Toezegging: rapport MEES (onderbouwing BOPA Eikstraat 3)
Tekst van het document
Werelderfgoed Naast de bescherming van erfgoed via de regels in artikel 5.130, is in artikel 5.131 voorzien in een specifieke regel voor het werelderfgoed. Een Omgevingsplan dient regels te bevatten voor het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed. Daarbij geldt dat een ontwikkeling in een betreffende gemeente invloed kan hebben (bijv. hoogbouw) op de universele waarde van werelderfgoed in een omliggende gemeente. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. De gronden ter plaatse van het projectgebied hebben deels de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 5’. Bij Waarde-Archeologie 2 is er onderzoek nodig wanneer een bouwwerk een oppervlakte heeft van 100 m2 of meer en werkzaamheden die over een oppervlakte van 100 m2 of meer tevens dieper dan 0,30 m de bodem in gaan. De locaties bedragen meer dan 100 m2.
Bij Waarde-Archeologie 5 is er onderzoek nodig wanneer een bouwwerk een oppervlakte heeft van 10.000 m2 of meer en werkzaamheden die over een oppervlakte van 10.000 m2 of meer tevens dieper dan 0,40 m de bodem in gaan. Vanuit het gemeentelijk beleid wordt geadviseerd om archeologie-vriendelijk te bouwen, dat wil zeggen de bodem niet te verstoren. Een archeologie-vriendelijk bouwplan kan worden getoetst door Archeologie WestFriesland en dient te worden goedgekeurd door de gemeente. Op verzoek van de gemeente Hoorn is het aspect archeologie beoordeeld met betrekking tot de ontwikkeling op onder andere de locatie Eikstraat in Hoorn (het plangebied/projectgebied in het onderzoek beslaat een groter gebied dan het projectgebied waar voorliggend document betrekking op heeft). Binnen het projectgebied (Eikstraat 3) is sprake van bestaande bebouwing, maar ook van grasvelden en verharding. Het
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 26
monumentale deel van de bebouwing wordt behouden. De niet-monumentale bebouwing wordt gesloopt, zodat ruimte ontstaat voor de nieuwbouw. De omgeving van het projectgebied is in gebruik genomen in de late 16de eeuw. Voor 1615 is hier een lijnbaan gebouwd. Bij nabijgelegen archeologisch onderzoek is de aanwezigheid van deze lijnbaan niet aangetoond, maar zijn wel sporen van industriële activiteiten teruggevonden. Mogelijk kan de lijnbaan wel worden gelokaliseerd binnen (onder andere) het projectgebied Eikstraat 3. Onderzoek binnen het projectgebied kan informatie opleveren over het vroeg-industriële verleden van Hoorn. Ook kunnen resten van een buitenplaats met bijbehorende tuininrichting en eventuele bijbehorende gebouwen, zoals zichtbaar op de kaart van Doesjan (afb. 6), worden aangetroffen. Figuur 5. De locatie van het projectgebied (zwarte cirkel, bij benadering), op de kaart van Doesjan uit 1794. Het noorden is rechts (bron: Archeologische Quickscan gemeente Hoorn, d.d. 5 juli 2023)
In de Archeologische Quickscan van de gemeente Hoorn van 5 juli 2023 is een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist, wanneer ingrepen benodigd zijn voor de nieuwbouw met een oppervlakte groter dan 100 m2 in het noordelijk deel van het te herontwikkelen gebied (oranje op onderstaande kaart) en niet archeologie-vriendelijk worden uitgevoerd.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 27
Figuur 6. De ligging van het te herontwikkelen gebied (zwarte stippellijn) en het projectgebied Eikstraat 3 (geel kader, globaal weergegeven) op de beleidskaart archeologie van de gemeente Hoorn (bron: Archeologische Quickscan gemeente Hoorn, d.d. 5 juli 2023)
In de quickscan is voor het noordelijk deel (oranje deel) geadviseerd tot een archeologisch onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voorgesteld is om vier proefsleuven aan te leggen verspreid over het projectgebied. Dit komt neer op circa 820 m2 aan proefsleuven en een dekkingsgraad van circa 13%. Vervolgens is mogelijk nog nader onderzoek in de vorm van een opgraving noodzakelijk. Het Programma van Eisen Landbodems van 14 april 2025 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. Dit Programma van Eisen vormt een belangrijke randvoorwaarde voor de beoogde werkzaamheden ter plaatse van (onder andere) de Eikstraat 3. De bestaande bebouwing ter plaatse van het projectgebied is (gedeeltelijk) gemeentelijk monument. De Eikstraat heeft cultuurhistorische waarden vanwege klinkerbestrating met bomenrijen en een ruime stoepenzone en terugliggende rooilijnen met groene voortuinen aan weerszijden van de straat. De bebouwing heeft samenhangende tijdsgebonden architectuur. De hoogte van de woningen is maximaal twee lagen met kappen met hellende daken. Dit samenhangend beeld van de straat moet in stand worden gehouden. De school met het schoolplein is hierbij een belangrijk beeldbepalend element in de straat. Nieuwbouw moet los van het gemeentelijk monument worden gepositioneerd met voldoende afstand om het oorspronkelijke bouwvolume in haar context te behouden.
We gaan ervan uit dat het gebied achter de school (tot aan het spoor) wordt betrokken bij de herontwikkeling. Hierbij kan een opbouw van laag aan de Eikstraat (maximaal twee lagen met kap) naar hoger op het achtergelegen terrein worden gepositioneerd. Aan de spoorzijde kunnen meer lagen komen. Het water langs het spoor heeft cultuurhistorische waarden dus moet worden gehandhaafd.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 28
Figuur 7. Cultuurhistorische elementen, projectgebied Eikstraat 3 (geel kader, globaal weergegeven) (bron: Nota van uitgangspunten Ontwikkelingen Eikstraatkwartier)
De projectlocatie ligt niet in een beschermd stads- of dorpsgezicht. De projectlocatie ligt niet in of direct nabij werelderfgoed. Ontwikkelingen op de projectlocatie kunnen hierdoor geen invloed hebben op de universele waarde van het werelderfgoed. Conclusie In het kader van cultuurhistorie, monumenten en archeologie is sprake van een ETFAL. Belangrijk om te vermelden is dat voor het onderdeel archeologie volgens het Programma van Eisen uit de bijlage bij dit document gewerkt dient te worden om verstoring van archeologisch waardevolle elementen te voorkomen.
