CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting

Gemeenteraad 18 juni 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan ComertXL.26.740 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Vastgesteld bestemmingsplan Comert XL, Grubbenvorst NL.IMRO.1507.BPGRDECOMERTXL-BPV1

Bestemmingsplan ‘De Comert XL’ fase 2 te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Vastgesteld

Rapportnummer:

P06350

Idn nr.

NL.IMRO.1507.BPGRDECOMERTXL-BPV1

Datum:

april 2024

Opdrachtgever:

Gemeente Horst aan de Maas

Projectteam BRO:

ROs, JEn, DEe

Trefwoorden:

Woningbouw, De Comert XL, fase 2, Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 3

Beknopte inhoud:

Bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van maximaal 96 woningen aan De Comert te Grubbenvorst (gemeente Horst aan de Maas).

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

4 4 6 6 7

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Ruimtelijke structuur 2.2 Functionele structuur 2.3 Relatie beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan en stedenbouwkundig ontwerp 2.4 Boomeffectenanalyse

8 8 9 10 13

3.

BELEID 3.1 (Europees) en Rijksbeleid

15 15

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) 3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) 3.1.5 Wet milieubeheer 3.2 Provinciaal beleid

15 16 17 17 18 19

3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 3.2.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) 3.3 Regionaal beleid

19 21 22 24 25

3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 3.3.2 Woondeal Limburg 3.4 Gemeentelijk beleid

25 27 28

3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ 3.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021 - 2025 3.4.3 Welstandsnota 3.4.4 Nota Parkeernormen Horst aan de Maas 3.4.5 Gemeentelijk groenbeleid 3.4.6 Duurzaamheidsprogramma Horst aan de Maas 2020 – 2050 3.4.7 Beleidsplan Duurzaam & integraal Boombeheer + Bomenlegger 3.5 Conclusie

28 30 32 32 33 35 35 36

PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan 4.2 Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

37 37 38

4.

Inhoudsopgave

1

5.

6.

SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding 5.2 Milieuaspecten

40 40 40

5.2.1 Bodem 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Geurhinder 5.2.5 Bedrijven en milieuzonering 5.2.6 Externe veiligheid 5.2.7 Milieueffectrapportage 5.3 Waterparagraaf 5.4 Kabels en leidingen 5.5 Ecologie 5.6 Archeologie en cultuurhistorie

40 41 42 44 45 48 51 56 61 61 66

5.6.1 Archeologie 5.6.2 Cultuurhistorie 5.7 Verkeer en parkeren 5.8 Duurzaamheid 5.9 Gezondheid

66 67 67 68 68

5.9.1 Endotoxinen 5.9.2 Geitenhouderij 5.9.3 Spuitzones 5.10 Niet gesprongen explosieven

68 69 69 69

UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

71 71 71 72

7. JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels

74 74 74 74

7.3.1 Algemeen 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels

74 75

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 2: Stedenbouwkundig ontwerp Bijlage 3: Boom Effect Analyse Bijlage 4: Ladderonderbouwing Bijlage 5: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 6: Verkennend bodemonderzoek Bijlage 7: Bedrijven en milieuzonering Bijlage 8: Infiltratieonderzoek

Inhoudsopgave

2

Bijlage 9: Quickscan flora en fauna Bijlage 10: Stikstofdepositieonderzoek Bijlage 11: Archeologisch onderzoek Bijlage 12: Onderzoek niet gesprongen Explosieven Bijlage 13: Omgevingsdialoog Bijlage 14: Rioleringsadvies Bijlage 15 Programma van eisen

Inhoudsopgave

3

1.

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan De gemeente Horst aan de Maas is voornemens om een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken nabij de voormalige tennisclub ‘De Comert’. Het plangebied is gelegen binnen de kern van Grubbenvorst aan de noordwestzijde van de kern van Grubbenvorst. Het beoogde woningbouwplan omvat de realisatie van verkeersvoorzieningen, parkeervoorzieningen, openbaar groen en maximaal 68 grondgebonden woningen en 28 appartementen.

Figuur 1. Uitsnede topografische kaart Nederland globale ligging plangebied rood omlijnd

Het onderhavige planvoornemen is een vervolg op De Comert fase 1. De Comert fase 1 is reeds afgerond. In het onderhavige bestemmingsplan wordt uitvoering gegeven aan De Comert fase 2.

Hoofdstuk 1

4

Figuur 1.1 Uitsnede indicatieve toekomstige indeling plangebied

Het plangebied valt onder de werking van het bestemmingsplan ‘Maaskernen’ vastgesteld op 3 februari 2009. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is het plangebied aangewezen tot ‘Agrarisch’. Deze bestemming staat de beoogde inrichting van het plangebied tot woningbouw niet toe. De beoogde woningbouwontwikkeling, alsmede de diverse infrastructurele voorzieningen zijn derhalve op basis van het vigerend bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied niet toegestaan. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk (conform artikel 3.1 Wro). In het voorliggende bestemmingsplan wordt zodoende de nieuwe bestemming voor de gronden wettelijk geregeld. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en onderhavige toelichting.

