CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting

Gemeenteraad 18 juni 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan ComertXL.26.740 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Kenmerken van het potentiële effect    

Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) Grensoverschrijdende karakter van het effect Waarschijnlijkheid van het effect Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

Omdat het plan wel voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject, maar het aantal woningen ruimschoots onder de drempelwaarde valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria

Toets

Omvang van het project

De ontwikkeling heeft betrekking op de bouw van maximaal 96 woningen. Daarnaast worden voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd en wordt het plangebied groen ingericht.

Cumulatie met andere projecten

Nee. Het betreft uitsluitend de voorliggende ontwikkeling van een woningbouwlocatie.

Gebruik van natuurlijke grondstoffen

Hoofdstuk 5

N.v.t.

52

Productie van afvalstoffen

N.v.t.

Verontreiniging en hinder

Luchtkwaliteit: het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. (zie par. 5.2.3). Geluid: Ten aanzien van het geluidsaspect is reeds een onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt: • dat de gecorrigeerde gevelbelasting ten gevolge van de Steegerakkerweg hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar wel voldoet aan de ontheffingswaarde. Indien maatregelen om de geluidbelasting tot beneden de voorkeursgrenswaarde te krijgen niet reëel zijn, kan bij het College van B&W ontheffing worden aangevraagd voor een hogere waarde in het kader van de Wet geluidhinder. De situatie voldoet aan de voorwaarden uit het gemeentelijk beleid aangaande hogere grenswaarden.; • dat de nieuw beoogde woningen geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; • dat een goed woon- en leefklimaat op de onderzoekslocatie gewaarborgd is. (zie ook paragraaf 5.2.2) Geur: Op basis van het geuronderzoek wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van het plan geen beperkingen gelden. Ter plaatse van de geurgevoelige locaties wordt voldaan aan de gemeentelijke geurverordening, beleidsregel en de Wet geurhinder en veehouderijen. De bestaande veehouderijen worden door de realisatie van het plan niet beperkt en ter plaatse van de toekomstige geurgevoelige bestemmingen wordt het woon- en leefklimaat gekwalificeerd als voldoende. (zie par. 5.2.4).

Milieuzonering: Ten noorden van het plangebied ligt het bedrijventerrein Hagelkruis. Op basis van de ter plaatse geldende bestemming ‘Bedrijventerrein’, zijn bedrijven van categorie 3.1 en 3.2 toegestaan. Voor een groot deel van de bedrijfspercelen ten zuiden van de Orionpoort en Mercuriusweg geldt daarnaast dat tevens bedrijven van categorie 2 zijn toegestaan. In de huidige situatie zijn ter plaatse uitsluitend bedrijven van categorie 2 en 3.1 gevestigd, die geen directe belemmering vormen voor de beoogde woningen. Hierbij dient te worden aangetekend dat sprake is van een gemengd gebied, waardoor de richtafstanden zoals gehanteerd door de VNG in haar brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, met één stap mogen worden verlaagd. Concreet betekent dit dat een richtafstand van 50 meter kan worden gehanteerd in plaats van de reguliere 100 meter voor bedrijven van milieucategorie 3.2. Er kan worden geconcludeerd dat op basis van de huidige bedrijfsvoering op het perceel aan de Orionpoort 3 (milieucategorie 2) geldt dat zonder aanvullende maatregelen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. (zie par. 5.2.5)

Risico van ongevallen

Het voorliggend plan maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk. Daarnaast zijn er geen belemmeringen voor de ontwikkeling van

Hoofdstuk 5

53

het plangebied vanwege risicovolle inrichtingen en transportroutes in de omgeving.

Conclusie Vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. In de nieuwe woningen is daarnaast sprake van een goed woon- en leefklimaat. Plaats van het object Criteria Bestaand grondgebruik

Toets In de huidige situatie bestaat het plangebied hoofdzakelijk uit een akkerbouwperceel (grasland). Er zijn geen houtopstanden of gebouwen aanwezig binnen het plangebied. Ten zuiden, noorden en ten wensten grenst het plangebied aan diverse woonbestemmingen. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrenst door de Steegakkerweg.

Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regene-

N.v.t.

ratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder dacht voor: 

Gevoelige gebieden (wetlands, kustge-

Het plangebied is niet gelegen in een gevoelig gebied als bedoeld

bieden, berg- en bosgebieden, reserva-

in artikel 1 van de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.

ten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) 

Gebieden waarin bij communautaire wet-

Er is geen sprake van gebieden waarin bij communautaire wetge-

geving vastgestelde normen inzake mili-

ving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden over-

eukwaliteit reeds worden overschreden

schreden.

Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid

N.v.t.

Landschappen van historisch, cultureel of ar-

Het plangebied maakt geen deel uit van een landschap van histo-

cheologisch belang

risch of cultureel belang (zie par. 5.6). Er wordt momenteel een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Gelet op de resultaten van het booronderzoek, de gekarteerde geomorfologische opbouw en de ligging van het plangebied in een provinciaal archeologisch aandachtsgebied is een vervolgonderzoek aangewezen. Dit in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Het vervolgonderzoek zal meer informatie kunnen opleveren over de inrichting van de hofstede. Voor de rest van het plangebied geldt een hoge kans op het voorkomen van vindplaatsen vanaf de Bronstijd tot en met de Middeleeuwen. Het kan hierbij om huisplaatsen alsook off-site fenomenen gaan.

Hiertoe dienst vooraf een programma van Eisen te worden opgesteld dat dient worden goedgekeurd door de bevoegde overheid. Op het plangebied blijft de archeologische dubbelbestemming gehandhaafd en hier zal nader onderzoek uitgevoerd worden.

Hoofdstuk 5

54

Conclusie Vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied11 (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Gevoelig gebied Toets Beschermd natuurmonument

Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een beschermd natuurmonument.

