Bijlage 1A Secondant2006_3-4_Graffiti te lijf_pagina 30
Tekst van het document
26 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
Schimmen in de grote stad Verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats
De politie hield in 2004 bijna 14 000 verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats aan, waaronder daklozen, zwervers, verslaafden en buitenlandse criminelen | foto: Inge van Mill.
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 27
Daklozen, zwervers en verslaafden, maar ook buitenlandse criminelen die willen onderduiken, behoren tot de schimmige groep verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats. De dienst Nationale Recherche Informatie licht een tipje van de sluier op die over deze groep hangt, met een eerste, verkennend onderzoek. Ruim 40 procent van deze categorie verdachten wordt aangehouden in de 4 grote steden.
door Kavita Lakhi De auteur is werkzaam bij de dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) In 2004 verrichtte de politie 13 690 aanhoudingen van personen zonder een vaste woon- of verblijf plaats, van die bijna 14 000 gevallen betrof het 11 856 ‘unieke’ verdachten. Formeel zijn verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats personen die verdacht worden van een misdrijf en van wie bij de politiekorpsen niet bekend is wat hun woonplaats of adres is (onder woon plaats wordt in de wet verstaan: de plaats waar de woning staat of de slaapgelegenheid die voor een langere periode als verblijf dient). De groep herbergt bijvoorbeeld daklozen, zwervers en verslaafden maar ook personen die uit het buitenland komen, zoals illegalen, personen die doelbewust naar Nederland komen om een misdrijf te plegen (mobiele bandieten), drugs toeristen, vakantiegangers en criminelen die verborgen willen blijven. De groep verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats valt uiteen in twee deelgroepen: (1) verdachten die legaal door afkomst of staatsburgerschap in Nederland vertoeven; (2) verdachten van wie niet kan worden vastgesteld of ze officieel in Nederland horen. Voor het gemak zullen we spreken over respectievelijk ‘verdachte burgers’ en ‘onbekende
verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats’. De dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) tast nog grotendeels in het duister over de omvang, de achtergrondkenmerken en het crimineel gedrag van deze verdachtengroep. Om de politie beter te kunnen ondersteunen bij de preventie en bestrijding van criminaliteit van deze groep verdachten is een eerste landelijke verkenning uit HKS-gegevens (herkennings dienstsystemen van de politieregio’s) uitgevoerd. Deze systemen bevatten gegevens over strafbare feiten en geverbaliseerde verdachten.
vier grote steden
Vergeleken met het jaar 2000, is het aantal aan houdingen van verdachten zonder vaste verblijf plaats in 2004 met 41 procent toegenomen. In tabel 1 worden de aantallen verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats in de periode 20002004 weergegeven, in het algemeen en voor de vier grote steden. Meer dan de helft (57 procent)
Vergeleken met het jaar 2000, is het aantal aanhoudingen van verdachten zonder vaste verblijfplaats in 2004 met 41 procent toegenomen
28 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
Tabel 1> Aangehouden verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats in de vier grote steden en door de Koninklijke Marechaussee 2000
2001
2002
2003
2004
Utrecht
560
555
630
772
729
Amsterdam-Amstelland
1566
1930
2325
2750
2535
Haaglanden
747
702
957
1007
956
Rotterdam-Rijnmond
945
1075
1611
2089
1663
KMar
1654
1593
2027
2001
1849
Subtotaal
5 472
5 855
7 550
8 619
7 732
Andere regio’s
4248
4776
5672
6605
5958
Totaal
9 720
10 631
13 222
15 224
13 690
van de verdachten zonder vaste woon- of verblijf plaats wordt aangehouden in de vier grote steden (samen 43 procent) of door de Koninklijke Marechaussee (14 procent). Bijna 60 procent van de groep verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats is burger van Nederland. Deze groep bestaat voor het grootste deel uit mensen met een Nederlandse, Marokkaanse of Surinaamse afkomst. De overige 40 procent zijn onbekenden van Nederland. Deze personen komen voorname lijk uit het voormalig Oostblok en Afrika. De aan houdingen van deze groep worden vooral door de regiopolitie Amsterdam en door de Koninklijke Marechaussee (KMar) verricht. De landelijke verkenning brengt bepaalde verschillen aan het licht tussen de groep verdachte burgers en onbekende verdachten. Naast het grote aandeel van mannelijke verdachten in beide deelgroepen worden bij de groep onbekenden meer vrouwen aangehouden: 17,5 procent. In deze groep onbekende verdachten ligt de leeftijd tussen de 18 tot en met 34 jaar en komt bijna geen alcoholen/of drugsverslaving voor. Bij de verdachte burgers bedraagt het percentage vrouwen 9,1 procent en ligt de leeftijd hoger, namelijk tot en met 44 jaar. Het percentage verdachten met een verslaving is 14 procent.
crimineel gedrag
De groep onbekende verdachten recidiveert minder vaak. Deze verdachten hebben per persoon gemiddeld minder antecedenten en delicten. De meeste van de verdachte onbekenden zijn volwassen beginnende daders. Zij plegen twee keer zoveel misdrijven tegen de Opiumwet als de groep verdachte burgers. Beide groepen verdachten maken zich vooral schuldig aan vermogensdelicten, waarbij de groep onbeken den minder geweld gebruikt, namelijk 46,1 procent ten opzichte van 61,6 procent bij verdachte burgers. De laatstgenoemde groep heeft veel vaker contact met de politie en pleegt ook meer delicten per persoon. We hebben dan veelal te maken met meerplegers tot zeer actieve veelplegers. Het programma Naar een veiliger samenleving hanteert de volgende definities voor deze groepen: meerplegers zijn personen tegen wie 2 tot en met 10 processen-verbaal zijn opgemaakt, en als veelplegers gelden personen die een achtergrond hebben met meer dan 10 processen-verbaal wegens een misdrijf. Het geweld dat de groep verdachte burgers pleegt bij vermogensdelicten is vooral tegen personen gericht.
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 29
www De minister van Justitie heeft in een brief aan de Tweede Kamer uiteengezet hoe een intensieve aanpak van veelplegers eruit moet zien. In deze brief (vergaderjaar 2002-2003, 28 684, nr. 10) wordt ingegaan op kenmerken van jeugdige en meerderjarige veelplegers, en worden definities gegeven van soorten actieve daders (veelplegers, meerplegers, stelselmatige daders). De brief is te downloaden van www.justitie.nl en www.overheid.nl
Beide groepen verschillen in meerdere kenmerken en crimineel gedrag. De verdachte burgers zijn Nederlandse burgers die geen vast verblijf hebben. Deze groep bestaat uit meer plegers en (zeer actieve) veelplegers en gezien de leeftijd en de recidive zijn dit personen die wellicht al langer op straat leven en het gebruik van geweld niet schuwen. Een deel heeft als motief te stelen om een verslaving te kunnen onderhouden. Maar het merendeel is niet verslaafd en bij hen zal het motief voor het plegen van delicten met geweld ook van een andere aard zijn, zoals hongerige daklozen of mensen met een psychiatrische ziekte. De onbekende verdachten maken een aanzienlijk deel uit van de hele groep verdachten zonder een vast verblijf. Gezien het feit dat het grootste deel afkomstig is uit het buitenland, met name Oost-Europa en Afrika, is dit misschien ook niet vreemd. De vertegenwoor diging van vrouwen en beginnende jongvolwas senen in de groep onbekenden zou een reden kunnen zijn dat de delicten minder gewelddadig zijn. De drugsgerelateerde delicten en de aan houdingen door de Amsterdamse politie en de marechaussee doet vermoeden dat het om personen gaat die verdovende middelen trans porteren. Dat er veel vermogensmisdrijven
zonder gebruik van geweld worden gepleegd zou een indicatie kunnen zijn dat deze personen illegaal in Nederland verblijven (of onderduiken) en stelen om aan hun eerste levensbehoefte te voldoen. Immers, het is een groep die niet om een verslaving steelt. De groep onbekende verdachten is een relatief nieuwe doelgroep in de samen leving met een ander motief voor het plegen van delicten. Meer aandacht voor illegaal verblijvende personen, waaronder met name vrouwen en jongvolwassenen, zou gewenst zijn. << Voor meer informatie:
Kavita Lakhi, T (079) 345 97 03, KLPD/DNRI.
