Bijlage 3 - t_NL.IMRO.0405.BPBlauweBerg-oh01_index
Tekst van het document
28
Hoofdstuk 3
Ten eerste de verkeersgegevens van het NRM (Nieuw Regionaal Model) van Rijkswaterstaat. Deze zijn weergegeven in onderstaande tabel.
71a
2009 Weekdag
2020 weekdag
2020 weekdag vracht
22.000
25.400
2.500
72a
5.100
6.300
500
73a
16.900
19.100
2.000
74a
10.800
15.900
1.800
75a
27.700
35.000
3.800
76a
7.300
4.000
400
77a
20.400
31.000
3.400
78a
15.100
12.100
1.300
79a
35.500
43.200
4.700
7 10 a
9.900
11.400
1.000
7 11 a
25.600
31.900
3.700
7 12 a
2.600
3.300
100
7 13 a
28.200
35.100
3.800
71b
22.100
25.900
2.600
72b
4.300
6.600
600
73b
17.600
18.900
2.000
74b
9.800
16.600
1.900
75b
27.400
35.500
3.900
76b
5.200
4.300
400
77b
22.200
31.100
3.500
78b
13.400
12.900
1.300
79b
35.600
44.000
4.800
7 10 b
10.500
10.200
1.100
7 11 b
25.100
33.800
3.700
7 12 b
3.600
3.300
200
7 13 b
28.700
37.100
3.900
Overzicht meetpunten ten behoeve van verkeersgegevens
Hoofdstuk 3
29
Voertuigverdeling 2009 *
*
***
Totaal
5,2%
4,09%
76,75%
13,56%
0,48%
0,44%
14,49%
7,19%
0,60%
0,97%
8,76%
88,2%
6,3%
5,5%
100%
PA
LV
ZV
Totaal
07-19
63,19%
4,51%
4,12%
71,82%
19-23
9,03%
0,36%
0,35%
9,73%
23-07
15,71%
1,46%
1,27%
18,44%
87,9%
6,3%
5,7%
100%
HRR
PA
LV
ZV
Totaal
07-19
68,80%
4,45%
3,50%
76,75%
19-23
12,99%
0,78%
0,72%
14,49%
23-07
7,85%
0,34%
0,56%
8,76%
89,65%
5,57%
4,78%
100%
HRL
PA
LV
ZV
Totaal
07-19
64,06%
4,12%
3,65%
71,82%
19-23
8,68%
0,55%
0,51%
9,73%
PA
LV
07-19
67,64%
19-23 23-07
**
ZV
PA = Personenauto’s
**
LV = Lichte vracht
***
ZV = Zware vracht
Voertuigverdeling 2020 ****
*****
23-07
****
16,45%
1,10%
0,90%
18,44%
89,19%
5,76%
5,05%
100%
HRR = Hoofdrijbaan rechts
*****
HRL = Hoofdrijbaan links
De gegevens zoals gebruikt door Goudappel Coffeng ten behoeve van de onderzoeken: verkeersintensiteiten, luchtkwaliteit en geluidhinder, zijn afkomstig uit het model Hoorn. Dit is een verfijning van het NRM van Rijkswaterstaat zoals hierboven weergeven, waarbij de toekomstige ontwikkelingen in en om Hoorn tot 2020 zijn toegevoegd. De toevoeging leidt tot hogere intensiteiten wat iets grotere gevolgen heeft voor luchtkwaliteit en externe veiligheid. Op de volgende bladzijden zijn de verkeerscijfers opgenomen die in de onderzoeken van Goudappel Coffeng en DGMR zijn gebruikt.
30
Hoofdstuk 3
Verkeersgegevens variant 1 2020 (afgerond op honderdtallen)
Verkeersgegevens variant 1 2020 30 km/h (afgerond op honderdtallen)
3.4 Verkeer Het gebied waar de ontwikkeling De Blauwe Berg staat geprojecteerd wordt globaal omsloten door de Provincialeweg, de A7, Bobeldijkerweg/Westfriese Parkweg en het Keern. Goudappel Coffeng heeft een verkeerskundige analyse9 uitgevoerd in opdracht van de gemeente Hoorn. In deze analyse wordt het verkeerskundige effect bepaald ten aanzien van vier ontsluitingsvarianten van De Blauwe Berg. Zie de afbeeldingen op de volgende pagina (bron: Goudappel Coffeng):
9
Goudappel Coffeng, Actualisatie verkeerskundige analyse, 4 juli 2008 rapportnr. HRN057/Mnr/0227
Hoofdstuk 3
31
Variant 1
Variant 2
Variant 3
Variant 4
32
Hoofdstuk 3
Variant 1 Keern afgesloten, Geldelozeweg wel doorgetrokken; Variant 2 Keern aangesloten, Geldelozeweg wel doorgetrokken; Variant 3 Keern afgesloten, Geldelozeweg niet doorgetrokken; Variant 4 Keern aangesloten, Geldelozeweg niet doorgetrokken.
In de analyse heeft men 2004 als basisjaar gebruikt (dit jaar hanteert de gemeente Hoorn in haar verkeersmodel als basisjaar). In deze situatie zijn er geen ontwikkelingen in De Blauwe Berg, er is geen Westfriese Parkweg en het Keern-noord is open. De turborotonde op de kruising van de Provincialeweg met de Westfriese Parkweg is nog niet in het model doorgevoerd. De toekomstige situatie bij de vier genoemde varianten is berekend voor de jaren 2010 en 2020. In het rapport wordt een tweetal conclusies getrokken naar aanleiding van de berekeningen. Deze conclusies vormen grondslag voor de uiteindelijk te kiezen variant. 1. Het noord-zuidgerichte verkeer maakt gebruik van een van de drie mogelijke aansluitingen. Dit zijn de Westfriese Parkweg, Keern-noord en de Van Aalstweg/Sluiswachter. Het afsluiten van het Keern heeft tot gevolg dat de overige twee routes drukker worden; 2. Het aanleggen van de doorgetrokken Geldelozeweg (aansluitend op de Westfriese Parkweg) heeft geen grote verkeersaantrekkende werking. Slechts in het geval dat het Keern wordt afgesloten, wordt er in 2020 door maximaal 3.800 mvt/etm gebruik van gemaakt. Blijft het Keern aangesloten dan rijden er maximaal 1.100 in 2020. In het jaar 2010 is er sprake van circa 1.800 à 1900 mvt/etm over de doorgetrokken Geldelozeweg.
Hierbij is gebleken dat het al dan niet afsluiten van het Keern, geen verschil oplevert ten aanzien van het aantal motorvoertuigbewegingen over de doorgetrokken Geldelozeweg. Op grond van bovenstaande analyse is besloten om de varianten voor de ontsluiting van De Blauwe Berg tot variant 1 en 2 terug te brengen. Deze varianten worden ook gehanteerd bij het akoestisch- en luchtkwaliteitsonderzoek.
Hoofdstuk 3
33
3.5 Geluidhinder Bij de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan of artikel 19 WROprocedure is het conform de Wet geluidhinder (WGH) noodzakelijk dat er aandacht wordt besteed aan de akoestische situatie. Voor de woningen is gebruik gemaakt van de artikel 19 WRO-procedure (de vrijstelling voor de woning is reeds verleend10). Voor de hotel-bioscoopcombinatie is ook van een dergelijke procedure gebruik gemaakt, Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben op 19 mei 2009 een verklaring van geen bezwaar verleend voor de hotel-bioscoopcombinatie. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet Geluidhinder11 in werking getreden. Voor wegen die deel (gaan) uitmaken van een 30 km-gebied geldt dat akoestisch onderzoek in principe niet uitgevoerd hoeft te worden. 3.5.1 Wegverkeerslawaai en het MER Huidige situatie Op basis van de verkeersintensiteiten is in het MER de geluidhinder berekend. Het huidige woon- en leefmilieu wordt sterk beïnvloed door het wegverkeerslawaai van de A7. In het plangebied en ter plaatse van de geluidsgevoelige bestemmingen aan het Keern en de Bobeldijkerweg heerst in de huidige situatie een geluidsbelasting van meer dan 60 dB(A)-etmaalwaarde. De geluidhinder wordt met name veroorzaakt door de A7 en de Provincialeweg. Het verkeer over de Bobeldijkerweg heeft een beperkte bijdrage aan de geluidsproductie.