Hoofdstuk 1

5

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de noordwestzijde van de kern van Grubbenvorst. De locatie is gelegen binnen de kern van Grubbenvorst van de gemeente Horst aan de Maas, maar grenst tegen het buitengebied aan van Horst aan de Maas. Het plangebied voor de circa 96 woningen en openbare ruimte is gesitueerd op de locatie kadastraal bekend als gemeente Grubbenvorst, Sectie C, nummers 6735, 5865, 5864, 3201, 5873, 6376 en 5872. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 30.000 m².

1.3 Vigerend bestemmingsplan Bestemmingsplan ‘Maaskernen’ Binnen het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Maaskernen’ (vastgesteld op 3 februari 2009). Op grond van het vigerende bestemmingsplan is het plangebied hoofdzakelijk aangewezen tot ‘Agrarisch’. Er loopt een weg door het plangebied (Wilhelminastraat) met de enkelbestemming ‘Verkeer’. Daarnaast geldt voor een gedeelte van het plangebied een dubbelbestemming ‘Archeologisch waardevol gebied’. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor duurzaam agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik. De gronden zijn mede bestemd voor, wegen, paden en perceelsontsluitingen,

Figuur 1.2 Uitsnede kadastrale kaart ligging plangebied rood omlijnd

Hoofdstuk 1

6

water en voorzieningen voor de waterhuishouding en openbare nutsvoorzieningen met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ontsluitings- en parkeervoorzieningen. De beoogde ontwikkeling is daarmee niet rechtstreeks toegestaan volgens het vigerende bestemmingsplan. Het bestemmingsplan laat het initiatief niet toe en er zijn geen afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden opgenomen waarmee de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied mogelijk kunnen worden gemaakt. Derhalve is het besluit genomen om het voorliggende nieuwe bestemmingsplan op te stellen.

Figuur 1.3 Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Maaskernen' ligging plangebied rood omlijnd

1.4 Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In het volgende hoofdstuk vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 3 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie en wordt tevens ingegaan op het wettelijke onderzoekskader. Hoofdstuk 4 beschrijft vervolgens de gewenste ruimtelijke en stedenbouwkundige ontwikkeling. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 komt de uitvoerbaarheid van het plan aan de orde. In hoofdstuk 7 is tot slot de wijze van bestemmen opgenomen.

Hoofdstuk 1

7

2.

BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED

2.1 Ruimtelijke structuur In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit een akkerbouwperceel. Er zijn geen houtopstanden of gebouwen aanwezig binnen het plangebied. Het plangebied is gelegen nabij de voormalige tennisclub ‘De Comert’ omsloten door de Steegakkerweg, Kapelaan Slotsstraat, Irenestraat en de Schoolstraat. Ten westen grenst het plangebied aan het buitengebied met agrarische gronden en gedeeltelijk aan woonpercelen. Ten noorden grenst het plangebied aan (nieuw te bouwen) woningen en daarachter is een klein bedrijventerrein gelegen. Het zuiden van het plangebied grenst aan bestaande woningen gelegen aan de Schoolstraat. Verder grenst de zuidzijde van het plangebied aan woonpercelen. Tot slot grenst het oostelijke gedeelte van het plangebied aan zowel woonpercelen als een maatschappelijke bestemming (een gemeenschapshuis ’t Haeren).

Figuur 2.1 Uitsnede luchtfoto ligging beoogde bebouwing plangebied rood omlijnd

Hoofdstuk 2

8

2.2 Functionele structuur Onderhavig plangebied grenst in zuidoostelijke richting direct aan de kern Grubbenvorst. Grubbenvorst is een maasdorp dat zich bevindt in de gemeente Horst aan de Maas. Het plangebied grenst aan westelijke zijde direct aan het buitengebied van Horst aan de Maas. In het buitengebied rondom de kern zijn voornamelijk agrarische bedrijven en landbouwgronden gelegen. Momenteel wordt het overgrote deel van het perceel gebruikt voor de akkerbouw.

