CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg Toelichting

Gemeenteraad 10 maart 2026, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22z Hagelkruisweg 3, Grubbenvorst.21.489 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Tabel 7. 2 Uitsnede berekening NIBM-tool

Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De toename van de concentratie NO 2 en PM 10 is niet hoger dan 12 ug/m³. Hiermee is sprake van een NIBM-project. Nader onderzoek op dit vlak is daarom niet noodzakelijk. Hierdoor is toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO 2 en PM 10 niet nodig. Tevens behoort het plangebied niet tot een van de aandachtsgebieden welke genoemd zijn in artikel 5.51 lid 2 van het Bkl. De bouw van een appartementencomplex is geen milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal waarover regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht. Het is geen activiteit die relatief veel luchtvervuiling veroorzaakt en over een grotere afstand effect heeft. ,

,

,

,

,

7. 10. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

48

7. 11

Geluid

7. 11. 1 Toetsingskader Het planvoornemen betreft een functiewijziging van ‘Wonen’ naar ‘Bedrijventerrein’. Er is daarmee geen sprake van de toevoeging van een geluidsgevoelige functie.

Geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm.

Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen , spoorwegen en industrieterreinen , en de be-

scherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. ,

De geluidinhoudelijke doelstellingen zijn: het voorkomen van een onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; het reduceren van geluidbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; het bevorderen van bronmaatregelen; het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels: het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels.

Geluidproductieplafonds Een geluidsproductieplafond geeft de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt het referentiepunt op korte afstand van de geluidsbron. Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omge,

,

vingswaarde is het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de hoogste van de volgende waarden: a. De standaardwaarde bedoel in tabel 7. 3; of b. Het geluid bij volledige benutting van het geluidproductieplafond dat gold direct voorafgaand aan de vaststelling van het in de aanhef bedoelde geluidproductieplafond. ,

Tabel 7. 3: Standaardwaarde geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw

Geluidbronsoorten

Standaardwaarde

Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschap-

50 L den

per geluidbronsoort

53 L den

swegen

Hoofdspoorwegen en locale

55 L den

spoorwegen

Industrieterreinen

50 L den 40 L night

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

49

Bij de vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan de hoogste van de twee waarden bedoeld in artikel 3. 32 lid 1 worden overschreden als: a. geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; b. de overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde bedoel in tabel 7. 4. ,

,

Tabel 7. 4: Grenswaarde voor geluid door een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort 10

Geluidbronsoorten

Grenswaarde

Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschap-

60 L den 70 L den

swegen

Hoofdspoorwegen en locale

65 L den

spoorwegen

Industrieterreinen

55 L den 45 L night

Afdeling 3. 5 (artikel 3. 18 lid 1) van het Bkl voorziet in het Toetsingskader/instructieregels omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen spoorwegen en industrieterreinen. ,

Geluidsgevoelige gebouwen De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3. 20 van het Bkl. Het betreft gebouwen waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat bijvoorbeeld een woon- onderwijs- of zorgfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel zijgevel en achtergevel. ,

,

,

,

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid op grond van artikel 4. 2 van de Omgevingswet. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL). Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: de ordening van locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar; hierbij kan worden gedacht aan de afstand tussen een woning en een bedrijf; het stellen van regels aan activiteiten op een locatie; hierbij kan worden gedacht aan normen voor geluidimmissies of preventieve maatregelen.

Geluid door activiteiten In Bijlage XXII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22. 3. 4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22. 57 bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22. 3. 4. 2 BS); geluid door windturbines en windparken (par. 22. 3. 4. 3 BS); ,

10 https://lokaleregelgeving. overheid. nl/CVDR713149

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

50

geluid door civiele buitenschietbanen militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22. 3. 4. 4 BS). ,

