CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1A Secondant2006_3-4_Graffiti te lijf_pagina 30

Gemeenteraad 24 september 2024, gemeente HoornBij agendapunt: Voorstel tot beheer en verwijdering van (aanstootgevende) graffiti28.458 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

SPECIAL>> VEILIGHEID IN DE G4 Slachtofferschap gekelderd | Dwarse jeugdgroepen | Jihadisering | Hoogleraar Opvoedkunde Jo Hermanns over het Rotterdamse jeugdbeleid

SECONDANT#3/4 Tijdschrift van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid juli-augustus 2006 | 20e jaargang | www.hetccv.nl

Inhoud

SPECIAL>> VEILIGHEID IN DE G4 radicalisering

Om ontluikende islamitische radicalisering, ook wel jihadisering genoemd, op het spoor te komen, moeten gemeenten informatie vergaren én duiden, zoals het Informatieschakelpunt in Rotterdam doet. Ontbureaucratisering – contacten op straatniveau en met de lokale gemeenschap – is wel een vereiste. En wat moet er worden gedaan aan dieper liggende oorzaken?

18

08

crimi-trends> slachtofferschap in de g4

De criminaliteit in de vier grote steden maakt een opzienbarende daling door, leert de Politiemonitor Bevolking.

12

rotterdams jeugdbeleid interview Hoogleraar algemene opvoedkunde

Jo Hermanns over het Rotterdamse jeugdbeleid: “Rotterdam kampt met een massieve jeugdproblematiek en moet oppassen voor Franse toestanden.”

26

schimmige verdachten

De vier grote steden tellen veel verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats.

30

graffiti

De grote steden verschieten niet langer van kleur bij de kleurige uitwassen van graffiteurs.

36

huiselijk geweld

De politie in de grote steden ziet steeds vaker verdachten van mishandeling in de familiesfeer. In deze stijging klinkt vooral prioriteitstelling van de korpsen door.

Omslag: Incidenten met rondhangende jongeren kunen uitgroeien tot slepende conflicten die diep in een wijk ingrijpen, zoals in de Diamantbuurt gebeurde | foto: Inge van Mill.

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 

40

botsende jeugdgroepen essay Met een klassiek perspectief kan ook het

conflictueuze gedrag van moderne jeugdgroepen, zoals de groep in de Diamantbuurt, worden verklaard.

46

>> overige artikelen

60

antigeweldsmaatregelen

Een researchsynthese van het Wetenschappelijk Onderzoeken Documentatiecentrum onthult effectieve maatregelen tegen geweld.

rotterdams veiligheidsoffensief

Overlast van zwervers, bedelaars en junks is verminderd op Rotterdam CS en in de binnenstad volgens geënqueteerde bezoekers, die zich veiliger zijn gaan voelen.

52

haagse binnenstad reportage Maatregelen om veelplegers en overlastgevers het gras voor de voeten weg te maaien in de Haagse binnenstad, zijn beloond met de Veiligheidsprijs Haaglanden 2005.

56

bedrijfsleven> rpc’s in de vier steden reportage In de G4 zwengelen de Regionale Platforms

Criminaliteitsbeheersing publiek-private samenwerking voor een veilig ondernemersklimaat aan. Plaatselijk verschillen de accenten en thema’s.

64

geweld op de werkvloer

De maatschappelijke verruwing van de omgangsvormen houdt niet op bij de werkvloer; geweld tegen werknemers vormt een groeiend probleem. Het Actieplan tegen geweld heeft maatregelen tegen de boosdoeners in petto.

>> vaste rubrieken 05 Redactioneel 06 Snippers 68 SECondant 69 Buitenlandse berichten 70 CCV-nieuws 71 Colofon

In dit nummer voor het eerst het essay, waarin een persoonlijk standpunt inzake een veiligheidsonderwerp wordt gestaafd met argumenten, feiten, en voorbeelden uit eigen of andermans onderzoek. De formele conventies qua schrijfstijl van andere genres, zoals onderzoeksverslagen, gelden niet per se. Een essay over jeugdgroepen bijt de spits af.