Figuur 2.2 Uitsnede aanzicht plangebied vanaf de Steegakkerweg

Figuur 2.3 Uitsnede aanzicht plangebied vanaf de Steegakkerweg, met centraal de Wilhelminastraat (oude veldweg)

Hoofdstuk 2

9

2.3 Relatie beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan en stedenbouwkundig ontwerp Het bestemmingsplan vormt een juridische verankering van het stedenbouwkundig ontwerp inclusief een toelichting op de planvorming. Het stedenbouwkundig ontwerp is het gewenste eindbeeld voor de ontwikkeling. Naast het bestemmingsplan, waarin het stedenbouwkundig ontwerp is afgebeeld (hiervoor wordt nader verwezen naar figuur 1.1 uitsnede van de indicatieve schets), is een beeldkwaliteitsplan1 en stedenbouwkundig schetsontwerp 2 opgesteld, dat door de gemeenteraad gelijktijdig met het bestemmingsplan zal worden vastgesteld als onderdeel van de Welstandsnota. Dat document zal fungeren als welstandstoetsingskader voor de vergunningsaanvragen voor deze locatie. Voor de woningen en de openbare ruimte zijn hierin regels opgenomen om het gewenste eindbeeld te realiseren. Samenvattend willen wij de volgende kaders meegeven als uitgangspunt voor de ontwikkeling: 1. Een goede stedenbouwkundige en landschappelijke afronding van de Comert fase 1. De woningbouwontwikkeling leidt tot een duidelijke ruimtelijke kwaliteitsverbetering van de dorpsrand, aansluitend op de karakteristiek van Grubbenvorst. Ontwikkel een buurtje met ‘eigenheid’. 2. Het realiseren van een klimaat- en waterrobuuste buurt, waarbij zichtbaar maatregelen tegen wateroverlast, droogte en hittestress zijn genomen.

Voldoen aan wateropgave en gemeentelijke bergings- en leegloopeisen. a. Reservering waterberging 100mm x aantal m2 verhard oppervlak (bebouwing en verharding) b. Infiltratie- en bergingsvoorzieningen in het plan dimensioneren op 100 mm per etmaal met een beschikbaarheid van de gehele berging binnen 24 uur. c. Voldoende opvangcapaciteit en een duurzame leegloop realiseren. 3. Het inrichten van een landschappelijk ingerichte buurt, met voldoende, gevarieerd en biodivers groen. a. Groennorm kwantitatief: minimaal 73,5 m2 per woning (96 x 73,5 = 7.056 m2). Het project realiseert meer groen dan de eis voorschrijft. De totale realisatie van openbaar groen zit in een bandbreedte van 7.100 m2 tot 7.780 m2 openbaar groen, waarbij het plan voldoet aan de gestelde kwantitatieve groennorm; b. Groennorm kwalitatief: aantrekkelijk, duurzaam, biodivers en goed te beheren; c. Ruimtereservering voor een landschappelijke zone/ groenzone langs de Steegakkerweg om een groene dorpsrand te kunnen realiseren. Daarbij behoud Steegakkerweg als hoofdgroenstructuur. d. De onverharde, oude veldweg, in het verlengde van de Wilhelminastraat, opwaarderen als fiets-/ wandelpad naar het buitengebied en als landschappelijke drager van de buurt. e. Behoud van de bestaande, beeldbepalende boom (noot). Huidige conditie is goed.

Kosten voor een Boomeffectanalyse (BEA) in de planvorming meenemen op verzoek boombeheerders. 4. Het realiseren van een duurzame gebouwde omgeving: (bijna) energieneutraal, circulair en natuur inclusief.

1 2

MTD Landschapsarchitecten, ‘Beeldkwaliteitsplan De Comert ll, Grubbenvorst’, kenmerk: 3561.02, d.d. september 2023. MTD Landschapsarchitecten, ‘Stedenbouwkundig schetsontwerp De Comert ll, Grubbenvorst’, kenmerk: 3561, d.d. april 2023.

Hoofdstuk 2

10

De Comert XL wordt een wijk waarin landschappelijk wonen centraal staat. De ligging van het plangebied aan landgoed De Steegh maakt het mogelijk dat landschappelijke waarden van het buitengebied hier bij elkaar worden gebracht. Het landschap en de verbinding staan centraal. Hierbij putten we inspiratie uit de bestaande situatie en de aanhechting op het aangrenzende landschap. De stedenbouwkundige structuur borduurt voort op de verkavelingsrichting van het buitengebied. Ligt afbuigende wegen laat het zicht door groen begeleiden. Kleine bosschages, houtwallen, hagen, buurtgaarden en waterrijke verlagingen omzomen nieuwe bouwvelden. Het aanwezige reliëf, een centrale laagte in het gebied, biedt kansen voor een unieke ruimte waar

Figuur 2.4 Beeldkwaliteit openbare ruimte

natuur en waterberging samenkomt. De aangrenzende groene lijnen creëren tezamen een contramal waar mensen aan diverse groene woonmilieus wonen. Hieronder valt het wonen aan gaarden, wonen aan groene wiggen en een verlaagd broekbosje. De Comert XL wordt hiermee een groene en duurzame leefomgeving die uitnodigt tot ontmoeting. Het gebied is opgedeeld in 3 raamwerken. Deze drie raamwerken worden als volgt gekenmerkt.

