CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c.0 Toelichting

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Bijlagen bestemmingsplan Grandorse, Kronenberg33.272 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Ten behoeve van het voornemen is door Bureau Meervelt in 2022 een geactualiseerde quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd, waarbij op basis van bestaande natuurgegevens alsmede een oriënterend veldbezoek eventuele effecten van het voornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten inzichtelijk zijn gemaakt. De quickscan is als Bijlage 9 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit de quickscan kan worden geconcludeerd dat de (ruime) omgeving van het plangebied (mogelijk) leefgebied vormt van beschermde diersoorten. Dit betreft een aantal zoogdieren, waaronder de das, de eekhoorn en diverse vleermuizen (gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger). De das is samen met

bestemmingsplan Grandorse

49

de ree de meest kwetsbare soort met het oog op de al uitgevoerde aanpassingen van infrastructuur en toenemende drukte. Broedvogels van agrarisch gebied ontbreken in de meeste agrarische percelen. De bospercelen en houtwallen bieden wel nog ruimte aan territoria van diverse zangvogels. In de omgeving broeden onder meer de buizerd, torenvalk en steenuil. Het plangebied maakt deel uit van het foerageergebied van deze soorten, mogelijk wordt ook binnen het plangebied gebroed. Vrij bijzonder is de aanwezigheid van levendbarende hagedis net buiten het plangebied, aanwezigheid in het plangebied kan niet uitgesloten worden. Bij de ontwikkelingen in het gebied zal rekening moeten worden gehouden met eventueel aanwezige beschermde flora en fauna. Negatieve effecten op beschermde flora en fauna moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Wanneer dit niet (geheel) mogelijk is, kan het noodzakelijk zijn een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Dit aspect speelt bij de inrichting van het gebied met paden en het toekomstige gebruik hiervan, alsmede bij de vestiging van bedrijven. Op grond van de floragegevens en het aangetroffen biotoop tijdens het veldbezoek wordt de kans op aanwezigheid van beschermde flora-soorten uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing voor planten is niet nodig.

In het hele bestemmingsplangebied komen een aantal algemeen voorkomende soorten voor waaronder de egel, de haas, het konijn en enkele soorten muizen. Mogelijk komen ook kleine marterachtigen voor. Voor deze soorten geldt een jaarronde vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen voor het vangen en vernietigen van verblijfplaatsen. Wel geldt de zorgplicht en dient voor toekomstige ontwikkelingen op locaties waar deze soorten mogelijk voorkomen, gewerkt te worden op grond van een ecologisch werkprotocol. Te kappen bomen dienen voorafgaand aan de kap in een daarvoor gunstige periode geïnspecteerd te worden op het voorkomen van nesten van de eekhoorn. Voor de eekhoorn geldt een vrijstelling voor het vernietigen van nesten/nestbomen in de maanden maart, april en juli t/m november. De kapwerkzaamheden dienen op basis van een ecologisch werkprotocol te worden uitgevoerd. Ten aanzien van de das geldt dat de vaste rust- en verblijfsplaatsen een strikte bescherming genieten. In het vroege voorjaar van 2021 is een vlakdekkend onderzoek uitgevoerd naar dassenburchten en -pijpen in het gehele gebied. Op basis van de aangetroffen sporen mag worden aangenomen dat in het bestemmingsplangebied twee territoria aanwezig zijn met twee burchten die naar verwachting als kraamburcht in gebruik zijn. Het aantal dassen per territorium is niet bekend.

Aangenomen mag worden dat de bossen en het omliggende agrarisch gebied in en rond het bestemmingsplangebied deel uitmaken van het foerageergebied van de aanwezige dassenfamilies. In de huidige situatie zijn er nauwelijks fysieke beperkingen voor dassen om het omliggende gebied te bereiken.

50

bestemmingsplan Grandorse

Uitsnede overzicht bewoonde dassenburchten, voorjaar 2021 (Bron: Update Quickscan Wet natuurbescherming, Bureau Meervelt) Gezien de stapeling van negatieve effecten op dassen is een dusdanige verstoring en/of sterfte met als gevolg het verlaten van een of meerdere burchten aannemelijk. Met name de burcht in het zuiden van het bestemmingsplangebied is zeer kwetsbaar geworden door de aanleg van de eventingroute en de geplande grootschalige evenementen. Voor de al uitgevoerde en nog uit te voeren ontwikkelingen dienen mitigerende en compenserende maatregelen te worden genomen. Hiertoe is aanvullend op het Salderingsplan een Dassenplan opgesteld, dat als Bijlage 10 bij de toelichting van dit bestemmingsplan is opgenomen. Het Dassenplan beschrijft welke maatregelen genomen dienen te worden vanwege de al uitgevoerde ruimtelijke ingrepen en bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkelingen, om de in het plangebied aanwezige dassenpopulatie te laten herstellen en duurzaam te laten voortbestaan Met de uitbreiding van het Natuurnetwerk en de bestemmingsplanwijziging waarbij agrarische gronden de bestemming ‘Natuur’ krijgen en omgevormd worden tot kwalitatief goed foerageergebied op basis van het Salderingsplan en bijbehorende Salderingsovereenkomst, wordt geborgd dat er gronden beschikbaar blijven als leef- en foerageergebied voor (onder meer) dassen.

Het plangebied dient voldoende veilige delen te behouden die onderling verbonden zijn tot een leefgebied dat alle functies kan vervullen voor minimaal twee territoria. In onderstaande figuur zijn de minimale benodigde maatregelen weergegeven, die voorafgaand aan de ruimtelijke ontwikkelingen genomen moeten worden. Met deze maatregelen (waaronder aanleg van minimaal 2 dassentunnels met bijbehorende rasters) wordt foerageergebied op een veilige manier binnen en buiten het plangebied toegankelijk gehouden en blijft de mogelijkheid van migratie behouden (zonder verkeersslachtoffers).

bestemmingsplan Grandorse

51

Uitsnede overzicht te nemen infrastructurele maatregelen ter bescherming van de das (Bron: Dassenplan, Bureau Meervelt) Met het geheel aan voorgenomen ontwikkelingen (inclusief uitvoering van het salderingsplan) is de verwachting dat de dassenburchten als kraamburchten in gebruik blijven en dat de burchten niet worden verlaten. Met de uitvoering van de maatregelen in dit dassenplan wordt binnen het preferente leefgebied van de burcht Kronenburg kwalitatief hoogwaardig foerageergebied ontwikkeld en op korte afstand van het preferente leefgebied van de burcht in de Heesberg wordt eveneens hoogwaardig foerageergebied ontwikkeld. Een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming is daarmee niet aan de orde. Bij kap van potentieel geschikte bomen met verblijfsplaatsen (holten, losse schors) voor vleermuizen en de bomen in de omgeving daarvan dient voorafgaand aan de kap vastgesteld te worden of de boom een functie heeft als vaste verblijfplaats. Bij kap van een boom met een vastgestelde verblijfplaats of bomen in de omgeving daarvan, dient voorafgaand aan de kap een ontheffing te worden aangevraagd voor het vernielen van voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen. Bij de kap van bomen/bos dient voorafgaand aan de kap een inspectie en/of inventarisatie uitgevoerd te worden om te onderzoeken of (potentieel) jaarrond beschermde vogelnesten aanwezig zijn.

