03c Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029
Tekst van het document
tiewaarde zijn er ook gebieden opgenomen waar sprake is van gebieden met rivierafzettingen. Deze gebieden zijn onder de juiste omstandigheden kansrijk om verhogingen met arseen te bevatten. Een arcering op de kaart van een rivierkleigrond leidt zodoende niet automatisch tot een verdachte locatie aangezien de potentieel arseenhoudende laag zich ruim beneden 2,0 m –mv kan bevinden. Met name in combinatie met kenmerken als roodkleuring, gley, roestvlekken, oer. Tabel 9 bevat een beschrijving van gebieden waarvan in ieder geval bekend is dat in de bovenste 2 meter vanaf maaiveld van nature verhoogde arseengehalten voor komen. Uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat deze informatie niet limitatief bedoeld is. Indien er uit het vooronderzoek dan wel tijdens het veldwerk aanwijzingen zijn dat arseen een kritische parameter vormt (gley, oer, veel roestvlekken, sterke roodkleuring), dient het standaard stoffenpakket aangevuld te worden met de parameter arseen.
Module regelgeving
| 69
[Module 2 regelgeving]
Tabel 9. Informatie over van nature verhoogde arseengehalten in de Regio
Gebied
Informatie
Gemeente Peel en Maas (Baarlo – Bosbeek en De Berckt)
Zie betreffende kaart van de BKK
Gemeente Bergen (Eckeltsche Beek)
Zie betreffende kaart van de BKK
Gemeente Roermond (Asenray – globaal ten noorden van N280 Oost omgeving Maalbroek)
Zie betreffende kaart van de BKK Bekende overschrijding > I t.p.v. N280
Gemeente Beesel (Reuver – ten oosten van A73)
Zie betreffende kaart van de BKK
Gemeente Venlo (Belfeld – ten oosten van de A73)
Zie betreffende kaart van de BKK
Beekdalen
Zie betreffende kaart van de BKK
Gehele Regio
Rapport TAUW1 zie betreffende kaart van de BKK Aanduiding rivierkleigrond leidt niet automatisch tot een verdachte locatie maar vormt wel een aandachtpunt.
Gehele Regio
Indicatoren: • Bodemopbouw: veen, Krn1-gronden • Zintuiglijke waarnemingen: ijzer, gley, oer, roodkleuring • Kwel
Gehele Regio
Handreiking Arseen TNO-NITG ISBN 90-808107-1-1
Diffuse verontreinigingen in de provincie Limburg - verhoogde arseenconcentraties in Noord- en Midden-Limburg (Geval 8), TAUW (kenmerk R3342549.GV8/EMK/IHU, d.d. november 1995)
Module regelgeving
| 70
[Module 2 regelgeving]
Grondverzet Wanneer grond uit een verdacht arseengebied wordt hergebruikt binnen de regio (m.u.v. tijdelijke uitname) is een partijkeuring van deze grond benodigd inclusief de kritische parameter arseen. Wanneer de ontgravingslocatie is gelegen in een op de kaart aangegeven rivierkleigrond maar er zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend dan kan een bodemonderzoek, inclusief de parameter arseen, uitgevoerd binnen dezelfde bodemopbouw nadere aanwijzingen geven over de aan- of afwezigheid van arseen. Ook bij gehalten onder de interventiewaarden is arseen een kritische parameter bij grondverzet. Bouw en ruimtelijke ordening Bij de sporen bouw en ruimtelijke ordening dient bij een verdachte locatie een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd te worden inclusief de kritische parameter arseen. In het geval van natuurlijk verhoogde achtergrondgehalten spreken we niet over een ernstig geval van bodemverontreiniging, maar over gebiedseigen kwaliteit. De Wet bodembescherming (Wbb) is niet van toe-
passing op de problematiek met van nature verhoogde arseengehalten. Dit neemt niet weg dat eventuele grondwerkzaamheden in deze gebieden zorgvuldig uitgevoerd dienen te worden (zorgplicht). Voor de sporen bouw en ruimtelijke ordening wordt bij overschrijding van de toetsingswaarde verwezen naar het Beleidskader bodem van de provincie Limburg.
2.8.5 Mijnsteengebieden Maasgouw Binnen de gemeente Maasgouw bevinden zich een aantal met mijnsteen opgevulde grindgaten. Deze gebieden zijn binnen het Besluit bodemkwaliteit als ‘mijnsteengebieden’ aangewezen. Deze gebieden liggen met name binnen het beheergebied van Rijkswaterstaat. Hergebruik van mijnsteen als bodem- of bouwstof is enkel mogelijk binnen de aangewezen mijnsteengebieden. Het Besluit bodemkwaliteit stelt aanvullende regels. Indien er werkzaamheden zijn voorzien in de landbodem van deze mijnsteengebieden wordt de initiatiefnemer verzocht in contact te treden met de gemeente Maasgouw. De kaarten van de
mijnsteengebieden binnen de gemeente Maasgouw zijn opgenomen in bijlage 4 van de BKK.
2.8.6 (Water)bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer Ooijen-Wanssum Het plangebied Ooijen-Wanssum beschikt over een eigen (water)bodemkwaliteitskaart [Ref. 7]. De gemeenten Venray en Horst aan de Maas zijn bevoegd gezag voor de landbodem binnen dat plangebied. Ze hebben besloten om het deel van de (water)bodemkwaliteitskaart dat betrekking heeft op de landbodem integraal op te nemen in de BKK Limburg Noord. Dit is verwerkt op de ontgravings- en toepassingskaarten van de BKK Limburg Noord. Voor grondverzet van en naar de waterbodem kunnen de bodemkwaliteitskaarten niet als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt. Uitzondering is grondverzet dat binnen plangebied Ooijen-Wanssum plaats
Module regelgeving
| 71
[Module 2 regelgeving]
De woonkernen binnen plangebied Ooijen-Wanssum zijn niet gezoneerd. In Module 1 is beleidsmatig gemotiveerd dat voor de sporen bouwen en RO (in eerste instantie) volstaan kan worden met een historisch onderzoek (Module 1, paragraaf 1.2.1).