Geluidsbelasting op het plangebied met geluidswal van 8 meter hoogte
10
De algemene vrijstelling voor de bouw van de woningen is verleend en aan aanvrager ter kennis gebracht op 7 mei 2009. Het vrijstellingsbesluit is gepubliceerd op 13 mei 2009. 11 Modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase.
34
Hoofdstuk 3
MER Op basis van de gedane metingen in het MER moet geconcludeerd worden dat de geluidsbelasting voor het hele plangebied hoger ligt dan 60 dB(A). Geluidsgevoelige bestemmingen, zoals de voorziene woningbouw, zijn hierdoor niet zonder meer mogelijk. Er dienen maatregelen genomen te worden. Hiertoe dient de ontwikkeling van een geluidswerende voorziening (zie hoofdstuk 2). Het aanleggen van deze geluidswal heeft tot resultaat dat de geluidsbelasting op het plangebied afneemt en dat, bij een hoogte van de wal van 8 meter, er een groot gebied ontstaat waar de belasting ligt tussen de 50-55 dB(A), waarbinnen wel geluidsgevoelige functies mogelijk zijn. 3.5.2 Wegverkeerslawaai Ten behoeve van het bestemmingsplan De Blauwe Berg heeft DGMR12 een onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. De geplande woningen komen binnen de invloedsfeer van een aantal wegen te liggen. De Wet geluidhinder stelt normen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van woningen die binnen de zone van deze wegen worden gerealiseerd. Het gebied is gelegen in de zone van de Rijksweg A7, de hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de geprojecteerde woningen bedraagt 53 dB ten gevolge van de A7. De hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de overige wegen bedraagt 63 dB, deze wegen zijn binnen de bebouwde kom gelegen. De invloed van wegen met een maximum snelheid van 30 km/h is ook in beeld gebracht.
Uitgangssituatie De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd bij het onderzoek:
De realisatie van een wal van 8 meter hoog tussen de hotel-bioscoopcombinatie en het dans- en partycentrum; De plaatsing van een scherm langs de oostzijde van de Rijksweg A7 ten noorden van de Bodeldijkerweg van 4,5 meter hoog.
De berekeningen van de geluidsbelasting afkomstig van het wegverkeer zijn verricht met een rekenprogramma dat gebaseerd is op standaardrekenmethode II van het Reken- en Meetvoorschrift geluidhinder 2006, hoofdstuk 3, weg. Uit de rekenresultaten die in het onderzoek zijn opgenomen blijkt dat vanwege de Rijksweg A7 de voorkeurswaarde (48 dB) met ten hoogste 5 dB wordt overschreden. Hier is rekening gehouden met de realisatie van een scherm langs de Rijksweg A7 van 4,5 meter hoog ten noorden van de Bobeldijkerweg, en een wal van 8 meter hoog tussen het dans- en partycentrum en de hotel-bioscoopcombinatie. De over12
DGMR, Bestemmingsplan De Blauwe Berg, Hoorn – Akoestische onderbouwing, 16 september 2008 rapportnr. I2007.5508.05R001
Hoofdstuk 3
35
schrijding van de voorkeurswaarde vanwege de Westfriese Parkweg blijft beperkt tot ten hoogste 2 dB. Westfriese Parkweg Voor de Westfriese Parkweg wordt de voorkeurswaarde ter plaatse van een beperkt aantal woningen met 1 tot 3 dB overschreden. Hierdoor is het nemen van bronmaatregelen financieel niet haalbaar en dient er een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting te worden vastgesteld. Rijksweg A7 Om aan de voorkeurswaarde voor de Rijksweg A7 te kunnen voldoen dienen de overschrijdingen te worden weggenomen. Voor de A7 dienen verschillende maatregelen te worden genomen om te kunnen voldoen aan de voorkeurswaarde van 48 dB. Hierbij kan gedacht worden aan dubbellaags-ZOAB en een verlenging van het reeds geplande geluidsscherm. De hierboven genoemde maatregelen gaan blijkens het onderzoek gepaard met dusdanig hoge kosten ten opzichte van het aantal woningen dat gerealiseerd zal worden, dat realisatie van deze maatregelen financieel niet haalbaar is. Derhalve moeten hogere waarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vastgesteld worden door de gemeente Hoorn. 30 km/h-regime Uit de beschouwing van de geluidsbelasting van de geprojecteerde woningen vanwege De Blauwe Berg (waarvoor een 30 km/h-regime geldt) wordt geconcludeerd dat de hinder beperkt zal zijn.
Aangezien wegen met een 30m km/h-regime buiten de reikwijdte van de Wet geluidhinder vallen, hoeven er voor woningen ter plaatse van dat regime geen hogere grenswaarden te worden vastgesteld. Voor de overige wegen die binnen De Blauwe Berg zijn beschouwd, wordt ter plaatse van de geprojecteerde woningen voldaan aan de voorkeurswaarde. De cumulatieve geluidsbelasting van de nieuwbouwwoningen vanwege alle beschouwde wegen13 tezamen, inclusief aftrek conform artikel 100g van de Wet geluidhinder, bedraagt ten hoogste 55 dB. De geluidsbelasting is het hoogst ter plaatse van de vrijstaande woningen ten noorden van de atletiekbaan.
13
Het gaat hierbij om de Rijksweg A7, de Westfriese Parkweg, de Bobeldijkerweg, het Keern, De Blauwe Berg (30 km/h), de Provinciale weg, de Berkhoutweg en de Geldelozeweg.
36
Hoofdstuk 3
3.5.3 Hogere grenswaarden Uit het akoestisch onderzoek van DGMR is gebleken dat er hogere grenswaarden moeten worden aangevraagd ter plaatse van een aantal geprojecteerde woningen in De Blauwe Berg. Naar aanleiding hiervan heeft DGMR een notitie14 opgesteld betreffende de hogere grenswaarden. De gemeente Hoorn is bevoegd gezag tot het vaststellen van de hogere grenswaarden. De notitie heeft ten doel om de gemeente Hoorn te adviseren om tot een goed gemotiveerd hogere grenswaardenbesluit te komen. Voordat de hogere grenswaarden kunnen worden vastgesteld moet onderzocht worden of geluidbeperkende maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidsbelasting terug te brengen tot de voorkeurswaarde. Dit is onderzocht in het hierboven aangehaalde onderzoek van DGMR. In het akoestisch onderzoek zijn maatregelen onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat de kosten dusdanig hoog zijn in relatie met het aantal woningen in het plan, dat deze maatregelen niet reëel zijn. Doordat geluidbeperkende maatregelen bezwaren ontmoeten van financiële aard stelt de gemeente Hoorn hogere grenswaarden vast (artikel 110a lid 5 Wet geluidhinder). De hogere grenswaarden worden aangevraagd voor 145 woningen.
Volgens artikel 110a lid 6 van de Wet geluidhinder mag het bevoegd gezag de hogere grenswaarden alleen vaststellen indien de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een naar hun oordeel onaanvaardbare geluidsbelasting. Volgens het eerder aangehaalde onderzoek van DGMR overschrijdt de gecumuleerde geluidsbelasting op geen enkel waarneempunt de maximale ontheffingswaarde voor stedelijk gebied uit de Wet geluidhinder (deze bedraagt 63dB). De berekende gecumuleerde waarde bedraagt maximaal 55 dB. De gemeente Hoorn heeft het ontwerpbesluit ter vaststelling van hogere grenswaarden gepubliceerd op 19 november 2008, tegelijkertijd met het conceptontwerp bestemmingsplan. Naar aanleiding van zienswijzen en de beoordeling daarvan is het definitieve besluit ter vaststelling van hogere grenswaarden genomen op 10 maart 2009. Dit besluit is gepubliceerd op 22 april 2009.