Hoofdstuk 2

11

Buurtgaard

Figuur 2.5 ruimtelijk raamwerk

De centrale ruimte binnen de Comert XL wordt gevormd door een buurtgaard. Dit is een herinnering aan de gaard die zich hier in de loop van de vorige eeuw heeft afgetekend. De gaard is een eigentijdse interpretatie, de bomen zijn niet vruchtdragend (Prunus japonica), mede vanwege de parkeerfunctie in sommige delen. Naast de parkeerfunctie is het een aangename groene zone tussen de bouwvelden en biedt het ook een plek voor de inpassing van een appartementenblok. Groenblauwe lijnen De hoofdontsluiting wordt gesitueerd langs de groene wiggen. De grasvlakken worden extensief beheerd met her en der een doorkruising door halfverharde paden en parkeervakken. De parkeervakken worden geclusterd in groepjes van ca. 5 tot 8 plekken. Hierna ontstaat er een groene onderbreking waar ruimte is voor opgaande groenstructuren. Hierbij gelden soorten als berk, els, wilg en meidoorn. Ook het toepassen van notenbomen zoals walnoot is denkbaar en een aangename aanvulling op de walnoot die zich in het gebied bevindt. Broekbosje Het broekbos kent een natuurlijk uitstraling en karakter. Water uit de groene wiggen kan hier samenvloeien in de natuurlijke laagte. Het elzenbroekbos kent een natte ondergrond met vochtminnende soorten uit de Elzenbroekbossen. De boomlaag zal bestaan uit zomereik, ruwe en zachte berk en zwarte els. In de struiklaag is ruimte voor sporkehout, wilde lijsterbes en boswilg.

De onderlaag zal gelang de waterstand bestaan uit een kruid- en moslaag. Op deze manier kent de Comert XL naast een esthetische groenstructuur ook een natuurlijke zone, een bosje dat onderdeel uitmaakt van de overgang van dorp naar landschap. Voor de volledige kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de groennormen wordt verwezen naar het beeldwaliteitsplan in de bijlagen bij deze toelichting. Het raamwerk dat ten grondslag ligt van de Comert XL garandeert een groen raamwerk waarin de bouwvelden een vanzelfsprekende plek krijgen. Ook de strategische ligging tussen dorp en landelijk gebied geeft het gebied een groen karakter. In navolging van dit gegeven worden de

Hoofdstuk 2

12

erfafscheidingen bij voorkeur als groene overgangen vormgegeven. Dit betekent dat kavels welke een prominente plek hebben in het plan en de erfgrenzen die de openbare ruimte begeleiden worden voorzien van een groene erfafscheiding. De overige grenzen krijgen bij voorkeur een groene erfscheiding, maar is geen verplichting. De bouwvelden krijgen, met uitzondering van het appartementenblok, een lage haag aan de voorzijde (ca. 0.70m). Deze kan bestaan uit een beukenhaag, veldsesdoorn of liguster, of een soortgelijkse inheemse haag. De tuinen en overhoekse gevels, welke contact hebben met de publieke ruimte, krijgen ook een haag van ca. 0.70m hoog. Hiertoe worden ook de hoekkavels die grenzen aan de openbare ruimte voorzien van een lage haag. De haag blijft laag tot en met de helft van de zijgevel, de overige overgangen van de zijdelingse perceelsgrenzen hebben een hoogte van ca. 1.80m. Deze kan bestaan uit een hoge haag of hekwerk met begroeiing. Dit geldt zowel voor de erfgrenzen aan de zijkant van de tuin, alsook aan de achterkanten van de tuin waar die grenzen aan de openbare parkeervoorzieningen. Met name voor de achterkant van de tuinen is het van belang dat eventuele bouwkundige onderdelen zoals schuurtjes en poorten op een hoogwaardige manier, zowel qua architectuur als materiaalgebruik, worden uitgevoerd. De omzoming van de het appartementenblok is natuurlijk van karakter.

Hier wordt de buurtgaard omzoomt door een mix aan heesters (gemixte doorschoten boeren erfafscheiding) waar soms een boom doorheen schiet. De onderhoudsplicht wordt toegeschreven de vve van het appartementenblok. De groene omzoming zorgt voor een besloten gaard, maar anderzijds een groene afscherming voor de inzameling van huisafval.

2.4 Boomeffectenanalyse Door geurts boom en groen is er een Boom Effect Analyse3 opgesteld ten behoeven van de aanwezige walnootboom binnen het plangebied, die ingepast dient te worden in het nieuwe plan. De BEA ( boom effect analyse) is een beoordeling of voorgenomen werkzaamheden invloed hebben op de boom in de nabijheid. Met behulp van 12 ‘ bouwstenen’ wordt volgens een vast patroon informatie verzameld. We geven aan wat er nodig is om de boom in goede conditie te houden. Tijdens en na de werkzaamheden. Zodat de huidige kwaliteit van de boom behouden blijft of kan worden verbeterd. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten uit de BEA weergegeven, voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. De voorgenomen werkzaamheden zullen enige negatieve gevolgen voor de boom kunnen hebben. De groeiruimte wordt in de nieuwe situatie kleiner. Deze groeiruimte kan meestal wel goed ingericht worden doormiddel van grondverbetering, voldoende toevoer van hemelwater en voldoende zuurstof. Al deze maatregelen zullen alleen effect hebben als de boom de werkzaamheden goed doorstaat. In de randvoorwaarden is te lezen welke maatregelen er minimaal nageleefd dienen te worden om de boom in goede conditie te houden. Alleen dan is het mogelijk de boom te behouden. Is het door de gemaakte plannen niet mogelijk om aan de minimale randvoorwaarden te voldoen.

