CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Brief inwoner - Gecombineerde pro-forma bezwaar raadsbesluit en benoeming aandachtspunten inzake voorgenomen besluit omtrent mogelijke locatie Zuiderveld II

Algemene Raadscommissie - Raadzaal 10 oktober 2024, gemeente HoornBij agendapunt: Aanwijzen voorkeurslocatie Spreidingswet (portefeuillehouder Nieuwenburg en Hakhoff)20.186 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit maatwerk wordt geboden door één of meerdere van de hieronder genoemde speerpunten toe te passen. Uitgangspunt hierbij is gebiedsbenadering, verkeersveiligheid, leefbaarheid en duurzaamheid. Het fundament waar de provincie achter staat is benutten, beprijzen en bouwen. In haar ogen is het essentieel om naast de aanleg van infrastructuur andere maatregelen te treffen om de mobiliteit in Noord-Holland te faciliteren. De speerpunten die worden toegepast zijn de volgende:  Anders betalen voor mobiliteit;  Ketenmobiliteit en mobiliteitsmanagement;  Impuls fiets;  Hoogwaardig openbaar vervoer;  Verkeersmanagement en ICT-ontwikkelingen;  Goederenvervoer;  Ruimtelijke ontwikkelingen. Deze speerpunten zullen onderling samenhangend en elkaar versterkend worden ingezet. Gemeentelijk verkeersbeleid (‘Masterplan Hoofdinfrastructuur Hoorn’) De gemeente Hoorn streeft naar een integraal en samenhangend beleid om de bereikbaarheid zo goed mogelijk te faciliteren. Met het oog op bovenstaande doelstelling heeft de gemeenteraad op 3 juli 2007 het ‘Masterplan Hoofdinfrastructuur Hoorn’ vastgesteld. Het plan bevat maatregelen die de komende 10 tot 15 jaar nodig zijn om ervoor te zorgen dat deze visie werkelijkheid gaat worden. De locatie Zuiderdracht of haar omgeving wordt niet in het masterplan behandeld.

Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -15-

5.1.2

Onderzoek In opdracht van de gemeente Hoorn en op verzoek van de gemeente Drechterland is gekeken naar de verkeerskundige effecten als gevolg van een begraafplaats tussen woonwijk Kersenboogerd en de Zuiderdracht. Het volledige verkeersonderzoek is terug te vinden als bijlage 3. Verkeersaantrekkende werking Er wordt vanuit gegaan dat er jaarlijks maximaal 145 begrafenissen plaatsvinden op de nieuwe begraafplaats. Gemiddeld blijken er ongeveer 60 bezoekers per begrafenis aanwezig met een gemiddelde bezettingsgraad van 2,8 personen per auto. Per begrafenis gaat het dan om 22 auto’s (inclusief de lijkauto) en dus 44 ritten per begrafenis. Met betrekking tot de reguliere bezoekers wordt uitgegaan van 50 bezoekers. Er wordt vanuit gegaan dat 30% met de fiets naar de begraafplaats komt. De overige 70% van de bezoekers komt naar verwachting met de auto met een gemiddelde bezettingsgraad van 1,5 personen per auto. Uitgaande van 35 bezoekers gaat het dan om 24 auto’s ofwel gemiddeld 48 ritten per dag. Op een gemiddelde dag zal het aantal ritten tussen de circa 50 (indien geen begrafenis) en 90 (bij één begrafenis) liggen. In de huidige situatie rijden er op de Zuiderdracht op een werkdag ruim 4.500 motorvoertuigen. Een toename van 50 tot 90 ritten per etmaal houdt in dat er als gevolg van de begraafplaats op werkdagen een verkeerstoename van 1% a 2% ontstaat.

Huidige situatie Ten aanzien van de verkeersveiligheid zijn de ongevallen op de Zuiderdracht en de kruising met de N506 geanalyseerd. In totaal hebben er op de gehele Zuiderdracht van 2004 tot en met 2006 11 ongevallen plaatsgevonden. Hierbij ging het in vijf gevallen om uitsluitend materiële schade. Bij vijf ongevallen is er letsel ontstaan en bij een ongeval is een dodelijk slachtoffer te betreuren. Voornaamste oorzaak is het fout inhalen/snijden en het verliezen van de macht over het stuur. Bij vijf van de gevallen ging het om ongevallen waarbij auto’s in aanraking kwamen met een boom. In vier gevallen gaat het om een aanrijding tussen twee voertuigen. Er zijn geen gedetailleerde ongevalgegevens beschikbaar voor de N506. Wel is via de website www.Dataportal.nl bekend dat er op het kruispunt N506 – Zuiderdracht in de periode 2003 tot en met 2006 9 ongevallen hebben plaatsgevonden waarvan 4 in 2006. Van deze 9 ongevallen waren er 3 met letsel. Opvallend is dat in 5 gevallen de hoofdtoedracht het negeren van roodlicht betrof. Toekomstige bereikbaarheid en ontsluiting Voor de ontsluiting van de nieuwe begraafplaats is een viertal varianten onderzocht, namelijk een aansluiting op de N506 (variant 1), een aansluiting op de Zuiderdracht (variant 2) een aansluiting op de Kersenboogerd (variant 3) en een aansluiting op zowel de Zuiderdracht als de Kersenboogerd (variant 4).

Uit het onderzoek blijkt dat variant 1 en 4 ongewenst zijn. Variant 2 en 3 blijven als reële oplossingen over. Verkeerskundig is geconcludeerd dat de toenames op de verschillende wegen als gevolg van de begraafplaats beperkt zijn. Dit geldt zowel voor de aansluiting op de Zuiderdracht als de aansluiting op de Kersenboogerd (nabij het Charlotte van Pallandthof). Naast de verkeerskundige argumenten hebben zowel de gemeente Hoorn als de gemeente Drechterland aangegeven dat zij het niet wenselijk achten om een begraafplaats voor het gemotoriseerde verkeer te ontsluiten dwars door een woonwijk. Verkeerskundig is de route via de Zuiderdracht (variant 2) de meest logische route. De route tijdens begrafenis vanaf de Berkhouterweg is tevens korter via de Zuiderdracht dan via de route Oosterscheldeweg – Volkerakweg – Charlotte van Pallandthof. De route via de Zuiderdracht is Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -16-