14
DGMR, Bestemmingsplan De Blauwe Berg, Hoorn – Hogere grenswaardenadvisering, 1 september 2008 rapportnr. I.2007.5508.N002
Hoofdstuk 3
37
3.5.4 Industrielawaai In opdracht van BAM Vastgoed B.V. heeft DGMR15 onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai als gevolg van de verschillende functies op De Blauwe Berg op geluidsgevoelige objecten. Het onderzoek heeft zich gericht op de Atletiekvereniging Hollandia, Tennisvereniging HLTV Juliana en IJsbaan De Westfries. Atletiekvereniging Hollandia Als gevolg van de atletiekvereniging treden er geen knelpunten op ter plaatse van de geprojecteerde nieuwbouwwoningen voor wat betreft de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus. Het muziekgeluid dat van de atletiekbaan afkomstig is wordt gemaskeerd door het verkeerslawaai van de Rijksweg A7. Wel zullen bij evenementen hoge geluidsniveaus optreden ter plaatse van de woningen. Het gaat hier om een situatie die zeer beperkt voorkomt en waarvoor een vergunning in het kader van de Algemeen Plaatselijke Verordening wordt aangevraagd. Hierdoor zal de hinder die optreedt beperkt en acceptabel zijn. De grenswaarde voor maximale geluidsniveaus wordt ter plaatse van de nieuwbouwwoningen slechts overschreden als het startschot bij wedstrijden wordt gegeven. Aangeraden wordt om het startschot te vervangen door een piepsysteem wat buiten de baan al vrijwel niet meer hoorbaar is. Aanvullend onderzoek elektronisch startsysteem Uit het onderzoek16 blijkt dat de ervaringen met een elektronisch startsignaal verdeeld zijn.
Waar het volgens sommigen prima voldoet, stellen anderen dat het systeem nog niet geschikt is voor belangrijke wedstrijden. Omdat de Atletiekunie het laatste standpunt is toegedaan, stelt zij een aanvullende eis bij de organisatie van nationale competitiewedstrijden en wedstrijden in het kader van het SPAR Baancircuit; daar moet een revolver gebruikt worden (zo blijkt uit de bijlage behorende bij de inspraakreactie van de Atletiekvereniging Hollandia). Gegeven het huidige geluidsbeleid in Hoorn zou AV Hollandia 5 maal per jaar een ontheffing kunnen aanvragen voor het overschrijden van de geluidsnormen. In het kader van een algemene evaluatie van de festiviteitenregeling binnen de gemeente wordt overwogen de festiviteitenregeling uit te breiden tot 8 dagen. Het knelpunt van de maximale geluidswaarden is verholpen wanneer AV Hollandia tevens in het bezit zou zijn van zowel een revolver als een elektronisch startsignaal. Buiten de officiële wedstrijden om zou dan gebruik gemaakt kunnen worden van een elektronisch startsysteem. Vanuit de projectontwikkeling zal een elektronisch startsysteem voor de atletiekvereniging worden aangeschaft voor een gecombineerd gebruik van 15
16
DGMR, Bestemmingsplan De Blauwe Berg, Hoorn – Akoestische Onderbouwing, 16 september 2008 rapportnr. I.2007.5508.00R001 DGMR, Bestemmingsplan De Blauwe Berg, Hoorn – Onderzoek naar toepasbaarheid elektronisch startsignaal in verband met overschrijding maximale geluidsniveaus atletiekbaan. 28 januari 2009, rapportnr. I.2007.5508.08.N001
38
Hoofdstuk 3
een revolver en een elektronisch startsysteem. Hiermee zijn de problemen met het startschot opgelost. Aanvullend onderzoek omroepmededelingen In het onderzoek van 16 september 2008 is vastgesteld dat van de tijdsduur van omroepen tijdens wedstrijden effectief circa een kwart van de tijd wordt omgeroepen. De atletiekvereniging geeft aan dat er uit moet worden gegaan van 5 uur per wedstrijd. In dat geval wordt in de dagperiode bij een aantal geprojecteerde woningen niet voldaan aan de toetsingswaarde van 50 dB(A) voor een goede ruimtelijke ordening. De overschrijding bedraagt ten hoogste 2 dB bij de geprojecteerde nieuwbouwwoningen. Als wordt uitgegaan van een bedrijfstijd van 3 uur voor het omroepen (bij een wedstrijddag van 6 uur), wordt exact voldaan aan de toetsingswaarde van 50 dB(A) in de dagperiode. Atletiekvereniging Hollandia geeft in haar inspraakreactie aan dat het in 2008 uitgevoerde onderzoek geen beeld geeft van de werkelijkheid en dat de omroepinstallatie geluidsoverlast zal geven voor de omwonenden. Om de openstaande vragen te beantwoorden heeft DGMR in haar rapport van 4 maart 2009 aanvullend gerapporteerd. Er is daarbij getoetst aan zowel de normstelling uit het Activiteitenbesluit als getoetst aan de gehanteerde normstelling in het kader van de ruimtelijke inpassing. Een gemiddelde wedstrijddag duurt 6 uur.
Uit de rapportage blijkt dat indien gedurende de helft van een wedstrijddag gebruik gemaakt wordt van de omroepinstallatie dat dan aan beide normstellingen wordt voldaan. Wij gaan ervan uit dat een spreektijd van 3 van de 6 uur volstaat. Gegeven het huidige geluidsbeleid in Hoorn zou AV Hollandia 5 maal per jaar een ontheffing kunnen aanvragen voor het overschrijden van de geluidsnormen. Bij grote wedstrijden wordt met 3 microfonisten 100% van de tijd gesproken: dit wordt niet in beeld gebracht aangezien deze grote wedstrijden onder de ontheffingsregeling van 5 keer per jaar vallen. In het kader van een algemene evaluatie van de festiviteitenregeling binnen de gemeente zal worden overwogen de regeling uit te breiden tot 8 dagen. Binnen genoemd kader wordt de atletiekvereniging niet in onevenredige mate in zijn bedrijfsvoering geremd. De Milieudienst Westfriesland heeft tijdens de wedstrijddag van 5 april 2009 geluidsmetingen uitgevoerd. Gedurende een representatief uur was de spreektijd 41%, werden er 14 startschoten gelost en werd er geen muziek voortgebracht. De milieudienst concludeert dat een wedstrijd als deze, op deze manier, zonder problemen doorgang kan vinden, mede in relatie tot de geplande nieuwbouw en met het gebruik van geluidontheffingen gedurende 8 dagen.
Tennisvereniging HLTV Juliana Ter plaatse van de nieuwbouwwoningen wordt gedurende training- en wedstrijdsituaties voldaan aan de richtwaarden uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverleningen 1998 voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximale geluidsniveau. Incidenteel (3 maal per jaar) wordt de richtwaarde voor het
Hoofdstuk 3
39
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bij de nieuwbouwwoningen overschreden. Dit vindt plaats bij toernooien waarbij veel toeschouwers aanwezig zijn en de omroepinstallatie wordt gebruikt. Gezien het incidentele karakter en de beperkte overschrijding zal dit geen onacceptabele hinder veroorzaken. IJsbaan De Westfries DGMR heeft twee situaties in kaart gebracht ten behoeve van de ijsbaan. Deze betreffen een situatie met en zonder muziek in de ijshal. In beide situaties worden de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit overschreden. Ook bij de bestaande woningen aan het Keern worden de geluidsvoorschriften overschreden in de situatie met muziek. De koelmachine die is opgesteld staat in de machinekamer en het muziekgeluid dat door de openingen in gevel – en dakconstructie van de ijsbaan komt zijn maatgevend voor de overschrijding. Aanpassingen aan de gebouwschil (dichtzetten van de open delen in de gevel- en dakconstructie) zijn vanuit klimaattechnisch oogpunt niet mogelijk.
