CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

03c.0 Toelichting

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Bijlagen bestemmingsplan Grandorse, Kronenberg33.272 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Wanneer er sprake is van een situatie waarin externe veiligheid een rol speelt en waarin de overheid (gemeente) als bevoegd gezag een beslissing dient te nemen, moet beoordeeld worden of de situatie niet in strijd is met de grenswaarden voor het plaatsgebonden risico en dient het groepsrisico al dan niet te worden verantwoord. De 'verantwoording van groepsrisico' is ingevoerd met de inwerkingtreding van het Bevi (Besluit

bestemmingsplan Grandorse

73

externe veiligheid inrichtingen). Kort gezegd komt het er op neer dat het bevoegd gezag verantwoording aflegt over het groepsrisico en de maatregelen die getroffen zijn om dat risico zoveel mogelijk te beperken. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat iemand die zich op een bepaalde plaats bevindt, komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven door een lijn op een kaart die de punten met een gelijk risico met elkaar verbindt (zogeheten risicocontour). Het Rijk heeft als maatgevende risicocontour de kans op overlijden van 10-6 per jaar gegeven (indien een persoon zich gedurende een jaar binnen deze contour bevindt is de kans op overlijden groter dan één op een miljoen) als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6. Het plaatsgebonden risico 10-6 is voor ruimtelijke besluiten vertaald naar grenswaarden en richtwaarden. De wetgeving is erop gericht om voor bestaande situaties geen personen in kwetsbare objecten en zo min mogelijk personen in beperkt kwetsbare objecten bloot te stellen aan een plaatsgebonden risico dat hoger is dan 10-6 per jaar. De definitie van (beperkt) kwetsbare objecten wordt verderop toegelicht.

Nieuwe ontwikkelingen van kwetsbare objecten binnen de risicocontour van 10-6 per jaar zijn niet toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen van beperkt kwetsbare objecten zijn ongewenst, maar wel toegestaan indien gemotiveerd kan worden waarom dit noodzakelijk is en daarbij te accepteren dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen toeneemt. Daarnaast dient aangetoond te worden dat afdoende maatregelen worden genomen om de risico's en de gevolgen van een eventueel ongeval te beperken. Groepsrisico Het groepsrisico is een maat voor de kans dat een groep van 10 mensen of meer overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De hoogte van het groepsrisico hangt af van: de kans op een ongeval; het effect van het ongeval; het aantal personen dat in de omgeving van de bron (inrichting of transportroute) verblijft; de mate waarin de personen in de omgeving beschermd zijn tegen de gevolgen van een ongeluk. Het groepsrisico kan worden weergegeven in een grafiek met op de horizontale as het aantal dodelijke slachtoffers en op de verticale as de kans per jaar op tenminste dat aantal slachtoffers. Het groepsrisico wordt bepaald binnen het zogenaamde invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Hoe meer personen per hectare in het invloedsgebied aanwezig zijn, hoe groter het aantal (potentiële) slachtoffers is, en hoe hoger het groepsrisico. Voor het groepsrisico als gevolg van transport van gevaarlijke stoffen over (spoor-)wegen en water geldt een verantwoordingsplicht voor het bevoegd gezag. In de toelichting bij een bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van een transportroute dient het bevoegd gezag in te gaan op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden van zelfredzaamheid (beperkte verantwoording groepsrisico). Als het groepsrisico groter is dan de oriëntatiewaarde dient het bevoegd gezag altijd in te gaan op alle genoemde aspecten van het externe risico (uitgebreide verantwoording groepsrisico). De hoogte van het groepsrisico en de toename ervan volgen uit een risicoberekening. In eenvoudige gevallen is de toepassing van vuistregels mogelijk. (Beperkt) kwetsbare objecten De inventarisatie en het definiëren van de (beperkt) kwetsbare objecten is een zeer belangrijk onderdeel van de planvorming. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) geeft een niet-limitatieve opsomming van objecten die als beperkt kwetsbaar of kwetsbaar moeten worden beschouwd. Onder beperkt kwetsbare objecten worden verstaan (Bevi art. 1.1):

74

bestemmingsplan Grandorse

a.

verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare én dienst- en bedrijfswoningen van derden; b. kantoorgebouwen, voorzover zij niet onder onderdeel l, onder c, vallen; c. hotels en restaurants, voorzover zij niet onder onderdeel l, onder c, vallen; c. winkels, voorzover zij niet onder onderdeel l, onder c, vallen; e. sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen; d. kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voorzover zij niet onder onderdeel l, onder d, vallen; e. bedrijfsgebouwen, voorzover zij niet onder onderdeel l, onder c, vallen; f. objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, g. objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voorzover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval; Onder kwetsbaar object worden verstaan(onderdeel I uit Bevi): a.

woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens als bedoeld in bovengenoemd onderdeel b, onder a; b. gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1º. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2º. scholen, of 3º. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen; c. gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren: 1º. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object, of 2º. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m2 per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen. De opsomming van objecten geeft het bevoegd gezag de ruimte om voor niet-genoemde objecten een eigen afweging te maken. Eveneens staat het bevoegd gezag vrij om een beperkt kwetsbaar object als een kwetsbaar object te behandelen.

Daarmee wordt een strenger regime aangehouden dan wettelijk noodzakelijk met een lager groepsrisico tot gevolg. Dit brengt wel beperkingen mee voor de ontwikkelingsmogelijkheden van gronden. Immers meer functies zijn vanuit externe veiligheidsrisico's dan niet toegestaan in het het invloedsgebied.