duidelijker, makkelijker met bewegwijzering aan te geven en volgt zoveel mogelijk de hoofdwegenstructuur. Qua verkeersveiligheid spelen er twee zaken. Enerzijds liggen er op de route via de Kersenboogerd (variant 3) meer kruisingen en uitritten en er liggen scholen aan deze route. Qua verkeersveiligheid heeft deze route dus niet de voorkeur. Anderzijds vraagt de route langs de Zuiderdracht om een duidelijke en verkeersveilige aansluiting van de begraafplaats op de Zuiderdracht. Dit laatste is echter goed realiseerbaar. Op basis van het verkeersonderzoek heeft het verkeerskundig de voorkeur een ontsluiting via de Zuiderdracht te realiseren. Voor deze ontsluitingsvariant is een nader onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 4). In dit onderzoek wordt nader gekeken naar een reëel inpasbare oplossing voor een ontsluiting op de Zuiderdracht. Hierbij zijn de volgende randvoorwaarden en belangen nader beschouwd:  Omwonenden wensen zo min mogelijk overlast van het extra verkeer op de Zuiderdracht;  De gemeente Drechterland wil dat de verkeersveiligheid ter plaatse niet in het geding komt;  Ook voor de gemeente Hoorn geldt dat de verkeersveiligheid van groot belang is;  De gemeente Hoorn wenst een reëel inpasbare oplossing, voor redelijke kosten.

Naast de genoemde randvoorwaarden en belangen is bij de locatie van de mogelijke aansluiting gekeken naar de concrete ruimtelijke inpasbaarheid en de verkeersveiligheid. Dit in de vorm van de zichtlijnen vanaf de uitrit, de aanwezigheid van het fietspad en de aanwezige verkeersregelinstallatie op de N506. Voor de aansluiting is uitgegaan van een wenselijk oprijzicht van 70 meter. In de huidige situatie is een fietsoversteek aanwezig. Om onveilige situaties te voorkomen is het van belang om een minimale afstand te behouden tussen de fietsoversteek en de aansluiting van de begraafplaats.

Afbeelding 6: positionering ontsluitingsweg begraafplaats Rekening houdende met de randvoorwaarden, zichtlijnen en overige aspecten is de meest wenselijke locatie bedacht in het midden van het rechte wegdeel tussen de N506 en de bocht ter hoogte van Zuiderdracht 40. Deze locatie is weergegeven in afbeelding 6. Op deze locatie is aan beide zijden van de aansluiting sprake van een zichtlijn van circa 70 m. Hiervoor is het wel noodzakelijk om de aanwezige bomen (zes stuks) aan de westzijde van de Zuiderdracht langs het rechte stuk te kappen. Daarna zullen de nodige bomen worden herplant. Ook biedt deze locatie voldoende afstand tussen de fietsoversteek en de aansluiting van de begraafplaats. In de beoogde situatie ligt de aansluiting op circa 72 meter vanaf de N506. Deze afstand is voldoende om plaats te bieden aan wachtend verkeer op de Zuiderdracht bij de verkeersregelinstallatie van kruispunt Zuiderdracht-N506. Tegen over de beoogde locatie van de ontsluiting zijn geen woningen aanwezig. Er is daardoor geen hinder te verwachten van naar binnen schijnende autolichten. Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -17-

Conclusie ten aanzien van toekomstige bereikbaarheid en ontsluiting De toekomstige bereikbaarheid word gewaarborgd door een goede ontsluiting van de begraafplaats op de Zuiderdracht. De ontsluiting van het plangebied op de Zuiderdracht levert op de gekozen locatie geen belemmeringen ten aanzien van de verkeerveiligheid of leefbaarheid. Parkeerbehoefte Uitgangspunt is dat niet op de Zuiderdracht wordt geparkeerd. Er is onderzoek gedaan door een verkeerskundig bureau (zie bijlage 3), daaruit is gebleken dat er bij een gemiddelde begrafenis circa 22 auto’s aanwezig zijn. Dit betekent dat er voor de bezoekers van een begrafenis 22 parkeerplaatsen nodig zijn. Daarnaast zullen de reguliere bezoekers ook een bepaalde parkeervraag hebben. Er is berekend dat er gedurende een gemiddelde dag circa 24 auto’s aankomen en vertrekken. Normaliter kunnen zij gebruik maken van de parkeerplaatsen die beschikbaar zijn. De combinatie van reguliere bezoekers en bezoekers voor een begrafenis zorgt voor een maximale parkeervraag. Naast de berekening zoals die is berekend op basis van de aankomsten en vertrekken zijn er in Nederland ook kerncijfers voor parkeernormen beschikbaar. In de CROW-publicatie 182 (Parkeerkencijfers-Basis voor parkeernormering) wordt aangegeven dat er voor een begrafenis een gemiddelde parkeerbehoefte bestaat van gemiddeld 15 tot 30 parkeerplaatsen.

Het maximum aantal parkeerplaatsen ligt in de lijn van de eerdere uitgevoerde berekeningen. Op enkele momenten per jaar zal het voorkomen dat twee begrafenissen elkaar overlappen. Bij onvoldoende parkeergelegenheid zou men dan genoodzaakt zijn om uit te wijken naar de Zuiderdracht. Dit is ongewenst en moet worden voorkomen. Daarom wordt in het onderzoek geadviseerd om meer parkeerplaatsen aan te leggen dan vanuit de kerncijfers strikt noodzakelijk. Uit het onderzoek blijkt dat circa 50 parkeerplaatsen benodigd zijn. Op deze wijze is er voldoende parkeergelegenheid voor de situaties dat er twee begrafenissen elkaar overlappen en er enkele reguliere bezoekers aanwezig zijn. Om parkeren langs de Zuiderdracht te allen tijde te voorkomen worden ruim voldoende parkeerplaatsen mogelijk gemaakt. Daarom voorziet het plan in de aanleg van 80 parkeerplaatsen. Daarnaast wordt een deel van de groene buffer tussen de begraafplaats en de toegang aan de Zuiderdracht uitgevoerd met halfverharding (grastegels van beton of kunststof) zodat daar ruimte ontstaat voor 40 reserve parkeerplaatsen. Naast de parkeerbehoefte voor auto’s zullen er ook mensen met de fiets naar de begraafplaats komen. Dit zal met name gelden voor het reguliere bezoek. Tijdens een begrafenis komen namelijk vrijwel alle mensen met de auto.

In de vorige paragraaf is berekend dat circa 15 bezoekers per dag met de fiets de begraafplaats bezoeken. Deze bezoekers komen verdeeld over de dag. Voor de reguliere bezoekers die met de fiets komen zal een fietsenstalling worden gerealiseerd. Conclusie ten aanzien van parkeerbehoefte Om parkeren aan de Zuiderdracht te voorkomen zijn in het plan ruim voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd. 5.1.3

Conclusie Het aspect Verkeer levert geen belemmeringen op voor de voorgestane ontwikkeling.