In het broedseizoen kunnen in het hele plangebied broedvogels aanwezig zijn. Nesten en de functionele omgeving van alle broedvogels zijn beschermd tijdens de broedperiode. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en grootschalige evenementen dient met de aanwezigheid van broedgevallen rekening gehouden te worden. Door het wegnemen van broedgelegenheid voorafgaand aan het broedseizoen (bijvoorbeeld door het

52

bestemmingsplan Grandorse

bouwklaar maken), kan broeden voorkomen worden en kan ook tijdens het broedseizoen gewerkt worden. Indien bomen met jaarrond beschermde nesten behouden blijven, rekening gehouden wordt met de aanwezigheid van broedgevallen en nesten niet verstoord worden, is geen nader onderzoek of ontheffing voor vogels nodig. Nader onderzoek of een ontheffing voor amfibieën, reptielen of vissen is niet nodig mits rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van levendbarende hagedis en de daarvoor vrijstelde periode voor ruimtelijke ingrepen. Het voorkomen van overige beschermde soorten in het plangebied is uit te sluiten op grond van de aanwezige habitats en de bekende verspreiding van deze soorten. Nader onderzoek of een ontheffing voor overige soorten is niet nodig. 6.2.5 Landschap De ruimtelijke structuur van het plangebied is vrij grootschalig en bestaat uit robuuste landschappelijke eenheden. Karakteristiek voor het zandgrondenlandschap is de rationele gebiedsindeling, met open blokverkavelingen en een robuuste boszone. Dit landschap vormt een ruimtelijke basis voor het zuidelijk van de planlocatie gelegen attractiepark Toverland en noordelijk gelegen golfcomplex en verderop gelegen recreatieverblijfspark. Oostelijk van het plangebied ligt het meer fijnmazige landschap van de oude akkercomplexen, westelijk – rond Evertsoord – het open hoogveenontginningenlandschap.

Het agrarisch gebruik in het gebied is grondgebonden; akkerbouw en weidebouw geven het gebied een gemengd karakter. Het plangebied is vrijwel onbebouwd, met uitzondering van het PEC en de rijhal met buitenvoorzieningen aan de Schorfvenweg. Door nieuwvestiging van hippische bedrijven en uitbreiding van het PEC zal het landschap wijzigen. Er ontstaat bebouwing in een voorheen onbebouwd en open gebied. Om aantasting van de landschapswaarden zoveel mogelijk te beperken wordt bij iedere ruimtelijke ontwikkeling naast vastlegging van een bebouwingspercentage tevens een gedegen landschappelijke inpassing vereist. Daarnaast wordt door de gemeente een groen landschappelijke casco in het gebied gerealiseerd, zoals voorgesteld in de opgestelde 'Totaalvisie Hippische Zone De Peelbergen' en nader uitgewerkt in het Salderingsplan, zie Bijlage 7. Het basisprincipe daarbij is dat in het nu nog nagenoeg onbebouwde gebied het landschappelijk casco waar nodig wordt versterkt met bomenrijen en lanen in het westelijke deelgebied en inkadering van reeds aanwezige boskamers in het oostelijke bosgebied. Zo ontstaat het landschappelijk casco dat ruimte biedt aan de eerder beschreven bedrijfsvormen. Toevoegingen van structurele aard zijn enkele en dubbele bomenrijen, die de blokverkavelingen ruimtelijk versterken en een passende en representatieve omgeving creëren voor de bedrijven.

Daarnaast worden enkele bospercelen en groengebieden aangelegd, onder andere op het perceel ten oosten van het PEC en ten oosten van de Midden Peelweg, waarmee een robuuste aaneenschakeling van bossen en natuur tussen het plangebied en de noordelijke en de zuidelijke bospercelen wordt gecreëerd. Uiteindelijk doel is om de bossen rondom het golfterrein van de Golfhorst te verbinden met de bossen ten zuiden van het evenemententerrein. Ter voorkoming van de aantasting van de landschapswaarden is in het bestemmingsplan de vereiste landschappelijke inpassing ter plaatse van de hippische boulevard middels een voorwaardelijke verplichting nader geborgd. Daarnaast is in de prijs voor de kavelverkoop van de hippische bedrijven reeds een afzonderlijke bijdrage aan versterking van het groene casco meegenomen.

bestemmingsplan Grandorse

53

6.3

Waterhuishouding

6.3.1 Inleiding Ten behoeve van het voornemen dient een waterparagraaf te worden opgesteld, waarin de effecten van het voornemen op de waterhuishouding worden onderzocht. Dit betreft enerzijds effect op het grond- en oppervlaktewatersysteem en anderzijds het effect op de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit. 6.3.2 Bestaande situatie Bodemopbouw, geohydrologie en grondwaterstanden De gegevens van de bodemsamenstelling en de hydrologische gegevens zijn verkregen uit de TNO-grondwaterkaarten, Eindhoven/Venlo, kaartblad 52, west en 62 oost 1972. Binnen het plangebied zijn met name veldpodzolgronden aanwezig. Het plangebied ligt op een hoogte variërend van circa 30 m tot 33 +NAP, zie navolgende figuur.

54

bestemmingsplan Grandorse

Uitsnede hoogtekaart (Bron: archeologisch onderzoek, Archeopro) Conform de grondwatertrappenkaart is de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) gelegen op 40 cm beneden maaiveld. Ter plaatse van de onderzoekslocatie (Peelhorst) bestaat de aanwezige deklaag uit een pakket fijne slibhoudende zanden, leem, klei en veen. Deze afzettingen behoren grotendeels tot de Nuenen Groep en afzettingen met Holocene ouderdom. De dikte van de ter plaatse aanwezige deklaag bedraagt circa 4 tot 6 meter. Onder deze deklaag bevindt zich het eerste watervoerend pakket. Dit pakket is voornamelijk opgebouwd uit matig tot zeer grove, grindhoudende zanden. Op de Peelhorst wordt het eerste watervoerend pakket in het algemeen gevormd door de Formaties van Kreftenheye, Veghel, Tegelen en de Kiezeloötformatie. De dikte van het eerste watervoerend pakket bedraagt

bestemmingsplan Grandorse

55

circa 10 - 15 meter. De onderzijde van het eerste watervoerend pakket bevindt zich op 5 meter -NAP. Onder dit eerste watervoerend pakket bevindt zich de hydrologisch basis. De slecht doorlatende basis is voornamelijk opgebouwd uit fijne slib- en kleihoudende zanden. De gemiddelde stijghoogte van het grondwater in het voornaamste watervoerende pakket is te verwachten rond 27,5 m +NAP. De grondwaterstroming zal in noordwestelijke richting plaatsvinden. Op een diepte van circa 2,5 m-mv zal ter plaatse van de onderzoekslocatie grondwater worden aangetroffen. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied, waterwingebied en/of boringsvrije zone.

Oppervlaktewater Dwars door het plangebied loopt de Peelloop met aansluitend het Korhoen en De Peel. Aan de noordzijde loopt de Nieuwe Kulbergse loop en aan de westzijde, parallel aan de N277 is Het Saar gelegen. Deze beken zijn opgenomen op de zogenaamde legger van het waterschap (zie onderstaande figuur).