7. 11. 2 Onderzoek Het Bkl bevat instructieregels voor geluid van (spoor)wegverkeer op geluidgevoelige gebouwen. Wanneer het plangebied ligt in een geluidaandachtsgebied moet onderzocht worden of afwijkende geluidwaarden en/ of maatregelen genomen moeten worden voor een aanvaardbaar geluidniveau ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen. Het geluid wordt voor alle relevante locaties berekend conform de standaard rekenmethode uit de meet- en rekenmethode geluid wegen (bijlage Ive Omgevingsregeling). De rekenresultaten worden getoetst aan het stelsel van standaardwaarden en grenswaarden uit het omgevingsplan of uit het Bkl. Deze resultaten worden berekend op basis van de gehele ontwikkeling. Hiervoor zullen er met de beoogde gebruikswijziging vergelijkbare resultaten zijn als wanneer er getoetst wordt op basis van hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan.

Onderhavig planvoornemen voorziet niet in het oprichten van een geluidsgevoelig object. Tevens vindt er

,

mede gelet op de reeds aanwezige activiteiten geen extra geluidsproductie plaats ten opzichte van de huidige situatie. In paragraaf 7. 7 heeft reeds een afweging plaatsgevonden van de activiteiten en milieuzonering. Hieruit blijkt dat kan worden voldaan aan de richtafstanden voor wat betreft geluid met betrekking tot de omliggende gevoelige bestemmingen. ,

7. 11. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7. 12

Verkeer en parkeren

7. 12. 1 Toetsingskader Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Dit geldt ook bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten.

Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond- Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 381). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernor,

,

men vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. De activiteit dient in dit geval aan het

gemeentelijk beleid te worden getoetst. Verder bevatten omgevingsvisies van gemeenten een visie op verkeer op gemeentelijk niveau. Daarin worden vaak mobiliteit bereikbaarheid en verkeersveiligheid als belangrijk geacht. Planinitiatieven dienen daaraan te worden getoetst. ,

7. 12. 2

Onderzoek Om een plan ruimtelijk uitvoerbaar te maken moet er worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid bin,

nen het plangebied , moet het plangebied goed worden ontsloten en moeten de omliggende ontsluitingswe-

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

51

gen het extra verkeer goed kunnen verwerken. Het voldoen aan voldoende parkeermogelijkheden wordt on-

derbouwt op basis van de gemeentelijke parkeernormen

de verkeersgeneratie wordt op basis van de CROW cijfers (kencijfers CROW-Parkeerkencijfers 2024) berekend. Deze cijfers worden voor bedrijven berekend op basis van het type bedrijf en de omvang hiervan. ,

Parkeren Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. Op 31 januari 2020 is het ontwerpbestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren Horst aan de Maas’ ter inzage gelegd waarin de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas is opgenomen als Bijlage 1. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers van het CROW. De ijsbereidingsruimte betreft een arbeidsextensief bedrijf. Er wordt vanuit gegaan dat maximaal 5 personen werkzaam zijn. De bedrijfspanden hebben tezamen een bruto vloeroppervlak van 512 m² + 270 m² = 782 m². Dat wil zeggen dat per circa 150 m² bvo 1 persoon werkzaam is. Dit is betrekkelijk veel ruimte voor weinig arbeidskrachten. De richtlijnen van de landelijke parkeerkencijfers van het CROW geven aan dat sprake is van een arbeidsintensief bedrijf als een arbeidskracht maar 25 tot 35 m² bvo tot zijn beschikking heeft. Op grond van de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas (waarin wordt verwezen naar de normen uit het CROW) is de (gemiddelde) parkeernorm voor arbeidsextensieve bedrijven 105 pp per 100 m² bvo (rest bebouwde kom weinig stedelijk gebied).