5.2

Luchtkwaliteit

5.2.1

Kader De kern van de Wet luchtkwaliteit (titel 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer) is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit verslechteren. Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -18-

Het doel van het NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen, waarvan stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) de belangrijkste zijn. Met het van kracht worden van het NSL per 1 augustus 2009 zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 van 40 µg/m3 aangepast. Het tijdstip waarop aan de normen voor PM10 moet worden voldaan is uitgesteld tot 11 juni 2011. Het tijdstip waarop aan de normen voor NO2 moet worden voldaan is voor Nederland 1 januari 2015. Naast de introductie van het NSL is de invoering van het begrip “niet in betekenende mate bijdrage” (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de luchtkwaliteit als zowel de jaargemiddelde grenswaarde NO2 als PM10 niet meer toeneemt dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde van die stof. Dit betekent, kortweg, dat als de toename van de beide jaargemiddelde concentraties kleiner is of gelijk is aan 1,2 µg/m3 (3% van 40 µg/m3) een ontwikkeling kan worden beschouwd als een project dat NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als:  de ontwikkeling is opgenomen in het NSL;  de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project;  de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden;  projectsaldering kan worden toegepast. 5.2.2

Onderzoek Met behulp van CAR-II versie 10.0 zijn berekeningen ten aanzien van de luchtkwaliteit uitgevoerd (zie bijlage 5). Het doel van deze berekeningen is het inzichtelijk maken van de luchtkwaliteit ter hoogte van de geplande begraafplaats aan de Zuiderdracht. De berekening is uitgevoerd voor de jaren 2011 en 2021. De gestelde grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden.

5.2.3

Beoordeling achtergrondconcentraties NO2 en PM10 Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld of ter plaatse van het plangebied, mogelijke hogere concentraties luchtverontreinigende stoffen aanwezig zijn. Langs wegen zijn met name de stoffen NO2 en PM10 van belang. In het CarII-rekenmodel, webbased versie 10.0, zijn voor het gehele grondgebied van Nederland de achtergrondconcentraties ingevoerd (vaste parameters) en onderverdeeld in vlakken van 1 km bij 1 km. De bepaling hiervan vindt plaats aan de hand van de x, y-coördinaten. Voor dit plan zijn de coördinaten x=136769 en y=518380 van belang. De bijbehorende jaargemiddelde achtergrondconcentratie NO2 en PM10 in het jaar 2011 bedraagt respectievelijk 22,1 µg/m3 en 17,4 µg/m3. Voor de beide stoffen is dat ruim lager dan de gestelde grenswaarde. Bij de achtergrondconcentratie voor PM10 is rekening gehouden met de geldende correctie voor zeezout. Voor de gemeente Drechterland is deze correctie 6 µg/m3. De trend is dat de emissies en achtergrondconcentraties voor de beide stoffen in de toekomst afnemen. In de toekomst zijn dan ook geen hoge concentraties te verwachten. Gezien de lage achtergrondconcentraties worden dan ook geen overschrijdingen van de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 verwacht ter plaatse van de nieuwe begraafplaats.

5.2.4

Conclusie Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteit, zowel voor het jaar 2011 als voor de toekomst, 2021.

Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -19-

5.3

Geluid

5.3.1

Kader In de Wet geluidhinder (Wgh) (2007) is bepaald dat indien met het bestemmingsplan nieuwbouw van woningen en/of andere geluidgevoelige objecten mogelijk wordt gemaakt, de van belang zijnde geluidhinderaspecten moeten worden onderzocht. De verschillende uitvoeringsbesluiten van de Wet geluidhinder zijn geregeld in het Besluit geluidhinder. Een begraafplaats is geen geluidsgevoelige bestemming zoals bedoeld in de Wgh. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. In de Inspectierichtlijn Lijkbezorging wordt een advieswaarde (45 dB(A) oftewel 43 dB) voor het maximale geluidsniveau in verband met de verstaanbaarheid tijdens begrafenis gehanteerd. In een gebied als het onderhavige blijkt deze advieswaarde niet realistisch. De genoemde advieswaarde is echter een richtlijn en biedt geen toetsingskader, een ontheffing is daarom niet nodig.

5.3.2

Onderzoek Wegverkeerslawaai In het bestemmingsplan wordt geen geluidsgevoelige bestemming mogelijk gemaakt, in het kader van de Inspectierichtlijn Lijkbezorging en een goede ruimtelijke ordening zijn de akoestische effecten van het wegverkeerslawaai voor het plangebied inzichtelijk gemaakt (zie bijlage 3). Het akoestische onderzoek is uitgevoerd op basis van de huidige situatie. De uitgangspunten die voor het akoestisch onderzoek voor de begraafplaats zijn gebruikt komen uit beschikbare telgegevens. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:

Gem weekdag intensiteit 2007 Percentage vrachtverkeer/ Zwaar vrachtverkeer/ Middelzwaar vrachtverkeer Type wegdek Percentage dag/avond/nacht

N506 15.900 mvt 10% 7% 3% Standaard fijn asfalt 6,5%/3,5%/1,0%

Zuiderdracht 2.300 mvt 10% 7% 3% Referentie asfalt (fijn) 6,5%/3,5%/1,0%

Bij akoestisch onderzoek naar geluidsgevoelige bestemmingen worden de bijdragen per wegvak afzonderlijk gepresenteerd en wordt op de gevel gemeten. Er is geen regelgeving voor een gewenst geluidsniveau opgenomen in de Inspectierichtlijn Lijkbezorging, enkel een advieswaarde. Daarnaast zijn de gepresenteerde waarden gecumuleerd omdat de richtlijn Lijkbezorging iets zegt over geluidsniveaus in verband met de verstaanbaarheid. Het gaat dus niet om de geluidsbijdrage per weg maar om de totale geluidsbelasting. Zonder aanvullende maatregelen kan er niet aan de richtlijn van een gewenst geluidsniveau van 45 dB(A) / 43 dB worden voldaan. Uitsluitend in de noordwest hoek van de geplande begraafplaats kan worden voldaan aan geluidsniveaus onder de 45 dB. Zoals eerder al is beschreven, is een maximale geluidsbelasting van 43 dB in een stedelijke omgeving zoals deze vrijwel onhaalbaar. Daarom is het acceptabel om op deze locatie een hoger geluidsniveau te hanteren. Op vergelijkbare begraafplaatsen in Leidschendam en Ridderkerk is sprake van heersende waarden van 51 dB(A) (= 49 dB) tot 53 dB(A) (=51 dB). 5.3.3

Conclusie Omdat een begraafplaats geen geluidsgevoelige bestemming is wordt er niet getoetst aan de Wgh. Er kan een hoger geluidsniveau op deze locatie worden geaccepteerd, waarbij wordt afgeweken van de advieswaarde zoals die beschreven is in de Inspectierichtlijn Lijkbezorging. Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -20-

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals milieurisico’s, transportrisico’s en risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid, moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro-besluit betrekking heeft. Tevens dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden. Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor bestaande situaties wordt het niveau van 10-5 per jaar als grenswaarde gehanteerd, 10-5 per jaar geldt als richtwaarde. Voor nieuwe situaties geldt een grenswaarde van 10-6 per jaar.

