02c TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg Toelichting
Tekst van het document
28
De regels voor een welstandtoets zijn opgenomen in artikel 22. 7 en 22. 29 van de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Artikel 22. 7 Repressief welstand In artikel 22. 7 Bruidsschat staat dat het uiterlijk van de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota: Een bestaand bouwwerk met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en een te bouwen bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. ,
,
In het tweede lid van het artikel staat dat het eerste lid niet van toepassing is als het gaat om een in het tijdelijk deel van het omgevingsplan aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Dit wordt ook wel een welstandsvrij gebied genoemd. ,
Artikel 22. 7 wordt ook wel de excessenregeling genoemd. Deze regeling ziet erop toe dat de gemeente een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift. De excessenregeling is met name van toepassing op bestaande situaties. Artikel 22. 29 BS Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22. 29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. ,
,
In artikel 2. 29 van het Bbl staan de gevallen waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit nodig is. Dit zijn allemaal omgevingsplanactiviteiten die bestaan uit bouwen. Voorwaarde is dat de activiteit niet in ernstige mate in strijd is met de regels over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk wanneer deze in het omgevingsplan zijn opgenomen. 6. 3. 2
Conclusie
Aangezien met onderhavig planvoornemen geen nieuw bouwwerk wordt gerealiseerd hoeft het planvoornemen niet getoetst te worden door de welstandscommissie van de gemeente Horst aan de Maas.
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
29
7
Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de toekomstige activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1. 2 Omgevingswet.
7. 1
Mer-beoordeling
7. 1. 1
Toetsingskader Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een wijziging omgevingsplan volledig is is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16. 4. 2 van de Omgevingswet en afdeling 11. 2 van het Omgevingsbesluit. ,
Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit in samenhang met de artikelen 11. 6 en 11. 8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor een m. e. r. -(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de mer-(beoordelings)plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de mer-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele ,
,
bijzondere besluiten uit andere wetten zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. ,
Of er voor het besluit een m. e. r. -plicht of een m. e. r. -beoordelingsplicht geldt volgt uit de tweede en derde ,
kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2 geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. ,
,
Of een project die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit aanzienlijke milieueffecten heeft wordt ,
,
,
beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met: a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen. ,
,
Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16. 45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie. 7. 1. 2
Conclusie Onderhavig planvoornemen is opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Het betreft een stedelijke ontwikkeling namelijk (in beginsel) een uitbreiding van een bedrijventerrein met meer dan 500 m². In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er een mer-beoordeling 7 opgesteld. Na nadere kennisname van deze mer-aanmeldnotitie dient een gemeentelijk besluit te worden voorbereid waarin wordt aangegeven dat voor de verdere planvorming van onderhavige wijziging van het omgevingsplan geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. ,
7 BRO , Mer-aanmeldnotitie Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst , d. d. 26 september 2024
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
30
7. 2
Gezondheid
7. 2. 1 Toetsingskader In artikel 1. 3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. ,
,
Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen. ,
,
Omgevingsvisie In artikel 3. 3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met milieubeginselen. Artikel 191 van het 'Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie' kent 4 milieubeginselen: het voorzorgsbeginsel; het beginsel van preventief handelen; het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron bestreden moeten worden; het beginsel dat de vervuiler betaalt. In de omgevingsvisie staat dat expliciet rekening moet worden gehouden met deze vier beginselen. Samen met de algemene rechtsbeginselen dragen de milieubeginselen bij aan de kwaliteit van beleid en regelgeving en aan het vinden van een goede balans tussen bescherming en benutting van de fysieke leefomgeving (artikel 23. 6 en artikel 3. 3 van de Omgevingswet). ,