Inventarisatie van het plangebied Bij de inventarisatie van risicobronnen rondom het plangebied is gebruik gemaakt van de “Risicokaart Nederland” (samenwerking van het Rijk, de provincies en de gemeenten). Hierbij zijn de volgende vier risicobronnen aangetroffen: 1. Propaantank, golfbaan Golfhorst; 2. Provinciale weg N277, N270/N277 Ysselstein- N277/A67 (afrit 38 Helden); 3. Spoor, trajectnummer 12BL.4. 4. Buisleidingen A-520, A-578 en A-665; In onderstaande uitsnede zijn deze risicobronnen nabij het plangebied weergegeven.

bestemmingsplan Grandorse

75

Uitsnede risicokaart (plangebied ongeveer met blauwe omlijning aangegeven) 1. Propaantank, golfbaan Golfhorst In het Activiteitenbesluit en de -regeling zijn eisen opgenomen over de opslag van propaan in tanks. Dit is van toepassing op propaanopslag als een tank (maximaal 2) een inhoud hebben van maximaal 13 m3 . Voor propaantanks met een inhoud groter dan 13 m3 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het uitgangspunt. De propaantank horende bij golfbaan Golfhorst heeft een grote van 5 m3 en valt daarmee onder het activiteitenbesluit en is geen inrichting in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op basis van de gegevens van de risicokaart dient een veiligheidsafstand van 25 meter te worden aangehouden ten opzichte van de propaantank. De afstand van de propaantank tot de eigen perceelsgrens bedraagt circa 295 meter waardoor de nieuwe ontwikkelingen op ruim voldoende afstand zijn gelegen. Voor onderhavige planontwikkeling is deze risicobron derhalve niet relevant. 2. Rijksweg A67 en provinciale weg N277 De N277 wordt in de risicokaart aangegeven als een incident regionale weg. De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) is nul. Voor het groepsrisico geldt een overschrijdingsfactor van < 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Uit de recente telgegevens van Rijkswaterstaat blijkt dat over de Midden Peelweg LF1 en LF2 stoffen worden getransporteerd.

Hiervoor geldt een invloedsgebied van maximaal 45 meter. Een gedeelte van het plangebied

76

bestemmingsplan Grandorse

valt binnen het invloedsgebied van deze weg, derhalve is een verantwoording van het groepsrisico aan de orde, zie hiervoor Bijlage 17 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. De aanwezige A67 is gelegen op een afstand van meer dan 3 km van het plangebied. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Deze afstand is dermate groot dat hier geen rekening mee gehouden hoeft te worden in het kader van onderhavig planvoornemen. Vanwege het transport van toxische gassen over de weg geldt een invloedsgebied van 4 km. Hiermee valt het zuidelijk deel van het plangebied binnen het invloedsgebied en is voor dit aspect eveneens een verantwoording van het groepsrisico aan de orde, zie hiervoor Bijlage 17 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. 3. Spoorlijn Door de gemeente Horst aan de Maas loopt de spoorlijn Eindhoven – Venlo (trajectnummer 12BL.4). Over de spoorlijn worden o.a. brandbare gassen en brandbare vloeistoffen vervoerd. Het plangebied ligt op een afstand van circa 1.200 meter van de spoorlijn. Van de spoorlijn zijn de navolgende gegevens in tabel 2 bekend. Stofcategorie

A B2

Afstand plangebied Plaatsgebonden risicocontour Brandbaar gas Toxisch gas

B3 Zeer toxisch gas C3 Zeer brandbare vloeistof D3 Toxische vloeistof D4 Zeer toxische vloeistof Tabel 2: Gegevens spoorlijn

Hoeveelheden (ketelwagens) 1200 meter 8 meter

Maximale effectafstand (m)

2150 0

460 995

0 0 0 0

> 4000 35 375 > 4000

Gelet op bovenstaande is de afstand van het plangebied tot de spoorweg dermate groot dat hier geen rekening mee gehouden hoeft te worden in het kader van onderhavig planvoornemen. Er is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Vanwege het transport van toxische gassen en vloeistoffen over het spoor geldt een invloedsgebied van 4 km. Hiermee valt het plangebied binnen het invloedsgebied en is voor dit aspect een verantwoording van het groepsrisico aan de orde, zie hiervoor Bijlage 17 bij de toelichting van dit bestemmingsplan. 4. Buisleidingen Binnen het plangebied is een drietal hogedrukgasleidingen van de Gasunie aanwezig. Voor buisleidingen met een druk hoger dan 4000 kPa geldt dat het plaatsgebonden risico op 5 meter aan weerzijden van de leiding niet meer dan 10-6 mag zijn. Er wordt daarbij gemeten vanaf het hart van de leiding. De exploitant dient hier bij de aanleg rekening mee te houden. Binnen deze belemmeringenstrook zijn nieuwe kwetsbare objecten niet toegestaan. Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit.

Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens: de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Omdat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van enkele hoge druk aardgasleidingen is nader onderzoek vereist om te beoordelen of de buisleidingen een belemmering vormen voor het plangebied.

bestemmingsplan Grandorse

77

Hoogspanningslijnen Hoewel hoogspanningslijnen geen onderdeel uitmaken van externe veiligheid is volledigheidshalve onderzocht of er hoogspanningslijnen in of nabij het plangebied zijn gelegen. Dit gelet op het beleidsadvies van het voormalige ministerie van Vrom in 2005 in verband met magnetische velden als mogelijke veroorzaker van leukemie bij kinderen. VROM adviseert hierin om te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de zogenaamde magneetveldzone. Nabij het plangebied is een hoogspanningslijn gelegen. Het betreft de lijn Maasbracht-Boxmeer (380 kv), gelegen op een afstand van circa 1,5 kilometer. Deze lijn heeft aan weerszijde een indicatieve (magnetische) zone van 155 meter. Het plangebied ligt ver buiten deze zone. De hoogspanningsleiding leidt derhalve niet tot belemmeringen voor het planvoornemen.