30 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
de klad in grafitti Inspirerende praktijkvoorbeelden om graffiti weg te poetsen
Waar de een zich vergaapt aan graffiti als kunst, is illegale graffiti voor de ander een ergerniswekkende vorm van criminaliteit. Deze onduidelijkheid zorgt ervoor dat de aanpak van illegale graffiti geen vaste plek heeft. In dit grijze gebied kan graffiti welig tieren. Toch worden er initiatieven ontplooid – in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag bijvoorbeeld – tegen de kleurige uitwassen van graffitispuiters, die als goed praktijkvoorbeeld kunnen dienen, blijkt uit een onderzoek van Berenschot.
door Annelies Dekker, Jan-Hendrik Leopold en Arnout Slooff De auteurs zijn werkzaam bij Berenschot te Utrecht. Graffiti valt voor velen in de categorie ‘klein leed’, vergelijkbaar met het probleem van zwerfvuil bijvoorbeeld. Plan een willekeurige reis door het land en je wordt voortdurend geconfronteerd met tags, pieces, bekraste ruiten en andere ongevraagd geplaatste uitingen – zowel in het openbaar vervoer (tram- en treinstellen zijn zoals bekend zeer geliefd bij graffiteurs vanwege de hoge exposure) als elders in de publieke ruimte. Langzamerhand lijkt er een steeds bredere consensus te ontstaan over het misstaan van illegale graffiti in onze leefomgeving. Tegelijk overheerst het besef bij door ons geraadpleegde experts dat de graffitiproblematiek nog steeds wordt onderschat. De nadruk in de beeldvorming over graffiti ligt op artistieke aspecten en veel minder op de materiële schade die illegale graffiti
teweegbrengt aan eigendommen van overheid en particulieren. Deels zal dit toe te schrijven zijn aan het beperkte zicht op de reële kosten van schade dat in de praktijk vaak bestaat bij betrokken partijen. Voor zover men deze ‘graffiti kosten’ apart berekent, wordt gewoonlijk alleen uitgegaan van directe schoonmaakkosten. Indirecte kosten zijn er evengoed. Denk bijvoor beeld aan aantasting van muren door reiniging, maar ook aan het nemen van dure veiligheids maatregelen of het beschadigde imago van een organisatie. Inmiddels neemt de aandacht voor de aanpak van illegale graffiti landelijk toe. Minister Donner onderstreepte recent in zijn brief aan de Tweede Kamer, mede namens de collega’s van BZK, V&W en VROM, dat de rijksoverheid de bestrijding van graffiti serieus opvat – overigens met de kant tekening dat de aanpak van graffiti primair een lokale verantwoordelijkheid is waarbij het Rijk een faciliterende rol heeft bij het aanreiken van
In de beeldvorming rond graffiti ligt de nadruk op kunstzinnigheid. Illegale graffiti kan echter ook veel materiële schade opleveren | foto: Inge van Mill.
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 31
32 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
instrumenten. De nota is een reactie op het tienpuntenplan voor de aanpak van graffiti, Graffiti te lijf, dat de Tweede Kamerleden Van Heemst (PvdA) en Van Haersma Buma (CDA) hebben opgesteld. Zij bepleiten een geïntegreerde aanpak met vooral praktische maatregelen voor objecten (coating, standaardpost in onderhouds budgetten), handhaving (gemakkelijkere aangifte, databases, alternatieve straffen) en
management en betrokkenen zich meer bewust worden van het probleem (het GVB heeft een model ontwikkeld voor de berekening van de kostprijs voor het verwijderen van graffiti); (2) goede registratie van graffiti kan de voortgang en resultaten van de aanpak inzichtelijk maken. Voor de schoonmaak van graffiti zijn procedures opgesteld en afspraken gemaakt met betrokken instanties om zo goedkoop en veilig mogelijk de graffiti te verwijderen. Ook worden bijvoorbeeld Langzamerhand lijkt er een materialen gebruikt waarop graffiti makkelijk te verwijderen is, zodat de reinigingskosten dalen. steeds bredere consensus te Overigens is repressie niet uit het gezichtsveld verdwenen: beveiliging van opstelterreinen voor ontstaan over het misstaan rijdend materieel van het GVB, met behulp van van illegale graffiti in onze bijvoorbeeld intelligente camera’s, detectiedraad en mobiele surveillanceteams is (na een succes leefomgeving volle pilot) ingevoerd op alle opstelterreinen van uitbreiding van sancties (verhaal, bestuurlijke het GVB. Hiermee is zowel de pakkans als de boete). Eerder heeft Berenschot in opdracht van efficiëntie van handhaving op deze opstel het programmabureau Handhaven op Niveau van terreinen verhoogd. Zonder een direct verband te het ministerie van Justitie, onderzoek gedaan Het aanbrengen van graffiti is naar best practices in de graffitibestrijding.
Hieronder volgen enkele (beknopte) voorbeelden minder interessant als deze snel van aanpakken met effect in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Overigens beogen wij wordt verwijderd met deze voorbeelden geen volledigheid. willen pretenderen met de nieuwe beveiligings ontmoediging aanpak, laat de registratie bijvoorbeeld zien dat in Het Gemeentelijk Vervoersbedrijf (GVB) in vergelijking met het eerste kwartaal van 2005, in Amsterdam ontmoedigt het spuiten van graffiti dezelfde periode in 2006 25 tot 30 procent minder door preventie en snelle reiniging. De preventie is graffiti is gespoten. gericht op de graffitischrijvers, voor wie het van belang is dat hun tag of piece zo lang mogelijk schoonmaakcontracten voor een groot publiek zichtbaar blijft. Het aan In Rotterdam leidde een flinke toename van brengen van graffiti is minder interessant als graffiti en bijbehorende negatieve effecten op de deze snel wordt verwijderd. Hierbij is de afweging veiligheidsbeleving van burgers een aantal jaren tussen repressie enerzijds en reiniging anderzijds geleden tot een intensivering van graffiti een voortdurend aandachtspunt. De GVB-aanpak verwijdering.
De eenmalige schoonmaakacties kent verder als uitgangspunten: (1) het beprijzen werden verruild voor een systeem waarin en transparant maken van de kosten kan het schoonmaakcontracten worden afgesloten door inzicht vergroten in de schade die wordt veroor Roteb (de gemeentelijke reinigingsdienst) met zaakt door graffiti en ervoor zorgen dat het ondernemers in de binnenstad. Dankzij de
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 33
gemeentelijke bijdrage en gebruik van gesubsidieerde arbeid is het mogelijk om ondernemers tegen een tarief tussen de 52 en 100 euro een abonnement aan te bieden. Hiervoor maakt de Roteb 12 keer de gevel schoon. Om de bereidheid tot participatie door ondernemers te vergroten wordt de graffiti de eerste keer koste loos verwijderd. Het streven is om alle graffiti binnen 48 uur te verwijderen (racistische of andere aanstootgevende uitingen worden binnen 24 uur verwijderd) om zodoende graffiteurs te ontmoedigen. Momenteel heeft Roteb zo’n 800 abonnementen met ondernemers afgesloten.