Omgevingsplan Volgens artikel 2. 1 lid 4 van de Omgevingswet moet het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies in het omgevingsplan rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Naast het waarborgen van gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag ook het belang van gezondheidsbevordering in overweging nemen. Een fysieke leefomgeving kan positieve gezondheidseffecten hebben wanneer deze uitnodigt tot gezond gedrag mensen aanspoort tot meer bewegen gezonder eten en sociale interactie. ,
,
Het Rijk legt ondergrenzen vast voor de bescherming van de gezondheid bijvoorbeeld door middel van instructieregels of omgevingswaarden voor geluid luchtkwaliteit geur trillingen waterkwaliteit en bodem. Het Bkl bevat specifieke instructieregels voor de bescherming van de gezondheid en het milieu (paragraaf 5. 1. 4 Bkl). Deze randvoorwaarden worden geïntegreerd in het omgevingsplan. ,
,
,
,
,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
31
Gezien de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet vereist dit aspect een brede ,
motivering. Milieuaspecten zoals geluid luchtkwaliteit geur en waterkwaliteit zijn nauw verweven met gezondheid. Daarom wordt in deze paragraaf ook verwezen naar andere milieuaspecten in deze motivering. ,
,
7. 2. 2 Onderzoek Aangezien het planvoornemen de realisatie van een nieuwe activiteit omvat moet worden onderzocht en onderbouwd op welke manier dit initiatief rekening houdt met het gezondheidsaspect. ,
Onderhavig planvoornemen ziet toe op het realiseren van de planologische mogelijkheid voor bedrijven milieucategorie 1 en 2 en de specifieke vestiging van de ijsmakerij. De onderhavige ontwikkeling voorziet hiermee in het in overeenstemming brengen van de planologisch-juridische situatie met de feitelijke situatie en het herstel van gebruiksmogelijkheden welke eerder niet zijn meegenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Deze ingrepen hebben verder geen negatieve impact op de gezondheid. Met het planvoornemen worden (bedrijfs)activiteiten mogelijk gemaakt die mogelijk kunnen leiden tot gezondheidsrisico’s voor de omgeving. Er is in dit kader een quickscan activiteiten en milieuzonering opgesteld (zie paragraaf 7. 7). Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor wat betreft de omliggende gevoelige bestemmingen. Ook zijn er in de omgeving geen functies aanwezig met een aanzienlijke negatieve impact op de gezondheid voor personen binnen het plangebied. De beoogde functie wordt dan ook op een verantwoorde locatie mogelijk gemaakt. 7. 2. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. 3
Duurzaamheid
7. 3. 1 Toetsingskader Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vast omschrijving of definitie voor de term duurzaamheid dit zorgt ervoor dat iedereen zijn eigen invulling kan hebben over wat het precies betekent. Over het algemeen wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige generaties zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen bedoeld. ,
,
Duurzaamheid is een aspect wat zowel op de korte termijn als lange termijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaamheid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen bouwen en onderhouden van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat verschillende aspecten: Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door gebruik te maken van duurzame energiebronnen zoals zonne-energie of windenergie; Materialen: Het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen; Gezondheid en comfort: het Creëren van een gezonde binnen omgeving met goede ventilatie natuurlijke verlichting en materialen die de binnen kwaliteit verbeteren; Levensduur en Hergebruik: Het ontwerpen van gebouwen met een lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen. ,
,
,
,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
32
De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen een sector die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan vervuiling van het klimaat. ,
De eisen met betrekking tot duurzaamheid zijn opgenomen in afdeling 4. 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Van belang zijn de BENG normen en de MPG waarden.
BENG Normen BENG staat voor Bijna energie neutrale gebouwen en zijn geformuleerd met het doel om de CO2 uitstoot ,
van nieuwbouw terug te dringen.
Er zijn drie verschillende manieren waarin BENG tot uitdrukking komt. Dit zijn de volgende: BENG 1-eis: Terugbrengen van de energiebehoefte; BENG 2-eis: Beperken van het fossiele energiegebruik (Bijvoorbeeld Gas en olie); BENG 3- eis: Benutten van hernieuwbare energie. Naast deze drie eisen is er nog één aanvullende eis die van belang is met name in samenhang met klimaatadaptatie dit is de indicator voor verlaging van het risico op oververhitting van gebouwen genaamd TOJuli). ,
