01c Toelichting
Tekst van het document
Initiatiefnemer is voornemens gelijktijdig ook de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te saneren. Op de locatie zijn nog twee, sterk verouderde, varkensstallen gelegen. Deze zijn in de loop der jaren in verval geraakt en zorgen voor verrommeling van het landschap. Hiervoor in de plaats is initiatiefnemer voornemens een nieuwe vrijstaande woning te realiseren ter plaatse van de te saneren stallen. Per saldo is dan in de toekomstige situatie sprake van twee vrijstaande burgerwoningen in plaats van een intensieve veehouderij met bedrijfswoning. Gezien de grootte van het perceel is er meer dan voldoende ruimte om ter plaatse van de te saneren stallen een nieuwe woning te realiseren. Het is tevens de wens van initiatiefnemers om de bestaande bijgebouwen bij de woning, zijnde het bijgebouw en de karakteristieke schuur te behouden. Zowel de bestaande als de nieuwe woning zal een ruim perceel rondom de woning overhouden met voldoende privacy. Initiatiefnemer is al op leeftijd en wil graag levensloopbestendig gaan wonen. Derhalve zal initiatiefnemer na verkoop van de bestaande woning zelf de nieuwe woning gaan betrekken. In de huidige situatie is er thans nog sprake van een geldende milieuvergunning. De totale vergunde ammoniakemissie bedraagt 927 kg NH3/jaar, de vergunde geuremissie bedraagt 4.738 kg OUE/s en de vergunde fijnstofemissie bedraagt 31,52 kg PM10/jaar.
Met het planologisch saneren van de intensieve veehouderij wordt ook de thans geldende milieuvergunning ingetrokken. Hiermee zal de ammoniak-, geur- en fijnstofbelasting vanuit de veehouderij op de omliggende woningen volledig komen te vervallen. In het verleden zijn reeds diverse omliggende voormalige agrarische bedrijven gesaneerd waarbij de bedrijfswoningen omgezet zijn naar burgerwoningen. Met de beoogde ontwikkeling wil initiatiefnemer dan ook aansluiten bij de omliggende woningen. Bij uitvoering van deze beoogde sanering is sprake van een grote ruimtelijke en milieuwinst voor de gehele omgeving. De verouderde bedrijfsbebouwing zal worden gesloopt, waardoor de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving aanzienlijk verbeterd (ontstening van het buitengebied).
4.1
Uitgangspunten en doelstellingen van het plan
De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op de volgende aspecten:
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
21
▪
▪
▪ ▪ ▪ ▪
▪
De locatie Broekhuizerdijk 48 verliest de functie als agrarisch bedrijf. In plaats daarvoor word de locatie benut voor woondoeleinden. De bestemming ‘Agrarisch met waarden’ dient daarvoor gewijzigd te worden in de bestemming ‘Wonen’; Ter plaatse van deze bestaande woning dient de aanduiding ‘maximum oppervlakte aan bijgebouwen: 528 m²’ te worden toegekend zodat de huidige bijgebouwen behouden kunnen blijven als bijgebouwen bij deze woning, maar ook op basis van de gemeentelijke sloopregeling nog 52 m2 aan nieuwe bijgebouwen kan worden opgericht bij deze woning; De voormalige varkenstallen dienen volledig gesloopt te worden; Als tegenprestatie voor het saneren van het agrarisch bedrijf wordt er één nieuwe woning opgericht.
Oppervlakte van dit woonperceel dient 750 m2 te bedragen; Middels een voorwaardelijke bepaling wordt geborgd dat er geen omgevingsvergunning voor bouw wordt verleend mits er middels een bodemonderzoek is aangetoond dat de bodem geschikt is voor wonen; Het niet voor woondoeleinden te gebruiken deel van het plangebied blijft de huidige agrarische bestemming behouden, echter wordt het bouwvlak van de locatie verwijderd, waardoor het (opnieuw) exploiteren van een agrarisch bedrijf of het oprichten van agrarische bebouwing is uitgesloten; Verder dienen alle dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan opnieuw van toepassing te worden verklaard.
De doelstelling van onderhavig bestemmingsplan is het wegbestemmen van het huidige agrarische bedrijf en daarvoor in de plaats de bouw van een woning mogelijk te maken.