In het onderzoek wordt daarom de conclusie getrokken dat het ten gehore brengen van muziek in de ijshal aan een aantal voorwaarden moet voldoen om een overschrijding van de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit teniet te doen: Het binnenniveau in de ijshal inclusief muziek mag niet meer dan 70 dB(A) bedragen; Het muziekgeluid mag niet als zodanig waarneembaar zijn bij de bestaande en nieuwe woningen. Als de bovengenoemde maatregelen zijn doorgevoerd is het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de geprojecteerde nieuwbouwwoningen teruggebracht tot ten hoogste 50 dB(A) in de dag- en avondperiode en 45 dB(A) in de nachtperiode. Tevens wordt voldaan aan de oorspronkelijke norm van 50 dB(A) etmaalwaarde bij de bestaande woningen aan het Keern. De gemeente Hoorn is conform artikel 2.20 van het Activiteitenbesluit bevoegd om bij maatwerkvoorschrift de geluidsvoorschriften voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de nieuwbouwwoningen tot de genoemde waarden ter verruimen.
3.6 Externe veiligheid 3.6.1 Beoordelingskader Het externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken van het aantal mensen dat is blootgesteld aan het verhoogd gevaar als gevolg van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Bedrijven en transportassen in de omgeving van het plangebied kunnen het
40
Hoofdstuk 3
externe veiligheidsniveau in het plangebied beïnvloeden. In ruimtelijke plannen moeten risicobronnen aan de orde komen, namelijk: Bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor en de buisleidingen. Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van diegenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico’s kunnen lopen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om omwonenden, maar ook om bezoekers van een hotel of andere bijeenkomstfuncties. Zowel in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) als in de Nota en circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Nota en circulaire RNVGS) staat deze risicobenadering centraal. Met het begrip risico wordt het normatieve gevaar kwantificeerbaar, en onder meer vergelijkbaar gemaakt met normen. De omvang van de gevaren voor de omgeving wordt aangeduid met twee risicobegrippen: groepsrisico (GR) en plaatsgebonden risico (PR). Het verschil tussen deze twee risico’s is, dat het GR rekening houdt met het aantal aanwezige personen, terwijl bij het PR uitgegaan wordt van de permanente onbeschermde aanwezigheid van één persoon. Voor de mate van aanvaardbaarheid van deze risico’s zijn op nationaal niveau normen vastgesteld.
Stationaire bronnen (inrichtingen) Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) bevat de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Dit besluit heeft als doel zowel individuele als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het bevoegd gezag neemt bij inrichtingen voor het PR de norm in acht van 10-6 doden per jaar (10-6/jr) voor kwetsbare objecten (grenswaarde). Alle nieuwe beperkt kwetsbare objecten dienen eveneens buiten de 10-6/jr-contour van een risicovolle inrichting te liggen. Aangezien hier echter sprake is van een richtwaarde mag van deze norm uitsluitend in geval van gewichtige redenen worden afgeweken. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan. Bedrijven die niet binnen het toepassingsgebied van het Bevi vallen, kunnen toch een gevaar veroorzaken voor hun omgeving. Op basis van de nota Omgaan met risico’s en de richtafstanden uit de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering moet rekening gehouden worden met dergelijke bedrijven. Het Bevi bevat naast een norm voor het PR een oriënterende waarde voor het groepsrisico. Elke verandering van het groepsrisico moet door het bevoegd gezag
Hoofdstuk 3
41
worden verantwoord. Hierbij moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om advies uit te brengen. Het groepsrisico kan veranderen wanneer de ontwikkeling binnen het invloedsgebied van de inrichting ligt. De provincie Noord-Holland heeft in oktober 2005 het ‘Toetsingskader groepsrisico bij ruimtelijke ontwikkelingen voor gemeente en provincie’ gepubliceerd. Het toetsingskader gaat in op de diepgang van de verantwoording groepsrisico. Als uit een berekening blijkt dat het groepsrisico meer dan een factor 10 onder de oriënterende waarde (OW) ligt en blijft, is een beperkte verantwoording groepsrisico nodig. De gemeente kiest ervoor om in aanvulling hierop de verplichte en onmisbare aspecten volgens de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico aan de orde te laten komen in de verantwoording groepsrisico. Dit is in overeenstemming met het advies van de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord. De gemeente zal hierbij de aanvaardbaarheid van het restrisico beoordelen. De aspecten die in de verantwoording aan de orde komen zijn: A. Ligging GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde; B. Toename van het GR ten opzichte van nulsituatie; C. De mogelijkheden van zelfredzaamheid van de bevolking; D. De mogelijkheden van de hulpverlening; E. Nut en noodzaak van de ontwikkeling; F. Het tijdsaspect.
Transportassen (weg, water, spoor en buis) Het huidige beleid voor het maken van de afweging bij ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen berust op de in 1996 vastgestelde Nota Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Nota RNVGS) [TK, 1995-1996, 24611, nr. 2]. Door middel van de Circulaire RNVGS [Stcr, 2004, nr. 146] is dit beleid verder geoperationaliseerd. Op basis van dit huidige rijksbeleid moet decentraal rekening gehouden worden met externe veiligheid bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van risicobronnen. De normstelling voor transportassen is opgenomen in onderstaande tabel. Normen voor het plaatsgebonden risico bij de verschillende situaties bij transport vervoersbesluit omgevingsbesluit -5
bestaande situatie nieuwe situatie
kwetsbaar beperkt kwetsbaar
grenswaarde PR 10 /jr -6 streven naar PR 10 /jr -6 grenswaarde PR 10 /jr -6 richtwaarde PR 10 /jr
-5
grenswaarde PR 10 /jr -6 streven naar PR 10 /jr -6 grenswaarde PR 10 /jr -6 richtwaarde PR 10 /jr
De circulaire RNVGS bevat, net als voor inrichtingen, een oriënterende waarde voor het groepsrisico. Bij een overschrijding van de oriënterende waarde voor het GR, of een toename van het GR, geldt eenzelfde verantwoordingsplicht als voor inrichtingen.
42
Hoofdstuk 3
3.6.2 Risicobronnen Bedrijven en transportassen in de omgeving van het plangebied kunnen het externe veiligheidsniveau in het plangebied beïnvloeden. Het situeren van nieuwe kwetsbare objecten binnen de 10-6/jr contour voor het PR is niet toegestaan. Daarnaast beïnvloeden aanwezigen binnen het invloedsgebied van een risicobron de hoogte van het groepsrisico. In deze paragraaf zijn het GR en het PR van alle in de omgeving van het plangebied aanwezige risicobronnen beschouwd. Het plan zelf voorziet niet in het realiseren van risicobronnen. Stationaire bronnen In de omgeving van het plangebied liggen drie stationaire risicobronnen. Dit zijn: Borst Leekerlanden B.V. (LPG tankstation), Gemeente Koggeland; BP Station ‘Keern’, gemeente Hoorn; Schermer wijnkopers (Opslag geklasseerde stoffen), gemeente Hoorn. Het invloedsgebied van deze bedrijven valt niet samen met de geprojecteerde functies in het plangebied, dit blijkt uit het rapport Bestemmingsplan De Blauwe Berg te Hoorn17 (bij de berekeningen is gebruik gemaakt van de inputgegevens als beschreven in paragraaf 3.3). Daarom vormen stationaire bronnen geen belemmering voor de realisatie van het plan.