Module regelgeving
| 72
03. Bijlagen
bijlages
| 73
Referentielijst Ref. 1 Besluit bodemkwaliteit, publicatie Staatscourant, 3 december 2007 en de Regeling bodemkwaliteit, publicatie Staatscurant 20 december 2007
Ref. 5 Lood in bodem en gezondheid (aanvullend advies met informatie voor GGD-adviseurs gezondheid en milieu, GGD GHOR Nederland, 29 januari 2016
Ref. 2 Doorontwikkeling meersporenbeleid aanpak bodemverontreiniging in Limburg, notitie van de Beleidsgroep Bodembeheer Limburg, 21 oktober 2009 (zie bijlage 3)
Ref. 6 Nota bodembeheer plangebied Ooijen-Wanssum, Grontmij, 26 oktober 2015
Ref. 3 Beleidskader bodem 2016, Provincie Limburg, geactualiseerd juli 2016
Ref. 7 Geactualiseerde (water)bodemkwaliteitskaart plangebied Ooijen-Wanssum, Sweco, referentie SWNL0221242a, d.d. 21-02-201
Ref. 4 Bodemfunctieklassenkaart en Bodemkwaliteitskaart – Regio Limburg Noord, projectnummer 349858, 24-5-2019
bijlages
| 74
Bijlage 1: Roerdelta Roermond Het deelgebied Roerdelta in Roermond is als gevolg van ophogingen uit het verleden, industriële activiteiten en overstromingen van Maas en Roer diffuus verontreinigd. Uit de bij de gemeente bekende bodemonderzoeken die zijn uitgevoerd binnen dit deelgebied blijkt dat de diffuse verontreinigingen in zowel boven- als ondergrond zeer heterogeen verdeeld zijn en dat er hoge waarden van diverse stoffen diffuus kunnen voorkomen. Omdat het deelgebied nog verder wordt ontwikkeld tot onder andere een woongebied, is ervoor gekozen om de eerder vastgestelde Lokale Maximale Waarden (LMW) opnieuw vast te stellen. Zo is grondverzet binnen dit deelgebied mogelijk en wordt gewaarborgd dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het toekomstige bodemgebruik. Bij de eerstvolgende actualisatie van de bodemkwaliteitskaart zal het deelgebied (Roerdelta fasen 1 en 2) vrijwel geheel ontwikkeld zijn en zal vanwege de grote hoeveelheid grondverzet opnieuw worden bepaald of lokale maximale waarden noodzakelijk zijn.
De Lokale Maximale Waarden zijn gebaseerd op de P95 van de statistische gegevens van de bovengrond (bodemkwaliteitskaart Roermond van 2011). Als ondergrens voor de LMW is de maximale waarde wonen gehanteerd. Hiervoor is gekozen omdat de planvorming in dit gebied niet voorziet in ontwikkelingen tot landbouw- en/of natuurgebied. De volgende afwegingen zijn gemaakt om te komen tot de Lokale Maximale Waarden: • De ondergrond is van slechtere kwaliteit dan de bovengrond. Door het kiezen van de P95 van de bovengrond wordt voorkomen dat de slechtere ondergrond in de contactlaag wordt toegepast; • De P90 van de ondergrond is vergelijkbaar met de P95 van de bovengrond. Dit betekent dat statistisch gezien nog steeds circa 90 % van de diffuus verontreinigde grond die vrijkomt uit de ondergrond kan worden hergebruikt; • De lokale maximale waarden zijn alleen bedoeld om grondverzet binnen het deelgebied Roerdelta mogelijk te
•
maken. Voor grond die van buiten het deelgebied komt geldt een strengere eis (kwaliteit wonen of beter); De lokale maximale waarden kunnen ook als terugsaneerwaarden en/of als eisen aan de aanvulgrond van een saneringsput dienen in het spoor van de Wet bodembescherming. Hierdoor hoeft niet teruggesaneerd te worden tot aan de maximale waarden wonen of hoeft de aanvulgrond niet te voldoen aan de kwaliteit wonen. Indien de lokale maximale waarden gebaseerd zouden zijn op de P95 van de ondergrond, zou mogelijk minder ver gesaneerd te worden. Anderzijds zou de leeflaag een slechtere kwaliteit kunnen krijgen dan de bestaande contactlaag van de rest van het deelgebied.
In Tabel A zijn de Lokale Maximale Waarden Roerdelta weergegeven. Vanwege de sterk heterogene verdeling van de verontreiniging kan de BKK niet als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt. Als milieuhygiënische verklaring zijn in dit
bijlages
| 75
gebied de volgende vormen van onderzoek mogelijk: • Partijkeuring (inclusief vooronderzoek). Afhankelijk van de resultaten en de hoeveelheid zintuiglijke bijmengingen mag de grond worden hergebruikt. Indien de waarden lager of maximaal gelijk zijn aan de Lokale Maximale Waarden Roerdelta en de grond maximaal 20 % bodemvreemd materiaal bevat, mag de grond binnen het deelgebied Roerdelta worden hergebruikt. • Bodemonderzoek. Het bodemonderzoek is maatwerk en dient in overleg met de gemeente Roermond plaats te vinden. Indien uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt dat sprake is van gebiedseigen grond met een gebiedseigen kwaliteit, kan de grond binnen het deelgebied Roerdelta worden hergebruikt. Hierbij dienen de resultaten van het onderzoek onder of maximaal gelijk te zijn aan de Lokale Maximale Waarden Roerdelta. Indien de gemiddelde gehalten van een locatie voldoen aan de Lokale Maximale Waarden, maar op puntniveau geringe overschrijdin-
gen van de Lokale Maximale Waarden voorkomen, is beoordeling aan de gemeente Roermond. • Bij alle onderzoeken geldt dat het analysepakket uitgebreid moet worden met cyanide (totaal). Tabel A: LMW waarden voor Roerdelta (gehalte in mg/kg.ds)
Parameter
LMW_Roerdelta
Lutum
8,2
Organische stof
3,5
Barium
252
Cadmium
2,0
Kobalt
18
Koper
64
Kwik
0,64
Lood
180
Molybdeen
88
Nikkel
23
Zink
308
PCB som7
0,055
PAK (10 VROM)
18
Minerale olie
114
Cyanide totaal
5,5
Berekening humane en ecologische risico’s Om te bepalen of er risico’s zitten aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden Roerdelta heeft een risicoberekening plaatsgevonden met de risicotoolbox (Bijlage 2). Dit is een landelijk te gebruiken programma om risico’s in het kader van het Besluit bodemkwaliteit te berekenen.