Dit betekent dat er minimaal (82) afgerond 9 parkeerplaatsen bij het bedrijf moeten worden gerealiseerd. Aan dit aantal wordt voldaan er zijn reeds 13 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de geldende parkeernormen. ,

,

,

,

,

,

Verkeersgeneratie Op grond van het CROW is de verkeersgeneratie voor arbeidsextensieve bedrijven 39 tot 57 pp per 100 m² bvo (rest bebouwde kom weinig stedelijk gebied). Op basis van CROW-Parkeerkencijfers 2024 bedraagt de maximale verkeergeneratie 45 voertuigbewegingen per weekdag. Om de verkeersgeneratie per werkdag te berekenen moet de verkeersgeneratie) met een factor 111 worden vermenigvuldigd (conform CROW). De totale verkeersgeneratie per werkdag bedraagt daarmee afgerond 50 motorvoertuigbewegingen. ,

,

,

,

,

Ontsluiting De ontwikkeling genereert maximaal 50 voertuigbewegingen per werkdag. De ruime capaciteit van de omliggende wegen en een beperkte spitsintensiteit leiden ertoe dat er geen knelpunten te verwachten zijn op het gebied van verkeersdoorstroming. Langzaam verkeer kan via dezelfde ontsluiting als gemotoriseerd verkeer worden afgewikkeld. De ontsluiting op de Hagelkruisweg leidt niet tot knelpunten in de verkeersdoorstroming. 7. 12. 3

Conclusie

Gelet op de bovenstaande berekeningen kan er worden geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parke,

ren geen belemmering vormen voor onderhavig planvoornemen.

7. 13

Geur

7. 13. 1

Toetsingskader Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5. 1. 4. 6 Bkl ‘Geur’ onderdeel van paragraaf 5. 1. 4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. ,

Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden;

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

52

indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten; indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.

Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 2); houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 3); enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5. 1. 4. 6. 4). Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5. 1. 4. 6. 1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebou,

wen.

De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het tijdelijk omgevingsplan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22. 3. 6. 2 BS); geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22. 3. 6. 3 BS); geur door andere agrarische activiteiten zoals o. a. het opslaan van vaste mest champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22. 3. 6. 4 BS); geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22. 3. 6. 5 BS). ,

,

,

Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5. 91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen zoals logiesgebouwen of gevangenissen of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5. 91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5. 91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd. ,

,

,

,

,

7. 13. 2 Onderzoek Voor onderhavig project wordt op grond van art. 5. 91 lid 1 Bkl geen geurgevoelig gebouw gerealiseerd. In de omgeving van onderhavig planvoornemen zijn geen geurgevoelige objecten gelegen. Eveneens maakt het planvoornemen geen geurgevoelige activiteit mogelijk. Derhalve is er geen sprake van een belemmering

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

53

voor de belangen van de geurveroorzakende activiteiten in de omgeving en de omliggende geurgevoelige

bestemmingen. 7. 13. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7. 14

Trilling

7. 14. 1 Toetsingskader Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het kan effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5. 80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie onderwijsfunctie gezondheidszorgfunctie bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevenge,

,

,

bruiksfuncties. Er zijn verschillende soorten trillingen met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen: continue trillingen (trillingen die gedurende een lange tijd aanwezig zijn door bijvoorbeeld machines of druk wegverkeer); herhaald voorkomende trillingen (kortdurende trillingen die periodiek voorkomen door bijvoorbeeld trein,

,

verkeer). Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het spoor machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. Deze bronnen veroorzaken een trilling die voelbaar is in gebouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vloer en de wanden. Trillingen kunnen op grote afstand hinder of schade opleveren. ,

In beginsel moet binnen een afstand van 100 meter van een treinspoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan.11 Provinciale omgevingsverordening De provinciale omgevingsverordening is de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit een provinciale omgevingsvisie. In een omgevingsverordening kunnen instructieregels en/of direct werkende regels staan over trillingen. Omdat zoals eerder aangegeven het aspect trillingen vooral een lokaal probleem is komen provinciale regels over trillingen in een omgevingsverordening niet vaak voor. De provincie mag wel regels over trillingen opnemen in de omgevingsverordening voor het omgevingsplan (paragraaf 2. 5. 1 van de ,

Omgevingswet). Een provincie mag alleen direct werkende regels stellen over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Dit gebeurt met het oog op 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' als het onderwerp (trillingen) niet doelmatig en doeltreffend kan worden geregeld met een instructieregel (artikel 2.3 lid 2 van de Omgevingswet). ,

,

,

11 https://iplo. nl/thema/trillingen/trillingen-instrumenten/omgevingsplan/nieuwbouw-langs-spoor/

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

54

Vanuit de Provinciale Omgevingsverordening Limburg (d. d. 1 januari 2024) gelden ter plaatse geen nadere instructieregels ten aanzien van het aspect trillingen.