Transportassen In de omgeving van het plangebied liggen twee transportassen waarvan het invloedsgebied samenvalt met een deel van het plangebied18 (bij de berekeningen is gebruik gemaakt van de invoergegevens als beschreven in paragraaf 3.3). Het invloedsgebied van andere transportassen valt niet samen met het plangebied. De relevante risicobronnen zijn: A7 (ID N81 en N82), met op- en afrit; N506 (ID N48). Over deze wegen vindt transport van brandbare vloeistoffen (GF), brandbare gassen (GF3, bevat o.a. LPG) en toxische vloeistoffen (LT) plaats. Uit de risicoanalyse in voorgenoemde onderzoek van DGMR externe veiligheid blijkt dat deze wegen beide geen 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico hebben. In deze risicoanalyse is ook de invloed van het plan op de omvang van het groepsrisico bepaald. De ontwikkeling leidt niet tot een zichtbare stijging van het groepsrisico van de N506 (inclusief op- en afrit A7). Formeel stijgt het groepsrisico van deze weg, waar17
DGMR, Bestemmingsplan De Blauwe Berg te Hoorn – Onderzoek externe veiligheid, 29 april 2008 rapportnr. I.2007.5508.03R001 .DGMR, Bestemmingsplan De Blauwe Berg te Hoorn – Onderzoek externe veiligheid, 29 april 2008 rapportnr. I.2007.5508.03R001
18
Hoofdstuk 3
43
voor de oriënterende waarde geldt, dan ook niet. Bij de autonome ontwikkeling van het plangebied wordt de oriënterende waarde voor het groepsrisico overschreden. Een verantwoording groepsrisico voor de ontwikkeling in de omgeving van deze weg is daarom noodzakelijk. Een effect als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen op de N506 is bij de geprojecteerde kantoren in de omgeving van het Missiehuis, hoewel deze ontwikkeling niet bijdraagt aan het formele groepsrisico, niet uit te sluiten. Het groepsrisico van de A7 stijgt als gevolg van het plan. Een verantwoordelijk groepsrisico voor de ontwikkeling in de omgeving van deze weg is daarom noodzakelijk. Het groepsrisico bij planontwikkeling is minder dan 0.1 maal de oriënterende waarde voor het groepsrisico. Volgens het beleid van de provincie geldt in dat geval een beperkte verantwoordingsplicht. Aanvullend komen de verplichte en onmisbare aspecten volgens de Handreiking Verantwoordingsplicht Groepsrisico aan de orde in de verantwoording groepsrisico. 3.6.3 Verantwoording groepsrisico De beoordeling van het groepsrisico (GR) vindt niet plaats door middel van een vaste norm maar door middel van het afleggen van een verantwoording. De geprojecteerde woningen liggen niet binnen het invloedsgebied van deze wegen.
Het hotel, de kantoren, het dans- en partycentrum en de bioscoop liggen binnen het invloedsgebied van de N506 (met op- en afritten A7) en/of de A7. Voor zowel de N506 als de A7 geldt de verantwoordingsplicht groepsrisico. De gemeente heeft de aanvaardbaarheid van het restrisico op basis van de volgende aspecten beoordeeld: A. Ligging GR ten opzichte van de oriëntatiewaarde; B. Toename van het GR ten opzichte van nulsituatie; C. De mogelijkheden van zelfredzaamheid van de bevolking; D. De mogelijkheden van de hulpverlening; E. Nut en noodzaak van de ontwikkeling; F. Het tijdsaspect. Groepsrisico en Ongevalsscenario’s Het groepsrisico van relevante wegen is nader beschouwd in het voorgenoemde DGMR rapport Bestemmingsplan De Blauwe Berg te Hoorn. Hiermee zijn onderdelen A en B aan de orde gekomen. Voor zowel de N506 als de A7 moet het groepsrisico worden verantwoord.
44
Hoofdstuk 3
Gezien de transportaantallen is de waarschijnlijkheid van het optreden van een effect van de volgende twee scenario’s het grootst: Hittebelasting door brand (brandbare vloeistoffen); Druk- en hittebelasting ten gevolge van een BLEVE19 (brandbare gassen). BLEVE Het maatgevend effect voor de hoogte van het groepsrisico, dat op kan treden bij een ongeval met een tankwagen gevuld met brandbaar gas, is een BLEVE. De indicatieve waarde voor de effectafstand (1%-lethaal) bij een calamiteit, waarbij de wageninhoud vrijkomt, is 230 meter. De BLEVE veroorzaakt zowel een drukgolf als een intense warmtestraling. Buiten de 200 meter is het effect van een BLEVE dusdanig, dat de mensen inpandig voldoende beschermd zijn (geraakt worden door glas vormt hierop een uitzondering). Het ontstaan van secundaire branden maakt ontvluchting in tweede instantie toch noodzakelijk. Plasbrand Hittebelasting door een plasbrand heeft een kleiner effectgebied en is daardoor minder relevant. Door het aanhouden van afstand tussen de risicobron en de geprojecteerde bebouwing is het effect beperkt. De invloed op de hoogte van het groepsrisico is dan ook laag. Personen buiten, bijvoorbeeld op het parkeerterrein, kunnen wel degelijk een lethaal effect ondervinden. Ook is het ontstaan van secundaire branden een aandachtspunt.
Toxische belasting Het optreden van een toxisch scenario, waarvan het plangebied een lethaal effect ondervindt, kan niet worden uitgesloten. Bij toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Ook de duur van de blootstelling is van invloed op de ernst van het letsel. De aanpak van het toxisch scenario in het kader van de rampenbestrijding is dan ook anders dan voor een BLEVE. Advies Veiligheidsregio Noord-Holland Noord De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord (VRNH) is intensief betrokken bij het tot stand komen van dit plan. Zij heeft op 10 april 2008 advies uitgebracht over het plan (referentie U2008/210). Dit advies is in overleg met de Brandweer Hoorn tot stand gekomen. Naar aanleiding van overleg op 16 april 2008 over externe veiligheid, en de daarin besproken bouwstenen voor de verantwoording groepsrisico in relatie tot het plan, is dit advies per brief van 22 april 2008 aangevuld (referentie U2008/260). Samengevat adviseert de veiligheidsregio het college van burgermeester en wethouders voor wat betreft voor externe veiligheid relevante zaken het volgende:
19
BLEVE staat voor “boiling liquid expanding vapor explosion”; de ontploffing van een tot vloeistof verdicht gas.
Hoofdstuk 3
45
1. Bereikbaarheid: a) aan de west- en oostzijde van het hotel, de bioscoop en het dans- en partycentrum dient een doorlopende weg aanwezig te zijn. Deze moet voldoen aan de eisen uit de NVBR-richtlijn ‘Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ van september 2003; b) zowel het hotel, de bioscoop en het dans- en partycentrum dienen te worden voorzien van voldoende brandweeringangen (separaat van reguliere inen uitgangen). De locatie van en het aantal brandweeringangen is afhankelijk van de uiteindelijke indeling van het gebouw. 2. Bluswater: a) een bluswaterleiding ten behoeve van de primaire bluswatervoorziening moet zowel aan de westzijde als aan de oostzijde van de gebouwen worden aangebracht. De bluswatervoorziening moet voldoen aan de NVBR-richtlijn ‘Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid’ van september 2003. Verder moet voldaan worden aan de eisen uit het bouwbesluit en de gemeentelijke bouwverordening. Droge bluswaterleidingen worden hierbij expliciet genoemd als de indeling van gebouwen daar aanleiding toe geeft; b) sprinklersystemen en de bluswatervoorzieningen moet afzonderlijk worden beschouwd. 3. Brandmeldinstallatie/ ontruiming: a) afhankelijk van de indeling, de hoogte, en de functie van het gebouw moeten de bouwwerken worden voorzien van een brandmeld- en/of ontruimingsinstallatie. 4.
Beheersbaarheid: a) de commandant van de brandweer Hoorn heeft aangegeven dat er voor het betreffende gedeelte van de rijksweg A7 en op- en afritten een aanvalsplan geschreven kan worden. Daarin kan worden vastgelegd dat de hulpverleningsdiensten contact zoeken met de recepties van het hotel, de bioscoop en het dans- en partycentrum wanneer een incident op de rijksweg of de op- en afrit van deze rijksweg zich voordoet. Men kan dan een begin maken met de ontruiming van de objecten. Rijkswaterstaat is wegbeheerder van de rijksweg A7. Uitvoeringsafspraken zijn daarom noodzakelijk. Bovendien moeten ten aanzien van de provinciale weg N506 afspraken gemaakt worden met de wegbeheerder. Incidenten op beide wegen zullen moeten worden opgenomen in het oefenschema van de brandweer.
