CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Toezegging: rapport MEES (onderbouwing BOPA Eikstraat 3)

Algemene Raadscommissie - Raadzaal 16 september 2025, gemeente HoornBij agendapunt: Uitvoeringskrediet IKC Mariaschool en voorbereidingskosten woningbouw Eikstraatkwartier35.076 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 45

In voorliggend geval is de bebouwing ruim lager dan 25 meter (circa 13 meter) waardoor het uitvoeren van een bezonningsonderzoek in principe niet noodzakelijk is. Uit de participatie met omwonenden is echter gebleken dat bezonning toch een punt van zorg is bij de omwonenden. Hierdoor heeft de ontwikkelaar besloten toch een bezonningsstudie te laten uitvoeren. Dit onderzoek is uitgevoerd door Peutz waarbij het effect op de bezonning van de galerijen aan de oostzijde van Residence Eikstraat inzichtelijk is gemaakt. Ook wordt kort ingegaan op de bezonning van andere omliggende woningen. Wegens het ontbreken van een officiële norm voor de bezonning van woningen is op 3 representatieve data getoetst aan een veel gehanteerde richtlijn, de lichte TNO-norm. Bij tenminste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari t/m 21 oktober is sprake van voldoende bezonning van een woning. Er bestaan meerdere interpretaties van de lichte TNO-norm. In deze situatie is de bezonning beoordeeld ter plaatse van de ramen van de 3 inpandige galerijen aan de oostzijde van Eiksteate. Hierbij dient te worden opgemerkt dat aan deze zijde de entree en de slaapkamer van de woningen gesitueerd zijn. De bezonning van de woonkamer zal door de ligging aan de andere zijde van de woningen op voorhand niet veranderen als gevolg van de nieuwbouw.

De bezonningsnotitie van Peutz beschouwt de potentiële bezonningsduur ter plaatse van de ramen van de galerijen op de data 21 juni, 21 augustus en 21 oktober. Door een symmetrie in de zonnebaan komt de bezonning op 21 augustus overeen met 21 april en de bezonning op 21 oktober met 19 februari. Aangezien de gemeente Hoorn niet over apart bezonningsbeleid beschikt wordt in dit onderzoek getoetst aan de gebruikelijke lichte TNO-norm. Conclusie van het onderzoek van Peutz is dat ten gevolge van voorgenomen ontwikkeling de bezonning op de omliggende woningen voldoet aan de TNO-norm. Conclusie van het onderzoek is dat de doorrekening laat zien dat de bezonning van de ramen van de galerijen aan de oostzijde van Eiksteate blijft voldoen aan de criteria van de lichte TNO-norm. De bezonning van andere woningen voldoet door de ligging en afstand ten opzichte van het bouwplan per definitie aan dit criterium. Conclusie Het aspect bezonning vormt geen belemmering. Een nader onderzoek naar dit aspect is niet noodzakelijk.

Lichthinder Algemeen Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken, te weten: 1. Hinder voor de mens 2. Hinder langs wegen 3. Verstoring van de natuur 4. Horizonvervuiling Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructieregels voor lichthinder. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen staan rijksregels in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Bal noemt Lichthinder niet als een specifieke milieubelastende activiteit. Wel kan een lichthinder veroorzakende activiteit een functioneel ondersteunende activiteit zijn bij een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. In dat geval is de specifieke zorgplicht van het Bal van toepassing op het veroorzaken van lichthinder. Het bevoegd gezag kan maatwerkvoorschriften stellen, lokaal algemeen verbindende voorschriften stellen en kan eventueel ook direct handhavend optreden als er onmiskenbaar strijd is met de zorgplicht. Overheden kunnen hierbij de “Richtlijn lichthinder” van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) als uitgangspunt hanteren. Concreet kan bijvoorbeeld gedacht worden aan kwantitatieve of kwalitatieve normen, aan het opleggen van een bepaalde afstelling of aan armaturen met afschermkapjes.

Dit kan ook voor vormen van lichthinder die niet door het Bal zelf geregeld worden.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 46

Daarnaast kunnen in de provinciale verordening, een gemeentelijke visie en/of het omgevingsplan regels gesteld worden omtrent (het voorkomen van) lichthinder. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. Gezien voorgaande is geen sprake van een activiteit die lichthinder kan veroorzaken. Daarnaast zijn er geen ontwikkelingen in de omgeving, waarvan lichthinder te verwachten is. Conclusie In het kader van licht is sprake van een ETFAL.

LUCHT Algemeen Volgens artikel 1.3 van de Omgevingswet valt lucht onder de fysieke leefomgeving. Het gebruik van de fysieke leefomgeving heeft soms ongewenste bijwerkingen zoals luchtverontreiniging. Een goede luchtkwaliteit is belangrijk voor de gezondheid van mensen en voor het milieu. Het bevoegd gezag toetst en monitort de luchtkwaliteit op plaatsen waar representatieve blootstelling is. Alleen als de blootstelling voldoende lang of ‘significant’ is, moet het bevoegd gezag de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) toetsen. Dit uitgangspunt heet ook wel het blootstellingscriterium. Luchtkwaliteitstoets De gemeente moet de luchtkwaliteit toetsen binnen aangewezen aandachtsgebieden. Er moet worden nagegaan of de toe te laten activiteiten gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit binnen een aandachtsgebied. De gemeente doet dit voor de volgende activiteiten (artikel 5.51 lid 1 van het Bkl): • activiteiten die gevolgen hebben voor het gebruik van wegen, water en spoor (verkeersaantrekkende werking) of; • activiteiten waarvoor luchtregels zijn opgenomen in het Bal. In artikel 5.50 lid 1 van het Bkl worden enkele activiteiten aangewezen waarvoor te allen tijde een luchtkwaliteitstoets moet worden uitgevoerd door de gemeente. Dit geldt ook indien er geen aandachtsgebied in de omgeving aanwezig is.

