Bijlage 1b Regels
Tekst van het document
Artikel 9
Groen
9.1
Toegevoegde regeling(en)
9.1.1
Van toepassing verklaring
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Venneweg - Middelweg Groen Berkhouterweg op gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - Venneweg - Middelweg Berkhouterweg"
Artikel 6
Voor de gronden ter plaatse van deze bestemming wordt de regeling zoals opgenomen in bovengenoemd bestemmingsplan van toepassing verklaard. Voor deze gronden worden ook de artikelen 2, 22 en 23 uit bovengenoemd bestemmingsplan van toepassing verklaard.
Artikel 10
Kantoor
10.1
Toegevoegde regeling(en)
10.1.1
Verbod persoonlijke dienstverlening
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Alle geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in artikel 1 lid 1.4, diverse locaties
Verschilt per plan
Verschilt per plan
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het bepaalde in dit sublid. Specifieke gebruiksregels Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: het gebruik van bouwwerken en gronden ten behoeve van persoonlijke dienstverlening.
30
Veegplan 3
Artikel 11
Maatschappelijk - Zorg
Aan de onderstaande bestemmingsplannen is, voor diverse locaties, de bestemming 'Maatschappelijk Zorg' toegevoegd: Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Blokker, Zwaag en Nieuwe Steen - Maatschappelijk - Zorg Oost op gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone Blokker, Zwaag en Nieuwe Steen Oost" 11.1
Nieuw
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Maatschappelijk - Zorg’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b.
c. d. e. f.
zorgwoongebouwen; woongebouwen met ter plaatse van de aanduiding "dienstverlening" ruimte in de eerste bouwlaag voor: 1. dienstverlenende bedrijven en/of dienstverlenende instellingen; 2. maatschappelijke voorzieningen; gebouwen ten behoeve van bergingen c.q. garageboxen, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "garagebox"; een loopbrug, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen loopbrug"; een theehuis, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen theehuis"; gebouwen ten behoeve van bergingen c.q. garageboxen,
met de daarbij behorende: g. h. i. j. k.
tuinen en erven; water; nutsvoorzieningen; parkeervoorzieningen; bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
11.2
Bouwregels
11.2.1
Zorgwoongebouwen
Voor het bouwen van zorgwoongebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.
f.
gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; ter plaatse van de aanduiding "gevellijn" zal de voorgevel van een gebouw in de gevellijn worden gebouwd; de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan de bouwhoogte aangegeven ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m)”; de goot- en bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedrage dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)"; het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag niet meer bedragen dan het percentage aangegeven ter plaatse van de aanduiding “maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)”; de bouwhoogte en het bebouwingspercentage van het bouwvlak mag ten minste en ten hoogste 1. de in de aanduiding "minimum bouwhoogte (m),maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)", aangegeven bouwhoogte bedragen; 2. het in de aanduiding "minimum bouwhoogte(m), maximum bouwhoogte (m), maximum bebouwingspercentage (%)", aangegeven percentage bedragen;
31
Veegplan 3
g. h.
het aantal zorgwoningen bedraagt ten hoogste het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden"; voor gebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - stolp" geldt dat de bestaande uitwendige hoofdvorm, bepaald door de bestaande goothoogte, nokrichting en dakvorm gehandhaafd dient te blijven.
11.2.2
Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bergingen c.q. garageboxen gelden de volgende regels: a. b. c.
de oppervlakte van een berging c.q. garagebox mag niet meer bedragen dan 20 m² per woning; de bergingen c.q. garagebozen zullen in complexen worden gebouwd; de bouwhoogte van een berging c.q. garagebox mag niet meer bedragen dan 3 m.
11.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a.
b.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, dan wel het verlengde daarvan niet meer mag bedragen dan 2 m; de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m, met uitzondering van antennes waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 15 m.
11.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan: a.
b.
de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van een goede woonsituatie, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; de zuidoriëntatie van bebouwing, dakhellingen, nokrichtingen en onderlinge oriëntatie van bebouwing ten behoeve van de gebruiksmogelijkheden van passieve en actieve zonne-energie.
