03c Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029
Tekst van het document
Nota Bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 November 2019 | vs 19.3
Inhoudsopgave DISCLAIMER SAMENVATTING NOTA BODEMBEHEER MODULE 1 BELEID 1.0 Inleiding Het meersporenbeleid 1.1 Achtergrond, uitgangspunten en procedures 1.1.1 Achtergrond totstandkoming van de Nota 1.1.2 Uitgangspunten bij het opstellen van de Nota Omgevingswet 1.1.3 Procedurele aspecten Aanvulling in de Nota 1.2 Reikwijdte en begrenzingen van de Nota 1.2.1 Meersporenbeleid Reparatie omissie woonkernen Ooijen-Wanssum 1.2.2 Bevoegdheden op het terrein van grondverzet, ruimtelijke ordening, omgevingsrecht en bodemsanering 1.2.3 Inhoudelijke begrenzing 1.3 De bodemambities in de Regio 1.3.1 Beschrijving van het bodemgebruik van de Regio 1.3.2 Geomorfologische opbouw 1.3.3 Bodemkwaliteit 1.3.4 Ambities 1.4 Beleidsmatige keuzes van de Regio 1.4.1 Beleidsmatige kaders 1.4.2 Regionale beleidskeuzes 1.5 Verdere uitwerking van het beleid door het voorschrijven van regels 1.6 Toezicht en handhaving MODULE 2 REGELGEVING 2.0 Inleiding 2.1 Algemene doorvertaling van de BKK naar de Nota 2.2 De bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel 2.2.1 Onderzoek bij gebruik bodemkwaliteitskaart 2.2.2 Onverwachte situaties (zorgplicht) 2.2.3 Voorrang bewijsmiddelen 2.2.4 Geldigheidstermijn en actualisatie bewijsmiddelen 2.3 Spoor 1: Grondverzet 2.3.2 Grondstromenmatrix regio Limburg Noord 2017-2022 2.3.3 Stroomschema grondverzet
3 4 6 7 9 10 10 10 11 12 13 14 14 15 16 17 19 19 20 21 23 25 25 27 35 36 37 38 39 40 41 42 43 45 46 47 48
2.3.4 Grootschalige bodemtoepassing (GBT) 2.3.5 T ijdelijke uitname en tijdelijke opslag 2.3.6 Melden 2.3.7 Toepassing moet nuttig en functioneel zijn 2.3.8 Vrijstellingen voor agrariërs en particulieren 2.3.9 Provinciale regelgeving bij grondverzet 2.3.10 Grondverzet bij (spoor)wegen en bermen 2.4 Spoor 2: Omgevingsvergunning afwijken of bestemmingsplan 2.4.3 Bodemkwaliteitstoets op basis van het meersporenbeleid 2.5 Spoor 3: Omgevingsvergunning voor het bouwen 2.5.1 Inleiding 2.5.2 Wanneer is bodemonderzoek nodig en welk soort bodemonderzoek is nodig voor de activiteit bouwen 2.5.3 Bodemkwaliteitstoets op basis van het meersporenbeleid 2.6 Spoor 4: Saneringen 2.6.3 Onverwachte bodemverontreinigingen tijdens graafactiviteiten 2.7 Arbo 2.8 Regionale aandachtsgebieden 2.8.2 Zinkassen en Actief Bodembeheer de Kempen (ABdK) 2.8.3 Diffuus verontreinigde beekdalen 2.8.4 Van nature verhoogde arseengehalten 2.8.5 Mijnsteengebieden Maasgouw 2.8.6 (Water)bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer Ooijen-Wanssum 03. BIJLAGEN Referentielijst Bijlage 1: Roerdelta Roermond Bijlage 2: R isico Toolbox LMW’s Roerdelta Bijlage 3: D oorontwikkeling meersporenbeleid aanpak bodemverontreiniging in Limburg Inhoudsopgave Bijlage 4: Bodemkwaliteitskaart (BKK) 1. De bodemfunctieklasse kaart 2. De ontgravingskaart bovengrond 3. De ontgravingskaart ondergrond 4.
De toepassingskaart bovengrond 5. De toepassingskaart ondergrond
49 51 51 53 55 55 55 60 61 62 62 62 63 64 65 66 67 68 68 69 71 71 74 74 75 80 88 89 112 113 114 115 116 117
|2
DISCLAIMER
In het kader van de verlaging van de regeldruk kan op basis van deze Nota in bepaalde situaties worden afgezien van bodemonderzoek bij de aanvraag van een omgevingsvergunning nodig bij een ruimtelijke procedure of bij het hergebruik van grond. In plaats van een bodemonderzoek uit te (laten) voeren, kan gebruik worden gemaakt van de gegevens van de bodemkwaliteitskaart (BKK). De BKK is met de grootste zorgvuldigheid vastgesteld. Deze biedt echter nooit uitsluitsel over onvoorziene omstandigheden op een locatie (bijvoorbeeld de aanwezigheid van puin in de bodem / onbekende dempingen / een niet geregistreerde olietank). Daarnaast geeft de BKK geen uitsluitsel over asbest in bodem. Het is nadrukkelijk de keuze van de initiatiefnemer of hij gebruik maakt van de BKK of dat hij toch een bodemonderzoek of partijkeuring laat uitvoeren. Voordat hij deze keuze maakt, zal hij de voor- en nadelen en de eventuele risico’s moeten afwegen.
Indien de initiatiefnemer gebruik maakt van de BKK kan het gebeuren dat tijdens de werkzaamheden zaken worden aangetroffen die onderzoek alsnog noodzakelijk maken. In dergelijke gevallen is de gemeente niet aansprakelijk voor de onderzoekskosten en/of de gevolgschade. De eindverantwoordelijkheid voor het toepassen van een partij grond of baggerspecie op basis van de BKK ligt bij de toepasser van de grond of baggerspecie. De gemeente kan niet aansprakelijk worden gesteld voor schade die voortkomt uit onzekerheden in de bodemkwaliteitsdata.
SAMENVATTING NOTA BODEMBEHEER De Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 (verder aangeduid als ‘de Nota’) is een gemeenschappelijke nota van de 15 Noord- en Midden-Limburgse gemeenten (verder aangeduid als ‘de Regio’). In de Nota staat hoe de regio omgaat met bodemverontreiniging en welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond. De Nota geeft regels en richtlijnen voor iedereen die bij het voorbereiden van projecten of het uitvoeren van bodemwerken rekening moet houden met de kwaliteit van de bodem. De Nota is onlosmakelijk verbonden met de bodemkwaliteitskaart (BKK). De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de bodemkwaliteit binnen een bepaald gebied is aangegeven. Een BKK wordt opgesteld om grondverzet op een efficiënte, kosteneffectieve en verantwoorde manier mogelijk te maken. De bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in de bodemkwaliteit van de bodemlagen van 0 tot 0,5 meter onder het maaiveld en van 0,5 tot 2,0 meter onder het maaiveld.