Nader onderzoek buisleidingen Aangzien het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van enkele hogedruk aardgasleidingen is nader onderzocht of de buisleidingen een belemmering vormen voor het plangebied. Tevens is bepaald welke effecten het plan heeft op de hoogte van het groepsrisico van de betreffende buisleidingen. De berekeningen hebben overeenkomstig de voorschriften plaatsgevonden met het rekenprogramma CAROLA. Dit nader onderzoek externe veiligheid buisleidingen is als Bijlage 16 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit de berekening volgt dat het plangebied nagenoeg volledig is gelegen binnen de 100%-letaliteitsafstand voor externe veiligheid van de buisleidingen A-578-deel-1 en A-665-deel-1 en grotendeels binnen de 100% letaliteitsafstand van buisleiding A-520-deel-1 gelegen, zodat de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico voor deze buisleidingen is bepaald. Risicocontouren buisleidingen Uit de berekening met behulp van het programma CAROLA blijkt dat voor buisleiding A-520-deel-1 sprake is van een PR10-6-risicocontour ter hoogte van het plangebied. Voor de overige buisleidingen wordt ter hoogte van het plangebied geen 10-6-risicocontour berekend. De gemeente Horst aan de Maas is met de Gasunie overeengekomen maatregelen te treffen waardoor de PR10-6risicocontour van buisleiding A-520-deel-1 ter hoogte van het stallencomplex komt te vervallen.

Deze maatregelen bestaan uit striktere begeleiding van werkzaamheden en extra diepteligging (d.w.z. het ophogen van het maaiveld met 20 cm). Na het treffen van deze maatregelen is geen sprake meer van een PR10-6-risicocontour ter hoogte van het stallencomplex. Wel is in het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied nog sprake van een PR 10-6 -contour die deels over het plangebied ligt. Bij de nadere invulling van de kavel met de bestemming “Zone hippische bedrijven” dient rekening gehouden te worden met deze contour. Voor beide gebieden is in het bestemmingsplan de gebiedsaanduiding 'Veiligheidszone -Leiding' op de verbeelding opgenomen. Binnen deze aanduiding mogen in beginsel geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten (waaronder woningen) worden opgericht. In de navolgende afbeelding is de ligging van de PR 10-6-risicocontouren weergegeven.

78

bestemmingsplan Grandorse

Afbeelding PR10-6-risicocontouren (groene lijn) buisleiding A-520-deel-1 na maatregelen (bron: Gasunie)

Berekening hoogte groepsrisico Omdat het plangebied is gelegen binnen zowel de 100% als de 1% letaliteitsafstand van de genoemde buisleidingen, is met behulp van het programma CAROLA (versie 1.0.0.52, parameterbestand 1.3) de hoogte van het groepsrisico inzichtelijk gemaakt. De berekeningen zijn voor zowel de huidige situatie als voor de toekomstige situatie uitgevoerd. Ter hoogte van het plangebied zijn echter door Gasunie, in opdracht van gemeente Horst aan de Maas, mitigerende maatregelen genomen ter reductie van het risico. Derhalve is in deze rapportage het groepsrisico ter hoogte van het plangebied specifiek beschouwd. De resultaten zijn in onderstaande tabel samengevat:

Tabel 3: Resultaten CAROLA-berekening hoogte groepsrisico buisleidingen * Normwaarde: de maximale waarde van het groepsrisico ten opzichte van de oriëntatiewaarde. De maximale waarde wordt berekend als het product van de frequentie met het kwadraat van het aantal slachtoffers. Een normwaarde > 1 betekent een overschrijding van de oriëntatiewaarde

bestemmingsplan Grandorse

79

Uit deze berekeningen blijkt dat in de huidige situatie en de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde voor alle drie de buisleidingen niet wordt overschreden. Ook de 0,1 maal de oriëntatiewaarde wordt zowel in de huidige als toekomstige situatie niet overschreden. Het planvoornemen leidt wel voor alle buisleidingen tot een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico. Conform artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is derhalve sprake van een beperkte verantwoordingsplicht. Deze verantwoording is als Bijlage 17 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd.

Verantwoording groepsrisico Uit het onderzoek blijkt dat een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk is met betrekking tot transporten met gevaarlijke stoffen over de A-67 alsmede door buisleidingen. Deze verantwoording is als Bijlage 17 bij de toelichting van dit bestemmingsplan gevoegd. Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Uit deze verantwoording blijkt dat het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding voornamelijk bepaald wordt door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Daarnaast is ook gekeken naar de risico's ten gevolge van een mogelijk incident met toxische stoffen op met name de A67. Een belangrijkste bronmaatregel om het risico van een incident met de aardgasleiding te verkleinen is het opnemen van een omgevingsvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. Daarnaast dient in het bestemmingsplan te worden opgenomen dat binnen de belemmeringsstrook een bouwverbod geldt. Daarnaast wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren.

Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd. In het bestemmingsplan is hiertoe ter plaatse van de buisleidingen en aangrenzende gronden aan weerszijden een dubbelbestemming 'Leiding – Gas' opgenomen. Voor gronden binnen deze bestemming geldt een bouwverbod en geldt voor bepaalde bodemingrepen een omgevingsvergunningstelsel. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren goed gesloten te kunnen worden. Aangezien het nieuwbouw betreft, zal op grond van de vigerende bouwregelgeving voldoende aandacht aan de luchtdichtheid geschonken worden. Eventueel aanwezige luchtbehandelingsinstallaties dienen met één handeling uitgeschakeld te kunnen worden. Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Zelfredzaamheid is mogelijk, mits ontvluchting uit gebouwen en omgeving op een juiste manier mogelijk is. Bij de inrichting van het plangebied dienen voldoende vluchtwegen aanwezig te zijn om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. De vluchtwegen dienen van de leiding af gericht te zijn. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de relevante scenario's).

In geval van een calamiteit is een snelle alarmering van aanwezige personen binnen het effectgebied essentieel voor een goede zelfredzaamheid. Daarnaast zijn het opstellen van een bedrijfsnoodplan en de bedrijfshulpverlening inrichten en oefenen op het beschreven scenario interne maatregelen die de zelfredzaamheid verhogen. Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Hierdoor hebben wijzigingen plaats gevonden in de regelgeving, ook voor het aspect externe veiligheid, waardoor mogelijke aanvullende voorschriften noodzakelijk zijn in de vergunningverlening bij realisering van het voornemen.