De BENG eisen gelden alleen voor nieuwbouw doen.
,
bestaande bebouwing hoeft dus niet aan deze eisen te vol-
MPG Waarden MPG staat voor Milieuprestatie gebouwen. Een MPG berekening toont aan wat de milieu impact van een nieuw te bouwen bouwwerk is. Zo worden de waarden waaraan voldaan dient te worden bepaald aan de hand van de gebruiksfuncties van het bouwwerk. In het Bbl staat beschreven dat een woonfunctie een milieuprestatie moet hebben van maximaal 08 bepaald volgens de bepalingsmethode van de MPG. Voor kantoorgebouwen is de maximale milieuprestatie 10. Hoe lager de score is des te beter het pand scoort op duurzaamheid. ,
,
,
Tot slot geeft het Bbl ook regels over de laadinfrastructuur van elektrische auto. Deze regels zorgen er voor dat er voldoende leidingdoorvoeren zijn voor eventuele oplaadpunten zowel bij een woongebouw als bij andere functies. ,
Beleidsvisie zonne-energie Horst aan de Maas heeft het klimaatakkoord van Parijs ondertekend. Hierin is afgesproken dat de opwarming van de aarde wordt beperkt tot 2 graden Celsius ten opzichte van het pre-industriële tijdperk. Het streven is zelfs om de opwarming te beperken tot 15 graad. De Nederlandse bijdrage aan “Parijs” wordt vastgelegd in het nationale klimaatakkoord waarvan de hoofdlijnen op 10 juli 2018 zijn gepresenteerd. Het nationale klimaatakkoord heeft als centraal doel om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met ten minste 49 procent terug te dringen ten opzichte van 1990 eventueel zelfs met 55 procent. Om die doelen te halen moeten we omschakelen naar een CO2 vrij energiesysteem. Dat doen we door van fossiele bronnen (olie gas kolen) over te stappen naar hernieuwbare opwekking (zon wind geothermie biomassa). Wat die ambities uit het klimaatakkoord van Parijs en het nationale klimaatakkoord betekenen voor Horst aan de Maas wordt vastgelegd in de lokale energievisie en de Regionale Energie Strategie (RES). Hierin beschrijven we hoe groot de energieopgave voor Horst aan de Maas en de regio is en hoe we daar het beste invulling aan kunnen geven. Momenteel werkt het Rijk aan een uniforme landelijke systematiek zodat alle gemeenten en ,
,
,
,
,
,
,
,
,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
33
regio’s met dezelfde cijfers en uitgangspunten werken. De ontwikkeling van de RES wordt door de gemeente in Limburg Noord gezamenlijk opgepakt en Horst aan de Maas speelt een actieve rol bij de totstandkoming van de RES. Het leggen van zonnepanelen op daken van bedrijven en instelling is een zeer geschikte manier om op zonne-energie op te wekken. De daken zijn op enkele technische installaties na vaak leeg en liggen meestal uit het zicht. ,
,
Duurzaamheidsprogramma In Horst aan de Maas wordt gewerkt aan verduurzaming. Voor het eerst ligt daar nu een beleidsstuk onder dat de lange termijn doelen en de strategie van de gemeente beschrijft. In het uitvoeringsprogramma voor de jaren 2020-2022 staat wat de gemeente op de korte termijn gaat doen. In dit duurzaamheidsprogramma is gekozen voor een focus op 4 lange termijn doelen 1. 1. Klimaatneutraliteit: In 2050 stoten wij netto geen broeikasgassen meer uit. 2. In 2050 is onze gemeente klimaatbestendig en water robuust ingericht. 3. In 2050 hebben we een duurzaam gedreven volledig circulaire economie. 4. Biodiversiteit: In 2030 hebben we een natuur-inclusieve economie. Het verlies aan biodiversiteit is omgebogen naar herstel. ,
7. 3. 2
Conclusie Onderhavig planvoornemen ziet toe op het realiseren van de planologische mogelijkheid voor bedrijven milieucategorie 1 en 2 en de specifieke vestiging van de ijsmakerij. De onderhavige ontwikkeling voorziet hiermee in het in overeenstemming brengen van de planologisch-juridische situatie met de feitelijke situatie en het herstel van gebruiksmogelijkheden welke eerder niet zijn meegenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Deze ingrepen hebben verder geen negatieve impact op het aspect duurzaamheid. De ijsfabriek betreft reeds bestaande bebouwing. Vanuit het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid (duurzaamheidsprogramma en beleidsvisie zonne-energie) zijn er geen belemmeringen voor het onderhavige voornemen. Vanuit het milieuaspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. 4
Klimaatadaptatie
7. 4. 1 Toetsingskader Het klimaat verandert in een hoog tempo. Om Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering te beschermen is het nodig om verschillende soorten maatregelen te nemen vanuit verschillende beleidsvelden. Daarnaast is het nodig dat klimaatadaptatie op alle overheidsniveaus onderdeel is van het beleid en uitvoering. ,
In Nederland is het beleid op de gevolgen van klimaatverandering nationaal geregeld aan de hand van twee
programma’s: 1. 2.