Habitat en vogelrichtlijngebieden

Het plangebied is niet gelegen binnen een Habitat en Vogelrichtlijngebied (zie par. 5.5). Gezien de aard van de ontwikkeling en de ligging tegen de kern aan worden geen negatieve effecten verwacht op Natura 2000-gebieden in de omgeving. Door middel van een Aerius-berekening is aangetoond dat negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie op voorhand zijn uitgesloten.

Watergebied van internationale

Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een water-

betekenis

gebied van internationale betekenis.

NNN

Het plangebied is niet gelegen in het NNN.

Landschappelijk waardevol gebied

Nee. Het gebied is niet als zodanig bestemd.

Waterwinlocaties, waterwingebieden en

Het plangebied niet gelegen binnen dergelijke gebieden.

grondwaterbeschermingsgebieden Beschermd monument

Er is geen sprake van een beschermd monument.

Belvédère-gebied

Er is geen sprake van een Belvédère gebied.

Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Kenmerken van het potentiële effect Criteria Toets Bereik van het effect (geografische zone en

Er zijn geen effecten te verwachten die uit te drukken zijn in

grootte van de getroffen bevolking)

geografische zone en/of grootte van de getroffen bevolking.

Grensoverschrijdende karakter van het effect

Er is sprake van een kleinschalig initiatief dat geen grensoverschrijdend karakter heeft.

Waarschijnlijkheid van het effect

Geen effecten te verwachten.

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid

De effecten van de woningbouw zijn blijvend maar niet van dien

van het effect

aard dat sprake is van significant negatieve effecten op het milieu, die het opstellen van een MER noodzakelijk zouden maken.

Conclusie 1. De ontwikkeling van woningen komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; 2. De activiteiten vallen wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De in kolom 2 bij categorie D11.2 genoemde drempelwaarde wordt bij lange na niet overschreden;

11

In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden.

Hoofdstuk 5

55

3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient voor dit plan wel een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd; 4. Uit de uitgevoerde m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren.

5.3 Waterparagraaf Beschrijving van waterrelevant beleid Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg, de Provinciale Omgevingsvisie 2021, het Provinciaal Waterplan van de provincie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de drietrapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Provinciaal Waterplan 2016 - 2021 Het provinciaal waterbeleid is nader geconcretiseerd in het Provinciaal Waterplan 2016-2021 op grond van de vereisten van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit plan maakt onderdeel uit van het tweede (inter)nationale Stroomgebiedbeheerplan Maas. In Nederland zijn vijf instanties betrokken bij het waterbeheer en de watervoorziening.

Op grond van de Waterwet (2009) en het Bestuursakkoord Water (2011) is de verantwoordelijkheid als volgt verdeeld: 1. Het Rijk is verantwoordelijk voor beleid en wetgeving op nationaal niveau en voor het beheer van het hoofdwatersysteem: de zee en de grote rivieren, meren en kanalen. 2. De provincies zijn verantwoordelijk voor het beleid en regelgeving voor de regionale grondenoppervlaktewatersystemen, en de vergunningverlening voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van openbare watervoorziening, de grotere industriële onttrekkingen en die voor energieopslagsystemen. 3. De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het beheer van de regionale grond- en oppervlaktewatersystemen, de zuivering van afvalwater en de zorg voor waterkeringen ten behoeve van de veiligheid langs de Maas. De waterschappen concretiseren de provinciale beleidskaders uit het POL en het provinciaal waterplan in een waterbeheerplan dat het karakter krijgt van een uitvoeringsprogramma.

Hoofdstuk 5

56

4. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor rioleringbeheer en hebben de zorgplicht voor overtollig hemelwater, afvalwater en grondwater in de bebouwde omgeving. 5. Het drinkwaterbedrijf is wettelijk verantwoordelijk voor de productie en distributie van drinkwater. Voldoende en schoon water is een economische factor van betekenis en onmisbaar voor mens en natuur. De burger stelt steeds hogere eisen aan de waterveiligheid, het gebruik en de beleving van water. Duurzaamheid en publieke participatie zijn daarom volgens het POL2014 belangrijke uitgangspunten. Waterschap Limburg Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van het waterschap Limburg beschrijft de uitwerking van het Nationale Waterprogramma en het Provinciaal Waterprogramma. Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zin om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Met dit waterbeheerprogramma geeft Waterschap Limburg richting aan het waterbeheer in de periode 2022-2027. De taken van het waterschap, welke doelen zij per taak wil bereiken en welke maatregelen zij daarvoor inzet, is beschreven in het Waterbeheerprogramma. Daarbij is onderscheid gemaakt in de taken hoogwaterbescherming, klimaatadaptatie, waterkwaliteit en zuiveren.

Keur waterschap Limburg Op waterstaatswerken en watergangen (waterlopen) is de Keur van het waterschap Limburg van toepassing. In de Keur worden enkele handelingen in het watersysteem beperkt, waaronder het lozen van water in het watersysteem en het realiseren van werken c.q. bebouwing binnen de keurzones van een waterstaatswerk of watergang. Gemeentelijk beleid De gemeente Horst aan de Maas volgt zo veel mogelijk het beleid zoals dit is vastgelegd door het waterschap Limburg. Dit is verder uitgewerkt in Gemeentelijk Rioleringsplan Horst aan de Maas 2022-2026. Belangrijke aandachtspunten in het beleid zijn het scheiden van vuilen schoon-waterstromen, het vasthouden van gebiedseigen (regen)water, het doorlopen van de afwegingsstap-pen: ‘hergebruik - infiltratie - buffering – afvoer’ en het zichtbaar en aantrekkelijk maken van water in de gemeente. Voor dit plan zijn alle genoemde onderwerpen relevant. Hergebruik Hierbij kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met bestaande proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1.000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving op dit vlak maakt het hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. Onderhavig plan is dan ook niet geschikt om deze voorziening toe te passen.

Infiltratie, buffering en afvoer In principe is het de bedoeling dat al het hemelwater in het plangebied wordt vastgehouden.