Een richtwaarde is daarbij niet van toepassing. Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Desondanks hebben overheden en betrokken private instellingen een inspanningsverplichting om te voldoen aan deze oriënterende waarde en dient een toename van het GR bestuurlijk te worden verantwoord. Besluit externe veiligheid inrichtingen Op 27 mei 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan overheden die besluiten nemen over bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het gaat daarbij om bijvoorbeeld chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij (beperkt) kwetsbare objecten waaronder woningen, ziekenhuizen, scholen, winkels, horecagelegenheden en sporthallen. Hierdoor ontstaan risico’s voor mensen die in de buurt ervan wonen of werken.

Het besluit verplicht gemeenten en provincies bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Dit betekent bijvoorbeeld dat woningen op een bepaalde afstand moeten staan van een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen over wegen, water en spoor De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen over openbare wegen, water en spoorwegen is neergelegd in de circulaire “Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen” (Stc. 137, 2008). Deze circulaire kan worden beschouwd als voorloper van een eventuele wettelijke verankering van de risiconormen en is geldig tot uiterlijk 31 juli 2012. Wanneer de nieuwe wetgeving van kracht is wordt de circulaire ingetrokken. Regelgeving transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -21-

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Daarmee zijn nieuwe kwetsbare objecten binnen de PR 10-6 contour niet toegestaan. Ook is vastgesteld dat wanneer binnen het invloedsgebied van een buisleiding een ruimtelijk besluit wordt genomen, de verantwoordingsplicht van toepassing is. Het Bevb gaat uit van een belemmerde strook van 4 of 5 meter, afhankelijk van de werkdruk. Voor deze strook geldt een bouwverbod en een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of van werkzaamheden. Net als bij het Bevi worden de risicoafstanden en rekenmethodiek die volgen uit het Bevb opgenomen in een regeling, de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). 5.4.2

Onderzoek Door de Milieudienst Westfriesland is onderzoek gedaan naar de externe veiligheidsaspecten voor de toekomstige locatie van begraafplaats Zuiderdracht. Doel van het onderzoek is vast te stellen of voldaan wordt aan de normen voor externe veiligheid voor risicobedrijven en transport van gevaarlijke stoffen. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 6. De ontwikkellocatie van een begraafplaats aan de Zuiderdracht te Oosterblokker ligt buiten het invloedsgebied van risicovolle bedrijven, spoor-, vaarwegen en buisleidingen. De locatie ligt binnen het invloedsgebied van de Provincialeweg N506. Deze weg heeft, gebaseerd op de vuistregels van de CPR 18E/PGS 3 (het Paarse Boek), geen plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan. Door het realiseren van een begraafplaats neemt het aantal personen in het invloedsgebied toe. Hierdoor neemt het groepsrisico in principe toe. Zowel in de huidige situatie als na de realisatie van de begraafplaats wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Het groepsrisico vormt dan ook geen belemmering voor de ruimtelijke procedure voor het bouwplan. Bij een toename van het groepsrisico dient – formeel gezien – een verantwoording te worden afgelegd.

Hierbij dient de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord de mogelijkheid te worden geboden om een advies uit te brengen over de rampbestrijding en de zelfredzaamheid. Gelet op de marginale toename bevolkingsdichtheid is, in overleg met de veiligheidsregio Noord-Holland Noord, een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord onderschrijft in haar advies (4 augustus 2009 met kenmerk U2009/480 zie bijlagen van het onderzoek in bijlage 6) de gestelde conclusies dat er geen sprake is van een overschrijding van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico en de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. In september 2011 heeft de Veiligheidsregio, bij monde van de medewerker 5.1.2e , aangegeven dat het aspect externe veiligheid afdoende is onderzocht en onderbouwd, en dat het oude advies op dit moment nog steeds actueel is. De Veiligheidsregio verklaart dat er geen knelpunten zijn ten aanzien van de bereikbaarheid van het plangebied. Ontvluchting uit dit gebied kan via de Zuiderdracht zelf en het fietspad in westelijke richting.

Ten aanzien van de eisen aan de benodigde capaciteit voor de bluswatervoorzieningen adviseert de Veiligheidsregio om in het plangebied een bluswatervoorziening te realiseren met een capaciteit van tenminste 60 m3/uur ter hoogte van de parkeergelegenheid en op maximaal 40 meter van de eventuele bebouwing.

Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -22-

5.4.3

Conclusie Het aspect externe veiligheid biedt geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.5

Bodemkwaliteit

5.5.1

Kader Wet bodembescherming Als sprake is van ernstige bodemverontreiniging dan is de Wet bodembescherming (Wbb) van kracht. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Op 1 januari 2006 is de Wbb ingrijpend aangepast omdat het beleid met betrekking tot bodemsaneringen veranderde. De Wbb kent nu een viertal regelingen die alle vier een ander onderdeel van bodembescherming voor hun rekening nemen:  Een regeling voor de bescherming van de bodem waarin ook staat dat degene die de bodem verontreinigt, zelf verantwoordelijk is voor het verwijderen van de vervuiling. De overheid kan dwingen tot sanering als de verontreiniging na 1987 is ontstaan.  Een bijzondere regeling voor de aanpak van nieuwe bodemverontreiniging die is ontstaan als gevolg van een ongewoon voorval (calamiteit).  Een regeling voor de verontreiniging die is ontstaan voor de Wbb in werking trad in 1987 (historische bodemverontreiniging). Ook in die gevallen geldt dat de vervuiler zelf de verontreiniging verwijdert.