Uitsnede legger waterlopen De legger is een informatiesysteem waarin de normen zijn aangegeven waaraan de door het waterschap beheerde waterstaatswerken moeten voldoen. Verder is in de legger de begrenzing van waterstaatswerken opgenomen, waarmee het werkingsbereik van de keur wordt bepaald. De keur is een verordening van het waterschap waarin is aangegeven wat wel en niet mag op en nabij waterstaatswerken. Met behulp van de legger en de Keur worden de waterstaatswerken beschermd zodat deze duurzaam kunnen functioneren. De beken zijn niet aangemerkt als een beek met een (specifiek) ecologische functie. Verder is binnen het plangebied geen oppervlaktewater aanwezig, met uitzondering van de reeds gerealiseerde waterbergingsvijvers langs de N277. Het plangebied is niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied. Waterkeringen en/of bruggen zijn niet in het plangebied aanwezig.

56

bestemmingsplan Grandorse

Infiltratiecapaciteit Ter plaatse van het huidige PEC is eerder een infiltratie-onderzoek uitgevoerd, waaruit blijkt dat het plangebied matig geschikt is voor de oppervlakte infiltratie van neerslag. 6.3.3 Toekomstige situatie Door de geplande ontwikkelingen zal het verhard oppervlakte toenemen. Het gaat hierbij vooral om de bebouwingsuitbreiding ten behoeve van het stallencomplex, de verdere realisering van de hippische boulevard en de oprichting van nieuwe bedrijfsgebouwen bij nieuwvestiging van de hippische bedrijven. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen het plangebied wordt hierna uiteengezet. Opvang hemelwater - waterberging Conform het beleid van het waterschap, zoals ook opgenomen in de Keur dienen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal te worden uitgevoerd. Bij nieuwbouw dient minimaal 100% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden. Het schone hemelwater dient afzonderlijk te worden opgevangen en te worden afgevoerd naar een te realiseren infiltratie- en/of bergingsvoorziening. Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient de hoeveelheid af te voeren hemelwater conform de eisen van het waterschap te worden berekend bij extreme buien van T=25 (een neerslaghoeveelheid van 50 mm).

Daarnaast dienen de gevolgen van T=100 (een neerslaghoeveelheid van 84 mm) in beeld te worden gebracht. Bij mogelijke risico's dienen er maatregelen te worden getroffen. Afgekoppeld hemelwater van nieuwe bedrijfsgebouwen zal worden opgevangen en gescheiden worden afgevoerd naar de aan te leggen hemelwatervoorzieningen. Dit betreft infiltratie- danwel bergingsvoorzieningen (bv poel, wadi of zaksloot) in de onbebouwde delen van het perceel of de aangrenzende natuurgebieden. Afkoppeling van de neerslag en het realiseren van een bergings- en infiltratievoorzieningen zijn in het gebied mogelijk. Mede gelet op de omvang van het totale plangebied (248 ha) in relatie tot de bestaande bebouwing en verharding (2,5 ha respectievelijk 20 ha) en de (maximaal) nieuw realiseren bebouwing (30 ha) en verharding (20 ha) en de bodemdoorlatendheid is de inschatting dat binnen het plangebied ruimschoots kan worden voldaan aan de bergingsopgave. In de regels van het bestemmingsplan is de aanleg van waterbergingsvoorzieningen in de bestemmingsomschrijvingen opgenomen. Daarnaast is als randvoorwaarde opgenomen dat maximaal 30% van het perceel van een nieuw te vestigen hippisch bedrijf bebouwd cq verhard mag worden. Daarnaast dient minimaal 35% van het perceel te worden ingericht voor groen (waarin ook infiltratievoorzieningen kunnen worden gerealiseerd).

Voor nieuwvestiging van bedrijven op de hippische boulevard is in de planregels opgenomen dat maximaal 30% van het bestemmingsvlak mag worden bebouwd en daarnaast 35% mag worden verhard ten behoeve van parkeren etc; minimaal 35% van het bestemmingsvlak dient voor groen voorzieningen te worden benut, waarin ook infiltrativoorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Dit biedt voldoende ruimte voor infiltratie- en bergingsmogelijkheden ; daarnaast wordt aangrenzend aan de oostzijde een natuurzone ingericht, waarin ook infiltratievoorzieningen kunnen worden gerealiseerd. Bij de verdere ontwikkeling van de verschillende deellocaties moet de definitieve uitwerking van de infiltratievoorzieningen berekend worden voor de uiteindelijke verharde oppervlakten. Het is mogelijk een combinatie van meerdere soorten infiltratie- en/of bergingsvoorzieningen aan te leggen. Een bovengrondse voorziening heeft hierbij de voorkeur, bijvoorbeeld in de vorm van een verlaagd terreingedeelte of wadi. De precieze uitwerking van de infiltratievoorzieningen vindt plaats ten tijde van de bouwaanvraag. Uitgangspunt is infiltreren op eigen terrein. Indien een overloop naar een omliggende waterloop wordt gerealiseerd dient hierbij melding te worden gemaakt bij het Waterschap. Daarnaast is ter plaatse van de nieuw aangelegde natuurstrook ten oosten van de Midden Peelweg alsmede

bestemmingsplan Grandorse

57

in de groenstrook ten oosten van de hippische boulevard tevens voorzien in een aanvullende waterbergingsvoorziening voor het gebied. Voorkomen van wateroverlast Gelet op de grondwaterstand en het maaiveld in het plangebied kan worden voldaan aan de ontwateringsnormen voor de nieuwe gebruiksfuncties. Door hier bij het bepalen van het bouwpeil bij nieuwe ontwikkelingen rekening mee te houden kan worden voorkomen dat er water in de te realiseren gebouwen komt. Er hoeft derhalve geen drainage of andere manieren van grondwateronttrekkingen te worden toegepast om eventuele grondwateroverlast te voorkomen. In de plannen is niet voorzien in grondwateronttrekkingen. Waterkeringen en/of bruggen zijn niet in het plangebied gepland. Afvalwater Uitgangspunt is dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater niet verslechterd. Het vuil- en regenwater moet apart ingezameld worden. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen. Daarnaast zal met de infiltratie van het regenwater eventuele vervuiling ervan in de eerste 50 cm van de bodem achterblijven. Hierdoor vindt er geen vervuiling in het grondwater plaats.

Het afvalwater als gevolg van onderhavige planontwikkeling zal worden geloosd middels nieuwe aansluitingen op de gemeentelijke riolering. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Er zal bij de bouw van de nieuwe bedrijfswoningen en eventuele logiesgebouwen met de gemeente nadere afstemming dienen te worden gezocht voor aansluiting op het gemeentelijk riool. Waterlopen Op de verbeelding zijn de bestaande waterlopen van het Waterschap ongewijzigd met de enkelbestemming 'Water' opgenomen. Dit betreft de Peelloop, de Peel en het Korhoen. Ten behoeve van het onderhoud aan de watergangen alsmede ten behoeve van de beoogde ontwikkeling van de ecologische waarden door hermeandering en herinrichting van meer natuurvriendelijke oevers is tevens de dubbelbestemming 'Waterstaat - Profiel van vrije ruimte' opgenomen. Met het project ‘Klimaatbestendige inrichting van de Peelloop’’ hoopt de gemeente meer ruimte in het watersysteem te creëren, zodanig dat er kan worden geanticipeerd op natte en droge perioden. Overleg waterbeheer Met het waterschap is meermaals contact geweest over de voorgenomen plannen, met name met betrekking tot de aanpassing van de waterlopen en haar oevers (meandering, aftakking en natuurviendelijkere oevers) binnen het plangebied.