11.4
Specifieke gebruiksregels
Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. b. c. d.
het gebruik van bergingen c.q. garageboxen voor bewoning; het gebruik van bergingen c.q. garageboxen voor de uitoefening van een bedrijf; het gebruik van bergingen c.q. garageboxen ten behoeve van detailhandel; het gebruik van gronden en bouwwerken waardoor een parkeerbehoefte ontstaat waarmee niet wordt voldaan aan de regels voor het parkeren en laden&lossen zoals opgenomen in Artikel 39, lid 39.1, met uitzondering van het bestaande gebruik waarbij minimaal de bestaande parkeervoorzieningen dienen te worden gehandhaafd, indien niet is voldaan aan de regels voor het parkeren en laden&lossen zoals opgenomen in Artikel 39, lid 39.1.
Artikel 12
Natuur
12.1
Toegevoegde regeling(en)
12.1.1
Van toepassing verklaring
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Grote Waal op gronden ter plaatse Natuur van de aanduiding "overige zone Grote Waal"
Artikel 10
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming
32
Veegplan 3
van overeenkomstige toepassing. Voor deze gronden worden ook de artikelen 2, 29 t/m 33 uit bovengenoemd bestemmingsplan van toepassing verklaard. 12.2
Gewijzigde regeling(en)
In onderstaand bestemmingsplan zijn de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gewijzigd: Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Stadsstrand op gronden ter Natuur plaatse van de aanduiding "overige zone - Stadsstrand"
Artikel 3
Bouwregels Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b.
de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - voetgangersbrug" mag niet meer bedragen dan 5 m; de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen niet meer dan 3 m bedragen.
Artikel 13
Tuin - Binnentuin
13.1
Toegevoegde regeling
13.1.1
Gebruik binnentuin
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Binnenstad op gronden ter plaatse Tuin - Binnentuin van de aanduiding "overige zone Binnenstad"
Artikel 24
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het bepaalde in dit sublid. Bestemmingsomschrijving: De voor 'Tuin - Binnentuin' aangewezen gronden zin bestemd voor: binnentuinen, ten dienste van de functie van de omliggende bebouwing.
Artikel 14
Verkeer
14.1
Toegevoegde regeling(en)
14.1.1
Van toepassing verklaring
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Blauwe Berg op gronden ter Verkeer plaatse van de aanduiding "overige zone - Blauwe Berg"
Artikel 8
33
Veegplan 3
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing.
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Venneweg - Middelweg Verkeer Berkhouterweg op gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - Venneweg - Middelweg Berkhouterweg"
Artikel 12
Voor de gronden ter plaatse van deze bestemming wordt de regeling zoals opgenomen in bovengenoemd bestemmingsplan van toepassing verklaard. Voor deze gronden worden ook de artikelen 2, 22 en 23 uit bovengenoemd bestemmingsplan van toepassing verklaard.
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Bedrijventerrein Westfrisia op gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone Bedrijventerrein Westfrisia"
Verkeer
Artikel 7
Voor de gronden ter plaatse van deze bestemming wordt de regeling zoals opgenomen in bovengenoemd bestemmingsplan van toepassing verklaard. Voor deze gronden worden ook de artikelen 2, 18 t/m 22 uit bovengenoemd bestemmingsplan van toepassing verklaard. 14.2
Gewijzigde regeling(en)
In onderstaand bestemmingsplan zijn de bouwregels voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gewijzigd: Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Stadsstrand op gronden ter Verkeer plaatse van de aanduiding "overige zone - Stadsstrand"
Artikel 3
Bouwregels Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. b.
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2 m; de bouwhoogte van de overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 5 m bedragen niet meer dan 3 m bedragen.
Artikel 15
Verkeer - Railverkeer
15.1
Toegevoegde regeling(en)
15.1.1
Van toepassing verklaring
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
34
Veegplan 3
Venneweg - Middelweg Verkeer - Railverkeer Berkhouterweg op gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - Venneweg - Middelweg Berkhouterweg"
Artikel 13
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing. Voor deze gronden worden ook de artikelen 2, 22 en 23 uit bovengenoemd bestemmingsplan van toepassing verklaard.