Dan is de kans van behoud van de walnoot minimaal. De negatieve effecten zullen dan na enige jaren al zichtbaar zijn. Verplanting van deze boom is waarschijnlijk niet mogelijk. Een walnoot is een slecht te verplanten boom door zijn vlezige wortels. Ook is de aanwezigheid van de penwortel groot. 3

Geurts boom & groen, Boom Effect Analyse Wilhelminastraat Grubbenvorst 2023, d.d. mei 2023.

Hoofdstuk 2

13

Het advies is om de groeiplaats (kroonprojectie) te verbeteren. Door voedingspijlers te boren binnen de krooiprojectie en deze te vullen met dominante humus compost zal de boom haarwortels aanmaken die de opname van voeding en vocht zullen vergroten. Eventuele wortels die toch verloren gaan tijdens de werkzaamheden worden zo gecompenseerd. Dit dient vóór de werkzaamheden in het groeiseizoen ( maart/ sept) uitgevoerd te worden. Naast de voedingspijlers zal vocht en zuurstof op pijl gehouden moeten worden. Werkzaamheden dienen minimaal door een ETW’er uitgevoerd te worden. Na de werkzaamheden rond om de boom zal de bodem binnen de kroonprojectie afgestrooid kunnen worden met een strooisel laag van compost om het bodemleven de stimuleren. Onderbeplanting aanbrengen zal bijdragen aan de zuurstof huidhouding. Indien regenwater van de bestrating afgewaterd kan worden naar de boom is dit ook een bijverdiensten voor de boom. Ook na de werkzaamheden zullen vocht en zuurstof op pijl gehouden dienen te worden. Conclusie Gelet op het advies uit de BEA, is hier binnen het planvoornemen rekening mee gehouden. Derhalve vormt de aanwezige boom geen belemmering voor het planvoornemen.

Hoofdstuk 2

14

3.

BELEID

In dit hoofdstuk zal aandacht worden besteed aan het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid (respectievelijk § 3.2, § 3.3, § 3.4 en § 3.5). Bij het rijksbeleid wordt onder andere ingegaan op de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Voor het provinciaal beleid wordt onder andere gebruik gemaakt van Provinciale Omgevingsvisie 2021 (POVI), een overkoepelend beleidsstuk. In het kader van het regionaal beleid wordt onder andere ingegaan op de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. In het kader van het gemeentelijk beleid wordt ingegaan op diverse relevante gemeentelijke beleidsstukken, waaronder de Structuurvisie Horst aan de Maas.

3.1 (Europees) en Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (behalve paragraaf 4.9). De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen:

Hoofdstuk 3

15

1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaat-bestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17.

Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agro-productie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (in-ter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Onderhavige ontwikkeling is dermate kleinschalig dat geen nationale belangen in het geding zijn. De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd.

Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam, de uitoefening van defensietaken,

Hoofdstuk 3

16

veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Afweging Op dit bestemmingsplan werken geen van de genoemde rijksbelangen rechtstreeks door. In het plangebied is verder ook geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Het plan is dan ook in lijn met het Barro. 3.1.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) is gebaseerd op het Barro. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen en objecten, hoofdwegen en NNN-gebieden worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven. Als gevolg van de gewijzigde regelgeving beslaat het radarverstoringsgebied behorende bij de radar op de militaire vliegbasis Volkel ook de gemeente Horst aan de Maas. Afweging Aangezien onderhavig bestemmingsplan echter geen windturbines of andere bouwwerken hoger dan 114 meter toestaat vormt de ligging binnen het radarverstoringsgebied geen belemmering.

3.1.4 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: ‘De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Uit de jurisprudentie4 komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn. Per 1 juli 2017 is een gewijzigde ladder in werking getreden.

Hierin is de tekst van de ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien’ (artikel 3.1.6 lid 2 Bro).