Het advies bevat ook een aantal punten op het gebied van interne veiligheid. Deze komen hier verder niet aan de orde, maar zijn relevant in het kader van de bouwvergunningprocedures. In mei 2005 heeft de Brandweer Hoorn het ‘Veiligheidsadvies Brandweer Hoorn: Bestemmingsplan De Blauwe Berg te Hoorn” uitgebracht. Dit
46
Hoofdstuk 3
advies gaat met name in op interne veiligheid en bevat een aantal adviezen met betrekking tot bereikbaarheid en bluswatervoorziening. Deze sluiten aan bij en gaan op een aantal punten wat preciezer in op elementen uit het advies van de Veiligheidsregio. De Veiligheidsregio haalt dit document aan in haar advies. De gemeente neemt alle adviezen van de Veiligheidsregio in acht bij het vaststellen van het plan en het verlenen van bouwvergunningen. Hieronder is per aspect de motivering opgenomen. De motivering geldt voor de geprojecteerde functies hotel, kantoren, dans- en partycentrum en bioscoop. Zelfredzaamheid (aspect C) Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. De mate van het succes van zelfredzaamheid hangt af van een drietal elementen: De infrastructurele mogelijkheden; De fysieke mogelijkheden (van de populatie); De mentale mogelijkheden. Infrastructureel Op gebouwniveau zal aan de vereisten uit het bouwbesluit worden voldaan. Gebouwen zullen daarnaast minimaal tweezijdig worden ontsloten. Hierbij is minimaal één nooduitgang van de bron af gericht.
Wanneer een calamiteit optreedt, is altijd een van de risicobron af gerichte vluchtweg beschikbaar. Deze vluchtuitgangen vanuit het hotel, de kantoren, de bioscoop en het dans- en partycentrum zijn met voldoende capaciteit aanwezig. Via het achter deze functies gelegen park en de woonwijk kan van de risicobron af worden gevlucht. Voor het bepalen van de dimensionering van de vluchtwegen wordt aangesloten bij de eisen die hiervoor gelden uit het Bouwbesluit, met als aanvullende eis: ‘van de risicobron afgerichte vluchtweg voor functies binnen het invloedsgebied van de A7, dan wel de N506 (met op- en afritten van de A7)’. De infrastructurele mogelijkheden voor vluchten zijn daarom van een hoog niveau. Fysieke mogelijkheden Het hotel, de bioscoop de kantoren en het dans en- partycentrum zullen gezien de aard van het gebied in de meeste gevallen door personen met een hoge zelfredzaamheid worden bezocht. Kinderen die bijvoorbeeld de bioscoop bezoeken, hebben een verminderde zelfredzaamheid. De zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied is daarom van een gemiddeld niveau.
Hoofdstuk 3
47
Mentale mogelijkheden Door middel van de risicocommunicatie zullen aanwezigen binnen het invloedsgebied op de hoogte worden gebracht van potentiële rampen. Een aantal van de aanwezigen (de werknemers) zal via dit communicatietraject als groep benaderd worden. Hierbij worden zij ingelicht over wat zij moeten doen bij een ramp. Daarnaast moeten de bezoekers worden geïnformeerd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met een verminderde zelfredzaamheid van aanwezigen in het dans- en partycentrum als gevolg van het gebruik van genotsmiddelen. De Brandweer Hoorn kan hiertoe een aanvalsplan voor de A7 en de N506 ontwikkelen, waarvan het waarschuwen van personen in het plangebied onderdeel uitmaakt (punt 4a, samenvatting advies Veiligheidsregio). De gemeente zal erop toezien dat dit aanvalsplan wordt gemaakt. Het hotel, de bioscoop, de kantoren en het dans- en partycentrum moeten een calamiteitenplan en BHV organisatie hebben, waarin aandacht wordt besteed aan de risico’s van de A7 en de N506 (punt 3a, samenvatting advies Veiligheidsregio). Deze sluiten aan op het aanvalsplan van de Brandweer Hoorn. Door een snelle alarmering in de beginfase worden aanwezige personen in staat gesteld zichzelf in veiligheid te brengen. De aanwezigheid van een sirene die is aangesloten op het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) kan ook een cruciale rol spelen bij de alarmering.
De gemeente draagt er zorg voor dat de sirenes in het plangebied goed hoorbaar zijn. Beheersbaarheid (aspect D) Zowel aan de west- als oostzijde van het hotel, de bioscoop en het dans- en partycentrum moet een weg met voldoende breedte en een keermogelijkheid worden aangelegd. Dit komt overeen met het advies van de Veiligheidsregio. In overleg met de Veiligheidsregio is vastgesteld dat hiermee de bereikbaarheid van het plangebied gewaarborgd is (punt 1a, samenvatting advies Veiligheidsregio). De aanvalsroutes over deze weg en de langs deze weg gelegen opstelplaatsen worden gedimensioneerd conform de NVBR-richtlijn ‘Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid’. Dit geldt ook voor de kantoorontwikkeling bij het voormalige Missiehuis. Alle gebouwen zijn door middel van deze route bereikbaar voor de hulpverleningsdiensten. Het hotel, de kantoren, de bioscoop en het dans- en partycentrum worden voorzien van voldoende brandweeringangen (punt 1b, samenvatting advies Veiligheidsregio). De primaire bluswatervoorziening zal aan de aanvalsroute overeenkomstig voornoemde NVBR-richtlijn worden aangelegd (punten 2a en 2b, samenvatting advies Veiligheidsregio). Nut en noodzaak van de ontwikkeling (aspect E) Vanuit het oogpunt van alleen externe veiligheid is het realiseren van de (vrijetijds)functies met een relatief hoge bezettingsgraad in het invloedsgebied van de A7
48
Hoofdstuk 3
en de N506 niet optimaal. Het ‘Milieueffectrapport vrijetijdspark De Blauwe Berg te Hoorn’ van 11 december 2003 bevat een onderbouwing van de locatiekeuze. Uit dit rapport blijkt dat de realisatie van bioscopen in omliggende stedelijke gebieden tot problemen leidt. Een aantal locaties in de gemeente Hoorn is sinds 1997 aan de orde geweest. Uit de analyse blijkt dat met clusteren van functies op één locatie een aantrekkelijk vrijetijdspark met voldoende aantrekkingskracht kan worden gerealiseerd. Een clustering van verschillende soorten voorzieningen op het gebied van vermaak en recreatie zorgt voor20: Gebruik maken van dezelfde infrastructuur door de diverse vrijetijdsvoorzieningen; Een verhoging van de levendigheid en sociale veiligheid in het gebied; Een betere ‘herkenbaarheid’ dan verspreide afzonderlijke elementen en mede daardoor een ruimer marktbereik; De mogelijkheid voor een gezamenlijke marketing en promotie, zodat een duidelijke identiteit kan worden opgebouwd. Gezien de schaarse ruimte in Hoorn komt in feite alleen De Blauwe Berg in beeld voor de clustering van functies. Het ontwikkelen van een vrijetijdspark op De Blauwe Berg heeft als primaire doelstelling het bieden van een vestigingsplaats voor stedelijke uitgaans- en vermaakfuncties, die niet of in onvoldoende mate in de binnenstad van Hoorn kunnen worden ondergebracht.