Omgevingsvisie Provincies en gemeenten kunnen langetermijndoelen ambities en beleidskeuzes voor trillingen vastleggen in een omgevingsvisie. De omgevingsvisie geeft een beschrijving van hoe het onderwerp trillingen doorwerkt in bijvoorbeeld plannen voor een woningbouwproject. Trillingen spelen over het algemeen geen prominente rol in een omgevingsvisie. Dat is wel het geval wanneer in het plangebied van de omgevingsvisie een spoor aanwezig is of wordt aangelegd. De omgevingsvisie is dan een geschikt instrument om vast te leggen dat bij nieuwbouw vroegtijdig rekening wordt gehouden met hinder door spoortrillingen. ,

In de ontwerp-omgevingsvisie van de gemeente Horst aan de Maas wordt het thema trilling niet specifiek behandeld.

Omgevingsplan Het aspect trilling is vooral een lokaal probleem. Gemeenten mogen zelf regels stellen over trilling door milieubelastende activiteiten in het omgevingsplan. Hiervoor gelden de instructieregels over (continue en herhaald voorkomende) trillingen door activiteiten op trilling gevoelige gebouwen in het Bkl (paragraaf 5. 1. 4. 4). De instructieregels voor trillingen door activiteiten gelden voor: het op een locatie toelaten van een activiteit en het aanpassen daarvan; het op een locatie toelaten van een trilling gevoelig gebouw en het aanpassen daarvan; een combinatie van beide. Het gaat hierbij om activiteiten die trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw in een frequentie van 1 tot 80 Hz. Er zijn ook activiteiten die uitgezonderd zijn van de instructieregels: trilling gevoelige gebouwen op een industrieterrein waarvoor een geluidproductieplafond is ingesteld (artikel 5.79 lid 2 onder a Bkl); de activiteit wonen; verkeer op wegen vaarwegen en spoorwegen. ,

,

,

,

In het omgevingsplan leggen gemeenten vast welke trillingen door een activiteit in trilling gevoelige ruimten van trilling gevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn (artikel 5. 83 Bkl). Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet hier aan worden voldaan. Hierbij vindt een afweging plaats tussen het beschermen van de fysieke leefomgeving en het benutten van een locatie. Daarbij houdt de gemeente rekening met alle betrokken belangen. Trillingen zijn aanvaardbaar als de standaardwaarden voor continue en herhaald voorkomende trillingen (zie Tabel 7. 5 en Tabel 7. 6) uit de artikelen 5. 87 en 5. 87a van het Bkl worden overgenomen (conform artikel 5. 86 Bkl). Volgens artikel 5. 87 Bkl dienen continue trillingen in eerste instantie te voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden voor die trillingen bedoeld onder A1. Indien hieraan wordt voldaan is er sprake van een acceptabele situatie. Wanneer niet wordt voldaan aan deze waarden moeten de continue trillingen voldoen aan de in het omgevingsplan opgenomen waarden onder A2 en A3. Hetzelfde geldt voor artikel 5. 87a Bkl over de standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. ,

,

,

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

55

Tabel 7. 5: Standaardwaarden voor toelaatbare continue trillingen in trilling gevoelige ruimten (artikel 5. 87 Bkl)

Soort

Standaardwaarde

Standaardwaarde

Tijdsperiode A1 trillingssterkte V max A2 trillingssterkte V max A3 trillingssterkte V per

07. 00-23. 00 uur 01 04 005

23. 00-07. 00 uur 01 02 005

, , ,

, , ,

Tabel 7. 6: Standaardwaarden toelaatbare herhaald voorkomende trillingen in trilling gevoelige ruimten (artikel 5. 87a Bkl)