Met de risicotoolbox kunnen voor 7 verschillende bodemfuncties de humane en ecologische risico’s worden berekend. Naast de concentratie van de bodemverontreinigende stof worden de humane risico’s (risico’s voor de mens, veroorzaakt door bodemverontreiniging) bepaald door de mogelijke blootstellingsroutes (bodemcontact en gewasconsumptie). De ecologische risico’s worden bepaald op basis van het ecologische beschermingsniveau. Tabel B geeft per bodemfunctie een overzicht van de mate van blootstelling en het ecologische beschermingsniveau.
bijlages
| 76
Tabel B: mate van blootstelling en ecologisch beschermingsniveau per bodemfunctie
Bodemfunctie
Humaan mate bodemcontact
Humaan mate gewasconsumptie
Ecologisch beschermingsniveau
Wonen met tuin
Veel
Beperkt
Gemiddeld
Veel
Geen
Gemiddeld
Veel
Geen
Matig
i) grote moestuinen
Veel
Veel
Gemiddeld
ii) kleine moestuinen
Veel
Gemiddeld
Gemiddeld
Landbouw
Veel
Beperkt
Gemiddeld
Natuur
Weinig
Geen
Hoog
Groen en natuurwaarden
Weinig
Geen
Gemiddeld
Weinig
Geen
Matig
Weinig
Geen
Matig
Plaatsen waar kinderen spelen i) met een gemiddelde ecologisch waarde ii) weinig ecologische waarde moestuin en volkstuinen1:
Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie i) nagenoeg geheel verhard ii) niet nagenoeg geheel verhard
1 Bij moestuin en volkstuin, gaat men er in de berekening vanuit dat minimaal 100 m2 in gebruik is als moestuin en dat de groente uit deze tuin voor eigen gebruik wordt geconsumeerd.
bijlages
| 77
Binnen het deelgebied Roerdelta, komen de volgende functies voor: • Wonen met tuin; • Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie.
Resultaten risicotoolbox In de risicotoolbox worden de lokale maximale waarden voor een niet gestandaardiseerde bodem ingevoerd. Daarnaast wordt het gemiddelde lutum- en humusgehalte van het deelgebied Roerdelta ingevoerd. In Bijlage 2 is voor elke functie binnen het deelgebied per stof de risico index weergegeven. Indien de risico-index groter is dan 1, wordt het beschermingsniveau overschreden. Uit Bijlage 2 volgt dat alleen voor de gebruiksvorm moestuinen en/of volkstuinen sprake is van humane risico’s. Voor de overige gebruiksvormen zijn er geen humane risico’s. Dit betekent dat er voor de vastgestelde Lokale Maximale Waarden Roerdelta geen humane risico’s zijn, mits er geen moestuinen en/of volkstuinen1) voorkomen.
Uit de analyse van de ecologische risico’s blijkt dat voor veel stoffen (barium, koper, lood, nikkel, zink en kobalt) de risico index bij een gemiddeld ecologisch beschermingsniveau wordt overschreden. Bij een matig beschermingsniveau wordt in geen van de gevallen de risico index overschreden. In de rapportage ‘Ken uw bodemkwaliteit’ die hoort bij de risicotoolbox, wordt beschreven dat als de risico index voor de vast te stellen lokale maximale waarden wordt overschreden, beleidsmatig de keuze kan worden gemaakt om toch een hogere waarde vast te stellen.
Opgemerkt wordt dat de organische (som) parameters (minerale olie, som PAK en PCB), zoals opgenomen in het standaard analyse pakket en cyanide (totaal) niet ingevoerd kunnen worden. Om toch een risico-inschatting te kunnen maken zijn de lokale maximale waarden voor de organische parameters en cyanide (totaal) vergeleken met de maximale waarde wonen (MWW) en industrie (MWI) en de tussenwaarden (T-waarden). In onderstaande tabel zijn deze waarden gegeven.
Tabel C: overzicht organische stoffen en cyanide (totaal) [mg/kg.ds], obv lutum: 8,2 %, organische stof: 3,5 %
Stof
LMW
MWW
MWI
T-waarden
PAK10
18
6,8
40
21
PCB (som 7)
0,055
0,007
0,18
0,18
Minerale olie
114
67
176
908
Cyanide (totaal)
5,5
1,9
17,6
9,8
bijlages
| 78
Beleidsmatige keuzes Op basis van bovenstaande resultaten zijn de volgende keuzes gemaakt: • Binnen het deelgebied Roerdelta zijn bij nieuwe ontwikkelingen moes- en/ of volkstuinen24 niet mogelijk; • De gemeente Roermond accepteert een matig ecologisch beschermingsniveau voor het gehele deelgebied. Het te ontwikkelen deelgebied bestaat na ontwikkeling met name uit appartementencomplexen, infrastructuur, een cultuurvoorziening (ECI complex) en openbaar groen, waaronder een te realiseren park. Bij al deze functies hoort dat matig ecologisch beschermingsniveau (zie Tabel B). Alleen de functie wonen met tuin, die ook binnen dit deelgebied voorkomt, vereist een iets hoger ecologisch beschermingsniveau. De gemeente accepteert dat het ecologisch beschermingsniveau in de bestaande tuinen en in de nieuw aan te leggen tuinen, mogelijk niet wordt gehaald; • In het vorige punt is reeds benoemd
•
dat het grootste gedeelte van de toekomstige functies binnen de bodemfunctie ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie vallen. De vastgestelde Lokale Maximale Waarden vallen allemaal onder de maximale waarden industrie, die behoort bij deze bodemfunctieklasse. Voor de organische parameters en cyanide (totaal) liggen de Lokale Maximale Waarden daarnaast ook onder de tussenwaarden. Dit betekent dat de wettelijke sporen Wet bodembescherming, Woningwet en Wet ruimtelijke ordening en de lokale maximale waarden geen aanleiding geven voor verder bodemonderzoek. De Lokale Maximale Waarden voor de organische parameters en cyanide (totaal) zijn hiermee voldoende onderbouwd; Grond die wordt toegepast en niet afkomstig is uit het deelgebied Roerdelta dient kwaliteit wonen of beter te hebben. Hierdoor verbetert op gebiedsniveau de kwaliteit van het deelgebied;
•
De Lokale Maximale Waarden worden gebruikt als toetswaarden. Grond die vrijkomt binnen het deelgebied Roerdelta dient altijd onderzocht te worden. De onderzoeksinspanning dient in overleg met de gemeente plaats te vinden.