Met deze natuurvriendelijke aanpassingen tezamen met de aanleg van de waterbergingsbuffer ten oosten van de Midden Peelweg en de voorwaarde dat ter plaatse van de paardenhouderij minimaal 1/3 onverhard blijft kan voldoende worden geborgd dat er geen wateroverlast in het gebied ontstaat.

6.4

Archeologie en cultuurhistorie

6.4.1 Archeologie In Europees verband is als wettelijk toetsingskader het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming.

58

bestemmingsplan Grandorse

In de Erfgoedwet is vastgelegd dat Rijk, provincies en gemeenten in ruimtelijke plannen rekening houden met het aspect archeologie. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van het voorgaande dan ook worden aangegeven op welke wijze met in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening wordt gehouden. Om de bescherming op gemeentelijk niveau te borgen heeft de gemeente Horst aan de Maas een gedetailleerd archeologisch bureauonderzoek laten verrichten, waarvan de resultaten onder meer tot een gemeentelijke archeologische maatregelenkaart zijn verwerkt. Deze kaart is in 2014 herzien. De herziene maatregelenkaart met de daarbij behorende toelichtende rapporten vormen de basis voor het gemeentelijke ontheffingsbeleid ten aanzien van de ‘archeologieplicht’. De mogelijkheid voor ontheffing van de archeologische onderzoeksplicht is afhankelijk van de ligging, de oppervlakte en de diepte van het initiatief.

Uitsnede gemeentelijke archeologische maatregelenkaart Horst aan de Maas (Bron: Archeologisch onderzoek

bestemmingsplan Grandorse

59

Grandorse, Archeopro) Het plangebied heeft wat betreft archeologie verschillende archeologische verwachtingswaarden, variërend van laag (in het westelijk deel van het plangebied) tot voor de vroege prehistorie een hoge verwachtingswaarde in het midden en oostelijk deel van het plangebied, zie bovenstaande uitsnede van de archeologische maatregelenkaart. Daarom is ten behoeve van het voornemen door ArcheoPro een archeologisch bureau-onderzoek uitgevoerd, dat als Bijlage 11 bij dit bestemmingsplan is toegevoegd. Het plangebied ligt op een dekzandrug in de buurt van een beekdal. In een dergelijke omgeving bestaat een variatie in biodiversiteit en gradiënt. De iets hoger gelegen gebieden zullen aantrekkelijke locaties zijn geweest voor laat-paleolithische en mesolithische activiteiten. Voor de late prehistorie moet rekening worden gehouden dat de omgeving mogelijk al erg nat is geweest. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel naar aanleiding van het uitgevoerde bureau onderzoek geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor resten van vuursteenplaatsen uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum. Dergelijke resten worden met name verwacht op de hoger gelegen delen van het dekzandlandschap in de nabijheid van voormalige watervoerende laagten.

Deze verwachting wordt bevestigd door de aanwezigheid van talrijke vondsten van bewerkt vuursteen in met name de eerder archeologisch onderzochte gebieden op het centrale deel van het plangebied. In verband met de relatieve onvruchtbaarheid van de bodem en het ontbreken van vondsten uit deze perioden, geldt een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode neolithicum t/m de vroege middeleeuwen. Voor de late middeleeuwen en de nieuwe tijd geldt gezien de late ontginning van het gebied een lage verwachting voor resten van bewoning. Wel geldt voor deze perioden een hoge verwachting voor resten van karresporen en schaapskooien binnen het plangebied. Naar verwachting zullen met name ondiepe archeologische resten sterk hebben geleden onder de ontginning van het plangebied. Dit wordt deels bevestigd door de bevindingen van de eerder binnen het plangebied verrichte onderzoeken. Binnen het plangebied zijn stuifzandgebieden aanwezig die sinds de ontginning slechts zijn beplant met bos. Onder dit stuifzand kunnen prehistorische sporenniveaus juist goed bewaard gebleven zijn.

Derhalve wordt geconcludeerd dat ten behoeve van de bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden in alle zones in navolgende figuur die een dubbelbestemming archeologie hebben en die nog niet eerder zijn onderzocht, onderzoek door middel van een verkennend booronderzoek noodzakelijk is zodra hier bodemingrepen gepland zijn die dieper reiken dan 50 centimeter beneden het bestaande maaiveld en die meer dan 500 vierkante meter beslaan. Dit geldt ook voor de gronden, die in het verleden zijn afgegraven omdat hier vooral stuifzand is afgegraven en de oorspronkelijk hieronder gelegen bodem nog (deels) intact kan zijn. Verkennend booronderzoek heeft dan ook met name tot doel om vast te stellen of de bodem nog voldoende intact is om behoudenswaardige archeologische resten te bevatten en zo ja, vanaf welke diepte dit het geval is. Vervolgens kan worden bepaald waar en op welke wijze planaanpassing of archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is.

60

bestemmingsplan Grandorse

Uitsnede archeologische advieskaart voor vervolgonderzoek (Bron: Archeologisch onderzoek Grandorse, Archeopro) Voor de bescherming van het aspect archeologie zijn in dit bestemmingsplan een drietal archeologische dubbelbestemmingen uit het geldend bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas' overgenomen, zie afbeelding hieronder.

bestemmingsplan Grandorse

61

Uitsnede archeologische maatregelenkaart (bestemmingsplan 'Buitengebied Horst aan de Maas') Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 3' (gronden met een hoge archeologische verwachting, zie de oranje gemarkeerde gronden op bovenstaande afbeelding) is bij bodemingrepen die meer

62

bestemmingsplan Grandorse

dan 500 m2 beslaan en die dieper reiken dan 50 centimeter onder het bestaande maaiveld een verkennend booronderzoek noodzakelijk. Ter plaatse van de dubbelbestemmingen 'Waarde-Archeologie 4' (gronden met een gematigde archeologische verwachting, zie de geel gemarkeerde gronden op bovenstaande afbeelding) en 'Waarde-Archeologie 6 (gronden met een specifieke archeologische verwachting (beekdalen), zie de paars gemarkeerde gronden op bovenstaande afbeelding) is pas bij bodemingrepen die meer dan 2500 m2 beslaan en die dieper reiken dan 50 centimeter onder het bestaande maaiveld een verkennend booronderzoek noodzakelijk. 6.4.2 Cultuurhistorie Per 1 september 2017 is de Erfgoedwet in werking getreden. In een bestemmingsplan dient op grond van het Bro artikel 3.1.6 een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten, rekening is gehouden. Ook de facetten historische bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De provincie Limburg heeft een Cultuurhistorische waarden kaart. Uit deze kaart (zie onder) blijkt dat het gebied grotendeels is gelegen binnen het type nieuw cultuurland 1980-1990 en een gedeelte resterend onontgonnen gebied 1990.

Verder liggen in het plangebied geen (lijn- of punt) objecten of bouwwerken met een cultuurhistorische waarde.