De Nota heeft 2 doelen: 1. Het stellen van een kader voor het duurzaam en efficiënt hergebruiken van grond binnen de regio. Of, simpeler gezegd: regels opstellen voor het hergebruik van vrijkomende grond. 2. Het beleidsmatig verankeren van het in Limburg gehanteerde meersporenbeleid. Dat komt erop neer dat voor de activiteiten grondverzet, ruimtelijke ontwikkeling, bouwen en bodemsanering de bodemkwaliteit zo eenduidig mogelijk wordt beoordeeld. In Module 1 wordt dieper op de doelen ingegaan: Kader voor duurzaam en efficiënt hergebruiken van grond De Omgevingswet die (naar verwachting) in 2021 wordt ingevoerd, richt zich op het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem en de ondergrond. Met de Nota wordt hierop ingespeeld. Door niet meer per gemeente naar de bodem te kijken, maar in de grotere regio, vinden
|4
grondstromen soepeler en dus efficiënter hun weg. Dit levert bijkomstige voordelen op: minder transport (winst voor milieu), bijdragen aan de circulaire economie en verbeteren van de omgevingskwaliteit. Verder zullen de administratieve en de financiële lasten voor burgers, bedrijfsleven en overheid verminderen. Beleidsmatig verankeren van het meersporenbeleid De vier sporen van het meersporenbeleid zijn: grondverzet, ruimtelijke ontwikkeling, bouwen en bodemsanering. Het meersporenbeleid zorgt ervoor dat de bodemkwaliteit zo eenduidig mogelijk wordt beoordeeld. Dit maakt het beleid helder voor burgers en bedrijven in de regio en voor bedrijven die binnen de regio werkzaamheden in de bodem uitvoeren. Voordat werkzaamheden of maatregelen op of aan de bodem worden uitgevoerd, is een milieuhygiënische verklaring nodig. Een milieuhygiënische verklaring is een bewijsmiddel dat de kwaliteit van de grond aantoont. Volgens het meersporenbeleid is het mogelijk om bij ruimtelijke
initiatieven – onder voorwaarden – de bodemkwaliteitskaart (BKK) als bewijsmiddel te accepteren. Daarover is meer te lezen in Module 2. Kiezen voor de BKK als bewijsmiddel heeft gunstige effecten: de kosten voor het uitvoeren van bodemonderzoeken worden zo veel mogelijk beperkt en de voorbereiding en uitvoering van bodemprojecten en -werken wordt eenvoudiger en verloopt sneller. In Module 2 gaat het om regelgeving: Met het oog op het verminderen van de regeldruk en de administratieve lasten biedt de Regio de mogelijkheid om – onder voorwaarden - de bodemkwaliteitskaart (BKK) als milieuhygiënische verklaring (= bewijsmiddel) te gebruiken. De regels waaronder de BKK als milieuhygiënische verklaring kan worden gebruikt, zijn in Module 2 beschreven. De regels zijn gegroepeerd per spoor: grondverzet, ruimtelijke ontwikkeling, bouwen en bodemsanering. Voor ieder spoor geldt dat de bodem-
kwaliteitskaart nooit zelfstandig een milieuhygiënische verklaring is. Er is altijd een vooronderzoek (conform NEN 5725) nodig. Het doel van dat vooronderzoek is om te toetsen of de BKK een voldoende betrouwbare uitspraak doet over de bodemkwaliteit. Als tijdens het vooronderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit mogelijk afwijkt van wat de BKK aangeeft, is een vervolgonderzoek noodzakelijk. De keuze om de BKK als bewijsmiddel te gebruiken ligt bij de initiatiefnemer. Bij het gebruiken van de BKK als milieuhygiënische verklaring gelden de in de Module 2 beschreven zorgplicht en disclaimer.
|5
[Module 1 beleid]
Module 1 beleid Module 1 beleid
|6
[Module 1 beleid]
1.0
Inleiding
Voor u ligt de Nota bodembeheer Limburg Noord 2020-2029 (verder aangeduid als ‘de Nota’). De Nota geldt voor de 15 Noord- en Midden-Limburgse gemeenten. De regio Noord- en Midden-Limburg wordt verder aangeduid met ‘de Regio’. De regio met de daarin gelegen gemeenten is te zien in Figuur 1. Deze Nota heeft 2 doelen: • Het stellen van een kader voor het duurzaam en efficiënt hergebruiken van grond binnen de regio. • Het beleidsmatig verankeren van het in Limburg gehanteerde meersporenbeleid. (Voor uitleg meersporenbeleid zie pagina 9). Op de volgende pagina’s wordt het belang van de doelen toegelicht.
Duurzaam en efficiënt beheer van grondstromen draagt bij aan de maatschappelijke opgaven
Het bodembeleid ondergaat een transitie. Met de invoering van de Omgevingswet (waarschijnlijk in 2021) maakt het huidige sectorale beleid (gericht op de chemische kwaliteit) plaats voor een beleid dat zich richt op het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem en ondergrond. Met de Nota wordt hierop ingespeeld. Maatschappelijke opgaven zoals het aanpassen aan de klimaatverandering en de energietransitie vragen om ruimtelijke ingrepen, waarbij grondstromen ontstaan. De Regio wil de vrijkomende grond op een duurzame en efficiënte manier kunnen hergebruiken. De basis hiervoor wordt gelegd doordat de deelnemende gemeenten de Nota bodembeheer vaststellen en het beheergebied verruimen tot de Regio (zie paragraaf 1.1.3). Door het verruimen van het beheerge-
Module 1 beleid
|7
[Module 1 beleid]
bied van gemeente tot de Regio kunnen grondstromen soepeler hun weg vinden in de regio. Daarnaast helpt inzicht in de regionale bodemkwaliteit bij het maken van ruimtelijke keuzes die horen bij de maatschappelijke opgaven. Bijkomende effecten zijn (in willekeurige volgorde): •A dministratieve lasten: door het beheergebied te verruimen tot de Regio kan - onder voorwaarden - de bodemkwaliteitskaart binnen de regio als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt. Hierdoor is feitelijk onderzoek (monsterneming en analyses) niet in alle gevallen noodzakelijk. Dat zorgt voor minder administratieve lasten. •K limaat: doordat hergebruik van grond binnen de regio aantrekkelijk wordt gemaakt, wordt transport van grondstromen over langere afstanden minder aantrekkelijk. Minder transport leidt tot brandstofbesparing, wat een positief effect heeft op het klimaat.
• Circulaire economie: door hergebruik te stimuleren wordt minder aanspraak gemaakt op grond uit groeves. Hierdoor worden delfstoffen bewaard voor toekomstige generaties en worden kringlopen gesloten. • Omgevingskwaliteit: minder transport en kortere transportafstanden hebben een positief effect op de luchtkwaliteit en op de veiligheid. Minder transport betekent immers minder uitstoot én minder kans op verkeersongelukken.
Figuur 1: Overzicht van de Regio en de deelnemende gemeenten aan de Nota.
Module 1 beleid
|8
[Module 1 beleid]
Het meersporenbeleid De Beleidsgroep Bodembeheer Limburg (BBL) ontwikkelde het meersporenbeleid [Ref. 2]. De filosofie achter het meersporenbeleid (zie ook paragraaf 1.2.1) is dat de bodemkwaliteit zoveel mogelijk integraal wordt beoordeeld: “Onze opvatting over
de kwaliteit van de bodem die we geschikt vinden voor een bepaald gebruik wordt niet anders doordat er een ander wettelijk regime geldt.” Met het meersporenbeleid wordt gestreefd naar een zo eenduidig mogelijke beoordelingssystematiek. Omdat er goede
ervaringen zijn met het meersporenbeleid en omdat de gedachte ervan aansluit op de verbeterdoelen van de Omgevingswet (zie bladzijde 11) hecht de regio veel waarde aan het verankeren van het meersporenbeleid in het regionale bodembeleid.
Module 1 beleid
|9
[Module 1 beleid]
1.1
Achtergrond, uitgangspunten en procedures
1.1.1 Achtergrond totstandkoming van de Nota In 2008 is het Besluit bodemkwaliteit in werking getreden. Voor de invoering van het Besluit bodemkwaliteit was de regelgeving voor het toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie versnipperd over het Bouwstoffenbesluit, de Vrijstellingregeling grondverzet en andere regels. De regelgeving werd als complex, star en slecht handhaafbaar ervaren. Met het Besluit bodemkwaliteit werd voor het hergebruik van grond, bouwstoffen en baggerspecie een eenduidig kader geschapen en werd een stap gezet richting duurzaam bodembeheer. Daarnaast werd de mogelijkheid geïntroduceerd om onder bepaalde voorwaarden grond te hergebruiken op basis van een bodemkwaliteitskaart (BKK). Om gebruik te maken van deze mogelijkheid zijn in het verleden in de regio diverse bodemkwaliteitskaarten en bijbehorende nota’s bodembeheer vastgesteld.
Van een aantal gemeenten in de regio verliep de geldigheid van de bodemkwaliteitskaart. Vanwege de ontwikkelingen in het ruimtelijk fysieke domein (zoals de invoering van de Omgevingswet) ontstond de wens om voor de Regio één kaart met bijbehorende Nota bodembeheer op te stellen. Eén regionale Nota draagt namelijk bij aan het duurzaam en efficiënt beheren van bodem en grondstromen. Bijkomend positief effect is dat het stimuleren van hergebruik in de regio bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven (Zie inleiding).
1.1.2 Uitgangspunten bij het opstellen van de Nota Bij het opstellen van de Nota zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • Het meersporenbeleid is het “fundament” van de Nota vanwege de goede ervaringen met dit beleid; • Het beleid is zo veel mogelijk uniform. Maatwerk alleen als de eigen verordening, politieke keuzes of de gebiedskwaliteit dit noodzakelijk maken; • De BKK wordt zo veel mogelijk als bewijsmiddel gehanteerd (verlichting van de administratieve lasten); • De regels zijn te handhaven; • Extra op te stellen (beleids)regels moeten passen binnen de kaders van het beleid om bodem en ondergrond duurzaam en efficiënt te gebruiken en beheren; • Daar waar mogelijk al anticiperen op de Omgevingswet (beoogde invoering: 2021).
