de gemeenten Weert, Nederweert, Maasgouw, Leudal en Peel en Maas. Na een inventarisatiefase en een onderzoeksfase zijn veel erven en zinkassenwegen inmiddels gesaneerd. Eind 2015 heeft het Projectbureau ABdK haar taken beëindigd en zijn taken overgedragen aan de provincies, de waterschappen en de gemeenten. Voor de omgang met ABdK-gebieden wordt verwezen naar het Beleidskader bodem van de provincie Limburg. Het provinciaal beleid is te raadplegen onder www. limburg.nl. Het beleid richt zich o.a. op de gevalsdefinitie, verbijzonderde terugsaneerwaarden, gebiedswaarden grondwater en een onderzoeksprotocol. Bij mogelijke verontreiniging met of ten gevolge van zinkassen dient hiermee rekening gehouden te worden. Wegen die zijn aangelegd voor 1980 hebben een meer verdacht karakter. Bij fysiek onderzoek van lijnvormige objecten zoals wegen en watergangen waarvan niet zeker is dat er zinkassen zijn toegepast, is er qua

onderzoeksopzet sprake van maatwerk. De onderzoeksopzet kan in eerste aanleg minder intensief zijn dan die voor een verdachte locatie waarbij het protocol Abdk gevolgd dient te worden. XRF-apparatuur is bij bodemonderzoek een waardevolle aanvulling op de klassieke onderzoeksmethoden. Mocht tijdens graafactiviteiten onverwacht blijken dat er zinkassen in het uitkomende materiaal zitten dan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van verontreinigingen boven interventiewaarde en dienen de activiteiten gestaakt te worden en gemeld te worden bij de gemeente. Het verdere vervolg wordt in samenspraak met de gemeente bepaald.

2.8.3  Diffuus verontreinigde beekdalen Binnen de Regio bevinden zich een aantal beekdalen die verontreinigd zijn geraakt door industriële activiteiten uit het verleden. De verontreinigingen zijn deels gelegen binnen de (droge) waterbodem waarvoor Waterschap Limburg bevoegd gezag is. De grens tussen waterbodem

Module regelgeving

| 68

[Module 2 regelgeving]

en landbodem is niet altijd duidelijk en doorsnijdt soms een perceel zoals een tuin. In gevallen waarbij er onduidelijkheid bestaat over de exacte toedeling landbodem/waterbodem kan in overleg getreden worden met de gemeente en het waterschap voor een praktische aanpak voor een te ontwikkelen perceel dat wordt doorsneden.

2.8.4 Van nature verhoogde arseengehalten Op diverse plaatsen binnen de regio komen van nature verhoogde gehalten arseen in de bodem voor. Deze gehalten zijn het gevolg van verschillende (natuurlijke) geochemische reacties waardoor aanrijking is ontstaan in het bodemprofiel. Om initiatiefnemers van informatie te voorzien omtrent de mogelijke verdachtheid op arseen is in Bijlage 3 van de BKK een kaart opgenomen met aandachtsgebieden in de Regio. Naast bekende diffuse verontreinigingen boven de interven-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10063051/1