Bijlage 3 - t_NL.IMRO.0405.BPBlauweBerg-oh01_index
Tekst van het document
Variant 1 (bron: Goudappel Coffeng)
Variant 2 (bron: Goudappel Coffeng)
Nb. de bovenstaande varianten zijn opnieuw genummerd.
26
Goudappel Coffeng, Toets luchtkwaliteit bestemmingsplan Blauwe Berg Hoorn, 4 juli 2008 rapportnr. HRN057/Bkf/0226
56
Hoofdstuk 3
In het onderzoek naar de luchtkwaliteit zijn vijf situaties bestudeerd: 1. Huidige situatie 2006 2. Plansituatie 2010 variant 1 3. Plansituatie 2010 variant 2 4. Plansituatie 2020 variant 1 5. Plansituatie 2020 variant 2 De luchtkwaliteit is getoetst op wegvakniveau aan de volgende drie normen:
Grenswaarde jaargemiddelde concentratie N02 (40 µg/m3); Grenswaarde jaargemiddelde concentratie PM10 (40 µg/m3); Aantal dagen overschrijding van de grenswaarde van de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 (maximaal 35 dagen).
Bij het onderzoek zijn de volgende inputgegevens gebruikt: Gemiddelde weekdag verkeersintensiteiten (mvt/em) op de representatieve punten per situatie Huidig 2006
2010 variant 1
20210 variant 2
2020 variant 1
2020 variant 2
Rijksweg A7
48120
31230
31400
76180
76550
Rijksweg A7
62910
74660
74730
87570
87480
Provincialeweg
37910
42640
43000
46700
46840
Provincialeweg
35610
42810
45020
49100
48880
Keern
21540
19583
21250
24860
23980
Blauwe Berg
-
6200
8750
5630
9160
Blauwe Berg
120
110
1640
710
3380
Blauwe Berg
-
560
370
0
440
Blauwe Berg
-
4770
6240
4850
5720
Daarnaast heeft de mate van congestie veel negatieve invloed op de luchtkwaliteit. De congestiefactoren zijn berekend op basis van capaciteiten en intensiteiten voor de spitsperioden en de restdag uit het verkeersmodel van Hoorn. Deze zijn opgenomen in de tabel op de volgende pagina.
Hoofdstuk 3
57
A7
Huidig 2006
Oprit Avenhorn – -
2010 variant 1
20210 variant 2
2020 variant 1
2020 variant 2
-
-
0.20
0.20
0.20
0.21
0.20
0.20
-
-
0.20
0.20
-
-
0.07
0.07
0.12
0.13
0.21
0.21
-
-
0.09
0.09
0.04
0.04
0.17
0.18
afrit de Koggen t.h.v.
de
Koggen 0.07
(ri. Hoorn) A7 oprit Koggen – Afrit Hoorn t.h.v.
aansluiting -
Hoorn
(ri.
Aven-
horn-Hoorn) Oprit Hoorn – afrit Hoorn Noord Oprit Hoorn – afrit Hoorn Noord Oprit Hoorn afrit Avenhorn
In de referentiejaar 2006 is gebleken dat de grenswaarden van de jaargemiddelde concentratie van N02 en PM2 (voor beide stoffen is de grenswaarde 40 µg/m3) niet worden overschreden. De grenswaarde van de 24-uursgemiddelde concentratie van PM10 wordt niet vaker overschreden dan de norm van 35 dagen. In 2010 en 2020 vindt ten aanzien van beide situaties geen overschrijdingen plaats van de normen zoals gesteld in de Wet luchtkwaliteit. Ook ten aanzien van de overige stoffen die in de Wet luchtkwaliteit zijn opgenomen, worden de grenswaarden nergens in Hoorn benaderd, laat staan dat de grenswaarden worden overschreden. Deze stoffen zijn om die reden niet in het onderzoek betrokken. In het onderzoek wordt gesteld dat de verschillen tussen de situaties sterk vergelijkbaar zullen zijn met N02, maar dan ruim beneden de grenswaarden. Voor zowel variant A als variant B is er in beide toekomstjaren (2010 en 2020) geen overschrijding van de grenswaarden berekend. Hiermee voldoet de ontwikkeling van De Blauwe Berg aan artikel 5.16 lid 1 onder a van de Wet Milieubeheer. De gemeente mag haar bevoegdheid omtrent de ontwikkeling De Blauwe Berg uitoefenen. Daarnaast wordt er in het MER van uitgegaan dat de groei van het autoverkeer, dankzij steeds strenger wordende Europese emissie-eisen, in 2010 zal leiden tot significant minder emissie van schadelijke stoffen.
Dit ondanks een toename van het verkeer. De luchtkwaliteit levert dan ook geen knelpunt op voor de voorziene ruimtelijke ontwikkelingen.
58
Hoofdstuk 3
3.11 Ecologie In het kader van de Flora en Faunawet is het noodzakelijk inzicht te hebben in de eventuele effecten op beschermde planten en dieren als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Gezien de ligging van het plangebied De Blauwe Berg ten opzichte van Natura 2000-gebieden is de Natuurbeschermingswet niet van toepassing. Ten behoeve van de ontwikkeling De Blauwe Berg is in september 2004 een analyse van de natuurbeschermingswetgeving door Tauw27 geproduceerd. Een groot deel van het veldwerk hiervoor is in het voorjaar van 2003 uitgevoerd. Inventarisatiegegevens zijn maximaal vijf jaar houdbaar. Verder is de wetgeving in de tussenliggende periode ingrijpend gewijzigd. Er is daarom een update van de inventarisaties uitgevoerd28. Voor de update zijn twee fasen in het onderzoek opgezet. In eerste instantie is, mede op basis van het onderzoek van Tauw, beoordeeld of er sprake is van onevenredige aantasting van natuurwaarden. In tweede instantie is een afdoend onderzoek uitgevoerd naar een aantal beschermde dieren die ook in het onderzoek van Tauw zijn gemeld. Van dit afdoend onderzoek wordt in het rapport Els & Linde bv verslag gedaan.
Waarnemingen De vegetatie van de graslanden is deels te beschouwen als het kamgrasverbond (Cynosurion cristati) en deels als het verbond van grote vossenstaart (Alopecurion pratensis), plaatselijke is er verruiging met akkerdistel (Cirsium arvensis). De verruiging is vooral zichtbaar op plekken waar men heeft gewerkt aan de herinrichting. Op de zanddepots is vaak een begroeiing met een dominantie van raapzaad (Brassica napus) aanwezig. In de meeste sloten is een begroeiing met het bultkroos-verbond (Lemnion minoris) aanwezig en plaatselijk het RG Lemna minor. In een sloot langs de nieuwe ontsluitingsweg borrelt moerasgas op. Of dat veroorzaakt wordt door een (recente) ophoping van sapropilium of uit het verleden als veenmoeras is niet duidelijk. Er is geen vegetatieopname gemaakt in het parkbos. De antropogene invloeden zijn daar van grote invloed, zodat er geen sprake is van een spontane begroeiing. De lanen langs de Treek en nabij de Provincialeweg blijven de belangrijkste jachtgebieden voor vleermuizen, daar vliegen de meeste dieren. Langs de Kleine Wijzend worden echter ook redelijke aantallen dwergvleermuizen aangetroffen. Gedurende het onderzoek is één keer geconstateerd dat bij een wind uit het noorden, de dieren beschutting zoeken in het parkbos. In het SOW-gebouw zit een kolonie dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus), mondelinge mededeling M. Haakman, NOZOS.