2 4 Bij moestuin en volkstuin, gaat men er in de berekening van uit dat minimaal 100 m2 in gebruik is als moestuin en dat de groente uit deze tuin voor eigen gebruik wordt geconsumeerd.
bijlages
| 79
Bijlage 2: R isico Toolbox LMW’s Roerdelta Resultaten RisicotoolboxBodem.nl Risico’s behorende bij chemische bodemkwaliteit en functie Algemeen Naam berekening: Modus: Monstergroep: Bodemgebruiksfunctie: Bijzonderheden:
<Nieuw> berekenen gevolgen Lokale Maximale Waarden /Roerdelta/Roerdelta LMW P95 Wonen met tuin
Status van deze berekening De risicotoolbox berekent de risico’s van een chemische bodemkwaliteit voor milieu, mens en landbouwproductie die horen bij een ingevoerde chemische bodemkwaliteit en bodemfunctie. De risicotoolbox maakt hiervoor gebruik van wetenschappelijke modellen uit de normstellingspraktijk. Modellen kunnen slechts een voorspelling geven van te verwachten risico’s. De kwaliteit van deze voorspellingen wordt bepaald door de betrouwbaarheid
van de modellen en de mate waarin deze van toepassing zijn op de lokale situatie. De modellen achter de risicotoolbox hebben uiteenlopende betrouwbaarheden en de toepasselijkheid hangt sterk af van de lokale situatie. De verantwoordelijkheid voor de interpretatie van de resultaten ligt bij de gebruiker van het instrument. Het bovenstaande betekent dat voorspellingen van risico ‘s die zowel boven als onder de - voor de gekozen bodemgebruiksvorm relevante - risicogrenswaarde liggen
slechts indicatief zijn. Juist bij resultaten die dicht bij risicogrenswaarden liggen is het belangrijk om hierbij in de interpretatiefase stil te staan. De risicotoolbox kan op twee manieren rekenen : 1. Berekenen van de risico’s van voorgestelde Lokale Maximale Waarden 2. Rekenen aan de risico’s van de actuele chemische bodemkwaliteit Deze berekening is het resultaat van functie 1. Functie 1: Bepalen gevolgen Lokale Maxi-
bijlages
| 80
male Waarden In het Besluit bodemkwaliteit staan de methoden beschreven waarlangs Lokale Maximale Waarden ter beoordeling van het toepassen van grond of baggerspecie dienen te worden onderbouwd. De risicotoolbox maakt onderdeel uit van dit proces. In deze modus werkt de risicotoolbox strikt volgens de bepalingen van het Besluit. Ingevoerde bodemkwaliteitsgegevens die worden aangemerkt als voorgestelde Lokale Maximale Waarden en de berekeningsresultaten krijgen een bijzondere status en worden permanent opgeslagen in de systeemdatabase. De ondergrens wordt gevormd door de AW2000 waarde. De bovengrens wordt bepaald door de zogenaamde Sanscrit -grens (onaanvaardbaar risico). Ter bepaling van deze bovengrens dient het programma Sanscrit te worden gebruikt. De instructie voor deze Sanscrit-toetsing is te vinden op www.risicotoolboxbodem.nl.
Resultaten Ecologische risico’s Beschermingsniveau: Gemiddeld, geen doorvergiftiging (Wonen met tuin) Stof
Concentratie [mg/kg] (*
Concentratiegrens [mg/kg]
Risico-index
Barium
550,14
550,00
1,00
Cadmium
2,94
3,70
0,80
Koper
104,63
54,00
1,94
Lood
247,29
210,00
1,18
Kwik
0,74
8,40
0,09
Nikkel
44,13
39,00
1,13
Zink
540,01
200,00
2,70
Kobalt
36,87
35,00
1,05
Molybdeen
1,50
88,00
0,02
(*) Let op: op de ingevoerde concentratie is de standaardbodemtypecorrectie toegepast
bijlages
| 81
Humane risico’s
Ecologische (mengsel) risico’s (msPAF)
Stof
Blootstelling [mg/kg lg/dag]
Risicogrens [mg/kg lg/dag]
Risico-index
Parameter
Waarde
Barium
0,000591
0,011
0,05
PAF Cadmium
3,03
Cadmium
2,7E-05
0,00028
0,10
PAF Koper
56,60
Koper
0,00102
0,11
0,01
PAF Kwik
0,15
Lood
0,00121
0,0018
0,67
PAF Nikkel
0,00
Kwik
8,5E-06
0,0019
0,00
PAF Lood
13,10
Nikkel
0,000725
0,046
0,02
PAF Zink
41,80
Zink
0,00302
0,25
0,01
msPAF (mengsel)
78,70
Kobalt
0,00106
0,0011
0,96
Molybdeen
1,21E-05
0,006
0,00
bijlages
| 82
Toelichting bij de resultaten Ecologische risico’ De ecologische risico’s in de risicotoolbox worden berekend door de concentratie van stoffen in de bodem (gecorrigeerd naar standaardbodem) te toetsen aan risicogrenswaarden. Deze risicogrenswaarden komen overeen met de grenswaarden die zijn gebruikt voor de afleiding van de Generieke Maximale Waarden. De ecologische grenswaarden worden beleidsmatig vastgesteld. Bij de onderbouwing van de grenswaarden wordt gebruik gemaakt van wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van stoffen op soorten. In deze onderbouwing kan er voor een aantal stoffen rekening worden gehouden met de effecten van doorvergiftiging. Humane risico’s In de risicotoolbox wordt de blootstelling van mensen aan stoffen als gevolg van bodemgebruik berekend met het model CSOIL. Dit model wordt ook gebruikt voor de afleiding van landelijke normen (Landelijke Maximale Waarden). In de
risicotoolbox wordt het model doorgerekend met de lokatiespecifieke bodemkwaliteit en bodemeigenschappen. CSOIL berekent een levenslang gemiddelde blootstelling voor de gekozen bodemfunctie. Aan de bodemfunctie zijn belangrijke blootstellingsparameters gekoppeld (bijvoorbeeld: mate van gewasconsumptie, blootstelling van kinderen via inname van grond). Landbouw risico’s De berekeningen van de landbouwrisico’s worden uitgevoerd met de methoden die zijn gehanteerd voor de onderbouwing van de LAC2006 waarden. In de risicotoolbox worden deze methoden zoveel mogelijk locatiespecifiek ingezet (dat wil zeggen: rekening houdend met het lokale bodemtype). Voor de stoffen en landbouwproducten waarvoor dit niet mogelijk is, wordt getoetst aan de generieke LAC-waarden. Toxische druk (msPAF) Naast de standaard ecologische risicobe-