4.2
Wijzigingsbevoegdheid
In het vigerende bestemmingsplan is een bevoegdheid opgenomen om de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ om te zetten naar de bestemming ‘Wonen’ mits aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. In dit specifieke geval kan geen gebruik worden gemaakt van deze wijzigingsbevoegdheid omdat het initiatief is gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – ontwikkelingsgebied TOV’ en het initiatief tevens ook voorziet in het toevoegen van een nieuwe woning. Ondanks dat de wijzigingsbevoegdheid hier niet van toepassing is zal het initiatief wel getoetst worden aan de gestelde voorwaarden. Conform artikel 3.8.5 van het vigerende bestemmingplan kan de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ omgezet worden in de bestemming ‘Wonen’, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. deze wijziging niet is toegestaan ter plaatse van de aanduidingen 'Overige zone - ontwikkelingsgebied glastuinbouw' en/of 'overige zone - ontwikkelingsgebied TOV; b. de agrarische bedrijfsuitoefening is beëindigd; c. er sprake is van een bedrijfscomplex dat redelijkerwijs niet (meer) bruikbaar is (gebleken) c.q. kan worden gemaakt voor eigentijdse agrarische bedrijfsvoering, dan wel een locatie waar voortzetting van de agrarische bedrijfsvoering ongewenst is in verband met de belasting van het milieu dan wel de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden; d.
de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden behouden blijven; e. door middel van een inrichtingsplan is aangetoond dat er sprake is van een kwaliteitsverbetering, waarbij zorg gedragen wordt voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing of landschappelijke compensatie; f. overige niet tot de woonfunctie behorende gronden worden bestemd als 'Agrarisch met waarden' zonder bouwvlak; g. eventuele aanwezige teeltondersteunende voorzieningen en waterbassins behorende bij het (voormalige) agrarische bedrijf worden verwijderd en de bijbehorende aanduidingen worden verwijderd h. wonen uitsluitend is toegestaan in de bestaande bedrijfswoningen, waarbij het bestaande aantal bedrijfswoningen niet mag worden vergroot:
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
22
i.
j. k. l.
in uitzondering op het voorgaande is splitsing van rijks- of gemeentelijke monumenten, van panden zoals opgenomen in Bijlage 7 Karakteristieke panden, dan wel karakteristieke panden die zijn aangewezen in door het bevoegd gezag vastgesteld cultuurhistorisch beleid, in meerdere woningen toegestaan, met dien verstande dat: 1. het aantal woningen na splitsing niet meer bedraagt dan 3; 2. de woningsplitsing noodzakelijk is in verband met het herstel of de verbetering van de te beschermen architectonische of cultuurhistorische waarden; 3. de bestaande inhoud van de woning c.q. het pand niet wordt vergroot en de uiterlijke kenmerken behouden dienen te blijven; 4. indien het een monumentaal of karakteristiek bebouwingscluster betreft woningsplitsing in het hele cluster is toegestaan, met dien verstande dat de karakteristiek van het cluster behouden blijft; 5. de woningen na splitsing elk een inhoud te hebben van minimaal 350 m3; 6. het bouwperceel per woning maximaal 1.000 m2 bedraagt; 7. de gezamenlijke oppervlakte van de vrijstaande bijgebouwen niet meer bedraagt dan 150 m2; 8. de te realiseren extra woning(en) binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma passen; 9. het bevoegd gezag de aanhef onder i kan wijzigen door het toevoegen of verwijderen van karakteristieke panden indien het gemeentelijk cultuurhistorisch beleid wordt gewijzigd of herzien.
de wijziging niet mag leiden tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; er vooraf schriftelijk advies dient te worden ingewonnen bij het waterschap en de Keur van het waterschap in acht genomen dient te worden; na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van Artikel 21 (Wonen) van overeenkomstige toepassing zijn.
Hieronder zal een toetsing en andere motivatie plaatsvinden op de wijzigingsvoorwaarden: Ad. a. Het plangebied is gelegen ter plaatse van de aanduiding ‘overige zone – ontwikkelingsgebied TOV’. Derhalve wordt, voor wat betreft sub a, niet voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde. Het feitelijke gebied voor TOV ligt ruim ten zuiden van het plangebied, derhalve kan afgeweken worden van deze wijzigingsvoorwaarde; Ad. b. De agrarische bedrijfsuitoefening is reeds al enkele jaren geleden beëindigd in het kader van de stoppersregeling. Er is dus geen sprake meer van een actief agrarisch bedrijf ter plaatse; Ad. c. De thans aanwezige varkenstallen zijn sterk verouderd en in de loop der jaren in verval geraakt. Daarnaast is het gezien het oppervlakte van het agrarische bouwvlak, het ontbreken van aangrenzende eigen landbouwpercelen maar ook de ligging nabij andere burgerwoningen zeer onwaarschijnlijk dat de locatie nog potentie heeft voor een moderne, hedendaagse agrarische bedrijfsvoering; Ad. d. In het kader van de functiewijziging wordt er geen afbreuk gedaan aan de thans aanwezige landschappelijke, cultuurhistorisch en/of architectonische waarden. Deze zullen dan ook behouden en waar mogelijk versterk worden; Ad. e. In het kader van de functiewijziging is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hiermee wordt de locatie voorzien van een landschappelijke kwaliteitsverbetering.
Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.3; Ad. f. De overige gronden, welke niet voor wonen worden bestemd, blijven de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ behouden. Ad. g. Er zijn geen teeltondersteunende voorzieningen en/of waterbassins aanwezig binnen het plangebied; Ad. h. De thans aanwezige bedrijfswoning wordt herbestemd tot een burgerwoning. Derhalve is er geen sprake van het vergroten van het aantal bestaande bedrijfswoningen, echter zal er wel een burgerwoning worden toegevoegd. ; Ad. i. Er is geen sprake van splitsing van de bestaande bedrijfswoning in het kader van de functiewijziging; Ad. j. Uit toetsing die in hoofdstuk 5 plaatsvindt blijkt dat de functiewijziging niet leidt tot een onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen gronden en bebouwing; Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
23
Ad. k. De functiewijziging voorziet niet in een wijziging van waterlichamen en/of watergangen; Ad. l. Er wordt voldaan aan de bepalingen zoals opgenomen in artikel 21. Op basis van bovenstaande kan gesteld worden dat, met uitzondering van sub a en h, voldaan wordt aan de gestelde wijzigingsvoorwaarden. Zoals eerder benoemd kan in het kader van de voorgenomen ontwikkeling geen gebruik worden gemaakt van de wijzigingsbevoegdheid, derhalve zal een bestemmingsplanprocedure worden doorlopen.
4.3
Stedenbouwkundige / ruimtelijke aspecten
De bestaande bedrijfswoning blijft als burgerwoning met bijgebouwen behouden. Ter plaatse van de bestaande woning wijzigt fysiek gezien ten opzichte van de huidige situatie niets. De bestemmingswijziging heeft louter betrekking op de functionele wijziging, welke derhalve geen stedenbouwkundige of ruimtelijke consequenties heeft. Het thans aanwezige oppervlakte aan bijgebouwen zal hierbij behouden blijven. Ten opzichte van de nieuwe woning is er natuurlijk wel sprake van een fysieke wijziging. De voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, zijnde twee varkensstallen, worden beide gesloopt. Hiervoor in de plaats zal één woningbouwkavel worden gerealiseerd. Er zal dus meer bebouwing verdwijnen dan dat er terug gebouwd wordt. Ter plaatse van het plangebied is sprake van klein bebouwingscluster waaraan burgerwoningen en agrarische bedrijven zijn gelegen. Het is wenselijk om de nieuwe woning in lijn te leggen met de reeds bestaande nabijgelegen burgerwoningen. Het bestemmingsvlak krijgt hierbij een oppervlakte van 750 m² conform de structuurvisie Horst aan de Maas. Met de beoogde locatie voor de nieuwe woning wordt enerzijds gewaarborgd dat er voldoende ruimte tussen de bestaande woning en de nieuwe woning behouden blijft. Anderzijds is de woning hiermee op voldoende afstand van de omliggende bedrijven gelegen waarmee een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd kan worden.
Afbeelding 11 Beoogde situatie (geel; te behouden woning met schuur, groen; beoogd nieuw woonvlak, rood; voorgevelrooilijn)
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
24
Bouwtekeningen voor de nieuwe woning zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet een specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met een vrijstaande woning, zoals deze voldoet aan de bepalingen uit de regels. Over de architectonische uitstraling van de nieuwe woning is dan momenteel ook nog niets bekend. Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen wordt er in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag het bouwplan getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit zodat de op te richten woning zowel qua vorm, geleding als gevel (uitstraling) passend is in het heersende straatbeeld en de woning ook kwalitatief past in de omgeving. Met de sloop van de agrarische bedrijfsbebouwing vindt er een aanzienlijke ontstening plaats van het buitengebied. De sanering van de bebouwing draagt bij aan de openheid van het landschap. De nieuwe woning wordt opgericht als onderdeel van het bebouwingslint aan de Broekhuizerdijk. Zowel de nieuwe als de bestaande woning wordt daarnaast voorzien van een landschappelijke inpassing die aansluit bij de landschappelijke karakteristieken en deze zelfs versterkt. Door het inbrengen van open ruimte en groene elementen ontstaat er een duidelijk raamwerk waarbij de beoogde ontwikkelingen op het perceel mogelijk worden.
Met het saneren van de intensieve veehouderij en het hiervoor in de plaats toevoegen van een nieuwe woning is sprake van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering van het landschap.
4.4
Landschappelijke inpassing
Om het plangebied in het kader van de beoogde ontwikkeling op de juiste manier in het landschap in te passen is voor de locatie een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. Rondom het perceel zal doormiddel van, grenzend aan de open akkers, het realiseren van een struikenlaag met bomen (westzijde), het uitdunnen van de bestaande bomen (zuidzijde) en de aanleg van een struikensingel nabij de beek (oostzijde) een mooi landschappelijk kader worden gerealiseerd waarbinnen het bestaande en het nieuwe erf zijn gelegen. Door het nieuwe erf te omkaderen met een gemengde haag aan de zijkant en beukenhaag aan de voorzijde met twee bomen is de privacy gewaarborgd. Door de gemengde haag aan de voorzijde van de boomgaard deels door te zetten en af te wisselen met een robinahekwerk-Ursushaag ontstaat er een mooi kader vanuit de straat gezien. Dit is ook mooi aan de zijde van de beek. De bestaande boomgaard zal worden aangevuld met een mix aan fruitbomen. Enkele poorten zullen het erf verbinden met het weidebomenperceel. In de hoek van het perceel, onderdeel van de beekdalzone/beekloopzone, ruimte voor een natuurlijke poel, welke uitgerasterd wordt en zo een mooi natuurelement vormt dat bijna jaarrond water zal bevatten. De kamer rond het huis is het erf, met hierin een ‘opsplitsing’ die het knus maakt.