80

bestemmingsplan Grandorse

6.5.6 Spuitzones In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies in de nabijheid van agrarische gronden aandacht gevraagd voor mogelijke spuitzones. Dit betreft met name agrarische gronden waar open teelt en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan wordt, vanwege de risico's voor de volksgezondheid door eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten op gronden buiten het agrarisch perceel terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden. Alle vormen van verblijf, zoals woonruimte, maar ook recreëren, sporten en spelen behoren tot driftgevoelige functies die beschermd moeten worden tegen de gevolgen van drift. Voor wat betreft het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten.

Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen nieuwe driftgevoelige functies (zoals wonen, maar ook tuinen, speeltuinen, picknickplaatsen en sporten) en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Ingeval van eventueel toekomstig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van de teelt van gewassen in de open lucht op aangrenzende agrarische percelen geldt een specifieke zorgplicht en geldt op grond van paragraaf 3.5.3 van het Activiteitenbesluit dat drift reducerende technieken dienen te worden toegepast.

Binnen plangebied Met de beoogde ontwikkeling worden op enkele locaties binnen de bestemming 'Zone hippische bedrijven' nieuwe driftgevoelige functies (waaronder bedrijfswoningen en long stay appartementen en bijbehorende tuinen) mogelijk gemaakt binnen 50 meter afstand van aangrenzende agrarische gronden waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet expliciet is verboden. Ter nadere borging van de bescherming van de gezondheid als gevolg van het kunnen toepassen van gewasbeschermingsmiddelen zijn op deze gronden (nader op de verbeelding aangeduid met de aanduiding 'milieuzone – driftzone') geen nieuwe driftgevoelige functies toegestaan. Hier kan het bevoegd gezag met een omgevingsvergunning van afwijken, indien aangetoond is dat het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen, binnen een afstand van 50 meter tot de nieuwe driftgevoelige functie, is beëindigd en beëindigd blijft of dat middels locatiespecifiek onderzoek is aangetoond dat, en in hoeverre, kan worden afgeweken van deze 50 meter. Daarnaast geldt voor het zuidwestelijk overloopparkeerterrein, dat betreffend agrarisch perceel grenst aan het uitbreidingsplan van Toverland.

Met de eigenaar / gebruiker van deze agrarische gronden is overeengekomen dat op betreffende gronden het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is toegestaan, voor zover deze zijn gelegen op minder dan 50 meter afstand van driftgevoelige functies. Betreffende gronden zijn op de verbeelding voorzien van de aanduiding 'milieuzone – spuitvrije zone'. Hier is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen niet langer toegestaan.

bestemmingsplan Grandorse

81

6.6

Verkeer en parkeren

Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid alsmede het parkeren tijdens reguliere en bijzondere omstandigheden (evenementen) inzichtelijk te worden gemaakt. Hiertoe is in 2018 een verkeersonderzoek uitgevoerd, dat als Bijlage 18 bij dit bestemmingsplan is opgenomen. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde verkeersonderzoek kan worden geconcludeerd, dat: Reguliere wedstrijden en kleinere evenementen niet leiden tot een noemenswaardige verandering in de doorstroming en verkeersveiligheid op de Midden Peelweg N277; Vanaf 10.000 bezoekers (per dag) beperkte afwikkelingsproblemen kunnen ontstaan op het zuidelijk deel van de N277, met name rondom de aansluiting A67. Het gedeelte tussen de aansluiting A67 en rotonde Kleefsedijk is vormgegeven als 2 rijstroken per richting, echter direct ten noorden van de rotonde wordt de N277 teruggebracht naar 1 rijstrook per richting. Bij overbelasting zal het verkeer vanaf dit punt stagneren, waardoor filevorming (langzaam rijdend) en terugslag kan gaan ontstaan. Daarnaast kunnen bij grotere evenementen (meer dan 15.000 bezoekers) ook knelpunten op het gebied van verkeersveiligheid binnen de kom van Ysselstein en als gevolg van sluipverkeer. Op piekmomenten kan dit leiden tot onveilige situaties.

Met betrekking tot de parkeervoorzieningen zijn voor de wekelijkse evenementen/-wedstrijden ca 500 parkeerplaatsen nodig. Hier wordt momenteel reeds in voorzien. Bij een evenement tot 10.000 bezoekers zijn circa 4.200 parkeerplaatsen nodig. Bij evenementen vanaf een omvang met 10.000 bezoekers per dag zijn aanvullende verkeersmaatregelen en parkeergeleiding nodig. Aanpassingen bestemmingsplan Aantal bezoekers Mede op basis van de conclusies en aanbevelingen uit het verkeersonderzoek alsmede ingediende zienswijzen op het eerdere ontwerpbestemmingsplan is in het aangepaste ontwerp bestemmingsplan het aantal bezoekers dat planologisch wordt toegestaan terug gebracht tot de volgende maximale bezoekersaantallen: maximaal 10.000 bezoekers per dag en maximaal 175.000 bezoekers per jaar. Deze maximale aantallen zijn inclusief deelnemers aan wedstrijden. Dergelijke bezoekersaantallen zijn met name van toepassing op de grote wedstrijden en evenementen die gemiddeld 1 x per maand plaatsvinden. Voor de reguliere wedstrijden en middelgrote evenementen zijn de bezoekersaantallen aanzienlijk lager met maximaal 1.000 bezoekers. Het voornemen om 1 à 2 keer per jaar binnen het plangebied wedstrijden en evenementen te houden met meer dan 10.000 bezoekers per dag wordt niet (meer) mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan; ook niet via een wijzigingsbevoegdheid.

Hiervoor moet dus een 'buitenplanse' vergunning aangevraagd worden. Via deze weg kunnen door de gemeente specifieke voorschriften worden voorgeschreven en randvoorwaarden worden opgenomen met betrekking tot onder andere de verkeersregulering, maar ook andere aspecten zoals geluid en parkeren.