oordeling wordt in de risicotoolbox ook de toxische druk (op ecosystemen) van stoffen en van het mengsel van stoffen berekend. Net als in de standaard ecologische risicobeoordeling vormen wetenschappelijke gegevens over de effecten van stoffen op soorten de basis voor deze berekening. Bij de bepaling van de toxische druk wordt verder rekening gehouden met de lokale bodemeigenschappen (organisch stof, lutum en zuurgraad) en met de generieke achtergrondwaarde (AW2000). Let op: de berekening van toxische druk in de risicotoolbox is niet geschikt om het verspreiden van baggerspecie te toetsen. Gebruik hiervoor het instrument TOWABO. Toxische druk (msPAF) Voor aanvullende informatie over de berekeningen in de risicotoolbox: zie www.risicotoolboxbodem.nl/methoden
bijlages
| 83
Resultaten - grafisch Ecologische risico’s Barium Cadmium
Stof
Koper Lood Kwik Nikkel Zink Kobalt Molybdeen 0
0.4
0.8
1.2
1.6
2
2.4
2.8
Risico-index Ecologische risico’s Barium Cadmium
Stof
Koper Lood Kwik Nikkel Zink Kobalt Molybdeen 0.0
0.2
0.4
0.6
0.8
1.0
Risico-index
bijlages
| 84
Invoergegevens Stof
Concentratie [mg/kg]
Concentratie in standaardbodem [mg/kg]
Type
som-PCB
0,06
0,16
P95
Barium
252,00
550,00
P95
Cadmium
1,99
2,94
P95
Koper
64,00
105,00
P95
Lood
179,50
247,00
P95
Kwik
0,57
0,74
P95
Nikkel
22,95
44,10
P95
Zink
308,00
540,00
P95
Kobalt
17,60
36,90
P95
Molybdeen
1,50
1,50
P95
Som-PAK (VROM 10)
17,95
18,00
P95
Minerale olie
114,00
326,00
P95
Bodemeigenschappen: Organisch stof: 3,5 % Lutum: 8,2 % pH (CaCl2): 6
bijlages
| 85
Resultaten - grafisch - additioneel In deze sectie worden de berekende ecologische en humane risico’s voor alle functies (beschermingsniveaus) in 3D staafdiagrammen weergegeven. Op deze wijze kan een indruk worden verkregen van de gevoeligheid van de uitslagen voor de gekozen functies. Ecologische risico’s
Risico-index 5 4 3 2 1 0
g Hoo ld
idde
Gem
g
Mati
Mol Koba ybdeen lt Zin Nikk k el Kwi Lood k Kop Cadm er ium Bari um
Beschermingsniveau Resultaten zijn altijd inclusief doorvergiftiging (indien waarden beschikbaar)
bijlages
| 86
Resultaten - grafisch - additioneel Ecologische risico’s
Risico-index 16 14 12 10 8 6 4 2 0
r atuu
N ar ki
wa tsen
Plaa
Functie
n
pele
en s nder
Tuin uin
st Moe
Mao ltlyb Koba deen l t Zink Nik Kwik kel Loo Kope d r Cadm i u m Bari um
Stof
bijlages
| 87
Bijlage 3: D oorontwikkeling meersporenbeleid aanpak bodemverontreiniging in Limburg Notitie van de Beleidsgroep Bodembeheer Limburg Vastgesteld bij vergadering van 21 oktober 2009
bijlages
| 88
Inhoudsopgave 1. Inleiding 2. Status BBL - notitie en reikwijdte meersporenbeleid 3. Basisfilosofie van het vigerende meersporenbeleid 4. Ervaringen met de toepassing van het meersporenbeleid 5. Aanleiding heroverweging 6. Overwegingen invulling meersporenbeleid 7. Nieuwe invulling meersporenbeleid 8. Nieuwe invulling in relatie tot bestaande invulling meersporenbeleid 9. Beleidsvisie VROM 10. Overleg met gemeenten en Provincie Limburg 11. Conclusie
90 91 92 95 97 100 104 106 108 109 111
bijlages
| 89
1. Inleiding Binnen de provincie Limburg wordt sinds midden jaren negentig het meersporenbeleid gehanteerd bij de aanpak van bodemverontreiniging. Ontwikkelingen in wet- en regelgeving zijn aanleiding om dit beleid te heroverwegen. In deze notitie heeft de Beleidsgroep Bodembeheer Limburg (BBL) de informatie bij elkaar gebracht die relevant is voor de heroverweging. Op basis van de heroverweging komt de BBL tot een nieuwe invulling van het meersporenbeleid. De inhoud van de notitie is besproken met vertegenwoordigers van VROM en van alle Limburgse gemeenten en de Provincie Limburg. Vervolgens heeft de BBL de notitie vastgesteld in haar vergadering van 21 oktober 2009.
Leeswijzer In deze notitie wordt eerst de status van deze notitie en de reikwijdte van het meersporenbeleid aangegeven (par. 2), waarna de basisfilosofie van het bestaande meersporenbeleid wordt toegelicht (par. 3) en de ervaringen met dit beleid worden beschreven (par. 4). Vervolgens worden de ontwikkelingen benoemd die aanleiding zijn om tot een heroverweging te komen (par. 5). Daarna worden overwegingen ten aanzien van de invulling van het meersporenbeleid beschreven (par. 6) om vervolgens de nieuwe invulling van het meersporenbeleid te schetsen (par. 7). In de volgende paragraaf wordt aangegeven hoe de nieuwe invulling zich verhoudt tot de positieve en negatieve ervaringen met de toepassing van het bestaande beleid (par. 8). Daarna wordt kort ingegaan op de beleidsvisie van VROM (par. 9) en de resultaten van de bespreking van het beleid met de gemeenten en Provincie (par. 10). De notitie sluit af met een conclusie (par. 11).
bijlages
| 90
2. Status BBL - notitie en reikwijdte meersporenbeleid 2.1 Status BBL - notitie In deze notitie is het standpunt van de BBL beschreven. De BBL is een ambtelijke werkgroep. Daarmee heeft de notitie niet de status van beleidsregel als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Om de nieuwe invulling van het meersporenbeleid wel de status van beleidsregel te geven, dient dit conform de daarvoor geldende procedure door de bevoegde gezagen te worden vastgesteld en gepubliceerd. Vervolgens kan het meersporenbeleid als toetsingskader bij de aanpak van bodemverontreiniging worden gehanteerd.