Het gaat om de volgende activiteiten: • de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter; • een wijziging van een tunnel waarbij de lengte minimaal 100 meter toeneemt; • de aanleg van een auto(snel)weg. Enkel op locaties waar mensen aanwezig zijn, vindt er een beoordeling van de luchtkwaliteit plaats door de overheid. Indien locaties aan één van de volgende criteria voldoen, is er geen toetsing of monitoring van de luchtkwaliteit benodigd: • relatief korte verblijven (blootstellingscriterium); • arbeidsplaatsen (artikel 2.2 Bkl); • als mensen daar niet kunnen komen (toepasbaarheidsbeginsel), bestaand uit (artikel 5.52 Bkl): o locaties waar het publiek niet kan komen en waar geen vaste bewoning is; o de rijbaan en middenberm van wegen, tenzij voetgangers toegang hebben tot de middenberm.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 47

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden voor NO2 en PM10 zijn de volgende agglomeraties waarvan de locatie bij ministeriële regeling is aangewezen (artikel 5.51 uit het Bkl): 1. Amsterdam/Haarlem (gemeenten: Aalsmeer, Amstelveen, Amsterdam, Beverwijk, Bloemendaal, Diemen, Haarlem, Haarlemmermeer, Heemskerck, Heemstede, Ouder-Amstel, Uithoorn, Velsen, Zaanstad en Zandvoort) 2. Den Haag/Leiden (gemeenten: Delft, Den Haag, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delftland, Oestgeest, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar en Westland) 3. Rotterdam/Dordrecht (gemeenten: Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan de Ijssel, Dordrecht, Hendrik-Ido-Ambacht, Maassluis, Nissewaard, Papendrecht, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Sliedrecht, Vlaardingen, Zuidplas en Zwijndrecht) 4. Utrecht (gemeenten: Houten, Nieuwegein, Utrecht en IJsselstein) 5. Eindhoven (gemeenten: Best, Eindhoven, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Gerwen en Nederwetten en Veldhoven) Niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Toetsen aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig indien een project of activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging.

Dan gaat het bijvoorbeeld om een ruimtelijk project of activiteit waarvoor een omgevingsvergunning nodig is maar waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is. Indien dit het geval is, is er geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor (NO 2) en fijnstof (PM10) nodig. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.54 van het Bkl staan standaardgevallen niet in betekenende mate aangegeven, waaronder: • Gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 1.500 woningen netto bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen; • Gebouwen met een kantoorfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan: 100.000 m 2 brutovloeroppervlak bij één ontsluitingsweg en 200.000 m 2 brutovloeroppervlak en een gelijkmatige verkeersverdeling bij twee ontsluitingswegen; • Zowel gebouwen met een kantoorfunctie als gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties van die gebruiksfuncties, met: o één ontsluitingsweg: het aantal woningen maal 0,0008 en een bruto-vloeroppervlakte van kantoorfuncties en nevengebruiksfuncties daarvan in vierkante meter maal 0,000012 dat samen opgeteld kleiner is dan of gelijk

is aan 1,2; of o twee ontsluitingswegen: een evenredig aantal woningen en een evenredig grote brutovloeroppervlakte van kantoorfuncties. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. Op basis van bovenstaande voorbeelden kan niet één op één geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving is in kaart gebracht wat de totale concentraties van fijnstof en stikstof ten opzichte van de bijbehorende grenswaarden zijn, met behulp van de luchtkwaliteitskaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Sinds 1 januari 2023 is het CIMLK het instrument voor de ondersteuning van monitoring van de luchtkwaliteit. Deze monitoring gebeurt per 1 januari 2024 in het kader van de Omgevingswet, als opvolging van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). CIMLK ondersteunt ook de monitoring voor het Schone Lucht Akkoord.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 48

Met behulp van het CIMLK zijn de totale concentraties ter plaatse van een rekenpunt nabij het projectgebied inzichtelijk gemaakt in onderstaande tabel. De grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof worden niet overschreden. Tabel 1.

Totale concentraties NO2, PM10, PM2,5 (bron: CIMLK)

Monitoringsronde 2024 Monitoringsjaar 2023 Monitoringsronde 2024 Monitoringsjaar 2030 Grenswaarde

NO2 (µg/m³) 11,9

PM10 (µg/m³) 14,65

PM2,5 (µg/m³) 7,24

11,01

13,51

6,52

40

40

25

Receptor wegverkeer 27364178_48491 Receptor wegverkeer 27364178_48623

Geconcludeerd kan worden dat de wettelijke normen voor luchtkwaliteit niet worden overschreden. Als laatste is het projectgebied niet gelegen binnen een aandachtsgebied. Gezien voorgaande is geen luchtkwaliteitstoets benodigd. Conclusie In het kader van lucht is sprake van een ETFAL.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE Algemeen De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn m.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Omgevingswet (afdeling 16.4) en het Omgevingsbesluit (hoofdstuk 11) met bijlage V. In afdeling 16.4 Omgevingswet is onderscheid gemaakt tussen de MER en de m.e.r.beoordeling voor plannen en programma’s (paragraaf 16.4.1) en tussen de MER en de m.e.r.-beoordeling voor projecten (paragraaf 16.4.2). In bijlage V van het Omgevingsbesluit is de aanwijzing van de m.e.r(beoordelings-)plichtige projecten en besluiten geregeld. In bijlage V zijn verschillende kolommen opgenomen. Zo bevat kolom 1 in samenhang met kolom 2 van bijlage V Omgevingsbesluit de projecten waarvoor een project-MER moet worden gemaakt. Kolom 1 in samenhang met kolom 3 van bijlage V Omgevingsbesluit bevat de projecten waarvoor een project-m.e.r.-beoordeling moet worden verricht. De besluiten waarvoor de projectMER-plicht of de project-m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, zijn aangewezen in kolom 4 van bijlage V Omgevingsbesluit. In kolom 4 wordt onder ‘het omgevingsplan’ ook ‘de omgevingsplanactiviteit’ verstaan (art.

11.6 lid 3 Omgevingsbesluit). Indien een ontwikkeling bijvoorbeeld kwalificeert als een stedelijk ontwikkelingsproject, is een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Er dient in dat geval te worden beoordeeld of sprake kan zijn van mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen. De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag (zie ook Omgevingsbesluit artikel 11.10). De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud. In de praktijk staat de informatie vaak in een aparte notitie (aanmeldnotitie). In deze mededeling staat de informatie die het bevoegd gezag nodig heeft om te bepalen of de initiatiefnemer een MER moet maken. De mededeling en aanvraag kunnen tegelijkertijd, het verzoek om de m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dan onderdeel van de aanvraag. Het is ook mogelijk om eerst te verzoeken om een m.e.r.beoordelingsbeslissing, en daarna de aanvraag te doen. Het bevoegde gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die boordeling op in de te verlenen omgevingsvergunning (artikel 11.11 Omgevingsbesluit).

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 49

Relatie tot ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling is aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject ja/nee, categorie J.11. Derhalve is het doorlopen van de m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. In dit kader dient een mededeling te worden gedaan van het aangewezen project bij het bevoegd gezag, waarin een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten zijn opgenomen. Conclusie Omdat sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dient een m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden, wanneer de beoogde ontwikkeling middels een omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt.