Met aan de voorzijde een meer tuininrichting en aan de achterzijde en natuurlijkere erfinvulling met extensief gras en een aansluiting op de weide. Hiermee wordt qua beheer een opsplitsing van intensief naar meer extensief en grenzend aan de beekloop en achterliggende akkerperceel een mooie ecologische verbinding. Dit landschapsplan dient als kwalitatieve tegenprestatie in het kader van de afdracht kwaliteitsbijdrage in het kwaliteitsfonds conform de Structuurvisie Horst aan de Maas.
1 Landschappelijk inpassingsplan, Ron Janssen Erf- en landschapverfraaiing (d.d. 7 januari 2023)
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
25
Afbeelding 12 Landschappelijk inpassingsplan
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
26
5 SECTORALE ASPECTEN
5.1
Inleiding
Op grond van het bepaalde in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het bij het opstellen van een bestemmingsplan verplicht om inzicht te bieden in de relevante planologische en milieuhygiënische aspecten. In dit hoofdstuk is een verantwoording voor deze aspecten opgenomen.
5.2
Milieuaspecten
5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit In het kader van de Wet ruimtelijke ordening dient, in geval van een nieuw bestemmingsplan, aangegeven te worden of de bodemkwaliteit geschikt is voor de nieuwe functie, in dit geval voor een woonfunctie. Zodra de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing is gesloopt zal een bodemonderzoek ter plaatse worden uitgevoerd. Aangetoond dient te worden dat de bodem dan geschikt is voor de functie wonen. Om het uitvoeren van onderzoek te waarborgen zal de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - bodemonderzoek’ aan de locatie worden toegekend. In de planregels zal juridisch worden vastgelegd dat ter plaatse van deze aanduiding geen bebouwing mag worden opgericht vóór er middels een bodemonderzoek is aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde woonfunctie. 5.2.2 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek2 uitgevoerd. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200
2 Akoestisch onderzoek, HMB (d.d. 5 januari 2023, kenmerk: 22210801N v.2)
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
27
Er dient aangetoond te worden dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de nieuwe woning. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (tot maximaal 53 dB). Hiervoor dient tegelijkertijd met de bestemmingsplanprocedure een hogere waarden procedure op grond van de Wgh te worden gevoerd. Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de Langevenseweg en de Broekhuizerdijk. Railverkeer Op een afstand van 130 meter van het plangebied is de spoorlijn Nijmegen-Venlo gelegen. In het kader van de Wgh is voor de geluidsbelasting van railwegverkeer een voorkeursgrenswaarde vastgesteld van 55 dB en een maximale ontheffingswaarde van 68 dB. De omvang van de zone langs een op de geluidplafondkaart aangegeven spoorweg is afhankelijk van de hoogte van het geluidproductieplafond ter plaatse. In onderhavige situatie bedraagt het maatgevende geluidproductieplafond 58 dB, waaruit op grond van art. 1.4a lid 1 uit Besluit geluidhinder een zonebreedte geldt van 200 meter.
Conclusie Uit onderzoek blijkt dat voor alle omliggende (spoor)wegen voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde, dat dat de nieuwe beoogde woonbestemming geen inbreuk doet op de geluidsruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen. Derhalve kan een goed woon- en leefklimaat op de onderzoekslocatie gewaarborgd worden. Uit de berekeningen blijkt verder dat de geluidbelasting nergens hoger is dan 53 dB. Het Bouwbesluit vereist een karakteristieke gevelgeluidwering van minimaal 20 dB(A) en een binnen geluidsniveau in de woning van ten hoogste 33 dB. Bij een geluidbelasting tot 53 dB zijn derhalve geen aanvullende akoestische maatregelen aan de woning noodzakelijk. Derhalve vormt het aspect geluid geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling. 5.2.3 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd. Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden.
Als een project ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd (oftewel meer dan 1,20 µg/m³ bijdraagt) draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Met onderhavig plan wordt slechts één nieuwe woning gerealiseerd. Met het plan wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Het realiseren van de woning draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
28
Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,2 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 14,7 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 10,7 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor het realiseren van de woning. Gelijktijdig met de beoogde ontwikkeling zal ook de thans nog aanwezige milieuvergunning komen te vervallen. Conform de thans geldende milieuvergunning mag ter plaatse 31,52 kilogram PM10 per jaar uitgestoten worden.