DUURZAAMHEID EN NATUURINCLUSIEF BOUWEN Duurzame nieuwbouw vraagt om integraal werken, samen opzoek gaan naar gebiedsspecifieke kansen en uitdagingen, en zo vroeg mogelijk het goede gesprek voeren. Van ingebouwde nestkasten ter bevordering van de biodiversiteit tot aan het aanbieden van deelmobiliteit, duurzame maatregelen zien wij graag zo vroeg mogelijk in het ontwerp. Want voor duurzaamheid geldt: hoe eerder, hoe beter, hoe makkelijker en goedkoper het eindresultaat. De initiatiefnemer stelt een duurzaamheidsvisie en duurzaamheidsplan op. Uitgangspunten en ambities staan in de Handreiking Duurzaamheid Bouwontwikkelingen en zijn ondergrens. In dit project treedt de gemeente op als opdrachtgever wat betekent dat de ambities uit de Handreiking Duurzaamheid Bouwontwikkelingen voorwaarden zijn. Uitgangspunten en ambities zijn afkomstig uit vastgesteld beleid.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 29
Figuur 8. Stroommodel Handreiking Duurzaamheid (bron: Nota van uitgangspunten Ontwikkelingen Eikstraatkwartier)
Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. Voor de beoogde ontwikkeling wordt aangesloten bij de Handreiking Duurzaamheid Bouwontwikkelingen. Deze handreiking is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. In de handreiking staan uitgangspunten en ambities op het gebied van energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie. Conclusie Duurzaamheid en natuurinclusief bouwen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
ZORGVULDIG RUIMTEGEBRUIK / LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING Algemeen De toets voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, ook wel de ‘laddertoets’ genoemd, moet gedaan worden voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen die 'voldoende substantieel’ zijn. Het doel van de laddertoets is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in (niet-) stedelijke gebieden. Wettelijk kader Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stede- lijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor:
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 30
a.
op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Artikel 8.0b Besluit kwaliteit leefomgeving 1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, anders dan een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang, zijn op de beoordeling van de aanvraag van overeenkomstige toepassing: a. de regels van hoofdstuk 5;
Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. Het projectgebied maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. De stedelijke ontwikkeling kan gekwalificeerd worden als ‘voldoende substantieel’. Hierdoor moet de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen worden. Binnen de ontwikkeling van het Eikstraatkwartier is de toevoeging van maatschappelijke functies zeer wenselijk. De basis hiervoor ligt in de Omgevingsvisie, waarbij de uitgangspunten voor de bestaande stad worden beschreven: ‘Net buiten de historische binnenstad liggen de wijken die aan het begin van de vorige eeuw langs de linten en lanen gegroeid en dichter bebouwd zijn. De historische opbouw van deze gebieden geven het karakter. Het zijn op dit moment hoofdzakelijk woongebieden. Op termijn bieden we meer mogelijkheden voor functiemenging dan nu mogelijk is.
De bestaande structuur vormt het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen.’ Met de intensiveringsopgave wordt daarop aangevuld: ‘In de ‘Klein Stedelijke’ gebieden voegen we ook nieuwe woningen, maatschappelijke voorzieningen en bedrijven toe. We ontwikkelen hier meer woningen, bedrijven en voorzieningen per vierkante meter dan in de omliggende woonwijken. Dit doen we wel in minder hoge dichtheid dan in de ‘Gemengd Stedelijke’ gebieden. Denk hier ook bijvoorbeeld aan een mix van kleinere woningen met tuin voor jonge gezinnen, appartementen voor jongeren en ouderen en basisscholen. Uit deze passages blijkt o.a. de wenselijkheid van maatschappelijke voorzieningen. Voor de ontwikkeling van de Eikstraat is een school, kinderopvang en sport beoogd. De bestemming 'Maatschappelijk’ maakt een maatschappelijke invulling reeds mogelijk. Conclusie De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing. Op basis van beleid blijkt dat er behoefte is aan de ontwikkeling.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 31
5
ASPECTEN FYSIEKE LEEFOMGEVING In deze Goede onderbouwing van de Fysieke leefomgeving (GOFLO) wordt beschreven op welke wijze rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Deze aspecten omvatten in ieder de onderdelen die zijn opgenomen in artikel 1.2 van de Omgevingswet.
MILIEUZONERING Algemeen Milieuzonering is een instrument dat helpt bij het afwegen en verantwoorden van keuzes aangaande nieuwe woningbouw- en bedrijvenlocaties en beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie. Het gaat hierbij om de milieuaspecten: geluid, geur, stof en gevaar, waarbij de belasting afneemt naarmate de afstand tot de bron toeneemt. Om ervoor te zorgen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden en dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen, is de handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgesteld. Door toepassing te geven aan deze handreiking wordt zoveel mogelijk voorkomen dat woningen hinder en gevaar ondervinden van bedrijven en dat die bedrijven in hun milieugebruiksruimte worden beperkt. In de handreiking zijn richtafstanden opgenomen voor een scala aan milieubelastende activiteiten, opslagen en installaties. De richtafstand geldt vanaf de grens van de inrichting tot de bestemmingsgrens van omliggende woningen en betreft nadrukkelijk een leidraad en geen norm. Indien goed gemotiveerd en onderbouwd door middel van relevant milieutechnisch onderzoek, kan ervoor worden gekozen van de richtafstand af te wijken. Tabel 1. Richtafstanden bedrijven en milieuzonering.
Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De richtafstanden zijn afgestemd op het omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat kan de richtafstand met één stap worden verlaagd indien sprake is van een omgevingstype gemengd gebied. In gemengd gebied komen direct naast woningen bijvoorbeeld winkels, horeca en kleine bedrijven voor.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 32
Relatie tot ontwikkeling De projectlocatie kent de bestemming ‘Maatschappelijk’. De projectlocatie is gelegen nabij de binnenstad/woonwijk van Hoorn. In de omgeving zijn naast een spoorlijn, diverse woningen aanwezig. In de omgeving van het projectgebied komen diverse functies naast elkaar voor, waarbij de nadruk ligt op de woonfunctie. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat sprake is van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Bedrijvigheid in de categorieën 1 en 2 worden volgens de toelichting van het bestemmingsplan “Hoorn-Noord en Venenlaankwartier” aanvaardbaar geacht in een gebied waarbij de nadruk ligt op de woonfunctie. Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. In bijlage 1 van de regels van het bestemmingsplan “Hoorn-Noord en Venenlaankwartier” is de Staat van Bedrijven opgenomen. In deze Staat van Bedrijven is een school of kinderdagverblijf niet genoemd.
In de richtafstandenlijst van de handreiking van de VNG ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ is voor scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs een milieucategorie 2 aangewezen (SBI-code 2008, 852, 8531). Voor een kinderdagopvang is ook milieucategorie 2 aangewezen (SBI-code 2008, 8891.2). De meest nabijgelegen gevoelige (woon)functie grenst in het westen aan het projectgebied. Gezien het feit dat in de huidige situatie reeds sprake is van een maatschappelijke bestemming ter plaatse van het projectgebied, wijzigt het gebruik niet. Een kinderdagopvang heeft daarnaast dezelfde milieucategorie als een school voor basisonderwijs. In het uitgevoerde akoestisch onderzoek van Peutz is het geluid in de omgeving ten gevolge van de activiteiten en installaties van de beoogde ontwikkeling bepaald en getoetst aan de wettelijke grenswaarden en de richtlijnen voor een goede ruimtelijke ordening. Uit de berekeningen blijkt dat in de nieuwe situatie een derde aan speelplein wordt gerealiseerd dat zich op een grotere afstand bevindt van de omliggende woningen dan de bestaande speelterreinen. Hierdoor zal de potentiële geluidshinder van het nieuwe speelplein lager zijn, waardoor er ondanks de overschrijding van de richtwaarde uit de VNG toch sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
Voor de installaties geldt dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit het omgevingsplan, als de installaties voldoen aan de gehanteerde uitgangspunten voor geluidvermogen. Het volledige akoestisch onderzoeksrapport is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. Conclusie In het kader van milieuzonering is sprake van ETFAL.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 33
ASBEST Algemeen Asbest is een verzamelnaam voor zes in de natuur gevormde mineralen met een vezelstructuur, namelijk: actinoliet, amosiet, anthofylliet, chrysotiel, tremoliet en crocidoliet. Asbest is in het verleden veel toegepast in onder andere isolatieplaten, dakbedekking en afvoerbuizen. Als de microscopisch kleine vezels worden ingeademd, kan asbest kanker veroorzaken. Vanaf 1 januari 1994 geldt er een verbod op de toepassing van asbest. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn de relevante regels rondom asbest in bouwwerken opgenomen. Voor objecten geldt het Bbl niet. De bepalingen voor objecten (bijvoorbeeld personenauto’s of vaartuigen) zijn terug te vinden in het Asbestverwijderingsbesluit 2005. Voor bouwwerken die gebouwd zijn voor 1 januari 1994 dient op basis van artikel 7.9 Bbl een asbestinventarisatierapport te worden opgesteld, zodat bekend is of redelijkerwijs vermoed kan worden dat in het bouwwerk zich asbest of een asbesthoudend product bevindt. Voor het slopen van (een gedeelte van) een bouwwerk waarbij ook asbest wordt verwijderd, is het doen van een sloopmelding noodzakelijk (artikel 7.10 Bbl). De sloopmelding dient tenminste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te worden gedaan. In uitzonderingsgevallen bedraagt deze termijn tenminste een week, zie hiervoor artikel 7.10 lid 2 Bbl.
Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. Er worden werkzaamheden verricht in of aan een bouwwerk of gedeelte daarvan dat vóór 1 januari 1994 is gebouwd. Door SGS Search is in opdracht van de gemeente Hoorn en asbestinventarisatie uitgevoerd aan de Eikstraat 3 in Hoorn. Het doel van het onderzoek is om alle direct en deels direct waarneembare asbestverdachte materialen voor een eventuele sanering en het slopen van het gebouw in kaart te brengen. Tijdens het onderzoek zijn zes asbestverdachte bronnen aangetroffen. Deze bronnen zijn tijdens de inspectie bemonsterd en bleken na analyse geen asbestvezels te bevatten in een percentage boven de detectiegrens van 0,1% w/w. Het volledige rapport van 22 mei 2025 is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. Daarnaast is een onderzoek Chroom-6, zware metalen in coating- en/of verflagen uitgevoerd door SGS Search. Het volledige rapport van 13 mei 2025 is als bijlage opgenomen.