Hoofdstuk 5

57

Kenmerken plangebied Grondwater en waterkwaliteit Het bestemmingsplan is gelegen binnen Boringsvrije zone Venloschol. Het is in het gebied Venloschol binnen en buiten inrichtingen beneden 5 meter boven NAP verboden een boorput te maken of te hebben, de grond te roeren, een gesloten bodemenergiesysteem te maken of te hebben, werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten, een aardwarmtesysteem te maken of te hebben. Infiltratieonderzoek Door BKK Bodemadvies is een bodem- en infiltratieonderzoek12 uitgevoerd. Het volledige rapport is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Aan de hand van de meetresultaten zijn de horizontale k-waarden voor de onverzadigde zone berekend. In het kader van het verkennend bodemonderzoek zijn binnen onderzoekslocatie de boringen 04, 06, 07 en INF 01 verricht tot variërende dieptes van 1,1 tot 2,0 m-mv. Uit het boorprofiel van deze boringen wordt afgeleid dat het infiltratietraject bestaat uit matig fijn, matig tot sterk siltig zand. Uit de in situ meetresultaten blijkt dat op basis van de classificatie in de doorlatendheid dat de onderzochte bodemlagen overwegend als goed doorlatend worden beoordeeld.

Binnen de locatie is er 1 infiltratie waarbij de k-waarde als slecht is beoordeeld. Oppervlaktewater Binnen het plangebied zijn geen oppervlaktewaters gelegen. Het meest dichtbij gelegen oppervlaktewater betreft een zijtak van de Broekloop op circa 165 meter afstand ten westen van het plangebied. Afval- en hemelwater Binnen het plangebied is momenteel geen bebouwing of rioolstelsel aanwezig. Het plangebied zal worden aangesloten op de reeds in de omgeving van het plangebied gelegen rioolstelsel. De belangrijkste uitgangspunten waar in onderhavig planvoornemen aan moet worden voldaan bestaan uit:  Afwenteling voorkomen.  Natuurlijke afwatering en bovengrondse oplossingen afwatering hebben de voorkeur.  Geen waterschade bij hevige neerslag (T=100) aan gebouwen, boven- en ondergrondse infrastructuur en voorzieningen.  Kwetsbare en vitale functies blijven beschikbaar.  Geen waterschade bij 20 cm waterdiepte op straat.  Neerslag op privaat terrein verwerken op privaat terrein of daarvoor bestemde extra voorzieningen in het plangebied of binnen de watersysteem grenzen.

12

BKK Bodemadvies, Verkennend bodemonderzoek Steegerakkerweg (ong.) te Grubbenvorst, rapportnummer: 230259.BKK, d.d. 16 juni 2023.

Hoofdstuk 5

58

Om deze aspecten te borgen is er door Cleverland is er een rioleringsberekening en rioleringsadvies13 opgesteld voor de Comert XL. Onderstaand worden een aantal relevante aspecten samengevat, voor de volledige rapportage en de berekening en dimensionering van de infiltratiesystemen wordt verwezen naar de bijlagen. Bovengrondse infiltratievoorziening (wadi's): Uitgangspunten berekening bovengrondse infiltratiesysteem (wadi) regenwaterriolering: Het meegenomen verhard oppervlak is totaal: 7892 m2;  Verhard oppervlak openbaar gebied A: 3242 m2;  Verhard oppervlak openbaar gebied B: 4650 m2. Infiltratiecapaciteit ondergrond: 0,35 m/dag;  'Doorlatendheidsonderzoek Steegerakkerweg ong. te Grubbenvorst in de gemeente Horst aan de Maas'. Neerslagstatistieken reeksen voor het waterbeheer 2019:  ‘Neerslagstatistiek KNMI 1x100 jaar - Tabel 8’. Bij het bepalen van de grote van het infiltratiesysteem is het verhard gebied verdeeld in twee gebieden, namelijk: In gebied A en gebied B. Het totale verhard oppervlak van gebied A is 3242 m2. De maximale infiltrerend oppervlak in gebied A is 450 m2. Bij een dynamische berging (bij een K-waarde van 0,35 m/dag en een maximale stijghoogte in de wadi’s van 0,30 m) kunnen de wadi’s maximaal een regenwater aanvoer van ca. 2390 m2 verhard oppervlak verwerken.

De overige regenwateraanvoer wordt via de overstortput H07 afgevoerd naar de wadi in gebied B. Het totale verhard oppervlak van gebied B is 4650 m2, daarnaast dient gebied B nog 852 m2 aan oppervlakte te verwerken vanuit gebied A. Totaal te verwerken oppervlakte is 5502 m2. De maximale infiltrerend oppervlak in gebied B is 997 m2. Bij het berekenen van de dynamische berging (bij een K-waarde van 0,35 m/dag) met bovenstaande aanvoer- en infiltratie oppervlakte wordt de maximale peilstijging in de wadi in gebied B 0,33 m. Deze peilstijging wordt bereikt bij een bui van 1x100 jaar bij een regenduur van 8 uur. Afweging Ten behoeve van de aanwezigheid van de Venloschol, worden er geen werkzaamheden beoogd die hier een belemmering voor kunnen vormen. Het planvoornemen heeft gelet op de afstand ten opzichte van een zijtak van de Broekloop geen negatieve invloed op het oppervlaktewater. Op basis van het infiltratieonderzoek en op basis van de locatie van het project zijn er voldoende mogelijkheden om het hemelwater te verwerken in het plangebied. De hemelwatervoorziening is gedimensioneerd worden op 100 mm per m2 verhard en wordt voldoende opgevangen in een wadi, zoals bovenstaand is berekend. In de Comert fase XL is de basis meegegeven voor de hoofdprincipes van de verhardingen.