MOBILITEIT EN PARKEREN Algemeen Bij mobiliteit en ruimtelijke planvorming dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Nieuwe ontwikkelingen mogen namelijk niet leiden tot problemen op de omliggende wegen. Mobiliteit speelt op alle schaalniveaus (Rijk, provincie, regio en gemeente). Zo bevat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verschillende rijksinstructieregels voor de instandhouding van de rijksinfrastructuur. In de omgevingsvisies, de omgevingsverordening en het omgevingsplan komt het aspect mobiliteit ook terug. Op het moment dat de gemeente of provincie specifieke ambities heeft voor mobiliteit kan dit uitgewerkt worden in een programma, zoals bijvoorbeeld een Regionaal mobiliteitsprogramma (RMP). In deze RMP’s wordt hoofdzakelijk gefocust op verbetering van de duurzame mobiliteit middels een regionale aanpak. Mobiliteitsvisie Hoorn 2030 De Mobiliteitsvisie legt de denkkaders voor ontwikkelingen vast en geeft vorm aan de hoofdkeuzes voor de ontwikkeling van de infrastructuurnetwerken en het Hoornse denken over mobiliteit. Meer stad worden gaat niet zomaar. Mobiliteit is een belangrijke voorwaarde bij het meer stad worden. We zetten daarom in op zeven punten. 1. 2. 3. 4.

Vervoerwijze afhankelijk van het schaalniveau van de reis. Kwaliteit toevoegen voor lopen, fiets en OV. Autokwaliteit op peil houden. Een sterke stedelijke knoop rondom de binnenstad en het station. De wijken buiten de stedelijke knoop hebben een onderscheidende woonkwaliteit dankzij de nabijheid van zowel het stedelijke kerngebied als het groene landschap. 5. Gebiedsontwikkeling als vliegwiel voor routekwaliteit en innovaties. 6. Een veilige stad voor elke verplaatsing. 7. Verduurzaming van de automobiliteit: laden en delen. Parkeernormennota Hoorn Op 28 juni 2018 heeft de gemeenteraad de parkeernormennota Hoorn vastgesteld. Deze is per 1 juli 2018 in werking getreden. Deze nota is onderdeel geworden van het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren & laden en lossen’, die per 18 november 2018 onherroepelijk geworden is. Met dit bestemmingsplan wordt geregeld welke parkeernorm en/of normen van toepassing zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals op deze locatie binnen het Venenlaankwartier. Het parkeerbeleid gaat uit van het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein. De loopafstanden van de parkeerplaats tot de bestemmingen moeten acceptabel zijn en vallen binnen de afstanden zoals genoemd in de Parkeernormennota Hoorn.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 50

Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het gebied dat wordt aangeduid als de schil. In de Parkeernormennota Hoorn is per functie in tabellen weergegeven welke parkeernorm wordt gehanteerd. Er wordt uitgegaan van een parkeerdruk van 50-84%. Voor het projectgebied wordt derhalve uitgegaan van kolom ML. Deze kolom is van toepassing op alle functies in het projectgebied en kan worden geraadpleegd in de Parkeernormennota Hoorn. Tabel 2.

Parkeernormen Hoofdfunctie onderwijs (bron: Parkeernormennota Hoorn)

Voor een kinderdagverblijf is voor de beoogde ontwikkeling een parkeernorm van 0,9 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo van toepassing. Voor de basisschool is een parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen per leslokaal van toepassing. Het kinderdagverblijf heeft een brutovloeroppervlak van circa 708 m2. Voor het kinderdagverblijf dienen 6,4 parkeerplekken beschikbaar te zijn. In de toekomstige situatie is sprake van 16 klaslokalen en 1 lokaal voor de instroomgroep (instroom van kinderdagopvang naar basisschool). Voor de 17 lokalen dient rekening gehouden te worden met een parkeerbehoefte van 10,2 parkeerplekken. De parkeerbehoefte betreft in totaal (6,4 + 10,2 =) 17 parkeerplekken (afgerond). De Parkeernormennota Hoorn geeft een omschrijving over de afwijkingsmogelijkheden. Hierbij moet rekening gehouden worden met de piekmomenten in de parkeerdruk en de geldende parkeerregels in de vergunninghoudersgebieden Hoorn-Noord en het Venenlaankwartier. Bij de bepaling van de parkeervraag kan onder voorwaarden (o.a. wanneer sprake is van verschillende functies en parkeerplaatsen voor iedereen beschikbaar zijn) rekening worden gehouden met dubbelgebruik. Dit houdt in dat een parkeerplek op verschillende momenten op de dag door verschillende functies gebruikt kan worden. In de Parkeernormennota Hoorn staan de mogelijkheden beschreven om dubbelgebruik toe te passen.

Aan de hand van een concreet uitgewerkt plan kan door de gemeente worden beoordeeld in hoeverre dit kan worden toegepast bij dit initiatief.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 51

Bij de Parkeernormennota is een bijlage opgenomen waarin de maatvoering van parkeerplaatsen is uitgewerkt. Uitgangspunt is de standaard maatvoering uit het ASVV of NEN2443 voor parkeren op eigen terrein. Bijzondere parkeerplaatsen of parkeerplaatsen tegen/langs obstakels/muren/hagen dienen tot 50 cm breder en/of langer uitgevoerd te worden. Parkeerbehoefte fiets Voor fietsparkeren kunnen de CROW fietsparkeerkerncijfers als richtinggevend worden beschouwd. Voor bezoekers moet er op eigen terrein voldoende fietsparkeerplaatsen worden gecreëerd in de nabijheid van de entrees. Het fietsparkeren wordt onder de gymzaal opgelost op maaiveldniveau. Verkeersafwikkeling Voor wat betreft de verkeersontsluiting van het projectgebied gelden de uitgangspunten uit de Mobiliteitsvisie. Door de gemeente is naar aanleiding van de Nota van uitgangspunten Ontwikkelingen Eikstraatkwartier een Mobiliteitsonderzoek uitgevoerd. De Mariaschool breidt uit. Dit zal in de praktijk ook leiden tot een toename van verkeersbewegingen. Voor de Mariaschool is in de huidige situatie sprake van 274 verkeersbewegingen. In de toekomstige situatie zullen dit 548 verkeersbewegingen zijn. Dit komt neer op een toename van 274 verkeersbewegingen. Het Eikstraatkwartier is met name gericht op wonen, maar er zijn ook een aantal scholen en bedrijven.