Artikel 16
Verkeer - Verblijf
16.1
Toegevoegde regeling(en)
16.1.1
Van toepassing verklaring
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Binnenstad op gronden ter plaatse Verkeer - Verblijf van de aanduiding "overige zone Binnenstad"
Artikel 22
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing. 16.1.2
Dienstverlening
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Binnenstad op gronden ter plaatse Verkeer - Verblijf van de aanduiding "overige zone Binnenstad"
Artikel 22
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het bepaalde in dit sublid. De voor ‘Verkeer- Verblijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: dienstverlening, ter plaatse van de aanduiding 'dienstverlening';
Artikel 17 17.1
Waterkering - Omringdijk
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waterkering - Omringdijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.
werken ten behoeve van de waterkering- en geleiding;
waarbij de instandhouding van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden wordt nagestreefd; b. c. d. e.
groenvoorzieningen; wegen en straten; paden; sloten, bermen en beplanting;
met de daarbijbehorende: f.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
35
Veegplan 3
17.2 a. b.
Bouwregels Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling: 1. de hoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3,00 m bedragen.
17.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van: a. b. c. d.
de waterkerende functie; de landschappelijke en cultuurhistorische waarden; de verkeerssituatie; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken.
17.4
Specifieke gebruiksregels
Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. b.
het aanleggen van wegen en paden of anderszins inrichten van het bestemmingsvlak in afwijking van het op de kaart aangegeven dwarsprofiel; het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen.
17.5
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a.
lid 17.4 onder a en toestaan dat wordt afgeweken van het op de kaart aangegeven dwarsprofiel, mits hierdoor geen wezenlijke verslechtering van de geluidsituatie optreedt.
17.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.
b.
c.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: 1. het ophogen en afgraven van gronden; 2. het aanbrengen van beplanting. Het in sub b vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: 1. het normale onderhoud betreffen; 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. De in sub b genoemde omgevingsvergunning zal uitsluitend worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de Omringdijk. De waterkerende functie zal aan de cultuurhistorische waarden ook geen onevenredige afbreuk mogen doen.
Artikel 18
Wonen
18.1
Vervallen regeling(en)
18.1.1
Bijbehorende bouwwerken
In onderstaande bestemmingsplannen is de doorgehaalde tekst verwijderd: Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Alle geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in artikel 1 lid 1.4, diverse locaties
Verschilt per plan
Verschilt per plan
36
Veegplan 3
Bouwregels Bijbehorende bouwwerken Het is verboden om op de grond staande bijbehorende bouwwerken of uitbreiding daarvan te bouwen voor zover deze niet vergunningvrij zijn op grond van de regeling zoals die is opgenomen in artikel 2 bijlage II Besluit omgevingsrecht dan wel diens rechtsopvolger, met dien verstande dat hetgeen onder artikel 3 (passend in bestemmingsplan) en 4a (bouwen bij een monument en in beschermd stadsgezicht) van dat Besluit valt, ook vergunningvrij kan zijn.
18.2
Gewijzigde regeling(en)
18.2.1
Wonen
In onderstaand bestemmingsplan is de bestemmingsomschrijving gewijzigd: Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Alle geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in artikel 1 lid 1.4, diverse locaties
Verschilt per plan
Verschilt per plan
Bestemmingsomschrijving De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor: woonhuizen / woongebouwen wonen, al dan niet in combinatie met (...);
18.2.2
Bangert achter 6
In onderstaand bestemmingsplan is de bestemmingsomschrijving gewijzigd: Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Bangert achter 6 op gronden ter Wonen plaatse van de aanduiding "overige zone - Bangert achter 6"
artikel 4
Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken, met een omgevingsvergunning afwijken van: a.
b.
het bepaalde in lid 4.2.1 sub b 4.2.1 sub e in die zin dat de goothoogte van de asymmetrische kap wordt doorbroken, waarbij de goothoogte aan de achterzijde van het hoofdgebouw wordt verhoogd tot maximaal de goothoogte aan de voorzijde van het hoofdgebouw; het bepaalde in lid 4.2.1 sub b 4.2.1 sub e in die zin dat een hoofdgebouw geheel of gedeeltelijk wordt voorzien van een plat dak.