Als er geen vervuiler (meer) is, omdat het bedrijf niet meer bestaat en er geen rechtsopvolger is, zal de sanering door de overheid worden uitgevoerd.  Een regeling voor de aanpak van verontreiniging in de waterbodem. Rijkswaterstaat heeft vooral met deze regeling te maken. De regeling geldt voor alle waterbodemverontreiniging, of de vervuiling nu voor of na 1987 is ontstaan. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Op 1 juli 2008 is het Besluit bodemkwaliteit (volledig) in werking getreden. Het doel van dit besluit is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Het besluit heeft alleen betrekking op steenachtige bouwstoffen. Andere materialen worden in de praktijk ook toegepast als bouwstof maar vallen niet onder dit besluit.

Voor grond en baggerspecie in oppervlaktewater en op landbodems gelden aparte regels die ook in het Besluit bodemkwaliteit zijn opgenomen; in tegenstelling tot bouwstoffen kunnen ze weer definitief deel gaan uitmaken van de bodem. Tot slot zijn in het Besluit bodemkwaliteit de kwaliteitsregels voor, onder meer, bodemonderzoek, bodemsanering en laboratoriumanalyses die worden uitgevoerd door adviesbureaus, laboratoria en aannemers (bodemintermediairs) vastgelegd. Deze regels zijn bekend onder de naam Kwalibo (kwaliteitsborging in het bodembeheer). Kwalibo bevat ook maatregelen om de kwaliteit van ambtenaren die bodembeleid maken of uitvoeren en het toezicht en de handhaving te verbeteren.

Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -23-

Relatie Wabo, Wbb en Woningwet (Wonw) De inwerkingtreding van de Wabo (1 oktober 2010) heeft ook effect op de Wbb en de Ww: in de Wabo is aangegeven dat in de plaats van de aanhoudingsgrond (uit de Ww) een afstemmingsregeling wordt opgesteld waarbij de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning wordt afgestemd op de acties ten aanzien van de bodemverontreiniging. Deze afstemmingsregeling is opgenomen in artikel 6.2c van de Wabo. Voorts geldt ten aanzien van de bodem dat artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de Woningwet gemeenten verplicht in hun bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem op te nemen. Die voorschriften dienen op grond van artikel 8, vierde lid, van de Woningwet in elk geval betrekking te hebben op het verrichten van onderzoek naar aard en mate van verontreiniging van de bodem, op de aard en omvang van dat onderzoek en op inrichting van het op te stellen onderzoeksrapport. Noodzaak De bodemkwaliteit is van groot belang voor de uitvoerbaarheid en haalbaarheid van het bestemmingsplan. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet onderzoek worden gedaan naar de kwaliteit van de bodem van het gebied waarop het bestemmingsplan betrekking heeft. 5.5.2

Onderzoek Verkennend bodemonderzoek Naar aanleiding van de aanleg van de begraafplaats Zuiderdracht is door Landview BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7). In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met cadmium, koper, kwik en verschillende bestrijdingsmiddelen geconstateerd. De som van OCB’s totaal overschrijden de achtergrondwaarden, van som OCB’s totaal zijn geen andere toetsingswaarden. In de ondergrond zijn lokaal lichte verontreinigingen met PAK en som PCB’s geconstateerd. In het enkelvoudige grondmonster van de ondergrond met vreemde geur zijn geen verhoogde gehalten van de geanalyseerde parameters geconstateerd. In het grondwater uit peilbuis 3 is een lichte verontreiniging met barium aangetroffen. De overige onderzochte stoffen zijn niet in verhoogde concentraties aangetroffen. In het grondwater uit de peilbuizen 1 en 2 zijn geen verontreinigingen met de onderzochte stoffen aangetroffen. In het mengmonster van de grond uit de slootbodem en in de slibmengmonsters zijn lichte verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen geconstateerd. De geconstateerde verontreinigingen zijn vergelijkbaar met de verontreinigingen die elders op de locatie in de grond zijn geconstateerd. Tijdens het onderzoek is op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

De aangetroffen verontreinigingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een vervolgonderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico’s voor de volksgezondheid of de ecologie bij het beoogde gebruik.

Partijonderzoek Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Hiervoor is een partijonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 8). Bij de herinrichting van de locatie zal bij het aanleggen van de nieuwe waterpartijen circa 6.250 m³ grond vrijkomen. Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -24-

In de partij overschrijdt het gemiddelde gehalte aan som DDE de kwaliteitsklasse wonen. De gehalten aan cadmium, kwik, som DDD overschrijden de achtergrondwaarden. De som van OCB’s totaal overschrijdt de achtergrondwaarde, van som OCB’s totaal zijn geen andere toetsingswaarden. Van de overige onderzochte parameters worden de achtergrondwaarden niet overschreden. Op basis van de toetsingsregels van het Besluit bodemkwaliteit moet de partij vrijkomende grond worden ingedeeld in kwaliteitsklasse industrie. De vrijkomende grond komt overeen met de grond elders op de locatie. Bij graafwerkzaamheden op het terrein zijn er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventuele vrijkomende grond buiten de locatie. Overwogen kan worden om de vrijkomende grond te verspreiden op de locatie en bijvoorbeeld de te dempen sloot, te dempen met de vrijkomende grond. Beoordeling Milieudienst Westfriesland De Milieudienst Westfriesland heeft beide onderzoeken beoordeeld (zie bijlage 9) en onderschrijft de conclusies. Aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk, de grond mag zonder verdere eisen binnen het onderzochte gebied worden toegepast, partij grond kan op basis van rapport – indien gewenst – voor overname worden aangeboden aan de Grondbank Westfriesland. Partij grond mag elders worden toegepast waarbij moet worden voldaan aan de regels van het Besluit bodemkwaliteit.

Het toepassen van meer dan 50 m³ grond is meldingsplichtig. 5.5.3

Conclusie De bodemgesteldheid in het plangebied biedt geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.6

Water

5.6.1

Kader De Watertoets is een bestuurlijk instrument waarmee ruimtelijke plannen worden getoetst, op de mate waarin ze rekening houden met het beleid, om het water in Nederland meer ruimte te geven. Het instrument is per 1 november 2003 een wettelijk verplicht onderdeel van het bestemmingsplan. In feite is de Watertoets het hele proces van het vroegtijdig informeren en adviseren over waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten, tot en met het afwegen en uiteindelijk beoordelen ervan. Onderhavige waterparagraaf maakt deel uit van dit proces. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en is opgesteld voor de planperiode 2009 - 2015. Het Nationaal Waterplan is in december 2009 door de ministerraad vastgesteld. Het Nationaal Waterplan beschrijft de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid. Het rijk streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig waterbeheer en heeft de ambitie om de komende decennia te investeren in bescherming tegen overstromingen en in de zoetwatervoorziening. Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op de korte en de lange termijn.