2.2 Reikwijdte meersporenbeleid Het meersporenbeleid vormt het toetsingskader voor de aanpak van bodemverontreinigingen die zijn ontstaan voor 1 januari 1987, de zogenaamde historische verontreinigingen. Op verontreinigingen die zijn ontstaan vanaf die datum is het zorgplichtbeginsel van toepassing, wat inhoudt dat de verontreiniging zoveel als mogelijk ongedaan moet worden gemaakt. Beoordelingen op grond van het meersporenbeleid vinden plaats bij nieuwe ontwikkelingen. Op bodemverontreinigingen in bestaande situaties is het meersporenbeleid niet van toepassing. Voor deze situaties is in de Wet bodembescherming bepaald dat sanerende maatregelen moeten worden genomen indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan is vastgesteld dat een spoedige sanering noodzakelijk is. Dit is een afzonderlijk traject.
bijlages
| 91
3. Basisfilosofie van het vigerende meersporenbeleid De uitvoering van bodembeleid gaat via verschillende regelingen. Die regelingen vinden hun basis in diverse wettelijke kaders, die kunnen worden ondergebracht in vier sporen: 1. de Wet bodembescherming; 2. de Wet ruimtelijke ordening; 3. de Woningwet; 4. het Besluit bodemkwaliteit. Daar waar al deze regelingen iets zeggen over de relatie tussen bodemkwaliteit en functie ligt het voor de hand dat die uitspraak per functie hetzelfde is: onze opvatting over de kwaliteit bodem die we geschikt vinden voor een bepaald gebruik wordt niet anders doordat er een ander wettelijk regime geldt. Het maakt immers niet uit of we de vereiste bodemkwaliteit voor een woning met tuin bereiken via een sanering (omdat er verontreiniging aanwezig is tot boven
de Interventiewaarde)(1.), via een bestemmingsplanherziening (omdat het tot nu toe een bestemming agrarische doeleinden of bedrijfsdoeleinden had)(2.), bij het verlenen van een bouwvergunning (3.) of via het aanvoeren van grond (omdat het terrein te laag ligt)(4.). Deze benadering kent zijn oorsprong in het gedachtegoed van Actief Bodembeheer Limburg (ABL), dat midden jaren negentig is ontwikkeld. De te hanteren bodemkwaliteitsdoelstelling is inmiddels getalsmatig ingevuld door de maximale waarden zoals opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Circulaire bodemsanering 2009 of de achtergrondgrenswaarde in combinatie met het aanvaardbaar risiconiveau voor gebieden waarvoor een bodembeheerplan
is opgesteld (overgangsrecht Bbk). Bij de afweging of daadwerkelijk sanerende maatregelen moeten worden genomen wordt een doelmatigheidsafweging gemaakt. Deze invulling van het meersporenbeleid betekent dat ook voor niet-ernstige bodemverontreinigingen, op locaties waar nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden, sanerende maatregelen nodig kunnen zijn. Naast de beschreven samenhang in bodembeleid wordt dit tevens ingegeven door de, ook in zijn algemeenheid gehanteerde ambitie, om bij nieuwe ontwikkelingen een duurzame situatie na te streven.
bijlages
| 92
In nevenstaande figuur is het vigerende meersporenbeleid schematisch weegegeven.
bijlages
| 93
Wat de getalsmatige invulling van de bodemkwaliteitsdoelstelling betekent voor de aanwezige bodemkwaliteit wordt in onderstaande figuren schematisch weergegeven. Hierbij is als voorbeeld uitgegaan van de functie wonen. Voor het gebiedsspecifieke kader zijn de bodemkwaliteitsdoelstellingen van ABL gehanteerd, omdat op dit moment nog niet gewerkt wordt met lokale maximale waarden op grond van het Bbk.
bijlages
| 94
4. Ervaringen met de toepassing van het meersporenbeleid Het werken met het meersporenbeleid heeft verschillende ervaringen opgeleverd. Als positief wordt ervaren: - de goede samenhang die het beleid aanbrengt tussen de wettelijke sporen: voor alle sporen worden dezelfde bodemkwaliteitsdoelstellingen gehanteerd. Dat maakt het beleid eenduidig en overzichtelijk waardoor het goed toepasbaar is; - vanwege de logische samenhang is het beleid goed uit te leggen; - de bodemkwaliteitsdoelstelling staat voor een duurzame bodemgeschiktheid; buiten diffuus verontreinigde gebieden zijn er bij die bodemkwaliteit geen risico’s, binnen diffuus verontreinigde gebieden is de bodemkwaliteit optimaal in de context van het gebied en zijn de risico’s uiteraard altijd aanvaardbaar; - het hanteren van dezelfde
-
bodemkwaliteitsdoelstelling ongeacht het wettelijk kader dat van toepassing is levert minder ‘versnippering’ aan bodemkwaliteiten op (geen postzegelverdeling); het meersporenbeleid brengt met zich mee dat niet alleen via het saneringsspoor, maar ook via het beheerspoor een kwaliteitsverbetering van de bodem wordt behaald en levert daarmee een bijdrage aan de ambitie die voor een gebied kan worden gesteld.