18.3
Toegevoegde regeling(en)
18.3.1
Van toepassing verklaring
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Binnenstad op gronden ter plaatse Wonen van de aanduiding "overige zone Binnenstad"
Artikel 25
37
Veegplan 3
Kersenboogerd op gronden ter Wonen plaatse van de aanduiding "overige zone - Kersenboogerd"
Artikel 18
Hoorn-Noord en Wonen Venenlaankwartier ter plaatse van de aanduiding "overige zone Hoorn-Noord en Venenlaankwartier"
Artikel 18
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing.
18.3.2
Aantal wooneenheden
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Kersenboogerd op gronden ter Wonen plaatse van de aanduiding "overige zone - Kersenboogerd "
Artikel 18
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het bepaalde in dit sublid. Bouwregels Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: indien er een aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is opgenomen, bedraagt het aantal wooneenheden niet meer dan is aangeduid.
18.3.3
Bijbehorende bouwwerken en dakterrassen in de binnenstad
Bemmingsplan
Bestemming
Regeling
Binnenstad op gronden ter plaatse Wonen van de aanduiding "overige zone Binnenstad"
Artikel 25
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het bepaalde in dit sublid. Artikel 17.2.2 van Veegplan 2 (vastgesteld op 31 mei 2022, NL.IMRO.0405.BPVeegplan2-va01) komt hiermee te vervallen. Bouwregels Bijbehorende bouwwerken Het is verboden om op de grond staande bijbehorende bouwwerken of uitbreiding daarvan te bouwen voor zover deze niet vergunningvrij zijn op grond van de regeling zoals die is opgenomen in artikel 2 bijlage II Besluit omgevingsrecht dan wel diens rechtsopvolger, met dien verstande dat hetgeen onder artikel 4a (bouwen bij een monument en in beschermd stadsgezicht) van dat Besluit valt, ook vergunningvrij kan zijn.
Specifieke gebruiksregels Onder met deze bestemming strijdig gebruik wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de
38
Veegplan 3
bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen: het gebruik van bouwwerken voor het realiseren van een dakterras.
Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken, met een omgevingsvergunning afwijken van: het bepaalde ten aanzien van de bouwregels voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken voor het toestaan van een hekwerk ten behoeve van een dakterras met een maximale bouwhoogte van 1 m, gemeten vanaf het dak.
Afwijken van de gebruiksregels Het bevoegd gezag kan, met inachtneming van het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken, bij een omgevingsvergunning afwijken van: het bepaalde in sublid [specifieke gebruiksregel: het gebruik van bouwwerken voor het realiseren van een dakterras] voor het toestaan van een dakterras op plat afgedekte aangebouwde bijbehorende bouwwerken, met dien verstande dat: 1. een dakterras op zowel plat afgedekte hoofdgebouwen als plat afgedekte aangebouwde bijbehorende bouwwerken is toegestaan; 2. een dakterras niet is toegestaan op een afgeknot dak; 3. deze afwijking uitsluitend in combinatie met het bepaalde in sublid [afwijken van de bouwregels: het bepaalde ten aanzien van de bouwregels voor hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken voor het toestaan van een hekwerk ten behoeve van een dakterras met een maximale bouwhoogte van 1 m, gemeten vanaf het dak] wordt toegepast.
18.3.4
Bijbehorende bouwwerken
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Alle geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in artikel 1 lid 1.4, diverse locaties
Verschilt per plan
Verschilt per plan
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het bepaalde in dit sublid. Bouwregels Bijbehorende bouwwerken Indien in de bestaande situatie een bijbehorend bouwwerk vóór de voorgevel van het hoofdgebouw is gesitueerd, mag de (eventuele) ruimte tussen het hoofdgebouw en het betreffende bijbehorende bouwwerk worden bebouwd tot maximaal de halve aaneengesloten breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw.