Module 1 beleid
| 10
[Module 1 beleid]
Omgevingswet In de Omgevingswet zijn vier verbeterdoelen opgenomen: 1. Vergroten van de inzichtelijkheid, de voorspelbaarheid en het gebruiksgemak van het omgevingsrecht; 2. Zorgen voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in beleid, besluitvorming en regelgeving; 3. Vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte door een actieve en flexibele aanpak mogelijk te maken om doelen voor de fysieke leefomgeving te bereiken; 4. Versnellen en verbeteren van besluitvorming over projecten in de fysieke leefomgeving. Tijdens het schrijven van deze Nota waren de Omgevingswet en de voor het bodembeheer relevante Aanvullingswet en het Aanvullingsbesluit nog in ontwikkeling. Desondanks sluit de Nota al aan op de verbeterdoelen uit de Omgevingswet, doordat: • Eén Nota in de regio resulteert in een eenduidig beleid, waardoor de voorspelbaarheid wordt vergroot; • Digitaal ontsluiten van de Nota en de bodemkwaliteitskaart onderdeel uitmaakt van dit project. Dit vergroot de inzichtelijkheid en het gebruiksgemak; • Eén regionale bodemkwaliteitskaart en bijbehorende Nota bijdragen aan maatschappelijke opgaven, zoals in de inleiding beschreven.
Daarmee is een eerste stap gezet richting de samenhangende benadering van bodem(kwaliteit) in relatie tot de fysieke leefomgeving; • De regionale bodemkwaliteitskaart en de Nota bodembeheer – onder voorwaarden – vrij grondverzet in de regio mogelijk maken. Dit kan bijdragen aan het versnellen van de besluitvorming over projecten.
Module 1 beleid
| 11
[Module 1 beleid]
1.1.3
Procedurele aspecten
Gebiedsspecifiek beleid noodzakelijk om grondverzet in de Regio te faciliteren In de Regeling bodemkwaliteit is bepaald dat de bodemkwaliteitskaart onder bepaalde voorwaarden als milieuhygiënische verklaring kan worden gebruikt bij grondverzet. Eén van de voorwaarden is dat de ontgravingslocatie en de toepassingslocatie in hetzelfde beheergebied liggen. Standaard (onder het zogenaamde generieke beleid) zijn de grenzen van het beheergebied dezelfde als de grenzen van het grondgebied van de gemeente. Gemeenten hebben echter de mogelijkheid om aan de gemeenteraad voor te stellen om, met toepassing van gebiedsspecifiek beleid, een groter beheergebied aan te wijzen. Om duurzaam en efficiënt grondverzet binnen de regio mogelijk te maken, wordt aan de raden van de deelnemende gemeenten voorgesteld om met gebruikmaking van het gebiedsspecifieke beleid het grondgebied van de Regio aan te wijzen als beheergebied.
Vaststellen van de Nota Om een duurzaam en efficiënt beheer van grondstromen in de Regio mogelijk te maken dient de Nota door de raden van de 15 deelnemende gemeenten te worden vastgesteld. Daarnaast dienen de raden ook het grondgebied van de Regio aan te wijzen als beheergebied. Hiervoor is een “uniforme openbare voorbereidingsprocedure” gevolgd. Dit betekent dat iedere belanghebbende bij de besluitvorming wordt betrokken via een inspraakprocedure. De Nota was op grond van het Besluit bodemkwaliteit zes weken voor iedereen in te zien. De reacties die binnenkwamen, zijn gebruikt bij de vaststelling van de definitieve Nota. Deze Nota met de daarbij behorende kaarten, is van kracht vanaf het moment van vaststelling door de raad van de betreffende gemeente. Voor de exacte vaststellingsdatum wordt verwezen naar de betreffende Raadsbesluiten.
plannen in de regio. Als de Nota wordt vastgesteld, vervallen de eerdere nota’s en plannen. De documenten die worden ingetrokken, staan vermeld in paragraaf 1.4.2 “Regionale beleidskeuzes”.
Geldigheidsduur van de Nota Aan de Nota mag een geldigheidsduur worden gesteld van maximaal 10 jaar. Besloten is om deze termijn te hanteren. Hiervoor is gekozen omdat in het kader van de Omgevingswet gemeenten worden verplicht om een Omgevingsplan op- en vast te stellen. Een Omgevingsplan bevat ook regels voor grondverzet. Bij het vaststellen van een Omgevingsplan verliest de Nota zijn geldigheid. De gehanteerde termijn van 10 jaar voorkomt dat er voor de tussenliggende periode opnieuw een Nota bodembeheer moet worden vastgesteld, als er binnen 10 jaar geen Omgevingsplan is vastgesteld.
Deze Nota is de opvolger van de eerdere nota’s bodembeheer en bodembeheer-
Module 1 beleid
| 12
[Module 1 beleid]
Aanvulling in de Nota
1.1.4 (Water)bodemkwaliteitskaart en Nota bodembeheer Ooijen-Wanssum Het plangebied Ooijen-Wanssum beschikt over een eigen (water)bodemkwaliteitskaart [Ref. 7]. De gemeenten Venray en Horst aan de Maas zijn bevoegd gezag voor de landbodem binnen dat plangebied. Ze hebben besloten om het deel van de (water)bodemkwaliteitskaart dat betrekking heeft op de landbodem integraal op te nemen in de BKK Limburg Noord. Dit is verwerkt op de ontgravings- en toepassingskaarten van de BKK Limburg Noord [Ref. 4]. Voor grondverzet van en naar de waterbodem kunnen de bodemkwaliteitskaarten niet als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt. Uitzondering is grondverzet dat binnen plangebied Ooijen-Wanssum zelf plaatsvindt.
De woonkernen binnen plangebied Ooijen-Wanssum zijn niet gezoneerd. In module 1 is beleidsmatig gemotiveerd dat voor de sporen Bouwen en RO (in eerste instantie) volstaan kan worden met een historisch onderzoek (zie module 1, paragraaf 1.2.1).
Module 1 beleid
| 13
[Module 1 beleid]
1.2
Reikwijdte en begrenzingen van de Nota
1.2.1
Meersporenbeleid
De Regio kiest voor het meersporenbeleid In de Regeling bodemkwaliteit is vastgelegd dat een bodemkwaliteitskaart als milieuhygiënische verklaring kan worden gebruikt bij het hergebruiken van grond. Om (voor zo ver mogelijk) te komen tot een eenduidige beoordelingssystematiek is in Limburg het meersporenbeleid [Ref. 2] ontwikkeld. Volgens het meersporenbe-
leid is het mogelijk om – onder voorwaarden – de bodemkwaliteitskaart ook als milieuhygiënische verklaring te accepteren bij ruimtelijke initiatieven (ruimtelijke ordening en/of bouwen). Het meersporenbeleid kan worden geëffectueerd door deze op te nemen in het gemeentelijke bodembeleid. De Regio kiest er nadrukkelijk voor om het meersporenbeleid te verankeren in deze Nota. De keuze om de bodemkwaliteitskaart – onder voorwaarden – als milieu-
hygiënische verklaring te gebruiken voor ruimtelijke initiatieven is legitiem, omdat uit de bodemkwaliteitskaart [Ref. 4] blijkt dat de diffuse verontreinigingen beduidend lager zijn dan de interventiewaarden. Ook is de P95 (beduidend) lager dan de maximale waarde industrie, waardoor de risicogrenswaarden - die bij een ruimtelijke ontwikkeling als toetsingswaarde gelden - niet worden overschreden. (P95 is een statistische waarde; 95 % van de waarnemingen ligt onder deze waarde).
Module 1 beleid
| 14
[Module 1 beleid]
Reparatie omissie woonkernen Ooijen-Wanssum BKK niet voor het grondverzetspoor De bebouwde gebieden binnen het plangebied Ooijen-Wanssum zijn onderdeel van de (water)bodemkwaliteitskaart [(w) BKK] projectgebied Ooijen-Wanssum. Deze geactualiseerde (w)BKK is in april 2018 vastgesteld en de daar in gelegen bebouwde gebieden zijn niet gezoneerd. Dit betekent dat de (w)BKK voor deze niet gezoneerde gebieden niet gebruikt kan worden als een milieuhygiënische verklaring in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Met andere woorden: voor het toepassen van grond afkomstig uit deze gebieden en voor het toepassen van grond in deze gebieden is altijd een ander erkend bewijsmiddel nodig. Voor een gebied kan maar één bodemkwaliteitskaart van toepassing zijn. Daarom kan de recent opgestelde regionale BKK deze omissie niet repareren. Reparatie is alleen mogelijk indien een nieuwe (w)BKK
van Ooijen-Wanssum wordt vastgesteld. Omdat: • De (w)BKK de basis is voor privaatrechtelijke afspraken over de uitvoering van het hoogwaterproject; • De verwachte dynamiek in de betreffende bebouwde gebieden laag is. Staat de inspanning van deze reparatie niet in verhouding tot de te behalen winst (verlaging van de administratieve lasten)”. BKK wel voor de sporen Bouwen en RO Bij het doorrekenen van de regionale bodemkwaliteitskaart was er geen aanleiding om te veronderstellen dat de bebouwde gebieden in het projectgebied Ooijen-Wanssum als aparte zone moeten worden beschouwd. Ook uit de geactualiseerde (w)BKK van Ooijen-Wanssum blijkt niet dat de bebouwde gebieden vanwege een afwijkende/heterogene bodemkwaliteit niet zijn gezoneerd. In de BKK van
Venray waren deze bebouwde gebieden ingedeeld in bodemkwaliteitsklasse Landbouw en Natuur. Omdat de gemeente Horst aan de Maas nog geen BKK had, zijn deze bebouwde gebieden nogmaals geverifieerd door de bodemonderzoeksrapporten van de laatste 15 jaar te screenen. Deze screening bevestigt het beeld. Bij de doorontwikkeling van het meersporenbeleid is gekozen om bij het opleggen van verbeterdoelstelling van de bodemkwaliteit aan te sluiten op de systematiek van de Wbb. Dat betekent dat sanerende maatregelen enkel worden voorgeschreven indien er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Binnen Ooijen-Wanssum is er voor de diffuse bodemkwaliteit van de bebouwde gebieden geen vermoeden van ernstige bodemverontreiniging. Daarom is het legitiem om voor de sporen Bouwen en RO op basis van een historisch onderzoek te onderbouwen of er al dan niet sprake is van een vermoedelijk geval van bodemverontreiniging.