Verkeersonderzoek Grandorse 2024 Mede naar aanleiding van opmerkingen van de Comissie m.e.r. alsmede ontwikkelingen in de directe omgeving is een aanvullend, geactualiseerd uitgebreid verkeersonderzoek uitgevoerd, waarin de verwachte verkeerskundige effecten van het voornemen op basis van recente verkeersgegevens en verkeersmodellen (Verkeersmodel Limburg, regiomodel Noord-Limburg, prognosejaar 2040) in beeld zijn gebracht tevens

82

bestemmingsplan Grandorse

rekening houdend met voorziene ontwikkelingen in de omgeving (waaronder de voorgenomen uitbreiding van Toverland). Dit onderzoek is als Bijlage 19 aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Uitgangspunt voor de verkeerskundige analyses is dat er op een piekdag 3.000 auto’s van en naar Grandorse rijden (aankomst en vertrek bij elkaar opgeteld generen zijn 6.000 mvt/etmaal aan verkeersgeneratie). Mede gelet op de aard van de evenementen valt deze maatgevende “piekdag” samen met een reguliere werkdag (vrijdag). In de verkeersberekeningen is voor Toverland uitgegaan van de verkeersgeneratie conform de vergunde situatie. Op basis van de verkeerskundige analyses van route A67 – N277, inclusief de tussenliggende kruisingen en rotondes is in de rapportage geconcludeerd dat de verkeerskundige effecten als gevolg van het veranderde bestemmingsplan Grandorse, niet leiden tot een verminderde verkeersafwikkeling en doorstroming ten opzichte van de referentiesituatie in 2040. Het verkeer inclusief de verkeersgeneratie ten behoeve van Grandorse kan op alle kruisingen en rotondes in 2040 afgewikkeld worden. De verkeerskundige impact van het bestemmingsplan Grandorse leidt niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling op de route N277 – A67.

Cumulatieve verkeerseffecten Grandorse en uitbreiding Toverland Naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r. en in samenspraak met gemeente Horst aan de Maas, provincie Limburg en Rijkswaterstaat zijn de cumulatieve verkeerseffecten beschouwd van het plan Grandorse en het uitbreidingsplan van Toverland. De uitgangspunten komen uit de afzonderlijke verkeersonderzoeken, die beiden in december 2024 zijn uitgevoerd voor de bestemmingsplannen Grandorse (door Royal Haskoning DHV) en Toverland (door Kragten). De toelichting van Kragten is bijgevoegd als Bijlage 20 bij deze toelichting. Het wegennet in de omgeving van Toverland/Grandorse heeft over het algemeen voldoende capaciteit om het verkeersaanbod op een goede wijze af te wikkelen. Uit de resultaten blijkt dat met name de A67 erg druk is en dat sprake is van overbelasting, met filevorming tot gevolg (met name tijdens de avondspits). Dit is al in de referentiesituatie het geval. Dit wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door het reguliere woon-werkverkeer. De invloed van verkeer van en naar Toverland of Grandorse is daarop zeer beperkt. Uit de resultaten van de kruispuntberekeningen volgt dat de verkeersafwikkeling van de individuele plannen (Toverland en Grandorse) is geborgd. De restcapaciteit is echter beperkt, met name tijdens de avondspits op de kruispunten met verkeerslichten (N277-A67 en N277-N560).

Het is niet efficiënt om ten behoeve van eventueel incidenteel voorkomende situaties (cumulatief scenario Toverland en Grandorse) verdere capaciteitsverruimende maatregelen in de vorm van extra infrastructuur (asfalt) te realiseren. Dit speelt uitsluitend bij het samenvallen van grootschaligere evenementen van Grandorse met piekdagen van Toverland. Omdat dit over het algemeen van te voren goed kan worden ingeschat, kan hier door middel van bijvoorbeeld alternatieve omleidingsroutes, de inzet van extra verkeersregelaars en gerichte communicatie naar bezoekers en weggebruikers, actief op worden gestuurd. Parkeervoorzieningen Het bestaande parkeerterrein bij het PEC (oppervlakte van ca 4,5) voorziet reeds in ca. 2.250 parkeerplaatsen. Daarnaast wordt het terrein ten zuiden van de hippische boulevard (1,5 ha) ingericht als (tijdelijk) overloop parkeergebied. Hier kunnen 750 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Daarnaast kunnen na realisering van het stallencomplex de gronden ter plaatse van de tijdelijke stalvoorzieningen (1,5 ha) benut worden voor overloop parkeervoorzieningen. Tenslotte kunnen twee agrarisch percelen (4,3 respectievelijk 3,1 ha) ten zuidwesten van de eventingroute bij grotere evenementen worden ingezet als extra overloop parkeerterrein met per perceel ruimte voor nog eens 1.250 tot 1.500 parkeerplaatsen.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek leidt een dergelijk aantal bezoekers niet tot belemmeringen van het voornemen met betrekking tot het aspect verkeer en parkeren.

bestemmingsplan Grandorse

83

6.7

Kabels en leidingen

In het plangebied is een ondergrondse aardgastransportleiding gesitueerd met een beschermingszone, die als zodanig in dit bestemmingsplan juridisch is geborgd. Voordat grondverstorende werkzaamheden worden verricht dient afstemming met de Gasunie plaats te vinden. De aanwezigheid van overige kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Bij het nader uitwerken van de aansluitingen, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.

6.8

Duurzaamheid

In het bestemmingsplan zijn de ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid, energietransitie en klimaatadaptatie en de vertaling daarvan in de gebiedsontwikkeling (gebouwen en buitenruimte) indirect doorvertaald. Bijvoorbeeld door de realisering van waterberging in het groenblauw raamwerk, toestaan van ondergeschikte duurzame energie voorzieningen zoals zonnepanelen, aanleg en onderhoud van groenvoorzieningen, het ontkoppelen van hemelwater en waterberging. Bij voorliggend planvoornemen wordt daarnaast, voor zover dit betreft de te realiseren nieuwbouw, het aspect duurzaam bouwen in acht genomen. Voor de inrichting van het terrein zullen geen uitlogende materialen zoals lood, koper of zink worden gebruikt.

84

bestemmingsplan Grandorse

Hoofdstuk 7 Economische en maatschappelijke aanvaardbaarheid 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening bepalingen over Grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden: het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd; het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden; het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden; het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen; het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel. Als gevolg van bovenstaande behoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld.