Artikel 19
Wonen - Lintbebouwing
19.1
Vervallen regeling(en)
19.1.1
Bijbehorende bouwwerken
In onderstaande bestemmingsplannen is de doorgehaalde tekst verwijderd:
39
Veegplan 3
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Alle geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in artikel 1 lid 1.4, diverse locaties
Verschilt per plan
Verschilt per plan
Bouwregels Bijbehorende bouwwerken Het is verboden om op de grond staande bijbehorende bouwwerken of uitbreiding daarvan te bouwen voor zover deze niet vergunningvrij zijn op grond van de regeling zoals die is opgenomen in artikel 2 bijlage II Besluit omgevingsrecht dan wel diens rechtsopvolger, met dien verstande dat hetgeen onder artikel 3 (passend in bestemmingsplan) en 4a (bouwen bij een monument en in beschermd stadsgezicht) van dat Besluit valt, ook vergunningvrij kan zijn.
Artikel 20 20.1
Wonen - Wooncentrum
Vervallen regeling(en)
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Blokker, Zwaag en Nieuwe Steen - Wonen - Wooncentrum Oost op gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone Blokker, Zwaag en Nieuwe Steen Oost"
Artikel 28
Florastraat/ St. Josephpark De bestemming 'Wonen - Wooncentrum' is vervallen.
Artikel 21
Wonen - Woongebouw
21.1
Gewijzigde regeling(en)
21.1.1
Wonen
In onderstaand bestemmingsplan is de bestemmingsomschrijving gewijzigd: Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Alle geldende ruimtelijke plannen zoals genoemd in artikel 1 lid 1.4, diverse locaties
Verschilt per plan
Verschilt per plan
Bestemmingsomschrijving De voor "Wonen - Woongebouw" aangewezen gronden zijn bestemd voor: woonhuizen / woongebouwen wonen, al dan niet in combinatie met (...);
40
Veegplan 3
21.2
Toegevoegde regeling(en)
21.2.1
Van toepassing verklaring
Bestemmingsplan
Bestemming
Regeling
Risdam en Nieuwe Steen-West op Wonen - Woongebouw gronden ter plaatse van de aanduiding "overige zone - Risdam en Nieuwe Steen-West"
Artikel 21
Binnenstad op gronden ter plaatse Wonen - Woongebouw van de aanduiding "overige zone Binnenstad"
Artikel 27
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing.
21.2.2
Souvenirswinkel/toeristeninformatiepunt
Bemmingsplan
Bestemming
Regeling
Binnenstad op gronden ter plaatse Wonen - Woongebouw van de aanduiding "overige zone Binnenstad"
Artikel 27
Voor de gronden gelegen binnen bovenstaand genoemd plan, is de bovenstaand genoemde bestemming van overeenkomstige toepassing, met inachtneming van het bepaalde in dit sublid. Bestemmingsomschrijving De voor ‘Wonen - Woongebouw’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van detailhandel - toeristeninformatiepunt' is uitsluitend een souvenirswinkel en toeristeninformatiepunt toegestaan;
Artikel 22 22.1
Leiding - Hoogspanning
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Leiding - Hoogspanning'' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor aanpassing, het beheer en instandhouding van een hoogspanningsleiding, met de daarbij behorende: a. b.
belemmerde strook; voorzieningen.
In geval van strijdigheid van bepalingen gaan de regels van dit artikel vóór de bepalingen die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn. 22.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. b.
op of in de in dit artikel bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken en/of gebouwen ten behoeve van de hoogspanningsleiding worden gebouwd; op of in de in dit artikel bedoelde gronden zijn geen gebouwen en bouwwerken toegestaan, met uitzondering van bestaande (vergunde) gebouwen en bouwwerken;
41
Veegplan 3
c.
indien bestaande gebouwen en/of bouwwerken worden vervangen, vernieuwd of veranderd is dit toegestaan indien de oppen/lakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.