integrale aanpak
Den Haag kent al een aantal jaren een integrale aanpak voor het bestrijden van graffiti. Een recente evaluatie (Evaluatie graffiti 1999-2005) laat zien dat gemeente en grote onroerendgoed eigenaren hun best doen om hun bezit ver schoond van graffiti te houden. Ook is de opsporing van daders verbeterd. Om de effectiviteit en duurzaamheid van de aanpak verder te vergroten vindt de gemeente het van belang om ook meer aandacht te besteden aan handhaving. Een hardere aanpak van daders en een grotere betrokkenheid van pandeigenaren en gebruikers, zoals winkeliers, zijn daarbij de uitgangspunten. Binnenkort start een pilot voor deze aanpak in het kernwinkelgebied van Den Haag. De bedoeling is dat de gemeente Den Haag namens eigenaren van bekladde gebouwen bij de politie aangifte gaat doen en de kosten voor de schoonmaak verhaalt op de dader. Aan pand eigenaren wordt hiertoe een schoonmaak regeling aangeboden. Voor een bijdrage van 50 euro per jaar, waarbij de eigenaar de gemeente wel moet machtigen, wordt het pand gedurende een jaar vrijgehouden van graffiti. Door de eigen bijdrage en het feit dat pandeigenaren eventuele nieuwe bekladdingen dienen te melden bij de
registratiesysteem politie haaglanden De politie Haaglanden heeft een databestand aangelegd met allerlei gegevens over de aangetroffen graffiti en eventuele daders. Door de invoer van verschillende kenmerken kunnen daders effectiever worden opgespoord en vervolgd. Het systeem laat eenvoudig nieuwe incidenten toevoegen, beschikt over een opslagcapaciteit voor digitale foto’s en is gekoppeld aan het bedrijfsprocessensysteem Genesys van de politie Haaglanden. Eerder gedane aangiften, mogelijke werkwijzen van bekende daders en hun geografisch werkgebied kunnen regiobreed worden geselecteerd en bekeken. Het opzetten van het systeem heeft relatief weinig middelen gekost. Op basis van een aantal proefzaken is gebleken dat het oplossingspercentage in het tweede jaar na ingebruikneming steeg van 0 procent (bij de start) tot 15 procent. In ongeveer 80 procent van de opgeloste zaken kon de schade daadwerkelijk op de dader worden verhaald. In het afgelopen jaar (2005) zijn er met behulp van de database 141 buiten-heterdaadzaken opgelost — variërend in bedragen van 50 euro tot meer dan 200 000 euro
gemeente, wordt de betrokkenheid van particu liere pandeigenaren vergroot. Verondersteld wordt dat een dienst meer wordt gewaardeerd als die niet gratis is. De eigen bijdrage is nodig om tegemoet te komen aan de kosten van eventuele opschaling van de aanpak in de rest van de stad. Voor het doen van aangifte worden afspraken gemaakt met de politie Haaglanden, die beschikt over een graffitiregistratiesysteem. Zodoende wordt zowel de opsporing als de effectiviteit van dadervervolging en het verhalen van schade op daders verbeterd.
grijs gebied
De hiervoor beschreven beste praktijken tonen aan dat succesvolle initiatieven voor de aanpak van graffiti bestaan. Niettemin is ons een aantal zaken opgevallen. Het graffitiprobleem kent – in tegenstelling bijvoorbeeld tot (zwerf)afval – als beleidsvraagstuk in de praktijk vaak geen duide lijke verantwoordelijke binnen vooral de lokale overheid. Vanwege de verschillende percepties op graffiti (‘tussen kunst en criminaliteit’) heeft het onderwerp geen vaste plek bij overheids
34 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
organisaties. Op z’n best wordt het door een geëngageerde ambtenaar als een aspect van de kwaliteit van de openbare ruimte opgepakt. Het grijze gebied tussen kunst en criminaliteit én de vaak relatief lage prioritering binnen de driehoek van gemeente, politie en openbaar ministerie lijken er debet aan dat ferm overheidsoptreden is uitgebleven. Gezien de aard van de problematiek (experts wijzen er keer op keer op dat een relatief kleine ‘harde kern’ van graffitispuiters verantwoordelijk is voor een relatief groot deel van de totale hoeveelheid graffiti in Nederland) zou een professioneel netwerk van graffitihandhavers nuttig werk kunnen doen. Veel door ons gesignaleerde voorbeelden van combinaties van handhaaf- en gedoogbeleid (kladverbod én graffitivrijplaatsen)
aanpakken zijn geneigd hun ‘eigen’ oplossingen te zoeken, meestal gericht op ontmoediging van graffitischrijvers – door snel schoonmaken en preventie, bijvoorbeeld het beveiligen van materieel. De vaak bescheiden inbreng van de bestuurlijke sector en twijfels over de efficiëntie van het handhavingssysteem, spelen in de afweging om de eigen verantwoordelijkheid te nemen, een duidelijke rol. Maar gezamenlijke aanpakken vanuit overheid én particuliere sector sorteren wel degelijk aantoonbaar effect in het terugdringen van graffiti. Een eenmalige investering in een registratiesysteem, zoals gedaan in de politieregio Haaglanden, laat bijvoorbeeld zien wat een duidelijke beleids- en handhavingsprioritering kan opleveren: verbeterde oplossingspercentages en verhaal mogelijkheden. Kortom, gezamenlijke aanpakken Op z’n best wordt het door een gekenmerkt door bestuurlijke prioritering van geëngageerde ambtenaar als een graffitibestrijding, de inzet van meerdere instrumenten en het benadrukken van de aspect van de kwaliteit van de maatschappelijke én juridische verantwoorde lijkheid van eigenaren, blijken effectief in het openbare ruimte opgepakt duurzaam bereiken van minder graffiti.
Als deze hebben per saldo vaak niet tot maatschappelijke bovendien onderdeel uit maken van een nadruk winst geleid, ook omdat een kritisch handhavings kelijk ‘veiligheidsoffensief’ met alle grotere geluid ontbrak. publieke en private partijen (denk bijvoorbeeld aan het Utrechtse stationsgebied) gericht op Grosso modo kunnen de maatregelen tegen ‘schoon, heel en veilig’ is daling van onveiligheids graffiti worden onderscheiden in drie catego gevoelens en criminaliteit binnen bereik met als rieën, onder te verdelen in preventieve én neveneffect minder graffiti. Ook buitenlandse repressieve aanpak: situatiegericht (schoon voorbeelden zoals dat van de Duitse stad maken en beschermen van object), dadergericht Frankfort aan de Main onderstrepen het belang (voorlichting, scholing, maar ook verhogen van van een bredere aanpak: daar is een brede coalitie pakkans en het verhalen van schade) en slacht tegen graffiti actief, die is samengesteld uit de offergericht als het gaat om groepen zoals stad Frankfort, alle grote vervoerders, energie vervoersbedrijven en winkeliers (vergroten van leverancier, de grootste woningbouwvereniging aangiftebereidheid, aanspreken van eigenaren en gemeente- en federale politie. van gebouwen). Met name de Haagse aanpak maar ook de aanpak van het GVB laten een integrale aanpak zien. Partijen die schade en overlast van graffiti willen
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 35
De belangrijkste les? Graffiti vraagt: (1) prioritering, (2) organisatie van de samenwerking, en (3) gelijktijdige inzet van verschillende instrumenten. Op zich is dat niet nieuw, experts wijzen hier al jaren op. Wel lijkt sprake van een gevoel van urgentie: vanuit de landelijke overheid wordt gepleit voor een hardere aanpak van graffiti en worden verschil lende mogelijkheden onderzocht om de aanpak te faciliteren. Onder meer door de haalbaarheid van een landelijk graffitiregistratiesysteem te onderzoeken en door de mogelijkheden voor het opstellen van richtlijnen voor het aanspreken van pandeigenaren te bekijken. Conclusie? Niet kletsen maar poetsen én handhaven! <<
www Op de website van het programma Handhaven op Niveau zijn een aantal best practices voor de aanpak van graffiti te downloaden, zie www.handhavenopniveau.nl Het tienpuntenplan (Graffiti te lijf) van de Tweede Kamerleden Van Heemst en Van Haersma Buma is te downloaden van www.hetccv.nl De brief van minister Donner is te downloaden van www.justitie.nl en van www.overheid.nl (vergaderjaar 2005-2006, 30 300 VI, nr. 110). In de brief wordt onder meer een haalbaarheidsstudie aangekondigd naar de mogelijkheden van een landelijk registratiesysteem voor graffiti. Ook wordt de mogelijkheid van richtlijnen overwogen om pandeigenaren in het uiterste geval te kunnen verplichten om graffiti te (laten) verwijderen. De evaluatie van de integrale aanpak van graffiti in Den Haag is beschreven in een persbericht van de gemeente van 13 december 2005, zie www.denhaag.nl Blijkens de evaluatie zetten gemeente en grote onroerendgoed eigenaren hun beste beentje voor om hun bezit graffitivrij te houden. In gebieden die graffitivrij zijn gemaakt en daarna zo vrij worden gehouden, wordt minder verse graffiti gespoten. Ook blijkt dat particuliere eigenaren zich helaas onbetuigd laten in de gemeentelijke aanpak van graffiti. De opsporing is merkbaar verbeterd – meer daders worden daadwerkelijk aangehouden en gestraft.