De doorgaande route gaat via de zuidzijde van de buurt (gebiedsontsluitingsweg). De overige wegen in de buurt zijn erftoegangswegen (30 km/h). De buurt wordt ontsloten via de Eikstraat, Kruitmolenstraat en de Bontekoestraat. In het Mobiliteitsonderzoek van de gemeente is de omgeving van het projectgebied geobserveerd en naar voren gekomen dat de school in een relatief rustige woonstraat staat. Wel is het op de drukste momenten druk en onoverzichtelijke met rijdende en manoeuvrerende auto's. Op dat moment zijn alle mogelijke parkeerplaatsen in de Eikstraat en Kruitmolenstraat bezet. De Mariaschool breidt uit in aantal leerlingen. Deze groeit leidt tot een toename van verkeersbewegingen bij het brengen en ophalen van kinderen. Dit leidt tot drukkere schoolspitsen, vooral op de Eikstraat. Omdat de Eikstraat e.o. in de huidige situatie al vol staat met geparkeerde auto’s in de schoolspitsen, zullen aanvullende maatregelen genomen moeten worden om de verkeersituatie in goede banen te leiden. Het voornaamste verwachte knelpunt is een tekort aan parkeerplaatsen op de piekmomenten rondom het uitgaan van de school. In het Mobiliteitsonderzoek zijn maatregelen voorgesteld die het parkeren en de verkeersveiligheid rondom het projectgebied kunnen optimaliseren. Deze maatregelen dienen in de verdere uitwerking van de plannen worden meegewogen.

Het volledige rapport is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. Conclusie In het kader van mobiliteit en parkeren is sprake van een ETFAL, zolang maatregelen worden getroffen om het parkeren en de verkeersveiligheid tijdens de schoolspitsen te optimaliseren.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 52

NATUUR Algemeen De Omgevingswet regelt per 1 januari 2024 het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen de bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Bescherming gebieden De Omgevingswet bevat instrumenten om natuurgebieden te beschermen. Hierbij gaat het om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd aan de hand van een aanwijzingsbesluit. Instandhoudingsdoelstellingen Instandhoudingsdoelstellingen zoals bedoeld in artikel 2.43 Omgevingswet geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in een gunstige staat te brengen. Herstel in geval van habitattypen kan zowel uitbreiding oppervlakte als verbetering kwaliteit betreffen. In het geval van een herstelopgave voor soorten kan het gaan om uitbreiding van de omvang van het leefgebied en om verbetering van de kwaliteit van het leefgebied voor uitbreiding van de populatie.

Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk en is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van aanwezige dier- en plantsoorten, natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Bijna alle aangewezen Natura 2000gebieden zijn onderdeel van het NNN. De provincie wijst in de omgevingsverordening de NNN-gebieden aan. Naast de Natura 2000-gebieden kan de minister van LNV bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). De provincie kan in de omgevingsverordening bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (artikel 2.44 lid 5 Omgevingswet). Bescherming soorten Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Hierbij gaat het om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen en om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Hier zijn als eerste de provincies verantwoordelijk voor. Ook andere overheden kunnen actief beleid voeren, zo is het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Bescherming houtopstanden Bomen en bossen vallen onder houtopstanden en vervullen een belangrijke en unieke functie in de fysieke leefomgeving. Bescherming van houtopstanden is derhalve onderdeel van de Omgevingswet. Door de lange ontwikkelingstijd van bossen is deze bescherming van groot belang.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 53

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) De Omgevingswet regelt in het Besluit activiteiten leefomgeving activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten in het wild en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. De activiteiten met betrekking tot de planologie zijn onder te verdelen in: - Natura 2000-activiteiten; - Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied; - Flora- en fauna-activiteit (activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild) - Vellen en beheren van houtopstanden Omgevingswaarden natuurgebieden Depositie van zwaveldioxide (SO2) en stikstofdioxiden (NO2) kan schade veroorzaken aan natuurgebieden. Om kwetsbare vegetatie te beschermen gelden omgevingswaarden (besluit kwaliteit leefomgeving, 2018, paragraaf 2.2.1, art. 2.3 lid 1; art. 2.4 lid 2). Deze omgevingswaarden gelden enkel voor natuurgebieden met een oppervlakte van 1.000 m2 of meer. Bovendien moet het natuurgebied liggen binnen; • 20 km van een aangewezen aaneenschakeling van steden en dorpen; • 5 km van bebouwing, een IPPC- installatie of een andere milieubelastende installatie, of een autosnelweg of autoweg waarvan per dag meer dan 50.000 motorvoertuigen gebruik maken.

Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt op circa 2,83 km van het dichtstbijzijnde NNN-gebied en op circa 2,67 km van het dichtstbijzijnde BPL-gebied. De geplande activiteiten vinden plaats op circa 0,75 km van Natura 2000gebieden Markermeer & IJmeer. Externe negatieve effecten door geluid, licht, trillingen, optische verstoring en overige effecten (behalve stikstof) op de instandhoudingsdoelen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn niet uit te sluiten. Voor de beoogde ontwikkeling dient een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd te worden om uit te sluiten of sprake is van een depositie ten gevolgde van de beoogde ontwikkeling. Het project ziet toe op de sloop/verbouwing van een bestaande school. Als gevolg hiervan worden de leerlingen tijdelijk elders gehuisvest. Het tijdelijk huisvesten van de leerlingen op een andere locatie moet in samenhang worden gezien met de verbouwing van de school.

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd door MBH Consult B.V. Het rapport van 15 mei 2025 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. De berekening is uitgevoerd met behulp van de laatste versie van AERIUS(2024). Relevante emissies tijdens de bouwfase ontstaan door de inzet van mobiele werktuigen en vervoersbewegingen van- en naar het plan. In de bouwfase is mogelijk sprake van emissie vanwege stationair draaien. Op de projectlocatie is een vlakbron ingegeven ten behoeve van de emissies van stationaire draai van het vrachtverkeer. De emissies zijn berekend op basis van een schatting van de stationaire draaiuren en gebaseerd op de door BIJ12 opgestelde rekeninstructie. Voor licht verkeer wordt uitgegaan van 50% koude starts van het aantal lichte verkeersbewegingen. Zwaar verkeer op de bouwplaats zal doorgaans binnen twee uur de bouwplaats verlaten waardoor er geen koude start aan de orde is. Worst case is voor 20% van het vrachtverkeer een koude start ingevoerd.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 54

Voor de gebruiksfase maakt de alternatieve locatie gebruik van een fossielgestookt energieconcept. Daarnaast is ook voor de gebruiksfase van de alternatieve locatie rekening gehouden met licht en zwaar verkeer en met koude starts. Na de werkzaamheden maakt de ‘nieuwe’ school gebruik van een fossielvrij energieconcept. Ook voor deze locatie is rekening gehouden met licht en zwaar verkeer en met koude starts. Alle vergaarde gegevens zijn in de AERIUS Calculator ingevoerd. Het projecteffect bedraagt op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/j. Bij een dergelijke projectbijdrage treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit onder de Omgevingswet is voor het plan niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van het aspect stikstofdepositie er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het plan. Soortenbescherming Door Altenburg & Wymenga Ecologisch onderzoek B.V. is een ecologische beoordeling uitgevoerd voor de locaties Eikstraat 3 en Abbingstraat 1A. Voor voorliggende onderbouwing is de locatie Abbingstraat 1A niet relevant. De volledige ecologische beoordeling is als bijlage opgenomen. Broedvogels De beoogde werkzaamheden kunnen leiden tot schadelijke handelingen in de zin van art. 11.37 van het Bal, wanneer broedende vogels en hun nesten worden verstoord.

