CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting

Gemeenteraad 18 juni 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan ComertXL.26.740 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De integrale herziening van de nota ‘Kostenverhaal en financiële bijdragen’ is geschreven vanuit de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking treedt. Tot 1 januari 2024 geldt nog de huidige Wet ruimtelijke ordening (Wro). Daarom is in bijlage IV een compact schema over het kostenverhaal onder de Wro opgenomen. De wettelijke grondslag voor deze nota met de daarin opgenomen bijdragen wordt tot de invoering van de Ow op 1 januari 2024 gevormd door de Wro.

Hoofdstuk 3

28

De groeiopgave van Horst aan de Maas gebeurt deels samen met ontwikkelende partijen. De gemeente moet daarvoor ook inspanningen leveren. Denk daarbij aan kosten voor de ambtelijke inzet en de eventuele aanpassingen in het openbaar gebied voor een specifiek bouwplan. Bij initiatieven van marktpartijen faciliteert de gemeente dus de bouwplannen (in Omgevingswet ook wel aangewezen activiteiten genoemd). Voor deze inzet zijn gemeenten verplicht om kosten te verhalen op initiatiefnemers. Daarnaast biedt de wet mogelijkheden om initiatiefnemers een financiële bijdrage te vragen voor de benodigde investeringen in de openbare ruimte en het landschap die samenhangen met de groei van de gemeente en behoud van de kwaliteit van het buitengebied. De bovengenoemde investeringen worden niet volledig verhaald op de initiatiefnemers cq. ontwikkelende partijen. Alle partijen, die hier profijt van hebben, dragen bij aan de financiering van deze investeringen. Het grootste deel van de investeringen is toe te rekenen aan de huidige inwoners en gebruikers. De gemeente Horst aan de Maas ‘betaalt’ dus het grootste deel van deze investeringen. Het andere deel, dat kan worden toegerekend aan de toekomstige inwoners en gebruikers, ‘betaalt’ de grondeigenaar of ontwikkelaar, die de woningen en gebouwen realiseert.

Het is namelijk redelijk dat ook bouwplannen voor toekomstige ontwikkelingen bijdragen aan deze investeringen. Het uitgangspunt is dat gemeente Horst aan de Maas met initiatiefnemers een anterieure overeenkomst sluit en hierin onder andere de afspraken over kostenverhaal en financiële bijdragen vastlegt. De gemeente maakt hierbij gebruik van contractsvrijheid. Het kan voorkomen dat de gemeente met de initiatiefnemer geen anterieure overeenkomst kan sluiten en dat de gemeente de planologische maatregel om het bouwplan mogelijk te maken toch in procedure wil brengen. In dat geval borgt zij het kostenverhaal en de financiële bijdragen door middel van de publiekrechtelijke kostenverhaalsregels. Evaluatie structuurvisie Bij de vaststelling van de structuurvisie is besloten om deze na een jaar te evalueren. Deze evaluatie heeft plaatsgevonden in de periode augustus 2014 – juli 2015 en heeft op onderdelen geleid tot een aanpassing van de structuurvisie. De module 'Projectmatige woningbouw' is daarbij gewijzigd in de module 'woningbouw in exploitatiegebieden' De module ‘projectmatige woningbouw’ is enkel van toepassing in exploitatiegebieden. De exploitatiegebieden zijn opgenomen in het woningbouwprogramma ‘Woningbouw Horst aan de Maas 2014-2024’. Het woningbouwprogramma is gebaseerd op bevolkingsonderzoek en voorziet in de woningbehoefte tot 2024.

Naast uitbreidingsplannen zijn ook de herontwikkelingslocaties opgenomen in het woningbouwprogramma. In de structuurvisie is een overzicht opgenomen van de exploitatiegebieden. Wanneer een nieuw woningbouwprogramma vastgesteld wordt, zal ook deze lijst aangepast worden. Afweging Het plangebied is gelegen binnen een gebied waarvoor een meedenkende grondhouding (ja, mits) geldt volgens de structuurvisie. Aan de voorwaarden in de Nota Kostenverhaal worden voldaan. Het plan past daarmee binnen de uitgangspunten van de gemeentelijke structuurvisie.

Hoofdstuk 3

29

3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 - 2025 Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2021-2025, dat in april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De hoofdopgaves voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, betreft vooral een nieuwbouwopgave met als hoofddoelen: 1. Tot en met 2025 1.000 woningen vergunnen; 2. Bouwen naar behoeften. De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2021-2025):  Kaders als basis voor mogelijkheden; Door verwachtingen en eisen aan de voorkant helder te hebben, weten ontwikkelaars, corporaties en inwoners waar ze aan toe zijn. Dit zorgt voor enthousiasme, een gedeelde visie en een snellere doorloop.  Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang; We kennen de woonvragen en -behoeften van onze inwoners: nu, morgen en volgend jaar – op zowel gemeenteniveau als in de individuele kernen. We weten op elk moment in het jaar of we nog op koers liggen.  Maatwerk per kern; Elke kern heeft zijn eigen karakter. Die eigenheid moet doorklinken in de woningopgave en de invulling ervan.  Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen; Partijen die onze gemeente goed kennen, zich vereenzelvigen met onze ambitie en hier ook aantoonbaar naar handelen, hebben een streepje voor.

Zij krijgen de ruimte en het vertrouwen om samen met ons Horst aan de Maas aantrekkelijker te maken.  Minder regels, snelle doorloop van processen; Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. We verminderen de regeldruk waar mogelijk, organiseren parallelle processen en houden initiatiefnemers aangehaakt.  Participatie & communicatie; Inwoners voelen zich gehoord, betrokken bij de ambitie en zijn trots. Dat dragen ze ook uit. Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.375. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor ruimtelijke plannen dienen volgende uitgangspunten daarbij in acht te worden genomen. 