4

o.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319)

Hoofdstuk 3

17

Afweging Het voorliggende bestemmingsplan maakt de toevoeging van maximaal 96 woningen mogelijk. Het toevoegen van maximaal elf woningen is in lijn met de uitspraak 5 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Bij het voorliggende initiatief wordt deze ondergrens overschreden, waardoor sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook vereist. Door BRO is een laddertoets6 uitgevoerd. Onderstaand wordt de conclusie uit deze toets weergegeven. Het volledig rapport is als separate bijlage bij onderhavige toelichting toegevoegd. De ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking:  Het initiatief voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte.  De locatie valt binnen bestemming ‘Agrarisch’ en heeft formeel geen stedelijke functie. De locatie is echter wel omsloten door stedelijke functies (wonen en bedrijvigheid). Transformatie naar wonen is een logische afronding van het stedelijk gebied. Bovendien zijn er elders in de kern Grubbenvorst weinig tot geen alternatieve locaties beschikbaar.

 Het is niet de verwachting dat er als gevolg van het initiatief onaanvaardbare leegstandseffecten zullen optreden. De woningbehoefte is immers dusdanig groot dat ook na het realiseren van het planinitiatief behoefte blijft bestaan voor nieuwe woningen. 3.1.5 Wet milieubeheer In artikel 7.2, lid 1 van de Wet milieubeheer is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten worden aangewezen: a. Die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu; b. Ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In lid 2 van hetzelfde artikel zijn als activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. In artikel 2, lid 5, aanhef en onder b.

van het Besluit milieueffectrapportage, is vastgelegd dat de m.e.r.-beoordelingsplicht ook geldt voor plannen die weliswaar vallen onder een van de in onderdeel D genoemde activiteiten, maar waarbij het project valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in onderdeel D, indien: ‘op grond van selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de

5 6

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017. BRO, Ladder voor Duurzame verstedelijking De Comert XL fase 2, projectnr.: P06350, d.d. 8 november 2023.

Hoofdstuk 3

18

EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben’. Afweging De afweging met betrekking tot de m.e.r.-(beoordelings)plicht van dit bestemmingsplan, is opgenomen in paragraaf 5.2.7.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. In de periode 7 september 2020 tot en met 18 oktober 2020 heeft de provincie Limburg een ontwerp provinciale omgevingsvisie ter inzage gelegd: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg.’ Dit document is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg is op 1 oktober 2021 vastgesteld door Provinciale Staten en vervangt het ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014).’ De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. Daarnaast is reeds een omgevingsverordening vastgesteld op 17 december 2021 om het beleid juridisch te verankeren. Deze wordt verder behandeld onder paragraaf 3.3.3. De inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening is gelijk aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2024. Tot die tijd blijft de huidige Omgevingsverordening van kracht.

Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie. Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt daarnaast een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen:  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;

Hoofdstuk 3

19

Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg.

Het thema dat in het kader van onderhavig geval hoofdzakelijk van toepassing is betreft het aspect ‘Wonen en leefomgeving’. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen.

Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Leefomgeving Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf. Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied.

Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogtes) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Afweging De provinciale Omgevingsvisie is het richtinggevende kader op hoofdlijnen omtrent wonen. Omdat de woonbehoeften snel veranderen, en omdat er lokale en regionale verschillen zijn in de opgaven wat betreft wonen en leefomgeving, zijn er meer gerichte uitwerkingen in provinciale,

Hoofdstuk 3

20

regionale en/of gemeentelijke programma’s en instrumenten (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.4 en 3.5). Onderhavig plan voorziet in de realisatie van maximaal 96 woningen op gronden die zijn gelegen binnen de kern van Grubbenvorst. Hiermee worden kwalitatief hoogwaardige woningen toegevoegd aan de huidige woningvoorraad (in diverse woningbouwsegmenten), waardoor wordt bijgedragen aan de noodzakelijke transformatie van de woningmarkt. Daarnaast voldoet onderhavig plan aan de ladder voor duurzame verstedelijking (zie hiertoe de uiteenzetting in paragraaf 3.2.4.) en is de ontwikkeling in lijn met de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 20202024’ en het gemeentelijk ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’. De beoogde ontwikkeling is dan ook in lijn met de principes, zoals beschreven in de ‘Provinciale omgevingsvisie’. 3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014 De Omgevingsverordening Limburg 2014 is op 12 december 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid van het POL2014 juridische binding te geven. Het POL2014 is inmiddels vervangen door de POVI, welke is beschreven onder paragraaf 3.3.1. Nu de inwerkingtreding van de nieuwe Omgevingsverordening gelijk is aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet: 1 januari 2024 blijft tot die tijd de huidige Omgevingsverordening 2014 van kracht.

In dat kader zal deze ten behoeve van het onderhavige bestemmingsplan tevens worden meegenomen. Hoofdstuk 2 ‘Ruimte’ In artikel 2.2.2 ‘duurzame verstedelijking’ is ladder voor duurzame verstedelijking van toepassing verklaard op ruimtelijke plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken. In het kader van onderhavig plan is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hiertoe heeft in paragraaf 3.1.4 reeds een afweging plaatsgevonden. In artikel 2.4.2 ‘wonen’ is omschreven dat een ruimtelijk plan in de regio Noord-Limburg niet mag voorzien in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Verder geldt dat de toelichting van een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op het toevoegen van woningen aan de bestaande voorraad woningen alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen, een verantwoording dient te bevatten van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bovenstaande. De toelichting bij het ruimtelijk plan dient tevens een verantwoording te bevatten van de bijdrage die met de vaststelling van dat ruimtelijk plan wordt geleverd aan de regionale opgave gericht op het terugdringen van de planvoorraad van nog onbenutte bouwmogelijkheden voor woningen.