Als negatief wordt ervaren: - de Woningwet bemoeilijkt de uitvoering van het meersporenbeleid omdat deze wet bepaalt dat voor wat betreft de bodemkwaliteit volksgezondheidsrisico’s moeten worden voorkomen. Het meersporenbeleid gaat uit van
-
-
het realiseren van een duurzame bodemkwaliteit. Indien gehalten worden aangetroffen die niet hieraan voldoen, dienen maatregelen te worden getroffen om die bodemkwaliteit te realiseren. Dat betekent dat op grond van dit beleid ook maatregelen worden getroffen indien er geen sprake is van (onaanvaardbare) risico’s voor de volksgezondheid. Formeel kan dat niet worden verlangd op basis van de Woningwet. Voor gemeenten die in het kader van de Woningwet toetsen op volksgezondheidsrisico’s en niet op grond van het meersporenbeleid wordt de samenhang van het meersporenbeleid gefrustreerd; de doelmatigheidstoets is een instrument dat als arbitrair wordt ervaren; een aantal betrokkenen ervaart
bijlages
| 95
-
het motiveren van het saneren van lichte verontreinigingen (waaraan geen onaanvaardbare risico’s zijn verbonden) als lastig. Is het milieurendement wel voldoende, mede in relatie tot de kosten?; het verschil tussen de actiewaarden van bestaande situaties en nieuwe situaties wordt door een aantal betrokkenen ervaren als moeilijk uit te leggen. Bij nieuwe ontwikkelingen dienen maatregelen te worden genomen om lichte verontreinigingen te saneren, terwijl op andere, bestaande locaties waar soms gehalten in de bodem aanwezig zijn die vele malen hoger zijn, wordt verkondigd dat er geen sprake is van risico’s en er derhalve geen maatregelen nodig zijn om de verontreiniging weg te nemen of te verminderen.
In dit verband zijn de volgende opmerkingen ook nog relevant: - de ervaringen met het meersporenbeleid hangen
-
deels samen met de aanwezige bodemkwaliteit binnen een gebied. Binnen de diffuus ernstig verontreinigde gebieden speelt een aantal als negatief ervaren aspecten niet. Bij het saneren van gehalten boven de interventiewaarde spelen discussies over milieurendement minder en is het verschil tussen bestaande en nieuwe situaties ook veel kleiner. Tevens kan gemakkelijker op basis van de Woningwet het nemen van sanerende maatregelen worden verlangd en uitgelegd aan burgers en initiatiefnemers. In gebieden die relatief schoon zijn spelen deze discussies met name wel; over het algemeen ervaren de leden van de BBL dat in het merendeel van de situaties uiteindelijk geen sanerende maatregelen nodig zijn. Binnen de diffuus verontreinigde gebieden voldoet de bodemkwaliteit vaak aan de bodemkwaliteitsdoelstelling (de achtergrondgrenswaarde). Indien deze waarde wordt overschreden en voor overschrijdingen van de algemene
-
-
bodemkwaliteitsdoelstellingen buiten diffuus verontreinigde gebieden leidt een afweging met behulp van de doelmatigheidstoets er in het merendeel van de gevallen toe dat sanerende maatregelen als niet doelmatig worden beschouwd; de demografische ontwikkelingen beginnen hun effect te hebben op de realisatiekansen van projecten. De krimp van de bevolking leidt er op dit moment al toe dat er gebieden zijn waar slechts één woning gebouwd kan worden per twee te slopen woningen. Dat betekent dat de exploitatieopzet van dergelijke projecten onder druk komt te staan. De verwachting is dat dit effect zich de komende jaren verder zal uitbreiden; de aard van het (stedelijke) gebied leidt ook tot andere discussies. Zo blijkt dat marktpartijen er binnen de ene gemeente meer voor over hebben om een locatie te kunnen ontwikkelen, dan in een andere gemeente. Dat heeft onder andere te maken met de schaarste aan te ontwikkelen locaties binnen een gebied.
bijlages
| 96
5. Aanleiding heroverweging De laatste jaren heeft een aantal ontwikkelingen plaatsgevonden op het gebied van wet- en regelgeving dat aanleiding is om tot een heroverweging van bodembeleid te komen. Belangrijkste ontwikkeling en directe aanleiding is de inwerkingtreding van het Bbk. Met dit besluit wordt een nieuw kader geïntroduceerd voor het toepassen van bouwstoffen, grond en bagger. Het kent een andere benadering en normering dan de oude kaders. De inwerkingtreding van het Bbk heeft ertoe geleid dat het beleid Actief Bodembeheer Limburg gedeeltelijk van rechtswege is vervallen en voor het overige overbodig is geworden; GS hebben het beleid, voor zover niet van rechtswege vervallen, dan ook ingetrokken voor nieuw op te stellen bodembeheernota’s. De inwerkingtreding van het Bbk heeft tevens geleid tot een aanpassing van de Circulaire bodemsanering 2006 tot (inmiddels) de Circulaire bodemsanering
2009. In de circulaire wordt voor de saneringsdoelstelling een koppeling gelegd met de normering van het Bbk. Ten aanzien van de circulaire is verder vermeldenswaardig dat een paragraaf wordt gewijd aan bodemverontreiniging die geen deel uitmaakt van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierover wordt aangegeven dat het niet zo is, dat bij niet ernstig verontreinigde grond een verplichting kan worden opgelegd op grond van de bodemregelgeving om de bodem schoner te maken. De circulaire vervolgt met aan te geven dat er in die gevallen immers geen sprake is van een (potentieel) risico dat een dergelijke verplichting rechtvaardigt. In de circulaire is niet eerder zo expliciet een uitspraak gedaan over verontreinigingen die geen deel uitmaken van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Naast nieuwe wettelijke ontwikkelingen hebben er ook beleidsmatig ontwikkelingen plaatsgevonden. In dit
verband is van belang de brief van de minister van VROM van januari 2008 waarin zij aangeeft dat er een tekort is aan financiële middelen. Daarom is met de decentrale overheden de afspraak gemaakt om zoveel mogelijk prioriteit te leggen bij de aanpak van locaties waar sprake is van risico’s op het gebied van gezondheid, ecologie en verspreiding van ernstige grondwaterverontreiniging. Binnen deze prioriteit moeten de locaties waar sprake is van gezondheidsrisico’s met voorrang worden aangepakt. De aanpak kan bestaan uit het nemen van sanerende maatregelen in de zin van het verminderen of wegnemen van (blootstelling aan of verspreiding van) verontreinigingen of het beheersen van de risico’s van blootstelling en/of verspreiding. De overige verontreinigingen moeten worden gesaneerd in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (het beheerspoor). Hiervoor zullen met name de marktpartijen de kosten moeten