Het plan voorziet, kwalitatief en kwantitatief, in de behoefte van inwoners. Dit betekent concreet dat: o De type woningen en bijbehorende aantallen aansluiten bij de opgave zoals omschreven in dit Masterplan én bij de lokale wensen en behoeften van inwoners (zie ook ‘maatwerk per kern’). o Ontwikkelaars/corporaties met inwoners en samen met de gemeente gesprekken hebben gevoerd en de lokale woonwensen als uitgangspunt hebben genomen. De doelgroepenverordening van Horst aan de Maas is vastgesteld in december 2022. De gemeente heeft besloten het betaalbare programma uit het Masterplan Wonen 2021-2025 nader te specificeren en vast te stellen op: 30% sociale huur, en 5% goedkope koop en 32% middenhuur of betaalbare koop; Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG).

Hoofdstuk 3

30

Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten wateroverlast en hittestress ontstaan.  Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk, uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet onze voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan.  Kwalitatief goede, tijdelijke woonconcepten worden omarmd. Deze wordt, indien geschikt, ingezet om snel voor extra aanbod te zorgen.  In het plan is goed nagedacht over de kwaliteit van de woonomgeving.  Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas), bestemmingsplannen, stedenbouwkundige visies, het bouwbesluit en financiële haalbaarheid. Nieuwbouwplannen worden getoetst op basis van bovenstaand afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op medewerking van de gemeente. Anders dan voorheen is dit afwegingskader geen ‘toets achter de schermen’, maar een vrij beschikbaar en inspirerend document, dat gemeente, corporaties en ontwikkelaars motiveert om al in de eerste, prille fase van conceptontwikkeling de juiste keuzes te maken.

De woningbouwambitie is gebaseerd op de woningmarkt anno nu (vraag en aanbod), gecombineerd met prognoses (CBS, Stec) en signalen uit de markt. Afweging Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in kwalitatief goede woningen. De onderhavige ontwikkeling vindt plaats op een locatie die in het woningbouwprogramma reeds is voorzien als locatie voor woningbouw. Gezien het aantal woningen voldoet onderhavig plan aan het gemeentelijk woningbouwkader, zoals opgenomen in het Masterplan Wonen Horst aan de Maas. Het streven van de gemeente is om 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop in diverse prijscategorieën te realiseren. Op basis van behoefteonderzoek (woonenquête), het Dorpsplan Wonen Grubbenvorst en prognoses is de inschatting dat voor De Comert XL het aandeel markthuurwoningen kan worden verlaagd van de in het Masterplan Wonen opgenomen 30% naar 10%. De verdeling voor De Comert XL is dan 30/20/50: 30% sociaal, 20% Middenhuur +Markthuur, 50% koopwoningen (bestaande uit 3 categorieën) . Het uitgangspunt dat de gemeente voor deze ontwikkeling heeft meegegeven is:  30% Sociale huur  5% Goedkope koop tot grens starterslening (2022: €280.000)  17% Betaalbare koop (2022: tot €355.000)  15% Levensloopbestendige middenhuur (max.

€1.000 kale huur per maand)  5% Levensloopbestendige (markthuur, prijs vrij)  28% Koop (prijs vrij) Hierdoor is sprake van een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie. Vanuit het Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen. Het planvoornemen draagt juist bij aan de gestelde opgave om de bouw van 1.000 woningen te vergunnen tot en met 2025.

Hoofdstuk 3

31

3.4.3 Welstandsnota De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor reguliere woongebieden geldt het niveau ‘normaal’ en aangezien binnen het plangebied sprake zal zijn van een regulier woongebied, zal hiervoor het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. Afweging Voor dit plan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld waaraan getoetst moet worden. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 1 in de toelichting en in de regels opgenomen.

De uitgangspunten/criteria van de welstandsnota zijn ontoereikend voor de beoogde ruimtelijke kwaliteit die past bij de ambities voor De Comert XL. 3.4.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op 31 januari 2020 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Horst aan de Maas’ ter inzage gelegd, waarin de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas is opgenomen als Bijlage 1. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW publicatie 318 ‘Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’). In afwijking van de CROWpublicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Vandaar dat gekozen is voor één categorie ‘wonen’. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden in totaliteit maximaal 96 woningen mogelijk gemaakt.

De totale gemeente Horst aan de Maas kan getypeerd worden als ‘weinig stedelijk’. Binnen de Nota Parkeernormen is zodoende uitgegaan van één stedelijkheidsgraad (weinig stedelijk gebied) voor de totale gemeente. Onderhavig plangebied is gezien de ligging te typeren als ‘Rest bebouwde kom’. Het plangebied maakt deel uit van de kern van Grubbenvorst. Voor een nadere afweging ten aanzien van verkeer en parkeren wordt verwezen naar paragraaf 5.7 van dit bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3

32

3.4.5

Gemeentelijk groenbeleid

Beleidsplan Openbaar Groen 2020 Het BOG 2020 geeft op hoofdlijnen aan op welke wijze de gemeente Horst aan de Maas met het openbaar groen binnen de bebouwde mommen wenst om te gaan. Het gaat hierbij zowel om het in stand houden van groen (groenonderhoud) als ook het renoveren van groen en nieuwe aanleg van groenvoorzieningen. Het beleidsplan geeft een algemeen beeld van de waarde die groen heeft voor de gemeenschap en wat de eisen zijn om de juiste kwaliteit groen dat voldoet aan de gewenste functie te garanderen. De belangrijkste uitgangspunten binnen het vastgestelde Beleidsplan Openbaar Groen 2020 zijn klimaatdapatatie, biodiversiteitsherstel en belevingswaarde, kwantiteit en maatschappelijke baten van groen, duurzaamheid en milieuvriendelijk groenbeheer.