Met het planologisch saneren van het agrarisch bedrijf verdwijnen zowel de transportbewegingen van met name zwaar verkeer als de uitstoot van fijnstof door vee. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Het initiatief zal ook, in vergelijking met het huidige gebruik als agrarisch bedrijf, een afname van de verkeersaantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Daarnaast verdwijnen door het planologisch saneren van de veehouderij de transportbewegingen van met name zwaar verkeer en de uitstoot van fijnstof door het houden van vee. Dit heeft een positief effect op de luchtkwaliteit. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.2.4 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid.
Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woningen betreffen derhalve geurgevoelig objecten. Het planologisch saneren van het agrarische bedrijf heeft een volledige stopzetting van de geuremissie vanuit het plangebied tot gevolg. Uit de nieuw op te richten woning en de van functie te wijzigen woning vindt geen geuremissie plaats. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders van deze wet eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgesteld in een geurverordening. Op 30 juni 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas vastgesteld. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de verordening is
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
29
bepaald dat voor het buitengebied, waarbinnen het plangebied valt, een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 14,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting). Recentelijk heeft de rechtbank Den Haag (nr: C-09-594148-HA ZA 20-547) uitgesproken dat er sprake is van er sprake is van een acceptabel woonklimaat indien de geurbelasting maximaal 19,4 OU/m³ bedraagt. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft de gemeente Horst aan de Maas aangegeven dat het nieuwe bouwvlak ook dient te voldoen aan deze maximale geurbelasting. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het geureffect van de omliggende veehouderijen getoetst aan de gemeentelijke geurverordening en de Wet geurhinder en veehouderij. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: 1. Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied? 2. Worden omliggende agrarische bedrijven (veehouderijen) als gevolg van het initiatief gehinderd in hun bedrijfsvoering? Individuele geurbelasting (voorgrondbelasting) Geurgevoelige objecten worden in 5 typen (a t/m e) met verschillende beschermingsniveaus onderscheiden: a.
Ruimte voor Ruimtewoning (en soortgelijke geurgevoelige objecten): ▪ gebouwd na 19 maart 2000, ▪ op een kavel die op dat moment in gebruik was als veehouderij, ▪ waarbij de veehouderij (deels) buiten werking is gebracht, en ▪ waarbij stallen (of andere bedrijfsgebouwen) zijn gesloopt. b. Bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) bij een andere veehouderij. c. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die op of na 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij. d. Voormalige bedrijfswoning (of ander geurgevoelig object) die al voor 19 maart 2000 geen onderdeel meer was van een andere veehouderij. e. Alle woningen (en andere geurgevoelige objecten) die niet onder a t/m d vallen. Het nieuw te realiseren geurgevoelig object, zijnde de beoogde nieuwe woning, valt onder type a. De nieuwe beoogde woning zal na 19 maart 2000 worden gerealiseerd, op een kavel die op 19 maart 2000 tot de huidige veehouderij behoorde. Met het saneren van de veehouderij is er geen sprake meer van een actief agrarisch bedrijf en zal eveneens de agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt worden. De bestaande woning, welke van bedrijfswoning naar een burgerwoning zal worden omgezet, valt onder type c. Deze woning betrof immers op 19 maart 2000 (en erna) de bedrijfswoning behorende bij de ter plaatse gevestigde varkenshouderij.
Type a en c objecten vallen in de Wgv onder artikel 14 (vaste afstanden). De afstand tussen geurgevoelige objecten en een veehouderij dient in dit geval meer dan 50 meter te bedragen, vanwege de ligging buiten de bebouwde kom. De afstand van het beoogde bouwvlak van de nieuwe woning en de bestaande woning tot de omliggende veehouderijen bedraagt in beide gevallen 50 meter of meer. De bestaande woning en in de nieuwe woning kan derhalve een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Cumulatieve geurbelasting (achtergrond belasting) Middels het programma ‘V-stacks’ gebied is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordeling of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De norm voor een geurgevoelig object, gelegen in het buitengebied, is door de gemeentelijke geurverordening vastgesteld op 20 OU/m³. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
30
In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Tabel 1 Cumulatieve geurbelasting (rood omlijnd bouwvlak beoogde woning)
Nummer
Nummer
X-coördinaat
Y-coördinaat
Punt 1 Punt 2 Punt 3 Punt 4 Punt 5
205261 205274 205282 205288 205265
386653 386656 386653 386630 386624
Berekende waarde 19,41 18,95 18,75 17,34 17,46
De cumulatieve geurbelasting varieert tussen 17,34 en 19,41 OU/m3. Derhalve is er slechts sprake van een zeer geringe overschrijding van 0,01 OU/m³. Met het saneren van het agrarisch bedrijf vindt een aanzienlijke kwaliteitsverbetering van de omgeving plaats. De hiermee gepaard gaande ammoniak-, geur- en fijnstofuitstoot komt hiermee te vervallen. Daarnaast zijn er in de nabije omgeving diverse burgerwoning gelegen, met het saneren van het agrarisch bedrijf en het toevoegen van een nieuwe woning wordt aangesloten bij de omliggende burgerwoningen. Het betreft dan ook louter een positieve ontwikkeling. Aan alle overige voorwaarden wordt voor wat betreft de voorgenomen ontwikkeling voldaan, derhalve kan dan ook gerechtvaardigd afgeweken worden van de geurnorm. 5.2.5 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld.
Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. de richtafstandenlijst; 2. twee omgevingstypen; 3. een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd.
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
31
Het plangebied is te typeren met het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; aan de Broekhuizerdijk komen verschillende bedrijfsfuncties voor, afgewisseld met burgerwoningen. Derhalve is er sprake van een gemengd gebied. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie – zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat – met één afstandstap worden verkleind. Uitzondering hierop is de richtafstand voor het aspect gevaar. Deze wordt niet verkleind. Een woonfunctie betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de nieuwe woonfunctie milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies.
In de directe omgeving (straal van 500 meter) bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een intensieve veehouderij aan de Broekhuizerdijk 53, op een afstand van 55 meter; ▪ Een kapel aan de Broekhuizerdijk 55, op een afstand van 75 meter; ▪ Een intensieve veehouderij aan de Nieuwenhofweg 4, op een afstand van 180 meter; ▪ Een grondgebonden agrarisch bedrijf aan de Weijweg 4, op een afstand van 210 meter; ▪ Een camping aan de Broekhuizerdijk 44, op een afstand van 290 meter; ▪ Een champignonkwekerij aan de Langevenseweg 7, op een afstand van 440 meter; ▪ Een glastuinbouwbedrijf aan de Langevenseweg 6, op een afstand van 450 meter; ▪ Een intensieve veehouderij aan de Broekhuizerdijk 38, op een afstand van 450 meter. De milieuruimte van bestaande bedrijven in de omgeving van het plangebied is geïnventariseerd aan de hand van SBI-code en grootste bijbehorende VNG-afstand voor stof, geur, geluid en gevaar. Bedrijf
Adres
SBI-2008
Varkenshouderij
Broekhuizerdijk 53
0146
Kapel
Broekhuizerdijk 55
9491
Varkenshouderij
Nieuwenhofweg 4
0146
Klein fruitteler
Weijweg 4
011, 012, 013
Camping
Broekhuizerdijk 44
553, 552
Champignonkwekerij
Langevenseweg 7
0113
Glastuinbouw
Langevenseweg 6
011, 012, 013
Varkenshouderij
Broekhuizerdijk 38
0146
Aan te houden afstanden Geur 100 meter Stof 10 meter Geluid 30 meter Gevaar 10 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 100 meter Stof 10 meter Geluid 30 meter Gevaar 10 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 10 meter Stof 0 meter Geluid 30 meter Gevaar 0 meter Geur 10 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 0 meter Stof 0 meter Geluid 10 meter Gevaar 0 meter Geur 100 meter
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
Afstand tot plangebied 55 meter
75 meter
180 meter
210 meter
290 meter
440 meter
440 meter
450 meter
32
Stof Geluid Gevaar
10 meter 30 meter 10 meter
Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is één hindercontour die het plangebied overlapt, de geurhindercontour van de varkenshouderij aan de Broekhuizerdijk 53. Er is reeds door de gemeente Horst aan de Maas besloten medewerking te verlenen aan een afwijking van de geurnomen (kenmerk: Z-VZ-2021-000435). Voor een nadere toelichting hiervan wordt verwezen naar paragraaf 5.2.4. Derhalve kan gesteld worden dat ten aanzien van het aspect milieuzonering bedrijven geen beperkingen opleveren voor de nieuwe woonfunctie. Een goed woon- en leefklimaat kan ter plaatse van het plangebied gewaarborgd worden. Anderzijds wordt de nabij gevestigde bedrijven niet in hun bedrijfsvoeringen c.q. activiteiten beperkt, andere woningen zijn namelijk dichterbij gelegen. 5.2.6 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten.
De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt meten bepaalde omvang (10 of meer personen). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
33
de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Wanneer verantwoorden? Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)
Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde
Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheid verhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevinden zich in de omgeving geen risicovolle inrichtingen of transportroutes. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het initiatief.
Afbeelding 13 Uitsnede risicokaart Limburg
5.2.7 M.e.r.-beoordeling Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
34
invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna). Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r. het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen
Toets Het project heeft betrekking op een bestemmingswijziging van een intensieve veehouderij met bedrijfswoning naar burgerwoning en het realiseren van één nieuwe woning. Nee Nee
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
35
Productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen
Nee Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico
Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang
Toets Intensieve veehouderij N.v.t.
Nee Nee Nee Nee
Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Toets Beschermd natuurmonument Nee Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Nee Watergebied van internationale betekenis Nee EHS Nee Landschappelijk waardevol gebied Nee Waterwinlocaties, waterwingebieden en Ja, plangebied is gelegen in grondwaterbeschermingsgebieden grondwaterbeschermingsgebied Venloschol. Diepe boringen zijn daarom uitgesloten en in het kader van het initiatief dus niet aan de orde. Beschermd monument Nee Belvédère-gebied Nee Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn. Conclusie milieueffectrapportage a. Het initiatief komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden;
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
36
c.