Om een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem te bereiken moet het water meer bepalend zijn bij de besluitvorming over grote ruimtelijke opgaven dan voorheen. De mate van bepaling wordt afhankelijk gesteld van, onder meer, de omvang en de aard van de ingrepen, bestaande functies, nieuwe andere ruimteclaims en de bodemgesteldheid van een gebied. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Het Nationaal Waterplan, vervangt daarmee op onderdelen Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -25-

het beleid uit de Nota Ruimte. Specifiek gaat het over de gebieden die deel uitmaken van de ruimtelijke hoofdstructuur, het IJsselmeergebied, de Noordzee en de rivieren. Hiervoor geldt de AMvB Ruimte. Ook de bescherming van vitale functies en kwetsbare objecten is een onderwerp van nationaal belang. Hiervoor wordt een afzonderlijke AMvB opgesteld. Waterwet In de Waterwet zijn acht oude waterwetten samengebracht: de Wet op de waterhuishouding, de Wet op de waterkering, de Grondwaterwet, de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, de Wet droogmakerijen en indijkingen (Wet van 14 juli 1904), de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (het zogenaamde 'natte gedeelte'), de Waterstaatswet 1900 en de Waterbodemparagraaf uit de Wet bodembescherming. De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water (actueel) In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten.

Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is sinds 2003 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening 1985 (Bro 1985) en is overgenomen in het nieuwe Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen in 2015 op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water Op 22 december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht geworden. De KRW geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn.

Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -26-

Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in standhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Provinciaal beleid Met het Waterplan geeft de provincie Noord-Holland duidelijkheid over haar strategische waterdoelen tot 2040 en het daarbij behorende actieprogramma tot 2015. Deze strategische doelstellingen zijn:  het waarborgen van voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingsrisico’s;  het zorgen dat water in balans en verantwoord benut en beleefd wordt door mens, natuur en bedrijvigheid;  het zorgen voor schoon en voldoende water;  het zorgen voor maatwerk in het Noord-Hollandse grond- en oppervlaktewatersysteem. Uitgangspunten bij het Waterplan zijn:  klimaatbestendig waterbeheer;  water mede sturend in de ruimte;  centraal wat moet, decentraal wat kan;  gebiedsgerichte en resultaatgerichte benadering. Gemeentelijk beleid In samenwerking met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft de gemeente Hoorn in 2002 een Waterplan opgesteld.

Het doel van dit Waterplan is de randvoorwaarden te scheppen waarmee een aantrekkelijk, gezond en duurzaam watersysteem met een hoge belevingswaarde bereikt wordt. In 2005 is een evaluatie gehouden over het uitvoeringsplan Waterplan 2003-2004 waaruit bleek dat het programma op belangrijke punten vertraging oploopt. De maatregelen die uitgevoerd moeten worden in het kader van wet- en regelgeving hebben prioriteit gekregen. De overige gewenste maatregelen hebben lagere prioriteit gekregen en zijn uitgesteld. Het wensbeeld “een aantrekkelijk, gezond en duurzaam watersysteem met hoge belevingswaarde” zal door begrotingsbeperkingen later of niet bereikt worden. 5.6.2

Onderzoek Voor de realisatie van een begraafplaats aan de Zuiderdracht te Hoorn zal een planologische procedure moeten worden gevoerd die valt onder de reikwijdte van de watertoets. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft advies uitgebracht over de watertoets (bijlage 11). Dit advies is hieronder overgenomen. Gebiedsbeschrijving Het plangebied ligt in de polder Oosterpolder, in peilgebied 6110-13, met een streefpeil van NAP 1,80 meter. Het gebied watert af middels een stelsel van poldersloten (hoofdwaterlopen) naar het gemaal Oosterpolder. Aldaar wordt het water op het Markermeer uitgeslagen. Waterkwantiteit De realisatie van het plan heeft een substantiële toename van verharding en bebouwing tot gevolg. Binnen het plangebied vindt een verhardingstoename plaats van circa 0,5 hectare. Door deze toename aan verharding zal de neerslag versneld worden afgevoerd van het terrein. Zonder compenserende maatregelen zal de waterhuishoudkundige situatie hierdoor verslechteren. Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -27-

De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de regeling, de financiering en de realisatie van compenserende maatregelen. Om de effecten van de verhardingstoename te compenseren moet het wateroppervlak in het peilgebied worden uitgebreid met 550 m² waterberging (11 % van de verhardingstoename). Hierbij is uitgegaan van een peilstijging van 0,33 meter die statistisch eens in de 25 jaar kan voorkomen, een bemalingcapaciteit van 24,4 mm/dag, een drooglegging van 1,15 meter en grondsoort klei. De waterloop in het midden van het plangebied zal worden gedempt. Deze demping dient één op één te worden gecompenseerd door het graven van nieuw oppervlaktewater. De nieuwe waterberging wordt gerealiseerd door het verbreden en graven van waterlopen langs de randen van het plan. In verband met onderhoud verzoekt het hoogheemraadschap goed na te denken over de afmetingen van deze waterlopen. Het hoogheemraadschap adviseert voor de inrichting van de waterlopen rekening te houden met varend onderhoud. De waterlopen dienen hiervoor te worden aangelegd met een waterbreedte van tenminste 6,00 meter, een waterdiepte van 1,00 meter en een talud van 1 op 2 op flauwer. De kunstwerken (duikers en bruggen) dienen tevens doorvaarbaar te zijn, zodat deze geen belemmering voor de doorvaart vormen.

Hiervoor kan worden uitgegaan van een doorvaartbreedte van tenminste 2,50 meter, een doorvaartdiepte van 1,00 meter en een doorvaarthoogte van minimaal 1,10 meter. Waterkwaliteit In relatie tot het watersysteem is ook het in het plangebied aanwezige rioleringsstelsel van belang. De verantwoordelijkheid voor het rioolstelsel ligt in de eerste plaats bij de gemeente. Desondanks spreekt het hoogheemraadschap de voorkeur uit voor een aantal uitgangspunten die met het rioleringsbeleid te maken hebben. Het water uit de hemelwaterriolering komt immers terecht op het oppervlaktewater, waarover het hoogheemraadschap verantwoordelijkheid draagt. Hetzelfde geldt voor het vuilwater dat bij de rioolwaterzuiveringsinstallaties terecht komt. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de behandeling ervan. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat het drainagewater afkomstig van begraafplaatsen diverse micro(biologische)verontreinigingen kan bevatten. Het hoogheemraadschap adviseert daarom het drainagewater niet naar het oppervlaktewater af te voeren, maar naar het vuilwaterstelsel af te voeren. Bij de begraafplaats zal tevens een parkeerterrein worden aangelegd. Het afstromend hemelwater van een parkeerterrein kan mogelijk verontreinigd zijn.