De belangrijkste uitgangspunten binnen het vastgestelde Beleidsplan Openbaar Groen 2020 zijn:  Klimaatadaptatie: wateroverlast in extreme situaties, tegengaan verdroging en hittestress. o Houdt bij groenaanleg en beheer rekening met periodes van droogte en wateroverlast; o Ga hittestress tegen door middel van realisatie van openbaar groen en bomen met voldoende kroonvolume;  Biodiversiteit en het vergroten van de belevingswaarde: o Benut potenties voor vergroting natuurwaarden o Kies voor een gedifferentieerde beplanting (zie geschikte sortimentslijst); Door meer diversiteit te bieden verhogen we de aantrekkelijkheid.  Kwantiteit en maatschappelijke baten van groen; Dit heeft vooral betrekking op de hoeveelheid openbaar groen van voldoende kwaliteit. De normering voor de hoeveelheid openbaar groen voor de kern Grubbenvorst is vastgesteld op tenminste 73,5 m2 per woning.  Duurzaam en milieuvriendelijk te beheren groen: o Zorg voor goede groeiplaatsen van bomen en groen, o Voldoende bovengrondse als ondergrondse groeiruimte; o Nieuwe bomen van voldoende grootte aanplanten (>16-18cm stamomvang) in plantvakken van minimaal 5x5 m; o Geen toepassing meer van chemische middelen.

Hoofdstuk 3

33

Groenstructuurvisie 2020 en Beleidsplan Openbaar Groen 2020 Om richting en focus aan te brengen in de invulling van het openbaar groen op basis van de randvoorwaarden die in het Beleidsplan Openbaar Groen 2020 zijn gesteld, is de Groenstructuurvisie 2020 opgesteld. Een van de belangrijkste doelen is om de integrale samenhang van te behouden de te ontwikkelen groenblauwe structuren in beeld te brengen en af te stemmen op andere opgaves. De groenvoorziening in het openbare gebied in de Gemeente Horst aan de Maas wordt ingedeeld in vier categorieën, te weten hoofdgroenstructuur, groene parels, ondersteunende groenstructuur en nevenstructuur.

Figuur 2.2 Uitsnede kaart gewenste groenstructuur Grubbenvorst (globale ligging plangebied rood omlijnd)

Een van de richtinggevende voorwaarden is de kwantiteitsnorm en de invloeden die deze norm bepalen. Voor de gemeente Horst aan de Maas is uitgegaan van een norm van 35 m2 per inwoner of 73,5 m2 openbaar groen per woning. In de Groenstructuurvisie kan gekeken worden waar de hiaten in de groenstructuur zitten en worden voorstellen gedaan om deze aan te vullen. Verder kan er voor de toekomst een gewenste groenstructuur worden opgezet. Afweging In Grubbenvorst wordt een kwantitatieve norm gehanteerd van minimaal 73,5 m2 aanwezig openbaar groen per woning binnen de bebouwde kom. Het openbaar groen is circa 74 m2 per woning, waardoor er ruim aan de kwantitatieve groen norm wordt voldaan. Kwalitatief is er zorgvuldig over het plan nagedacht, omdat het groen een kernkwaliteit van het plan moet zijn. Langs de westzijde van het plangebied is een brede groenstrook voorzien, die een geleidelijke overgang vormt van de bebouwing in de kern naar het buitengebied. Voor meer informatie en ambities voor het onderhavige woningbouwplan wordt verwezen naar het beeldkwaliteitsplan en paragraaf 4.2 van de voorliggende toelichting.

Hoofdstuk 3

34

3.4.6

Duurzaamheidsprogramma Horst aan de Maas 2020 – 2050

In Horst aan de Maas werken we al jaren aan verduurzaming. Voor het eerst ligt daar nu een beleidsstuk onder dat niet alleen onze acties, maar ook onze lange termijn doelen en onze strategie beschrijft. Onder het motto #WijGaanGroen kijken wij ver vooruit naar 2030 en 2050. In het uitvoeringsprogramma voor de jaren 2020-2022 staat wat we op de korte termijn gaan doen. Focus op vier doelen In dit duurzaamheidsprogramma is gekozen voor een focus op 4 lange termijn doelen 1. Klimaatneutraliteit: In 2050 stoten wij netto geen broeikasgassen meer uit. 2. In 2050 is onze gemeente klimaatbestendig en water robuust ingericht. 3. In 2050 hebben we een duurzaam gedreven, volledig circulaire economie. 4. Biodiversiteit: In 2030 hebben we een natuur-inclusieve economie. Het verlies aan biodiversiteit is omgebogen naar herstel. Onze strategie voor een duurzame toekomst in 7 uitgangspunten De volgende uitgangspunten beschrijven hoe wij onze duurzaamheidsdoelen willen realiseren. 1. Wij nemen onze verantwoordelijkheid en schuiven de rekening niet door. 2. Wij doen het samen. 3. Wij bewaken de sociale rechtvaardigheid. 4. We streven naar de meeste duurzaamheid per euro. 5. Wij geven het goede voorbeeld en communiceren daar over. 6. Wij zoeken actief naar meekoppel-kansen waarmee we meer doelen tegelijk kunnen realiseren. 7.