Uit het onderzoek op locatie is chroom-6 en/of lood wel in de coating aangetoond. Op basis van het gehalte chroom-6 en/of lood in de coating is het aannemelijk dat bij bewerken van de coating de grenswaarde voor chroom-6 (1 ug/m3) in de lucht wordt overschreden. Figuur 9. Overzicht bronnen (bron: SGS Search)
Het is daarom noodzakelijk om aanvullende beschermingsmaatregelen te nemen. Denk daarbij aan (verdere) beperking van stofproductie en gebruik van PBM's.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 34
In het kader van potentiële verontreiniging van het milieu is het van belang om stof af te vangen/stofverspreiding tegen te gaan en als chemisch afval af te voeren. De benodigde stofbeperkende maatregelen verschillen per bewerking. In dit advies is rekening gehouden met de geldende grenswaarde voor chroom-6. Chroom-6 en lood zijn een CMR-stof zonder veilige drempelwaarde, waarbij altijd gestreefd moet worden naar een zo laag mogelijke blootstelling. Voor chroom-6 is een streefwaarde vastgesteld die 100 x lager is dan de huidige grenswaarde. Voor lood is geen streefwaarde vastgesteld. Daarom blijft de inspanningsverplichting van de werkgever om blootstelling zoveel mogelijk te beperken van kracht. Voor de andere bronnen is dit vermoeden niet. Conclusie In het kader van asbest is sprake van een ETFAL. Voor de coating geldt dat Chroom-6 en zware metalen zijn aangetroffen. Voor het bewerken van de benoemde bronnen geldt dat aanvullende maatregelen benodigd zijn.
CHEMISCHE BODEMKWALITEIT Algemeen De chemische bodemkwaliteit heeft gevolgen voor de gezondheid en het milieu. Verontreinigingen kunnen het gebruik van een locatie beperken of tot hoge saneringskosten leiden. Het Aanvullingsspoor bodem (bestaande uit de Aanvullingswet bodem, het Aanvullingsbesluit bodem en de Aanvullingsregeling bodem) voegt het thema ‘bodem en ondergrond’ toe aan de Omgevingswet. De instrumenten van de Omgevingswet zijn daarmee toepasbaar op het thema bodem en ondergrond. De nieuwe regels komen in de plaats van de bestaande regels voor het beheer van bodemkwaliteit, zoals de Wet bodembescherming, het Besluit bodemkwaliteit en het Besluit uniforme saneringen. Bodemkwaliteit wordt een onderdeel bij een afweging van aspecten van de fysieke leefomgeving. Deze afweging is onder andere nodig bij het opstellen van een omgevingsvisie en een omgevingsplan. Toelaten van een bouwactiviteit (bestaande uit een bodemgevoelig gebouw) op een bodemgevoelige locatie Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit, bestaande uit een bodemgevoelig gebouw, op een bodemgevoelige locatie. De gemeente is daarom verplicht om in het omgevingsplan regels op te nemen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Bodemgevoelige locatie Als bodemgevoelige locaties worden in ieder geval beschouwd: a.
de locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; b. een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c. een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein. Bodemgevoelig gebouw Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan: a. een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of b. een woonschip of woonwagen. Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving van ten hoogste 50 m 2 wordt niet beschouwd als een bodemgevoelig gebouw.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 35
Het omgevingsplan dient regels te bevatten over: - de waarde waarboven maatregelen nodig zijn bij de realisatie van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties (artikel 5.89i en artikel 5.89j van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)); - welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de hiervoor bedoelde waarde (artikel 5.89k Bkl); - een meldingsplicht voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn (artikel 5.89l Bkl); - de ingebruikname van de bodemgevoelige locatie (artikel 5.89m Bkl). Indien in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, dan worden in het omgevingsplan ook regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde (waarboven maatregelen nodig zijn voor het realiseren van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties) alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89ka Bkl).
Bij een dergelijke omgevingsvergunningaanvraag dient tevens een bodemonderzoek te worden overhandigd, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in het omgevingsplan waar een overschrijding van de desbetreffende waarde redelijkerwijs is uit te sluiten. Milieubelastende activiteit waarbij bodemverontreiniging kan ontstaan Bij een aantal milieubelastende activiteiten is voorafgaand aan de activiteit bodemonderzoek van de landbodem nodig. Het doel van het voorafgaand bodemonderzoek is om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vast te stellen. De voorschriften voor het voorafgaand bodemonderzoek staan in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Paragraaf 5.2.2 stelt regels over het type onderzoek, de normen waaraan het onderzoek moet voldoen en over lozingen van vrijkomend afvalwater. Het voorafgaand bodemonderzoek naar de chemische kwaliteit van de landbodem is verplicht bij de volgende milieubelastende activiteiten: - Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119, Bal); - Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120, Bal); - Saneren van de bodem (paragraaf 4.121, Bal); - Bouwen op een bodemgevoelige locatie (paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)).
Uit het voorafgaand onderzoek blijkt of de interventiewaarde bodemkwaliteit wordt overschreden. Ook volgt uit het voorgaand onderzoek wat de verwachte hergebruiks- of verwerkingsmogelijkheden voor de te ontgraven grond zijn en op welke manier de partijindeling tot stand komt. Voor de activiteit saneren geeft het onderzoek inzicht in de ontgravingscontour en -diepte om de beoogde terugsaneerwaarde te kunnen bereiken. Bij het bouwen op een bodemgevoelige locatie bepaalt het onderzoek of sanerende maatregelen nodig zijn om op de locatie te mogen bouwen. Het voorafgaand bodemonderzoek bestaat uit drie mogelijke fasen: het vooronderzoek, het verkennend bodemonderzoek en het nader bodemonderzoek. Gestart wordt in fase 1, het vooronderzoek. De volgende fase (het verkennend bodemonderzoek) is alleen van toepassing, als de noodzaak daartoe blijkt uit het eerdere onderzoek. Doel hiervan is dat de onderzoekslast voor de initiatiefnemer hiermee beperkt blijft. Geldigheid van bodemonderzoek De beoordeling van de geldigheid van een onderzoek is maatwerk. Het bevoegd gezag mag bij het nemen van besluiten op grond van de Omgevingswet in ieder geval gebruik maken van rapporten en onderzoeken die niet ouder zijn dan 2 jaar. Bevoegd gezag mag ook gebruik maken van oudere rapporten en onderzoeken als voldoende onderbouwd is dat de gegevens nog voldoende actueel en representatief zijn.