 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 

Redactioneel

Gemengde boodschap In de vier grote steden is het slachtofferschap van vrijwel alle vormen van veelvoorkomende criminaliteit met sprongen gedaald in de afgelopen periode van ruim tien jaar, constateert Tom van Dijk verheugd op basis van cijfers van de Politiemonitor Bevolking. Eenzelfde positieve boodschap met landelijke cijfers wordt al langere tijd uitgedragen maar lijkt nimmer te beklijven. Waarom sporen perceptie en werkelijkheid toch niet en hoe kunnen we beide meer overeen te laten komen, vraagt hij zich af. Met de vier grote steden is het thema van deze special genoemd, die in het teken staat van allerhande ontwikkelingen op veiligheidsgebied in wat in bestuurlijk jargon de G4 heet. De special wordt met ingang van dit jaar in de vorm van een dubbeldik zomernummer (3/4) gegoten, om het thema letterlijk en figuurlijk meer uit te kunnen diepen. Inwoners van de G4 zijn zich (aan­merke­ lijk) veiliger gaan voelen, laat de Politiemonitor zien. Dat betekent niet dat de grote steden geen zorgen kennen op veiligheidsgebied – waar veel buurtproblemen de afgelopen periode een verbetering laten zien, bewijst de overlast van groepen jongeren zich bijvoorbeeld als een hardnekkig probleem.

Het onveiligheidsgevoel onder de bevolking van de vier grote steden is aanmerkelijk verbeterd de laatste jaren, blijkt uit de Politiemonitor Bevolking / foto: Inge van Mill.

Een andere, recente zorg beschrijven Uri Rosenthal, Edward van der Torre en Marco Zannoni van het COT, Instituut voor Veiligheidsen Crisismanagement, in het hoofdartikel: islamitische radicalisering, door de AIVD jihadisering gedoopt. Rotterdam kent een zogenoemd informatieschakelpunt voor de vroegtijdige signalering van (soorten) radicalisering. Zij bepleiten dat alle grotere gemeenten, waarbij mogelijke radicalisering kan optreden, in ieder geval hun informatievoor­ ziening op peil brengen. Preventie van radicali­ sering krijgt in hun visie gestalte door rekening te houden met de achterstand die allochtone tieners kunnen ervaren en de onverschilligheid jegens de samenleving die daaruit kan voort­ vloeien. Beleid dat deze onverschilligheid tegengaat, met aandacht voor scholing, werk­ gelegenheid en antidiscriminatie­beleid, is “cruciaal”, aldus de auteurs. Met de veiligheid in de steden gaat het de goede kant op, maar er is nog werk te doen. << Alfred Hakkert



Snippers Tekst Alfred Hakkert. Aankondigingen, publicaties, persberichten en dergelijke kunnen aan de redactie worden gestuurd p/a Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, red. secondant (kamer 1623), Postbus 93012, 2509 AA Den Haag. E-mail alfred.hakkert@hetccv.nl

halt en de grootstedelijke regio’s Het totaal aantal Halt-verwijzingen is in 2005 licht gestegen in vergelij­ king met 2004, van 21 496 naar 22 215 (3 procent). Dit meldt het Jaarbericht 2005 van de Halt-sector. Wanneer een Halt-verwijzing plaatsvindt komt een jongere in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar in aanmerking voor een Halt-afdoening voor het plegen van (kleine) vormen van veelvoorkomende criminaliteit, zoals vermogensdelicten, baldadig­ heid en vernieling. Voor een Haltafdoening moeten jongeren een gesprek hebben, een werk- en/of leeractiviteit uitvoeren, de aan­ gerichte schade vergoeden en eventueel excuses voor hun streken aanbieden. Uitgesplitst naar politieregio blijkt dat de regio Utrecht per 10 000 jongeren van 12 tot en met 17 jaar de meeste verwijzingen heeft: 249.

Ook veel verwijzingen hebben de regio’s Kennemerland (247), Gooi en Vechtstreek (235) en de groot­stede­ lijke regio Rotterdam-Rijnmond (227). De minste verwijzingen heeft de regio Drenthe: 102 per 10 000 jongeren. Amsterdam-Amstelland en Haaglanden hebben respectieve­ lijk 194 en 184 verwijzingen per 10 000 jongeren. Het aantal Stop-verwijzingen is in 2005 ten opzichte van 2004 met 10 procent gedaald (1948 in 2005 tegen­ over 2167 in 2004). Een Stop-reactie geldt voor kinderen in de leeftijd tot 12 jaar die zich net als de oudere leeftijdsgroep schuldig hebben gemaakt aan kleine criminaliteit. De grootstedelijke regio RotterdamRijnmond telt verreweg de meeste Stop-verwijzingen per 10 000 jongeren in de leeftijd van 8 tot en met 11 jaar: 59. Deze regio springt er

flink uit qua aantal verwijzingen, in de andere regio’s liggen de aantallen per 10 000 jongeren een stuk lager. De regio Zeeland kent met 37 verwijzingen, het op een na hoogste aantal. Daarachter volgen de regio’s Zuid-Holland Zuid (35), LimburgZuid (34) en Amsterdam-Amstelland (32) op de voet. Van de grootstede­ lijke regio’s hebben Haaglanden (Den Haag) en Utrecht duidelijk minder verwijzingen, respectieve­ lijk 26 en 21 Stop-verwijzingen per 10 000 jongeren in de leeftijd van 8 tot en met 11 jaar. De regio Drenthe kent ook het minste aantal Stopverwijzingen: 5 per 10 000 jongeren in de leeftijd van 8 tot en met 11 jaar. <<