Module 1 beleid
| 15
[Module 1 beleid]
1.2.2 Bevoegdheden op het terrein van grondverzet, ruimtelijke ordening, omgevingsrecht en bodemsanering De gemeenten zijn niet voor alle locaties bevoegd gezag De gemeenten zijn niet voor alle locaties in hun grondgebied bevoegd gezag voor de wet gevingen waarop het meersporenbeleid zich richt. Tabel 1 beschrijft de bevoegdheden in de Regio.
Tabel 1: overzicht bevoegdheden bodem(gerelateerde) wet- en regelgeving
Gemeente
Provincie
Rijkswaterstaat
Besluit bodemkwaliteit
In/op de droge landbodem
Voor bedrijven waar Maas, incl. winde provincie bevoegd terbed en hagezag volgens Wet vens algemene bepalingen omgevingsrecht is
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Gehele grondgebied, Inrichtingen waarm.u.v. de inrichtingen voor de provincie waarvoor de provin- bevoegd gezag is cie bevoegd gezag is
Wet ruimtelijke ordening
Gehele grondgebied van de gemeente
Waterschap Limburg Primaire en secundaire wateren 1)
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t. (behoudens een N.v.t. inpassingsplan)
N.v.t.
Module 1 beleid
| 16
[Module 1 beleid]
Wet bodembescherming
1.2.3
Het hele gebied, met uitzondering van de gebieden waar RWS en het Waterschap bevoegd zijn vanuit de Waterwet.
Het hele gebied, met uitzondering van de gebieden waar RWS en het Waterschap bevoegd zijn vanuit de Waterwet 3)
De bevoegdheid beperkt zich tot de handhaving van zorgplicht en niet ernstige historische verontreinigingen die niet onder de saneringsparagraaf van de Wbb vallen 3).
De bevoegdheid richt zich op de sanering van gevallen van ernstige bodem-verontreiniging die onder de sanerings-paragraaf van de Wbb vallen.
Inhoudelijke begrenzing
Niet voor grondwater Grondwaterverontreinigingen vallen buiten de strekking van de BKK en deze Nota. In de Regio zijn een aantal grondwaterverontreinigingen bekend. Er is sprake van grondwaterverontreiniging als stoffen of materialen in het grondwater terecht zijn
Maas, incl. winterbed en havens 2)
Primaire en secundaire wateren 1) 2)
gekomen die schadelijk zijn voor de mens, plant en/of dier. Veel grondwaterverontreinigingen zijn ontstaan door wat mensen in het verleden op een bepaald punt hebben gedaan. Deze verontreinigingen noemen we dan ook puntbronverontreinigingen (relatief lokale verontreinigingen die zijn veroorzaakt door bijvoorbeeld een voormalige chemische wasserij). Veront-
1) De ligging van de primaire en secundaire wateren is weergegeven op kaartmateriaal (leggers) die zijn te raadplegen op de website van Waterschap Limburg. 2) Wet bodembescherming is hier niet meer van toepassing. Beoordeling en aanpak van de waterbodem is geïntegreerd in de Waterwet. 3) De gemeente Venlo is een zogenaamde “rechtstreekse gemeente” en is bevoegd gezag voor alle Wbb-taken in haar grondgebied.
reinigingen kunnen ook het gevolg zijn van een diffuse belasting (voorbeelden: uitlogen van zware metalen ten gevolge van overbemesting, verzuring in Noord- en Midden-Limburg en uitlogen van cadmium en zink vanuit toegepaste zinkassen in de Kempen). Voor (bouw)activiteiten op deze plekken sluit de Regio aan bij het provinciale bodembeleid [Ref. 3].
Module 1 beleid
| 17
[Module 1 beleid]
Niet voor asbest De BKK doet geen uitspraak over eventu ele aanwezigheid van asbest in de bodem. Asbest neemt een bijzondere positie in. In tegenstelling tot andere stoffen is een bodembelasting met asbest vaak niet te relateren aan een combinatie van historische activiteiten, maar veel meer aan de gebruikte bouwstoffen in een (voormalige) woning of (bedrijfs)gebouw of aan de aanwezigheid van asbest in bepaalde ophooglagen en/of erfverhardingen. Daarnaast biedt de wet- en regelgeving rondom asbest de gemeenten geen (normatieve) afwegingsruimte, wat bij andere bodemverontreinigende stoffen wel het geval is, Voor asbest is er maar 1 toetsingsnorm: de zogenaamde restconcentratie norm (= 100 mg/kg d.s.).
Bij overschrijding van de norm: • Is de grond niet toepasbaar in het kader van het Besluit bodemkwaliteit; • Is er ongeacht de omvang (kubieke meters) van de bodemverontreiniging sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarop de Wbb van toepassing is.
Bodemkwaliteitskaart ook voor de onverdachte ondergrond De bodemkwaliteitskaart geeft inzicht in de bodemkwaliteit van de bodemlagen van 0 tot 0,5 m-mv en 0,5 tot 2,0 m-mv. Locaties waarvan bekend is of verwacht wordt dat ze verontreinigd zijn als gevolg van een puntbron zijn geen onderdeel van de bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart geeft daarmee inzicht in de aanwezige diffuse verontreinigingen.
Natuur, ook wel aangeduid met de achtergrondwaarde (AW2000). Bodem/grond die voldoet aan deze norm is duurzaam geschikt voor elke gebruiksvorm en wordt in de praktijk schone grond genoemd. Binnen de Regio mag de bodemkwaliteitskaart onder voorwaarden ook als milieuhygiënische verklaring worden gebruikt voor de bodemlagen dieper dan 2 m-mv. Dit is het geval als wordt gemotiveerd waarom de kwaliteit van de bodemlaag van 0,5 tot 2,0 m-mv qua opbouw, samenstelling en kwaliteit representatief kan worden gesteld voor de kwaliteit van de dieper gelegen bodemlagen. Die motivatie moet worden opgenomen in het vooronderzoek conform de NEN5725. Daarnaast zijn op het roeren van de diepere bodemlagen de zorgplichtbeginselen van toepassing (zie paragraaf 2.2.2).
Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt dat voor het grootste deel van het beheergebied de kwaliteit van de (onverdachte/ongeroerde) bodemlaag van 0,5 tot 2,0 m-mv voldoet aan de norm voor Landbouw en
Module 1 beleid
| 18
[Module 1 beleid]
1.3
De bodemambities in de Regio
1.3.1 Beschrijving van het bodemgebruik van de Regio De regio kent vele gebruiken en bestemmingen die het uiterlijk bepalen. Samengevat ziet de Regio er als volgt uit: • De Regio kenmerkt zich over het algemeen door een landelijk karakter waarin wonen, landbouw, natuur, toerisme en recreatie belangrijke gebruiksvormen zijn. • De Maas stroomt van het zuidwestelijke deel van de Regio naar het
•
noordoostelijke deel van de Regio. De Maas deelt de Regio daarmee op in een oostelijk en westelijk deel. In Midden-Limburg vormen de Maas en de (door grindwinning ontstane) Maasplassen een groot watersport en -recreatie gebied. Verspreid over de regio is langs de Maas sprake van “watergebonden bedrijvigheden” zoals scheepswerven en havens. Aan de oostzijde van de Regio – op de grens met Duitsland – bevinden
•
zich de nationale parken Maasduinen en De Meinweg. In het noordwesten van de Regio bevind zich nationaal park De Groote Peel, dat een onderdeel is van een groter natuurgebied De Peel. Verspreid over de Regio bevinden zich buurtschappen, gehuchten en dorpen waar op kleinere schaal bedrijfsterreinen aan gekoppeld zijn. Uitgebreide bedrijventerreinen zijn te vinden bij Echt-Susteren, Roermond, Weert, Venlo en
Module 1 beleid
| 19
[Module 1 beleid]
•
1.3.2
Venray. Diverse bedrijfstakken zijn op deze terreinen vertegenwoordigd, waarvan ‘logistiek’ het vaakst voorkomt. Daarnaast komen in de Regio ook intensieve veehouderij en (glas) tuinbouw voor. De meeste intensieve veehouderij bevindt zich in de westelijke zijde van de Regio. Glastuinbouw concentreert zich meer in het midden van de Regio.