Wij werken op basis van objectieve gegevens en hanteren bij onzekerheid het voorzorgsbeginsel. Afweging Er is zorgvuldig over het planvoornemen nagedacht. Er is duidelijke sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en goede ruimtelijke ordening. De projectlocatie is klimaat adaptief en water-klaar ingericht, met aantoonbaar maatregelen tegen wateroverlast, droogte en hittestress. Er is sprake van verhoging van natuurwaarde en biodiversiteitsherstel. Nadelige effecten op flora en fauna zijn minimaal. Bouw natuur inclusief en zorg voor voldoende, gevarieerd groen dat duurzaam is te beheren. Er is sprake van een duurzame, circulaire en (bijna) energie-neutrale gebouwde omgeving. Mede nu duurzaamheid een van de kernkwaliteiten van het plan betreft. Voor meer informatie voor het onderhavige woningbouwplan en de groeninrichting wordt verwezen naar het beeldkwaliteitsplan en paragraaf 2.3 en 4.2 van de voorliggende toelichting. 3.4.7

Beleidsplan Duurzaam & integraal Boombeheer + Bomenlegger

De aanleiding voor dit bomenbeleidsplan vindt zijn oorsprong in het groenbeleidsplan van de voormalige gemeente Meerlo-Wanssum en het beleidsplan beheer openbaar groen )BOG) van Horst aan de Maas. Hierin is de noodzaak aangegeven om het beleid rondom bomen verder uit te werken. Bomen zijn immers beeldbepalend en geven een plek een eigen karakter. De doelstelling van dit bomenbeleidsplan is om de visie rondom bomen bestuurlijk vast te stellen en de integrale kwaliteit van bomen in de openbare ruimte te versterken. De kwaliteit zal zich uiten in een duurzaam veilig bomenbestand waarin bomen geen “sta in de weg” zijn maar een waardevol element vormen van de openbare ruimte.

Hoofdstuk 3

35

De gemeente Horst aan de Maas is een plattelandsgemeente. Het landschap heeft grote invloed op het uiterlijke karakter van de gemeente. Een duurzaam boombeheer krijgt alleen gestalte als ook rekening wordt gehouden met andere relevante invloeden. In de analyse spelen daarom de landschappelijke invloeden een grote rol.De juiste boom op de juiste plaats is het motto van dit bomenbeleidsplan. Om hier richting aan te geven zijn de bomen in Horst aan de maas globaal in de volgende drie categorieën ingedeeld:  Milieu & welzijn  Sfeerbomen  Structuurbomen Staat de juiste boom op de juiste plaats? De drie toepassings-categorieën zijn hiervoor als leidraad te hanteren. Iedere categorie heeft zijn eigen specifieke waarde. De functie van bomen, de beschikbare ruimte, zowel boven- als ondergronds zijn vraagstukken die een belangrijke rol spelen bij een duurzaam en veilig bomenbestand. Bomen zijn kwetsbaar en vatbaar voor veranderingen in hun directe omgeving. Tijdens het ontwerp dient rekening gehouden te worden met bomen. Niet alleen voor nieuwe aanplant maar ook voor bestaande bomen. Hoeveel ruimte is er, wat is het toekomstbeeld? Ook bij nieuwbouwprojecten wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van bomen. Veel problemen kunnen immers al op de tekentafel worden voorkomen. Alle gemeentelijk bomen zijn (digitaal) geïnventariseerd en in kaart gebracht.

De bomen in Horst aan de Maas behoren veilig te zijn. Er wordt een gedegen onderhoud uitgevoerd waarbij alle gemeentelijke bomen om de drie jaar visueel gecontroleerd worden op gebreken. Geconstateerde gebreken worden in een zo vroeg mogelijk stadium aangepakt. Ziekten en plagen worden actief bestreden om zo de overlast voor de burger zo klein mogelijk te houden en de kwaliteit van het bomenbestand te waarborgen. Bijzondere en monumentale bomen zijn belangrijk en verdienen extra bescherming. Dit geldt voor zowel de gemeentelijke als de particuliere bomen. De gemeente ondersteunt particulieren bij het onderhouden van hun bezit. Om te bepalen of een boom bijzonder of monumentaal is, worden toetsingscriteria gehanteerd. Bijzondere en monumentale bomen worden opgenomen in het bestemmingsplan. In de algemene plaatsen verordening (APV) is immers opgenomen dat hiervoor in het beginsel geen kapvergunning wordt afgegeven. Afweging Er is zorgvuldig over het planvoornemen nagedacht, Dit is uitgewerkt in een boomeffectenanalyse. Voor meer informatie en ambities voor het onderhavige woningbouwplan wordt verwezen naar paragraaf 2.3 van de voorliggende toelichting.

3.5 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past, met uitzondering van de kaders van het vigerende bestemmingsplan, binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.

Hoofdstuk 3

36

4.

PLANBESCHRIJVING

4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Het initiatief ziet op de realisatie van circa 96 woningen. Het betreft hierbij de realisatie van verschillende type woningen bestaande uit een mix van verschillende woningtypes. De te realiseren woningen lopen uiteen van koop- en huurwoningen in het (middel)dure segment. Het gaat om vrijstaande woningen, tweekappers, starterswoningen, appartementen en levensloopbestendige woningen.

Figuur 5. Uitsnede indicatieve toekomstige indeling plangebied

In totaal betreft het een woningbouwontwikkeling van 96 woningen bestaande uit:  vrijstaande woningen;  levensloopbestendige woningen;  appartementen;  vrije kavels;  tweekappers;  rijwoningen. Het plangebied is gelegen nabij de voormalige tennisclub ‘De Comert’. Het plangebied is omsloten door de Steegakkerweg, Kapelaan Slotsstraat, Irenestraat en de Schoolstraat. Het plangebied wordt ontsloten met een weg (Wilhelminastraat) die aan zal sluiten op de Steegakkerweg.

Hoofdstuk 4

37

De openbare ruimtes worden groen ingericht die doorzicht bieden naar het landschap. De groen inrichting zal attractief, biodivers, klimaatadapatief en gedifferentieerd zijn met bomen en heesters om potenties voor vergroting van natuurwaarden te benutten en om hittestress te voorkomen. In de groene inrichting worden eveneens wadi’s, greppels en duikers aangelegd om wateroverlast te voorkomen. Er worden daarnaast parkeerplaatsen op eigen terrein en in het openbaar gebied gerealiseerd waarbij een norm van 2 parkeerplaatsen per woning wordt gehanteerd.