5.3
Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief bovenstaande vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is.
Waterparagraaf
In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijke) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Provinciale Omgevingsvisie, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekend driestapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwaliteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.
Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de Provinciale Omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas Conform de Provinciale Omgevingsvisie Limburg en de omgevingsverordening is het plangebied gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied Venloschol. Diepe boringen kunnen de natuurlijke geologische bescherming aantasten. In deze zones worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan.
Met de ontwikkeling van het plangebied zijn dergelijke diepe onttrekkingen niet aan de orde. Conform het vigerende bestemmingsplan is aan het plangebied de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’ toegekend om diepe boringen zonder vergunning te voorkomen. Deze gebiedsaanduiding is opnieuw aan het plangebied toegekend.
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
37
5.3.2
Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie)
Bodemgesteldheid en grondwater Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een redelijke bodemdoorlaatbaarheid van 0,45 tot 0,75 m/dag. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil (NLP) blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand tussen de 140-160 cm-mv is gelegen. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt. Direct ten oosten van het plangebied stroomt de Langevense loop, een primaire watergang van het waterschap. Op de kruising met de Broekhuizerdijk gaat deze in noordelijke richting over in de Boabel, eveneens een primaire watergang van het waterschap. In oostelijke richting stroomt de Langevense Loop verder parallel aan de Broekhuizerdijk. Op deze watergangen is de Keur van waterschap van toepassing. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling vinden er geen ontwikkelingen plaats in of rondom de watergang. Onderhavige ontwikkeling heeft dan ook geen nadelige consequenties voor de waterkundige waarden ter plaatse van de watergangen. Grondwaterbescherming Het plangebied is gelegen in grondwaterbeschermingsgebied Venloschol. Binnen de boringsvrije zone Venloschol is het niet toegestaan om beneden 5 meter boven NAP: a. Een boorput te hebben; b. De grond te roeren; c. Een gesloten bodemenergiesysteem te hebben; d.
Werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Onderhavig plangebied is op 22 tot 24 meter boven NAP gelegen. Dit betekent dat in het kader van de Venloschol in de praktijk de bodem tot een diepte van 17 tot 19 meter geroerd kan worden. Dit is in onderhavig initiatief niet aan de orde. 5.3.3
Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie)
Hemelwater De beoogde ontwikkeling voorziet in de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning, het slopen van de voormalige agrarische bedrijfsgebouwen en het hiervoor in de plaats realiseren van een nieuwe woning. Als gevolg hiervan zal de hoeveelheid oppervlakteverharding afnemen. Voor de nieuwe situatie wordt gestreefd naar afkoppeling van regenwater en infiltratie op het eigen perceel (eis 100 mm). Volgens de k-waarden kaart van het waterschap geldt voor het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid. De gronden zijn derhalve geschikt voor infiltratie van hemelwater, mits de grondwaterstand voldoende laag is (> 1,0 meter). Het feit dat de GHG hier ligt op 1,20 – mv (beoordeling in het veld) zijn er afdoende infiltratiemogelijkheden om het hemelwater op eigen terrein op te vangen.
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
38
Bij de aanleg van een infiltratievoorziening (dimensionering) is het tevens van belang rekening te houden met de hoeveelheid te bergen hemelwater. Deze wordt bepaald aan de hand van de waterbergingsopgave gerekend over het nieuw verhard oppervlak. Het exacte oppervlakte aan bebouwing ligt nog niet vast. Uitgaande van een nieuw toe te voegen oppervlakte van circa 250 m², is er bij een bui van T=100, een buffercapaciteit van 25 m³ noodzakelijk. Op eigen terrein zal een poel worden gerealiseerd, het hemelwater zal naar deze poel worden geleid waarna het kan infiltreren in de bodem. Afvalwater / riolering De bestaande woning is reeds aangesloten op het gemeentelijke rioleringssysteem. De beoogde nieuwe woning zal eveneens hierop aangesloten worden. Het is stelsel is voldoende van omvang om van slechts één nieuwe woning en de daarmee gepaard gaande geringe toename aan afvalwater te kunnen verwerken.
5.4
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.5
Natuur
De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende plantenen diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. 5.5.1 Flora en fauna Om het voorkomen van flora en fauna aan te tonen ter plaatse en het effect van het slopen van de stallen en het bouwen van twee nieuwe woningen hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie3 uitgevoerd. Op basis van de het uitgevoerde onderzoek kan geconcludeerd worden dat de beoogde werkzaamheden zonder effecten op broedvogels of overige beschermde soorten uitgevoerd worden. Er is geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er is ook voor de overige natuurwaarden geen ontheffing noodzakelijk. Derhalve vormt het aspect flora en fauna geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
3
Flora- en faunainspectie, Farmconsult (d.d. 24 maart 2022)
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
39
5.5.2 Natura2000 Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied de Maasduinen ligt op circa 4,5 km van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 4,5 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Voor ieder habitattype binnen een Natura2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend. Gebruiksfase Met onderhavig initiatief wordt de bestemming ‘Agrarisch’ gewijzigd in de bestemming ‘Wonen’ en wordt de bouw van één nieuwe woning mogelijk gemaakt.