In de ecologische beoordeling zijn maatregelen beschreven om dit te voorkomen, bijvoorbeeld door het uitvoeren van werkzaamheden buiten het broedseizoen. Jaarrond beschermde nesten De beoogde werkzaamheden kunnen mogelijk leiden tot schadelijke handelingen in de zin van art. 11.37 van het Bal, indien nestplaatsen van de Huismus en/of de Gierzwaluw worden verstoord of verloren gaan. Aanvullend veldonderzoek nodig om vast te stellen of hiervan sprake is. Vleermuizen De beoogde werkzaamheden kunnen leiden tot schadelijke handelingen in de zin van art. 11.46 van het Bal, indien verblijfplaatsen van vleermuizen worden verstoord of verloren gaan. Aanvullend veldonderzoek nodig om vast te stellen of hiervan sprake is. Overige beschermde soorten De beoogde werkzaamheden leiden niet tot schadelijke handelingen in de zin van art.11.54 van het Bal, met betrekking tot overige beschermde soorten. Zorgplicht Naast het nemen van maatregelen met betrekking tot vogels, dienen tijdens de werkzaamheden de volgende aandachtspunten in acht te worden genomen: - Verwijder vegetatie in het gebied voordat er gegraven wordt; - Indien dieren aanwezig blijken te zijn, dienen de werkzaamheden te worden gestaakt totdat deze het projectgebied hebben verlaten. Daarnaast is geadviseerd om een ‘groen plus’ aan te brengen, om zo een bijdrage te leveren aan het herstel van de biodiversiteit.

Hierbij kan gedacht worden aan het herplanten van bomen die de biodiversiteit herstellen, het aanplanten van laag en dicht (inheems) struweel rondom het terrein en het natuurinclusief inrichten van de nieuwbouw.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 55

Gezien de openingen in de buitenmuren en het dak van het gebouw die zijn geconstateerd vanuit de ecologische beoordeling, is een aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van Gierzwaluw en Huismus uitgevoerd. Het volledige rapport van Altenburg & Wymenga Ecologisch onderzoek B.V. van 22 mei 2025 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. De aanvullende onderzoeken naar vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van Gierzwaluw zijn nog in uitvoering. Om vertraging in het proces te voorkomen, dienen de tijdelijke compensatiemaatregelen nog voor de aanvang van het aanvullend onderzoek te worden aangebracht, gezien de benodigde gewenningsperiode van 3-6 maanden. Daarom is in overleg met de Gemeente Hoorn ervoor gekozen om een compensatieplan voorafgaand aan het aanvullend onderzoek op te stellen. Hierin wordt een inschatting van het maximale aantal te compenseren verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van Gierzwaluw gemaakt. Deze inschatting wordt onder andere gemaakt op basis van het type gebouw, de ligging en in de omgeving voorkomende vleermuissoorten. In de nieuwe situatie zullen permanente voorzieningen voor de aangetroffen soorten en aantal verblijven/nestplaatsen moeten worden gerealiseerd.

Uit het (tussentijds) aanvullend onderzoek is gebleken dat met name de hogere delen van de Mariaschool mogelijkheden bieden voor nestplaatsen van Gierzwaluw. Door de kapotte dakpannen en gaten in de dakomlijsting kunnen gierzwaluwen toegang tot geschikte nestlocaties hebben. De inschatting is dat in de bebouwing hooguit twee jaarrond beschermde nesten van Gierzwaluw aanwezig zullen zijn. Compensatie voor Gierzwaluw wordt aangebracht in de verhouding 1:3. Geadviseerd wordt om zes tijdelijke verblijfplaatsen te realiseren in de vorm van twee triple gierzwaluwkasten. Voor vleermuizen is ingeschat dat de gebouwen binnen het plangebied Eikstraat Abbingstraat hooguit vier kleine verblijfplaatsen zullen bevatten van algemeen voorkomende soorten, zoals de Gewone of Ruige dwergvleermuis. Voor de tijdelijke compensatie van dergelijke verblijfplaatsen wordt meestal een verhouding van 1:4 aangehouden, dat wil zeggen dat er vier alternatieve verblijfplaatsen dienen te worden aangebracht voor elke vleermuisverblijfplaats die er wordt aangetroffen. Er dienen daarom mogelijkheden voor ten minste 16 balts-/paarverblijfplaatsen in de omgeving te worden aangebracht, in de vorm van 16 kleine vleermuiskasten. In totaal dienen er dus twee kraamkasten en 16 kleine vleermuiskasten geplaatst te worden.

Deze dienen, conform de kennisdocumenten Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis van BIJ12, binnen het netwerk van de groep geplaatst te worden. Bescherming houtopstanden Aangezien de beoogde werkzaamheden van invloed zijn op diverse bomen is een Bomen Effect Analyse (BEA) uitgevoerd. Bij de bomen waarvan uit de BEA blijkt dat deze niet inpasbaar zijn is een verplantbaarheidsonderzoek (VPO) uitgevoerd. Het volledige rapport van idverde Bomendienst van 19 april 2025 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 56

Figuur 10. Eindoordeel effecten (bron: idverde Bomendienst)

Conclusie In het kader van natuur is sprake van een ETFAL.

ONTPLOFBARE OORLOGSRESTEN Algemeen Niet gesprongen explosieven zijn ontplofbare oorlogsresten, bijvoorbeeld uit de Eerste of de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze verplaatst of geraakt worden bij werkzaamheden in de grond, kunnen ze een gevaar opleveren. Conform Arbowetgeving dient het terrein daarom voorafgaand aan grondroerende werkzaamheden onderzocht te worden op de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Hiermee wordt voorkomen dat tijdens werkzaamheden in de bodem ontplofbare oorlogsresten worden aangetroffen die een gevaar voor de werknemers en de openbare orde en veiligheid kunnen vormen. In de Omgevingswet is geen regelgeving opgenomen met betrekking tot ontplofbare oorlogsresten. Gemeenten dienen hierin een eigen afweging te maken. Voor zover gemeenten in de Algemene Plaatselijke Verordening / Verordening van de fysieke leefomgeving regels hebben opgenomen met betrekking tot dit onderwerp, blijven die regels onverkort van kracht zolang ze niet actief worden meegenomen in het gemeentelijk omgevingsplan. De Omgevingswet heeft daarnaast geen invloed op gemeentelijk beleid ten aanzien van ontplofbare oorlogsresten. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument.

Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 57

Het projectgebied is niet als verdachte locatie voor ontplofbare oorlogsresten aangegeven op de BeoBOM Ruimingskaart. Een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusie In het kader van ontplofbare oorlogsresten is sprake van een ETFAL.

WATERBELANG Algemeen Op grond van de Omgevingswet is het wegen van het waterbelang noodzakelijk bij het vaststellen van het omgevingsplan. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets. De weging van het waterbelang geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan (artikel 5.37 van het Bkl). De regeling voor weging van het waterbelang is geformuleerd als instructieregel. De betekenis van deze instructieregel moet gezien worden in het licht van de belangenafweging die plaatsvindt in het omgevingsplan. Art. 5.37 lid 1 verplicht de gemeente bij die belangenafweging om in het omgevingsplan met de relevante waterbelangen rekening te houden en daarbij de opvattingen van de waterbeheerder te betrekken. Daarnaast is de weging ook noodzakelijk bij bijvoorbeeld een buitenplanse omgevingsactiviteit (paragraaf 8.1.1.2 Bkl). De waterbeheerder brengt het waterbelang bij de totstandkoming van een ruimtelijk plan onder de aandacht van het bestuursorgaan dat bevoegd is het betreffende ruimtelijk plan vast te stellen. Daarbij vormt de toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan het kader. De waterbelangen zien met name op het voorkomen en beperken van overstromingen (waterveiligheid), wateroverlast en droogte (waterkwantiteit). Verder strekt de weging van het waterbelang zich uit over het belang van een goede waterkwaliteit.

Ook de vervulling van op grond van de wet aan watersystemen toegekende maatschappelijke functies, zoals scheepvaart of zwemwater, is een van deze waterbelangen. Door ontwikkelingen als klimaatverandering, met meer extreem natte en droge periodes, en bodemdaling wegen waterbelangen steeds nadrukkelijker mee bij ruimtelijke beslissingen. Het is aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan om in het betreffende ruimtelijk plan rekening te houden met de waterbelangen. In zoverre zijn de opvattingen van de waterbeheerder dus niet doorslaggevend. Het is nadrukkelijk de bedoeling dat via deze regeling de waterbelangen meer aan de voorkant van het planproces aan de orde komen (Stb. 2018, 292, p. 340). In de Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving geeft het Rijk aan welke vergunningplichten gelden voor verschillende wateractiviteiten. Zo stelt het Rijk een vergunningplicht voor onder andere een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een waterstaatswerk, een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een installatie in een waterstaatswerk, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of op een zuiveringtechnisch werk, stortingsactiviteiten op zee en waterontrekkingsactiviteiten. Waterschappen kunnen ook een vergunningplicht hanteren in hun waterschapsverordening.

Beleid Kaderrichtlijn Water De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is in december 2000 in werking getreden. De richtlijn heeft tot doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De richtlijn stelt daartoe eisen aan het waterbeheer in alle lidstaten. Streefdatum voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebiedsbeheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven. De Europese Kaderrichtlijn, heeft waar het de gemeente betreft, consequentie voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid (inrichting van watergangen en oevers).

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 58

Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma is vastgesteld op 18 maart 2022. Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 worden de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en vaarwegen beschreven. In het Nationaal Water Programma zijn drie hoofdambities opgenomen: • Een veilige en klimaatbestendige delta. • Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. • Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. Een veilige en klimaatbestendige delta Vanwege het feit dat Nederland kwetsbaar is voor de gevolgen van klimaatverandering, zijn maatregelen vereist die verdere klimaatverandering tegengaan. Daarnaast zijn stappen nodig om ons aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering. Dit wordt klimaatadaptatie genoemd. Klimaatadaptatie is een opgave die vele beleidsterreinen en sectoren raakt en daar dwars doorheen loopt. Klimaatadaptatie is een belangrijk onderdeel van het waterveiligheidsbeleid. Het Rijk bouwt voort op bestaande strategieën, zoals de overstromingsrisicobenadering en meerlaagsveiligheid. Uiterlijk in 2050 moeten de primaire waterkeringen aan de aangescherpte wettelijke normen voldoen. Ook wordt gewerkt aan het versterken van regionale keringen. Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is.

Een concurrerende, duurzame en circulaire delta Een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Daarom moet Nederland in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Het Rijk werkt aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Het Rijk wil de internationale concurrentiekracht van de mainports en van de Nederlandse maritieme sector op een duurzame manier versterken en daarom wordt gewerkt aan een vlot, veilig, robuust en duurzaam goederenvervoersystemen over water. Daarnaast richt Rijkswaterstaat op maatregelen voor het tegengaan van verzilting en het verkennen van mogelijke systeemingrepen voor een klimaatbestendige zoetwatervoorzieningen. Vervolgens werkt Rijkswaterstaat aan vlot, veilig, robuust en duurzaam verkeer van scheepvaart over water door de aanleg en het beheer en onderhoud van rijkswateren en vaarwegen. Hierbij wordt veel aandacht besteed aan het klimaatbestendig maken van het netwerk en aan de verduurzaming van aanleg, beheer en onderhoud. Met innovaties op het gebied van technologie, data en digitalisering wordt gewerkt aan veiliger, schoner en efficiënter vervoer over water. Ten slotte bezuinigt Rijkswaterstaat op het eigen energieverbruik en het zet in op klimaatneutraal werken.

Door het onder voorwaarden laten gebruiken van het Rijkswaterstaat-areaal voor het opwekken van duurzame energie voor en door derden kan een bijdrage geleverd worden aan de energietransitie. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Het kabinet heef in 2021 het statiegeldsysteem uitgebreid naar kleine flesjes om de hoeveelheid plastic in het milieu te verminderen.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 59

Het Rijk neemt in de planperiode van dit NWP veel maatregelen voor een natuurlijkere inrichting van de grote wateren om de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) te bereiken. Deze maatregelen zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen 2022-2027. In de afgelopen periode zijn daarnaast extra middelen vrijgemaakt voor de Delta aanpak Waterkwaliteit, het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW). Al deze maatregelen betekenen een grote stap naar het halen van de doelen voor waterkwaliteit en natuur. In 2021 heef het Rijk de Beleidsnota Drinkwater 20212027 vastgesteld om schoon, gezond en genoeg (drink)water voor iedereen veilig te blijven stellen. Het Programma Natuur en het Programma Versterken Biodiversiteit bevatten maatregelen om de waternatuur te versterken. De visie voor kringlooplandbouw draagt bij aan het verbeteren van de kwaliteit van grond en oppervlaktewater. De aanpak van bodemdaling is ook voor het waterbeheer van groot belang. Het Programma Ontwikkeling Nationale Strategie (ONS) Landschap ondersteunt een landschapsinclusieve aanpak van de wateropgaven. Rijkswaterstaat richt zich in de planperiode van het NWP op het uitvoeren van de 3e tranche KRWmaatregelen, het opstellen en uitvoeren van Natura 2000beheerplannen en het verkennen en uitvoeren van de PAGWmaatregelen in de rijkswateren.