De gemeente ziet op basis van de uitkomsten van de evaluatie ervan af om particuliere eigenaren nog langer rechtstreeks te benaderen voor een (eerste) gratis schoonmaakbeurt van graffiti. Zij kregen dat van de gemeente aangeboden onder voorwaarde dat zij in de toekomst hun eigen pand schoon zouden houden. Slechts 5 procent van de 6250 eigenaren die de gemeente hiervoor heeft uitgenodigd gaf gehoor aan de uitnodiging. Particuliere eigenaren komen nog steeds in aanmerking voor de gratis schoonmaakbeurt, maar de gemeente zal hen alleen niet meer actief daarvoor benaderen. Meer informatie over de antigraffiticoalitie in Frankfort is te vinden op www.anti-graffiti-rheinmain.de
36 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
Illustratie: Hans Sprangers
huiselijk geweld schiet omhoog Politie krijgt meer meldingen
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 37
Een analyse van gegevens van de politieregio’s onthult een frappante toename van zowel het aantal aangiften van mishandeling in de familiekring als het aantal verdachten van mishandeling in familieverband. In de vier grote steden worden steeds meer gevallen van mishandeling van of door een familielid bekend bij de politie. De stijging is echter niet klip-en-klaar: zij wordt gerelativeerd door de prioriteit die de korpsen geven aan deze vorm van mishandeling en de inspanningen die ze zich daarbij getroosten.
door Kavita Lakhi, Hervy de Miranda en Iet Voorhoeve De auteurs zijn werkzaam bij de dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) van het Korps landelijke politiediensten (KLPD). De laatste jaren staat het probleem van huiselijk geweld hoog op de agenda van de overheid. In 2002 benoemde het kabinet in de nota Privé geweld – publieke zaak huiselijk geweld als de meest voorkomende vorm van geweld in onze samenleving. De wenselijke aanpak van het probleem typeerde het kabinet als een “duidelijk herkenbaar onderdeel van het veiligheidsbeleid”. Voor een effectiever optreden van de politie en het openbaar ministerie (OM) vaardigde het college van procureurs-generaal een aanwijzing uit. Doel is onder meer om de aangiftebereidheid van slachtoffers te vergroten. Wanneer sprake is van een bewijsbaar strafbaar feit moet in beginsel vervolging plaatsvinden. De politie moet de verdachte terstond aanhouden bij een redelijk vermoeden van schuld bij een heterdaad situatie. Door de toegenomen aandacht voor opsporing en vervolging krijgt de politie dan ook steeds meer met gevallen van huiselijk geweld te maken. Het landelijk programmabureau huise lijk geweld presenteerde onlangs het rapport Binnen zonder Kloppen, dat de nieuwste politie cijfers bevat over aard en omvang van huiselijk geweld. In 2005 zijn 57 421 gevallen van huiselijk geweld bij de politie bekend.
Dat blijkt uit de bedrijfsprocessensystemen (BPS) van de regio nale politiekorpsen. Daarnaast biedt het rapport belangwekkende achtergrondinformatie over doelgroepen, daders en vormen van huiselijk
geweld. Met huiselijk geweld wordt geweld bedoeld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer wordt gepleegd zoals (ex-) partners, gezinsleden, familieleden en huis vrienden. Het begrip ‘huiselijk’ benadrukt vooral de relatie tussen dader en slachtoffer en niet zozeer de pleegplaats. Een ándere bron van gegevens waarin huiselijk geweld kan worden zichtbaar gemaakt zijn de herkenningsdienstsystemen (HKS) van de politieregio’s. Maar omdat in HKS de pleegplaats wordt geregistreerd en niet zozeer de relatie tussen dader en slachtoffer, kan uit HKS geen volledig beeld worden verkregen. Analisten van de dienst Nationale Recherche Informatie (DNRI) van het Korps landelijke politiediensten (KLPD) hebben zich verdiept in de aangiften en verdach ten van huiselijk geweld. De gegevens over aangiften zijn gebaseerd op de HKS-registraties van zestien regiokorpsen, terwijl de gegevens over de verdachten afkomstig zijn van alle korpsen. De analisten hebben de regionale gegevens samengevoegd tot één landelijk HKSbestand. Hieruit kan een deel van huiselijk geweld worden belicht: mishandelingen binnen familierelaties aan de hand van het wetsartikel 304.1 van het Wetboek van Strafrecht. In HKS is dan ook gekeken naar registraties met een verwijzing naar artikel 304.1 WvSr. Ondanks het feit dat slachtoffers niet gauw aangifte doen, is het door toepassing van artikel 304.1 WvSr.
toch mogelijk een beeld te vormen in HKS van de aangiften en verdachten waarvan met zekerheid sprake is van huiselijk geweld.
38 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
In eerste instantie moet worden achterhaald of er sprake is van een relatie tussen het slachtoffer en de dader. Bij mishandeling die door een familielid wordt gepleegd, kan strafverzwaring worden opgelegd op grond van artikel 304.1 van het Wetboek van Strafrecht. Dit kan alleen worden opgelegd bij een mishandeling (art. 300-306 WvSr.) wanneer de verdachte dit misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn wettige vader, zijn echt genoot, zijn geregistreerde partner of zijn kind. Dat betekent dat níét worden belicht: gevallen waarin mensen niet met elkaar gehuwd zijn, of waarin zij geen geregistreerd partnerschap of familieband hebben (bijvoorbeeld samen wonende stellen, mensen met latrelaties en huisvrienden).
onderzoek De gegevens over de periode 1999-2004 zijn afkomstig uit de Landelijke criminaliteitskaart 2004. De cijfers over 2005 zijn op dit moment nog niet beschikbaar. De volledige gegevens van het onderzoek van de politieregio Amsterdam-Amstelland zijn: Huiselijk geweld in de politieregio Amsterdam-Amstelland, Valérie Peeck, Bureau Managementinformatie en Onderzoek, 2005.
oorzaken denkbaar. De HKS-gegevens kunnen hierover echter geen uitsluitsel geven. Recente gegevens uit het bedrijfsprocessensysteem van de politieregio’s laten zien dat er steeds meer meldingen van huiselijk geweld binnen komen. Tevens wordt er vaker ambtshalve iets onder nomen en is een incidentcode ingevoerd om stijgende lijn meldingen en incidenten van huiselijk geweld Kijken we naar de ontwikkelingen van 1999 tot beter in het bedrijfsprocessensysteem te en met 2004 dan zien we een sterk stijgende lijn. registreren. In 2005 is een landelijk onderzoek Zowel het aantal aangiften van mishandeling in gedaan op basis van BPS-/Xpol- en Genesys de familiekring als het aantal verdachten van registraties van alle politieregio’s waarbij mishandeling in familieverband neemt de laatste getracht is een representatief beeld te geven van jaren buitenproportioneel toe. Het aantal aan enkele kenmerken en achtergronden van huise giften van geweld in de familie of het gezin is lijk geweld en verdachten. In dit onderzoek wordt sinds 1999 ruim zesmaal zo groot geworden ten gesproken over ‘het topje van de ijsberg’. Het bleek opzichte van het totaal aantal aangiften van onder andere dat slechts een derde van de inciden mishandeling. Deze laatste groep is met 23 ten van huiselijk geweld die bij de politie werden procent gestegen. Het aantal personen in gemeld tot aangifte heeft geleid.