De duurzaamheidsambities omschrijven een groen raamwerk waarbinnen zo min mogelijk verhardingen worden gerealiseerd. De hoofdontsluitingen zullen bestaan uit beton klinkers in roodbruine kleur. Er worden geen verhoogde trottoirs gerealiseerd. Op deze wijze kan water van 13

Cleverland, Rioleringsberekening Comert XL, rapportnummer 23063-A01-VS, d.d. 10 augustus 2023

Hoofdstuk 5

59

voetpaden, parkeerkplekken en rijloper via molgoten of onder afschot richting de verlagingen aflopen. De parkeervakken worden voorzien van grasbetonstenen met een uitstapstrook. Hierdoor is er meer ruimte voor waterinfiltatrie en oogt het beeld groener en robuuster. De rijloper rondom het noordwestelijke bouwveld wordt ontsloten door een dorpse rijloper. Een centraal gelegen molgoot zal het profiel smaller doen lijken en de auto een gastrol geven. Water wordt afgevoerd richting verlagingen en wadi’s. Het betreft niet het afvoeren of kort tijdelijk bergen van water, maar echte waterretentie. De meest elementaire betekenis van het woord ‘retentie’, vasthouden als reserve en vertraagd afgeven. Niet afvoeren maar zinnig weer teruggeven. In de publieke ruimte worden hiertoe verlaagde zones aangebracht die het water van de daken en openbare ruimte kunnen opvangen. Het toepassen van groene daken op bijgebouwen is optioneel en biedt ook een basis voor het bergen van water op daken. Hemelwater van de daken wordt waar mogelijk zichtbaar afgevoerd naar de verlaagde zones binnen de planontwikkeling. Het voordeel van dit systeem is dat de gemeentelijke hemelwaterafvoer minder wordt belast. Daarnaast wordt er bewustwording bij bewoners en gebruikers bereikt. Met deze hemelwaterstrategie wordt ingezet op vergroening en een reductie van verhard oppervlak.

Figuur 9 Afvoermogelijkheden water

Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de toegepaste hemelwaterstrategie voldoet aan de landelijke, regionale en gemeentelijke normen.

Hoofdstuk 5

60

5.4 Kabels en leidingen In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologisch-juridische beschermingszone dat zij de beoogde woningbouwontwikkeling belemmeren.

5.5 Ecologie Beleid De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming en provinciaal beleid De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. De provinciale groenstructuur is vastgelegd in de POVI en de Omgevingsverordening Limburg 2014 en 2021.

Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Stappenplan soortenbescherming Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten.

Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend.

Hoofdstuk 5

61

Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing Soortenbescherming Quickscan flora en fauna In het kader van onderhavig plan is door Ecoplanning een quickscan flora en fauna14 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. De conclusies uit dit onderzoek worden hieronder kortstondig toegelicht. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen. Broedvogels Bosuil Aanwezigheidssporen van deze soort zoals individuen, braakballen of uitwerpselen zijn niet waargenomen. In het plangebied staat slechts één boom.

Deze biedt geen nestgelegenheid aan de soort, omdat de boom volledig wordt omgeven door akkers. Net buiten het plangebied staan bomen, maar ook hier zijn geen aanwezigheidssporen van deze soort waargenomen. Het is uitgesloten dat de bosuil het plangebied benut als nestlocatie. Negatieve effecten op het functioneel leefgebied van deze soort en een overtreding op de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) artikel 3.1 zijn niet aan de orde, omdat geen bomen worden gekapt. Een nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door de bosuil is niet nodig. Gierzwaluw Er zijn geen individuen van de soort waargenomen. Het plangebied is ongeschikt als rust- en/of voortplantingsplaats voor gierzwaluwen, omdat er geen gebouwen aanwezig zijn. Het is uitgesloten dat de gierzwaluw het plangebied benut als nestlocatie. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden in het plangebied op het functioneel leefgebied van deze soort en een overtreding op de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) artikel 3.1 zijn niet aan de orde. Huismus Er zijn geen waarnemingen verricht van de huismus in het plangebied. Buiten het plangebied zijn roepende huismussen waargenomen ter plaatse van Schoolstraat 2 en Wilhelminastraat 7 ter plaatse van de gebouwen en in de hagen die hieraan grenzen. Het plangebied was ten tijde van het veldbezoek grotendeels onbegroeid.

Negatieve effecten als gevolg van het bouwplan gaan niet optreden, omdat vanuit het project geen wijzigingen gaan optreden te Schoolstraat 2 en Wilhelminastraat 7 en ten tijde van het veldbezoek geen voedselbronnen voor de soort zijn 14

Ecoplanning, Quickscan flora en fauna Comert II te Grubbenvorst, rapportnummer: 23RQ015, d.d. 12 juni 2023.

Hoofdstuk 5

62

aangetroffen in het plangebied. Een overtreding op de verbodsbepalingen Wnb artikel 3.1 is niet aan de orde. Er is geen nader onderzoek naar de huismus nodig. Huiszwaluw Boven het plangebied zijn overvliegende huiszwaluwen waargenomen. Deze waren afkomstig van de nestlocaties te Wilhelminastraat 6 en 8, buiten het plangebied. Het plangebied is ongeschikt als rust- en/of voortplantingsplaats voor de huiszwaluw, omdat er geen gebouwen aanwezig zijn. Het is uitgesloten dat de huiszwaluw het plangebied benut als nestlocatie. Negatieve effecten als gevolg van de werkzaamheden in het plangebied op het functioneel leefgebied van deze soort en een overtreding op de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) artikel 3.1 zijn niet aan de orde. Er is geen nader huiszwaluwenonderzoek nodig. Kerkuil Er zijn geen waarnemingen verricht van de kerkuil in het plangebied. Ook ter plaatse van het buiten het plangebied gelegen Schoolstraat 2 zijn geen aanwijzingen voor het broeden van de kerkuil waargenomen. Negatieve effecten als gevolg van het bouwplan gaan niet optreden, omdat vanuit het project geen wijzigingen gaan optreden te Schoolstraat 2 en ten tijde van het veldbezoek geen voedselbronnen voor de soort zijn aangetroffen ter plaatse van de akkers. Het plangebied was ten tijde van het veldbezoek met uitzondering van de bermen van de Wilhelminastraat, vrijwel onbegroeid.