Naar de mogelijkheid van aanwezigheid van de grootoorvleermuis (Plecotus auritus) in hetzelfde gebouw is geen nader 27 28
Tauw bv, Analyse natuurbeschermingswetgeving De Blauwe Berg te Hoorn, 6 september 2004 Els & Linde bv, De Blauwe Berg – afdoend onderzoek, september 2008 projectnummer 08.033
Hoofdstuk 3
59
onderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek van Tauw uit 2004 blijkt dat de grootoorvleermuis wel is waargenomen in de omgeving van het plangebied. In het parkbos zijn enkele roepende mannetjes van de dwergvleermuis gehoord. In het plangebied zijn geen waterspitsmuizen aangetroffen. Tevens is er in tegenstelling tot het onderzoek van Tauw bv geen enkele blauwe reiger aangetroffen. Wel is er een slaapplaats van enkele honderden kauwtjes (Corvus monedula) aangetroffen. Binnen het plangebied zijn er weinig dagvlinders aangetroffen, alleen de soorten klein koolwitje (Pieris rapae) en klein geaderd witje (Pieris napi) zijn in redelijke aantallen waargenomen. In het bos zijn geen vlinders genoteerd. In het parkbos zijn op enkele plekken bastaardkikkers (Rana klepton esculenta) gehoord. Effecten De natuurwaarden van De Blauwe Berg – en in ieder geval het plangebied – zijn gering. De grasvelden hebben een matig ontwikkelde vegetatie, waarschijnlijk door het terughoudende gebruik van de afgelopen jaren. Beschermde soorten worden nauwelijks aangetroffen in dit gebied (alleen langs de randen jagen dwergvleermuizen). Het parkbos heeft hogere natuurwaarden door de aanwezigheid van verschillende paarterritoria en de kraamkolonie van de dwergvleermuis in het SOW-gebouw. De effecten van de geplande ontwikkelingen kunnen eerder positief uitpakken.
Als bij de herinrichting van de openbare ruimte rekening wordt gehouden met ecologische doelstellingen is dit zeker het geval. De geplande ontwikkelingen kunnen een beperkt en tijdelijk negatief effect hebben op de jachtgebieden van de dwergvleermuis. De soort wordt echter alom aangetroffen binnen de bebouwde kom. De nieuwe openbare ruimte zal waarschijnlijk een uitbreiding van het jachtgebied betekenen. Conclusie en advies Op grond van het onderzoek dat Els & Linde bv heeft uitgevoerd wordt vastgesteld dat er geen beschermde dieren of planten in het plangebied voorkomen. Voor de ontwikkelingen is daarom geen ontheffing van de Flora en Faunawet noodzakelijk. Met een juiste inrichting van de openbare ruimte (en de gebouwen) is veel ecologische winst te halen. Het belangrijkste is daarbij een juiste uitvoering van het beheer. Een ecologisch verantwoorde inrichting en beheer kan een meerwaarde betekenen voor de belevingwaarde van het gebied.
60
Hoofdstuk 3
3.12 Landschap, archeologie en cultuurhistorie Landschappelijke waarden De landschappelijke waarde die in het gebied aanwezig is, wordt gekenmerkt door de kavel- en slotenstructuur en de lintbebouwing langs het Keern. In het planalternatief wordt de lintbebouwing langs het Keern niet aangetast, maar komt de slotenstructuur deels te vervallen. De Wijzend blijft echter gehandhaafd. Door de nieuwe functies in het plangebied is het landschap in het planalternatief niet meer herkenbaar terug te vinden (op basis van de ondergrond), behalve de aanwezige veengrond ter hoogte van de Wijzend. De effecten op het landschap zijn marginaal, daar het plangebied in de huidige waarde een geringe landschappelijke kwaliteit bezit. De beleving van het landschap wordt vergroot in het planalternatief door de ontwikkeling van het park nabij de Wijzend, waardoor het landschap ter plaatse beter dan in de huidige situatie beleefd kan worden. Archeologie en cultuurhistorie De provinciale richtlijn stelt dat bij plannen en besluiten die aan de provincie worden voorgelegd, aangegeven dient te zijn op welke wijze de aanwezige cultuurhistorische waarden zijn opgenomen. De cultuurhistorische waarden moeten in een vroegtijdig stadium van de planvorming worden geïnventariseerd, bij het stedenbouwkundig ontwerp worden gebruikt en bij het besluit worden meegenomen.
De Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Holland29 geeft een overzicht van de aanwezige (inter)nationale, regionale en lokale cultuurhistorische waarden in de provincie. De kaart is ontwikkeld om verantwoord om te gaan met cultuurhistorische waarden bij nieuwe ruimtelijke plannen. Het is de bedoeling dat de kaart een bron van inspiratie gaat vormen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de waardenkaart zijn geografische, bouwkundige en archeologische elementen en structuren af te lezen. Het Keern als lintbebouwing, met de daarbij behorende watergang, en de Wijzend hebben een cultuurhistorische waarde en moeten om deze reden gehandhaafd blijven. De kavel- en slotenstructuur en het voormalig Missiehuis zijn ook kenmerkend voor dit gebied. De kreekruggen in het gebied zijn van waarde. De grote kreekrug, gelegen ter plaatse van het sportpark, is grotendeels geëgaliseerd. De kleine kreekrug bevindt zich in het meest noordelijke deel van het plangebied.
29
Provincie Noord-Holland, Cultuurhistorische Waardenkaart Noord-Holland - De Cultuurhistorie van West-Friesland, 2001.
Hoofdstuk 3
61
Archeologisch onderzoek In opdracht van de gemeente Hoorn heeft het Archeologisch Diensten Centrum (ADC) in november 2002 een aanvullende archeologische inventarisatie uitgevoerd in het plangebied. Het gebied is op de indicatieve kaart van archeologische verwachtingen aangegeven als een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Tijdens het onderzoek zijn twee locaties aangetroffen waar op landschappelijke gronden resten van bewoning uit het verleden aanwezig zouden kunnen zijn. De eerste locatie maakt deel uit van de grote kreekrug die van noord naar zuid door het gebied loopt. Een tweede locatie bevindt zich op het noordelijk deel van het terrein. Op deze locatie is een kleine kreekrug aanwezig waar een fragment van een geretoucheerde afslag is aangetroffen. Deze afslag wijst op bewoning in de prehistorie. Aangezien de beide locaties in een bestaand leidingtracé zijn gelegen is van de archeologische resten weinig tot niets meer over. De gemeentelijke archeologische dienst ziet dan ook geen belang in nader onderzoek. Mocht bij de werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan zal daar overeenkomstig het verdrag van Malta naar worden gehandeld. Monumenten De voortuin bij het voormalig Missiehuis en het Missiehuis zelf zijn aangewezen als gemeentelijk monument. De nieuwe ontsluitingsweg ligt direct ten westen van deze tuin.
De tuin blijft in de huidige situatie gehandhaafd.
3.13 Water 3.13.1 Inleiding Water en ruimtelijke ordening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Enerzijds is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Het projectgebied maakt in waterstaatkundig opzicht deel uit van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, die als waterkwantiteitsbeheerder voor de polderwateren optreedt. Het hoogheemraadschap beheert ook de waterkwaliteit van boezem- en polderwater. Bij veranderingen in de inrichting dan wel het beheer van het water binnen het projectgebied dient in een vroegtijdig stadium het overleg gezocht te worden tussen de gemeente en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
62
Hoofdstuk 3
3.13.2 Beleidskader Rijk Anders omgaan met water – waterbeleid in de 21e eeuw Deze nota is uitgegeven door het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De nota heeft als doelstelling een waterbeleid te realiseren, aangezien het huidige watersysteem voor de toekomst niet op orde is. Door anders om te gaan met water moet er geanticipeerd worden op een stijgende zeespiegel, een stijgende rivierafvoer, bodemdaling en een toename van de neerslag. Voor de aanpak van de veiligheidsproblematiek en de vermindering van de wateroverlast, kiest het kabinet de volgende hoofdlijnen: De overheid moet meer inzicht geven in de aard en de omvang van bepaalde risico’s. Tevens moet zij burgers de mogelijkheid bieden om zelf een bijdrage te leveren aan het verminderen van risico’s, in aanvulling op de inspanningen van de overheid; Een nieuwe aanpak voor veiligheid en wateroverlast, die stoelt op drie uitgangspunten: - Anticiperen in plaats van reageren; - Niet afwentelen van waterhuishoudkundige problemen door het volgen van de drietrapsstrategie vasthouden-bergen-afvoeren en het niet afwentelen van bestuurlijke verantwoordelijkheden; - Meer ruimte naast techniek. Naast technische maatregelen is meer ruimte nodig om (incidenteel) water op te vangen. Deze ruimte moet waar mogelijk tegelijkertijd voor andere doeleinden, die te verenigen zijn met het opvangen water, worden gebruikt.