de Nationale klimaatadaptatiestrategie; en het Deltaprogramma
,
Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie is de overkoepelende strategie op het gebied van klimaatadaptatie in Nederland. Het doel van de NAS is om alle risico’s en gevolgen van klimaatverandering voor Nederland te beheersen en te verkleinen. Het is de koers die wordt omgezet in plannen en acties in een uitvoeringsprogramma. De werkzaamheden uit het NAS zijn gericht op de risico’s die het meest urgent zijn enkele voorbeelden zijn: ,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
34
meer hittestress bij mensen door extreem weer;
vaker uitval van delen van het vitale en kwetsbare functies door extreem weer zoals energie telecom en IT-voorzieningen; oogstschade en andere schade in de land- en tuinbouwsector; verschuiving van klimaatzones in combinatie met gebrek aan internationale ruimtelijke samenhang; mogelijk meer infecties en allergieën zoals hooikoorts of andere luchtwegklachten; cumulatieve effecten - Uitval in één regio of sector heeft gevolgen voor andere sectoren of locaties. ,
,
Deltaprogramma en Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) In het nationaal Deltaprogramma staat beschreven hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendig en waterrobuuste inrichting. Alle verschillende overheidsniveaus werken vanuit het deltaprogramma samen aan deze opgaven. Het deltaprogramma is opgebouwd rond drie thema’s/programma’s. Dit zijn Waterveiligheid Zoetwater en ruimtelijke adaptatie die voor de verschillende regio’s zijn uitgewerkt. ,
,
,
Alle drie de programma’s zijn weer opgebouwd uit een Deltabeslissing en een Deltaplan. In de Deltabeslissingen staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden. De deltaplannen bestaan uit concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staan bijvoorbeeld concrete acties en doelen die ervoor zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het Deltaprogramma controleert en evalueert elk jaar hoe de deltabeslissingen voorkeursstrategieën en deltaplannen tot dan toe zijn uitgewerkt en uitgevoerd. In deze jaarlijkse monitor kunnen voorstellen staan om beleid aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen en risico’s die zijn ontstaan. ,
7. 4. 2
Conclusie Onderhavig planvoornemen ziet toe op het realiseren van de planologische mogelijkheid voor bedrijven milieucategorie 1 en 2 en de specifieke vestiging van de ijsmakerij. De onderhavige ontwikkeling voorziet hiermee in het in overeenstemming brengen van de planologisch-juridische situatie met de feitelijke situatie en het herstel van gebruiksmogelijkheden welke eerder niet zijn meegenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Deze ingrepen hebben verder geen negatieve impact op het aspect klimaatadaptatie. De gemeente Horst aan de Maas stelt geen aanvullende eisen waaraan voldaan dient te worden op het gebied van klimaatadaptatie. Vanuit het milieuaspect klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. 5
Omgevingsveiligheid
7. 5. 1 Toetsingskader Het aspect omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden om een brand ramp of crisis te voorkomen te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De algemene regels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. ,
,
Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. kwetsbaar (gebouwen en locaties);
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
35
3.
beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties).
Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is de duur van hun aanwezigheid en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl.
,
Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal; het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg water en spoor; buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal; windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal. ,
De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan voor activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd om beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s. Deze regels met betrekking tot omgevingsveiligheid zijn van toepassing wanneer de gemeente overweegt nieuwe risicobronnen op haar grondgebied toe te staan evenals wanneer zij de mogelijkheid overweegt om in de nabijheid van een bestaande risicobron nieuwe gebouwen toe te staan. Sommige risicovolle milieubelastende activiteiten zijn vergunningplichtig. De gemeente heeft ook de mogelijkheid om andere categorieën gebouwen of locaties dan die in bijlage VI staan vergelijkbare bescherming te bieden en zelfs bepaalde kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. ,
,
,
,
De specifieke instructies hiervoor zijn opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 van het Bkl. Tevens zijn hiervoor regels opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente.
Ook kan een omgevingsvisie van gemeenten en provincies helpen bij het waarborgen van omgevingsveiligheid in het omgevingsplan. Zo staat in de omgevingsvisie van de gemeente Horst aan de Maas het waarborgen van een veilige fysieke leefomgeving centraal met inachtneming van de bescherming van de gezondheid tegen externe veiligheidsrisico’s. ,
Naast de eerder genoemde activiteiten die als risicobronnen worden beschouwd bevat het Bkl ook instructies voor de volgende risicobronnen: opslaan bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5. 1. 2. 4); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5); exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5. 1. 2. 5); opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl). ,
,
Maatregelen beperking externe veiligheidsrisico’s Maatregelen ter beperking van externe veiligheidsrisico's zijn vastgelegd in het Bal en omvatten maatregelen die initiatiefnemers van risicovolle milieubelastende activiteiten moeten toepassen. Deze maatregelen gelden voor activiteiten met gevaarlijke stoffen vuurwerk ontplofbare stoffen voor militair of civiel gebruik en windturbines. ,
,
,
Bij verschillende risicovolle activiteiten zijn technische eisen normen voorschriften en/of richtlijnen opgenomen zoals bijvoorbeeld brandwerendheid van gebouwen. Daarnaast zijn voor een groot aantal risicovolle ,
,
,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
36