Of hiervan sprake is, is onder meer afhankelijk van hetgeen in de tussenliggende periode is gebeurd met een locatie en het type verontreiniging die eventueel in de bodem is gevonden.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 36
Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Er is immers sprake van de realisatie van een school en kinderdagopvang waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is daarmee verplicht. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is door SGS Search een verkennend bodem- en asbest in grondonderzoek conform NEN5740 en NEN 5707 uitgevoerd. Het rapport van 22 mei is als bijlage bij voorliggend document gevoegd. Door middel van het uitgevoerde onderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en de aanwezigheid van asbest in de grond. Het onderzoek is gericht op de locatie Eikstraat 3 en Abbingstraat 1A. De locatie Abbingstraat 1A is voor voorliggende onderbouwing niet relevant.
Grond Uit de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat de grond plaatselijk gekwalificeerd wordt als maximaal klasse Industrie op basis van de stoffen kobalt, koper en zink. Dit komt overeen met de verwachtingen op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek. PFAS componenten Uit de resultaten blijkt dat de onderzochte grond, op basis van de parameters PFAS, gekwalificeerd kan worden als klasse ‘Wonen/Industrie’ binnen generiek kader. Grondwater Uit de resultaten kan geconcludeerd worden dat de signaleringsparameters niet overschreden worden. Gedempte sloot Uit de visuele beoordeling van de sloot wordt beoordeeld dat het dempingsmateriaal niet afwijkt van de omliggende bodem. Op basis van de analyseresultaten blijkt dat de grond gekwalificeerd wordt als maximaal klasse Industrie. Naar aanleiding van de visuele beoordeling en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat de sloot hoogstwaarschijnlijk is gedempt met gebiedseigen grond. De slootdemping heeft hierdoor niet geleid tot een significante bodemverontreiniging. Verkennend onderzoek asbest in grond Uit de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat zowel op het maaiveld als in de onderzochte grond geen asbest is aangetroffen in een gehalte boven de rapportagegrens.
Er zijn dan ook, op basis van deze onderzoeksresultaten, geen belemmeringen voor het toekomstig gebruik van onder andere de onderzoekslocatie Eikstraat 3. Op onder andere de Eikstraat 3 is een concentratie asbest aangetroffen in een gehalte onder de 50 mg/kg d.s. (toetsingscriterium nader onderzoek). Aangezien deze waarde niet wordt overschreden, is er geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat vanuit milieuhygiënisch oogpunt (incl. asbest) geen beperkingen worden gesteld aan de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie In het kader van bodem is sprake van een ETFAL.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 37
EXTERNE VEILIGHEID Algemeen Bij externe veiligheid gaat het om de risico’s van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Externe veiligheidsbeleid biedt de kaders waarmee een gebied zo ingericht kan worden dat mensen die er wonen of werken voldoende zijn beschermd bij ongevallen met gevaarlijke stoffen. Door vooraf na te denken over bescherming en doeltreffende maatregelen te nemen, kunnen mensen die in het gebied wonen of werken worden beschermd. Dit kan bijvoorbeeld door afstand te houden of mensen in het gebied de mogelijkheid te bieden om te vluchten of schuilen. Het 'plaatsgebonden risico' en 'aandachtsgebieden' zijn instrumenten van het externe veiligheidsbeleid waarmee invulling gegeven wordt aan het beschermen van de omgeving. Het wettelijk kader m.b.t.
externe veiligheid is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het besluit staan instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij de beoordeling van de externe veiligheid zijn twee begrippen van belang: • Plaatsgebonden risico (PR): de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). • Aandachtsgebieden: aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.
Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: o Brandaandachtsgebied o Explosieaandachtsgebied o Gifwolkaandachtsgebied Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Dit staat in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 38
Dit artikel biedt de gemeenteraad een eigen afwegingsruimte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een aandachtsgebied. Dat wil zeggen: zolang het gaat om een locatie buiten de afstand waar de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico geldt. Het noemen van het aantal van tien personen betekent niet dat de kans berekend moet worden. De vraag of van een groepsrisico sprake is, kan de gemeente ook beantwoorden met demografische gegevens of onderbouwde schattingen. Maatregelen Het bevoegd gezag kan diverse maatregelen inzetten om mensen te beschermen binnen de aandachtsgebieden. Deze gereedschapskist bestaat uit de volgende maatregelen: • afstand houden tot de risicobron binnen het aandachtsgebied • aanvullende risicocommunicatie • beperken van personendichtheden in de omgeving van de risicobron • vlucht- en schuilmogelijkheden • omgevingsmaatregelen • aanvullende bouwmaatregelen in een voorschriftengebied. Voorschriftengebied Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Een voorschriftengebied kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. De gemeente wijst in dat geval een locatie binnen een (brand- of explosie)aandachtsgebied als (brand- of explosie)voorschriftengebied aan in het omgevingsplan.
In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende bouweisen staan in de artikelen 4.90 tot en met 4.96 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zij hebben tot doel om mensen in een gebouw beter te beschermen tegen de effecten van een brand of explosie. Voor gedeelten van het bouwwerk buiten het voorschriftengebied gelden geen aanvullende bouweisen uit het Bbl. Als de gemeente geen brand- of explosievoorschriftengebied in het omgevingsplan heeft aangewezen, gelden binnen het aandachtsgebied geen aanvullende bouweisen. Zeer kwetsbare gebouwen Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand- of explosieaandachtsgebied moeten altijd worden aangewezen als voorschriftengebied. Voor deze gebouwen zijn de aanvullende bouweisen na aanwijzing van het voorschriftengebied in het omgevingsplan dus altijd van toepassing. Het gaat dan om bijvoorbeeld ziekenhuizen, basisscholen en kinderdagverblijven. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. Deze gelden alleen in geval van nieuwbouw of vervangende nieuwbouw.