Een overtreding op de verbodsbepalingen Wnb artikel 3.1 is niet aan de orde. Er is geen nader onderzoek naar de kerkuil nodig. Ransuil Aanwezigheidssporen van de ransuil zoals individuen, braakballen of uitwerpselen zijn niet waargenomen. In het plangebied staat slechts één boom. Deze biedt geen nestgelegenheid aan de soort, omdat de boom volledig wordt omgeven door akkers. Net buiten het plangebied staat een bomenlaan, maar ook hier zijn geen aanwezigheidssporen van deze soort waargenomen. Het is uitgesloten dat de ransuil het plangebied benut als nestlocatie. Negatieve effecten op het functioneel leefgebied van deze soort en een overtreding op de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) artikel 3.1 zijn niet aan de orde, omdat geen bomen worden gekapt. Een nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door de ransuil is niet nodig. Steenuil Er zijn geen waarnemingen verricht van de steenuil in het plangebied. Er staan geen gebouwen, knotwilgen of hoogstamboomgaarden in het plangebied. De berm langs de onverharde Wilhelminastraat bestaat uit hoog gras. Het plangebied bestaat verder uitsluitend uit akkers welke in intensief gangbaar agrarisch gebruik zijn. Negatieve effecten als gevolg van het bouwplan gaan niet optreden, omdat er geen nestgelegenheid en geen voedselbronnen voor de soort zijn aangetroffen in het plangebied.

Een overtreding op de verbodsbepalingen Wnb artikel 3.1 is niet aan de orde. Er is geen nader onderzoek naar de steenuil nodig. Torenvalk Er zijn geen aanwezigheidssporen zoals braakballen of individuen van de torenvalk waargenomen. Het is uitgesloten dat de torenvalk broedt in het plangebied. Geschikte nestlocaties voor de torenvalk zijn niet aanwezig in het plangebied, omdat er geen torenvalkenkasten, bomen met oude kraaien- of eksternesten, sluizen, pijlers van bruggen, hoogspanningsleidingen, richels en

Hoofdstuk 5

63

nissen van hoge gebouwen aanwezig zijn in het plangebied. Negatieve effecten op het leefgebied van de soort en een overtreding op de verbodsbepalingen Wnb artikel 3.1 zijn niet aan de orde. Er is geen nader onderzoek naar de torenvalk nodig. Overige vogelsoorten Er zijn geen aanwezigheidssporen waargenomen van de onderzochte vogelsoorten. Het plangebied bestaat uit akkers die in intensief gangbaar agrarisch gebruik zijn. Dit habitat biedt geen leefgebied aan de onderzochte soorten. De aanwezigheid van functioneel leefgebied van de overige vogelsoorten kan op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op het functioneel leefgebied van deze soorten en een overtreding op de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) artikel 3.1 zijn niet aan de orde. Er is geen nader onderzoek nodig. Overige vogelsoorten nest beschermd tijdens broedseizoen Er is een zingende grasmus waargenomen ter plaatse van de Wilhelminastraat. Het is uitgesloten dat meerdere vogelsoorten van akkers en ruigte broeden in het plangebied, omdat deze hadden moeten worden waargenomen tijdens het veldbezoek.

Als de werkzaamheden starten in de periode maart tot en met augustus (het broedseizoen), betekent dit het volgende: Negatieve effecten op het functioneel leefgebied van broedvogels waarvan het nest is beschermd tijdens het broedseizoen en een overtreding op de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) artikel 3.1 zijn aan de orde. Herpetofauna Er zijn geen waarnemingen van beschermde amfibieën en reptielen in het plangebied verricht. Er zijn geen waterpartijen aanwezig in het plangebied. De berm langs de onverharde Wilhelminastraat bestaat uit hoog gras en is gelegen tussen akkers welke in intensief gangbaar agrarisch gebruik zijn. De aanwezigheid van amfibieën en reptielen in het plangebied is op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten op het functioneel leefgebied van deze soort en een overtreding op de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) artikelen 3.5 en 3.10 zijn niet aan de orde. Een nader herpetofaunaonderzoek is niet nodig. Vissen Er zijn geen waarnemingen van beschermde vissen in het plangebied verricht. De aanwezigheid van vissen in het plangebied is op voorhand uitgesloten. Er zijn geen waterpartijen aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten op het functioneel leefgebied van deze soort en een overtreding op de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) artikelen 3.5 en 3.10 zijn niet aan de orde. Een nader vissenonderzoek is niet nodig.

Ongewervelden Er zijn geen waarnemingen van beschermde ongewervelden in het plangebied verricht. Er zijn geen waterpartijen aanwezig in het plangebied. De berm langs de onverharde Wilhelminastraat bestaat uit hoog gras en is gelegen tussen akkers welke in intensief gangbaar agrarisch gebruik zijn die door chemische bestrijdingsmiddelen worden behandeld tegen schadelijke ongewervelden. De aanwezigheid van beschermde ongewervelden in het plangebied is op voorhand uitgesloten. Negatieve effecten op het functioneel leefgebied van deze soort en een overtreding op de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming (Wnb) artikelen 3.5 en 3.10 zijn niet aan de orde. Een nader onderzoek naar ongewervelden is niet nodig.

Hoofdstuk 5

64

Tussenconclusie soortenbescherming Er is geen potentieel functioneel leefgebied aanwezig in het plangebied van de onderzochte soorten noch van andere beschermde flora en fauna. Het bouwplan heeft geen negatief effect op de onderzochte soorten noch op andere beschermde flora en fauna. Er is geen risico is op het overtreden van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (Wnb) artikel en 3.1, 3.5 en 3.10. Er is geen nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Een check naar de aanwezigheid van vogelnesten is nodig wanneer gedurende het broedseizoen (maart tot met augustus) wordt gestart met de verwijdering van begroeiing. Indien uit de check naar de aanwezigheid van broedvogels blijkt dat er gebruikte nesten aanwezig zijn, moet:  worden gewacht met de verstoring van nesten tot na het broedseizoen;  of is een ontheffing Wnb artikel 3.1 nodig. De kans is aanwezig dat deze niet wordt verleend door bevoegd gezag. Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, Maasduinen, bevindt zich op circa 2,3 kilometer afstand van de onderzoekslocatie. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof.

Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Door De Roever is een stikstofdepositie onderzoek15 uitgevoerd. Hieronder wordt volstaan met samenvatting van het onderzoek. De volledige rapportage is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. De berekening van het projecteffect is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator. Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijk projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Omdat negatieve gevolgen zijn uitgesloten, hoeft voor de ontwikkeling geen passende beoordeling opgesteld te worden. Omdat er van het project geen negatieve gevolgen te verwachten zijn, geldt ook geen vergunningplicht van de Wet natuurbescherming. Het plangebied is verder niet gelegen binnen de goudgroene of zilvergroene natuurzone. De onderzoekslocatie is tevens niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het oostelijke deel van de locatie valt onder de bronsgroene landschapszone. Houtopstanden Aangezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.

15

De Roever, Stikstofberekening aanleg- en gebruiksfase De Comert XL te Grubbenvorst, rapportnummer: 20230627.v01, d.d. 10 juli 2023.

Hoofdstuk 5

65

5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Archeologie Door Geonius is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd 16 in de vorm van een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek en een verkennend booronderzoek. Het volledige rapport is als bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Hieronder wordt volstaan met een samenvatting. Het plangebied is gelegen op een hogere deel van het dalvlakteterras, waarop hoge bruine enkeerdgronden werden aangetroffen. Onder de eerdlaag werd op een diepte van ca. 40 – 70 cm de Maasterraszafzettingen aangetroffen. Voor het hele plangebied geldt een middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen van jager-verzamelaars. Dit gelet op het feit dat er hoge enkeerdgronden werden aangetroffen, en daarmee het archeologisch niveau afdekken. Het zuidwestelijk deel van het plangebied maakt deel uit van een AMK-terrein. Hier zou een hofstede hebben gestaan. Restanten hiervan werden aangetroffen bij een proefsleuvenonderzoek voorafgaande aan de aanleg van de Steegerakkerweg te Grubbenvorst. Voor dit terreindeel geldt dus een hoge archeologische verwachting. Voor de overige terreindelen blijft ten aanzien van de vindplaatsen uit de overige perioden ook een middelhoge verwachting van kracht.

Gelet op de resultaten van het booronderzoek, de gekarteerde geomorfologische opbouw en de ligging van het plangebied in een provinciaal archeologisch aandachtsgebied is een vervolgonderzoek aangewezen. Dit in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Het vervolgonderzoek zal meer informatie kunnen opleveren over de inrichting van de hofstede. Voor de rest van het plangebied geldt een hoge kans op het voorkomen van vindplaatsen vanaf de Bronstijd tot en met de Middeleeuwen. Het kan hierbij om huisplaatsen alsook off-site fenomenen gaan. Hiertoe is er vooraf een programma van Eisen opgesteld, welke is goedgekeurd door de bevoegde overheid. Het programma van Eisen17 is bijgevoegd in de bijlagen. De doelstelling is om voor de vaststelling van het bestemmingsplan de proefsleuven te hebben uitgevoerd. Deze aanbevelingen vormen een advies dat getoetst dient te worden door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas). Deze zal een besluit nemen over wat eventuele vervolgstappen dienen te zijn ten aanzien van eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.

16

17

Geonius, Archeologisch bureauonderzoek en IVO-O Plangebied Steegerakkerweg, Grubbenvorst, rapportnummer: AA230066.RO1v0.1.ARG519, d.d. 25 oktober 2023. Geonius, Programma van Eisen IVO-P, v0.1, d.d. 28 februari 2024

Hoofdstuk 5

66

5.6.2 Cultuurhistorie Binnen of direct buiten het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle gebouwen gelegen. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg wordt het plangebied bescheven als een ‘gebied met sedert 1830 matig veranderd verkavelingspatroon’, ‘enkeergrond’ en ‘cultuurlandschap’. Tot slot is de Steegakkerweg beschreven als een ‘andere weg ouder dan 1806’. Het verloop en profiel van deze weg wordt niet gewijzigd middels onderhavig initiatief. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op deze weg.

5.7 Verkeer en parkeren Parkeren Op basis van het toekomstig aantal woningen is het mogelijk een parkeerbalans op te stellen voor de nieuwe planontwikkelingen. De gemeente Horst aan de Maas heeft een eigen parkeernorm, namelijk de Nota parkeernormen Horst aan de Maas. Deze conformeert zich aan de normering conform het CROW, maar wijkt echter af op het gebied van wonen. Vanwege het landelijk karakter van de gemeente Horst aan de Maas heeft de gemeente gekozen voor één algemene omschrijving voor “wonen” en de gemeente hanteert daarom dezelfde norm voor ieder type woning. Verder onderscheidt de gemeente maar drie gebieden in plaats van vier conform het CROW, zijnde centrum, rest bebouwde kom en buiten bebouwde kom. Voor Grubbenvorst geldt dat dit valt onder de noemer “rest bebouwde kom”. De normering welke door de gemeente wordt voorgeschreven voor de appartementen bedraag 1,8 en voor de grondgebonden woningen 2 parkeervakken per woning. Op basis van het (voorlopig) stedenbouwkundig ontwerp kan worden gesteld dat het bij de half vrijstaande en vrijstaande woningen mogelijk is op eigen terrein te parkeren. De totale parkeervraag bedraagt 187 (28 x 1,8 + 68 x ) parkeervakken. Een gedeelte van de parkeervakken kan worden voorzien op eigen terrein. De overige 155 parkeervakken zullen op openbaar domein moeten worden aangelegd.