Dit komt door de Nederland dat verdacht wordt van deze vorm van relatief lage aangiftebereidheid bij slachtoffers. huiselijk geweld is in die periode ongeveer acht Bij strafbare feiten waarna een aangifte volgt, keer zo groot geworden. Voor deze toename van werd in 60 procent van de gevallen van huiselijk het aantal aangiften en verdachten van mis geweld een verdachte aangehouden. handelingen in de familiekring zijn verschillende
Tabel 1> Het aantal aangehouden verdachten van mishandeling in de familiesfeer (WvSr. 304.1) naar gemeentegrootte, 1999-2004
1999
2000
2001
2002
2003
minder 10 000
7
2
10
18
34
2004
42
10 000 tot 50 000
100
112
186
319
503
764
50 000 tot 100 000
52
59
114
163
289
385
100 000 tot 250 000
57
74
148
289
432
585
250 000 of meer (G4)
72
90
133
264
390
504
totaal
288
337
591
1053
1648
2280
(G4)% van totaal
23,8
26,1
22,5
25,1
22,4
22,1
Tabel 2> Het aantal aangehouden verdachten van mishandeling in de familiesfeer (WvSr. 304.1) in de vier grote steden, 1999-2004
1999
2000
2001
2002
2003
2004
Amsterdam
28
18
15
67
53
102
Rotterdam
15
15
14
23
35
30
Den Haag
14
25
74
118
179
245
Utrecht
15
32
30
56
123
127
totaal
72
90
133
264
390
504
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 39
Uit de registraties van HKS zijn enkele kenmerken www van verdachten van mishandeling in familie De kabinetsnota Privé geweld – publieke zaak is te downloaden van verband naar voren gekomen. Zo is 95 procent www.huiselijkgeweld.nl evenals de aanwijzing van het openbaar van de verdachte personen van het mannelijk ministerie voor het optreden van politie en openbaar ministerie bij geslacht met een gemiddelde leeftijd van 36 jaar. huiselijkgeweldzaken. Ruim 60 procent van de verdachten heeft de Het rapport Binnen zonder kloppen. Omvang, aard en achtergronden in leeftijd van 25 tot 44 jaar. De helft van de 2005 op basis van landelijke politiecijfers, H.B. Ferwerda, Advies- en Onderzoeksgroep Beke, 2006, is te downloaden van www.beke.nl verdachten is geboren in Nederland (waaronder ook tweedegeneratieallochtonen). Deze resul taten worden door een onderzoek van de politieregio Amsterdam-Amstelland gestaafd. De sterk stijgende ontwikkeling geeft aan dat in de vier grote steden steeds meer gevallen van de vier grote steden mishandelingen van of door een familielid bij Ongeveer een kwart van de verdachten van de politie bekend worden. Overigens zeggen de mishandeling in de familiesfeer komt uit de vier cijfers meer over de inspanningen en prioriteiten grote steden (zie tabel 1).
Het aantal aangehouden die de korpsen aan deze vorm van mishandeling verdachten per stad in de periode 1999-2004 geven dan over het werkelijke aantal gevallen wordt in tabel 2 aangegeven. hiervan. Sinds huiselijk geweld hoog op de agenda van de overheid staat en prioriteit wordt gegeven aan de strafrechtelijke afhandeling van Ongeveer een kwart van de deze vorm van geweld, is er een toename te zien verdachten van mishandeling in van het aantal gevallen van huiselijk geweld. <<
de familiesfeer komt uit de vier grote steden schade 62%
Voor meer informatie: KLPD/DNRI, T (079) 345 97 03 of e‑mail DNRI@klpd.politie.nl
Zie ook: Landelijk programmabureau huiselijk geweld,
Het aantal aangehouden verdachten van T (078) 680 89 83. mishandeling in de familiesfeer is in de loop der jaren toegenomen. Om de ontwikkelingen ten aanzien van deze aangehouden verdachten in de vier grote steden in beeld te brengen, zijn de preventiemaatregelen 17% aantallen omgezet in indexcijfers waarbij de index 1999 op 100 is gesteld. De stijging ten opzichte van 1999 is weergegeven in de grafiek.
Figuur 1> Ontwikkeling van het aantal aangehouden verdachten van mishandeling in de familiesfeer (index 1999=100) overheidsreactie 21% indexcijfers 1800
den haag
1600 1400 1200 1000 utrecht
800
totaal 600 400
amsterdam
200
rotterdam
0 1999
2000
2001
2002
2003
2004
40 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
leven op het breukvlak essay Jeugdgroepen in conflict
Illustratie: Hans Sprangers
Het perspectief dat Frederic Trasher in het begin van de twintigste eeuw hanteerde om het ontstaan van jeugdbendes te verklaren, is nog steeds actueel, betoogt Frank van Gemert. Het is relevant om groepen te kunnen begrijpen die botsen met de buurt, zoals in de Diamantbuurt, maar ook groepen die rebelleren tegen de samenleving — in de vorm van antisemitisch gedrag of het verstoren van betogingen, om maar wat te noemen.
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 41
door Frank van Gemert De auteur is als universitair docent verbonden aan de sectie criminologie van de Vrije Universiteit te Amsterdam. Met de hangjeugd van de hoofdstedelijke Diamantbuurt, de groepsverkrachtingen en geweldsdelicten in Rotterdam, en spanningen na levensdelicten in Den Helder, worden de meer bekende voorbeelden van de problematiek rond jeugdgroepen opgesomd. De reeks berichten in dag- en weekbladen over hinder, overlast en criminaliteit van groepen jeugdigen is echter schier eindeloos. De laatste jaren lijkt sprake van een toename, maar een niet al te ingewikkelde zoektocht laat zien dat er bijvoorbeeld eind jaren tachtig Marokkaanse jeugdbendes in de
Amsterdamse wijk Osdorp en op de Wallen worden gesignaleerd, terwijl midden jaren negentig vooral in Den Haag groepen de aan dacht trekken die zich, in navolging van gangs uit Los Angeles, ‘Crips’ noemen. Het ministerie van Justitie heeft het probleem van de jeugdgroepen onderkend en bij de aanpak heeft de politie Haaglanden een zekere pioniers rol vervuld, maar uiteindelijk zijn het de lokale overheden die zich moeten buigen over deze problematiek. Dat leverde in eerste instantie een baaierd aan projecten op, de laatste jaren is vooral de politie meer vanuit een gestandaardiseerde benadering gaan werken. Jeugdgroepen worden geïnventariseerd, geteld en in typologieën ingepast. Ondanks meer stroomlijning blijkt een
42 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
geschikte aanpak niet vanzelfsprekend te distil leren. Deze weerbarstigheid laat zich grofweg op twee manieren verklaren. In de eerste plaats is de problematiek geworteld in een sociale context en heeft men te maken met probleemwijken en achterstandsgebieden, of in ieder geval met buurten waar de sociale cohesie niet optimaal is, en waar jeugdgroepen zich niet als geïsoleerd probleem laten aanpakken. In de tweede plaats draait het om jeugd, en daarvan verschijnen steeds nieuwe cohorten ten tonele. Is de ene groep jongens op het rechte spoor gezet, dan kloppen hun jongere broertjes aan de poort. Komen jeugd groepen in het nieuws, dan richt men zich op het gedrag van de jongeren. Vanwege zichtbaarheid van de regelovertreding en slachtofferschap is
Jeugdgroepen worden geïnventariseerd, geteld en in typologieën ingepast
geografische spreiding van gangs over de stad. Gangs floreren in de overgangsgebieden tussen wijken die een herkenbare functie en stabiele populatie hebben. Daarnaast spreekt hij van adolescentie als breukvlak tussen jeugd en volwassenheid. Jongeren bevinden zich tevens op het maatschappelijk breukvlak tussen school en
Is de ene groep jongens op het rechte spoor gezet, dan kloppen hun jongere broertjes aan de poort werk, een situatie waarin ze ontworteld kunnen raken. Thrasher stelt dat de meeste gangs als gevolg hiervan in een instabiel evenwicht verkeren. Zij komen in conflict met andere gangs omdat ze elkaars privileges, goederen of territo rium betwisten. Ze komen ook in conflict met de respectabele samenleving omdat ze conventies aan hun laars lappen. Conflicten vormen een bedreiging voor de gang, maar men put er ook kracht uit. Conflicten brengen de leden bijeen en verdrijven de verveling. De kern van Thrasher’s definitie luidt daarom: een gang is een groep op een breukvlak, met een toevallige ontstaans geschiedenis, die pas door conflicten een eenheid werd (“a gang is an interstitial group originally formed spontaneously, and then integrated through conflict”, p. 57).
verandering van dat gedrag de eerste prioriteit. De overlast of de delicten gepleegd door groeps leden bepalen dus de agenda, maar men kan ze ook zien als de uitkomsten van een proces op een hoger abstractieniveau: problematische jeugd groepen zijn jeugdgroepen die in een conflict zijn verwikkeld. In Amerika spreekt men in deze context over gangs. Gangs stel ik gelijk aan jeugd bendes. Hoewel niet alle jeugdgroepen voor jeugd bendes kunnen doorgaan is het thema van Hoewel Thrasher aan de wieg stond van wat conflict op beide toepasbaar. inmiddels een enorme hoeveelheid onderzoek naar gangs is geworden, is het perspectief van het perspectief breukvlak en van een groep in conflict nog steeds In zijn monumentale studie The Gang uit 1927 zeer bruikbaar. Sterker nog, dit perspectief werpt spreekt Frederic M. Thrasher over gangs als zeer interessante nieuwe onderzoeksvragen op. interstitial groups, wat zoveel wil zeggen als: In dit korte opstel verken ik een aantal typen van groepen op een breukvlak (interstice betekent conflicten die jeugdgroepen kunnen aangaan. letterlijk: tussenruimte). Hij vult dat in op Ik doe dat aan de hand van twee vragen: Met wie verschillende manieren. Als eerste wijst Thrasher is de groep in conflict? Wat is de inzet van het als representant van de Chicago School op de conflict?