Uitsnede cultuurhistorische waarden kaart Uit het uitgevoerde archeologisch bureauonderzoek, dat als Bijlage 11 is toegevoegd bij dit bestemmingsplan) blijkt dat het plangebied deel uitmaakt van de (voormalige) Kronenbergerheide en ongeveer een kilometer ten westen van kerkdorp Kronenberg is gelegen. Dit dorp heeft zich met name in de negentiende eeuw ontwikkeld als ontginningsnederzetting langs één van de vele wegen die vanuit het oostelijker gelegen Sevenum naar de Peel liepen. Deze Peelstraat liep vanuit Sevenum, door het centrum van Kronenberg en vervolgens door het zuidelijke deel van het plangebied. Het plangebied vormde in die tijd een gebied van heide- en stuifzandterreinen en natte laagten.

bestemmingsplan Grandorse

63

Uitsnede historische relicten (Bron: Archeologisch onderzoek Grandorse, Archeopro) Binnen het plangebied komt de ligging van één van de huidige wegen gedeeltelijk nog dermate precies overeen met die van één van de oorspronkelijke veldwegen, dat dit deel is aangemerkt als historisch relict, zie voorgaande figuur. Langs deze veldweg lagen enkele van de binnen het plangebied oorspronkelijk aanwezige schaapskooien. Het plangebied is na 1890 pas in cultuur gebracht. In 1958 zijn veruit de meeste delen van het plangebied ontgonnen tot akker of weiland. De enige delen van het plangebied die niet of nauwelijks zijn ontgonnen zijn de stuifzanden die zijn beplant met naaldbos. De beoogde functieveranderingen zijn grotendeels gelegen binnen het type nieuw cultuurland 1980-1990. Ter

64

bestemmingsplan Grandorse

plaatse van het aangeduide resterend onontgonnen gebied 1990 vinden geen ontwikkelingen plaats. Deze beboste gronden behouden de bestemming 'Natuur'. Dit geldt tevens voor een gedeelte van de weg, die als historisch relict is gekenmerkt. Verder zijn er geen bijzondere cultuurhistorische waarden in het gebied aanwezig, die met het planvoornemen aangetast kunnen worden.

6.5

Overige milieuaspecten

6.5.1 Bodem Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Hiertoe is door Aelmans een historisch bodemonderzoek verricht, dat als Bijlage 12 bij dit bestemmingsplan is gevoegd. Volgens de bodemfunctieklassekaart van de gemeente Horst aan de Maas (versie november 2010) is de onderzoekslocatie gelegen in de bodemfunctieklasse 'overig' (landbouw/natuur). Voor deze bodemfunctieklasse is de bodemkwaliteitsklasse 'achtergrondgrenswaarde' van toepassing. De uitgevoerde bodemonderzoeken bevestigen dit beeld. In de beschikbare informatie zijn geen aanwijzingen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van mogelijke bodemverontreinigingen en/of bodembedreigende activiteiten. Ook tijdens de begin 2017 uitgevoerde terreininspectie zijn geen aanwijzingen geweest, die kunnen wijzen op enige vorm van bodemverontreiniging, zie uitgevoerde historische bodemonderzoeken die als Bijlage 12 bij dit bestemmingsplan zijn opgenomen. Uit de in 2016 respectievelijk 2017 uitgevoerde bodemonderzoeken op een landbouwperceel aan de Travers ongenummerd met een totale oppervlakte van circa 5 hectare blijkt dat in de grond geen verhoogde gehaltes worden aangetroffen. Tijdens het verrichten van het veldwerk zijn zintuigelijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen.

Ook het in 2013 uitgevoerde bodemonderzoek ter plaatse van de toentertijd op te richten ECdP laat een vergelijkbaar beeld zien. Uit de analyseresultaten blijkt dat in zowel de bovengrond als in de ondergrond geen van de onderzochte componenten zijn gemeten in gehalten verhoogd ten opzichte van de berekende achtergrondwaarde Het freatisch grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met diverse zware metalen en minerale olie. Plaatselijk is het grondwater matig verontreinigd met koper. Voornoemde concentraties zijn van dien aard, dat dergelijke verontreinigingen veelvuldig worden aangetroffen in het ondiepe grondwater ter plaatse van Noord-Limburg. Een uitzondering hierop vormen de binnen het plangebied aanwezige deels onverharde wegen en de waterloop. Van de wegen is niet bij voorbaat geheel uit te sluiten dat funderingsmateriaal met bijmengingen aanwezig is. De waterloop maakt een verzorgde indruk en is goed onderhouden. Gebaseerd op de beschikbare informatie kan de onderzoekslocatie als grootschalig onverdacht worden beschouwd, met uitzondering van de aanwezige (deels) onverharde wegen en de aanwezige waterloop in het plangebied. In het kader van het planvoornemen zijn echter geen werkzaamheden aan de wegen en waterlopen gepland.

In de beoogde bouwactiviteiten zal er sprake zijn van een grondoverschot waarvan de inschatting is dat die geheel binnen het plangebied kan worden hergebruikt. Indien grond van de locatie vrijkomt en wordt toegepast gelden de regels van het Besluit Bodemkwaliteit. Dit wil zeggen dat bij het toepassen van grond de kwaliteit in overeenstemming moet zijn met de functie en kwaliteit van de ontvangende grond. Bij graafwerkzaamheden ter plaatse van de wegen geldt dat verhardingslagen apart moeten worden ontgraven en verwerkt worden. Uit het historisch onderzoek is gebleken dat op de onderzoekslocatie (behalve mogelijk de wegen en de

bestemmingsplan Grandorse

65

watergangen) geen sprake is van een mogelijke bodemverontreiniging en hoeft in beginsel derhalve geen verkennend bodemonderzoek ('i.c. veldwerk en analyses) te worden uitgevoerd. 6.5.2 Geluid Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient op basis van de Wet geluidhinder onderzocht te worden of sprake is van geluidsoverlast, in het bijzonder in verband met verkeer of bedrijven. Het plan voorziet in het toevoegen van diverse geluidsgevoelige objecten (bedrijfswoningen, appartementen op de hippische campus, long-stay appartementen en gastenverblijven). Daarnaast is sprake van een uitbreiding van bedrijfsmatige activiteiten, waarbij sprake is van productie van geluid. Bovendien kunnen de vervoersbewegingen van en naar de inrichting indirecte (geluids)hinder veroorzaken. Het hiertoe uitgevoerde akoestisch onderzoek (dd. 15 jan 2018) is als Bijlage 13 bij dit bestemmingsplan opgenomen. Aanvullend is een oplegnotitie opgesteld, waarin een actualisatie van het akoestisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar aanleiding de bijgestelde (ingeperkte) bezoekersaantallen en het geactualiseerde verkeersonderzoek op basis van de meest recente verkeersgegevens en modellen. Dit heeft niet tot andere conclusies geleid, zie ook Bijlage 14. De in dit bestemmingsplan geboden planologische mogelijkheden zijn beperkter dan in het ontwerp bp (2018) en leiden dan ook tot een gunstiger akoestisch resultaat.

De eerdere conclusies uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijven overeind.

Wegverkeerslawaai Het planvoornemen voorziet in de vestiging van nieuwe bedrijfswoningen en andere geluidsgevoelige functies, zoals hierboven genoemd. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat op 120 meter afstand van de Midden Peelweg kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48dB. Op circa 45 meter kan nog worden voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Gelet op bovenstaande is in het bestemmingsplan op de verbeelding tot 120 meter afstand tot de Midden Peelweg de aanduiding 'geluidzone – weg' opgenomen, waarbinnen oprichting van geluidsgevoelige objecten alleen kan worden toegestaan, indien aangetoond kan worden dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Deze geluidsgevoelige functies zouden mogelijk ook gerealiseerd kunnen worden binnen de relevante invloedsfeer van andere wegen (geluidbron(soort)). De heersende verkeerssituatie is echter zodanig dat er geen aanleiding is om hier reeds een gebiedsaanduiding voor op te nemen in het bestemmingsplan. Bovendien is oprichting van nieuwe geluidsgevoelige functies op basis van de generiek van toepassing zijnde minimale afstand tot de perceelsgrens, sowieso niet toegestaan binnen 12,5 meter van de as van de weg., gelet op de vereiste minimale afstand van 5 meter tot de perceelsgrens en de afstand van de perceelsgrens tot de as van de weg (7,5 meter).