De gemeente vindt, voorgaande in overweging nemende, dat een verhoging van het groepsrisico verantwoord mag plaatsvinden en zal noodzakelijke maatregelen treffen om de veiligheid in het plangebied te borgen. Het tijdsaspect (aspect F) Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A7 en de N506 is niet tijdelijk. In de omgeving van de N506 is de uitbreiding van het Runshopping Centre aan de Van Aalstweg voorzien. Hierover is nog geen formeel besluit genomen. In de risicoanalyse zijn conservatieve aannames gemaakt voor dit gebied, waardoor rekening is gehouden met deze formeel niet voorzienbare ontwikkeling. Voor het overige bestaan geen voorzienbare ontwikkelingen in het invloedsgebied van de relevante risicobronnen. Restrisico Met uitvoering van de maatregelen zoals hiervoor omschreven, blijft de kans op dodelijke slachtoffers en gewonden bestaan. Daarnaast kan aanzienlijke materiële schade optreden. Het is voor de gemeente, gezien de locatie en de aanwezige risicobronnen, niet mogelijk om dit effect geheel weg te nemen. Door het uitvoeren van de hiervoor omschreven maatregelen beperkt het effect van een onvoorziene
20
Gemeente Hoorn, Structuurvisie Buitenstad, 22 februari 2001
Hoofdstuk 3
49
gebeurtenis zoveel als redelijkerwijs mogelijk is21. Gezien de gecreëerde mogelijkheden voor zelfredzaamheid en beheersbaarheid, de hoogte van het GR en het nut en de noodzaak van de ontwikkeling acht het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Hoorn het restrisico bestuurlijk aanvaardbaar.
3.7 Nutsleidingen In het plangebied ligt een aantal ondergrondse kabels en leidingen. Hiervoor gelden zones waarin om veiligheidsredenen en bereikbaarheid een bouwverbod geldt. Het gaat om twee hoofdwatertransportleidingen PWN die vlak naast elkaar liggen en een leiding ten behoeve van Hoorn met een bouwafstand van 7,5 meter vanuit het hart van de leiding. Zoals is beschreven in paragraaf 2.6.1. zijn er naast de hoofdwatertransportleidingen van PWN nog kabel(s) en een aardgastransportleiding in het plangebied gelegen. In de voorontwerpfase is bestudeerd of deze kabels en leidingen verlegd kunnen worden. Er is gebleken dat de in het gebied gelegen 50 kV tracés zullen worden verlegd. De volgende bouwafstanden worden gehanteerd en er wordt ter plaatse van de kabels en leidingen een bouwverbod opgenomen (deze gelden ook indien de kabels en leidingen kunnen worden verlegd): een 50 kV elektriciteitskabel met een bouwafstand van 1,5 meter vanuit het hart van de kabel; een 10 kV elektriciteitskabel met eveneens een bouwafstand van 1,5 meter uit het hart van de kabel een 100 mbar aardgastransportleiding (was voorheen 8 bar) met een bouwafstand van 1,5 meter vanuit het hart van de leiding.
3.8 Milieuzonering Bedrijven en milieuzonering van de VNG Om te komen tot een ruimtelijk relevante toetsing van bedrijfsvestigingen op milieuhygiënische aspecten wordt het begrip milieuzonering gehanteerd. Onder milieuzonering wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds milieugevoelige gebieden zoals woonwijken. Om het begrip hanteerbaar te maken is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering van de VNG22’. De inhoud van de milieuzonering wordt bepaald aan de hand van drie bouwstenen, te weten richtafstandenlijst, omgevingstypen en functiemenging. In de richtafstandenlijst zijn bedrijven opgenomen, 21
Toepassing ALARA-beginsel (As Low As Reasonably Achievable) conform paragraaf 4.3 van de Circulaire RNVGS 22 VNG, Bedrijven en milieuzonering, 2009
50
Hoofdstuk 3
ingedeeld in milieucategorieën, waarbij per bedrijf is aangegeven wat de afstand tot een rustige woonwijk dient te zijn. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan, afhankelijk van het omgevingstype, worden afgeweken van deze richtafstanden. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kunnen de afstanden uit de richtafstandenlijst bijvoorbeeld met één afstandstap worden verminderd. Tenslotte geeft de Staat van Bedrijfsactiviteiten voor een functiemenging een overzicht van bedrijfsactiviteiten die vanuit oogpunt van hinder en gevaar goed inpasbaar zijn in gebieden met functiemenging, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden. In het plangebied zijn geen (industriële) bedrijven gevestigd. Wel is er bedrijvigheid gevestigd aan de Geldelozeweg en de Dr. C.J.K. van Aalstweg. Beide straten grenzen aan het plangebied. Daarnaast voorziet de ontwikkeling van het vrijetijdspark in milieugezoneerde functies, waaronder de kunstijsbaan, de hotel-bioscoopcombinatie en de dansgelegenheid. Naast het MER zijn hiervoor verschillende milieuonderzoeken uitgevoerd, o.a. ten aanzien van geluid- en lichthinder.
3.9 Bodem Algemeen In geval van nieuwbouw van woningen of bedrijven is voor de vaststelling van het bestemmingsplan een (verkennend) bodemonderzoek vereist. In het kader van het MER is de bodemkwaliteit van het plangebied beoordeeld. Bodemkundig gezien is De Blauwe Berg te verdelen in vier gebieden. 1. Het gebied in de oksel van de Provincialeweg en de A7 kent een hoge grondwaterstand en bestaat uit matig zware klei. 2. Het gebied ter hoogte van de Wijzend, in het westelijk deel van het plangebied, bestaat uit kleigrond met op circa 40 cm diepte slappe klei en veen. Het gedeelte veengrond is een uitloper van het agrarisch veenweidegebied ten westen van de A7. In het uitvoeringsstadium van de A7 is de snelweg in de bocht naar het westen opgeschoven; het eigenlijk tracé ligt dus oostelijker. 3. Op het oude tracé van de A7 (evenwijdig aan de A7) bevindt zich boven op de bestaande ondergrond (klei) een flink zandpakket. 4. Het overige deel van het plangebied bestaat voornamelijk uit lichte klei en zavel. Voor de gehele Blauwe Berg geldt een min of meer uniforme bodemopbouw. In 2007 heeft sanering van verontreinigde locaties plaatsgevonden. De herbruikbare grond wordt verwerkt in het plangebied.
Hoofdstuk 3
51
Ontwikkelingen in relatie tot de bodemsituatie Mede op basis van de uitgevoerde MER kan gesteld worden dat er zich verschillende verontreinigingsituaties voordoen in het plangebied. Door de bouw van de ijsbaan en de aanleg van de ontsluitingsweg (de Westfriese Parkweg) zijn bepaalde locaties reeds gesaneerd. Indien er in het plangebied geen ontwikkelingen plaatsvinden, kan verondersteld worden dat de bodemkwaliteit in de toekomst ter plaatse niet sterk zal verbeteren. De belasting vanuit de bron (stortmateriaal) blijft dan aanwezig. Door de bodemverontreinigingssituatie te koppelen aan de voorziene ontwikkeling tot een vrijetijdspark ontstaat een win-win situatie. Het benutten van de samenloop van activiteiten past binnen het rijksbeleid (beleidsvernieuwing bodemsanering) om stagnatie van de bodemsaneringsoperatie te doorbreken. De geluidswal gesitueerd langs de rijksweg A7 wordt gedeeltelijk opgericht met de herbruikbare grond (uit de verontreinigingslocaties) binnen het plangebied. Nader bodemonderzoek ter plaatse van het voormalig Rijkswaterstaatterrein Ten behoeve van de ontwikkeling van De Blauwe Berg is aanvullend bodemonderzoek verricht ter plaatse van het voormalig Rijkswaterstaatterrein23.