Daarbovenop gaat extra aandacht uit naar opkomende en zeer zorgwekkende stoffen, zowel op het gebied van vergunningverlening als kennisontwikkeling. Voor het grondwatersysteem gaat Rijkswaterstaat samen met regionale waterbeheerders de effecten op het grondwater van de rijkswateren en eigen werkzaamheden daarin verkennen. Hierbij wordt ook gekeken of de rijkswateren een positieve bijdrage kunnen leveren aan de gewenste grondwatersituatie van het regionale grondwatersysteem. Dit mede ter bestrijding van gevolgen van wateroverlast en voornamelijk verdroging. Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 Op 31 januari 2022 is het Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 vastgesteld door de Provinciale Staten van Noord-Holland. Met dit programma wordt invulling gegeven aan het waterbeleid in Omgevingsvisie NH 2050 voor zover het uitvoering van Europese richtlijnen over water betreft. Een goede waterkwaliteit, duurzaam voorraadbeheer en bescherming tegen overstroming zijn de centrale elementen van het programma. Voor de deelprogramma’s oppervlaktewater, grondwater en overstromingsrisico’s is uitgewerkt welke doelen de provincie wil bereiken en hoe hieraan een bijdrage wordt geleverd met een breed pakket aan maatregelen.

Daarbij wordt extra aandacht besteed aan natuurgebieden, drinkwaterwinningen en zwemwateren, die volgens Europese richtlijnen worden beschermd vanwege de specifieke eisen die hier gelden. Waterplan 2022-2027 Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Op 15 december 2021 is het Waterplan vastgesteld. Het Waterplan van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier richt zich op toekomstbestendig waterbeheer. De belangrijke thema’s zijn waterveiligheid, voldoende water, gezond en schoon water en veilige vaarwegen. Het Waterplan 2022-2027 erkent de groeiende uitdaging door klimaatverandering, technologische vooruitgang en maatschappelijke ontwikkelingen. Ingezet wordt op adaptieve en duurzame maatregelen, zoals dynamisch kustbeheer, integrale samenwerking met partners en innovatieve technologieën voor real time monitoring. Het plan is flexibel om in te spelen op de complexiteit van waterbeheer en toekomstige onzekerheden. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd.

De projectlocatie is gelegen in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft Legger Wateren, Legger Waterkeringen en de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier vastgesteld.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 60

Effect op waterkwaliteit Bij de totstandkoming van het project worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper en zink, niet toegepast, zodat schoon hemelwater hier niet mee in aanraking kan komen. Zo heeft de ontwikkeling geen negatief effect op de (grond)waterkwaliteit ter plaatse. Effect op waterkwantiteit In de huidige situatie zijn de gronden ter plaatse van het projectgebied voor een groot deel verhard door bebouwing en bestrating. Een deel aan de achterzijde van het gemeentelijk monument is een (onverhard) sportveld. In de toekomstige situatie zal hier sprake zijn het nieuwbouw-gedeelte. De verharding ter plaatse van het projectgebied neemt in de toekomstige situatie toe. Op grond van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gelden er regels voor een eventuele toename van verhard oppervlak. Door de aanleg van verhard oppervlak wordt neerslag versneld afgevoerd naar het water, waardoor het risico op wateroverlast toeneemt. Om dit effect te compenseren geldt op grond van de waterschapsverordening dat wanneer er tussen de 230 m2 en 2.000 m2 aan verharding wordt toegebracht, 15% hiervan gecompenseerd dient te worden in geval van compensatie in wateroppervlak. Bij meer dan 2.000 m2 verhardingstoename is een maatwerkberekening nodig.

In het kader van de ruimtelijke procedure moet een watertoets plaatsvinden die wordt afgestemd met de waterbeheerder. Indien er sprake is van watercompensatie, komt dit voor rekening van ontwikkelaar. Bij het ontwerpen, realiseren en beheren van groen en water dient de LIOR gevolgd te worden. Voor de beoogde ontwikkeling wordt de bestaande kavel opgedeeld in twee delen. In de toekomstige situatie zal één deel van de bestaande kavel, een woningbouwkavel worden (zie onderstaande figuur). Figuur 11. Bestaande bebouwingen & verhardingen op bestaande kavelverdeling

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 61

Figuur 12. Bestaande bebouwingen & verhardingen op nieuwe kavelverdeling

Figuur 13. Nieuwe bebouwingen & verhardingen op nieuwe kavelverdeling (bron: Onderwaater architecten ingenieurs)

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 62

De bestaande bebouwingen en verhardingen op de bestaande kavel(verdeling) beslaan in totaal 6.352 m2 aan verhard oppervlak. De totale kaveloppervlakte is dan 8.817 m2. In de toekomstige situatie wordt de bestaande kavel verdeeld in twee delen: een deel voor de toekomstige school en kinderdagverblijf (de beoogde ontwikkeling) en een woningbouwkavel (geen onderdeel van de beoogde ontwikkeling in voorliggend document). De nieuwe kavel beslaat in totaal 5.475 m2. In de huidige situatie is van deze 5.475 m2, 3.718 m2 verhard. In de toekomstige situatie is van deze 5.475 m2, 2.938 m2 verhard door bebouwing. De overige 2.537 m2 betreft buitenruimte. Voor de buitenruimte is nog onbekend wat de verhouding verhard oppervlak/ onverhard oppervlak is. Figuur 14. Peilgebied projectgebied Eikstraat 3 Hoorn

Ter plaatse van het projectgebied zelf is geen sprake van water(gangen). Op advies van het Hoogheemraadschap kan de compensatie ten slotte ook worden gezocht in de vorm van alternatieve waterberging. Een belangrijke voorwaarde voor de realisatie van alternatieve waterberging onder maaiveld is echter wel dat hemelwater goed in de bodem moet kunnen infiltreren en de grondwaterstand niet te hoog is. Het uitgangspunt bij alternatieve waterberging is een berging van 70mm per vierkante meter verhardingstoename. Met alternatieve waterberging kan mogelijk rekening gehouden worden bij de verdere uitwerking van het ontwerp van de buitenruimte binnen het projectgebied. Effect op beperkingengebieden Het projectgebied is gelegen buiten het beperkingengebied en/of beschermingszone van een nabijgelegen waterkering of oppervlaktewaterlichaam.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 63