Geomorfologische opbouw
Tektoniek Noord Limburg Tektonische bewegingen langs de Tegelenbreuk en de Grensbreuk hebben een belangrijke rol gespeeld in de geologische geschiedenis van het gebied. Deze breuken verdelen het gebied van zuidwest naar noordoost in: • de Peelhorst (tektonisch hooggelegen) • de Slenk van Venlo (tektonisch laaggelegen) • de Viersener Horst (tektonisch hooggelegen)
Tektoniek Midden Limburg De Roerdalslenk of Roerslenk, soms ook wel Centrale Slenk genoemd, is een slenk in de ondergrond van Midden Limburg. De Roerdalslenk wordt gevormd door twee grote afschuivingsbreuken: in het noordoosten de Peelrandbreuk die de Roerdalslenk scheidt van de Peelhorst en in het zuidwesten de Feldbissbreuk. Zandafzettingen - zandlandschappen Door de overheersende noordwestelijke wind tijdens het Weichselien (ca. 150.000 - 12.000 jaar geleden) werd vanuit de drooggevallen Noordzeebodem zand en löss naar Limburg aangevoerd. Het zand werd in Noord- en Midden-Limburg door de wind afgezet en gevormd tot landduinen (=stuifduinen), dekzandruggen en dekzandvlakten. Deze zandvlakten zijn vervolgens door de Maas (en verschillende beken) schoksgewijs doorsneden waardoor de Maasterrassen en terrasranden ontstonden. Gedeelten die niet opnieuw door de Maas weggeschuurd zijn, vormen nu hoger gelegen plateaus. De Maas heeft met name in de periode vlak na de laatste ijstijd door de grote hoeveelheden smelt-
water een vlechtend karakter (meerdere strengen binnen één bedding) gehad, waarbij veel grind en zand is afgezet. Naderhand, in rustiger tijden, is de Maas meer gaan meanderen, waarbij één waterloop zich door één bedding slingerde. Dit is te zien aan de verschillende oude rivierarmen die nog in het landschap en op de kaart herkenbaar zijn. Het dal van de Maas en van de Roer is aangemerkt als rivierdal. Veenvorming Op een aantal plaatsen, vooral op de Peelhorst, was de natuurlijke waterafvoer beperkt, bijvoorbeeld door ondoordringbare leemlagen vrij dicht aan de oppervlakte. Hierdoor kon regenwater moeilijk wegzakken. Toen na de ijstijden het klimaat warmer en vochtiger werd, ontstonden daar vennen. In deze vennen heeft zich gedurende duizenden jaren een dik hoogveenpakket gevormd. Het overgebleven veen bevindt zich in De Groote Peel en Mariaveen (veenrestvlakte). Menselijk handelen Niet alleen de natuur, ook de mens
Module 1 beleid
| 20
[Module 1 beleid]
heeft sterk ingegrepen in het natuurlijk fundament. Dit betreft met name ingrepen in de waterhuishouding en de bodemgesteldheid. Veelal zijn waterlopen gegraven in van nature natte gronden. Eeuwenlange verrijking van bouwlanden met plaggenmest heeft geresulteerd in dikke eerdlagen (type grond met bepaalde samenstelling). De bodems van ontgonnen veenvlakten zijn ontstaan na de afgraving en ontginning van het oorspronkelijke hoogveengebied. Verspreid in Noord- en Midden-Limburg komen kleigroeves, ontzandingen en grindgaten voor. Door deze ontgrondingen zijn veel plassen ontstaan. De kenmerkende bodem van het zandlandschap is de podzolbodem. Een podzolbodem is niet erg vruchtbaar. Deze bodem ontwikkelt zijn opvallende gelaagdheid doordat mineralen met regenwater uit de bovenste lagen wegspoelen en dieper in de bodem neerslaan.
1.3.3
Bodemkwaliteit
Beschrijving van de algemene regionale bodemkwaliteit Door Sweco is een BKK opgesteld [Ref. 4]. Hieruit blijkt dat - met uitzondering van een aantal specifieke regionale aandachtsgebieden (zie Tabel 5) - de bodemkwaliteit binnen de Regio prima past bij de functies. De algemene regionale bodemkwaliteit is als volgt te omschrijven: • Overwegend is er sprake van een schoon gebied (de bodem voldoet hier aan de norm voor schone grond: AW2000) • In enkele kernen (stedelijk gebied en dorpen) is de bodem niet schoon, maar voldoet wel aan de Maximale Waarde Wonen (MWW). Dit is een landelijke generieke norm, waarbij de bodem duurzaam geschikt is voor wonen met tuin. • De gemiddelde waarden zijn beduidend lager dan de interventiewaarde en de P95 en de Maximale Waarde Industrie (MWI). Hierdoor kan met zekerheid worden gesteld
dat voor de diffuse bodemkwaliteit geen sanerende maatregelen noodzakelijk zijn en er geen belemmering is om deze grond binnen de regio te hergebruiken.
Specifieke regionale aandachtsgebieden In de Regio liggen een aantal specifieke regionale aandachtsgebieden. Dit zijn gebieden waarvan op basis van menselijk handelen en/of natuurlijke processen sprake is van een afwijkende bodemkwaliteit. Deze gebieden zijn in paragraaf 1.4.2 (Tabel 5) benoemd. Diffuse bodemkwaliteit voor lood In 2016 publiceerde het RIVM een rapport [Ref. 5] dat nieuwe inzichten geeft in de risico’s van diffuse verontreinigingen met lood. De nieuwe inzichten zijn vertaald in de in Tabel 2 weergegeven risicowaarden.
Module 1 beleid
| 21
[Module 1 beleid]
Tabel 2: risicowaarden voor lood in bodem (mg/kg d.s.) op basis van geschat IQ-puntverlies
Bodemgebruik
IQ-puntverlies door bodemlood <1
1–3
>3
Grote moestuin (> ca. 200 m2)
<60
60 – 260
>260
Wonen met tuin (kleine moestuin)
<90
90 – 370
>370
Plaatsen waar kinderen spelen
<100
100 – 390
>390
Uit de binnen de Regio vastgestelde bodemkwaliteitskaarten blijkt dat in 3 diffuus verontreinigde gebieden de risicowaarde van 60 mg/kg d.s. wordt overschreden. Dit betreffen: • Ondergrond Wonen Roermond (gemiddelde loodconcentratie = 76,81 mg/kg d.s.); • Ondergrond Industrie Roermond (gemiddelde loodconcentratie = 92.36 mg/kg d.s.); • Deelgebied 23a van Ooijen-Wanssum (gemiddelde loodconcentratie = 80 mg/kg d.s.).
•
• Voor deze gebieden kan toch worden geconcludeerd dat de aanwezige loodverontreinigingen geen risico vormen. Als motivatie geldt:
Ondergrond Wonen Roermond: • Verontreiniging bevindt zich in de ondergrond (dieper dan 0,5 meter onder maaiveld) waardoor er geen contactmogelijkheden zijn. • Het betreft een binnenstedelijk gebied waardoor het aantal moestuinen met een oppervlakte van meer dan 200 m2 beperkt zal zijn. Voor kleinere moestuinen wordt wel aan de risicowaarde voldaan. Ondergrond Industrie Roermond: • Verontreiniging bevindt zich in de ondergrond (dieper dan 0,5 meter onder maaiveld) waardoor er
•
geen contactmogelijkheden zijn. • Het gebied is in gebruik als havengebied/bedrijventerrein waarin geen grondgebonden woningen en volks-/moestuinen zijn gelegen. Deelgebied 23a van Ooijen-Wanssum: • Het betreft een waterbodem. Hier wordt dus niet gewoond of getuinierd.
Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt geconcludeerd dat de diffuse verontreinigingen in de Regio geen risico voor bodemlood veroorzaken. Lokaal kunnen kleine of grotere gebieden een verhoogd
Module 1 beleid
| 22
[Module 1 beleid]
(achtergrond)gehalte kennen. Nader onderzoek naar of beleid over bodemlood maakt geen onderdeel uit van het opstellen van de bodemkwaliteitskaart of de Nota bodembeheer. In samenwerking met de provincie Limburg (is voor de betreffende gebieden het bevoegd gezag Wet bodembescherming) wordt bekeken of aanvullend beleid noodzakelijk is binnen de Regio, na het bekend worden van de rijksregels. Roerdelta De gemeente Roermond heeft in de Nota bodembeheer en bijbehorende bodemkwaliteitskaart van 2011 Lokale Maximale Waarden (LMW’s) vastgesteld voor Roerdelta. Roerdelta fase 1 is voor een groot deel al gerealiseerd en de voorbereidingen voor fase 2 zijn gestart. Bij de realisatie zijn sterke bodemverontreinigingen gesaneerd. Grond die van elders wordt aangevoerd dient minimaal te voldoen aan de ‘kwaliteit wonen’ (MWW). Door de beleidskeuzes uit 2011 is de bodemkwaliteit van dit deelgebied inmiddels sterk verbeterd. Om een verdere kwaliteitsverbetering te bevorderen, is besloten om het
bestaande beleid uit 2011 te continueren. Na afloop van de geldigheid van deze Nota of bij het opstellen van het Omgevingsplan moet worden bepaald of LMW’s nog langer noodzakelijk zijn. In deze Nota worden de LMW’s opnieuw vastgesteld. Hierbij wordt opgemerkt dat de LMW voor cyanide-totaal afwijkt van de in 2011 vermelde waarde. Dit is niet het gevolg van het opnieuw doorrekenen van de LMW’s, maar van het feit dat de in 2011 vermelde LMW (= 5,2 mg/kg d.s.) lager is dan de AW2000 (= 5,5 mg/kg d.s.). Feitelijk was daarmee de LMW strenger dan de norm voor schone grond. In deze Nota wordt dit gecorrigeerd.
demgebruiksvormen. In enkele dorps- en stadskernen is de grond niet schoon, maar voldoet de grond wel aan de landelijk opgestelde generieke norm voor wonen (= Maximale Waarde Wonen). Op basis van dit gegeven worden de volgende ambities geformuleerd:
Voor achtergrondinformatie over Roerdelta en de bepaling van de LMW’s wordt verwezen naar Bijlage 2 van deze Nota.
1.3.4 Ambities Uit de BKK [Ref. 4] blijkt dat, met uitzondering van de regionale aandachtsgebieden, de bodem in de Regio overwegend schoon is en geschikt voor alle mogelijke bo-
Module 1 beleid
| 23
[Module 1 beleid]
Tabel 3 Regionale ambities
Ambitie
Toelichting
1.
De Regio zet in op passieve verbetering van de bodemkwaliteit in de regio.
De BKK toont aan dat de algemene regionale bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het duurzaam gebruiken van de bodem voor de huidige functies. Een actieve (programmatische) verbetering van de bodemkwaliteit wordt daarom als niet doelmatig beschouwd. De Regio zal dan ook niet sturen op het actief verbeteren van de bodemkwaliteit. Bij de uitvoering van projecten zal een eventueel grondoverschot conform de geldende regels van het Besluit bodemkwaliteit worden hergebruikt. Hierdoor zal – op termijn – een passieve verbetering van de bodemkwaliteit in de Regio plaatsvinden. Immers vrijkomende (licht) verontreinigde grond mag alleen worden hergebruikt in de diffuus verontreinigde gebieden of in een grootschalige bodemtoepassing.
2.
Stand still op gebiedsniveau.
De Regio zet in op het voorkomen dat hergebruik van grond uit de specifieke regionale aandachtsgebieden leidt tot een verslechtering van de algemene regionale bodemkwaliteit. Met stand still wordt bedoeld dat de kwaliteit van de bodem op gebiedsniveau gelijk blijft of beter wordt.
Module 1 beleid
| 24
[Module 1 beleid]
1.4
Beleids matige keuzes van de Regio
1.4.1
Beleidsmatige kaders
Op basis van het Besluit bodemkwaliteit [Ref. 1] hebben gemeenten de mogelijkheid om te kiezen tussen een algemeen generiek beleid en een gebiedsspecifiek beleid. Paragraaf 1.1.3 beschrijft al dat -in verband met verruiming van het beheergebied- de Regio is gebonden aan het gebiedsspecifieke beleid. De Regio heeft echter ook nog vrijheid in de keuze van de toetsingswaarde die ze wil hanteren. Hierbij kan gekozen worden tussen landelijk
vastgestelde Generieke Maximale Waarden of lokaal vast te stellen maximale waarden. Voor de meeste gebieden in Nederland leveren de Generieke Maximale Waarden voldoende ruimte om een duurzaam en efficiënt bodembeheer mogelijk te maken. Er zijn echter gebieden waar deze generieke waarden, gezien de bodemkwaliteit ter plaatse, te weinig mogelijkheden bieden voor een duurzaam en efficiënt bodembeheer. Om te vermijden dat in
deze gebieden een stagnatie bij het hergebruik ontstaat of dat materiaal over grote afstanden moet worden getransporteerd, kunnen lokaal gebiedsspecifieke normen worden vastgesteld. Deze zogenaamde Lokale Maximale Waarden gelden dan op lokaal niveau als toetsingskader voor het hergebruik van grond. De keuze tussen de Generieke of Lokale Maximale Waarden is geen exacte wetenschap. Het is een afweging tussen het creëren van mogelijkheden om grond te
Module 1 beleid
| 25
[Module 1 beleid]
hergebruiken en de gemeentelijke bodemambities. In Tabel 4 staan een aantal vuistregels die illustreren wanneer er een voorkeur is voor Generieke Maximale Waarden of Lokale Maximale Waarden. Tabel 4 Vuistregels voor keuze van Maximale Waarden
Generieke Maximale Waarden bij
Lokale Maximale Waarden bij
•
•
• • •
Overwegend schone gebieden, zonder specifieke probleemstoffen Gebieden met een landbouw- of natuurfunctie Gebieden met weinig grondverzet en een beperkte baggeropgave Gebieden zonder bijzondere ambities ten aanzien van de gebiedskwaliteit
•
• •
Gebieden met diffuse (ernstige) verontreinigingen Gebieden met specifieke probleemstoffen (zoals DDT, lood of van nature verhoogde achtergrondconcentraties arseen) Gebieden met veel grondverzet of een grote baggeropgave Gebieden met bijzondere ambities, bijvoorbeeld kwaliteitsverbetering voor natuurontwikkeling
Module 1 beleid
| 26
[Module 1 beleid]
1.4.2
Regionale beleidskeuzes
Op basis van de BKK [Ref. 4] en ervaringen worden in deze paragraaf beleidsmatige keuzes gemaakt voor de in de regio te onderscheiden deelgebieden (in de BKK aangeduid met zones). Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen de verwachte dynamiek en de regionale bodemambities. De beleidsmatige keuzes, evaluatie en motivatie zijn in Tabel 5 beschreven. Tevens is aangegeven of op de zone/het deelgebied het meersporenbeleid van toepassing is. Bij de evaluatie zijn de ervaringen meegenomen die zijn opgedaan met de volgende eerder in de regio vastgestelde Nota’s bodembeheer: • Bodembeheernota Peel en Maas (20122017); • Nota bodembeheer Regio Maas en Roer, Gemeente Roermond 2011-2021; • Nota bodembeheer Regio Maas en Roer, Gemeente Maasgouw 2011-2021; • Nota bodembeheer Regio Maas en Roer, Gemeente Roerdalen 2013- 2021; • Nota bodembeheer Regio Maas en Roer, Gemeente Leudal 2011-2021;
•
• •
• •
Nota bodembeheer Regio Maas en Roer, Gemeente Echt-Susteren 20122022; Nota bodembeheer Regio Maas en Roer, Gemeente Beesel 2011-2021; Nota bodembeleid Regio Maasduinen, gemeenten Mook en Middelaar, Gennep, Bergen 2012-2017; Nota bodembeheer Venray 2011; Nota bodembeheer 2016 Venlo.
Ooijen-Wanssum De Nota bodembeheer van plangebied Ooijen-Wanssum [Ref. 6] wordt integraal in deze Nota opgenomen. Het meersporenbeleid wordt door vaststelling van deze Nota ook van toepassing verklaard binnen het gezoneerde deel van het plangebied.
Module 1 beleid
| 27
[Module 1 beleid]
Tabel 5 Overzicht beleidskeuze en motivatie.
Omschrijving zone/ deelgebied
1
2
Beleidskeuze in voorgaande Nota’s bodembeheer #)
Algemene regionale bodemkwaliteit (AW2000 + MWW).
Alle nota’s: Generiek.