Water zal, meer dan nu het geval is, sturend zijn bij de ruimtelijke inrichting en grondgebruik in Nederland. Nieuwe ruimtelijke besluiten mogen de problematiek van veiligheid en wateroverlast niet ongemerkt vergroten. Nieuwe ruimtelijke besluiten mogen de problematiek van veiligheid en wateroverlast niet ongemerkt vergroten. Bij nieuwe ruimtelijke besluiten moeten de gevolgen voor veiligheid en wateroverlast voortaan expliciet in beeld worden gebracht in een aparte paragraaf in de nota van toelichting en onderdeel vormen van de integrale afweging. Dit geldt voor alle fasen van de planontwikkeling. Nationaal Bestuursakkoord Water In verschillende beleidsregels is vastgelegd dat het watersysteem zowel op kwantitatief gebied als kwalitatief gebied voor 2015 op orde moet zijn. In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is de afspraak gemaakt om de afwateringssystemen op orde te brengen, waardoor het afwateringssysteem wordt getoetst aan de geldende inundatienormen. Vanuit de NBW is ook een trits met betrekking tot de waterkwaliteit geformuleerd: schoonhouden, scheiden en schoonmaken. Water dient allereerst
Hoofdstuk 3
63
schoongehouden te worden, dit kan door het scheiden van waterstromen. Als dit beide niet kan, dient water te worden gezuiverd. Kaderrichtlijn Water Daarnaast moet voor het waterkwalitatieve deel het watersysteem op orde worden gebracht volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelstellingen. De doelstellingen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) richten zich vooral op de waterkwaliteit en de ecologische toestand van watersystemen en gelden voor alle waterlichamen in Europa. Voor de waterlichamen moet in 2009 een maatregelenprogramma worden gepresenteerd. Voor de uitvoering hiervan geldt een resultaatverplichting in 2015. Het is voor de waterlichamen nog niet duidelijk welke waterkwaliteit als maatgevend wordt gesteld. De KRW stelt dat de waterkwaliteit er in ieder geval niet op achteruit mag gaan (‘stand still’ beginsel). Tot het van kracht worden van de KRW normen zijn de streefbeelden uit het waterbeheersplan van het Hoogheemraadschap uitgangspunt. Nationaal Waterplan Het Rijk werkt aan het opstellen van een Nationaal Waterplan ter vervanging van de Vierde nota waterhuishouding. Deze bevindt zich nog in de conceptfase zie ook (paragraaf 2.41). Provincie Provinciaal Waterplan Noord-Holland 2006-2010 Het waterplan is op 30 januari 2006 vastgesteld door Provinciale Staten van NoordHolland. Het plan beschrijft de kaders voor waterbeheer in Noord-Holland.
Binnen deze kaders treffen waterschappen en gemeenten maatregelen om de provincie te beschermen tegen wateroverlast en om de waterkwaliteit te verbeteren. In het Provinciaal Waterplan wordt een aantal maatregelen en doelstellingen geformuleerd ten aanzien van waterkwantiteit (waterberging), waterkwaliteit, het grond- en drinkwater en de veiligheid. Het gaat onder meer om: Het voorkomen van verslechtering van de waterkwaliteit, knelpunten oplossen en in ieder geval de waterkwaliteit verbeteren; Vasthouden aan de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Ontwerp Provinciaal Waterplan Noord-Holland 2010 – 2015 Het nieuwe Provinciaal Waterplan Noord-Holland wordt naar verwachting op 18 november 2009 vastgesteld. Het waterplan 2006 – 2010 is op het moment van het ontwerpbestemmingsplan ‘De Blauwe Berg’ nog vigerend. Het motto van het ontwerp waterplan is beschermen, benutten, beleven en beheren van water. De provincie waarborgt met waterschappen en Rijkswaterstaat voldoende bescherming van mens, natuur en bedrijvigheid tegen overstromingrisico. Daar-
64
Hoofdstuk 3
naast zorgt de provincie samen met waterschappen en de gemeenten dat water in balans en verantwoord benut en beleefd wordt door mens, natuur en bedrijvigheid. Een ander belangrijk punt is dat deze partijen gezamenlijk voor schoon en voldoende water zorgen. Tot slot wordt gezorgd voor maatwerk in het Noord-Hollandse grond- en oppervlaktewatersysteem. Hoogheemraadschap Waterbeheersplan 3 (WBP 3) Het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft in 2006 een nieuw waterbeheersplan vastgesteld. Het plan beschrijft de uitgangspunten en strategische doelen voor het waterbeheer voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2009. De volgende thema’s komen aan de orde: het beheer van het watersysteem, de aanpak van lozingen (bronaanpak) en ruimte voor water nu en in de toekomst. Voorts zijn strategische doelen geformuleerd: Het hoogheemraadschap beheert het water onder dagelijkse omstandigheden integraal, volgens de provinciale verordening en de vigerende wetgeving; In 2009 voldoet de kwaliteit van het water in het gehele beheersgebied minimaal aan de waterkwaliteit van 2000, conform het provinciaal beleid (Provinciaal Waterplan); In 2009 zijn voor circa 80 procent van de gebieden met een wateropgave met de provincie Noord-Holland, de grondbezitters en gemeenten procesafspraken gemaakt.
In 2009 zijn 87 stuwen verbreed, 155 slimme stuwen en 15.000 m3/uur extra bemaling gebouwd en is circa 300 hectare berging gerealiseerd. De strategische doelen zijn in het plan verder uitgewerkt in subdoelen. Gemeente Gemeentelijk Waterplan Hoorn (2002) Het Waterplan Hoorn heeft als doelstelling randvoorwaarden te scheppen waarmee een aantrekkelijk, gezond en duurzaam watersysteem met een hoge belevingswaarde kan worden bereikt, mits dit past binnen de kaders van de bestuurlijke prioritering. Behalve naar het watersysteem op zich gaat de aandacht daarbij ook uit naar een goede samenwerking tussen alle betrokken partijen. De ambities van de gemeente zijn enerzijds vastgelegd in wetgeving en richtlijnen. Het gaat dan met name om normen voor de waterkwantiteit en waterkwaliteit die moeten worden vertaald naar op de lokale situatie afgestemde functionele eisen en maatstaven. Anderzijds wil het waterplan hogere ambities dan de wetgeving en richtlijnen voorschrijven en wordt gestreefd naar vergroting van de belevingswaarde van water.
Hoofdstuk 3
65
3.13.3 Huidige situatie Het plangebied is onderdeel van de polder Westerkogge en maakt onderdeel uit van het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de waterkwaliteit en de waterkwantiteit van het gebied. Algemeen Het peilgebied waar het plangebied in is gelegen is bekend onder 6130-02 met een vast streefpeil van NAP –3,15. Het water in het noordelijk deel (locatie kunstijsbaan en bioscoop) wordt voornamelijk gebruikt voor de regulering van de grondwaterstand ten behoeve van een optimale gewasgroei. Het watersysteem in het zuidelijk deel reguleert de grondwaterstanden ten behoeve van drooglegging van de sportvelden. Het watersysteem in het parkgebied heeft een meer natuurlijke functie. Het watersysteem bestaat uit een aantal watergangen die met elkaar in contact staan. De afvoer vindt plaats in zuidelijke en westelijke richting. Het gebied heeft behalve twee duikers in het noorden en zuidwesten een geïsoleerd watersysteem. Het noordelijk deel wordt aan de zuidzijde begrensd door de Wijzend. De Wijzend is een watergang die onderdeel is van de stedelijke waterstructuur van Hoorn. Het gebied ten zuiden van de Wijzend wordt begrensd door de Provincialeweg. In het plandeel waar de sportvelden zijn gelegen ligt een oost-west georiënteerde watergang die in contact staat met het parkgebied.