De gemeente Horst aan de Maas heeft een regionale structuurvisie vastgesteld in de vorm van de 'Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg'. In paragraaf 3.3.1 wordt hier nader op ingegaan. Milieubeschermingsgebieden Het plangebied is volgens de kaarten bij de Omgevingsverordening gelegen binnen de milieubeschermingszone ‘Boringsvrije zone Venloschol’. Het is in de boringsvrije zone Venloschol verboden om beneden 5 meter boven NAP een boorput of een gesloten bodemenergiesysteem

Hoofdstuk 3

21

te maken of hebben of de grond te roeren. Daarnaast is het verboden om beneden 5 meter boven NAP werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Aangezien geen grondboringen van een dergelijke diepte voorzien zijn, vormt de ligging in de Venloschol geen belemmering. Afweging Voor het overige is het plangebied niet gelegen binnen (milieu)beschermingsgebieden of beschermingszones ten behoeve van natuur en landschap. Onderhavig plan is dan ook in overeenstemming met de uitgangspunten uit de ‘Omgevingsverordening Limburg 2014’. 3.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2021 Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. De inwerkingtreding is voorzien op 1 januari 2024 wanneer naar verwachting ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden.

Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Bij het overwegen van (nieuwe) ontwikkelingen worden de Limburgse principes, die zijn vastgelegd in de Omgevingsvisie Limburg, gehanteerd. Deze principes bestaan uit de volgende vier speerpunten: 1. Streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving; 2. De kenmerken en identiteiten van gebieden staan centraal; 3. Meer stad, meer land; 4. We gaan zorgvuldig om met onze ruimte en voorraden bovengrond én ondergronds. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Buitengebied’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen. Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b.

sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig

Hoofdstuk 3

22

de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Afweging In dit bestemmingsplan is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg. Ook is de ontwikkeling in lijn met de Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024 welke wordt behandeld onder paragraaf 3.4. Bovendien wordt met de bouw van de woningen spoedig een aanvang gemaakt, tenminste binnen 5 jaar na de verleende vergunning. Daarnaast wordt het plan opgenomen op de Plancapaciteitsmonitor Limburg. Met onderhavig planvoornemen worden er nieuwe woningen gerealiseerd. De ontwikkeling van de woningen leveren een bijdrage aan de woningbouwbehoeften van de samenleving. Daarnaast draagt de beoogde woningbouw bij aan een gezonde leefomgeving door groene ruimtes en paden te integreren.

Ook her gebruiken van duurzame bouwmaterialen en de energiezuinige woningen dragen bij aan gezondheid. Er is sprake van een goed ontworpen woonwijk met voldoende verlichting en veilige straten, dit zorgt voor een veilige omgeving. Ook wordt er rekening gehouden met de kenmerken van een gebied, door met de bouwstijl van de woningen aan te sluiten bij de omgeving. Deze woningen dragen bij aan het toevoegen van kwalitatieve woningen op een geschikte locatie. Hierdoor wordt er een bijdrage geleverd aan de Limburgse principes. Met onderhavig planvoornemen is er ook rekening gehouden met het algemeen bindend voorschrift Wijzigingsverordening Omgevingsverordening Limburg 2014. Hierin is een motivatieplicht voor het aspect kimaatadaptatie opgenomen. De Belangrijkste ruimtelijk/landschappelijke, stedenbouwkundige, en architectonische, uitgangspunten in het plan worden hieronder samengevat weergegeven. Het groene raamwerk van de Comert XL legt een duurzame basis. De openbare ruimte kent een variëteit aan groene lijnen, boomrijke wiggen, lommerrijke buurtgaarden en een broekbos. Deze landschappelijke sfeer wordt versterkt door de architectuur. De basis van de architectuur wordt gevormd door een natuurlijk kleur- en materiaalgebruik. Daarnaast is er aandacht voor natuur inclusief bouwen.