22.3
Afwijken van de bouwregels
Tot het verlenen van een omgevingsvergunning wordt eerst overgegaan, indien uit het verkregen positief schriftelijk advies van de netbeheerder is gebleken dat hierdoor de veiligheid en leveringszekerheid niet blijvend onevenredig worden geschaad Aan de hand daarvan kan het bevoegd gezag desgewenst voorwaarden verbinden aan de vergunning, ter bescherming van bedoelde verbinding. 22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.4.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werk, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a. b. c. d. e. f. g. h.
het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplanting en bomen, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; het aanleggen van wegen of paden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het indrijven van voorwerpen in de bodem, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld; het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage, dieper dan 0,80 meter onder maaiveld; het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van reeds bestaande watergangen; g het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen; het aanleggen van zonnepanelen; het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, anders dan ten dienste van de in lid 22.1 omschreven bestemming.
22.4.2
Uitzondering
Het bepaalde in lid 22.4.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. b. c.
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; die worden uitgevoerd door (of in opdracht van) de netbeheerder t.b.v onderhoud en instandhouding van de hoogspanningsleiding; die vallen onder de Wel Informatie-uitwisseling Boven- en Ondergrondse Netten.
22.4.3
Toetsingscriteria
De in lid 22.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend, indien uit het verkregen positief schriftelijk advies van de netbeheerder is gebleken dat hierdoor de veiligheid en leveringszekerheid niet blijvend onevenredig worden geschaad. Aan de hand daarvan kan het bevoegd gezag desgewenst voorwaarden verbinden aan de vergunning, ter bescherming van bedoelde hoogspanningsleiding.
42
Veegplan 3
Artikel 23 23.1
Waarde - Archeologie
Bestemmingsomschrijving
De gronden die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie zijn tevens bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. Voor zover nog andere dubbelbestemmingen voor deze gronden zijn aangegeven, is de voorrangsregeling zoals opgenomen in lid 23.5 van toepassing. 23.2
Bouwregels
Op de in lid 23.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd, met uitzondering van de bouw van een bijgebouw of de uitbreiding van een bestaand bouwwerk met ten hoogste 15 m². 23.3 a.
b.
c.
Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 23.2 ten behoeve van een overige aan deze gronden toegekende bestemming, indien is gebleken dat het oprichten van het bouwwerk, waarvoor ontheffing wordt gevraagd, niet zal leiden tot een verstoring van de archeologische resten. Voor zover het oprichten van het bouwwerk, waarvoor ontheffing wordt gevraagd, kan leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in lid 23.2, mits aan de vergunning één van de volgende regels wordt verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of: 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld conform de regels van de KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie).
23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 23.4.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders (aanlegvergunning), de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen: a. b.
het ontgronden en het afgraven van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,30 m, tenzij deze in het kader van onderzoek naar mogelijke historische vindplaatsen worden uitgevoerd.
23.4.2
Uitzonderingen
Het in lid 23.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: a. b. c.
het normale onderhoud betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; volgens een quickscan geen onevenredige afbreuk doen aan de archeologische waarden.
43
Veegplan 3
23.4.3
Toetsingscriteria
De aanlegvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in lid 23.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal. 23.4.4
Voorwaarden
Voor zover de in lid 23.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen hiervan kunnen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal, kan de vergunning worden verleend, mits hieraan een van de volgende regels wordt verbonden: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen, of de verplichting de uitvoering van de werken of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
23.4.5
Archeologisch rapport
De aanlegvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld conform de regels van de KNA (Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie). 23.4.6
Advies
Alvorens de gevraagde aanlegvergunning te verlenen, vragen burgemeester en wethouders de gemeentelijke archeoloog om advies. 23.5
Voorrangsregeling
Voor zover de aangegeven dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk samenvallen, gelden: a. b. 23.6 a.
b.
in de eerste plaats de regels van Waarde - Archeologie; in de tweede plaats de regels van Waarde - Beschermd stadsgezicht. Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat een of meerdere bestemmingsvlakken met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ worden verwijderd, indien uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen in die zin dat aan een of meerdere bestemmingsvlakken de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ wordt toegekend, indien uit nader onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.