Het hoogheemraadschap adviseert daarom om de parkeerplaatsen naar de berm te laten afwateren, zodat hier een bepaalde mate van voorzuivering kan plaats vinden alvorens het water op het oppervlaktewater terecht komt. Wanneer dit niet mogelijk is adviseert het hoogheemraadschap om te onderzoeken of een andere zuiverende voorziening dient te worden toegepast, zoals een olie-vetafscheider. Vergunningen en ontheffingen Voor werkzaamheden in, onder, langs, op, bij of aan open water, aanleg verharding van 800 m2 of meer, waterkeringen en wegen in het beheer van het hoogheemraadschap is een watervergunning en/of keurontheffing van het hoogheemraadschap nodig. Er dient rekening te worden gehouden met de noodzakelijke proceduretijd die hiermee is gemoeid. Hiervoor dient ruim voordat wordt gestart met de werkzaamheden contact opgenomen worden met de afdeling Vergunningen & Handhaving van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. 5.6.3

Conclusie De initiatiefnemer zal aan de adviezen van het hoogheemraadschap voldoen, zodat het wateraspect geen belemmeringen vormt voor dit bestemmingsplan.

Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -28-

5.7

Bescherming natuurwaarden

5.7.1

Kader Soortenbescherming De Flora- en faunawet (hierna: Ffw) beschermt alle in het wild levende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën. Van deze soortgroepen zijn alleen Huismuis, Bruine en Zwarte rat niet beschermd. Van de vissen, ongewervelde dieren (zoals vlinders, libellen en sprinkhanen) en planten zijn alleen de in de wet genoemde soorten beschermd. De Ffw gaat uit van het “nee, tenzij”-principe. Dit betekent dat alleen onder bepaalde (zeer strikte) voorwaarden een inbreuk mag worden gemaakt op de bescherming van soorten en hun leefomgeving. Daarnaast beschermt de wet niet alleen soorten in het algemeen, maar ook individuen van soorten. Voor ruimtelijke ingrepen die gevolgen hebben voor een beschermde soort en/of zijn leefgebied moet een ontheffing op grond van de Ffw worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien, dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. De wettelijk beschermde soorten zijn ingedeeld in de volgende vier categorieën.

 Meer algemene soorten (tabel 1 Ffw): voor deze soorten is een algemene vrijstellingsregeling van kracht in geval van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling.  Andere, niet algemeen voorkomende soorten (tabel 2 Ffw), met uitzondering van beschermde inheemse vogels: ontheffing is alleen mogelijk indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een gedragscode. Deze code dient door een sector of ondernemer zelf opgesteld te worden en dient vervolgens goedgekeurd te zijn door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV).  Strikt beschermde soorten (tabel 3 Ffw): voor deze soorten dient in geval van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling altijd ontheffing te worden aangevraagd van de Ffw. Ontheffing wordt alleen verleend indien er geen alternatief is en geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Voor soorten in tabel 3 die ook op Bijlage IV van de Habitatrichtlijn (HR) voorkomen, wordt ontheffing echter alleen nog maar verleend indien er daarnaast een dwingende reden van groot openbaar belang is; dit is het gevolg van een uitspraak van de Raad van State in augustus 20091.  Beschermde inheemse vogels: deze vallen onder de Europese Vogelrichtlijn (VR).

Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) 2 geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de VR zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. Overigens geldt voor alle in het wild levende planten- en diersoorten de zogenaamde zorgplicht. Dit houdt in dat “voldoende zorg” in acht moet worden genomen voor alle planten en dieren en hun leefomgeving. Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren

1 2

Zie ABRS 21 januari 2009, zaak nr. 200802863/1 zie ABRS 13 mei 2009, zaak nr. 200802624/1 Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -29-

niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Gebiedsbescherming LNV heeft in 1990 de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) geïntroduceerd. De EHS bestaat uit een netwerk van natuurgebieden. Het doel van de EHS is de instandhouding en ontwikkeling van deze natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Bescherming van (natuur)gebieden heeft daarnaast ook plaats middels de Natuurbeschermingswet. Daaronder vallen de volgende typen gebieden:  Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden);  Beschermde Natuurmonumenten;  Wetlands. Binnen beschermde natuurgebieden gelden (strenge) beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. 5.7.2

Onderzoek Er is ecologisch onderzoek uitgevoerd om te beoordelen of de beoogde herinrichting conflicten met de geldende natuurwetgeving veroorzaakt of natuurwaarde schaadt (zie bijlage 11). Bij het uitvoeren van dit onderzoek was nog geen definitief inrichtingsplan bekend. Effecten op beschermde soorten De beoogde bestemmingsplanwijziging veroorzaakt geen conflicten met de Flora- en faunawet ten aanzien van vissen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarde:  Er wordt, ten aanzien van de Kleine modderkruiper, gewerkt volgens een door het Ministerie van LNV goedgekeurde Gedragscode Unie van Waterschappen. Als volgens de regels van de gedragscode wordt gewerkt, dan voldoen de waterschappen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de vrijstelling van een aantal verbodsbepalingen van de Ffw. De beoogde bestemmingsplanwijziging veroorzaakt geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van vogels in het plangebied, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarde:  De werkzaamheden voor de herinrichting van het plangebied veroorzaken geen verstoring van broedende vogels en hun nesten. De beoogde bestemmingsplanwijziging veroorzaakt geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van vleermuizen, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:  Er worden geen werkzaamheden verricht aan de opgaande begroeiingen.