4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een woningbouwlocatie met maximaal 96 woningen mogelijk. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw passend op deze locatie, gezien de ligging binnen de kern van Grubbenvorst. Verder sluit de bebouwing qua hoogte en opbouw in grote mate aan bij de omliggende stedenbouwkundige structuur. Wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt aansluiting gezocht bij recente bestemmingsplannen voor woningbouw op uitleglocaties in de gemeente Horst aan de Maas. De nieuwe bebouwing zal hierdoor qua situering en maatvoering aansluiten bij de omliggende woningen. De dorpse en landschappelijke elementen maken van Grubbenvorst een vrij gemoedelijk dorp. De Maas is altijd dichtbij; het Maasterras en oude Maasmeander zijn daarvan het ultieme bewijs. Ook de historische en religieuze context met aangrenzende agrarische activiteiten zijn duidelijk voel- en zichtbaar. De natuurlijke ontwikkeling van Grubbenvorst heeft het dorp haar karakteristieke vorm gegeven. Rondom Grubbenvorst zijn een aantal landschappelijk structuren aanwezig met cultuurhistorische betekenis, zoals Huis De Steegh, La Providence, de kerk met het Pastoor Vullinghsplein, de diverse beken en de Maas met haar uiterwaarden.

Deze elementen liggen als losse elementen verspreid in en rondom het dorp en hebben allen groene- en blauwe kwaliteiten. Het plangebied grenst enerzijds aan stedelijk gebied en anderzijds aan het open landschap en vormt in feite een verdere voltooiing van de kern van Grubbenvorst. Een nu nog open deel aan de oostzijde van de Steegerakkerweg wordt hiermee binnen de kern opgevuld. De planvorming van de Comert XL speelt in op deze strategische overgang tussen dorp en landschap. Het wordt niet het louter opvullen van een lege kavel maar het creëren van ene geleidelijke overgang naar het landschap middels groen- en blauwe structuren. Aan de buitenzijde wordt een geleidelijke overgang naar het landschap gecreëerd door middel van opgaande groenstructuren. Het lage gedeelte, dat tevens dienst doet als waterbergend gebied, biedt ruimte aan een bijzonder woonmilieu, dat aangepast is aan de natte omgeving. Kortom, de opzet van het plan sluit hiermee aan op de natuurlijke eigenschappen van de plek. De Comert XL wordt een wijk waarin landschappelijk wonen centraal staat. De ligging van het plangebied aan landgoed De Steegh maakt het mogelijk dat landschappelijke waarden van het buitengebied hier bij elkaar worden gebracht. Het landschap en de verbinding staan centraal. Hierbij putten we inspiratie uit de bestaande situatie en de aanhechting op het aangrenzende landschap.

De stedenbouwkundige structuur borduurt voort op de verkavelingsrichting van het buitengebied.

Hoofdstuk 4

38

Ligt afbuigende wegen laat het zicht door groen begeleiden. Kleine bosschages, houtwallen, hagen, buurtgaarden en waterrijke verlagingen omzomen nieuwe bouwvelden. Het aanwezige reliëf, een centrale laagte in het gebied, biedt kansen voor een unieke ruimte waar natuur en waterberging samenkomt. De aangrenzende groene lijnen creëren tezamen een contramal waar mensen aan diverse groene woonmilieus wonen. Hieronder valt het wonen aan gaarden, wonen aan groene wiggen en een verlaagd broekbosje. De Comert XL wordt hiermee een groene en duurzame leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeting. Middels onderhavig plan wordt kwalitatief hoogwaardige bebouwing ter plaatse van het plangebied gerealiseerd. Dit heeft een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De nieuwbouw is van hoge kwaliteit en zorgt ervoor dat de indeling van het plangebied een samenhangend stedenbouwkundig geheel vormt en goed is ingepast in zijn omgeving. Hierbij is rekening gehouden met de omliggende functies en de functies van de aangrenzende gronden. Ten aanzien van natuur inclusief en circulair bouwen zal voor initiatiefnemers genoeg ruimte zijn om hier zelf mee aan de slag te gaan. Samenvattend worden de volgende speerpunten gehanteerd ten aanzien van de groenblauwe omgevingskwaliteit: 1.

Er is duidelijke sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering en goede ruimtelijke ordening; 2. De projectlocatie is klimaat adaptief en water-klaar ingericht, met aantoonbaar maatregelen tegen wateroverlast, droogte en hittestress; 3. Er is sprake van verhoging van natuurwaarde en biodiversiteitsherstel. Nadelige effecten op flora en fauna zijn minimaal. Bouw natuur inclusief en zorg voor voldoende, gevarieerd groen dat duurzaam is te beheren; 4. Er is sprake van een duurzame, circulaire en (bijna) energie-neutrale gebouwde omgeving. Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.

Hoofdstuk 4

39

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende onderzoeks- en milieuaspecten die aan de orde zijn bij het voorliggend initiatief. Daarbij komen onder meer de volgende aspecten aan bod: milieu (geluid, bodem, bedrijven en milieuzonering, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur), waterhuishouding, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren, kabels en leidingen, duurzaamheid en ecologie.

5.2 Milieuaspecten Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieu en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien de beleidsvelden steeds verder naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden. 5.2.1 Bodem In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient aangegeven te worden of de plaatselijke bodemkwaliteit geschikt is voor de wijziging van de bestemming. Het plangebied is reeds bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’ in het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Er is geen specifieke aanduiding opgenomen die erop toeziet dat de gronden binnen het plangebied gebruikt mogen worden voor woondoeleinden.

Aangezien onderhavige ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies betreffen dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Door BKK Bodemadvies is een verkennend bodemonderzoek 7 uitgevoerd. Het rapport dat naar aanleiding van het onderzoek is opgesteld, is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hierna wordt de conclusie van het onderzoek besproken. Asbest De hypothese ‘asbestonverdacht’ wordt voor de onderzoekslocatie aanvaard. Analytisch onderzoek heeft niet plaatsgevonden aangezien er geen bodemvreemde puinbijmengingen zijn aangetroffen. De bodem kan als asbestonverdacht worden beschouwd.