Artikel 24 24.1
Waarde - Archeologie 1
Bestemmingsomschrijving
De voor "Waarde - Archeologie 1" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem.
44
Veegplan 3
24.2
Bouwregels
24.2.1
Algemeen
Voor alle bouwwerken moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en; in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
24.2.2
Advies archeoloog
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 24.2.1 winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 24.2.3
Voorwaarden
Indien uit het in lid 24.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
24.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 24.3.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a.
b. c. d.
het ontgronden, afgraven (waaronder het verwijderen van funderingen en graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van overige grondbewerkingen; het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen.
24.3.2
Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 24.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. b. c. d. e. f.
het normale onderhoud betreffen; onderhoud aan de watergangen betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; volgens een quickscan geen onevenredige afbreuk doen aan de archeologische waarden; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; niet dieper gaan dan 0,30 m beneden het maaiveld.
45
Veegplan 3
24.3.3
Toetsingscriteria
De in lid 24.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 24.3.4
Archeologisch rapport
Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en; in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
24.3.5
Voorwaarden
Indien uit het in lid 24.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingenop basis van een door het bevoegd gezag goedgekeurd 'Programma van Eisen'; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 25 25.1
Waarde - Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
De voor ''Waarde - Archeologie 2'' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. 25.2
Bouwregels
25.2.1
Algemeen
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 dan 100 m2 moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en; in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
25.2.2
Advies archeoloog
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 25.2.1 winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In sommige gevallen volstaat een archeologische quickscan als duidelijk is dat de geplande ingrepen geen onevenredige afbreuk doen aan de aanwezige archeologische waarden.
46
Veegplan 3
25.2.3
Voorwaarden
Indien uit het in 25.2.1 genoemde rapport of de in 25.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
25.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 25.3.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a.
b. c. d.
het ontgronden, afgraven (waaronder het verwijderen van funderingen en graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van overige grondbewerkingen; het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen.
25.3.2
Uitzonderingen
Het bepaalde in 25.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. b. c. d. e. f.
het normale onderhoud betreffen; het onderhoud aan watergangen betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; volgens een quickscan geen onevenredige afbreuk doen aan de archeologische waarden; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; niet dieper gaan dan 0,30 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 1.000 m2 dan 100 m2 beslaan.
25.3.3
Toetsingscriteria
De in 25.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 25.3.4
Archeologisch rapport
Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en; in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
25.3.5
Voorwaarden
Indien uit het in 25.3.5 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
47
Veegplan 3
a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 26 26.1
Waarde - Archeologie 3
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn,behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden in de waterbodem van het Hoornse Hop. 26.2
Bouwregels
26.2.1
Algemeen
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 500 m² moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
26.2.2
Advies archeoloog
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 26.2.1 winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In sommige gevallen volstaat een archeologische quickscan als duidelijk is dat de geplande ingrepen geen onevenredige afbreuk doen aan de aanwezige archeologische waarden. 26.2.3
Voorwaarden
Indien uit het in lid 26.2.1 genoemde rapport of de in lid 26.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
26.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 26.3.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a.
het ontgronden, afgraven (waaronder het verwijderen van funderingen en graven van watergangen en
48
Veegplan 3
b. c. d.
waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van overige grondbewerkingen; het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen.
26.3.2
Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 26.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. b. c. d. e. f.
het normale onderhoud betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; volgens een quickscan geen onevenredige afbreuk doen aan de archeologische waarden; zien op de uitvoer van het Projectplan Markermeerdijken; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; niet dieper gaan dan 0,30 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 500 m2 beslaan.