activiteiten vaste afstanden vastgesteld. Deze zijn opgenomen in het Bal of het Bkl. In het Bal zijn deze afstanden van toepassing op activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden (zie bijlage VII onder A bij het Bkl). De afstanden gelden vanaf het bij de activiteit aangegeven meetpunt tot de begrenzing van de locatie waar de activiteit plaatsvindt. Onder bepaalde voorwaarden gelden de afstanden in plaats daarvan tot beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in de omgeving. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de gevel van het gebouw of een andere begrenzing. Deze begrenzingen staan in het Bkl (artikel 5. 9). In het Bkl zijn afstanden vastgelegd voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten (bijlage VII onder B tot en met D). Voor activiteiten in bijlage VII onder E moet de afstand voor het plaatsgebonden risico worden berekend. Deze afstanden gelden vanaf het bij de activiteit in bijlage VII aangegeven meetpunt(en) tot beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties in de omgeving. Dezelfde begrenzingen zijn van toepassing in deze gevallen (artikel 5. 9 Bkl). ,
,
,
,
,
,
,
Plaatsgebonden risico De risico’s voor de omgevingsveiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde ook wel een basisbeschermingsniveau genoemd voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit geldt met name voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. De plaatsgebonden risico's worden op kaarten weergegeven met zogeheten risicocontouren. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden be-6 schouwd mogen niet binnen de PR-10-contour van een activiteit vallen. Het respecteren van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen onder voorwaarden die in het Bkl zijn vastgesteld mag afwijken van deze grenswaarde. ,
,
,
,
Groepsrisico , aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe benadering van het groepsrisico onder de Omgevingswet. Het groepsrisico (GR) gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15 lid 1 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis zonder ,
,
aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat binnen dat gebied levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen optreden zelfs als de kans daarop klein is. Aandachtsgebieden worden vastgelegd in het ‘Register Externe Veiligheidsrisico’s’ en zijn digitaal raadpleegbaar. ,
,
Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand) overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Hierdoor zijn er ook drie typen aandachtsgebieden (artikel 5. 12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied. ,
Binnen deze aandachtsgebieden moet de gemeente in het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico. Dit wordt bereikt door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare ,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
37
gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties toe te staan. De gemeenteraad heeft enige afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied op voorwaarde dat het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van toepassing is. Het bevoegd gezag kan verschillende maatregelen nemen om mensen binnen de aandachtsgebieden te beschermen. Deze maatregelen omvatten onder andere: afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied; aanvullende risicocommunicatie; overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer; beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron; toegankelijk gebied voor de hulpdiensten (brandweer ambulance en politie); mogelijkheden voor rampbestrijding (bestrijdbaarheid en bluswatervoorzieningen); vlucht- en schuilmogelijkheden; omgevingsmaatregelen; aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. ,
,
Beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als de genoemde maatregelen zijn genomen. Dit wordt geregeld met voorschriftengebieden. Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aan te wijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4. 90 tot en met 4. 96 van paragraaf 4. 2. 14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Ze hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. ,
,
Hierdoor vergroot de gemeente de zelfredzaamheid van mensen waarbij zelfredzaamheid verwijst naar het vermogen om zichzelf te onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van individuen is een cruciale factor om grote calamiteiten bij een incident te voorkomen. ,
7. 5. 2
Onderzoek
Bij de realisatie van plannen kunnen risicobronnen in de omgeving van het plan van invloed zijn op de gebruiksmogelijkheden van het plangebied. Mogelijke risicobronnen zijn het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen over het water over het spoor en over de wegen en risicovolle inrichtingen. Deze risicobronnen worden getoetst en gemeten ten opzichte van het plangebied. Derhalve kan gesteld worden dat de beoogde gebruikswijziging met betrekking tot omgevingsveiligheid in beginsel een vergelijkbare impact zal hebben ten opzichte van hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. ,
,
,
,
Door het IP-O is een risicokaart opgesteld waarin de inrichtingen buisleidingen en gevaarlijke transportroutes zijn opgenomen. Onderstaand is een uitsnede opgenomen van het plangebied en de omliggende inrichtingen buisleidingen en gevaarlijke transportroutes. Onderhavig planvoornemen voorziet niet in het toevoegen van een beperkt kwetsbaar object. Eveneens maakt het planvoornemen geen risicovolle inrichting mogelijk. Het verder toetsen aan omgevingsveiligheid is derhalve niet benodigd. ,
,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
38
Figuur 7. Uitsnede risicokaart globale ligging plangebied rood omlijnd 7. 5. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. 6
Bodem
7. 6. 1 Toetsingskader Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5. 1. 4. 5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening houdend met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur wonen en industrie ingedeeld rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. ,
,
7. 6. 2 Onderzoek Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Uit onderzoek moet blijken dat aan deze instructieregels wordt voldaan
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
39