bijlages
| 97
dragen. De afspraken tussen Rijk en decentrale overheden zijn vastgelegd in het convenant Bodemontwikkelingsbeleid en aanpak spoedlocaties, dat op 10 juli 2009 is ondertekend. Landelijk wordt gediscussieerd over de aanpak van het geval van bodemverontreiniging in relatie tot het enkel wegnemen van de spoed. Oorspronkelijk ging de systematiek van de Wbb uit van de multifunctionele sanering van het geval van bodemverontreiniging. Vervolgens is de overstap gemaakt naar het functiegericht saneren en met de wijziging van de Wbb in 2006 en de inwerkingtreding van het BUS zijn de mogelijkheden voor het uitvoeren van deelsaneringen enorm verruimd. De systematiek van de huidige Wbb gaat wel nog steeds uit van gevallen van bodemverontreiniging. Er worden thans voorbereidingen getroffen voor een volgende aanpassing van de Wbb. Ook in dat kader wordt de discussie gevoerd hoe om te gaan met het deel van een geval van
bodemverontreiniging dat buiten het spoedig te saneren deel ligt (het deel met gehalten lager dan Sanscrit en hoger dan AW 2000). Volgens de huidige systematiek geldt voor dat deel dat gesaneerd moet worden indien handelingen worden verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst. Ten tijde van het schrijven van deze notitie is nog niet duidelijk wat de uitkomst van de discussie zal worden. Tot slot, ontwikkelingen op het vlak van samenhang in landelijke wet- en regelgeving. Ten tijde van het ontstaan van het meersporenbeleid was dit vernieuwend. Inmiddels heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan dat het meersporenbeleid ondersteunt. Genoemd kunnen worden: - het overstappen van multifunctioneel naar functiegericht saneren, waarmee nadrukkelijk een verband werd gelegd tussen de sanering van een bodemverontreiniging en de ruimtelijke ordening; - de Beleidsbrief bodem van
-
-
2003 waarin werd gepleit voor een verdergaande koppeling tussen ruimtelijke ordening en bodemaspecten om zo duurzaam bodemgebruik te bevorderen. Tevens werd in de brief aangekondigd dat beleidskaders vereenvoudigd en consistenter zouden worden gemaakt, waardoor decentrale overheden meer ruimte krijgen voor gebiedsgerichte oplossingen. Ook daarbij worden bodemkwaliteitsambities geformuleerd op basis van onder andere de gewenste bodemkwaliteit vanwege het bodemgebruik; de afstemming van de normen voor hergebruik op de functie van de desbetreffende locatie door in het Bbk de toets aan de functie als een van de voorwaarden op te nemen. Daarmee is het hergebruik in samenhang met de ruimtelijke ordening geregeld; de afstemming van de normen voor hergebruik met de normen voor sanering door de opname van de normen van het Bbk in de Circulaire bodemsanering 2009. Hiermee wordt een optimale
bijlages
| 98
afstemming bewerkstelligd tussen het hergebruikspoor en het saneringsspoor. Na ruim tien jaar met het meersporenbeleid te hebben gewerkt, zien we dat met name het hergebruiksspoor en het saneringsspoor goed op elkaar zijn afgestemd. De duurzame bodemgeschiktheid speelt een centrale rol in beide sporen. We constateren ook dat die afstemming zich (nog) niet doorzet naar de Wro en WW. De landelijke ontwikkelingen overziend kunnen er twee hoofdrichtingen worden onderscheiden. Enerzijds wordt de duurzame bodemgeschiktheid nagestreefd. Dat is met name verankerd in het hergebruiks- en saneringsspoor. Anderzijds zorgen de beperkte financiële middelen voor bodemsanering ervoor dat de saneringsoperatie zich met name richt op situaties met onaanvaardbare risico’s. Dit past bij het gestelde in de huidige circulaire dat het saneren van lichte verontreinigingen niet kan worden verplicht. Op basis van
deze ontwikkelingen is het realiseren van duurzame bodemkwaliteit enkel mogelijk indien er sprake is van spoed, respectievelijk een geval van ernstige bodemverontreiniging. Gelet op de verschillende richtingen waarin de ontwikkelingen wijzen is de toekomstvisie van VROM een belangrijk element bij de heroverweging. Met name haar ideeën over het afstemmen van de verschillende wettelijke kaders op elkaar en de invulling van de beleidsvrijheid die deze wetten bieden is van belang. Hier gaan we in par. 9 op in.
bijlages
| 99
6. Overwegingen invulling meersporenbeleid 6.1 Uitgangspunt is en blijft samenhang tussen wettelijke sporen
Gelet op de eenduidigheid en overzichtelijkheid is en blijft het uitgangspunt het streven naar samenhang tussen de diverse wettelijke sporen waarin een uitspraak moet worden gedaan over de aanpak van bodemverontreiniging.
6.2 Wat bepalen de verschillende wettelijke sporen? Als eerste is opnieuw gekeken naar de verschillende wettelijke sporen: welke verplichtingen leggen zij inmiddels op en welke beleidsvrijheid bestaat er? - Wet bodembescherming: de wet maakt onderscheid in gevallen van ernstige bodemverontreiniging en overige gevallen. In de Circulaire
bodemsanering 2009 is vastgelegd wanneer er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De circulaire betreft een beleidsregel, waar gemotiveerd vanaf geweken kan worden. In de wet is voor gevallen van ernstige bodemverontreiniging vastgelegd in welke situaties gesaneerd moet worden. Indien er geen sprake is van een ontwikkeling (statische locaties) worden enkel maatregelen voorgeschreven indien er sprake is van een spoedig te saneren verontreiniging. Indien er wel sprake is van een ontwikkeling (dynamische locaties), dient de saneringsdoelstelling te worden gerealiseerd. Hiervoor kunnen al dan niet sanerende maatregelen
-
-
noodzakelijk zijn. In de wet is meer in algemene zin vastgelegd wat de saneringsdoelstelling is. Deze is verder uitgewerkt in de circulaire. Hierin wordt een koppeling gelegd met de normen van het Bbk: het generieke en gebiedsspecifieke toetsingskader. Tevens geeft de circulaire aan dat geen verplichting tot het nemen van sanerende maatregelen kan worden opgelegd indien er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; Wet ruimtelijke ordening: deze wet kent beleidsvrijheid waar het gaat om de te hanteren bodemkwaliteitsdoelstellingen; Woningwet: de ten grondslag liggende uitgangspunten van deze
bijlages
| 100