Op deze afstand wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Industrielawaai Uit het geluidsonderzoek blijkt dat de geluidbelasting bij grote internationale wedstrijden/evenementen (> 10.000 bezoekjers per dag) niet voldoet aan de geluidgrenswaarde uit de VNG-publicatie. Een dergelijk grootschalige internationale wedstrijd/evenement wordt op basis van het bestemmingsplan echter niet toegestaan. Hiervoor is een afzonderlijke gemeentelijke evenementenvergunning noodzakelijk, waarin mogelijk afwijkende geluidgrenswaarden kunnen worden opgenomen. Dit betreffen incidentele situaties (evenement) die minder dan 12 maal per jaar voorkomen en waarvoor op basis van de zogenaamde 12-dagenregeling een ontheffing kan worden aangevraagd bij de gemeente. Ten aanzien van de nieuwe paardenhouderijen en hippische boulevard is geen relevante akoestische invloed te verwachten. Om voor de toekomstig te realiseren bedrijfswoningen en andere benoemde geluidsgevoelige functies een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (vanuit een goede ruimtelijke ordening) te garanderen, is als

66

bestemmingsplan Grandorse

extra waarborg een gebruiksbepaling met maximale geluidsnormen in de regels opgenomen. Dit waarborgt dat, ongeacht de locatie van eventueel toekomstige geluidsbronnen, de geluidsbelasting op nieuwe geluidsgevoelige functies niet kan worden overschreden ten gevolge van het bestemmingsplan. Hierbij is er voor gekozen is om voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau aan te sluiten bij de geldende wettelijke geluidsnormen en aanbevolen richtwaarden uit de Handreiking industrielwaai en vegunningverlening, te weten LAr,LT 40 dB(A) etmaalwaarde en LAmax 70 dB(A) etmaalwaarde (respectievelijk 65 dB(A) en 60 dB(A) voor de avondperiode en nachtperiode) op de gevel(s) van geluidsgevoelige objecten van derde(n). Overigens is in regels reeds geborgd dat woningen en verblijven van grooms en long stay niet binnen 25 m afstand van een hippisch bedrijf van derden mogen worden opgericht ter voorkoming van eventuele geurhinder. Indirecte hinder Vrijwel de gehele verkeersafwikkeling zal plaatsvinden via de Peelstraat in westelijke richting en zal daarna opgaan in het heersende verkeersbeeld van de Midden Peelweg (N-277). Vóór het verkeer via de ter plaatse aanwezige rotonde wordt opgenomen op de N277 worden geen geluidgevoelige bestemmingen gepasseerd. Het aspect indirecte hinder is derhalve voor onderhavige ontwikkeling niet aan de orde.

Mogelijke uitzondering vormt de woning (met groepsaccommodatie) aan Peelstraat 79. De voertuigen hebben dan echter al minimaal 400 meter afgelegd en de ter plaatse optredende snelheid bereikt. Bovendien ligt de dichtstbijzijnde gevel van het betreffende object op meer dan 50 meter uit de wegas, waardoor er met maximaal 2.000 mvt. per etmaal (dagen met een wegstrijd blijven maatgevend) geen sprake kan zijn van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Een nadere beschermingsregeling in het bestemmingsplan is derhalve niet noodzakelijk. 6.5.3 Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb). Omdat de luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in titel 5.2 Wmb, staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Het doel van titel 5.2 Wmb is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen. Heersende achtergrondconcentraties De achtergrondconcentratie fijn stof (PM1 0) bedraagt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in en rondom het plangebied in 2023 ongeveer 14 µg/m3 en voldoet aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 én aan de gezondheidskundige advieswaarde van 15 µg/m3 . De achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2 ) bedraagt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in en rondom het plangebied in 2023 ongeveer 9 µg/m3 en voldoet aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 én aan de gezondheidskundige advieswaarde van 10 µg/m3 .

bestemmingsplan Grandorse

67

Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM als de toename van de concentratie niet hoger is dan 1,2 µg/m3 voor PM10 en NO2 (3% van de wettelijke grenswaarden). De ontwikkeling van de hippische zone zal leiden tot een toename van het aantal paarden. Gelet op de geringe bijdrage aan de fijn stof concentratie in relatie tot blootstelling aan de mens, zijn voor paarden geen emissiefactoren voor fijnstof vastgesteld en hoeft de toename van het aantal paarden in relatie tot fijn stof niet onderzocht te worden. De ontwikkeling van de hippische zone leidt wel tot een toename van verkeersbewegingen. Dit heeft indirect invloed op de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteitsonderzoek In 2018 is door Aelmans BV een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd, dat als Bijlage 15 bij dit bestemmingsplan is opgenomen. In het onderzoek is de invloed onderzocht van het aantal extra voertuigbewegingen ten gevolge van de verdere ontwikkeling van de hippische zone. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat sprake is van een concentratietoename als gevolg van de extra verkeersbewegingen. Deze concentratietoename bevindt zich echter alleen nabij de hoofdinfrastructuur, waaronder de Midden Peelweg.

Op korte afstand van de Midden Peelweg zijn in het plangebied geen bestaande kwetsbare objecten gesitueerd. In het bestemmingsplan worden mede in het kader van geluidhinder geen gevoelige functies binnen 120 meter van de weg mogelijke gemaakt. In dit luchtkwaliteitsonderzoek is de NIBM-tool gebruikt. Hiervan is een recentere versie beschikbaar (versie 2024), met hierin de actuele achtergrondconcentraties (deze liggen lager dan in 2018). Ook het jaar van realisatie is opgeschoven. Om te bepalen of de NO2- en PM10-emissie ten gevolge van de toename in verkeersbewegingen van het bestemmingsplan aan te merken is als 'Niet In Betekenende Mate' is in de tweede aanvulling MER de actuele NIBM-tool 2024 van het Ministerie van I&M gebruikt. Hieruit wordt geconcludeerd dat de verkeersbewegingen ten gevolge van het bestemmingsplan niet in betekende mate bijdragen aan de concentraties fijnstof PM10 en NO2.

NIBM -tool 2024 (Bron: Tweede aanvulling mer) De achtergrondconcentratie fijn stof (PM10) bedraagt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in en rondom het plangebied in 2023 ongeveer 14 µg/m3 en voldoet aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 én aan de gezondheidskundige advieswaarde van 15 µg/m3. De achtergrondconcentratie stikstofdioxide (NO2) bedraagt volgens de Grootschalige Concentratiekaart Nederland (GCN) in en rondom het plangebied in 2023 ongeveer 9 µg/m3 en voldoet aan de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m3 én aan de gezondheidskundige advieswaarde van 10 µg/m3.