wanneer het planvoornemen gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoe-
lige locatie. Het aspect bodem heeft betrekking op het gehele plangebied. Derhalve kan gesteld worden dat de beoogde gebruikswijziging met betrekking tot het aspect bodem in beginsel een vergelijkbare impact zal hebben als hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. ,
,
Aangetoond moet worden dat de bodem geschikt is voor het toekomstig gebruik. Aangezien de beoogde locatie momenteel de bestemming/functie ‘wonen’ heeft en er reeds een bedrijf aanwezig is kan er gesteld worden dat een bodemonderzoek niet noodzakelijk is. Er vindt geen verschuiving plaats naar een voor de bodem gevoeligere functie. De beoogde ontwikkeling maakt geen bodemgevoelige functie op een bodemgevoelige locatie mogelijk. Derhalve hoeft er voor onderhavig planvoornemen geen bodemonderzoek uitgevoerd te worden. ,
7. 6. 3
Conclusie
Gelet op de bovenstaande conclusies kan er gesteld worden dat er met betrekking tot het aspect bodem sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. 7
Activiteiten en milieuzonering 7. 7. 1 Toetsingskader Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur stof geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. ,
,
,
,
,
,
In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied: 1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie) een stiltegebied of een natuurgebied. 2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. ,
,
,
,
De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied. De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied ,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
40
geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. 7. 7. 2 Onderzoek Indien woningen nabij bedrijfsactiviteiten worden beoogd of de realisatie van bedrijfsactiviteiten in de omgeving van woningen is gewenst moet beoordeeld worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering wordt enerzijds toegepast met het oog op de bescherming van een goed woon- en leefklimaat en anderzijds met het oog op het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving. Het aspect milieuzonering wordt getoetst op basis van richtafstanden. Deze richtafstanden en de daadwerkelijke afstanden zullen met de beoogde gebruikswijziging een vergelijkbare impact hebben ten opzichte van hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. ,
,
Voor het onderhavig planvoornemen is er een quickscan bedrijven en milieuzonering uitgevoerd. 8 De resultaten worden hieronder behandeld. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Externe werking De externe werking betreft de vraag of de beoogde nieuwe functie binnen onderhavig plan niet zal leiden tot hinder voor bestaande of toekomstige hindergevoelige functies. De beoogde ijsfabriek binnen het plangebied vormt een functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Daarnaast dient volledigheidshalve opgemerkt te worden dat er geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder die wordt veroorzaakt door de nieuwe verkeersbewegingen van het planvoornemen op de omliggende reeds bestaande woningen. Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Werkgelegenheidsgebieden I’ (2013). In figuur 2. 1 zijn de bestemmingen welke gelegen zijn in de omgeving van het plangebied weergegeven. In de omgeving van het plangebied is sprake van sterke functievermenging van woon- en bedrijvenbestemmingen. Derhalve wordt het gebied getypeerd als gemengd gebied.
8 Econsultancy , Quickscan activiteiten en milieuzonering Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst. rapportnummer: 26203.001D1 , d. d. 2 oktober 2024.
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
41
Voor het nieuw te realiseren stuk bedrijventerrein inclusief de ijsmakerij2 geldt maximaal milieucategorie 2. De richtafstand toebehorend aan milieucategorie 2 betreft 10 meter in een gemengd gebied. Deze afstand geeft de grootste van de afstanden met betrekking tot geur stof geluid of gevaar weer. Binnen de diverse categorieën is vaak een specifiek thema maatgevend voor de afstand maar in dit onderzoek wordt in beginsel de grootste afstand gehanteerd. Voordat eventuele belemmeringen gesignaleerd kunnen worden is het eerst belangrijk om de relevante gevoelige gebouwen aan te wijzen. Volgens de regels van het bestemmingsplan (lees: tijdelijke deel van het omgevingsplan) zijn gevoelige gebouwen enkel toegestaan ter plaatse van het bouwvlak binnen woonbestemmingen of in het geval van het bedrijventerrein de specifieke functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. In onderstaande figuur zijn deze blauw weergegeven. Eveneens is de richtafstand van 10 meter vanaf de grens van het plangebied geprojecteerd. ,
,
,
,
Figuur 8. Uitsnede toetsing richtafstand quickscan bedrijven en milieuzonering Hieruit wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de richtafstand. Derhalve worden geen belemmeringen voorzien. Na de wijziging van wonen naar bedrijventerrein voor milieucategorie 2 zal sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Interne werking Naast de externe werking is er ook een interne werking als het gaat om het beoogde planvoornemen. De interne werking ziet erop toe dat medewerking aan het beoogde planvoornemen pas mogelijk is indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woningen gegarandeerd is alsmede dat bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. Onderhavig project gebied kan gelet op de diverse functies in de omgeving worden aangemerkt als gemengd gebied. Er wordt met de onderhavige ontwikkeling echter geen gevoelige (woon)functie mogelijk gemaakt. Een nadere toetsing aan de interne werking is derhalve niet aan de orde. ,
,
,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
42
7. 7. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7. 8
Weging van het waterbelang
7. 8. 1 Toetsingskader Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Voor het omgevingsplan blijft de weging van waterbelangen verplicht en dient het milieuaspect water een integraal onderdeel van het omgevingsbeleid te vormen. Dit proces krijgt onder de naam ‘weging van waterbelangen’ een plaats bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (voorheen bekend als de watertoets). Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5. 37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente Provincie Waterschap Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem. ,