Effect op grondwater De doelstelling uit de Waterschapsverordening is om de aanwezige grondwaterkwaliteit in stand te houden, grondwaterschaarste en grondwateroverlast in stand te houden en het handhaven van een grondwaterstand die geen inbreuk maakt op de bij het grondwaterbeheer betrokken belangen. Uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen (negatief) effect heeft op het grondwater ter plaatse. Riolering Voor het rioolbeheer is het van belang dat de was-wordt situatie in een vroeg stadium in beeld wordt gebracht over het aanbod van stedelijk afvalwater. Nieuwbouw wordt altijd gescheiden aangeboden ongeacht of het gemeentelijke stelsel al is gescheiden. De debieten die het rioolstelsel moet gaan afvoeren voor een bouwplan, moeten worden aangeboden aan de gemeente. Dit vanwege de capaciteit van het bestaande bemalingsgebied van het riool. Voor elk bouwplan moet daarom met een rioolberekening worden aangegeven hoeveel er wordt geloosd, voor inzicht in het totaal debiet. Hierbij rekening houdend met eventueel geplande werkzaamheden in het projectgebied voorafgaand op ontwikkeling, en werkzaamheden in de omgeving. Bij het ontwerpen, realiseren en beheren van de riolering dienen de LIOR en de Leidraad Riolering van de Stichting Rioned gevolgd te worden. Conclusie In het kader van water is sprake van een ETFAL.

WINDHINDER Algemeen Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving, zoals bedoeld in artikel 2.1 Omgevingswet. Hiermee is windhinder ook een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties in het omgevingsplan. De gemeente heeft hier wel een ruime mate van beleidsvrijheid in, nu voor het aspect windhinder instructieregels van het Rijk ontbreken. Beoordelingskader NEN-norm voor windhinder De NEN 8100 is een norm voor de beoordeling van het windklimaat. De norm werkt met uurgemiddelde windsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) aangegeven of het windklimaat slecht, matig of goed is. In deze norm zit een beslismodel dat aangeeft wanneer een windonderzoek nodig kan zijn: • gebouwen hoger dan 30 meter: windonderzoek is nodig • beschut gelegen gebouwen, hoogte 15 tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is • onbeschut gelegen gebouwen, hoogte tot 30 meter: specialist beoordeelt of windonderzoek nodig is De NEN 8100 is vanuit de wet niet verplicht, maar wordt wel algemeen gebruikt om te beoordelen of de ontwikkeling in overeenstemming is met een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (voorheen: een goede ruimtelijke ordening).

Borging windhinder in het omgevingsplan In het omgevingsplan kan de gemeente regels opstellen over de wijze waarop windhinder in de planvorming betrokken dient te worden. Dit kan bijvoorbeeld door het opnemen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan, door het opnemen van maatregelen in het omgevingsplan (wanneer de maatregelen voor het beperken van windhinder reeds bekend zijn) of door het vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 64

In onderstaand kader is een voorbeeld van een omgevingsvergunningplicht opgenomen. Voorbeeld omgevingsvergunningplicht De gemeente neemt een vergunningplicht op voor bebouwing hoger dan 30 meter. Hieraan koppelt de gemeente een beoordelingsregel. De beoordelingsregel stelt als voorwaarde dat de initiatiefnemer aantoont dat er een aanvaardbaar windklimaat ontstaat. Eventueel kan de gemeente in het omgevingsplan vastleggen dat de initiatiefnemer dit aantoont met een windonderzoek dat voldoet aan de NEN norm 8100 voor windhinder en windgevaar.

Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in bebouwing van 30 meter of hoger. Conform het beslismodel van de NEN 8100 is een nader onderzoek naar windhinder niet noodzakelijk. Conclusie In het kader van windhinder is sprake van een ETFAL.

Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO

Pagina | 65

6

BESCHRIJVING UITVOERBAARHEID ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het project wordt door initiatiefnemer uitgevoerd. De kosten in verband met de realisatie zijn voor rekening van initiatiefnemer. Er is geen aanleiding om aan de economische haalbaarheid van het plan te twijfelen. Ten behoeve van de herontwikkeling aan de Eiklstraat 3 is een overeenkomst gesloten tussen Gemeente Hoorn en de ontwikkelende partij. Hierin zijn alle afspraken, waaronder financiële, vastgelegd. Hiermee is ook gemeente Hoorn gedekt voor haar kosten i.v.m. de voorgenomen ontwikkeling.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Participatie De projectmanager is het eerste aanspreekpunt over het plan voor de initiatiefnemer/ontwikkelaar. De initiatiefnemer/ontwikkelaar en projectmanager zorgen in overleg voor het delen van de juiste informatie met alle betrokkenen binnen de gemeente, maar ook naar derden zoals stakeholders in de omgeving, omwonenden en externe adviseurs. De gemeenteraad heeft vastgesteld dat als bindend advies van de gemeenteraad nodig is, participatie verplicht is. Er is een participatietraject opgestart met omwonenden. Op initiatief van een aantal omwonenden, verenigd in de zogenaamde buurtwerkgroep, stelde de omgeving in 2022 een participatieplan op. Het participatieplan is niet door de gemeente vastgesteld, maar dient door de initiatiefnemer/ontwikkelaar wel als vertrekpunt en richtinggevend te worden meegenomen bij de uitwerking van zijn eigen participatieplan. Met de buurtwerkgroep voert de gemeente overleg over de wijze waarop omwonenden worden betrokken (proces en vorm). De buurtwerkgroep stelde vervolgens drie deelwerkgroepen samen voor de drie ontwikkellocaties. Naast de betrokkenheid vanuit deze omwonenden voerde de projectmanager met een aantal stakeholders apart overleg. Stakeholders zijn voor de gemeente omwonenden, bedrijven of organisaties met een specifiek belang, anders dan het algemene belang van alle omwonenden.

Het vervolg van dit traject, maar ook nog toekomstige vormen van participatie moeten door de initiatiefnemer/ontwikkelaar van het plan vastgelegd worden in een plan van aanpak over participatie en communicatie. Het overleg met omwonenden wordt volgens het plan van aanpak in de verdere fasen van de planontwikkeling uitgevoerd. De wijze waarop het participatieproces heeft plaatsgevonden en op welke wijze de reacties zijn verwerkt en wel of niet zijn meegenomen in de planontwikkeling is van belang bij de uiteindelijke advisering en besluitvorming op het plan door de gemeenteraad. De gemeentelijke participatieverordening dient nauwgezet gevolgd te worden en de actieve rol van de omgeving in de uitwerking van de plannen moet daarbij helder zijn. Van de ontwikkelaar wordt een helder en proactief omgevingsmanagement verwacht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=806e88e2-8fa6-4c5d-9fb7-ac5660a76a21