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 43
botsen met de buurt
De Diamantbuurt kan als voorbeeld dienen van het eerste type. Jongeren hangen op straat, vervelen zich en veroorzaken overlast doordat ze luidruchtig zijn, dingen kapot maken en zich onfatsoenlijk gedragen. Als gevolg ontstaan aanvaringen met buurtbewoners en winkeliers. Degenen die klagen kunnen de groep verder tegen zich in het harnas jagen en kleine incidenten groeien soms uit tot slepende conflicten die diep ingrijpen in de buurt. De jongeren zijn vaak anoniem en het is lastig om hun ouders te trace ren en hen mede-eigenaar van het probleem te maken. Anders dan in homogeen samengestelde buurten, blijkt dat bewoners een kwetsbare positie hebben. Het zinnetje ‘Ik weet waar je woont’, wordt hier niet gebruikt door de buurt bewoner die ouders van een lastige jongen zal inlichten, maar door jongeren die zo tegengaan dat een klacht de politie bereikt. Incidenteel zetten zij dit dreigement kracht bij door ongezien een steen door de ruiten te gooien of banden lek te steken. Buurtbewoners die in deze situatie geen effectieve steun van de politie krijgen, leren dat ze in het conflict het onderspit delven; ze trekken zich terug of verhuizen (Van Gemert 2002), zoals Bert en Marja uit de Diamantbuurt deden. Dit type conflict treft men aan in grote en middelgrote steden.
Het is opvallend dat veel van dit soort groepen uit Marokkaanse jongens bestaan, maar het type blijft zeker niet voor hen gereserveerd.
kaïn en abel
Crips en Bloods zijn de verzamelnamen van een groot aantal gangs in Los Angeles. Elk van deze gangs bevolkt een bepaalde buurt en ontleent haar identiteit mede aan die woonomgeving, die zij als hun territorium beschouwen. Leden worden homeboys of homies genoemd. Het betreden van de wijk van een ander en het plaatsen van graffiti kan heftige reacties oproepen. Deze gangs bevolken als regel de arme
www De website van de gemeente Amsterdam – www.eenveiligamsterdam.nl – biedt een aantal te downloaden beleidsdocumenten voor een groeps aanpak. Zoals: Stramien voor een plan van aanpak. Groepsaanpak Amsterdam – van Advies- en Onderzoeksgroep Beke, waarmee het gedrag en de kenmerken van problematische jeugdgroepen en de individuele groepsleden in kaart kan worden gebracht en een aanpak kan worden opgesteld – en een beschrijving van de methodiek voor een groepsaanpak, getiteld: Groepsaanpak Amsterdam. Handreiking voor de praktijk. Van dezelfde website is een plan van aanpak te downloaden gericht op de groep jongeren die voor ernstige overlast zorgde in de Diamantbuurt (Diamantgroep. De aanpak gebundeld, Henk Ferwerda, 2005). Lezing van het rapport biedt een leerzame casestudy voor de wijze waarop een groepsaanpak tot stand kan komen. De groepsaanpak wordt geformuleerd op basis van een probleemanalyse van de groep, gesprekken met sleutelinformanten, informatie uit bewonersbijeenkomsten en beleidsplannen. De aanpak kent drie onderdelen: een groepsgerichte aanpak, een situatie- of domeingerichte aanpak, en een persoonsgerichte aanpak.
Geconstateerd wordt dat het opstellen van een plan van aanpak op basis van een probleemanalyse, in samenwerking met alle professionals die in een gebied werkzaam zijn, niet automatisch betekent dat de actiepunten van het plan ook succesvol kunnen worden uitgevoerd. Er moet rekening worden gehouden met een aantal kritische risico- en succesfactoren voor een succesvolle uitvoering van de aanpak zoals: continuïteit in de bezetting (bij organisaties die met probleemjongeren werken) en stroperigheid in de aanpak (trage bestuurlijke besluitvorming). Ook van de site van de gemeente Rotterdam – opgroeien.rotterdam.nl – zijn publicaties te downloaden voor een groepsaanpak. Het betreft een methodiek voor een groepsaanpak en een handleiding daarover. In de Methodiek voor de aanpak van problematische jeugdgroepen wordt uiteengezet wat de groepsaanpak inhoudt en wordt ingegaan op de organisatie van de groepsaanpak en de verschillende actoren die deze aanpak kent. Tevens worden de belangrijkste bevindingen uit een eerste evaluatie van de inzet van deze methodiek in Rotterdam beschreven. De publicatie doet ook een handreiking voor het maken van een plan van aanpak en een checklist voor toepassing van de groepsaanpak.
Met de Handleiding voor de aanpak van jeugdgroepen wil het Programma bureau Veilig van de gemeente Rotterdam de deelgemeenten een praktisch instrument aanreiken voor de aanpak van jeugdgroepen.
44 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006
delen van de stad, de getto’s. De leden hebben een lage maatschappelijke positie en zij worden dage lijks met schaarste geconfronteerd. De gangs bekampen elkaar en daarbij is opvallend dat dit conflict speelt tussen partijen die in veel opzichten gelijk zijn. Verschillen zijn te zien in symbolen verwerkt in kleding, graffiti, taal gebruik en gebaren, maar die verschillen zijn subtiel en voor buitenstaanders moeilijk waarneembaar. Het conflict tussen groepen die elkaars gelijken zijn is in Nederland te herkennen in de vechtpartijen van plattelandsjeugd op kermissen en in het uitgaansleven. In de grote steden treft men het weinig of niet aan.
komen in conflict met groepen die een andere stijl uitdragen. Sommige jeugdstijlen zijn gekoppeld aan etniciteit, voor andere, zoals hiphop, is dat in afnemende mate het geval. Het verschil met de conflicten van de Lonsdalegroepen wordt kleiner wanneer men de botsingen tussen Duitse Antifas (‘antifascisten’, veelal uit de grootstedelijke scene van krakers) en hun rechts-extremistische oppo nenten binnen deze categorie plaatst. Vooral in de kleinere gemeenten buiten de randstad wordt melding gemaakt van rechts-extremistische Lonsdalegroepen. In buitenwijken van Rotterdam is het ook waargenomen, in Amsterdam niet.
zwart en wit
In Scandinavië, maar ook in Engeland, Duitsland en Frankrijk doen zich met enige regelmaat botsingen voor tussen jeugdgroepen van etnische minderheden en andere met een white-powersignatuur. Lonsdale is een merk van kleding die tegenwoordig in Nederland veel gedragen wordt door jongeren met extreemrechtse sympathieën. Lonsdalegroepen, die zich negatief uitlaten over migranten, zoeken soms confrontaties op. Dat is onder andere in Zoetermeer het geval. Sinds de dood van Theo van Gogh is er een korte opleving geweest van dit soort conflicten. In feite deden die zich echter al voordien voor, zij het minder vaak dan in de andere genoemde landen. Met het kledingmerk heeft een bestaand verschijnsel deels een nieuw uiterlijk gekregen. Dit conflict lijkt een etnische dimensie te hebben omdat acceptatie van buitenlanders een terugkerend thema is.