belgische veiligheidsscan Lokaal veiligheidsbeleid uit de grond stampen luistert nauw: veiligheid en leefbaarheid staan beide hoog op de politieke en maat­ schappelijke agenda, maar de lokale beleidsmakers hebben in de regel maar weinig gegevens tot hun beschikking om dat beleid op te baseren. Van de politie wordt verwacht dat zij zich dienst­verle­ nend opstelt en rekening houdt met hooggespannen verwachtingen van gebruikers van de politiezorg. Maar welke behoeften en verwachtingen leven onder de bevolking? De politie moet vaak een slag in de lucht doen. Keer op keer laten evaluaties zien dat er onvoldoende instrumenten beschikbaar zijn om de verwach­

tingen van de bevolking op het lokale niveau helder in kaart te brengen. Reden voor Maarten Van Craen en Johan Ackaert, van de Universiteit Hasselt, om de Veilig­ heids­scan te ontwikkelen. Dit instru­ ment kan politieke bestuurders en politiefunctionarissen helpen om op het lokale niveau een verant­ woord leefbaarheids- en veiligheids­ beleid te formuleren. In het boek De veiligheidsscan. Instrument voor een lokaal veiligheids- en leefbaar­heids­ beleid stellen de onderzoekers de nieuwe tool voor en presenteren ze hun eerste resultaten. <<

De veiligheidsscan. Instrument voor een lokaal veiligheids- en leefbaarheidsbeleid. Maarten Van Craen en Johan Ackaert. Antwerpen, Maklu, 2006. ISBN 90 466 0029 7. De publicatie is te bestellen via Maklu, e-mail info@maklu.be Voor meer informatie: Maarten Van Craen, e-mail maarten.vancraen@uhasselt.be of Johan Ackaert, e-mail johan.ackaert@uhasselt.be

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 

jeugdprostitutie Om de bestrijding van jeugd­ prostitutie te ondersteunen, lanceert TransAct blijkens een persbericht een nieuwe website, www.jeugdprostitutie.nu De website bevat feiten en cijfers over jeugdprostitutie, aparte factsheets gewijd aan meisjes- en jongensprostitutie, verwijzingen naar belangrijke organisaties per provincie, een overzicht van good practices uit de hulpverlening en de opvang en een overzicht van literatuur en voorlichtings­ materiaal. Achter de website gaat het Informatiepunt Jeugdprostitutie

van TransAct schuil, dat ervoor zorgt dat het onderwerp leeft bij over­ heden en bestuurders. Dit gebeurt door de noodzaak van het meer verrichten van onderzoek aan te zwengelen en bestaande initia­ tieven op een rij te zetten. De nadruk ligt op de problematiek rondom loverboys, minderjarige slachtoffers van vrouwenhandel en jongens­ prostitutie. << Meer informatie: T (030) 232 65 00, of e-mail jeugdprostitutie@transact.nl

rpc zuid-limburg Het Regionaal Platform Criminali­ teitsbeheersing (RPC) Zuid-Limburg gaat sinds zijn oprichting in 2004 voortvarend te werk om het pro­ bleem van criminaliteit tegen het bedrijfsleven in te dammen. In het Jaarverslag 2004/2005 doet het RPC daar verslag van. Het platform presenteerde bijvoorbeeld de Vertrouwensman Bedrijfsleven, bij wie vanaf september 2005 ZuidLimburgse ondernemers, werk­ gevers en werknemers terecht kunnen voor advies wanneer zij worden geconfronteerd met criminaliteit, maar eigenlijk geen aangifte durven doen. Ook ‘klokkenluidende’ werknemers kunnen zich tot de vertrouwensman wenden voor goede raad evenals personen die met afpersing te maken krijgen. Eind 2005 hadden zich reeds meer dan twintig personen bij de vertrouwensman gemeld met adviesverzoeken, reden voor het RPC om de functie van vertrouwensman te handhaven in