De betrokken gronden zijn in eigendom van de gemeente Horst aan de Maas. Door middel van de uitgifteprijs van de gronden is verzekerd dat het planvoornemen financieel uitvoerbaar is.

7.2

Maatschappelijke aanvaardbaarheid

Destijds heeft het voormalige ontwerp bestemmingsplan reeds 6 weken ter inzage gelegen, van 16 maart 2018 tot en met 26 april 2018. Na de ter inzage ligging van het ontwerpplan heeft het plan geruime tijd stil gelegen. Nadat het plan weer is opgepakt is het bestemmingsplan en bijbehorende onderzoeken geactualiseerd en aangepast, waarbij waar mogelijk rekening is gehouden met de binnengekomen zienswijzen op het eerdere ontwerpbestemmingsplan. Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Hiertoe is het concept ontwerpbestemmingsplan opnieuw toegezonden aan de betreffende instanties. Naar aanleiding van de provinciale reactie is het concept salderingsplan na afstemming met de provincie aangepast. Daarnaast zijn enkele ondergeschikte tekstuele aanpassingen doorgevoerd. Zienswijzen Gelet op de lange periode die verstreken is en gelet op de aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan, is ervoor gekozen het aangepaste ontwerpbestemmingsplan nogmaals gedurende 6 weken ter inzage te leggen, zodat iedereen hier een reactie op kan geven.

In de aangegeven zienswijze periode zijn in totaal 5 zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn samengevat

bestemmingsplan Grandorse

85

en voorzien van een gemeentelijke beantwoording in de Nota van Zienswijzen. Waar sprake is van aanpassingen ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan is dit concreet aangegeven. Daarnaast zijn ook enkele ambtshalve aanpassingen in de nota opgenomen. Belangrijkste aanpassing/aanvulling betreft de opstelling van een geactualiseerd verkeersonderzoek, waarbij ook de ontwikkelingen in de omgeving betrokken zijn. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat de verkeerskundige impact van het voornemen niet leidt tot problemen in de verkeersafwikkeling. De Nota van zienswijzen is als bijlage bij het vaststellingsbesluit opgenomen. De raad zal een besluit nemen over het planMER, de zienswijzen en de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan.

86

bestemmingsplan Grandorse

Hoofdstuk 8 8.1

Juridische toelichting

Algemene opzet

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen en aanduidingen heeft geleid en kan bovendien dienst doen bij planinterpretatie. Om inzicht te geven in de juridische opzet zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht. Vergelijkbare bestemmingsplannen SVBP 2012 geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. Dit om de gewenste vergelijkbaarheid zeker te stellen. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting van het bestemmingsplan. De toelichting maakt immers - strikt juridisch gezien geen deel uit van het bestemmingsplan. De verbeelding van het bestemmingsplan bestaat uit een verzameling geografische bepaalde objecten, die zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Er wordt uitdrukkelijk op gewezen dat de standaarden geen betrekking hebben op de inhoud van een bestemmingsplan. Bestemmingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemming.

Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan de in het plan begrepen grond bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van de in het plan begrepen grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Dit bestemmingsplan bevat ook dubbelbestemmingen. Deze overlappen bestemmingen en geven eigen regels voor specifieke thema's, waarbij sprake is van een rangorde tussen de bestemmingen en de dubbelbestemmingen. Dubbelbestemmingen gaan voor op bestemmingen. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader of specifieker te regelen danwel indien bepaalde aspecten binnen meerdere bestemmingen van toepassing zijn. Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bouwmogelijkheden. Daarnaast De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen. Aan de ondergrondgegevens op de verbeelding, zoals ingetekende gebouwen, kunnen geen rechten worden ontleend. Daar staat tegenover dat het ontbreken van dergelijke ondergrondgegevens ook niet leidt tot een beperking van rechten.

De ondergrondgegevens hebben dus uitsluitend een illustratief karakter. Deze gegevens zijn een hulpmiddel voor het bepalen van bestemmingsvlakken en bouwvlakken. Bestemmingsregeling De opbouw van de regels is voorgeschreven in de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP

bestemmingsplan Grandorse

87

2012). De opbouw is als volgt: betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels); de gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels); algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels); overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels). Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt conform het SVBP uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijken van de gebruiksregels (niet van toepassing in dit plan); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheid (niet van toepassing in dit plan). Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure.

8.2

De (dubbel) bestemmingen

Bestemmingen In deze paragraaf worden de enkel- en dubbelbestemmingen en de gebiedsaanduidingen nader toegelicht. De inhoud van het plan is in hoofdstuk 5 al bestemmings- en gebiedsgericht toegelicht en onderbouwd. Artikel 3: Agrarisch met waarden Deze bestemming reguleert het regulier agrarisch gebruik van de als zodanig aangwezen gronden. Het betreffen agrarische weide- en akkerbouwgronden. Oprichting van (bedrijfs)bebouwing is hier niet toegestaan. De specifieke opzet van de regeling en de inhoud is afgestemd op de regeling zoals deze is opgenomen in het vigerende bestemmingsplan buitengebied. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer – overloop parkeren' zijn de gronden tevens bestemd voor het gebruik als overloopparkeergebied. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan. Artikel 4: Bos Dit betreft het bestaande bosgebied de Heesberg, waarbinnen de eventingroute is gerealiseerd. In dit bosgebied wordt tevens recreatief medegebruik en houtproductie toegestaan. In het bosgebied mogen alleen bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebouwd voor recreatieve gebruiksdoelen of beheer en onderhoud van het bos en omliggende natuur. Lawaaisporten en gebruik als agrarisch is expliciet uitgesloten. De eventing route is voorzien van een gebiedsaanduiding.