Een laatste type is te herkennen in culturele rebellie, in een conflict van groepen met de respectabele samenleving. Hippies gebruikten drugs, verlegden de grenzen van seksualiteit en zetten zich daarmee af tegen de goegemeente. Dergelijk gedrag wordt afgekeurd omdat het strafbaar kan zijn, maar de botsing heeft ook een morele dimensie. Conventionele krachten willen het gedrag van de groep niet tolereren. Dit beperkt zich niet tot drugsgebruik, er kan ook gedacht worden aan gebruik van geweld of besmeuren van ‘heilige huisjes’. Groepen jongeren zijn antisemitisch of ze treiteren homoseksuelen. Men kan betogen dat zo’n groep botst met homo’s of joden, maar vooral ook met de maatschappelijke normen die voor schrijven hoe zij zich dienen te gedragen. Te denken is ook aan Marokkaanse jongens die betogingen verstoren. Afkeurende commentaren verschijnen vervolgens in de krant, wat weer
Een variant, die misschien ook als een apart type kan worden gepresenteerd, is het conflict tussen groepen met uiteenlopende jeugdstijlen. Te denken is aan de botsingen tussen de Britse Mods en Rockers uit de jaren zestig. Lokale jeugdgroepen die zich bekennen tot een stijl,
Als de groep voelt dat het gedrag een gevoelige snaar raakt en een afkeurende reactie losmaakt, krijgt het meer betekenis
rebels with a cause
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 45
bijdraagt aan stigmatisering van Marokkaanse jongeren in het algemeen. Hier gaat het niet om protest dat voortkomt uit maatschappelijke betrokkenheid of politieke idealen, maar om puberale dwarsheid die wordt ingegeven door een wens tot erkenning. Voor het groepsdynamische proces maakt dat overigens niet veel uit. Als de groep voelt dat het gedrag een gevoelige snaar raakt en een afkeurende reactie losmaakt, krijgt het meer betekenis. Dat vergroot de afstand met de brave burger en versterkt de cohesie binnen de groep.
vragen
De weergegeven indeling in typen is nog niet volledig uitgekristalliseerd. De scheidslijnen zijn misschien minder scherp dan ze op het eerste gezicht lijken. De twee onderliggende vragen over de partijen en de inzet van het conflict kunnen niet alle aspecten goed belichten. Zo is de grens tussen groep en jeugdstijl of beweging niet goed afgebakend, en de vraag in hoeverre de groepen zichtbaar in de publieke ruimte aanwezig moeten zijn is ook niet beantwoord. Het hier gepresen teerde biedt ook niet een uitputtende inventari satie, maar dat de verschillende typen een ongelijkmatige spreiding vertonen is wel duide lijk. Dit werpt belangwekkende vragen op over de relatie tussen de typen en de context waarin ze worden aangetroffen. Hoe is bijvoorbeeld te verklaren dat in Amsterdam het type van botsen met de buurt overheerst, terwijl zwart-wit botsingen vrijwel ontbreken? Waarom treft men dit laatste type juist vooral buiten de grote steden? En verder, hoe is te begrijpen dat het spreidingspatroon in Nederland afwijkt van dat in andere landen? Komt men dan uit bij etnisch culturele factoren die een verklaring kunnen bieden of is het de sociaaleconomische of politieke achtergrond die de doorslag geeft? Genoeg vragen voor onderzoek. <<
Literatuur F. van Gemert. ‘Botsen met de buurt. Overlast en de wisselwerking tussen jeugdgroepen en de buitenwereld’. In: Tijdschrift voor Criminologie, jrg. 44 (2002), nr. 2, pp. 162-171. F. Thrasher. The gang. A study of 1303 gangs in Chicago. Chicago, University of Chicago Press, 1927.
46 secondant #3/4 | juli-augustus 2006
Senang in Rotterdam Binnenstad en station voelen veiliger
Omdat de veiligheid van het publiek op en rondom het Centraal Station en in het Stadscentrum van Rotterdam dreigde te ontsporen, sloegen de gemeente en tal van organisaties – van de Dienst Stadstoezicht tot de spoorwegpolitie – in 2003 de handen ineen om de veiligheid van het publiek te verbeteren. Het veiligheidsgevoel gaat sindsdien met reuzenschreden de goede kant op, blijkt uit een onderzoek onder het publiek van Bureau Onderzoek Op Maat te Rotterdam.
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 47
Op het Centraal Station in Rotterdam worden, met de invoering in 2003 van veiligheidsmaatregelen, minder bezoekers slachtoffer van veelvoorkomende criminaliteit | foto: Inge van Mill.
maatregelen getroffen om de veiligheid te verbeteren en de overlast te verminderen. Dit betrof onder meer de inzet van een stads marinier, een topambtenaar met speciale bevoegdheden en een eigen budget. Daarnaast is er geïnvesteerd in extra toezicht en een gezamen lijke aanpak waarbij alle belangrijke partijen worden betrokken.
toezichtmodel
Op het Centraal Station heeft de gemeente Rotterdam het initiatief genomen voor een gezamenlijke aanpak door de introductie van een toezichtmodel. Als partijen zijn hierbij betrokken: de regiopolitiedistricten, de Spoorwegpolitie/ KLPD, de Dienst Stadstoezicht, de NS en het Rotterdamse openbaarvervoersbedrijf RET. door Jolanda Verdurmen, Liesbeth Wendrich en Deze partijen werken samen in één team. Men Paul van Wensveen en met medewerking van maakt gebruik van een gezamenlijk portofoon Bert Kandel net, centrale briefingsruimte, een gezamenlijk Jolanda Verdurmen is directeur/projectleider registratiesysteem, en deelt de politie-informatie. van het Bureau Onderzoek Op Maat (BOOM) Op en rondom CS zijn camera’s opgehangen en te Rotterdam, Liesbeth Wendrich en Paul van wordt er intensief samengewerkt met andere Wensveen zijn onderzoeker bij het bureau, Bert partijen, bijvoorbeeld Marokkaanse vaders. Kandel is voormalig stadsmarinier Centrum van Ook in het Stadscentrum kwam een gezamenlijke de gemeente Rotterdam. aanpak van de grond. Verschillende partners verenigden zich om maatregelen uit te voeren in Het Centraal Station en het Stadscentrum van aanvulling op de reguliere aanpak in het kader Rotterdam waren de afgelopen jaren aangewezen van de wijkveiligheidsprogramma’s, die in alle als onveilige wijken op de Rotterdamse Veilig wijken worden gemaakt.
Te denken valt aan een heidsindex. Deze index vergelijkt de – objectieve antibedelcampagne, extra schoonmaken door en subjectieve – veiligheid in alle Rotterdamse verslaafden en daklozen, en de inzet van een wijken. Zowel op het Centraal Station als in het zorgmanager. Ook hier maakt een toezichtmodel Stadscentrum heeft de gemeente Rotterdam onderdeel uit van de gezamenlijke aanpak. In het
200
rotterdam
48 0special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006 1999
2000
2001
2002
2003
2004
Figuur 1> Centraal Station: percentage bezoekers dat zich veilig voelt
100%
90 83% 84%
78%
80
78%
80%
75%
70 68%
69%
68%
60
50
50%
40 jan ’03 jun ’03 okt ’03 jan ’04 jun ’04 okt ’04 jan ’05 jun ’05 okt ’05 jan ’06
90%
Stadscentrum participeren hierin particuliere 85 beveiligingsorganisaties. De gemeente heeft convenanten afgesloten met verschillende 80 partijen, onder andere met de parkeergarages (veiliger maken van de parkeergarages), met de 75 tien grootste kantoren, met bedrijven uit de fastfoodsector (zelf gebieden schoonhouden), 70 zaalverhuurders en uitgaansgelegenheden (ter65bestrijding van het wildplakken).