Soort

Standaardwaarde

Standaardwaarde

Tijdsperiode A1 trillingssterkte V max A2 trillingssterkte V max A3 trillingssterkte V per

07. 00-23. 00 uur 02 08 01

23. 00-07. 00 uur 02 04 01

, , ,

, , ,

Artikel 5. 88 en 5. 89 van het Bkl bieden een mogelijkheid tot afwijking van de waarden in het geval van bedrijventerreinen of zwaarwegende economische of maatschappelijke belangen. ,

Verder leiden niet op alle locaties de standaardwaarden voor een activiteit tot het gewenste evenwicht tussen beschermen en benutten. Een gemeente kan dan gemotiveerd vanuit het oogmerk van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties kiezen voor andere waarden (artikel 5.86 lid 2 Bkl). ,

,

,

In het tijdelijk deel van het ‘Omgevingsplan gemeente Horst aan de Maas’ is het aspect trillingen in artikel 22. 83 tot en met 22. 89 van paragraaf 22. 3. 5 vermeld. Ook is in artikel 22. 18 de specifieke zorgplicht benoemd voor het gebruik van bouwwerken om overlast of hinder door trilling te voorkomen. 7. 14. 2 Onderzoek Het planvoornemen maakt geen trilling gevoelig gebouw mogelijk. Er is ook geen spoorlijn in de omgeving 12 Gezien het plangebied buiten het onderzoeksgebied van 100 meter en van de nieuwe bebouwing gelegen. 250 meter valt kan hinder door trillingen van het treinverkeer worden uitgesloten en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zoverre worden geborgd. ,

Geconcludeerd kan worden dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening en het gemeentelijke omgevingsplan omgevingsvisie. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.

,

en de ambities uit de gemeentelijke

7. 14. 3 Conclusie Vanuit het milieuaspect trilling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

12 https://spoorkaart. mwnn. nl/

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

56

8

Financiële en maatschappelijke verantwoording

8. 1

Financieel-economische haalbaarheid

De ontwikkeling is voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Er is geen sprake van een bouwplan. Er zullen legeskosten in rekening worden gebracht voor de onderhavige ontwikkeling waarmee de financiële uitvoerbaarheid van het plan wordt gewaarborgd en het kostenverhaal voor de gemeente anderszins is verzekerd.

8. 2

Maatschappelijke verantwoording

8. 2. 1 Advies en instemming De wijziging van het omgevingsplan zal door de gemeente aan de vaste overlegpartners worden voorgelegd. Eventuele reacties worden beantwoord en waar nodig in het plan verwerkt. 8. 2. 2

Resultaten proces met derden De buurt is op de hoogte gebracht van de plannen middels een informatiebrief. Naar aanleiding van deze informatiebrief heeft opdrachtgever een reactie mogen ontvangen van een aantal omwonenden. Uit deze reactie wordt door allen aangegeven dat zij kennis hebben genomen van de wijziging van het omgevingsplan en hiertegen verder geen bezwaren hebben. Zowel de informatiebrief als de reactie van de omwonenden zijn bijgevoegd als separate bijlagen bij de stukken van het voorliggende TAM-omgevingsplan. ,

8. 2. 3 Zienswijzen De wijziging van het omgevingsplan wordt door de gemeente op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend gemaakt. Tegen de wijziging van het omgevingsplan kunnen gedurende zes weken zienswijzen worden ingediend. Eventuele zienswijzen worden beantwoord en waar nodig wordt het omgevingsplan aangepast. Vervolgens gaat de gemeenteraad over tot vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan. Door belanghebbenden kan tegen dit besluit gedurende zes weken beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingesteld.

TAM-omgevingsplan bedrijfsactiviteiten Hagelkruisweg 3 te Grubbenvorst

57

Amsterdam Nachtwachtlaan 20 1058 EA Amsterdam +31 (0)20 506 19 99

‘s-Hertogenbosch Willemsplein 2 5211 AK ’s-Hertogenbosch +31 (0)73 208 91 55

Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info @bro.nl www. bro. nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16580231/1