Van nature voorkomend arseen.
Gemeente Peel en Maas: Gebiedsspecifiek met Lokale Maximale Waarden.
Evaluatie van voorgaand beleid
Goede ervaringen met generieke beleid.
Beleidskeuze Nota bodembeheer Limburg Noord 20202029
Meersporenbeleid van toepassing?
Generiek Beleid.
Ja.
(BKK geschikt als milieuhygiënsiche verklaring?)
Geen knelpunten opgetreden. Het generieke beleid heeft niet tot pro- Generiek Beleid met extra blemen geleid. regels die van toepassing zijn in arseen kansrijke gebieden. In Peel en Maas is geen/weinig gebruik Arseen kansrijke gebieden gemaakt van het gebiedsspecifieke worden op kaart weergegeven. beleid. Dit omdat in de arseengebieden Alle overige nota’s: Generiek . weinig dynamiek is. Daarnaast is het De Regio sluit aan op het hergebruiken alleen mogelijk indien de arseen beleid zoals door de grond onder dezelfde condities wordt provincie Limburg is verwoord hergebruikt. Door de strikte toepasin de haar beleidskader bosingsvoorwaarden is de kans klein dat dem [Ref. 3]. er “werk met werk” gemaakt kan worden.
Mogelijk. (De gebieden waarin mogelijk sprake is van van nature voorkomend arseen vragen extra aandacht. In de Module Regelgeving is beschreven welke aanvullende acties moeten worden ondernomen in de betreffende gebieden).
Module 1 beleid
| 28
[Module 1 beleid]
3
Mijnsteen in gemeente Maasgouw.
Nog niet eerder benoemd in de Nota bodembeheer.
Mijnsteen valt onder de Mijnsteenparagraaf (artikelen 33 a t/m 33d) van het Besluit bodemkwaliteit. Bij grotere projecten in de Oostelijke Mijnstreek bleek echter dat door hoge nikkelconcentratie het toepassen / hergebruiken van mijnsteen onder de strekking van de mijnsteenparagraaf niet mogelijk is.
De bodemkwaliteitskaart is niet van toepassing op mijnsteen. De mijnsteengebieden worden op de kaart weergegeven.
Nee. (Is uitgesloten van de kaart. Het betreft een weinig dynamisch gebied dat voor het grootste deel in het beheersgebied van RWS ligt.)
Bij het opstellen van de Nota bodembeheer is overwogen om voor het mijnsteengebied binnen de gemeente Maasgouw gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Uiteindelijk is hiervan afgezien. Onder andere vanwege: • •
Weinig dynamiek in het gebied; Binnen de gemeente Maasgouw aangewezen mijnsteengebieden bevinden zich hoofdzakelijk in de waterbodem (valt buiten de scope van deze Nota. Het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet gaat specifiek in op de mijnsteenproblematiek).
Module 1 beleid
| 29
[Module 1 beleid]
4
Projectplan Ooijen-Wanssum.
Gebiedsspecifiek met Lokale Maximale Waarden
Op basis van het gebiedsspecifieke beleid is het werk aanbesteed.
Motivatie:
De betreffende Nota geeft geen invulling aan het meersporenbeleid. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray wensen het meersporenbeleid ook in dit gebied te hanteren. Dit geldt zowel voor het landelijke gebied als de bebouwde kom.
•
•
5
Roerdelta.
Maakt vrij grondverzet tussen de beheersgebieden van verschillende gemeenten en Rijkswaterstaat mogelijk; Het vaststellen van LMW’s maakt het mogelijk om grond uit de uiterwaarden toe te passen bij uitbreiding van een industrieterrein.
Gebiedsspecifiek met Lokale Maximale Waarden. Motivatie: maakt vrij grondverzet in het kader van planontwikkeling mogelijk.
Goede ervaring met het gebiedsspecifieke beleid. Er is nog steeds dynamiek in het gebied (een deel van fase 1 en fase 2 moet nog worden gerealiseerd). Na uitvoering van fase 1 en 2 zal de bodemkwaliteit in Roerdelta sterk verbeterd zijn.
Het vastgestelde gebiedsspecifieke beleid wordt gehandhaafd. Beleidsmatig verankeren van het meersporenbeleid in het plangebied Ooijen Wanssum.
Ja. (De Lokale Maximale Waarden (LMW’s) zijn lager dan de Maximale Waarde Industrie (= landelijk genieriek norm, waarbij de bodem duurzaam geschikt is voor een bedrijfsfunctie. Aangezien de LMW’s alleen gelden voor de uitbreiding van Industrieterrein Wanssum is het legitiem om het meersporenbeleid te omarmen).
Gebiedsspecifiek
Deels
(met betrekking tot de zone Roerdelta heeft de gemeente Roermond in de BKK van 2011 Lokakele Maximale Waarden vastgesteld. Deze zijn ongewijzigd overgenomen in deze Nota).
(voor hergebruikspoor BKK in combinatie met een verkennend onderzoek).
Module 1 beleid
| 30
[Module 1 beleid]
6
Zinkassen(wegen) (Actief Bodembeheer de Kempen).
Op 20 januari 2004 (kenmerk 2004/1078) stelde de Provincie Limburg de “Gevalsdefinitie in de Kempen” vast. Aanpak van het zinkassenprobleem valt daarmee onder de strekking van de Wet bodembescherming en niet onder de strekking van voorliggende Nota bodembeheer.
Goede ervaring.
Zinkassenwegen worden beschouwd als een verdachte locatie en zijn daardoor uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart.
7
Niersdal en Roerdal.
In eerdere nota’s zijn de rivierdalen van de Niers en Roer (in eerste instantie) aangeduid als waterbodem waarvoor het Waterschap bevoegd gezag is in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Uit gesprekken tussen de betreffende gemeenten en het Waterschap is gebleken dat het Niersdal en Roerdal onder te verdelen zijn in (droge) waterbodem en droge landbodem. In tegenstelling tot in eerdere nota’s werd verondersteld zijn gemeenten voor delen van het Niersdal en Roerdal daarom bevoegd gezag in het kader van het Besluit bodemkwaliteit.
De rivierdalen van de Niers en de Roer Niet zoneren. stromen overwegend door buitengebied dat op basis van de bodemkwaliteitskaart in de bodemklasse AW2000 (schoon) is ingedeeld. Bekend is dat de kwaliteit van het rivierwater in het verleden sterk werd beïnvloed door lozingen van afvalwater op de rivieren. Door sedimentatie van verontreinigd rivierslib is in de loop der jaren de kwaliteit van de bodem in de inundatiegebieden beïnvloed. De bodemkwaliteitskaart doet voor de (droge) waterbodem en landbodem in deze inundatiegebieden dan ook geen betrouwbare uitspraak over de bodemkwaliteit.
Nee.
Nee.
In de betreffende rivierdalen is sprake van weinig dynamiek. Daarom wordt er voor gekozen om de bodem van de betreffende rivierdalen niet te zoneren.
Module 1 beleid
| 31
[Module 1 beleid]
8
Bermgrond in de gemeenten Bergen, Gennep en Mook en Middelaar.
In de Nota van de gemeenten Bergen, Gennep en Mook en Middelaar werd een vrijstelling verleend voor het ontgraven en elders toepassen van bermgrond. Voorwaarden: •
•
Ontgravings- en toepassingslocatie betreffen een wegberm van een doorgaande weg buiten de bebouwde kom; De hoeveelheid grond bedraagt maximaal 25 m3.
De betreffende gemeenten maakten gebruik van deze vrijstelling.
De overige gemeenten beschikten niet over een dergelijke vrijstelling en dit werd ook niet gemist. Deze vrijstelling wordt niet overgenomen in deze nota. De redenen hiervoor zijn: 1.
2.
3.
De beleidskeuze voor vrijN.v.t. stelling van onderzoek bij hergebruik van bermgrond < 25 m3 wordt niet door de regio omarmd.
Zie hier onder bij punt 9. Gemeenten Bergen, Gennep en Mook en Middelaar beschouwen bij grondverzet < 25 m3 feitelijk de bermen van doorgaande wegen buiten de bebouwde kom als één toepassingslocatie. De BKK nooit zelfstandig een milieuhygienische verklaring is. Er is altijd een onderzoek (conform NEN5725) nodig. Uit het concept aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet valt op te maken dat het toepassen van grond moet worden gemeld. Een vrijstelling geldt o.a. voor toepassen van minder dan 50m3 schone grond. Hier is in dit geval geen sprake van.
Module 1 beleid
| 32
[Module 1 beleid]
9
Alle verharde wegen (en bijbehorende bermen) beschouwen als één toepassingslocatie.
In de nota’s van de gemeenten Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw, Roerdalen en Roermond werden alle verharde wegen binnen de grenzen van de betreffende gemeente gezien als één toepassingslocatie.