Groepsrisico Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 39
De kaartviewer Atlas Leefomgeving is een tool die de risico-objecten van de Risicokaart op een geografische kaart laat zien. Op de Atlas Leefomgeving is te zien dat: • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een activiteit met risico’s; • Het projectgebied niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een nabij gelegen transportroute; • Het projectgebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een buisleiding voor het transport van gevaarlijke stoffen. Risicobronnen die verder zijn gelegen van het projectgebied zijn een LPG-tankstation aan de Willemsweg 67 en de Keern 17, buisleidingen langs de IJsselweg en de Rijksweg A7. Voornoemde risicobronnen bevinden zich allemaal op minimaal 800 meter. Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het aandachtsgebied van de risicobronnen. Het spoortraject van treinstation Hoorn bevindt zich ten noorden van het projectgebied. Voor het spoortraject is geen aandachtsgebied weergegeven op de risicokaart van Atlas Leefomgeving. Het projectgebied is bereikbaar vanaf de J. Poststraat en de Draafsingel.
De beoogde ontwikkeling hoeft gezien voorgaande niet te worden voorgelegd aan de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord, in haar rol als wettelijk aangewezen adviseur, voor een beoordeling van de aspecten zelfredzaamheid, rampbestrijding en crisisbeheersing. Conclusie In het kader van externe veiligheid is sprake van een ETFAL.
GELUID Algemeen De instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) voor geluid wijzen geluidgevoelige gebouwen en ruimten aan ter bescherming van mensen tegen geluid. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie van belang, te weten: • Woonfunctie • Onderwijsfunctie • Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang • Gezondheidszorgfunctie Op het moment dat een van bovenstaande functies ontwikkeld wordt, zal middels een geluidsonderzoek aangetoond moeten worden of er voldaan wordt aan de wettelijke standaardwaarde geluid of de grenswaarde geluid uit het Bkl. Deze waarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort. De onderstaande tabel geeft de waarden weer. Geluidbronsoort Provinciale wegen Rijkswegen Gemeentewegen Waterschapswegen Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen Industrieterreinen Industrieterreinen
Standaardwaarde (tabel 5.78t Bkl) 50 Lden
Grenswaarde (tabel 5.78u Bkl) 60 Lden
53 Lden
70 Lden
55 Lden
65 Lden
50 Lden 40 Lnight
55 Lden 45 Lnight
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 40
Op het moment dat wordt voldaan aan de standaardwaarde, is het geluid in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. Het bevoegd gezag heeft de mogelijkheid om meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar te beoordelen, maar dan dient aan een aantal wettelijke eisen te worden voldaan. Voorbeelden hiervan zijn dat er geen geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om aan de standaardwaarde te voldoen of dat de geluidbeperkende maatregelen zorgen voor zoveel mogelijk beperking van overschrijding van de standaardwaarde. Geluid boven de grenswaarde is niet toegestaan, behoudens enkele uitzonderingen. Zo kan bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen, onder voorwaarden, een overschrijding van maximaal 5 dB van de grenswaarde worden toegestaan. Wel dient als compensatie daarvoor te worden nagedacht over het realiseren van een geluidluwe gevel. Er zijn ook andere gebouwen en locaties die niet zijn aangeven als geluidgevoelig. Voorbeelden hiervan zijn: kantoren, recreatiewoningen, begraafplaatsen of parken. Hiervoor geldt dat de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid kan bepalen vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Zodra in een gebouw of op een locatie met zekere regelmaat en voor een langere tijd personen kunnen verblijven dient het onderdeel geluid nader bekeken te worden.
De praktijk wijst uit dat een goede locatiekeuze van activiteiten of functies meestal voldoende is voor het bereiken van het gewenste beschermingsniveau. De instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) beperken zich tot geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige ruimten. Deze instructieregels verschillen (deels) per type geluidsbron zoals bedrijven en wegen. Daarnaast moet er gekeken worden naar geluid van alle geluidbronnen samen. Tot slot geldt voor geluidsnormen van onversterkt menselijk stemgeluid, zoals dat van spelende kinderen op een schoolplein, dat dit niet met waarden wordt gereguleerd. Volgens artikel 5.59 van het Bkl moet het omgevingsplan regelen dat het geluid dat wordt veroorzaakt door een activiteit op een geluidsgevoelig gebouw (zoals woningen) aanvaardbaar is. In een omgevingsplan kunnen, om het stemgeluid van spelende kinderen te reguleren, voorschriften worden opgenomen. Dit kan bijvoorbeeld zijn ten aanzien van het aantal kinderen dat tegelijkertijd buiten mag spelen om een aanvaardbaar geluidniveau te behouden. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal.
Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. Een akoestisch onderzoek is uitgevoerd naar het geluid op schoolgebouw Eikstraat 3 te Hoorn en in de woonomgeving ten gevolge van de wijziging van de schoolgebouwen. Het onderzoek richt zich op geluid op de school ten gevolge van weg- en railverkeer. Tevens wordt het geluid in de omgeving beschouwd ten gevolge van schoolpleinen en installaties ten behoeve van de school. De berekeningen van het geluid ten gevolge van wegen zijn uitgevoerd conform bijlage Ive van de Omgevingsregeling. De berekeningen van het geluid ten gevolge van de spoorwegen zijn uitgevoerd conform bijlage Ivf van de Omgevingsregeling. De berekeningen van het geluid ten gevolge van de school zijn uitgevoerd conform de ‘Meet- en rekenmethode geluid industrie’ (bijlage IVh van de Omgevingsregeling). Wegverkeer Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat het geluid (Lden) ten gevolge van wegverkeer over gemeentewegen op de school ten hoogste 50 dB bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentewegen.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 41
Railverkeer Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat op meerdere posities niet wordt voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB voor het geluid ten gevolge van railverkeer. De grenswaarde van 65 dB wordt niet overschreden. De hoogste waarde van het geluid ten gevolge van railverkeer bedraagt 62 dB op de noordgevel van de begane grond. Op de overige gevels van het schoolgebouw wordt voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB. Het treffen van maatregelen om de geluidbelasting ten gevolge van het railverkeer te reduceren (raildempers, verhogen schermen, vergroten afstand tussen geluidbron en woningen) is in de onderhavige situatie niet haalbaar te achten. Bij toepassing van de voorgestelde gevelopbouw voor de geprojecteerde school bedraagt karakteristieke geluidwering van de gevel van de klaslokalen ten minste 29 dB. Hiermee wordt voldaan aan de eisen uit het Bbl. Speelpleinen Voor het geluid ten gevolge van de spelende kinderen gelden geen wettelijke grenswaarden. Voor het beschouwen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal) zijn de richtlijnen van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ toegepast. De geluidimmissie ten gevolge van de spelende kinderen op de drie schoolpleinen in de dagperiode voldoet niet aan de richtwaarden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) en het maximale geluidniveau van 70 dB(A).
De hoogste geluidniveaus ten gevolge van de schoolpleinen worden veroorzaakt door de bestaande speelterreinen van de Mariaschool. Omdat er geen klachten zijn over het gebruik hiervan kan geconcludeerd worden dat de potentiële hinder veroorzaakt door deze terreinen als acceptabel wordt beschouwd. In de nieuwe situatie wordt een derde speelplein gerealiseerd dat zich op een grotere afstand bevindt van de omliggende woningen dan de bestaande speelterreinen. Hierdoor zal de potentiële geluidshinder van het nieuwe speelplein lager zijn, waardoor er ondanks de overschrijding van de richtwaarde uit de VNG toch sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Installaties De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus ten gevolge van de installaties op het dak van de school voldoen aan de grenswaarden uit het omgevingsplan, als de installaties voldoen aan de gehanteerde uitgangspunten voor geluidvermogen. Deze uitgangspunten kunnen als geluideis voor de leveranciers van de installaties gehanteerd worden. Conclusie In het kader van geluid is sprake van een ETFAL.
GEZONDHEID Algemeen Onder de Omgevingswet speelt het aspect ‘gezondheid’ mee in de afweging van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het thema ‘gezondheid’ omvat de aspecten, die de fysieke gezondheid van mensen in het gebied bepaalt en/of bevordert. Het gaat daarbij om concentraties luchtverontreinigende stoffen en de hoogte van geluid door wegverkeer maar ook over de mogelijkheden en maatregelen die bewoners en gebruikers in het gebied bevorderen (zelf) te bewegen en de kwaliteit van groen en openbare ruimte in het gebied. Gezondheid wordt breder beschouwd dan alleen focus op luchtkwaliteit- en geluidseffecten beneden de normen, maar ook op ruimte voor bewegen en andere aspecten. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd. Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 42
De beoogde ontwikkeling kan een bijdrage leveren aan de gezondheid van de (toekomstige) bewoners in de omgeving door het bieden van een sociale ontmoetingsruimte in de vorm van een speelplek. Het uitgangspunt is dat speelpleinen en scholen openbaar terrein blijven. Daarnaast biedt de ontwikkeling kansen voor het versterken van groen en biodiversiteit en daarmee het toevoegen van een interessant openbaar verblijfsgebied met de mogelijkheid tot ontmoeten. In het ontwerp wordt rekening gehouden met het behoud van de Eikstraat als mooie laan. De school met het schoolplein is hierbij een belangrijk beeldbepalend element in de straat. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient een duurzaamheidsplan te worden opgesteld om een gezonde en duurzame omgeving te kunnen bieden die klimaat- en toekomstbestendig is. In een duurzaamheidsplan wordt beschreven welke maatregelen worden genomen om de ambities uit de duurzaamheidsvisie te realiseren, gericht op de vier pijlers: Energietransitie, Circulaire economie, Klimaatbestendigheid en Groen en Duurzame mobiliteit. In voorliggend rapport is daarnaast nader onderzoek gedaan naar aspecten zoals geluid, bodemkwaliteit en luchtkwaliteit. Vanuit deze onderzoeken kan geconcludeerd worden dat de gezondheid van de toekomstige gebruikers gewaarborgd kan worden. Conclusie In het kader van gezondheid is sprake van een ETFAL.
KABELS EN LEIDINGEN Algemeen De Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) bevat regels ter bescherming van bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken. In het omgevingsplan kunnen de locaties en kenmerken van kabels en leidingen staan om de omgeving te beschermen tegen de risico’s van deze kabels en leidingen. Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon) De Wibon gaat niet op in de Omgevingswet. Doel van de Wibon is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen te voorkomen. Het gaat dan om water-, elektriciteit-, gasen telecomleidingen. Netbeheerders zijn door deze wet verplicht om informatie te geven over de ligging van hun kabels en leidingen. Mechanisch graven of heien mag in de openbare ruimte pas als er bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) van het Kadaster een KLIC-melding is gedaan. Deze verplichting geldt voor elke graafdiepte. Degene die de mechanische graafwerkzaamheden uitvoert of laat uitvoeren, is de grondroerder. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen.