In het parkgebied (in de oksel van de Provincialeweg en A7) is een uitgebreid waterstelsel aanwezig. Dit waterstelsel staat via twee duikers in contact met het watersysteem ten zuiden van de Provincialeweg en in contact met het watersysteem ten westen van het plangebied (duiker onder de A7). Volgens opgave van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is het systeemgedrag van peilgebied 6130-02 als volgt: 1 keer per 10 jaar een peilstijging van 18 cm; 1 keer per 25 jaar een peilstijging van 23 cm; 1 keer per 100 jaar een peilstijging van 31 cm. In het plangebied varieert de maaiveldhoogte tussen NAP –3,0 meter en NAP 0,0 meter. Het gemiddelde maaiveld bedraagt circa NAP –2,0 meter. Nabij de oprit van de A7, ter plaatse van het park worden de laagste maaiveldhoogtes aangetroffen. De drooglegging in het plangebied van De Blauwe Berg bedraagt gemiddeld 1,15 meter. Ter plaatse van de lage delen de rijksweg A7 en in het geplande park is de drooglegging kleiner, circa 0,5 meter (of lager). Het oppervlaktewater kent een matige kwaliteit, met een extreem hoog fosfaatgehalte en lage zuurstofgehalten. Naast een hoog fosfaatgehalte is tevens een dikke laag slib aanwezig in de watergangen gelegen in het noordelijk deel van het plan-
66
Hoofdstuk 3
gebied. Het eerste gedeelte van de watergang parallel aan het Keern heeft klasse 3slib op basis van hoge concentraties pesticiden, DDT’s en PAK. De overige watergangen hebben een klasse-0 t/m 2-slib. De aangetroffen bepalende stoffen zijn PAK en incidenteel DDE, DDT, PCB, koper en kwik. 3.13.4 Toekomstige situatie Onderzoek Wanneer er bouwplannen zijn, moet hierover conform de watertoets eerst worden overlegd met de betrokken waterbeheerders in de regio. Daarbij moeten alle gevolgen met betrekking tot water tegen het licht worden gehouden. Dat betekent dat zowel wordt gekeken naar overstromingsgevaar, wateroverlast, verdroging als waterkwaliteit. Voor het plangebied heeft dit geleid tot het ‘Waterdocument De Blauwe Berg’30. Herin zijn exacte percentages verhardingen en oppervlaktewater onderzocht door bureau Tauw B.V. en opgesteld in overleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Dit document geeft een eerste inzicht in de waterhuishoudkundige situatie in relatie tot de voorziene ontwikkelingen in De Blauwe Berg. In de notitie zijn de relevante wateraspecten geïnventariseerd en beschreven en is een toelichting gegeven op de problematiek. Het reeds verharde oppervlak voor de kunstijsbaan bedraagt 25.000 m² en voor het parkeerterrein 6.000 m².
Het eveneens reeds verharde oppervlak door aanleg van de ontsluitingsroute (inclusief turborotonde) bedraagt 12.700 m². Het aantal m² gerealiseerde dempingen aan oppervlaktewater bedraagt voor de ontsluitingsweg 100 m², voor de turborotonde 600 m² en voor de kunstijsbaan 1.500 m². Uitgangspunten en conclusie De eerste stap in het proces voor de watertoets is het benoemen van de voor het plan relevante wateraspecten. Dit betreffen de wateraspecten met een ruimtelijke consequentie en wateraspecten met mogelijk negatieve effecten voor het plangebied of de omgeving. De volgende wateraspecten worden van toepassing geacht: 1. Ruimte voor waterberging; 2. Grondwaterneutraal bouwen; 3. Omgaan met hemelwater; 4. Waterkwaliteit; 5. Oplossen (bestaande) knelpunten. De wateraspecten zijn in het waterdocument op hoofdlijnen uitgewerkt. Een verdere uitwerking en detaillering vindt plaats op inrichtingsniveau. De beheer- en onderhoudsaspecten worden tevens verder uitgewerkt op inrichtingsniveau.
30
Tauw bv, Waterdocument de Blauwe Berg, 12 oktober 2004
Hoofdstuk 3
67
De aanwezige waterverbindingen vormen een kwaliteit in het gebied die men wil gebruiken bij de ontwikkeling van De Blauwe Berg tot vrijetijdspark. Waar de belevingswaarde van het water in de huidige situatie beperkt is, brengt de ontwikkeling van De Blauwe Berg tot vrijetijdspark hier verandering in. Dit betekent dat de belangrijkste structurerende watergangen, zoals de Kleine Wijzend en het water evenwijdig aan het Keern, behouden blijven. Ten behoeve van het beheer en onderhoud en mede ten behoeve van de waterberging wordt de waterloop ten westen van het Keern verbreed. Bij de bepaling van de bergingsbehoefte is naast de huidige plannen rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen en is over de plangrenzen van De Blauwe Berg heen gekeken naar het gebied ten noorden van De Blauwe Berg, tussen de Bobeldijkerweg en het Leekerpad. Beide gebieden liggen in een zelfde peilgebied van de polder Westerkogge, waardoor de ruimtevraag van de noodzakelijk waterberging eventueel gecombineerd kan worden. Om wateroverlast door piekbuien in zowel het plangebied als in benedenstroomse peilgebieden te voorkomen dient voldoende waterberging in het plangebied aanwezig te zijn (principe van niet afwentelen).
De geplande ruimtelijke ontwikkelingen betekenen een toename van verhardingen, waardoor de infiltratiecapaciteit naar de bodem afneemt, de waterberging op maaiveld afneemt en de afstroming van overtollig regenwater naar oppervlaktewater toeneemt. Door de geplande ontwikkelingen mag geen verslechtering van de huidige (overlast) situatie optreden en geldt het huidige systeemgedrag als norm (stand still principe). Dit kan gebeuren door het huidige oppervlak aan open water uit te breiden (horizontale waterberging) eventueel in combinatie met grotere peilstijgingen in het oppervlaktewater (verticale waterberging). De laatste mogelijkheid is tevens afhankelijk van de frequentie waarmee overlast wordt geaccepteerd en de functie van het gebied. Voorts zijn de volgende uitgangspunten van toepassing: 1. Te dempen watergangen dienen 1 op 1 gecompenseerd te worden binnen het plangebied. 2. Op basis van de gebiedskarakteristieken ligt het voor de hand de benodigde waterberging in oppervlaktewater en flankerende oevers te realiseren. Ten aanzien van de matige waterkwaliteit geldt een zelfde situatie als bij de aanwezige bodemverontreinigingen. Verbetering van de waterkwaliteit moet onderdeel gaan uitmaken van de algehele ontwikkeling van De Blauwe Berg. Dit moet gecombineerd worden met het verbreden van de watergangen.