2006. Diverse RPC’s hebben reeds het voorbeeld van Zuid-Limburg gevolgd, meldt het jaarverslag. Om het bedrijfsleven in ZuidLimburg op grote schaal voor te lichten over het risico van crimina­ liteit in hun bedrijf, heeft het platform aan alle 34 000 bedrijven in de regio Zuid-Limburg een poster gestuurd met daarop tien gouden regels die bedrijven in acht moeten nemen om interne criminaliteit te voorkomen. Voor een effectieve aanpak van winkelcriminaliteit zijn er afspraken gemaakt met het open­ baar ministerie over het invoeren van collectieve winkelverboden in Zuid-Limburg. Volgens deze afspraak wordt iemand die twee­ maal binnen een jaar de huisregels van deelnemende winkels over­ treedt, voor de duur van twaalf maanden de toegang tot alle deel­ nemende winkels in een bepaald gebied ontzegd. Waar afspraken voor een vergelijkbare aanpak van

winkelcriminaliteit met het openbaar ministerie elders vaak van stad tot stad verschillen, is er in Zuid-Limburg gekozen voor een unieke regionale aanpak, aldus het jaarverslag. Dit heeft geleid tot spelregels waaraan een collectief winkelverbod dient te voldoen voor geheel Zuid-Limburg. << Voor meer informatie over het RPC ZuidLimburg: Marc van Tilburg, secretaris RPC Zuid-Limburg, T (043) 350 65 32, of www.kvk.nl/misdaad

Crimineel goed nieuws voor de grote steden Slachtofferschap gedaald in de G4

Crimi-trends In de vier grote steden is de criminaliteit gekelderd sinds 1993, toen de Politiemonitor Bevolking voor de eerste maal werd afgenomen. Mensen beleven ook veel minder buurtproblemen en voelen zich veiliger in de vier grote steden. Waar één diepgravende empirische verklaring voor deze daling vooralsnog ontbreekt, moeten we het doen met interessante hypothesen, zoals meer preventieve maatregelen en probleemgericht werken.

secondant #3/4 | juli-augustus 2006  Inwoners van de grote steden krijgen minder met veelvoorkomende criminaliteit te maken; ook het aantal gevallen van fietsendiefstal daalt de laatste jaren | foto: Inge van Mill.

gevoel krijgt al snel vleugels. En laten we eerlijk zijn: ‘ze doen er toch ook verder niks mee’ én ‘krijg je je spullen dan soms wel terug?’. Laten we eens wat preciezer naar kijken de ontwikkeling van de criminaliteit in de grootste steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht).

door Tom van Dijk De auteur is directeur beleidsonderzoek bij Intomart Gfk te Hilversum. Het is een verschijnsel dat zich vast niet beperkt tot de grootste steden in ons land. Feit is evenwel dat zij er in de afgelopen jaren een aantal keer fors tegenop zijn gelopen. Persberichten en nieuwjaarstoespraken reppen trots van een afname van de geregistreerde criminaliteit. En nog vóór deze blijde tijdingen goed en wel zijn geland, wordt door deze en gene geroepen dat de criminaliteit helemaal niet afneemt maar dat de bereidheid van burgers om crimina­ liteit aan te geven is gedaald en dat het daardoor lijkt alsof er minder criminaliteit is. Klaar ben je dan, als korps. Want als de daling van de criminaliteit eenmaal is geframed (dat wil zeggen: communicatief is gekadreerd) als artefact van een daling van de aangiftebereidheid dan is daar weinig tegen te doen. Want de mededeling dat de aangiftebereid­ heid daalt, wordt door vrijwel niemand als een onwaar­ schijnlijke boodschap beschouwd. Negatief onderbuik­

Eerst nog even over de ontwikkeling van de aangiftebereid. Een daling daarvan wordt alom gezien als een slechte zaak. Vanuit de rijksoverheid worden er zelfs campagnes gevoerd die oproepen tot het doen van aangiften. We zijn het er natuurlijk allemaal mee eens dat waar een verminderende aangiftebereidheid wordt gevoed door een afname in het vertrouwen in de politie we het hebben over een kwalijke kwestie. Het is dan wel van belang heel precies te formu­ leren. Het is heel onwaarschijnlijk dat een algemeen gevoel van onbehagen over de politie een belangrijke rol speelt in dat kader. Dergelijke algemene oordelen – zoals het oordeel van burgers over de beschikbaarheid, het optreden en functioneren van de politie – zijn in de afgelopen jaren helemaal niet verslechterd, maar sterk verbeterd, leert de Politiemonitor. Denkbaar is wel dat onvrede over wat er direct tijdens en rond de aangifte (niet) gebeurt een rol speelt in de bereidheid van burgers om aangifte te doen. Naar de mate waarin de politie zich meer opstelt als een black box – en dus niet relateert en geen activiteit (meta)communiceert – zal de (toekomstige) bereidheid van burgers om aangifte te doen negatief worden beïnvloed. Dat is dus inderdaad één potentiële oorzaak van minder bereidheid tot het doen van aangiften.