De biodiversiteit wordt vergroot door natuur-inclusief te bouwen, met nestkasten in de gevels voor zwaluwen of vleermuizen. De oriëntatie van de gevel bepaald in grote mate de geschiktheid voor een doelgroep. De oostgevels, hebben een koeler oppervlak voor de ochtendzon, dit maak deze gevelvlakken geschikt voor geïntegreerde nestvoorzieningen voor vogels. Hierbij dient er aandacht te zijn voor de grootte en de hoogte van de nestvoorzieningen. De dakvlakken van de woningen bieden ruimte zonneopwekking. Het toepassen van groene daken op bijgebouwen is optioneel en biedt ook een basis voor het bergen van water op daken. Hemelwater van de daken wordt waar mogelijk zichtbaar afgevoerd naar de verlaagde zones binnen de planontwikkeling. Het voordeel van dit systeem is dat de gemeentelijke hemelwaterafvoer minder wordt belast. Daarnaast wordt er bewustwording bij bewoners en gebruikers bereikt. Met deze hemelwaterstrategie wordt ingezet op vergroening en

Hoofdstuk 3

23

een reductie van verhard oppervlak. Op deze manier ontstaat een gebied waarin gebouwen en natuur elkaar versterken.

Figuur 3.2 Kaart met landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten en aandachtspunten voor de projectlocatie

3.2.4 Beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. Afweging De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM 'doorvertaald' naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen. Tevens is het beleid in de Nota Kostenverhaal opgenomen. Voor een nadere afweging hieromtrent zie paragraaf 3.4.1.

Hoofdstuk 3

24

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen.

Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;  Gekeken dient te worden naar koppelkansen;  Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot;  Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte;  De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na;  Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen. Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:  Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.  Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.  Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.  Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slechts een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad. In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type)

Hoofdstuk 3

25

geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. In het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn:  De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen;  Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koop- en ruime, dure koopsegment.

Theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)

Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan. In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.

Hoofdstuk 3

26

Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan worden maximaal 96 woningen mogelijk gemaakt binnen de kern van Grubbenvorst. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 96 woningen in Grubbenvorst. De realisatie van de beoogde woningen zorgt niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling. 3.3.2 Woondeal Limburg Woondeal Provincie Limburg Landelijk bestaat de ambitie om circa 900.000 woningen te realiseren voor 2030 om het woningtekort te verminderen. Deze ambitie is uitgewerkt in verschillende regionale woondeals die per regio een opgave voor realiseren van woningen vermeldt. Gemeente Horst aan de Maas valt onder woondeal Noord-Limburg. Daarin wordt het volgende vermeldt over de woningbouwambitie:  Regio Noord-Limburg heeft de opgave om tot 2030 bruto 10.649 woningen te realiseren.

Indien woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken moet de opgave gecorrigeerd worden. De netto opgave voor de regio ligt daarom hoger.  De regio heeft een totale plancapaciteit van 10.362 woningen. Hiervan zijn slechts 4.728 woningen harde plancapaciteit.  De harde (en totale) plancapaciteit in regio Noord-Limburg is niet voldoende om in de opgave van de regio te voorzien. Er bestaat nog behoefte aan 5.921 woningen bovenop de harde plancapaciteit. De woondeal geeft ook een opgave aan gemeenten voor het realiseren van woningen. Deze opgave gaat echter over een kortere termijn, namelijk tot en met 2024. Over gemeente Horst aan de Maas staat het volgende:  Gemeente Horst aan de Maas heeft de opgave om bruto 996 woningen toe te voegen tot en met 2024. Indien woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken moet hiervoor de op-gave gecorrigeerd worden. De netto opgave is daarom hoger.  De gemeente heeft een totale plancapaciteit van 968 woningen tot en met 2024. Dit betreffen zowel harde als zachte plannen. Het is daarom de verwachting dat een deel van de plancapaciteit niet gerealiseerd zal worden.  De totale plancapaciteit in gemeente Horst aan de Maas is niet voldoende om in de opgave voor woningbouw tot en met 2024 te voorzien.

Doordat een deel van de plancapaciteit geen hard plan is, is het aannemelijk dat de behoefte aan nieuwe plannen tot en met 2024 groter is dan 28 woningen4.  Tussen 2025 en 2030 heeft de regio de opgave om nog 5.410 woningen te realiseren. Het is hierdoor aannemelijk dat gemeente Horst aan de Maas ook na 2024 een opgave heeft om woningen te realiseren. Indien de opgave voor 2025 tot en met 2030 op dezelfde manier wordt verdeeld tussen de gemeenten in Noord-Limburg als de opgave tot en met 2024 is het aannemelijk dat Horst aan de Maas tussen 2025 en 2030 nog circa 1.000 woningen moet realiseren. De plancapaciteit voor deze periode is niet bekend in de woondeal.

Hoofdstuk 3

27

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie ‘Horst aan de Maas’ Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig:  De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn;  De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden;  De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners.

Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt. Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. In de structuurvisie zijn 19 projecten ter verbetering van omgevingskwaliteit benoemd. Geen van deze projecten is gepland in of in de directe omgeving van het plangebied. Nota Kostenverhaal en financiële bijdragen De Nota Kostenverhaal en financiële bijdragen is vastgesteld op 11 juli 2023. Deze treedt officieel in werking ten tijde van de Omgevingswet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14193896/1