De aanwezige waterverbindingen vormen een kwaliteit in het gebied die men wil gebruiken bij de ontwikkeling van De Blauwe Berg tot vrijetijdspark. Waar de belevingswaarde van het water in de huidige situatie beperkt is, brengt de ontwikkeling van De Blauwe Berg tot vrijetijdspark hier verandering in. Dit betekent dat de belangrijkste structurerende watergangen, zoals de Kleine Wijzend en het water evenwijdig aan het Keern, behouden blijven. Per saldo zal de hoeveelheid opper-
68
Hoofdstuk 3
vlaktewater daarmee toenemen. Bij de bouw van de kunstijsbaan is reeds extra water gerealiseerd. Met de aanleg van de ontsluitingsweg is een deel van het parkgebied en de daar aanwezige watergangen doorsneden. De verbindingen zijn echter gehandhaafd door de aanleg van duikers en/of bruggen, of het omleiden van het water. Duurzaamheid De voorziene ruimtelijke ontwikkelingen kunnen worden aangegrepen om het bestaand stedelijk watersysteem duurzamer te maken. Dit kan bijvoorbeeld door het toepassen van duurzame materialen voor het dakoppervlak en/ of het afkoppelen van schoon regenwater. Afkoppelen van schoon regenwater leidt tot afname van riooloverstorten. Tevens kan dit de verversing en doorstroming van het oppervlaktewater verbeteren. Waterkwantiteit Het opvangen, bergen en transporteren van water vraagt om ruimte. Bij de ruimtelijke inrichting van gronden moet daarom altijd rekening worden gehouden met de kwantitatieve gevolgen van de ingreep voor het bestaande watersysteem. Te weinig bergings-, infiltratie en/ of aan- en afvoercapaciteit kan leiden tot wateroverlast en onveiligheid terwijl een te grote afvoercapaciteit kan leiden tot verdroging van de gronden (en de directe omgeving). De benodigde kwantitatieve capaciteit is sterk afhankelijk van de lokale situatie en vraagt om maatwerk per plan.
De plek van het betreffende plangebied in het grotere watersysteem is daarbij doorslaggevend. In bestemmingsplannen voor nieuw stedelijk gebied dient rekening te worden gehouden met de eis voor het minimale wateroppervlak ten behoeve van de waterberging. Waterkwaliteit Water heeft een bepaalde kwaliteit. De waterkwaliteit bepaald voor een belangrijk deel de gebruiksmogelijkheden (de bestemming) van de gronden waarop of waarin het water aanwezig is (denk bijvoorbeeld aan ecologische consequenties). Andersom kunnen bepaalde vormen van gebruik leiden tot verandering van de waterkwaliteit (denk aan vervuilende functies). Omdat in een bestemmingsplan wordt bepaald welke gebruiksvormen wel en niet zijn toegestaan, is het belangrijk om rekening te houden met de gevolgen voor de waterkwaliteit. Ook hierbij geldt dat de gebruiksmogelijkheden nauw samenhangen met de plek van het betreffende plangebied in het watersysteem (denk aan stroom- en afwateringsrichting van (grond)water). Door het relatief schone hemelwater af te koppelen in plaats van te vermengen met vuil water (van bijvoorbeeld huishoudelijk gebruik), kan aanzienlijk worden bespaard op de zuiveringskosten. In bodemonderzoeken wordt ook de grondwaterkwaliteit onderzocht. Immers de (grond)waterkwaliteit wordt voor een groot deel bepaald door de bodemkwaliteit.
Hoofdstuk 3
69
Ten aanzien van de huidige matige waterkwaliteit geldt een zelfde situatie als bij de aanwezige bodemverontreinigingen. Verbetering van de waterkwaliteit moet onderdeel gaan uitmaken van de algehele ontwikkeling van De Blauwe Berg. Dit moet gecombineerd worden met het realiseren van extra water. Watercompensatie De Blauwe Berg Bij het opstellen van het definitieve inrichtingsplan voor De Blauwe Berg is geconstateerd dat er door de ontwikkeling van een gedeelte van het plangebied (en daarbuiten) een tekort is ontstaan in de watercompensatie. Grontmij31 heeft de opdracht gekregen om te adviseren hoe het resterende oppervlakte watertekort kan worden gecompenseerd. Er dient een tekort van 3.672 m2 (op grond van tekorten uit het verleden) aan water te worden gerealiseerd ten opzichte van de bevindingen uit het rapport ‘Waterdocument Blauwe Berg’ (d.d. 12 oktober 2004). In het stedenbouwkundig ontwerp (d.d. 22 februari 2008) zat een tekort van 3.454 m2. Door in het park meer water op te nemen en de watergang in het midden van het park richting het Keern te verbreden, is 2.888 m2 van het tekort in het ontwerp opgenomen. Op basis van het stedenbouwkundig ontwerp van 22 februari 2008 is voor de woongebieden een nieuwe oppervlakteanalyse gemaakt. Dit geldt ook voor het gebied met de parkeerplaatsen, de hotel-bioscoopcombinatie en het dans- en partycentrum.
Het resultaat van berekening is dat er een resterend tekort is van 3.266 m2. BAM Vastgoed heeft haar deel van het tekort in het stedenbouwkundig ontwerp volledig opgelost. Het resterende tekort van 3.266 m2, onder meer als gevolg van de bouw van de kunstijsbaan, zal op kosten van de gemeente ingevuld moeten worden. Het rapport van de Grontmij beschrijft een aantal voorkeursvarianten om het tekort aan watercompensatie op het lossen. In overleg met onder andere het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is ervoor gekozen om extra water te graven ten westen van het voormalige Missiehuis. Aanvullende en nieuwe berekeningen Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft per brief (5 maart 2009) laten weten dat er nieuwe compensatienormen zijn vastgesteld. Dit betekent dat in tegenstelling tot het hierboven genoemde tekort van 3.266 m2 aan water er nu meer dan voldoende waterberging wordt gegraven in het gebied van De Blauwe Berg. Naar aanleiding hiervan is er in het plan minder water opgenomen en meer groenvoorzieningen. Dit blijkt uit tabel op de volgende pagina die in de brief van het hoogheemraadschap is opgenomen.
31
Grontmij, Watercompensatie ‘Blauwe Berg’ – Varianten voor invulling watercompensatie, 20 oktober 2008, rapportnr. 308392
70
Hoofdstuk 3
Tabel met wateropgave/overschot Ontwikkeling
Verhardingstoe-
Te
compenseren Additioneel gegra- Nog
te
name [m²]
water m²]
ven water m²]
water m²]
Turborotonde
4.477
429
301*
129
Ontsluitingsweg
12.400
1.074
598
476
Woningbouw
37.084
4.450
17.119**
-12.669
Parkeerplaats,
29.300
3.516
0
3.516
28.169
3.380
4.215
-835
924
0
924
bij 2.700
507***
0
507
boule- 4.280
805***
0
805
15.085
22.233*
-7.147*
graven
hotel-bios Ijsbaan
RHC en kantoren 7.700 bij Missiehuis Schietbaan Leekerpad Jeu
de
scomplex
bij
Leekerpad Totaal:
* Exclusief de 4.445 m² die door de gemeente nabij de Turborotonde gerealiseerd wordt ** Opgenomen in ontwerp *** Vastgesteld op basis van afspraken uit het verleden
In de bovenstaande tabel is rekening gehouden met de compensatie-eis van 12% (voor oppervlakken met snel afstromend regenwater en 8,4% voor oppervlakken waarbij regenwater via de berm afstroomt.
3.14 Duurzaam bouwen Het Nationaal Pakket Duurzame Stedenbouw (1999) is bedoeld als hulpmiddel bij de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties en de herstructurering van bestaande gebieden. De ontwikkeling van deze gebieden, en het zo duurzaam mogelijk maken van de gebieden is het centrale doel van het Nationale Pakket Duurzame Stedenbouw. In het pakket worden tal van concrete maatregelen uitgebreid toegelicht voor ontwerp en uitvoering op het gebied van energie, water, natuur & ecologie, verkeer en leefbaarheid. Het pakket helpt de betrokkenen de opgave helder te definiëren om te komen tot een uitgebalanceerd concept. Daarin zijn de volgende concepten belangrijk: de onderlegger (de bestaande situatie), de planstructuur (onderlinge samenhang van elementen als water, groen, verkeer, functies en energie) en milieutypen (woongebieden, centrumgebieden of werkgebieden). Deze hebben betrekking op de thema’s water, natuur en ecologie, verkeer, leefbaarheid en energie.