Er zijn meer oorzaken voor een daling van de aangiftebereidheid die helemaal niet negatief zijn. Bijvoorbeeld: een toegenomen bereidheid van burgers om de zaken zelf op te lossen Maar er zijn natuurlijk meer redenen en sommige daarvan zijn helemaal niet negatief. Dat geldt bijvoorbeeld voor het effect van een daling van meer ernstige vormen van criminaliteit. Zo hebben we in de afgelopen jaren een gigantische afname gezien van het aantal inbraken. Inbraak is een delict met een relatief hoog percentage aangiften. Minder inbraken betekent dus minder aangiftebereidheid. We hebben ooit eens nader gekeken naar de ontwikkeling

10 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006

Tabel 1> Ontwikkeling slachtofferschap in G4

Tabel 2> Ontwikkeling buurtproblemen in G4

slachtofferschap %

1993

2005

% verandering

fietsdiefstal

18,7

9,4

-50

diefstal van auto’s

3,0

1,4

-53

diefstal uit auto’s

30,0

13,7

vernieling aan auto’s

53,9

37,5

poging tot inbraak

13,4

7,0

inbraak

5,5

3,0

buurtproblemen (% komt vaak voor)

1993

2005

% verandering

fietsdiefstal

42,3

24,7

-42

diefstal uit auto’s

39,0

21,1

-46

-54

vernieling aan auto’s

29,6

21,0

-29

-30

inbraak

37,7

13,2

-65

-48

agressief verkeersgedrag

32,4

21,5

-34

-45

geluidsoverlast door verkeer

25,6

19,4

-24

mishandeling

1,4

1,7

ns*

te hard rijden

49,5

44,0

-11

bedreiging

8,0

8,0

ns*

aanrijdingen

20,5

11,5

-44 -50

portemonneediefstal met geweld

1,7

0,6

-65

bedreiging

6,8

3,4

portemonneediefstal zonder geweld

7,2

3,7

-49

dronken mensen op straat

14,4

10,8

-25

aanrijding met doorrijden

2,9

2,6

-10

mensen die op straat worden lastiggevallen

9,9

5,4

-45

geluidsoverlast (niet door verkeer)

20,7

13,1

-37

bekladding

30,6

21,9

-28

overlast door groepen jongeren

12,6

18,8

ns*

rommel op straat

43,8

42,9

ns*

hondenpoep

58,2

51,2

-12

vernieling van straatmeubilair

25,6

19,2

-25

*niet-significant

*niet-significant

van de aangiften tussen 1999 en 2004. In 2004 lag het aangiftencijfer 3,7 procentpunt lager dan in 1999. In een nadere analyse bleek toen dat circa 25 procent van deze afname kon worden verklaard door een ander criminaliteits­ beeld. Wat zich dus optisch aandient als een verminderde bereidheid om aangifte doen, blijkt daar voor een kwart helemaal niets mee van doen te hebben. Er zijn meer oor­ zaken voor een daling van de aangiftebereidheid die helemaal niet negatief zijn. Bijvoorbeeld: een toegenomen bereidheid van burgers om de zaken zelf op te lossen. Of: een groeiend besef dat de politie alleen voor belangrijke zaken belast moet worden. Dalingen in de aangiftebereidheid zeggen op zichzelf genomen dus erg weinig. Het laatste punt over het doen van aangiften: hoe verstandig is het, het doen van aangiften te promoten, los van de vraag waarvan aangifte wordt gedaan? Wat is de maatschappelijke waarde van de aangifte van een acht jaar oude kinderfiets? Als het je al lukt om burgers daartoe te bewegen, wat zal daar dan de bijdrage van zijn over hoe die burgers denken over de politie? En – als het je niet lukt burgers daartoe te bewegen (en dat zal vaker voorkomen) – wat is daar dan het effect van op hoe burgers denken over de politie? Je moet, meen ik, mensen niet vragen dingen te doen die een futiel rende­ ment hebben.

Spoort de ervaring van mensen met deze gigantische daling? In tabel 2 is weergegeven hoevelen zeggen dat het betreffende probleem vaak voorkomt in hun woonbuurt. Ook daar: enorme verbeteringen.

gigaverbeteringen

Terug naar de ontwikkeling van de criminaliteit in de steden die we sinds het Grotestedenbeleid aanduiden met de scheikundige uitdrukking G4. We kijken daarbij naar de periode 1993-2005 (zie tabel 1). De conclusie is duidelijk: de criminaliteit is spectaculair afgenomen. Alleen mis­ handeling en bedreiging zijn stabiel gebleven, verder zien we enorme afnames.