Bij de definitieve uitwerking van de plannen zal worden voldaan aan het aantal noodzakelijk te realiseren parkeerplaatsen. Verkeer De verkeersgeneratie zijn berekend aan de hand van de landelijke kencijfers, zoals opgenomen in CROW-publicatie 381 ‘toekomstbestendig parkeren – kencijfers parkeren en verkeersgeneratie, 2018’. Per voorzieningstype is in een standaardtabel de verwachte verkeersgeneratie te berekenen. Op basis van de gehanteerde gegevens voor beide type woningen wordt duidelijk dat het geen verschil maakt of het koop- of huurwoningen betreft. Voor de berekening kan dus worden uitgegaan van een verkeersgeneratie van 7,0 tot 7,8 mvt per etmaal per woning. Naar

Hoofdstuk 5

67

verwachting zal de bouw van 96 woningen zorgen voor een extra verkeersgeneratie van 672 tot 748,8 motorvoertuigen per etmaal. Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied verloopt via “Steegakkerweg” en de ‘Kapelaan Slotsstraat’. De ontsluiting vindt plaats in westelijke en zuidelijke richting. Deze wegen kunnen de verwachte extra verkeersgeneratie van maximaal 748,80 mvt/etmaal voldoende opvangen. Conclusie In het stedenbouwkundig plan zijn 96 woningen ingetekend, dit betekent dat 187 parkeerplaatsen benodigd zijn. Totaal zijn in het plan 188 parkeerplaatsen opgenomen. Indien er door verdichting meer woningen dan 96 gerealiseerd worden, dan zullen er extra parkeerplaatsen worden aangelegd.

5.8 Duurzaamheid Duurzaam bouwen en wonen betekent dat woningen, gebouwen en andere bouwwerken ontwikkeld en gebruikt worden met respect voor mens en milieu. Duurzaam bouwen is meer dan alleen energiebesparing. Duurzame woningen en gebouwen zijn vaak gezonder voor bewoners en gebruikers. Ook zijn ze energiezuiniger en beter voor het milieu dan traditionele woningen. Duurzaam bouwen bespaart ook grondstoffen. Het gaat bij duurzaam bouwen niet alleen om energiebesparing in huizen en gebouwen, maar bijvoorbeeld ook om:  Gebruik van duurzame materialen die rekening houden met het milieu en de gezondheid van bewoners en gebruikers;  Een gezond binnenmilieu bijvoorbeeld door goede ventilatie om vocht, schimmel en ophoping van schadelijke stoffen te voorkomen; prettige en leefbare huizen, gebouwen, wijken en steden;  Duurzaam slopen, om de materialen die vrijkomen bij de sloop opnieuw te kunnen gebruiken (hergebruik en recycling);  Verantwoord watergebruik;  Voorkomen dat grondstoffen voor bouwmaterialen uitgeput raken. Bij de bouw van de woningen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, zullen in ieder geval de wettelijke duurzaamheidseisen worden toegepast.

5.9 Gezondheid 5.9.1 Endotoxinen In de onderhavige situatie is sprake van de realisatie van 96 woningen in Grubbenvorst. De beoogde realisatie heeft geen invloed op de endotoxine belasting en dit vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Daarbij is gekeken of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. In

Hoofdstuk 5

68

onderhavig geval kan worden gesteld dat er geen overschrijdingen plaatsvinden van de gestelde norm van Gezondheidsraad, doordat de dichtstbijzijnde varkens- of pluimveehouderij op meer dan 1 kilometer van het plangebied is gelegen. Zodoende kan ook geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 5.9.2 Geitenhouderij In het onderzoek ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 20142016’ van september 2018, wordt een correlatie bevestigd tussen het wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en een verhoogd risico op longontsteking. Om dit risico per direct te beperken voor de inwoners van Limburg is er door de provincie Limburg voor gekozen om hiervoor rechtstreeks werkende regels in de Omgevingsverordening te stellen. Uit bovengenoemd onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 km rondom geitenhouderijen wonen een grotere kans hebben op een longontsteking. Wat deze toename veroorzaakt is nog onduidelijk. Er loopt onderzoek naar de oorzaken van de longontstekingen. Uitkomsten worden nog verwacht. Aangezien de planlocatie op meer dan 2 km van een geitenhouderij is gelegen vormt het aspect gezondheid geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.9.3 Spuitzones Voor wat betreft het spuiten van gewassen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6). Dit brengt echter niet reeds met zich dat een kortere afstand in dit geval niet redelijk zou kunnen zijn. Dit hangt mede samen met de hoogte van de gewassen (hoe hoger, des te meer sprake er kan zijn van drift), windrichting, soort bestrijdingsmiddelen en frequentie van spuiten.

Binnen een afstand van 50 meter zijn geen gronden rondom het plangebied gelegen, waarop bomen of andere gewassen in de openlucht worden geteeld, die bespoten moeten worden.

5.10 Niet gesprongen explosieven In de Tweede Wereldoorlog hebben op diverse plaatsen in Limburg, waaronder in de gemeente Horst aan de Maas, oorlogshandelingen plaatsgevonden waarbij gebruik is gemaakt van explosieven. Hierdoor zijn er mogelijk onontplofte explosieven in de bodem achtergebleven. Indien

Hoofdstuk 5

69

tijdens grondwerkzaamheden in het plangebied op een niet ontploft explosief wordt gestuit, kan dit ongecontroleerd tot ontploffing komen. Op basis van de Arbowetgeving en de Openbare Orde en Veiligheid dienen alle risico’s voorafgaand aan de voorgenomen werkzaamheden in kaart te worden gebracht, waarbij de risico’s zoveel mogelijk moeten worden ingeperkt. Door AVG is een explosievenonderzoek 18 uitgevoerd. Hierna zal een samenvatting en de conclusie van het onderzoek worden weergegeven. Voor het volledige rapport wordt verwezen naar de bijlagen. Het opsporingsgebied ter grootte van 26.447 m2, is onderzocht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten tot 4,50 (ca. 14,50 m +NAP). Het gebied is afgezocht om de in de toekomst geplande werkzaamheden veilig uit te kunnen voeren. De aangetroffen verstoringen zijn geïdentificeerd en verwijderd. Een gebied ter grootte van 1.416 m2 is vanwege de aanwezigheid van een puinpad in overleg met de opdrachtgever niet nader onderzocht op mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. AVG Explosieven Opsporing Nederland verklaart dat er, met de gebruikte onderzoeksmethode, verder geen verdachte objecten zijn waargenomen in het onderzochte gebied. Het onderzochte gebied wordt gevrijwaard van ontplofbare oorlogsresten, zodat eventuele vervolgwerkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd.