Hoofdstuk 3
71
Het Nationaal Pakket Duurzame Stedenbouw bevat geen uniforme en bindende richtlijnen. Dit komt omdat elke bouwlocatie anders is qua fysieke omgeving maar ook op het gebied van politieke en maatschappelijke omstandigheden. Wel maakt het pakket de mogelijkheden en kansen voor duurzaamheid inzichtelijk zodat er altijd een optimale keuze gemaakt kan worden. De uitgangspunten voor duurzame stedenbouw zijn toegepast. Ten aanzien van duurzaam bouwen kan hieraan op verschillende thema’s invulling worden gegeven. De parkwoningen zijn op de zon georiënteerd. Tegelijkertijd is energieopbrengst mogelijk door passieve zonne-energie. De restwarmte van de ijsbaan en de warmte die vrijkomt bij de koelvraag van de nog toe te voegen functies zou kunnen worden aangewend voor verwarmingsdoeleinden van deze functies. Daartoe is een haalbaarheidsonderzoek32 uitgevoerd. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat de restwarmtebenutting van de ijsbaan een positief rendement van warmtepompen in de te realiseren woningen heeft, maar dat het gebruik van de restwarmte van de ijsbaan nauwelijks van invloed is op de zogenaamde bijdrage aansluitkosten. De gemeente en BAM Vastgoed zijn in bespreking over de mogelijkheden op welke wijze een duurzame energievoorziening in De Blauwe Berg kan worden gerealiseerd.
Het instrument bestemmingsplan De Blauwe Berg is niet het aangewezen instrument om afspraken te maken hoe met restwarmte en dergelijke wordt omgegaan. Voor zover mogelijk wordt invulling gegeven aan de duurzaamheidambities. Algemeen Om de mogelijkheden voor een energiezuinige ontwikkeling in kaart te brengen is in mei 2003 in opdracht van de gemeente Hoorn een energievisie opgesteld. Van de 3 mogelijke concepten voor de energievoorziening in het gebied is door de opstellers geadviseerd uit te gaan van concept 2: warmte-koudeopslag en warmtepompen, zo mogelijk met benutting van de restwarmte van de ijsbaan. Dit is als uitgangspunt voor zowel woningen als voorzieningen opgenomen in het Programma van Eisen zoals dat door de gemeenteraad op 11-09-07 is vastgesteld. Woningen Als vervolg op de energievisie heeft de gemeente Hoorn een haalbaarheidsonderzoek uit laten voeren om inzichtelijk te maken wat concept 2 betekent voor de te bouwen woningen. Op basis van dit onderzoek is de conclusie getrokken dat benutting van restwarmte van de ijsbaan niet haalbaar is en dat daarmee ook de aanleiding tot het realiseren van een collectief warmtesysteem vervalt.
32
BAM Techniek BV, Haalbaarheidsonderzoek duurzame energievoorziening Blauwe Berg te Hoorn, maart 2008
72
Hoofdstuk 3
Tussen gemeente, ontwikkelaar en Milieudienst is afgesproken op woningniveau de volgende maatregelen mee te nemen:
er wordt naar gestreefd de woningen zongeoriënteerd te bouwen; de woningen hebben een EPC van 0,72; het Definitief Ontwerp zal worden ingevoerd in GPR Gebouw 3.2. een traditionele Hr-ketel met warmwatervoorziening.
De ontwikkelaar is bereid te onderzoeken of bij de twee onder een kap en vrijstaande woningen een individuele warmtepomp met Laag Temperatuur Verwarming als meerwerk-optie kan worden aangeboden. Deze woningen hebben immers een grotere warmtevraag. Dit geldt ook voor de optie zonneboiler. Door toekomstgericht te ontwerpen kan ook rekening gehouden worden met maatregelen en technieken die nu vanwege de doelgroep en de marktomstandigheden niet haalbaar zijn, maar over 10 of 20 jaar wel zoals:
voldoende opstellingruimte voor collectieve systemen; mogelijkheid van warmteterugwinning uit ventilatielucht; invoedingspunt op het elektriciteitsnet voor grootschalig PV op het dak.
In verband met de stijging van de gemiddelde temperatuur is aandacht nodig voor het voorkomen van hittestress in de gebouwen/woningen door middel van voldoende –externe- zonwering. Commerciële voorzieningen De algemene uitgangspunten voor de energievoorziening van de verschillende accommodaties zijn opgenomen in het PvE. Nader overleg en onderzoek is nodig om de specifieke vraag van elke voorziening zo kosteneffectief mogelijk te kunnen invullen.
3.15 Lichthinder In het ‘Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer’ (Activiteitenbesluit) waar de kunstijsbaan onder valt, zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van lichthinder. Door middel van onderzoek is aangetoond dat voldaan kan worden aan de voorschriften33. Het onderzoek naar mogelijke lichthinder ten gevolge van de kunstijsbaan bestaat uit het uitvoeren van lichtberekeningen en een toetsing van de berekende waarden aan de in de vergunning gestelde voorschriften. De voorschriften zijn conform de
33
Dorsserblesgraaf DHV groep, Lichtonderzoek ijsbaan de Blauwe Berg te Hoorn, 13 oktober 2004
Hoofdstuk 3
73
aanbevelingen voor lichtemissie zoals deze door de Commissie Lichthinder van de Nederlandse Vereniging voor Verlichtingskunde (NSVV) zijn opgesteld. De bestaande woningen aan het Keern die mogelijk lichthinder kunnen ondervinden zijn gelegen op een ruime afstand van de kunstijsbaan. De positiebepaling van de woningen is gemeten vanuit het hoge gedeelte van de gevel van de ijsbaan. Conclusie uit het lichtonderzoek De gemiddelde verlichtingssterkte (gecorrigeerd voor een nieuwwaarde index van 0,8) op de ijsbaan en de glazen geveldelen bedraagt 320 lux. Uit het onderzoek blijkt dat de maximaal te verwachten verlichtingssterkte op de gevel van de maatgevende woning voldoet aan het voorschrift voor het tijdstip tussen 7:00 – 23:00 uur, met een maximale verlichtingssterkte van 1,6 lux op de gevel. Aan het voorschrift voor het tijdstip tussen 23:00 – 7:00 uur wordt tevens voldaan. De maximale lichtsterkte bij de maatgevende woning bedraagt 51 cd. Hiermee wordt voldaan aan de vernoemde voorschriften voor het tijdstip 7:00 – 23:00 uur en het tijdstip tussen 23:00 – 7:00 uur. Voor de nieuw te bouwen woningen is een aanvullende vraag gesteld aan het onderzoeksbureau34.
Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een puntvormige lichtbron en dat er geen wetenschappelijke basis is voor lichthinder door andersoortige lichtbronnen, zoals lichtgevende lijnen of oppervlakten van de kunstijsbaan. Geactualiseerd lichtonderzoek DGMR35 heeft een onderzoek uitgevoerd naar het aspect lichthinder vanwege de sportverlichting van Atletiekvereniging Hollandia, Tennisvereniging HLTV Juliana en IJsbaan De Westfries. IJsbaan De Westfries In 2004 is door DHV Bouw en Industrie B.V. reeds lichtonderzoek (zie bovenstaand) uitgevoerd voor de ijsbaan. In dit onderzoek is aangetoond, door middel van berekeningen, dat de verticale verlichtingssterkte ter plaatse van de geprojecteerde woningen voldoet aan de grenswaarden van de NSVV. Het onderzoek van DGMR gaat derhalve niet verder in op de ijsbaan. Tennisvereniging HLTV Juliana Uit het onderzoek van DGMR blijkt dat de invloed van de verlichting van de tennisvereniging ter plaatse van zowel de bestaande en geprojecteerde woningen voldoet
34 35
DHV Bouw en Industrie BV, 4 januari 2006 DGMR, Bestemmingsplan De Blauwe Berg – Lichthinderonderzoek, 24 september 2008 rapportnr. I.20075508.06.R002
74
Hoofdstuk 3
aan de grenswaarden van de NSVV. Bij de geprojecteerde woningen zal naar verwachting geen hinder optreden vanwege de verlichting van de tennisbaan. Atletiekvereniging Hollandia In de huidige situatie treedt er vanwege de verlichting van Atletiekvereniging Hollandia een overschrijding van de grenswaarden op ter plaatse van zowel de bestaande als de geprojecteerde woningen. Om aan de grenswaarden te voldoen zullen er ter plaatse van de atletiekvereniging nieuwe armaturen moeten worden geïnstalleerd. De atletiekvereniging Hollandia heeft in het kader van de inspraakprocedure een reactie verstuurd. Samengevat komt deze er op neer dat de veiligheid op de atletiekbaan in het geding komt. En de financiële gevolgen naar het oordeel van de atletiekvereniging niet voor haar rekening mogen komen. Op 4 maart 2009 is een nieuwe meting uitgevoerd. Het blad was toen nog van de bomen, waardoor de metingen bij de toekomstige en bestaande woningen representatief zijn. Uit de metingen en het aanvullende rapportage van 17 maart 2009 wordt geconcludeerd dat de lichtsterkte ter plaatse van de geprojecteerde nieuwbouw licht wordt overschreden. Bij de bestaande woningen wordt wel voldaan. Voor de verticale verlichtingssterkte wordt voldaan aan de grenswaarde bij zowel de geprojecteerde nieuwbouw als de bestaande woningen.
De genoemde overschrijding is echter dusdanig beperkt dat met het aanbrengen van enkele afschermkappen naar verwachting bij alle nieuwbouwwoningen kan worden voldaan aan de grenswaarden. Vervanging van de armaturen is niet noodzakelijk. Het handhaven van de bestaande houtwal tussen de atletiekbaan en de nieuwbouw neemt veel potentiële hinder weg. Na het aanbrengen van de schermkappen kan door middel van controlemetingen worden bepaald of de grenswaarden daadwerkelijk niet worden overschreden. Uit de metingen blijkt overigens dat de lichtinstallatie reeds in de huidige situatie niet voldoet aan de klasse III-eisen voor verlichtingssterkte en gelijkmatigheid. Op zowel de rondbaan als het middenterrein wordt de norm van 100 lux voor de horizontale verlichtingssterkte niet gehaald. Ook de norm voor gelijkmatigheid wordt niet gehaald. Uit de aanvullende rapportage blijkt verder dat, indien in de toekomst de armaturen vanwege ouderdom vervangen moeten worden, met de nieuwste typen armaturen zowel aan de grenswaarden voor lichthinder bij de woningen als aan de normen voor de verlichtingsterkte en gelijkmatigheid op de rondbaan kan worden voldaan. Op het middenterrein kan ook met nieuwe armaturen aan de bestaande masten niet worden voldaan aan de normen voor de verlichtingsterkte en gelijkmatigheid van de NOC*NSF en KNAU.
Hoofdstuk 3
75
76
Hoofdstuk 3
4.
UITVOERBAARHEID
4.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Algemeen Het college heeft het conceptontwerp bestemmingsplan vrijgegeven voor vooroverleg conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Ook is het bestemmingsplan onderworpen aan inspraak. Hierna start de wettelijke procedure met betrekking tot de vaststelling van een bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Overleg is nodig om te komen tot goede bestemmingsplannen en om een goede afstemming tussen het beleid van de verschillende overheden te bewerkstelligen. De overheden zijn vrij in de vormgeving van dit overleg. Overheden kunnen hierover onderling afspraken maken. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het overleg. Doelstelling van de wetgever is om het overleg zo soepel en vlot mogelijk te laten verlopen. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om dit overleg te voeren. Het overleg wordt gevoerd met de besturen van de betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn (artikel 3.1.1 Bro). De overlegreacties zijn in het Eindeverslag De Blauwe Berg (d.d. 16 april 2009) verslag verwerkt. Daar waar er aanleiding toe was, is het bestemmingsplan aangepast.
Inspraak Per 1 juli 2005 is de Wet Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Wet UOV) in werking getreden (Wet van 24 januari 2002, Stb. 2002, 54. Zie ook: Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (Staatsblad 2005, 282) en het tijdstip van inwerkingtreding (Staatsblad 2005, 320)). Ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) worden voorbereid met toepassing van de UOV (Awb). Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen, bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. De inspraakreacties zijn in het Eindverslag De Blauwe Berg verwerkt (d.d. 16 april 2009). Daar waar er aanleiding toe was, is het bestemmingsplan aangepast.
Hoofdstuk 4
77
4.2 Economische uitvoerbaarheid De financieel-economische uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is gedurende het gehele locatieontwikkelingsproces een belangrijk thema. Bij elk onderdeel van het planproces en het afsluiten van iedere planfase wordt de financieel-economische haalbaarheid dan ook getoetst. Bij het opstellen van het bestemmingsplan wordt eenzelfde verantwoording gevraagd. De raad van de gemeente Hoorn heeft op 31 januari 2006 ingestemd met het sluiten van een ontwikkelingsovereenkomst voor De Blauwe Berg. In februari 2006 is er een ontwikkelingsovereenkomst gesloten tussen de Gemeente en de marktpartijen Hermans Onroerend Goed en BAM Vastgoed voor de realisatie van vrijetijdspark De Blauwe Berg. In de ontwikkelingsovereenkomst wordt uitgegaan van een sluitende grondexploitatie. Eén en ander is gebaseerd op het nieuwe Structuurontwerp (d.d. 17 juli) dat op 11 september 2007 door de raad is vastgesteld en aangevuld bij raadsbesluit van 2 september 2008 in verband met het gewijzigde en vergrote programma voor de hotel-bioscoopcombinatie. Een aantal van de ontwikkelingen die bij De Blauwe Berg horen zijn reeds gerealiseerd. De kunstijsbaan is reeds gerealiseerd en gefinancierd door de West-Friese gemeenten (deze betreffen, nu na de fusies, de gemeenten Andijk, Drechterland, Enkhuizen, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Stede Broec en Wervershoof).
Ook de ontsluitingsweg (de Westfriese Parkweg) is reeds gerealiseerd. Het opruimen van een puinberg en de sanering van de grond ten behoeve van De Blauwe Berg is door de gemeente Hoorn uitgevoerd. BAM Vastgoed realiseert de hotel-bioscoopcombinatie, het dans- en partycentrum, 226 woningen en legt het park, de geluidswal en alle infrastructuur aan binnen de vastgestelde exploitatiegrenzen aan. Het zuidelijk deel van het bestemmingsplan betreft grotendeels een conserverend bestemmingsplan. Daarbinnen is het voormalige Missiehuis gelegen dat aan De Nijs is verkocht. De Nijs zal daar een verdere kantoorontwikkeling realiseren. Met dit alles is de exploitatie verzekerd en is het niet noodzakelijk een exploitatieplan op te stellen zoals bedoeld in artikel 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening.
78
Hoofdstuk 4
4.3 Handhaving Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft geen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan geen handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan. Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: de bestemmingsplanprocedure bevat een aantal inspraakmomenten. Voorts zal het bestemmingsplan digitaal beschikbaar zijn. Op deze wijze wordt het bestemmingsplan voor burgers goed toegankelijk. 2. Voldoende draagvlak voor beleid en regeling in het plan. De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling in grote kring ondersteund wordt door de gebruikers van het plangebied. Uiteraard kan niet iedereen zich vinden in elk onderdeel van het plan. Een algemene positieve benadering van het bestemmingsplan is echter wel wenselijk. 3. Realistische en inzichtelijke regeling. Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel.
Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De planregels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4. Actief handhavingsbeleid. Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het woongebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de planregels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid. De gemeente voert een actief handhavingsbeleid.
Hoofdstuk 4
79
80
Hoofdstuk 4
5.