Het Kadaster regelt dat de melder informatie krijgt over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie. Omgevingsplan – (toelaten van) buisleidingen en hoogspanningsleidingen Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan. Bijvoorbeeld leidingen die belangrijk zijn voor de energievoorziening, zoals de stadsverwarming. Als maatregelen nodig zijn, dan moeten deze geborgd worden in de omgevingsvergunning of het omgevingsplan. Deze bouwregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Denk bijvoorbeeld aan de situering en afstand van ondergrondse kabels en leidingen ten opzichte van omliggende woningen. Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 43
Daarnaast bepaalt een gemeente in haar omgevingsvisie welke ondergrondse leidingen of kabels relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en of deze relevant zijn om op te nemen in het omgevingsplan. In het omgevingsplan staan geen of zeer beperkt gebruiksregels voor ondergrondse kabels en leidingen. Deze regels richten zich op de ligging, het type leiding en de gebruikskenmerken. Daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om de volgende kenmerken: • soort stof (bij buisleidingen) • maximale druk (bij gas in buisleidingen) • maximaal vermogen (bij ondergrondse hoogspanningsleidingen) Hoogspanningsverbindingen en magneetveldzones Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit om gezondheidsredenen noodzakelijk is, maar uit voorzorg. Het voorzorgbeleid voor magneetvelden bestaat uit: • bronmaatregelen, die de netbeheerders bij alle netcomponenten treffen; • afstandsmaatregelen bij bovengrondse hoogspanningslijnen, die het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening op basis van de berekening van de magneetveldzone kan treffen.
Door de minister voor Klimaat en Energie (KE) en de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) is, in afstemming met de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), besloten om voor andere netcomponenten dan bovengrondse hoogspanningslijnen geen afstanden ten opzichte van gevoelige bestemmingen te adviseren. Dat betekent dat er ook geen magneetveldzone bij deze netcomponenten bepaald wordt. Het bevoegd gezag voor de ruimtelijke ordening heeft de mogelijkheid om de magneetveldzone van een bovengrondse hoogspanningslijn vast te leggen in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan, omgevingsplan of projectbesluit). Door het verbinden van planregels aan de magneetveldzone kan voorkomen worden dat er nieuwe gevoelige bestemmingen in de magneetveldzone gerealiseerd kunnen worden. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal. Het schoolgedeelte van de nieuwbouw wordt door middel van een tussenlid met het monumentale gedeelte verbonden. In het monument wordt de kinderdagopvang gerealiseerd.
Voor de aanleg van kabels, leidingen (waaronder een warmtenet) en andere nutsvoorzieningen moet de ontwikkelaar in overleg treden met de nutsbedrijven en de gemeente, afdeling beheer en realisatie. Voor de ontwikkeling is de Algemene Verordening Ondergrondse Infra van toepassing (AVOI). Voor alle eisen voor kabels en leidingen is het uitgangspunt het “handboek kabels en leidingen Hoorn”. Hierbij rekening houdend met eventueel geplande werkzaamheden in het projectgebied voorafgaand op ontwikkeling, en werkzaamheden in de omgeving. Bij het ontwerpen, realiseren en beheren van de kabels en leidingen dient de LIOR gevolgd te worden. Dit uitgangspunt geldt voor gronden die terug geleverd worden aan de gemeente of grond waarin de gemeente de werkzaamheden uitvoert. Bij het ontwerpen, realiseren en beheren van de kabels en leidingen dient de LIOR gevolgd te worden.
Mees Ruimte & Milieu | 24285.GOFLO
Pagina | 44
In het “Omgevingsplan gemeente Hoorn” zijn geen regels opgenomen over buisleidingen / hoogspanningsleidingen met een bijbehorende beschermingszone ter plaatse van het projectgebied. Nader onderzoek naar de buisleiding / hoogspanningsleiding is gelet op voorgaande niet noodzakelijk. Daarnaast worden ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling grondroerende werkzaamheden uitgevoerd. Een grondroerder is verplicht informatie over de ligging van eventuele ondergrondse kabels en leidingen op de graaflocatie op te vragen. Dit moet gebeuren vóór de graafwerkzaamheden beginnen. Conclusie In het kader van kabels en leidingen is sprake van een ETFAL.
LICHT Bezonning Algemeen Voldoende zonlicht en schaduw zijn aspecten van de fysieke leefomgeving. Voldoende zonlicht of juist voldoende schaduw op bijvoorbeeld gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken is belangrijk. Zo draagt voldoende zon bij aan een aangenaam verblijfsklimaat, maar geldt eveneens dat men in de steeds hetere zomers ook de schaduw moet kunnen opzoeken. De rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. Daarom heeft de gemeente de vrijheid om deze zelf in te vullen. Daarbij kan de gemeente gebruikmaken van alle mogelijkheden van het instrument omgevingsplan. Gemeenten kunnen door regels aan bouwwerken te stellen in het omgevingsplan voorkomen dat er te veel of te weinig schaduw ontstaat. Hierbij kan gedacht worden aan: voldoende afstanden tussen (hoge) bebouwing, bouwhoogten, fysieke vorm van de gebouwen, ligging openbare ruimte en speelplekken ten opzichte van bebouwing en zongericht verkavelen. Naast stedenbouwkundige oplossingen kunnen gemeenten ook kiezen voor het vastleggen van een omgevingsvergunningplicht in het omgevingsplan of vastleggen van een meldingsplicht voor bouwen van hoge gebouwen in het omgevingsplan.
Daarnaast kan in het omgevingsplan worden opgenomen dat bij een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling een bezonningsonderzoek op basis van de TNO-norm dan wel gemeentelijke norm dient te worden uitgevoerd TNO-norm Voor het beoordelen of sprake is van voldoende zonlicht op de gevels van omliggende woningen, hanteren veel gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen de (niet wettelijk verplichte) TNO-norm. TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: • de 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; • de 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam; Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht. In sommige gevallen kan het echter wenselijk zijn om ook de bezonningssituatie voor deze woningen inzichtelijk te maken. Doorgaans wordt een bezonningsstudie aanbevolen bij een bouwhoogte van meer dan 25 meter. Relatie tot ontwikkeling Het doel is om de monumentale bebouwing aan de Eikstraat 3 te Hoorn te hergebruiken en een deel nieuw te bouwen aan de achterzijde van het monument. Het programma in het nieuw te bouwen gedeelte bestaat uit een school (basisonderwijs) en een gymzaal.