18

AVG, Explosievenonderzoek De Comert te Grubbenvorst, rapportnummer: 140000434-PVO-01, d.d. 31 oktober 2023.

Hoofdstuk 5

70

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien:  Het kostenverhaal anderszins is verzekerd;  Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en  Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. Het voorliggende initiatief maakt de realisatie van maximaal 96 woningen mogelijk en biedt hiermee mogelijkheden voor een bouwplan in de zin van artikel 6.12 van de Wro. De gronden zijn ten behoeve van het realiseren van het onderhavige planvoornemen verkocht aan initiatiefnemer. Het kostenverhaal is derhalve geregeld middels een anterieure overeenkomst.

6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.

Hoofdstuk 6

71

De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie. 3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie De eerste participatieavond met de omgeving heeft op 10 november 2022 plaatsgevonden in het gemeenschapshuis ’t Haeren (Irenestraat 20). Deze avond stond in het teken van het ophalen van wensen en ideeën bij de aanwezigen zonder dat er daarbij een concreet ontwerp voorlag. Op basis van deze input is het eerste concept stedenbouwkundig ontwerp tot stand gekomen. Dit ontwerp is tijdens de tweede participatieavond op 4 april 2023 gepresenteerd in het gemeenschapshuis ‘t Haeren. De tijdens deze avond opgehaalde input is gebruikt om het ontwerp definitief te maken. Het verslag van de omgevingsdialoog is bijgevoegd als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan. Voor het volledige verslag wordt verwezen naar de bijlagen. 19 Hieronder wordt volstaan met een korte samenvatting van het verslag. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Bij het voorliggende initiatief zal het bestemmingsplan in het kader van het vooroverleg aan de provincie Limburg en het waterschap Limburg worden voorgelegd.

Er zijn geen belangen van het Rijk in het geding, waardoor vooroverleg met de rijksoverheid niet noodzakelijk is. Reactie Provincie Limburg Het plan is beoordeeld op de adequate doorwerking van de provinciale belangen.

19

Omgevingsdialoog, De Comert XL te Grubbenvorst, d.d. PM 2023.

Hoofdstuk 6

72

De beoordeling van het plan geeft aanleiding tot het maken van opmerkingen. Indien u in het plan onderstaande opmerkingen adequaat verwerkt, zal er geen aanleiding zijn om in de verdere procedure van het plan een zienswijze in te dienen. De opmerkingen betreffen de volgende aspecten: In zowel de toelichting van het bestemmingsplan als het document “Ladder voor duurzame verstedelijking De Comert XL fase 2, Grubbenvorst” wordt niets gezegd over de beoogde prijsklasse van de koopwoningen. Onduidelijk is derhalve of dit plan voldoet aan de 2/3 betaalbaarheid-opgave. U dient het plan op dit punt aan te vullen. De ingekomen reactie van de provincie is verwerkt in onderhavig bestemmingsplan. Reactie Waterschap Limburg Vanuit het Waterschap Limburg zijn er geen nadere opmerkingen ontvangen en heeft aangegeven akkoord te zijn met het planvoornemen en de bijbehorende water. Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor eenieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan is overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro gedurende zes weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad zienswijzen in te dienen.

Tijdens deze periode van ter inzage legging zijn geen zienswijzen ontvangen.

Hoofdstuk 6

73

7. JURIDISCHE TOELICHTING

7.1 Planstukken Het bestemmingsplan ‘De Comert XL’ is vervat in een verbeelding, planregels en toelichting. In dit hoofdstuk wordt een toelichting gegeven op de opzet en het gebruik van de verbeelding en planregels. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De regels voldoen tevens aan de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

7.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1000, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). De bestemmingen ‘Woongebied’ en ‘Groen’ zijn weergegeven. Daarnaast is een archeologische dubbelbestemming overgenomen overeenkomstig het vigerende bestemmingsplan voor deze locatie, te weten ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 4. Tot slot zijn de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone - venloschol' en ‘milieuzone – bedrijf’ en ‘overige zone – beschermde boom’ opgenomen.

7.3 Toelichting op de regels 7.3.1 Algemeen In dit hoofdstuk worden de bij het bestemmingsplan behorende planregels van een nadere toelichting voorzien. De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Deze zijn opgesteld op basis van de Wro, het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede de gemeentelijke notitie ‘Bestemmingsplannen van de gemeente Horst aan de Maas, uitgangspunten voor bureaus’. De planregels geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en waar er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is aangesloten bij de regels voor recente woningbouwplannen in de gemeente Horst aan de Maas. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken. Deze hoofdstukindeling is opgebouwd conform de richtlijnen uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012).

Hoofdstuk 7

74

Inleidende regels In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Bestemmingsregels In dit artikel wordt de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Tevens worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Algemene regels In de algemene regels is een aantal artikelen opgenomen die van toepassing zijn op het gehele plangebied, te weten de anti-dubbeltelregel, de algemene bouw-, gebruiks-, aanduidings-, wijzigings- en afwijkingsregels en de overige regels. Overgangs- en slotregels In de bepaling ‘overgangsrecht’ zijn de overgangsregels ten aanzien van bebouwing en gebruik opgenomen. De slotregel bevat de titel hoe het plan aangehaald dient te worden. 7.3.2 Artikelsgewijze toelichting planregels Hiernavolgend worden de planregels artikelsgewijs van een nadere toelichting voorzien. Hoofdstuk

regel

toelichting

Inleidende regels

1.

Begrippen (Art. 1)

De in de planregels gebezigde begrippen

2.

Wijze van meten (Art. 2)

worden hierin omschreven. Een omschrijving van de wijze waarop het meten dient plaats te vinden. Bestemmingsre-

3.

Woongebied (Art. 3)

De bestemmingen ‘Woongebied’ en

gels

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14193896/1