68

bestemmingsplan Grandorse

Gedurende de jaren is sprake van een daling van de emissiefactoren voor voertuigen en een daling van de achtergrondconcentraties PM10 PM2,5 en NO2. In combinatie met de forse verkleining van de bezoekersaantallen en verkeersgeneratie ten opzichte van het ontwerp van 2018 kan geconcludeerd worden dat ten aanzien van luchtkwaliteit uitsluitend sprake is van verbeteringen ten opzichte van het uitgevoerde onderzoek in 2018. Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling. In het plangebied blijft sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van luchtkwaliteit. 6.5.4 Bedrijven en milieuzonering Inleiding Om tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijven op milieuhygiënische aspecten te komen wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. De milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Hiertoe zijn bedrijven voorzien van een zone waar mogelijke nadelige effecten zijn voor milieugevoelige functie, zoals woningen. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

Bij het bepalen van het van toepassing zijnde omgevingstype moet niet gekeken worden naar de locatie zelf maar naar het (soort) gebied waarin de locatie ligt. Grandorse ligt in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. In het gebied zijn diverse agrarische bedrijven aanwezig alsmede het reeds bestaande PEC, een golfbaan en ten zuiden van het plangebied ligt tevens het attractiepark Toverland. Het gebied kan derhalve door de aanwezigheid van de diverse functies worden getypeerd als een gemengd gebied. De richtafstanden van zowel een 'rustige woonwijk' als van 'gemengd gebied' is in onderstaande tabel weergegeven. Milieucategorie Richtafstandentot omgevingstype 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' 1 10 meter 2 30 meter 3.1 50 meter 3.2 100 meter 4.1 200 meter 4.2 300 meter 5.1 500 meter 5.2 700 meter 5.3 1000 meter 6 1500 meter Tabel richtafstanden

Richtafstandtot omgevingstype 'gemengd gebied' 0m 10 meter 30 meter 50 meter 100 meter 200 meter 300 meter 500 meter 700 meter 1000 meter

Wijze van meten van de richtafstanden De richtafstand geldt in eerste instantie vanaf de grens van het perceel waarop een agrarische (of andere

bestemmingsplan Grandorse

69

bestemming (of andere milieubelastende functie)) rust tot de grens van de gronden waar een (bedrijfs-)woning of aangebouwde bijbehorende bouwwerken (milieugevoelige bestemming) volgens het bestemmingsplan mogelijk is. Wanneer deze afstand niet toereikend is, wordt gekeken naar de maximale bouwmogelijkheden en feitelijke situatie. Voor een paardenfokkerij en een manege gelden als richtafstanden in een gemengd gebied: 30 meter in verband met geur, 10 meter in verband met stof en 10 meter in verband met geluid.

Wettelijke kader geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt sinds 2007 het beoordelingskader voor geur (stank) bij de afgifte van omgevingsvergunningen voor veehouderijbedrijven. De wet stelt normen aan de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten en stelt minimale afstanden vast van veehouderijen tot geurgevoelige objecten. Op grond van deze wet kunnen gemeenten een geurverordening opstellen waarin zij binnen bepaalde wettelijke marges - hun eigen geurnormen stellen. Een gemeente die eigen geurbeleid wil voeren, moet daarvoor wel de huidige geursituatie in kaart brengen en een gebiedsvisie opstellen. Indirect heeft de Wet geurhinder en veehouderij ook consequenties voor de totstandkoming van geurgevoelige objecten en dus voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de 'omgekeerde werking' genoemd. De reden hiervoor is duidelijk: een geurnorm is bedoeld om mensen te beschermen tegen overmatige geurhinder, omgekeerd moet een bevoegd gezag dan ook niet toestaan dat mensen zichzelf blootstellen aan die overmatige hinder. Nieuwe ontwikkelingen (met name uitbreiding van agrarische bedrijven, maar bijvoorbeeld ook realisering van nieuwe geurgevoelige objecten door woningsplitsing), mogen er niet toe leiden dat er vanuit het aspect geur een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat gaat ontstaan.

Hiervoor dient beoordeeld te worden of wordt voldaan aan de normen en afstanden uit de gemeentelijke geurverordening (individueel en cumulatief). Als de nieuw op te richten woning/geurgevoelig object het dichtstbijzijnde object wordt is de gemeentelijke geurverordening van toepassing. Als de nieuwe woning niet het dichtstbijzijnde object wordt, hoeft uitsluitend te worden getoetst op basis van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. Ten aanzien van de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. De voorgrondbelasting betreft de geurbelasting van individuele veehouderij op een geurgevoelig object. De achtergrondbelasting betreft de gebiedsbelasting: cumulatieve geurbelasting in een gebied als gevolg van de aanwezige veehouderijen. In de aan de Wgv gekoppelde Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is per diercategorie een geuremissiefactor vastgesteld, uitgedrukt in Europese odour units per tijdseenheid per dier (ouE/s/dier). Voor diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, gelden minimaal aan te houden afstanden. Deze zijn opgenomen in artikel 4 van de Wgv. Voor bedrijven waar paarden gehouden worden zijn geen specifieke geuremissies vastgesteld. Voor paardenbedrijven dienen derhalve vaste afstanden aangehouden te worden.

De minimaal te hanteren afstand bedraagt 25 meter vanaf het dierenverblijf tot aan een bedrijfswoning welke eveneens hoort bij een ander agrarisch bedrijf. Er dient 50 meter aangehouden te worden vanaf het dierenverblijf tot aan een woning die niet bij een agrarisch bedrijf hoort. De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft de bevoegdheid om in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij de minimale afstanden tussen een dierenverblijf en een voor geurhinder gevoelig object aan te passen. De minimale te hanteren afstand in het plan bedraagt 25 meter. Dit is als zodanig ook geborgd in gemeentelijke geurverordening, die op 8 oktober 2024 is gewijzigd.

In het kader van de toets of sprake is van een goede ruimtelijke ordening is onderzocht of in het plangebied

70

bestemmingsplan Grandorse

een goed woon- en verblijfklimaat is gegarandeerd. Ter plekke van het plangebied is blijkens een recente weergave van de achtergrondbelasting ter plaatse sprake van een goed leefklimaat, zie onderstaande afbeelding.

Uitsnede beoordeling leefklimaat op basis van indicatieve achtergrondbelasting Het plan voorziet in de realisatie van bedrijven, namelijk paardenhouderijen met bedrijfswoningen en verblijfruimtes (groomsverblijven, longstay appartementen), appartementen op de hippische campus alsmede bedrijven met bedrijfswoningen op de hippische boulevard en de uitbreiding van het PEC (met evenementen).