Ter plaatse zijn de gronden mede bestemd voor routegebonden dagrecreatieve activiteiten ten behoeve van de hippische sport in de vorm van eventingwedstrijden, tot een maximum van twaalf per jaar. Artikel 5: Gemengd – Hippische boulevard Deze bestemming reguleert het toestaan van zorgvuldig landschappelijk ingepaste hippisch gerelateerde

88

bestemmingsplan Grandorse

bedrijven en voorzieningen. De bestemmingsomschrijving omvat het soort bedrijven dat, mits hippisch gerelateerd, binnen deze bestemming kan worden toegestaan. De term hippisch gerelateerd is cruciaal voor het al dan niet toestaan van bedrijven. In de begripsbepaling is deze term nader ingevuld: een bedrijf dat zich bedrijfsmatig richt op hippische bedrijven en/of op bezoekers van, en/of deelnemers aan de paardensport; Het toestaan van andere dan hippische bedrijven binnen het plangebied van Grandorse is voorts alleen bedoeld voor bedrijven die ook daadwerkelijk een functionele binding hebben met het plangebied door zich in hoofdzaak te richten op de hippische bedrijven binnen het plangebied, en/of op de bezoekers van, en/of deelnemers aan de binnen het plangebied te houden wedstrijden of andere evenementen in het kader van de paardensport (artikel 5.3.1 onder d). Niet-hippisch gerelateerde bedrijven zoals grootschalige detailhandel, reguliere sportwinkels, een supermarkt en verkooppunten van levensmiddelen zoals slagers, bakkers, groente- en fruitzaken, zijn niet toegestaan. In de gebruiksregels zijn nadere ruimtelijke randvoorwaarden voorgeschreven (zie art. 5.3.2 onder a.) alsmede de landschappelijke inpassing (zie art 5.3.2 onder b). Maximaal 30% van een bestemmingsvlak mag worden bebouwd.

De landschappelijke inpassing is middels een voorwaardelijke verplichting in artikel 5.1.2 onder a nader geborgd. Daarnaast zijn specifieke regels opgenomen voor het toestaan van buitenverlichting. Deze regel is gericht op het behoud van de natuurwaarden in de directe omgeving. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer – overloop parkeren' zijn de gronden tevens bestemd voor het gebruik als overloopparkeergebied ten behoeve van het hippisch sportcomplex en evenemententerrein. Artikel 6: Natuur De bestemming Natuur komt qua opzet en inhoud overeen met de bestemming Natuur in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied. Het betreft zowel bestaande, te behouden natuur alsmede nieuw te realiseren natuur, zoals opgenomen in het salderingsplan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van extensief recreatief gebruik of beheer en onderhoud van natuur. Gebruik als agrarisch en voor lawaaisporten is expliciet uitgesloten. De gronden, die tevens zullen worden benut voor realisering van een waterbergingsvoorziening zijn voorzien van de aanduiding 'waterberging'. De reeds bestaande grondwal ten oosten van de hippische zone is voorzien van de aanduiding 'overige zone wal' ten behoeve van de juridische borging van de instandhouding van de wal.

Artikel 7: Sport – Hippisch sportcomplex Voor de juridische regeling van dit bestemmingsvlak is waar mogelijk aangesloten op de bestaande vigerende regelingen. De bestemmingsomschrijving van de gronden reguleert reeds bestaand gebruik en maakt een uitbreiding van de bestaande manege alsmede de bouw van een permanent stallencomplex met bijbehorende voorzieningen ten behoeve van de verplichte stalling van (maximaal 485) paarden bij wedstrijden/evenementen, mogelijk. Specifieke voorzieningen binnen de bestemming zijn veelal met een functieaanduiding aangewezen, waaronder een (werkschuur, manege, evenemententerrein en het stallencomplex. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak, met uitzondering van de werkschuur. Wonen is niet toegestaan evenals lawaaisporten en horeca II. In de gebruiksbepaling zijn specifieke regels opgenomen voor het toestaan van buitenverlichting. Deze regel is gericht op het behoud van de natuurwaarden in de directe omgeving. Het evenemententerrein is specifiek aangeduid. In de regels is het evenementenbeleid, voorzover het soort evenementen en aantal bezoekers betreft, gereguleerd.

bestemmingsplan Grandorse

89

Binnen de bouwmogelijkheden van het terrein (het hippisch sportcentrum binnen het bouwvlak) kan het gebruik van de gebouwen ten behoeve van 2 inpandige longstay-appartementen voor grooms, stagiaires, en/of (buitenlandse) ruiters door middel van het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid, artikel 7.4.1 worden toegestaan. Permanente bewoning is echter uitgesloten. Artikel 8: Verkeer De ontsluitingswegen en parkeerterrein binnen het gebied zijn bestemd tot 'Verkeer'. Hier zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, zoals lichtmasten. De inmiddels ten behoeve van de verkeersveiligheid gerealiseerde brug over de Peelstraat is voorzien van de aanduiding 'brug'. Artikel 9: Water De binnen het gebied gelegen watergangen, zijn primair bestemd voor de berging en afvoer van water. De gronden hebben daarnaast een rol bij de ontwikkeling en beheer van natuurwaarden. Artikel 10: Zone hippische bedrijven Deze bestemming reguleert de gronden die mogen worden ingericht als bedrijfslocatie voor hippische bedrijven (zijnde productiegerichte en gebruiksgerichte paardenhouderijen). De bedrijven worden ieder voor zich afgebakend door een bestemmingsvlak. Met behulp van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid kan een tweede bedrijfswoning per bedrijf en/of extra longstay-appartementen worden toegestaan alsmede een hippisch hulpbedrijf.

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - hippische campus' is tevens een hippische opleidingsinstituut toegestaan voor max 60 leerlingen. Hier worden aanvullend op de realisering van reguliere voorzieningen bij een hippisch accommodatie (zoals rijhallen, paardenstallen, buitenpiste en overige voorzieningen) tevens lesruimten alsmede een appartementencomplex met algemene verblijfsruimten (waaronder een keuken met restaurant en diverse ontspanningsruimten) toegestaan. In de gebruiksbepaling zijn specifieke regels opgenomen voor het toestaan van buitenverlichting op het bedrijf. Deze regel is gericht op het behoud van de natuurwaarden in de directe omgeving van de bedrijven. Om voor de toekomstig te realiseren bedrijfswoningen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen, zijn als extra waarborg in een gebruiksregel maximale geluidsnormen opgenomen als gevolg van bedrijfsactiviteiten van derden. Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - driftzone' kunnen, vanwege situering binnen een afstand van 50 meter tot gronden waar gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet is verboden, uitsluitend na verlening van een omgevingsvergunning nieuwe driftgevoelige functies worden toegestaan.