7

BKK Bodemadvies, Verkennend bodemonderzoek Steegerakkerweg (ong.) te Grubbenvorst, rapportnummer: 230259.BKK, d.d. 16 juni 2023.

Hoofdstuk 5

40

Bodem Boven- en ondergrond In de visueel schone boven- en ondergrond zijn enkele lichte verontreinigingen met PCB, kobalt en/of nikkel aangetoond. Indicatief getoetst aan de regeling bodemkwaliteit voldoet de bovenen ondergrond aan bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde. Grondwater In het grondwater zijn lichte verontreinigingen met kobalt, zink, cadmium, barium en/of xylenen en een matige verontreiniging met nikkel aangetoond. Deze verontreinigingen zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondconcentraties van metalen en xylenen in het grondwater. Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ wordt voor de onderzoekslocatie door de onderzoeksresultaten aanvaard. Ten aanzien van de toekomstige herontwikkelingen zijn er geen belemmeringen. Infiltratie onderzoek Uit de meetresultaten volgens de Constant head-methode blijkt dat op basis van de classificatie in de doorlatendheid de bodemlagen in de ondergrond als goed doorlatend worden beoordeeld. Conclusie Vanuit het aspect ‘bodem’ bestaan er geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen. 5.2.2 Geluid In de Wet geluidhinder wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van (spoor)wegverkeer en gezoneerde industrieterreinen.

Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidzone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen een geluidzone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. Door HMB is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai8 uitgevoerd. Hieronder wordt een samenvatting van het rapport weergegeven. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Uit het onderzoek volgt:  dat de gecorrigeerde gevelbelasting ten gevolge van de Steegerakkerweg hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar wel voldoet aan de ontheffingswaarde. Indien maatregelen om de geluidbelasting tot beneden de voorkeursgrenswaarde te krijgen niet reëel zijn, kan bij het College van B&W ontheffing worden aangevraagd voor een hogere 8

HMB, ‘BP Comert, fase II' Grubbenvorst, kenmerk: 23244601N, d.d. 20 maart 2024.

Hoofdstuk 5

41

 

waarde in het kader van de Wet geluidhinder. De situatie voldoet aan de voorwaarden uit het gemeentelijk beleid aangaande hogere grenswaarden.; dat de nieuw beoogde woningen geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; dat een goed woon- en leefklimaat op de onderzoekslocatie gewaarborgd is.

De Steegakkerweg heeft een verkeersbesluit gekregen waarmee de snelheid terug is gebracht van 80 naar 60. In Q2 van 2024 gaat de rode kleur op het wegdek in en wordt op dat moment de snelheid terug gebracht van 80 naar 60 kilometer per uur. In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgegaan van binnenstedelijke situatie. Dit betekent dat de woningen binnen de bebouwde kom gesitueerd dienen te worden. Door de bebouwde komgrens op te schuiven wordt hieraan voldaan. Hieraan wordt voldaan door het bord bebouwde kom minimaal ter hoogte van de Kapelaan Slotstraat te plaatsen. In het plan zullen er komborden op de nieuw aan te leggen wegen komen, hier wordt geen verkeersbesluit voor genomen. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen. Ten westen van het plangebied loopt op een afstand van ongeveer 4.200 meter de spoorlijn Venlo - Eindhoven. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen. Industrielawaai Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein of bij ontwikkelingen in de nabijheid van bedrijfspercelen dient het aspect industrielawaai betrokken te worden.

In de wijde omgeving rondom het plangebied liggen geen zoneerde industrieterreinen. In paragraaf 5.2.5 (bedrijven en milieuzonering) wordt verder ingegaan op (geluid)hinder als gevolg van de ligging van het plangebied ten opzichte van omliggende bedrijven. Conclusie Er dient een hogere grenswaarde besluit te worden aangevraagd in verband met een overschrijding van de geluidsnormen. Dat de gecorrigeerde gevelbelasting ten gevolge van de Steegerakkerweg hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar wel voldoet aan de ontheffingswaarde. Indien maatregelen om de geluidbelasting tot beneden de voorkeursgrenswaarde te krijgen niet reëel zijn, kan bij het College van B&W ontheffing worden aangevraagd voor een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder. De situatie voldoet aan de voorwaarden uit het gemeentelijk beleid aangaande hogere grenswaarden. Vanuit het aspect ‘geluid’ bestaan er geen belemmeringen voor het onderhavige planvoornemen. 5.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm) staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van

Hoofdstuk 5

42

de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof als NO2. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: a. Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM (artikel 4, lid 1, van het Besluit NIBM); b.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Hiervoor kunnen berekeningen nodig zijn. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

NIBM-grens woningbouwlocaties: 3% criterium: ≤ 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en ≤ 3.000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van maximaal 96 woningen. Hierbij wordt de bovenstaande NIBM-grens bij lange na niet overschreden. De ontwikkeling draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de heersende luchtkwaliteit.

Hoofdstuk 5

43

Achtergrondwaarden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling dient daarnaast te worden beschouwd of de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is om een goed woon- en leefklimaat te kunnen waarborgen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ (2021) is de concentratie fijn stof (PM10) ter plaatse < 18 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM2,5) < 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen 10 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ en voor PM2,5 25 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 40 µg/m³. Volgens de ‘Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland’ is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Conclusie Onderhavig initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast is de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoende voor de beoogde woonfunctie. Vanuit het aspect luchtkwaliteit bestaan kortom geen belemmeringen. 5.2.4 Geurhinder Geurhinder Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).

Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woonen leefklimaat. Daarnaast mogen de omliggende veehouderijen niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. Op 24 juli 2020 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ in werking getreden. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij de verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt:  Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units.  Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units.  Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units.  Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units Woningen zijn geurgevoelige objecten in de zin van de Wgv. Het voorliggende bestemmingsplan maakt hierdoor nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk. Dit betekent dat toetsing aan de geurnormen van nabijgelegen veehouderijen noodzakelijk is.

De gemeente Horst aan de Maas is echter momenteel bezig met de ontwikkeling van een geurgebiedsvisie ten behoeve van de gebiedsontwikkeling Klavertje 4. Deze gebiedsvisie heeft niet alleen betrekking op de omgeving van het Klavertje 4, maar op het gehele grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas. Deze heeft tot 7 mei 2020 ter inzage gelegen. Omdat deze gebiedsvisie en de bijbehorende kaarten een actueel inzicht geven in de huidige situatie omtrent geur, zijn deze gebruikt in de voorliggende toelichting met betrekking tot onderhavig plangebied.

Hoofdstuk 5

44

Toetsing Ter plaatse van de geurgevoelige locaties wordt voldaan aan de gemeentelijke geurverordening, beleidsregel en de Wet geurhinder en veehouderijen. Er zijn geen veehouderijen gelegen in de wijde omgeving van het plangebied. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan dan ook niet beperkt en ter plaatse van de toekomstige geurgevoelige bestemmingen wordt het woon- en leefklimaat gekwalificeerd als voldoende. Conclusie Het aspect ‘geurhinder’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1.

Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied; 2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied.

De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen.

Hoofdstuk 5

45

De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 96 woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. Toetsing Door Kragten is een onderzoek naar bedrijven en milieuzonering 9 uitgevoerd. Hieronder wordt een samenvatting van het rapport weergegeven. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Middels de uitgevoerde beoordeling is inzichtelijk gemaakt met welke richtafstanden bij de invulling van het plan rekening moet worden gehouden. De omgeving van het plangebied is getypeerd als ‘gemengd gebied’. In onderstaande figuur zijn de relevante bestemmingen in de omgeving van het plangebied weergegeven. Tevens zijn de bijbehorende richtafstanden op basis van gebiedstype “rustige woonwijk” weergegeven.

Figuur 6. Ligging plangebied en (bedrijfs)bestemmingen

Aan de gearceerde gebieden zijn op basis van de bestemmingsplannen de volgende bestemmingen toegekend:  M, Maatschappelijk: voor deze functie is maximaal milieucategorie 2 gehanteerd, verminderd met 1 stap;  B – 2, Bedrijf: voor deze functie is maximaal milieucategorie 2 gehanteerd, verminderd met 1 stap;  B – 3.2, Bedrijf: voor deze functie is maximaal milieucategorie 3.2 gehanteerd, verminderd met 1 stap. 9

Kragten, ‘Bedrijven en milieuzonering De Comert II' Grubbenvorst, rapportnummer: 20230531-HVG001-RAP-BMZ 1.0, d.d. 26 oktober 2023.

Hoofdstuk 5

46

Uit bovenstaande figuur blijkt dat de richtafstanden van de gronden met de bestemming Bedrijf aan de noordzijde en Maatschappelijk aan de zuidzijde, met uitzondering van één woning aan de noordzijde van het plangebied, niet reiken tot over de geprojecteerde woningen.

Figuur 7. Richtafstand ten opzichte van woning binnen het plangebied

Geadviseerd wordt om de mogelijkheden te beschouwen om deze woning iets te verplaatsen, zodat deze buiten de richtafstand(en) is gelegen. Indien de woning verplaatst wordt, is voor het volledige plan sprake van voldoende ruimtelijke scheiding en een goed woon- en leefklimaat. Nader milieutechnisch onderzoek naar (het gebruik van) de betreffende gronden is dan niet noodzakelijk. Conclusie Uit de uitgevoerde beoordeling blijkt dat de richtafstanden van de gronden met de bestemming Bedrijventerrein aan de noordzijde en Maatschappelijk aan de zuidzijde, met uitzondering van één woning aan de noordzijde van het plangebied, niet reiken tot over de geprojecteerde woningen. Indien de woning wordt verplaatst is voor het volledige plan sprake van voldoende ruimtelijke scheiding en een goed woon- en leefklimaat. Nader milieutechnisch onderzoek naar (het gebruik van) de betreffende gronden is dan niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 5

47

5.2.6 Externe veiligheid Beleid Het beleid voor externe veiligheid (en diens rechtsopvolger onder Omgevingswet) is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt sinds jaar en dag plaats via het spoor, over de weg en het water. Op 1 april 2015 is de Wet Basisnet in werking getreden. De Wet Basisnet voegt een nieuw hoofdstuk toe aan de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Deze toevoeging omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het Basisnet heeft als doel een evenwicht voor de lange termijn te creëren tussen de belangen van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de hoofdwegen, binnenwateren en de hoofdspoorwegen en de bebouwde omgeving die hierlangs ligt en de veiligheid van omwonenden. Het Basisnet stelt verder regels aan het vaststellen en beheersen van de risico's voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (vervoerskant). Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10 -6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de orientatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

In het Bevi, het Bevb en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Hoofdstuk 5

48

(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants 10. Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 96 woningen. Derhalve voorziet onderhavig plan in de realisatie van kwetsbare objecten. Er dient zodoende een toetsing aan het aspect externe veiligheid plaats te vinden. Toetsing Met behulp van de risicokaart kan een eerste indruk van de risicobronnen in de omgeving van een plangebied worden gemaakt. In onderstaande figuur is een uitsnede weergegeven van de risicokaart.