En dan is het natuurlijk geen verrassing meer dat ook het onveiligheidsgevoel zich spectaculair verbetert (zie tabel 3). Er is een aantal merkwaardige verschijnselen rond deze gigaverbeteringen. Eén: al jaren vertel ik deze blijde tijdingen en elke keer weer is ‘iedereen’ verrast. Daar zou – meen ik – eens fundamenteel onderzoek naar moeten worden gedaan. Hoe komt het dat perceptie en werkelijk­

We weten op basis van de Politie­ monitor al heel lang dat hele simpele inbraakpreventiemaatregelen een enorm dempend effect hebben op het risico slachtoffer te worden van inbraak heid zo uiteen kunnen lopen en wat kunnen we er aan doen om die beide meer overeen te laten komen. Twee: buiten politici ken ik eigenlijk niemand die een omvattende verklaring heeft voor deze enorme verbeteringen. Deelverklaringen zijn er wel.

verklaringen

In de eerste plaats kan dan gedacht worden aan meer blauw. Ben Vollaard en Pierre Koning van het Centraal Planbureau (CPB) hebben in een fraaie studie aangetoond dat de menskrachtige groei van het politiële apparaat wezenlijk

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 11

Tabel 3> Ontwikkeling onveiligheidsgevoel in G4

Tabel 4> Inbraakpreventieve maatregelen in G4

onveiligheidsgevoel (%)

1993

2005

% verandering

wel eens onveilig

45,4

36,8

-19

inbraakalarm

vaak onveilig

13,4

7

-48

extra hang- en sluitwerk

licht laten branden bij afwezigheid 57,7

59,1

2

extra buitenverlichting

47,5

45

heeft bijgedragen aan minder criminaliteit en overlast (Estimating police effectiveness with individual victi­mi­sation data) . Twee: heel eenvoudige preventiemaatregelen hebben ook geholpen. We weten op basis van de Politiemonitor al heel lang dat hele simpele inbraakpreventiemaatregelen een enorm dempend effect hebben op het risico slachtoffer te worden van inbraak. En we weten op basis van de Politie­ monitor ook dat het aantal huishoudens dat deze maat­ regelen heeft genomen in de afgelopen jaren duidelijk is gegroeid (zie tabel 4). Ik ken geen cijfers met betrekking tot preventieve maatregelen ten aanzien van fietsen en auto’s, maar op basis van mijn eigen waarneming zie ik iedereen om mij heen alle essentiële audiovisuele onderdelen bij het verlaten van de auto verwijderen. Zelf zie ik op tegen een fietstocht omdat ik als een matig getalenteerde Houdini telkens weer sta te worstelen met de kettingen en intelli­ gente sloten die mijn grootstedelijke fietsenmaker mij als onmisbare onderdelen van het vehikel heeft verkocht. Dus dat zal ook wel hebben bijgedragen. Wat zou nog meer hebben geholpen? Ik heb eens om mij heen gevraagd en iedereen heeft wel hypothesen, maar mijn ‘respondenten’ kunnen niet verwijzen naar empirisch materiaal. Zelf heb ik gemerkt dat er in de afgelopen jaren bij het lokale bestuur een omslag heeft plaatsgevonden.

www De publicatie van het CPB – CPB Discussion paper, No 47: Estimating police effectiveness with individual victimisation data, Ben Vollaard en Pierre Koning (2005) – is te downloaden van www.cpb.nl

1993

2005

% verandering

5,3

8,2

55

70,0

78,7

12

32,8

Was de gemeentelijke bemoeienis met het veiligheidsbeleid een decennium geleden hoog retorisch, sinds een aantal jaren zie je echte gemeentelijke activiteit. Dat zou dus best eens geholpen kunnen hebben. In wetenschappelijk literatuur is het begrip ‘uitvoering’ al een flink aantal jaren bon ton, en wordt de kritiek op inhoudsloos louter op procedures gericht managementsdenken steeds sterker. Misschien is die gedachte geland op de werkvloer en krijgen uitvoerders meer ruimte en wordt het beleid ontmanaged. Als dat waar is zal dat zeker hebben geholpen. Heel goed voorstelbaar is ook dat de toegenomen focus op probleem­ gericht (veel­plegers, hotspots) en informatiegestuurd werken zich echt heeft doorgezet. Maar wellicht zijn andere factoren nog wel veel belangrijker in de verklaring van de daling van de criminaliteit. Blijft gek dat we de enorme afname van de criminaliteit – voor zover al bekend is dat daar sprake van is – niet fundamenteel en met harde empirische verwijzingen kunnen verklaren. <<

12 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006

Hoogleraar Opvoedkunde Jo Hermanns: “Het merendeel van jonge criminelen heeft als kind een beschadiging opgelopen. Dat kost de maatschappij bijna een miljard euro per jaar.” | foto: Inge van Mill.