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - spuitvrije zone' is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet toegestaan, vanwege situering op minder dan 50 meter afstand van driftgevoelige functies. Daarnaast zijn specifieke gebruiksregels opgenomen met betrekking tot realisering van long stay appartementen. Conform het gemeentelijk voorbereidingbesluit wordt huisvesting van internationale werknemers weliswaar niet toegestaan, oprichting van longstay-appartementen en gastenverblijven wordt hier echter niet toe gerekend. Tenslotte kan via een afwijkingsregeling (artikel 10.5) onder voorwaarden tevens een hippisch hulpbedrijf worden toegestaan. Stikstofregeling Om een toename van stikstofdepositie op de voor stikstofgevoelige en overbelaste omliggende Natura 2000-gebieden te voorkomen is in de planregels van het bestemmingsplan een stikstofregeling opgenomen,

90

bestemmingsplan Grandorse

die de toename van stikstofemissie niet toestaat. In de regels van het bestemmingsplan is een toename van stikstofemissie vanuit de betreffende gronden of bouwwerken strijdig gebruik voor de bestemmingen 'Agrarisch met waarden', 'Gemengd – Hippische boulevard', 'Sport – Hippisch sportcomplex', 'Zone – hippische bedrijven, 'Bos' en 'Natuur'. Ruimtelijke ontwikkelingen ten behoeve van het houden van paarden, het organiseren van evenementen en bijbehorende verkeersbewegingen, die leiden tot een toename van de ammoniakemissie (m.n. het houden van paarden) ten opzichte van de feitelijke legaal vergunde situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, zijn uitsluitend toegestaan, indien de ammoniakemissie en stikstofdepositie t.g.v. dit gebruik voldoet aan de hiertoe gestelde regels. Hiermee wordt geborgd dat een toename van de stikstofdepositie bij nieuwvestiging of uitbreiding van stikstofbronnen (zoals hippische bedrijven) past binnen de beschikbare depositieruimte van de depositie bank en daarmee niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Dubbelbestemmingen Dubbelbestemmingen zijn bestemmingen die over een of meerdere onderliggende bestemmingen 'heen vallen' en een heel specifiek belang beogen te regelen. De regels van een dubbelbestemming gaan vóór die van de onderliggende bestemming(en).

Teneinde een prioriteit te kunnen stellen in het geval er meerdere dubbelbestemmingen over elkaar lopen, is in artikel 23.1 een specifieke volgorde van toetsing voorgeschreven. Artikel 11: Leiding- Gas Deze dubbelbestemming reguleert de bescherming van een ondergronds gelegen hogedrukgastransportleiding. Naast regeling met betrekking tot het bouwen en het gebruik van de gronden, is in artikel 22 een regeling opgenomen, die voorwaarde stelt aan bepaalde werken en werkzaamheden in het gebied. Artikel 12: Waarde – Archeologie – 3 /artikel 13: Waarde – Archeologie- 4 / artikel 14: Waarde - Archeologie 6 Op gronden met deze dubbelbestemmingen is uitsluitend het bouwen van gebouwen en/of bouwwerken, waarbij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter onder de bestaande maaiveldhoogte, zonder specifiek onderzoek, toegestaan. Met dien verstande dat het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte van minder dan 500 m2 (Waarde - Archeologie 3) c.q. 2.500 m2 (Waarde - Archeologie 4/6) in alle gevallen is toegestaan. Het niet mogen bouwen dieper dan 50 m, zonder dat sprake is van een archeologisch onderzoek, waarmee kan worden aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad, maakt het oprichten van bouwwerken met een fundering onderzoeksplichtig, maar het is geen verbod.

Aangezien de archeologische verwachtingswaarde zich onder de 50 cm gemeten vanaf bestaande maaiveldhoogte bevindt, kan ook met het ophogen van de gronden een aantasting van de archeologische waarden worden voorkomen. In artikel 22.1 is een equivalent van de regeling voor het verrichten van werkzaamheden opgenomen. Artikel 15: Waterstaat – Profiel van de vrije ruimte Teneinde de gronden gelegen binnen maximaal 5 m vanuit de insteek van de watergangen zodanig te kunnen beschermen, dat onderhoud aan de watergangen mogelijk blijft, is deze dubbelbestemming opgenomen. Daarnaast wordt met de dubbelbestemming de ontwikkeling en bescherming van de ecologische waarden van de waterloop beoogd door hermeandering en herinrichting van meer natuurvriendelijke oevers mogelijk te maken. Bouwen is binnen deze zone in principe alleen voor waterstaatsdoeleinden toegestaan. Algemene regels Dit omvat een aantal algemene regels (artikel 16 t/m artikel 23), veelal overgenomen uit het geldend

bestemmingsplan Grandorse

91

bestemmingsplan, die gelden voor het hele plangebied. Dit betreft onder meer de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels (onder andere mbt ondergonds bouwen), algemene gebruiksregels (onder andere mbt een beroep aan huis en bed & breakfast voorzieningen), algemene aanduidingsregels (ter borging van bescherming in het kader van specifieke milieu- en veiligheidsaspecten), algemene afwijkingsregels (ondergeschikte wijzigingen), algemene wijzigingsregels (tbv waterberging) en een omgevingsvergunning voor werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden. Ter bescherming van archeologische, landschaps- en natuurwaarden alsmede de veiligheid nabij gasleidingen geldt voor bepaalde werkenn en werkzaamheden een specifieke omvgevingsvergunningsplicht.

92

bestemmingsplan Grandorse

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16080505/3