Omliggende bedrijven In de directe omgeving liggen drie bedrijven die mogelijk van invloed zijn op het plangebied. Dit betreft het bedrijf gelegen aan de Kulbergweg 8, de daarbij gelegen golfbaan Golfhorst en het zuidelijk gelegen attractiepark Toverland. Het bedrijf aan de Kulbergweg 8 betreft een loonbedrijf, hierbij vindt opslag van dierlijke meststoffen plaats. Op basis van het vigerend bestemmingsplan is op deze locatie een bedrijf met maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Het perceel kent daarnaast in het bestemmingsplan buitengebied nog een specifieke functieaanduiding, namelijk 'specifieke vorm van bedrijf – mestverwerking'. De gemeente hanteert in de milieuvergunning een maximale te hanteren afstand van 50 meter voor de mestverwerker. Wanneer binnen 50 meter afstand milieugevoelige functies worden gerealiseerd dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de milieubelasting (geluid en geur) op de functies. Deze onderzoeken zullen dan tevens moeten uitwijzen of de nieuwe milieugevoelige functies het bestaande bedrijf belemmeren in zijn bedrijfsvoering dan wel uitbreidingsmogelijkheden. Dit is in het bestemmingsplan middels de aanduiding 'milieuzone - gevoelige functies uitgesloten' op de verbeelding en de bijbehorende juridische regeling nader geborgd. Ten behoeve van de golfbaan Golfhorst geldt een maximaal aan te houden afstand van 0 meter in gemengd

bestemmingsplan Grandorse

71

gebied (10 meter in een rustige woonwijk). Milieugevoelige functies kunnen derhalve tot aan de perceelsgrens van de golfbaan gerealiseerd worden (onder voorbehoud van overige aan te houden afstanden). De golfbaan is derhalve niet relevant voor dit thema. Ten behoeve van attractiepark Toverland geldt worstcase (milie cateogrie 4.2) een minimaal aan te houden richtafstand van 200 meter. Alle toegestane gevoelige objecten van onderhavige ontwikkeling bevinden zich minimaal op meer dan 500 meter afstand. Dit leidt derhalve niet tot belemmeringen.

Omliggende woningen/ groepsaccommodaties De woning aan de Kievietweg 11 is de kortst bij het plangebied gelegen woning. De afstand van de bestemmingsgrens van de woning tot de dichtstbijzijnde relevante planontwikkeling (vestiging hippisch bedrijf ter plaatse van 'zone hippische bedrijven') bedraagt circa 220 meter. Voor de woning aan de Peelstraat 58 is de plangrens van het bestemmingsplan op circa 280 meter van de perceelgrens van de woning gelegen. Hiermee zijn deze woningen op voldoende afstand van de voorgenomen ontwikkelingen gelegen en niet relevant voor dit thema. Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij bedraagt de vaste afstand namelijk 50 meter ten opzichte van een woning welke geen deel uitmaakt van een ander agrarisch bedrijf. Op basis van de VNG-brochure geldt daarnaast voor stof en geluid nog de richtafstand van 10 meter. De woningen bevindt zich derhalve ruim buiten de aan te houden richtafstanden. Aan de Peelstraat 81 ligt een groepsaccommodatie. De naast gelegen bestemming is 'Natuur'. De afstand tot de 'Zone hippische bedrijven' is minimaal 90 meter. Ook deze accommodatie bevindt zich buiten de richtafstand van 50 meter. Aan de Schorfvenweg 6 is een (grondgebonden) agrarisch bedrijf gelegen. De naastgelegen bestemming is 'Sport - Hippisch sportcomplex'.

De afstand van de woning tot de relevante aanduiding 'specifieke vorm van sport - werkschuur/kantine' bedraagt 50 meter. De afstand van het agrarisch bouwperceel tot de aanduiding 'specifieke vorm van sport - werkschuur/kantine' bedraagt 30 meter. Hiermee wordt voldaan aan de minimaal te hanteren richtafstand van 30 meter.

Binnen het plangebied Binnen het plangebied worden naast bedrijfswoningen ook gevoelige verblijfsfuncties in de vorm van appartementen en longstay-verblijven gerealiseerd. Deze maken allen deel uit van een ander agrarisch bedrijf. Hiervoor geldt dat op basis van de Wet geurhinder en veehouderij een afstand van minimaal 25 meter aangehouden dient te worden tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het geurgevoelig object (bedrijfswoning). Als gevolg van stof en geluid dient op basis van de VNG-brochure een afstand aangehouden te worden van 10 meter. In eerste instantie wordt deze afstand gemeten van perceel tot perceel. Hier mag de gemeente gemotiveerd van afwijken en vervolgens de afstand van gevel tot gevel hanteren. in de regels is voor deze voorzieningen een minimaal aan te houden afstand van 25 meter van aangrenzende hippische bedrijven opgenomen.

Conclusies In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich drie bedrijven. Als gevolg van het bedrijf aan de Kulbergweg 8 dient op basis van de op de verbeelding opgenomen aanduiding 'milieuzone - gevoelige functies uitgesloten' en de bijbehorende juridische regeling een richtafstand van 50 meter aangehouden te worden. Wanneer binnen deze afstand milieugevoelige objecten gerealiseerd worden is nader onderzoek naar geur en geluid noodzakelijk. Ten aanzien van Toverland geldt een minimale richtafstand van 200 meter tot gevoelige

72

bestemmingsplan Grandorse

functies. Daar wordt ruimschoots aan voldoen. Ten aanzien van de golfbaan gelden geen aan te houden minimale richtafstanden. Alle woningen en vergelijkbare functies dienen op minimaal 25 meter van een agrarisch bedrijf te zijn gesitueerd. Dit is in de regels van het bestemmingsplan als randvoorwaarde aan deze functies verbonden. Voor de naast gelegen woningen, de groepsaccommodatie aan de Peelstraat en attractiepark Toverland geldt dat deze zich buiten de aan te houden richtafstanden bevinden en derhalve in dit kader niet relevant zijn. Tussen de hippische bedrijven onderling binnen het plangebied moet ook rekening worden gehouden met een aan te houden afstand. Als gevolg van stof en geluid dient minimaal 10 meter aangehouden te worden tussen de hippische bedrijven. Daarnaast dient tussen de bouwpercelen van de paardenhouderijen en de eventuele milieugevoelige objecten (zoals de longstay appartementen of overige gastenverblijven) in beginsel de minimale afstand 50 meter te bedragen als gevolg van geur (Wet geurhinder en veehouderij / Activiteitenbesluit). Tussen stallen en bedrijfswoningen van derden mag de afstand kleiner zijn (25 meter). Op de hippische kavels kunnen naast bedrijfswoningen ook gebouwen met een logiesfunctie ten dienste van de hippische bedrijven opgericht worden (zowel voor lang als kort verblijf).

In de gebouwen met langdurig logiesfuncties verblijven alleen personen die binding hebben met de hippische activiteiten zoals bijvoorbeeld medewerkers, grooms en paardeneigenaren. Deze personen kiezen er juist voor om op hetzelfde terrein te overnachten en ervaren geen geurhinder van de paardenstallen en mestopslagen. Op de hippische kavels in het gebied Grandorse wonen of verblijven/overnachten geen mensen die geen binding hebben met de hippische bedrijven en activiteiten in het gebied. Gelet op de aard van de gebiedsontwikkeling en de gebruikers en bezoekers van het plangebied (de binding met de hippische activiteiten) en de lage huidige geurbelasting in het gebied, is een verkleining van de afstand tot 25 meter te rechtvaardigen. Op 8 oktober 2024 heeft de raad haar geurverordening aangepast en ondermeer de te hanteren vaste afstand voor paardenbedrijven in het plangebied te verkleind tot 25 meter. 6.5.5 Externe veiligheid Algemeen De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid (Regeling externe veiligheid inrichtingen) is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van industriële activiteiten met opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden.

Het gaat daarbij om de bescherming van individuele personen en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen" (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb). Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. In onderhavig plan is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object. Het plan voorziet onder meer in realisatie van meerdere bedrijfswoningen en tevens in realisatie van een aantal verblijfsruimtes voor grooms/verzorgers van de paarden. Het voornemen leidt daarmee tot een toename van de personendichtheid. Het beleid inzake externe veiligheid is derhalve van toepassing. Om die reden is een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16080505/3