Op basis van deze nota’s is het mogelijk om grond – die voldoet aan de voorwaarden voor tijdelijke uitname – afkomstig van wegreconstructies zonder verder onderzoek toe te passen in een andere wegreconstructie binnen de betreffende gemeente.
Binnen de betreffende gemeenten zijn goede ervaringen opgedaan met deze beleidskeuze. Het bood de mogelijkheid om grond snel en goedkoop te kunnen hergebruiken.
De beleidskeuze om alle verharde wegen te zien als één toepassingslocatie wordt niet door de Regio omarmd.
N.v.t.
De overige gemeenten in de Regio hadden dit niet in hun beleid opgenomen en het werd in die gemeenten ook niet als gemis gezien. Dit omdat bijvoorbeeld in sommige gemeenten bij een wegreconstructie – op privaatrechtelijke basis – altijd een onderzoek wordt uitgevoerd.
De Regio streeft naar zoveel mogelijk eenduidig beleid en heeft er uiteindelijk voor gekozen om dit beleidsaspect niet door te voeren naar de hele Regio. Een van de redenen om hiervoor te kiezen is dat door Bodem+ werd aangegeven dat het wel een hele ruime interpretatie is van het begrip “op en nabij dezelfde plaats”.
#) Sommige regionaal opgestelde nota’s hebben een gebiedsspecifiek karakter omdat de gemeenten het beheergebied verruimen waardoor ook bij grondverzet over de gemeente grenzen de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel kan worden gebruikt. Op basis van goede ervaringen is het streven om binnen de gehele regio elkaars bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel te hanteren.
Module 1 beleid
| 33
[Module 1 beleid]
Bovengenoemde beleidskeuzes bieden in combinatie met het zorgplichtbeginsel van het Besluit bodemkwaliteit voldoende mogelijkheden om: •
•
Grondverzet binnen de regio mogelijk te maken. Zie ook de grondstromenmatrix in paragraaf 2.3.2 van deze nota Te voorkomen dat er een verslechtering van de bodemkwaliteit plaatsvindt (stand still op gebiedsniveau).
Module 1 beleid
| 34
[Module 1 beleid]
1.5
Verdere uitwerking van het beleid door het voorschrijven van regels De regels waaraan een initiatiefnemer zich dient te houden, zijn beschreven in Module 2 regelgeving. Bij het stellen van de regels zal aandacht worden gevraagd voor bewust bodemgebruik. Hiermee speelt de Regio in op de toekomstige Omgevingswet. Beleidsmatige uitgangspunten bij het opstellen van de regels zijn:
• • •
•
•
Zoveel mogelijk gebruik maken van de BKK als bewijsmiddel; Stand still op gebiedsniveau; Loslaten in vertrouwen: daar waar mogelijk als overheid niet meer alles tot in detail willen regelen, maar het overlaten aan “de markt”; Verlagen adminstratieve lasten: geen aanvullende regels indien de landelijke regels toereikend zijn; Uniforme handhaafbaarheid van de regels.
Module 1 beleid
| 35
[Module 1 beleid]
1.6
Toezicht en handhaving In de Wet vergunningverlening, toezicht en handhaving is vastgelegd dat toezicht- en handhavingstaken die vallen onder het basistakenpakket omgevingsrecht via een mandaat door de regionale uitvoeringsdienst (RUD) moeten worden uitgevoerd. Gemeenten en provincie blijven daarbij bevoegd gezag voor deze taken. In de wet zijn daarvoor procescriteria opgenomen, waarin onder andere is vastgesteld dat provincies en gemeenten bij verordeningen regels opstellen om een goede kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de basistaken door de omgevingsdiensten te waarborgen.
Deze Nota is een aanzet tot (verdere) uniformering van het beleid in de regio. Dit maakt het voor de RUD mogelijk om bodemtoezicht en –handhaving in de regio efficienter en effectiever te organiseren.
Module 1 beleid
| 36
[Module 2 regelgeving]
Module 2 regelgeving Module regelgeving
| 37
[Module 2 regelgeving]
2.0
Inleiding
De module Regelgeving is opgebouwd uit de 4 sporen van het meersporenbeleid: grondverzet, ruimtelijke ontwikkeling, bouwen en bodemsanering. Uitgangspunt bij elk spoor is dat er zoveel mogelijk gebruik gemaakt kan worden van de BKK als bewijsmiddel of milieuhygiënische verklaring. Algemene informatie over het gebruik van de bodemkwaliteitskaart en de spelregels die er gelden, is opgenomen in paragraaf 2.1 en 2.2. In de daaropvolgende paragrafen zijn eventuele specifieke regels opgenomen voor elk spoor. Deze module wordt afgesloten met een aantal specifieke paragrafen over regionale aandachtsgebieden en gebiedsspecifiek beleid.
Module regelgeving
| 38
[Module 2 regelgeving]
2.1
Algemene doorvertaling van de BKK naar de Nota De bestaande bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten Venlo, Nederweert en het plangebied Ooijen-Wanssum zijn opgenomen in de Regionale Bodemkwaliteitskaart Limburg Noord 2020-2025. Door het integreren van alle bodemkwaliteitskaarten tot één regionale kaart wordt op uniforme wijze inzicht verschaft in de bodemkwaliteit binnen de regio. De Regionale Bodemkwaliteitskaart Limburg Noord moet dan ook in samenhang gezien worden met de volgende bestaande bodemkwaliteitskaarten in de regio: • Bodemkwaliteitskaart gemeente Venlo;
• •
Bodemkwaliteitskaart gemeente Nederweert; (Water)bodemkwaliteitskaart plangebied Ooijen-Wanssum.
•
• •
De gecombineerde bodemkwaliteitskaart vormt de basis voor het opstellen van de Nota bodembeheer waarin beleid en beleidsregels een plek hebben gekregen. De BKK met de Nota kunnen gebruikt worden bij: • Het hergebruiksspoor (zie paragraaf 2.3): ontgravingskaart en toepassingskaart;
•
Het ruimtelijke ordening (RO)spoor (zie paragraaf 2.4): ontgravingskaart; Het bouwspoor (zie paragraaf 2.5): ontgravingskaart; Het saneringsspoor (zie paragraaf 2.6): ontgravingskaart en bodemfunctieklassekaart; Regionale aandachtsgebieden (zie paragraaf 2.8).
Daarnaast bieden de statistische kentallen uit de 4 bodemkwaliteitskaarten input voor de CROW 400 (Arbo-spoor); zie paragraaf 2.7.
Module regelgeving
| 39
[Module 2 regelgeving]
2.2
De bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel De bodemkwaliteitskaart beschrijft de (diffuse) bodemkwaliteit in de regio. De bodemkwaliteitskaart geeft alleen een indicatie van de bodemkwaliteit op onverdachte locaties die zijn gelegen in een gezoneerd gedeelte van de bodemkwaliteitskaart. Verdachte locaties, niet-gezoneerde gebieden, puntbronnen en bekende verontreinigingen maken geen deel uit van de diffuse bodemkwaliteit en zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Het vaststellen van een kaart of van een lijst met uitgesloten locaties is steeds een momentopname en doet geen recht aan het dynamische karakter van bodeminformatie. Daarom is door de Regio gekozen voor een trapsgewijze benadering om na te gaan of de bodemkwaliteitskaart
gebruikt kan worden als bewijsmiddel bij procedures. Een vooronderzoek NEN 5725 is het vertrekpunt om na te gaan of de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel gebruikt kan worden. Door het schaalniveau en het gebruik van veelal rechte lijnen op de kaarten van de bodemkwaliteitskaart kan in de nabijheid van een grens de daadwerkelijke situatie soms afwijken van een toegekende zone of functie. In die gevallen waar dit leidt tot een onjuiste kwalificering kan overleg plaatsvinden met het bevoegd gezag. Bodemonderzoek in het privaatrechtelijke kader Deze Nota gaat niet in op het uitvoeren van bodemonderzoek bij private transac-
ties. Of bij private transacties een bodemonderzoek wordt uitgevoerd of gebruik wordt gemaakt van de informatie uit de BKK is aan de betrokken partijen. Arbo-wetgeving Bij het werken in of met verontreinigde grond is naast de bodemregelgeving ook de Arbo-wetgeving van toepassing. Deze Nota gaat nadrukkelijk niet in op de eisen die vanuit de Arbo-wetgeving gesteld worden. In paragraaf 2.7 staan verwijzingen naar de percentielwaarden van de verschillende bodemkwaliteitszones. Deze percentielwaarden kunnen worden gebruikt voor de bepaling van de bodemkwaliteit op basis van de bodemkwaliteitskaart volgens de CROW 400 (werken in en met verontreinigde bodem).