Op en rondom CS zijn camera’s 55 opgehangen en wordt er 50 intensief samengewerkt met jun ’03 mrt ’04 okt ’04 mrt ’05 andere partijen, bijvoorbeeld Marokkaanse vaders 60
70%
peilingen
60 inzicht in de effecten van al deze maat Voor regelen wordt niet alleen gebruik gemaakt van 50 politiegegevens, maar ook van enquêtegegevens. Het Programmabureau Veilig van de gemeente 40 Rotterdam peilt jaarlijks de mening van bewoners en ondernemers over de veiligheid in alle wijken. 30 zowel het Centraal Station als het Stads Voor centrum geeft dit echter geen compleet beeld 20 de grote bezoekersstroom. Daarom heeft gezien Bureau Onderzoek Op Maat (BOOM) in opdracht van10de stadsmarinier in beide gebieden regel matig enquêtes afgenomen onder de bezoekers. Om 0het effect van het beleid juist te kunnen
meten, is de eerste meting gedaan vóórdat de maatregelen werden ingevoerd. Op het Centraal Station vond de startmeting in januari 2003 winkelend publiek winkelpersoneel plaats. De meting is de afgelopen jaren herhaald – telkens in januari, juni en oktober. Inmiddels kantoorpersoneel groepsgemiddelde hebben we tien metingen uitgevoerd, waarbij per meting rond de 900 bezoekers zijn geïnterviewd. In uitgaanspubliek het Stadscentrum zijn vier soorten bezoekers onderscheiden: kantoorpersoneel, winkel personeel, winkelend publiek en uitgaanspubliek. Hier is de nulmeting in juni 2003 afgenomen, in oktober 2005 is de enquête voor de vijfde maal afgenomen. Per meting zijn rond de 1100 bezoekers ondervraagd. In beide enquêtes okt ’05 worden vragen gesteld over de beleving van veiligheid, de mate waarin bepaalde problemen voorkomen en slachtofferschap.
veiligheidsbeleving
Het gevoel van onveiligheid was bij de start van de gezamenlijke aanpak zeer groot. Sindsdien is de veiligheidsbeleving sterk verbeterd, zowel op en rondom het Centraal Station als in het Stads centrum (zie figuur 1 en 2). Het percentage van de bezoekers op het Centraal Station dat zich altijd veilig voelt, stijgt van 50 procent in januari 2003 tot liefst 84 procent in zwervers/bedelaars januari 2006. Opvallend is dat de verbetering in vervuiling op straat rondhangende jongeren en individuen de beleving van veiligheid steeds een piek kent in vervuiling op het station rondhangende junks juni, waarna de beleving stabiliseert, tot dat het dronkenschap zich een jaar later weer verbetert. We kunnen vermoeden dat hierbij seizoensinvloeden een rol
jan ’03 jun ’03 okt ’03 jan ’04 jun ’04 okt ’04 jan ’05 jun ’05 okt ’05 jan ’06
50
secondant #3/4 | juli-augustus 2006 49 50%
Figuur 2> Stadscentrum: percentage bezoekers dat zich veilig voelt 40 jan ’03 jun ’03 okt ’03 jan ’04 jun ’04 okt ’04 jan ’05 jun ’05 okt ’05 jan ’06
90% 85 80
winkelend publiek winkelpersoneel
75
kantoorpersoneel groepsgemiddelde
70 uitgaanspubliek
65 60 55 50 jun ’03
mrt ’04
okt ’04
mrt ’05
70% spelen. In de zomerperiode als het langer licht is, voelen mensen zich in het algemeen prettiger en 60 ook veiliger. Op dit moment is op Centraal dus Station een verbouwing gaande om de komst van de50Randstad Rail voor te bereiden. Dit heeft nog geen invloed gehad op de veiligheidsbeleving 40 de bezoekers. van 30 in het Stadscentrum is Ook het 20 gevoel van veiligheid aanmerkelijk verbeterd 10
okt ’05
extra toezicht wordt ingezet, op een aantal plaatsen wordt de verlichting verbeterd en er wordt extra schoongemaakt. Tevens heeft de politie regelmatig contact met de kantoren en maakt de gemeente via intranet haar inspan ningen en resultaten op het gebied van veiligheid kenbaar. In vergelijking met de andere groepen voelt het uitgaanspubliek zich het minst veilig. Dit heeft waarschijnlijk te maken met het tijdstip waarop het uitgaanspubliek zich in het Stads centrumzwervers/bedelaars bevindt, voornamelijk in de avond en in vervuiling op straat rondhangende jongeren en individuen de nacht. vervuiling op het station rondhangende junks dronkenschap
Ook in het Stadscentrum is het gevoel van overlast 0 veiligheid aanmerkelijk verbeterd. In oktober Om aan de weet te komen of er veel overlast jan ’03 jun ’03 okt ’03 jan ’04 jun ’04 okt ’04 jan ’05 jun ’05 okt ’05 jan ’06 2005 voelt driekwart van de bezoekers zich altijd wordt ervaren, is bij beide enquêtes steeds een veilig in het Stadscentrum tegen twee derde bij de lijst met mogelijke problemen voorgelegd aan nulmeting in juni 2003. De veiligheidsbeleving is de bezoekers. Het ging hierbij om thema’s zoals het sterkst gestegen bij het winkelpersoneel. zwervers en bedelaars, rondhangende junks, 70% Waarschijnlijk heeft het winkelpersoneel het vervuiling op straat enzovoorts. Gevraagd is hoe meest direct de gevolgen ervaren van het vaak men denkt dat de verschillende problemen 60 verscherpte toezicht en het toezichtmodel, in het gebied voorkomen. Bij het Centraal Station waarbij ook de particuliere beveiliging is is de mate van overlast in de beleving van 50 betrokken. Het winkelpersoneel is natuurlijk bezoekers de afgelopen jaren sterk gedaald. regelmatig in het gebied aanwezig en staat direct In figuur 3 is voor het Centraal Station de vervuiling op straat in40 contact met de particuliere beveiliging van hun ontwikkeling zichtbaar gemaakt voor de zes winkel.
Opvallend is dat de beleving van veilig problemen die in januari 2003 nog het meest 30 heid van het kantoorpersoneel eerst daalt, en voorkwamen. De grootste daling is zichtbaar bij rondhangende junks bedelaars vervolgens in maart 2005 weer sterk stijgt. het probleem van zwervers en bedelaars. dronkenschap gebruik van drugs in openbaar De20dalende lijn was aanleiding voor de stads Inslapende januarizwervers 2003 vond nog 69 procent van de marinier om met de tien grootste kantoren in bezoekers dat bedelaars vaak voorkwamen, dat 10 gesprek te gaan en met hen een convenant af te is nu gedaald tot 20 procent. Ook de score sluiten. Dat betekent dat rondom de kantoren bij rondhangende junks is sterk gedaald, van 0
jun ’03
mrt ’04
okt ’04
mrt ’05
okt ’05
55
50 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006 50
Figuurjun3>’03Centraal problemen, percentage vaak voor’ mrtStation: ’04 okt ’04 mrt ’05 okt‘komt ’05
70% 60 50 40 30 20
zwervers/bedelaars vervuiling op straat rondhangende jongeren en individuen vervuiling op het station rondhangende junks dronkenschap
10 0 jan ’03 jun ’03 okt ’03 jan ’04 jun ’04 okt ’04 jan ’05 jun ’05 okt ’05 jan ’06
70% 61 procent in 2003 tot 10 procent begin 2006. Naast de afname van overlast van bepaalde 60 groepen is ook de vervuiling sterk afgenomen, zowel op het station zelf als daarbuiten. Volgens 50publiek komen in het Stadscentrum eveneens het bijna alle voorgelegde problemen minder vaak 40 dan bij de nulmeting van juni 2003 (zie voor figuur 4). 30
Naast de afname van overlast 20 van bepaalde groepen is ook de 10 vervuiling sterk afgenomen, zowel op het station zelf als 0 jun ’03 okt ’04 mrt ’05 daarbuiten mrt ’04 De grootste daling is in het Stadscentrum zicht baar bij de overlast van bedelaars. In juni 2003 vond nog 63 procent van de bezoekers dat bedelaars vaak voorkwamen, dat is nu gedaald 400026 procent. Ook de aanwezigheid van rond tot hangende junks is sterk gedaald volgens de bezoekers van 58 procent naar 27 procent. Het probleem van vervuiling op straat bekleedt 3000 nu de eerste plaats, maar komt ook minder vaak voor dan in juni 2003. 2000 minder slachtoffers