PLANBESCHRIJVING
5.1 Inleiding De Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft gemeenten de mogelijkheid tot het opstellen van een bestemmingsplan voor gebieden binnen de bebouwde kom. In de Wro en het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Dit zijn een verbeelding met regels en een toelichting daarop. Daarnaast biedt zowel de Wro als het Bro opties voor een nadere juridische inrichting van een bestemmingsplan. Hierbij moet gedacht worden aan de mogelijkheid om ontheffing te verlenen, wijzigingsbevoegdheden en het toepassen van nadere eisen. De bruikbaarheid van deze instrumenten is geheel afhankelijk van het doel van het bestemmingsplan en de gewenste bestemmingsmethodiek van de gemeente Hoorn. Uitgangspunt is dat het bestemmingsplan moet voorzien in een passende regeling voor de komende 10 jaar. Dat is in principe de geldigheidsduur van een bestemmingsplan. In dit hoofdstuk wordt de juridische bestemmingsplanmethodiek uiteengezet zoals gebruikt zal worden voor het bestemmingsplan De Blauwe Berg.
5.2 Verbeelding De verbeelding is opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2008 (SVBP 2008). Dit uit zich met name in de structuur en verbeelding. De verbeelding is opgebouwd en gecodeerd volgens IMRO 2008 en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2008. Hiermee wordt aangesloten bij de landelijke richtlijn voor het benoemen van de bestemmingen, het bijbehorende kleurgebruik etc.
5.3 Planregels Systematiek van de planregels Ontwikkelplan Het plangebied wordt grotendeels ontwikkeld tot een vrijetijdspark. Deze ontwikkelingen worden neergelegd in een globaal bestemmingsplan. Dit betekent dat er ruime bestemmingen zijn opgenomen waarbinnen de verschillende functies gerealiseerd kunnen worden. Voor de verschillende te realiseren bouwwerken worden bouwvlakken opgenomen. Binnen sommige bestemmingen wordt een bebouwingspercentage gebruikt.
Hoofdstuk 5
81
Beheersplan Een gedeelte van het plangebied wordt niet ontwikkeld. Voor dit gedeelte wordt (zo zou men kunnen zeggen,) een beheersplan opgesteld. De bestaande situatie zal in de meeste gevallen positief worden bestemd. Omdat de bestaande situatie het uitgangspunt is, kenmerkt een beheersplan zich door een gedetailleerde verbeelding. Bestemmings- en bouwvlakken worden nauwkeurig op de verbeelding aangegeven.
5.4 Bestemmingen In het plangebied voorkomende functies zullen onder de volgende bestemmingen worden ondergebracht (in alfabetische volgorde): Gemengd De op de verbeelding voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van een combinatie van hotel-bioscoop-congrescentrum, met voor de bioscoop-congrescentrum bijbehorende ondersteunende horeca en voor het hotel- één of meer restaurants (één en ander is uitsluitend ter plaatste van de nadere aanduiding ‘sgd-ho’ toegestaan) met de daarbij behorende paden en wegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het gebruik als casino of afgeleide vormen daarvan wordt in de specifieke gebruiksbepaling nadrukkelijk uitgesloten. Horeca De op de verbeelding voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van een grootschalige inrichting die bedrijfsmatig gericht is op het geven van ontspanning en vermaak. Deze heeft de nadere aanduiding ‘vermaakcentrum’ op de verbeelding.
Onder bedrijfsmatige ontspanning en vermaak wordt ondermeer verstaan: voorstellingen en gelegenheid tot dansen, al dan niet met live-muziek, alsmede het bedrijfsmatig verstrekken van alcoholhoudende- en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse al of niet gepaard gaand met het verstrekken van kleine eetwaren en/of maaltijden voor gebruik ter plaatse, met de daarbij behorende paden en wegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. De bestemming maakt het mogelijk dat er ook andere vormen van ontspanning dan dansen mogelijk zijn, bijvoorbeeld bowlen, paintball e.d., alsmede evenementen. Het gebruik als casino of afgeleide vormen daarvan wordt in de specifieke gebruiksbepalingen nadrukkelijk uitgesloten. Groen De op de verbeelding voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor plantsoenen, groenstroken en beplanting, waterlopen en waterpartijen, speelvoorzienin-
82
Hoofdstuk 5
gen, paden en wegen, sloten en bermen met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Kantoor De gronden aangewezen met de bestemming ‘Kantoor’ zijn bestemd voor kantoren en dienstverlening met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Maatschappelijk De gronden aangewezen met de bestemming ‘Maatschappelijk’ zijn bestemd voor sociaal-/culturele doeleinden, sociaal-/medische doeleinden, doeleinden van openbare dienstverlening, religieuze doeleinden, onderwijsdoeleinden, doeleinden van sport en recreatie, kantoren, dienstverlenende bedrijven en/ of dienstverlenende instellingen ondersteunende horeca, kantine en een bedrijfswoning (uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bw’) met de daarbij behorende tuinen, erven en terreinen, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Sport De aanwezige faciliteiten voor sport in het plangebied vallen binnen de bestemming ‘Sport’.
De gronden met deze bestemming zijn bestemd voor sport- en speelterreinen en kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen met de daarbij behorende gebouwen ten behoeve van sport- en trainingsfaciliteiten, detailhandel die ondergeschikt en ondersteunend is aan ‘sport’, ondersteunende horeca, kleedruimtes en sanitaire voorzieningen en onderhoud en beheer. Tevens zijn paden en wegen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De kunstijsbaan heeft op de verbeelding de nadere aanduiding ‘kijs’. Water De op de verbeelding voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor sloten, vaarten en daarmee gelijk te stellen waterlopen en waterpartijen met de daarbij behorende oevers, groenvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, duikers en/of dammen. Wonen In het plangebied zijn verschillende typen woningen (categorieën) voorzien. De op de verbeelding voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, tuinen en erven met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Op de ver-
Hoofdstuk 5
83
beelding is per woningcategorie een matrix opgenomen met de maximale goothoogte en bouwhoogte. Verkeer De op de verbeelding voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen en straten, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, sloten en bermen en beplanting met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierbij wordt gestreefd naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het verkeer. Verkeer en Verblijf De op de verbeelding voor ‘Verkeer en Verblijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woonstraten, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, sloten, bermen en beplanting met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.5 Dubbelbestemmingen Leiding – Water De op de verbeelding voor ‘leiding – Water’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming), tevens bestemd voor stroken ten behoeve van hoofdwatertransportleidingen.
5.6 Persoonlijk overgangsrecht De heer J.P. Walbrecht bedrijft al langer dan 20 jaar een autohandel op het perceel Berkhouterweg 16, zo blijkt uit zijn inspraakreactie. De heer Walbrecht wenst dat dit in het bestemmingsplan wordt opgenomen. De gemeente heeft beoordeeld dat de autohandel in strijd is met het huidige en het toekomstige bestemmingsplan voor De Blauwe Berg. Op grond van het overgangsrecht mag het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van gronden en bouwwerken dat bestaat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan worden voortgezet, mits het gebruik en de bebouwing legaal zijn (artikel 3.2.2, lid 4 Bro). Uitbreiding of wijziging van het strijdige gebruik is niet toegestaan. Het gebruik van Berkhouterweg 16 voor een autohandel is echter strijdig met het huidige bestemmingsplan. Er is dus sprake van illegaal gebruik. Dit valt niet onder het overgangsrecht. Het bedrijf kan niet onder het overgangsrecht geplaatst worden, indien niet aangetoond kan worden dat de nieuwe bestemming van de betreffende gronden binnen de planperiode gerealiseerd zal worden. Aan het verzoek van de heer Walrecht kan dus niet tegemoet worden gekomen. Omdat niet te verwachten is dat het gebruik binnen de planperiode in overeenstemming met het bestemmingsplan zal worden gebracht en de ruimtelijke impact