,
,
,
,
,
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan door het bevoegd gezag tijdelijk gebruik worden gemaakt van de regels zoals opgenomen in de bruidsschat (onder afdeling 22. 3 milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan). De regels veranderen pas op het moment dat het bevoegd gezag voor een bepaald gebied het omgevingsplan vaststelt. 7. 8. 2
Onderzoek
Bij nieuwe ontwikkelingen dient water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te worden genomen. Dit heet de weging van het waterbelang die ervoor zorgt dat de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een waterrobuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken. Concreet betekent dit dat onder andere onderzocht moet worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met water. Hierbij speelt vasthouden bergen en afvoeren van water in het eigen plangebied een belangrijke rol. Dit wordt onder andere berekend op basis van de hoeveelheid dakoppervlak wat er toe wordt gevoegd. Voor dit onderzoek wordt er gekeken naar de gehele projectlocatie. Derhalve kan gesteld worden dat de beoogde gebruikswijziging met betrekking tot het aspect water in beginsel een vergelijkbare impact zal hebben als hetgeen dat toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. ,
,
,
,
Met onderhavig planvoornemen wordt er geen nieuwe verharding toegevoegd. Het beoogde planvoornemen omvat enkel het wijzigen van de gebruiksfunctie. Het planvoornemen heeft derhalve geen invloed op het aspect water. Er zijn geen wijzigingen voorzien in de bestaande hemelwaterafvoer en/of uitbreiding van het verhard oppervlak. 7. 8. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Negatieve effecten op het waterhuishoudkundig systeem kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten.
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
43
7. 9
Natuur en landschap 7. 9. 1 Toetsingskader Natuur maakt onder de nieuwe Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving één van de kernbegrippen van de Omgevingswet (artikel 1.2 lid 2 onder h). De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet (Ow). Onder Artikel 5.1 lid 1 (Ow) is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten tevens is onder Artikel 5.1 lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Tenzij anders geregeld in het omgevingsplan waterschap verordening omgevingsverordening of ministeriele regeling. ,
,
,
,
,
,
,
,
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (hoofdstuk 11 Bal). In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit). ,
,
,
Natura 2000 Om de natuur te beschermen heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Een activiteit die significant nadele gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied heet een Natura 2000-activiteit. Degene die de activiteit verricht moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn. Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd (artikel 16.53c Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). ,
,
,
,
Natuurnetwerk Nederland De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening conform artikel 2.44 lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. ,
,
,
,
,
Houtopstanden en soortenbescherming De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11. 3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11. 126 Bal) en herplantplicht (art. 11. 129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het Omgevingsplan (art. 5. 165b Bkl). Tevens is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11. 116 Bal) die geldt voor het vellen van houtopstanden het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. ,
,
Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11. 2. 2 t/m 11. 2. 4 van toepassing hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen: ,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
44
Omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11. 2. 2 Bal); Omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11. 2. 3 Bal); Omgevingsvergunning andere soorten (11. 2. 4 Bal). Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11. 37 van het Bal schadelijke Habitatrichtlijn in artikel 11. 46 Bal en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11. 54 van het Bal. ,
7. 9. 2 Onderzoek De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Omgevingswet. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale wetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. Flora en fauna Met onderhavig planvoornemen worden er geen flora en fauna waarden aangetast. Het beoogde planvoornemen omvat namelijk slechts een functiewijziging. Er wordt geen bebouwing gesloopt en/of gerealiseerd. Er wijzigt verder feitelijk niets in de houtopstanden en/of beplanting van het plangebied. Het planvoornemen heeft derhalve geen invloed op het aspect flora en fauna.
Stikstof Met behulp van de vigerende Aerius Calculator 2024 is de stikstofdepositie 9 bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden door de functiewijziging van de gronden aan de Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst. ,
,
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het gebied ‘Maasduinen’ op circa 19 km ten noordoosten van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect betreft dit een extern effect zoals toename van geluid licht of depositie van stikstof. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling enkel een functiewijziging betreft kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op de omliggende Natura 2000-gebieden vanwege het planvoornemen niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve is het uitvoeren van een stikstofdepositieberekening benodigd. Onderhavig document en bijgevoegde Aerius-bijlagen geven hier invulling aan. ,
,
,
,
,
Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de natuurgebieden 000 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2025. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van de plannen. ,
7. 9. 3
Conclusie Gelet op bovenstaande onderzoeksresultaten kan worden gesteld dat de aspecten Natuur en landschap ,
geen belemmering vormen voor het planvoornemen.