 Er vindt geen lichtverstoring plaats op mogelijk aanwezige vliegroutes langs opgaande begroeiing. De bestemmingsplanwijziging veroorzaakt ten aanzien van overige soorten geen conflict met de Flora -en faunawet of de doelstellingen van de Rode Lijst. Effecten op beschermde gebieden Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op ongeveer 2 kilometer afstand en zuidelijk van het plangebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Markermeer IJmeer’, op ongeveer 8 kilometer afstand is het Natura 2000-gebied IJsselmeer gelegen. Er kan worden aangenomen dat de beoogde herinrichting geen negatieve invloed heeft op de aangewezen natuurwaarden van de nabij gelegen Natura 2000-gebieden. Daarom veroorzaakt de beoogde bestemmingsplanwijziging Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -30-

geen conflicten met de Natuurbeschermingswet ten aanzien van de aangewezen natuurwaarden van beide Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op ongeveer 2 kilometer van een onderdeel van de EHS. Gezien de relatief grote afstand, het gebruik van het tussenliggende gebied en de aard van de geplande ingreep, worden geen effecten verwacht op de wezenlijke waarden van de EHS. Er treden daarom geen conflicten op met de regelgeving omtrent de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur. Gezien de ligging van het plangebied en het gebruik van het tussenliggende gebied, worden er als gevolg van de beoogde bestemmingswijziging geen effecten verwacht op het nabij gelegen weidevogelgebied. Aanvullende beoordeling Naar aanleiding van het definitief inrichtingsplan heeft het bureau Altenburg & Wymenga het eerder onderzoek opnieuw beoordeeld (zie bijlage 12). Nu is duidelijk dat er werkzaamheden worden verricht die een nadere toetsing aan de Ffw ten aanzien van vleermuizen noodzakelijk maken. De werkzaamheden betreffen:  De kap van bomen;  Het verwijderen van bosschages;  Het plaatsen van buitenverlichting rond de nieuwe begraafplaats. Hieronder wordt per type ingreep de mogelijke effecten op vleermuizen beschreven en beoordeeld volgens de Ffw. Kap van bomen De bomen die worden gekapt, vormen een losse rij die uitkomt op een open gebied.

Het is daarom onwaarschijnlijk dat deze bomen onderdeel vormen van een vaste vliegroute van vleermuizen. De kap zal daarom niet leiden tot een effect op mogelijk aanwezige vliegroutes in het plangebied. Wellicht ten overvloede kan worden vermeld dat in het vorige onderzoek (bijlage 11) reeds is geconcludeerd dat de bomen ongeschikt zijn voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Verwijderen van bosschages Aan de zuidkant van het plangebied worden enige bosschages verwijderd in verband met het verplaatsen van het reeds aanwezige fietspad. De begroeiing die wordt verwijderd betreft een deel van een bosperceel met jonge opslag. Omdat slechts een deel van de begroeiing wordt verwijderd, is hooguit sprake van een niet noemenswaardige aanpassing van een geleidend landschapselement. De eventuele functie als onderdeel van een vliegroute wordt hierdoor zeker niet aangetast. Plaatsen van buitenverlichting In het plangebied wordt buitenverlichting geplaatst rond de nieuwe begraafplaats. Gezien de aard van het nieuwe gebruik, zal de aangebrachte verlichting een beperkte uitstraling naar de omgeving hebben. Langs het fietspad aan de westzijde is in de huidige situatie straatverlichting aanwezig, waarin na het gedeeltelijk verplaatsen van het fietspad geen verandering in komt. De mogelijk aanwezige vliegroutes van vleermuizen bevinden zich langs de randen van het gebied.

Omdat aan de westrand van het plangebied al sprake is van een situatie waar straatverlichting aanwezig is en de verlichting rond de begraafplaats beperkt zal zijn, is het onwaarschijnlijk dat mogelijk aanwezige vliegroutes van vleermuizen langs de westrand negatief worden beïnvloed door de herinrichting. Een ander noord-zuid gericht lijnvormig element waar mogelijk vliegroutes van vleermuizen aanwezig zijn is de Zuiderdracht. Tussen de nieuwe begraafplaats en deze weg wordt een groenstrook aangelegd met een breedte van ongeveer 40 meter. Deze groenstrook zal de lichtuitstraling van de richting van de Zuiderdracht beperken. Omdat in de huidige situatie Bestemmingsplan begraafplaats Zuiderdracht Toelichting Vastgesteld Werknummer 220.300.02 – 25 juni 2012 -31-

bovendien al straatverlichting aanwezig is langs de Zuiderdracht, is het onwaarschijnlijk dat de herinrichting een negatief effect heeft op de mogelijk aanwezige vliegroutes van vleermuizen langs de Zuiderdracht. Op basis van de nieuwe planinzichten zijn er geen aanleidingen om op grond daarvan af te wijken van de conclusies van de ecologische beoordeling uit 2009. 5.7.3

Conclusie Er worden geen negatieve effecten verwacht op beschermde gebieden en beschermde soorten. Ook worden geen knelpunten verwacht met de betreffende regelgeving. Het aspect Ecologie levert geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.

5.8

Bescherming archeologische en cultuurhistorische waarden

5.8.1

Kader Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: “de veroorzaker betaalt”. Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief “in situ” (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologievriendelijke alternatieven. Na de invoering van het Verdrag van Malta in de Nederlandse wetgeving hebben provincies de bevoegdheid gekregen om zogenaamde attentiegebieden aan te wijzen. Dit zijn gebieden die archeologische waardevol zijn of naar verwachting waardevol zijn. Gemeenten zullen in dat geval verplicht worden hun bestemmingsplan(nen) in het desbetreffende gebied te herzien.

Nota Belvedère In de “Nota Belvedère; Beleidsnota over de relatie cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting” (1999) is door het rijk een visie gegeven op de wijze waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van gebieden en objecten in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in Nederland kan worden omgegaan. Het behoud en de benutting van het cultureel erfgoed is van grote betekenis omdat het kwaliteit toevoegt aan de culturele dimensie van de ruimtelijke inrichting. De voornaamste opgave is dan ook het vinden van een verantwoord evenwicht tussen de diverse ruimtelijke opgaven en de bestaande cultuurhistorische kwaliteiten. Structuurvisie Noord-Holland 2040 De provincie Noord-Holland gaat in haar structuurvisie uit van een ontwikkelingsgerichte benadering. Ook tegenwoordige ruimtelijke ontwikkelingen vormen het landschap, zodat zorgvuldig wordt omgegaan met de bestaande (historische) kenmerken van het landschap. De provincie Noord-Holland wil dat de gelaagdheid van het landschap als kernkwaliteit wordt meegenomen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie wordt als uitvoeringprogramma van de kernkwaliteiten in de structuurvisie genoemd. Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Op 21 juni 2010 hebben Provinciale Staten de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vastgesteld als uitvoeringsprogramma van de Structuurvisie Noord-Holland 2040.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=c10290b5-2ad6-48cf-bf32-ac19cff7b11b