26.3.3
Toetsingscriteria
De in lid 26.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 26.3.4
Archeologisch rapport
Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
26.3.5
Voorwaarden
Indien uit het in lid 26.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 27 27.1
Waarde - Archeologie 4
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie 4 'aangewezen gronden zijn,behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem. 27.2
Bouwregels
27.2.1
Algemeen
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m² moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag:
49
Veegplan 3
a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
27.2.2
Advies archeoloog
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 27.2.1 winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In sommige gevallen volstaat een archeologische quickscan als duidelijk is dat de geplande ingrepen geen onevenredige afbreuk doen aan de aanwezige archeologische waarden. 27.2.3
Voorwaarden
Indien uit het in lid 27.2.1 genoemde rapport of de in lid 27.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
27.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 27.3.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a.
b. c. d.
het ontgronden, afgraven (waaronder het verwijderen van funderingen en graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van overige grondbewerkingen; het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen.
27.3.2
Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 27.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. b. c. d. e.
het normale onderhoud betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; volgens een quickscan geen onevenredige afbreuk doen aan de archeologische waarden; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; niet dieper gaan dan 0,40 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 1.000 m2 beslaan.
27.3.3
Toetsingscriteria
De in lid 27.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.
50
Veegplan 3
27.3.4
Archeologisch rapport
Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
27.3.5
Voorwaarden
Indien uit het in lid 27.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Artikel 28 28.1
Waarde - Archeologie 4a
Bestemmingsomschrijving
De voor "Waarde - Archeologie 4a" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem. 28.2
Bouwregels
28.2.1
Algemeen
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1.000 m², moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en; in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
28.2.2
Advies archeoloog
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 28.2.1 winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In sommige gevallen volstaat een archeologische quickscan als duidelijk is dat de geplande ingrepen geen onevenredige afbreuk doen aan de aanwezige archeologische waarden. 28.2.3
Voorwaarden
Indien uit het in lid 28.2.1 genoemde rapport of de in lid 28.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
51
Veegplan 3
b. c.
de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
28.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 28.3.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a. b. c. d.
het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van overige grondbewerkingen; het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen.
28.3.2
Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 28.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. b. c. d. e. f.
het normale onderhoud betreffen; onderhoud aan de watergangen betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; volgens een quickscan geen onevenredige afbreuk doen aan de archeologische waarden; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; niet dieper gaan dan 0,80 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 1.000 m² beslaan.
28.3.3
Toetsingscriteria
De in lid 28.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 28.3.4
Archeologisch rapport
Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
28.3.5
Voorwaarden
Indien uit het in lid 28.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
52
Veegplan 3
Artikel 29 29.1
Waarde - Archeologie 5
Bestemmingsomschrijving
De voor ''Waarde - Archeologie 5'' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem. 29.2
Bouwregels
29.2.1
Algemeen
Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 10.000 m² moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en; in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
29.2.2
Advies archeoloog
Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in lid 29.3.1 winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of de door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In sommige gevallen volstaat een archeologische quickscan als duidelijk is dat de geplande ingrepen geen onevenredige afbreuk doen aan de aanwezige archeologische waarden. 29.2.3
Voorwaarden
Indien uit het in lid 29.3.1 genoemde rapport of de in lid 29.3.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; de verplichting tot het doen van opgravingen; de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
29.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 29.3.1
Vergunningplicht
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze regels van toepassing zijnde bestemmingen: a.
b. c. d.
het ontgronden, afgraven (waaronder het verwijderen van funderingen en graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; het uitvoeren van overige grondbewerkingen; het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen.
53
Veegplan 3
29.3.2
Uitzonderingen
Het bepaalde in lid 29.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die: a. b. c. d. e. f.
het normale onderhoud betreffen; het onderhoud aan de watergangen betreffen; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; volgens een quickscan geen onevenredige afbreuk doen aan de archeologische waarden; in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie; niet dieper gaan dan 0,40 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 10.000 m2 beslaan.
29.3.3
Toetsingscriteria
De in lid 29.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 29.3.4
Archeologisch rapport
Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. b.
de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en; in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
29.3.5
Voorwaarden
Indien uit het in lid 29.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. b. c.