Figuur 8. Uitsnede risicokaart ligging globale ligging plangebied blauw omlijnd

Transport Op ruim 1,3 kilometer ten westen van het plangebied is de rijksweg A73 (1) gelegen. Via deze transportroute, die onderdeel uitmaakt van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Het wegvak waar gevaarlijke stoffen over vervoerd worden is wegvak L87: afrit 11 (Horst) – afrit

10

Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen

Hoofdstuk 5

49

12 (Grubbenvorst). Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van stofcategorie GT4. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën: LF1, LF2, LT1, LT2, GF1, GF2, GF3, GT3, GT4 en GT5. Gelet op de gevaarlijke stoffen die over deze weg worden vervoerd heeft deze weg een invloedgebied van 4000 meter aan weerszijden. De afstand tot de A73 bedraagt circa 2,1 kilometer. De ontwikkellocatie ligt binnen het invloedgebied van deze weg. Het risicobepalende scenario is het vrijkomen van een toxische plas en een toxische wolk. Daarnaast is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van de Maas. Over deze vaarweg worden gevaarlijke stoffen vervoerd van de categorieën: LF1, LF2, LT1, GF3 en GT3. Gelet op de gevaarlijke stoffen die over deze vaarweg worden vervoerd heeft deze weg een invloedgebied van 1070 meter aan weerszijden. Het plangebied is gelegen op circa 950 meter van de Maas. De ontwikkellocatie ligt binnen het invloedgebied van deze vaarweg. Het risicobepalende scenario is het vrijkomen van een toxische wolk. Gelet op de afstand tussen de ontwikkellocatie en de Maas kan worden volstaan met een beperkte verantwoording. Hogedruk aardgastransportleidingen In de nabijheid van het plangebied zijn diverse buisleidingen (2 en 3) aanwezig.

De afstand vanaf de grens van het plangebied tot de meest nabijgelegen hogedruk aardgastransport-leiding bedraagt circa 2.200 meter. Gezien de afstand worden er geen belemmeringen verwacht. Een kwantitatieve risicoanalyse en een verantwoording van het groepsrisico is niet nodig. Inrichtingen Op circa 480 meter ten noordwesten van het plangebied is een visvereniging gelegen (H.S.V. ’t Voorntje). De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege de opslag van een bovengrondse propaantank (1x 8.000 liter). Er is een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar aanwezig op 25 meter afstand van elke bron. Voor de inrichting is geen invloedsgebied vastgesteld, zodat er geen sprake is van een groepsrisico. De inrichting vormt hiermee geen belemmering voor het plangebied. Op circa 590 meter ten westen van de grens van het plangebied ligt OK Tankstation. De inrichting is op de risicokaart vermeld vanweg de aanwezigheid van een LPG-vulpunt. Er is een plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jaar aanwezig op 55 meter afstand van elke bron. Voor de inrichting geldt een invloedsgebied van 150 meter. De inrichting is gelegen op meer dan 150 meter. De inrichting vormt hiermee geen belemmering voor het plangebied. Overige inrichtingen op meer dan 1 kilometer van het plangebied zijn niet relevant.

Beperkte verantwoording groepsrisico Nu de ontwikkellocatie gelegen is binnen het invloedgebied van de A73 en de Maas dient er invulling gegeven te worden op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp.

Hoofdstuk 5

50

De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft een standaardadvies opgesteld dat bij het ontwikkelen van ruimtelijke plannen gebruikt kan worden indien er alleen sprake is van een toxisch scenario. Het standaardadvies is uniform toepasbaar op alle situaties die binnen de criteria van het standaardadvies toxisch liggen. Door het advies als basis te gebruiken bij de wettelijk verplichte verantwoording van het groepsrisico, is de weging van de zelfredzaamheid van de aanwezige personen bij de ontwikkeling geborgd. Het doel van de te nemen maatregelen is het bieden van voldoende bescherming aan mensen binnenshuis. Bij dit project is alleen sprake van een toxisch scenario en daarmee valt het onder de criteria voor het toepassen van het standaardadvies. Wanneer voor ventilatie een installatie nodig is, plaats dan op een makkelijk te bereiken plaats, een noodknop waarmee de installatie uitgezet kan worden zodat er geen ventilatielucht meer van buitenaf wordt ingebracht. De noodknop kan bijvoorbeeld in de meterkast of bij een brandmeldinstallatie worden geplaatst. Daarnaast moeten jullie communiceren naar de bewoners: een noodkaart met de volgende instructies:  

Maak de gebruikers bewust van de risico’s en het handelingsperspectief: binnenblijven, ramen en deuren sluiten en mechanische ventilatie uitzetten. Indien gebouwen geheel of gedeeltelijk zijn voorzien van natuurlijke ventilatie is het advies om naar een ruimte te gaan waar ramen en deuren gesloten kunnen worden en de mechanische ventilatie uitgezet kan worden.

Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.2.7 Milieueffectrapportage Toets m.e.r.-plicht In het plangebied vindt woningbouw plaats in de vorm van maximaal 96 woningen. Deze activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Toets m.e.r.-beoordelingsplicht In bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage is aangegeven bij welke activiteiten, plannen en besluiten een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden, dat wil zeggen een nadere afweging of mogelijk een m.e.r. procedure moet worden gevolgd. De voorgenomen ontwikkeling van 96 woningen valt onder onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. in de categorie D11.2: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien sprake is van een oppervlakte van 100 hectare of meer, de ontwikkeling een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer omvat, of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. Deze drempelwaarden worden bij de voorliggende ontwikkeling bij lange na niet overschreden.

Hoofdstuk 5

51

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. In deze paragraaf wordt getoetst of op basis van de criteria die genoemd zijn in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Het gaat hierbij om de volgende criteria (zie ook onderstaande tabel): 1. De kenmerken van het project; 2. De plaats van het project; 3. De kenmerken van het potentiële effect. Tabel: Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling Kenmerken van het project      

Omvang van het project Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën

Plaats van het project   

Bestaand grond gebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14193896/1