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 13

interview Professor Jo Hermanns over jeugdbeleid en jeugdzorg:

“De overheid moet niet bang zijn bij probleemgezinnen binnen te komen” Kindermishandeling is een van de belangrijkste oorzaken dat jongeren in de criminaliteit terechtkomen. Het is daarom een taak van de gemeente mishandeling en misbruik vroegtijdig te onderkennen en hulp te bieden. Dat is de stellige overtuiging van professor Jo Hermanns die als zelfstandig adviseur op het terrein van jeugdbeleid en jeugdzorg, verbonden is aan de maatschap CO ACT Consult waarvan hij medeoprichter is. Hermanns, in deeltijd hoogleraar Opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam, deed onderzoek naar het jeugdbeleid dat de gemeente Rotterdam voert onder het motto: ‘Opgroeien in Rotterdam: Steun én Grenzen’ en waarin bemoeizorg de rode draad vormt. “Het belang van het kind moet uitgangspunt zijn.” door Yvonne van der Heijden De auteur is freelancejournalist. “Iedereen mee laten doen in de samenleving, gezinnen, kinderen, jongeren. Dat is de achter­ liggende gedachte van het jeugdbeleid van de gemeente Rotterdam. Om dat mogelijk te maken, treft de gemeente tal van maatregelen om belemmeringen weg te nemen. Daarin verschilt de stad niet zoveel van wat de andere grote steden doen. Opvallend is wel dat in Rotterdam de aanpak van gezinnen en jongeren met proble­ men vrij direct is gericht op hun persoonlijke levenssfeer. Als het in een gezin niet goed gaat, gaan hulpverleners erop af.

Jongeren worden letterlijk van hun bed gelicht. De Rotterdamse overheid is zeer bemoeizuchtig en schrikt niet

terug voor bemoeizorg, drang en zo nodig dwang. Dat is een redelijk unieke rode lijn in het jeugd­ beleid van de stad.” Professor Jo Hermanns kiest op zijn kantoor in Woerden de woorden voor de algemene bevin­ dingen uit zijn onderzoek van het Rotterdamse jeugdbeleid met zorg. Directe inmenging van de overheid in het privéleven van mensen is in een democratische samenleving niet onomstreden. Maar de realiteit rechtvaardigt, volgens hem, in bepaalde situaties actief ingrijpen van de over­ heid. Hermanns: “Een gezin dat echt in de problemen zit, meldt zich niet bij instanties. Het verwacht daar alleen maar meer problemen. De overheid moet niet bang zijn bij probleem­ gezinnen binnen te komen. Ze moet de grens

14 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006

naar de privésfeer over durven te gaan om zich te bemoeien met kinderen met wie het slecht gaat. Het verdrag van de Rechten voor het kind verplicht regeringen kinderen te beschermen. Daarenboven wil iedereen toch van nature dat het kinderen goed gaat. Dat willen ouders bij wie je als overheid binnenkomt meestal ook.” Uit onderzoeken blijkt dat de persoonsgebonden aanpak, het bieden van maatwerk en eisen dat hulp wordt geaccepteerd, zoals Rotterdam doet, het meest effectief is om gezinnen en jongeren met structurele problemen uit een vicieuze cirkel te halen. Het verdient de voorkeur boven meer algemene maatregelen. “Als er in een gezin moeilijkheden zijn met het opvoeden van de kinderen dan kun je de ouders naar een cursus sturen of uitnodigingen op het pedagogisch spreekuur, maar dat werkt minder dan dat er iemand op af gaat. Het gaat bijna altijd om gezinnen die de moed hebben opgegeven. Ze zijn in de marge van de samenleving terechtgekomen en niet in staat op eigen kracht weer mee te doen in de maatschappij. Maar ze willen wel dat hun kind meedoet en daar vinden de bemoeizuchtige overheid en het probleemgezin elkaar. Ze hebben een gemeenschappelijk belang”, aldus Hermanns die onder meer tussen 1985 en 1998 directeur was van een instelling voor jeugdhulpverlening in Maastricht.

neemt. Het stuit niet op veel weerstand. Bij ouders ligt dat anders. Zij vinden dat zij te veel de schuld krijgen dat het niet goed gaat met hun kind. Ze stellen dat in Rotterdam veel verlei­ dingen zijn waar zij geen invloed op hebben, zoals drugs. De ouders leggen – niet geheel ten onrechte – voor een deel de verantwoordelijkheid terug bij de samenleving en de overheid.”

levenssferen

Professor Hermanns oordeelt in grote lijnen positief over het integrale jeugdbeleid van Rotterdam, maar hij plaatst kanttekeningen bij de vraag of het huidige beleid voldoende oplevert. “Uit ons onderzoek blijkt dat het beleid goed is onderbouwd. Het is dus niet zo dat het beleid niet deugt. Maar al doende kwamen we er achter dat de jeugdproblematiek zo groot is dat het aantal mensen dat beschikbaar is voor opvoedingsondersteuning, begeleidings­moge­ lijk­­­heden, hulp en zorg tekort zal schieten. Met opvoedingsondersteuning wordt bijvoorbeeld maar een klein deel van de doelgroep bereikt. Intensieve gezinsbegeleiding is maar voor enkele