Uitstoot van NO x vindt enkel plaats door het verkeer van en naar de woning. Verwarming van de woning is niet aan de orde aangezien de nieuwe woning gasloos zal worden uitgevoerd. Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe bouwwerken geen gasaansluiting meer. Derhalve vindt de uitstoot vanuit de nieuwe woning uitsluitend plaats door verkeer van en naar de woningen. De bestaande woning is wel reeds voorzien van een gasaansluiting. Volgens AERIUS Calculator leidt het gebruik van één vrijstaande woning tot een emissie NOx van 3,0 kg/jaar. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie in de nieuwe situatie is gebruik gemaakt van de CROWpublicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: vrijstaande koopwoning ▪ Gebiedstype: buitengebied in niet stedelijk gebied Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering voor twee woningen genereert het initiatief dagelijks 17,2 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 8,6 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s).
Gezien de ligging van het plangebied is het aannemelijk dat verkeer zowel is oostelijke richting als westelijke richting het plangebied aan zal doen. In de AERIUS calculator is daarom ervan uit gegaan dat 50% van het verkeer in oostelijke richting het plangebied aandoet en 50% in westelijke richting. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden, er is zelfs sprake van een afname van stikstofdepositie. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden, maar juist tot een verbetering. Bouwfase Ook tijdens de bouw is sprake van (tijdelijke) stikstofemissie, veroorzaakt door verkeer van en naar de bouwlocatie (vrachtwagens die bouwmaterialen komen leveren, vervoer bouwvakkers, etc.) en het gebruik van mobiele werktuigen op de bouwlocatie (kraan, betonpomp, etc.).
Vastgesteld – bestemmingsplan “Broekhuizerdijk 48, Melderslo”
40
Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van een reguliere bouw voor vergelijkbare woningen. Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Aanvoer beton voor fundering: 4 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer stenen: 4 vrachtwagens ▪ Aanvoer beton voor vloeren: 8 vrachtwagens (waarvan 1 betonpomp) ▪ Aanvoer breedplaatvloeren verdiepingen: 2 vrachtwagen ▪ Aanvoer dakplaten: 1 vrachtwagen ▪ Aanvoer dakpannen: 1 vrachtwagen ▪ Aanvoer divers klein materiaal (kozijnen, ramen, deuren, etc.): 5 vrachtwagens ▪ Afvoer afval en materiaal: 5 vrachtwagens Uitgaande van een worst-case scenario doen op de meest drukke dag 8 vrachtwagens de bouwlocatie aan (op de dag dat beton wordt gestort voor de betonvloer). In totaliteit doen 10 bestelbusjes de bouwlocatie aan, dat is gemiddeld 0,2 (0,16) bestelbusje per dag. Dagelijks zal personeel (bouwvakkers) de bouwlocatie bezoeken om bouwwerkzaamheden aldaar te verrichten. Het personeel komt over het algemeen gezamenlijk in 1 bestelbusje. Een worst-case scenario is ingevoerd in Aerius Calculator, bestaande uit 8 zware voertuigen en 1,2 middelzware voertuigen per etmaal tijdens de bouwfase. Gezien de ligging van het plangebied is het aannemelijk dat verkeer zowel is oostelijke richting als westelijke richting het plangebied aan zal doen.
In de AERIUS calculator is daarom ervan uit gegaan dat 50% van het verkeer in oostelijke richting het plangebied aandoet en 50% in westelijke richting. Gebruik mobiele werktuigen Voor het bepalen van de emissie afkomstig van mobiele werktuigen op de locatie tijdens de bouwfase is gebruik gemaakt van de volgende gegevens. Dit betreffen de volgende gegevens: ▪ Bouwrijp maken locatie: 1 graafmachine gedurende 40 uur (2 dagen) ▪ Storten beton voor fundering: 1 betonpomp gedurende 10 uur ▪ Monteren staalskelet: 1 kraan gedurende 40 uur (3 dagen) ▪ Storten beton voor betonvloer: 1 betonpomp gedurende 12 uur ▪ Monteren betonpanelen: 1 kraan gedurende 8 uur ▪ Leggen kanaalplaatvloeren: 1 kraan gedurende 12 uur ▪ Monteren wand- en dakbeplating: 1 kraan gedurende 60 uur (5 dagen) ▪ Leggen dakisolatie: 1 kraan gedurende 8 uur
200 100 200
50 50 60
27,78 14,02 33,09
22 128 40
Totale emissie
Draaiuren
Diesel Diesel Diesel
Liters diesel per uur*
2014 2015 2014
Belasting (%)
Brandstof
Betonpomp Mobiele hijskraan Graafmachine Totaal