Op basis van de resultaten van het nader bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er op de gehele onderzoekslocatie (voormalige Rijkswaterstaatterrein) geen verontreinigingen voorkomen boven de saneringsnorm. Het treffen van saneringsmaatregelen is derhalve niet noodzakelijk. Het uitgevoerde nader bodemonderzoek bevestigt de kwaliteit van de bodem, zoals is vastgesteld in de bodemkwaliteitskaart van de Milieudienst Westfriesland en het door Tauw B.V. uitgevoerde bodemonderzoek in 2000. Samenvattend rapport Door De Ruiter Boringen en Bemalingen bv is een rapport24 opgesteld dat de resultaten uit de diverse bodemonderzoeken samenvat en vastlegt in de vorm van een bodemkwaliteitskaart. In het rapport van De Ruiter is een bijlage opgenomen waarin de verschillende onderzoeken zijn opgenomen welke zijn samengevat. Bodemkwaliteit ontwikkelingsgebied excl. voormalige stortplaats Voor het vaststellen van de bodemkwaliteit is getoetst op de overschrijdingen van de stoffen: zware metalen (arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en extraheerbare organo halogeenverbindingen (EOX). In verband met de storende invloed van natuurlijke humuszuren in onder andere veen/humeuze grond op de bepaling van minerale olie, is minerale olie niet meegenomen in het onderzoek. Op basis van de resultaten 23
24
De Ruiter Boringen en Bemalingen, Nader Bodemonderzoek Blauwe Berg te Hoorn, 7 november 2007 De Ruiter Boringen en Bemalingen, Samenvatting (water)bodemkwaliteit, projectnummer HSK/BB090548.3740281, d.d. 19 maart 2009.
52
Hoofdstuk 3
van de uitgevoerde bodemonderzoeken is de gemiddelde bodemkwaliteit van de bovengrond van 0,0-0,5 meter beneden maaiveld (m –mv.) vastgesteld. De kwaliteit van de ondergrond is gelijkwaardig of beter. Binnen de grenzen van de ontwikkelingslocatie is de kwaliteit van de bodem overwegen schoon tot maximaal licht verontreinigd. Op het noordwestelijke deel van het voormalige Rijkswaterstaat terrein zijn in de grond enkel gehalten aan PAK aangetroffen groter dan de tussenwaarde (dit betekend matig verontreinigd). Deze gehalten komen alleen lokaal en heterogeen. Bodemkwaliteit voormalige stortplaats De puinstort is geheel afgegraven tot historisch maaiveld. Dit is visueel beoordeeld. De wijze van de ontmanteling, de verwerking en de verwijdering van de puinstort is vastgelegd in een evaluatie rapport25. Het volledige voormalige ‘stortvlak’ is afgedekt met een deel van de bebouwing van de IJsbaan, het parkeerterrein en de nieuwe aansluiting aan de Bobeldijkerweg. Uit het 3e ronde NAVOS monitoring onderzoek (kenmerk rapport: 180/0017/03), uitgevoerd in opdracht van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland door Bodemzorg in 2005, was al gebleken dat er geen grondwaterverontreiniging aanwezig was en er dus geen bodembedreigende stoffen uit de stort zijn uitgeloogd. Ten behoeve van de bouw van de IJsbaan ‘De Westfries’ is in 2004 door Verhoeven Milieu een bodemonderzoek uitgevoerd.
Aangezien de bouw plaats zou vinden ter plaatse van de zuidwestelijke punt van de stortplaats, heeft daar ook een deel van het onderzoek plaatsgevonden. Hierbij zijn destijds alleen lichte verontreinigingen geconstateerd. Waterbodem kwaliteit De kwaliteit van de waterbodems wordt beoordeeld als klasse 0-2 slib (op basis van de 4e nota waterhuishouding). Het aanwezige slib kan als verspreidbare baggerspecie op de kant worden geplaatst. De onderliggende bodem is maximaal licht verontreinigd. Voor de toetsing van de toepassing van baggerspecie op de aangrenzende percelen bestaat een nieuwe zogeheten msPAF toetsing (meer soorten Potentieel Aangetaste Fractie). Hierbij wordt bagger niet per vervuilende stof maar naar het effect van het mengsel van verontreinigingen op de omgeving getoetst. Hierbij wordt getoetst aan de klasse A of B. In verband met de ontwikkeling van het gebied en het feit dat de waterbodemonderzoeken hebben plaatsgevonden voor 1 juli 2008, kan voor de toepassing van baggerspecie op de aangrenzende percelen gebruik gemaakt worden van de over25
Unihorn b.v., 5003-MI-RAP
Hoofdstuk 3
53
gangsregels van het Besluit Bodemkwaliteit. Baggerspecie mag dan worden ingedeeld in de klasse 1 t/m 4 waarbij de toepassingsregels van het vervallen Bouwstoffenbesluit van toepassing zijn. Hiervoor is een maximale termijn van 3 jaar vastgesteld. Om van deze overgangsregel gebruik te kunnen maken dienden de baggerwerkzaamheden binnen deze termijn te zijn uitgevoerd. Toetsing bodemkwaliteitskaart gemeente Hoorn Op basis van de beschikbare bodemkwaliteitskaart van de gemeente Hoorn wordt het onderzoeksgebied in de zones 4 (schoon / MVR) en 5 (licht verontreinigd) ingedeeld. De resultaten van de uitgevoerde bodemonderzoeken komen grotendeels overeen met de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Hoorn. Met name het oppervlak van de zone schone grond is groter dan werd aangenomen in de bodemkwaliteitskaart. Conclusie en aanbevelingen Om inzicht te krijgen in de bodemkwaliteit van het plangebied De Blauwe Berg is een groot aantal bodemonderzoeken uitgevoerd. De verschillende resultaten zijn samengevat in het rapport van De Ruiter Boringen en Bemalingen (d.d. 19 maart 2009). Uit het rapport blijk dat de kwaliteit van de bodem binnen de grenzen van de onderzoekslocatie in voldoende mate is vastgesteld. In het rapport worden de volgende conclusies getrokken: 1. de locatie is geschikt voor het beoogde doel: wonen met tuin; 2.
op grond van dit rapport kan een bouwvergunning worden verleend; 3. er zijn geen beperkingen ten aanzien van eventuele onroerendgoedtransacties.
3.10 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer (Wm) gewijzigd. In hoofdstuk 5 is een paragraaf luchtkwaliteitseisen toegevoegd (paragraaf 5.2). Deze vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide, benzeen, ozon, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen opgenomen. De grenswaarden voor stikstofdioxide en benzeen gelden vanaf 2010. Voor de overige stoffen zijn de grenswaarden reeds van kracht. De grenswaarden zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3
54
Hoofdstuk 3
neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijn stof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma moet de onderbouwing leveren van het “derogatieverzoek” van het Rijk aan de Europese Unie (EU). Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke ontwikkelingen die de luchtkwaliteit verbeteren om er voor te zorgen dat per 2011 respectievelijk 2015 wel overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. De EU heeft echter nog geen besluit over het derogatieverzoek genomen.
AmvB en mr niet in betekenende mate De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AmvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder de AmvB en mr niet in betekenende mate (NIBM). Deze AmvB en mr legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 µg/m3 voor zowel fijn stof en NO2. De 3% grens is van toepassing, vanaf het moment dat het NSL definitief is vastgesteld (zie artikel 2, lid 2, Besluit NIBM). In de periode tussen de inwerkingtreding van het Besluit NIBM en de definitieve vaststelling van het NSL wordt een NIBM-grens gehanteerd van 1%. Dit staat gelijk aan 0,4 µg/m3. De systematiek voor het bepalen of een project NIBM is, is vóór en na de inwerkingtreding van het NSL gelijk. NIBM projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is.
Daarbij speelt de mate van
Hoofdstuk 3
55
blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie maar ook om de personen in de omgeving daarvan. De ontwikkeling De Blauwe Berg kan niet worden beschouwd als een NIBM-project. Om aan te tonen dat De Blauwe Berg voldoet aan de normen die volgen uit de Wet Luchtkwaliteit heeft Goudappel Coffeng een luchtkwaliteitstoets26 uitgevoerd (bij de berekeningen is gebruik gemaakt van de invoergegevens als beschreven in paragraaf 3.3). In het onderzoek is uitgegaan van twee varianten ten aanzien van de verkeerskundige structuur van De Blauwe Berg. In variant 1 wordt het Keern niet afgesloten en wordt de Geldelozeweg niet doorgetrokken. Bij variant 2 is het Keern wel afgesloten en de Geldelozeweg wel doorgetrokken (deze sluit dan aan op de Westfriese Parkweg).