9 BRO , AERIUS-berekening Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst , rapportnummer P07769 , d. d. 23 oktober 2024
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
45
7. 10
Luchtkwaliteit
7. 10. 1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5. 1. 4. 1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO)2 en fijn-
stof (PM). 10 Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
CIMLK Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Sinds 1 januari 2023 vervangt het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het NSL. Middels dit nieuwe instrument kan de luchtkwaliteit berekend en gemonitord worden onder de Omgevingswet. NIBM De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO 2 en PM 10 nodig. Uit artikel 5. 53 en 5. 54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NOen PM 10 niet hoger is dan 12 µg/m³. Dat is 3% van de 2 omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. ,
,
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5. 54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. ,
,
Aandachtsgebieden De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO 2 en/of PM 10 Aandachtsgebieden voor zowel NO 2 als PM 10 staan vermeld in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM 10 zijn aangewezen in artikel 5.51 lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5. 51 Bkl). Een rijksomgevingswaarde bestaat uit grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. .
,
,
Als besluiten binnen een aandachtsgebied leiden tot een verhoging van de concentraties van luchtverontreinigende stoffen of als gemeenten activiteiten toestaan die betrekking hebben op wegen vaarwegen of ,
,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
46
spoorwegen en waarvoor luchtkwaliteitsregels gelden volgens het Bal , moet dit in overweging worden genomen.
In sommige gevallen kan de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen zo hoog zijn dat de invoering van een nieuw project toch leidt tot overschrijding van de landelijke omgevingswaarden. Dit kan ook van toepassing zijn op activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied die de concentraties binnen dat gebied verhogen. Hierdoor moet een gemeente soms een planinitiatief toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied zelfs als het initiatief buiten dat specifieke gebied valt. Deze beoordeling is met name nodig bij activiteiten die aanzienlijke luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben zoals extra verkeer of bedrijfsemissies. ,
,
,
De vergunningverlener beoordeelt de activiteit aan de hand van de omgevingswaarden tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van NO 2 of PM 10 In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. ,
.
,
Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het Rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 8. 21 en 8. 24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze gaan over: beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO.2 ,
In sommige gevallen heeft de gemeente mogelijk al in een eerdere fase bijvoorbeeld bij het toelaten van bedrijven in het omgevingsplan beoordeeld of het plan voldoet aan de regels met betrekking tot luchtkwaliteit. Deze beoordeling ook wel aangeduid als een ‘voortoets’ is verplicht als het plangebied zich bevindt in een aandachtsgebied. Wanneer een daadwerkelijke aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt ingediend moet het bevoegd gezag opnieuw beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de specifieke eisen met betrekking tot luchtkwaliteit. Met andere woorden de gemeente kan in een vroegere fase een initiële beoordeling uitvoeren maar de uiteindelijke goedkeuring of afwijzing van de vergunningaanvraag gebeurt pas bij de daadwerkelijke aanvraag op basis van de geldende luchtkwaliteitseisen. ,
,
,
,
,
,
,
7. 10. 2 Onderzoek Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO 2 als PM 10 of voor alleen PM 10 Nader onderzoek is daarom niet benodigd. Er wordt volstaan met een quickscan luchtkwaliteit welke is gebaseerd op het CIMLK-instrument en de NIBM-tool. .
,
CIMLK In het kader van goede ruimtelijke ordening is het van belang om aan te tonen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit. Hierover kunnen uitspraken worden gedaan aan de hand van achtergrondwaarden voor NO 2 PM 10 en PM 2. 5 ter plaatse van het plangebied. De achtergrondwaarden van de vier dichtstbijzijnde rekenpunten zijn in Tabel 7. 1 weergegeven. ,
TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst
47
Tabel 7. 1: Achtergrondwaarden ter plaatse van het plangebied Id
NO 2 μg/m 3
PM 10 μg/m 3
15989591
120395 ,
134861 ,
15989594
124294 ,
15989597
123617 ,
15989592 Norm
PM 10 overschrijdingsda-
PM 2. 5 μg/m 3
Jaar
6
75202 ,
2025
135162 ,
6
75294 ,
2025
136689 ,
6
76729 ,
2025
12806 ,
137021 ,
6
7683 ,
2025
40
40
35
25
gen
De data uit het CIMLK toont aan dat de achtergrondwaarden significant lager zijn dan de gestelde normen. Hieruit kan worden afgeleid dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied. NIBM Middels de NIBM-tool is in beeld gebracht wat de effecten van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit zijn. Voor het toepassen van de NIBM-tool is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de verkeersgeneratie die samenhangt met de binnen de plangebieden beoogde functies. Deze verkeersgeneratie is berekend in hoofdstuk 7. 12 ‘Verkeer en parkeren’. Bij de berekening is uitgegaan van de maximum verkeersgeneratie namelijk 50 mvt/etmaal. De resultaten uit de berekening met de NIBM-tool zijn weergegeven in de navolgende tabel. ,