Hij betoogt dat het bij probleemgezinnen niet alleen gaat om hulp bij het opvoeden van kinderen, maar ook bij het saneren van schulden en het slechten van burenruzies. “Dus om de persoonlijke levenssfeer én alle andere levens­ sferen. Hetzelfde geldt in de Rotterdamse aanpak ook voor jongeren. Ze worden uit bed gehaald om in hun leven weer perspectief te vinden. Door alle levenssferen samen aan te pakken is het effec­tief. Overigens blijken de jongeren zelf wel waardering te hebben voor de aanpak. Uit interviews blijkt dat ze het op prijs stellen dat er iemand is van de gemeente die initiatief

Hermanns is zelf een groot voorstander van de individuele aanpak omdat een groepsgebonden aanpak leidt tot segregatie. “Doelgroepenbeleid werkt vaak averechts. Het leidt tot een gespan­ nen verhouding tussen bijvoorbeeld immigran­ ten en de stad. Bij de groep gaat angst over­ heersen van ‘wij worden op de korrel genomen’. Dat leidt tot vervreemding. Je moet het om­draai­ en. Bijvoorbeeld een programma opzetten voor alleenstaande, verslaafde, zwangere vrouwen onder de twintig. Dan zullen zich waarschijnlijk relatief veel Antilliaanse vrouwen melden, maar je mag als overheid er niet vanuit gaan dat dus alle Antilliaanse vrouwen onder de twintig tot de doelgroep behoren. Opmerkelijk is dat uit de Rotterdamse politiek en het bestuur geluiden klinken van een doelgroepenaanpak, maar in de uitvoering van het beleid is daarvan geen sprake. Dat zou ook niet logisch zijn.”

kanttekeningen

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 15

tientallen gezinnen beschikbaar, terwijl er voor wel duizend gezinnen behoefte aan bestaat. Het Jongerenloket heeft per jongere meer tijd nodig dan beschikbaar is om effectief te kunnen zijn. Het huidige beleid verdient lof, maar zal pas echt effectief worden als er voldoende investeringen in de uitvoering plaats kunnen vinden.” Rotterdam heeft het door demografische kenmerken moeilijker dan andere steden, stelt de onderzoeker. “De problemen in Rotterdam moeten niet te licht worden opgevat. Het opleidingsniveau is relatief laag, de inkomens ook. Het huisvestingsbeleid heeft door de jaren heen vele groepen immigranten getrokken. Er is wel werk maar niet voor laagopgeleiden. Rotterdam kampt met een massieve jeugd­problematiek en moet oppassen voor Franse toestanden. Het is niet overdreven te stellen dat de jeugdproblematiek alsnog uit de

“Intensieve gezinsbegeleiding is maar voor enkele tientallen gezinnen beschikbaar, terwijl er voor wel duizend gezinnen behoefte aan bestaat” hand kan lopen. Dan zijn draconische maatregelen onvermijdelijk, maar die zullen uiteindelijk geen of averechtse effecten hebben.”

gideonsgemeenten

De bezorgdheid van professor Hermanns is onder meer gebaseerd op een tekort aan financiële middelen voor opvoed- en opgroeionder­ steuning. De zeven zogenoemde Gideons­ gemeenten (Rotterdam, Eindhoven, Almelo, Almere, Delft, Oude IJsselstreek en Urk) die de handen ineen hebben geslagen bij het vorm­ geven van de lokale regie over opvoed- en opgroeiondersteuning als onderdeel van integraal jeugdbeleid, hebben een landelijk

tekort berekend van één tot anderhalf miljard euro om effectief te kunnen werken. “Dan hebben we het over gezinnen die als ze nu niet worden geholpen probleemjongeren opleveren die gedragsproblemen zullen vertonen, gaan zwerven of in de criminaliteit belanden. Daaraan zijn hoge maatschappelijke kosten verbonden. Begin jaren negentig is de overheid zich uit eigen belang gaan bemoeien met de opvoeding van kinderen, maar opvoedingsondersteuning kost geld en dat moet beschikbaar komen.” Een tot twee procent van de gezinnen in Nederland heeft volgens hem hulp nodig bij de opvoeding. Dan gaat het om veertig- tot tachtig­ duizend kinderen. “Je moet je richten op het kind. Daarin moeten we flink investeren. In een samen­ leving zal er altijd een groep zijn die zich afzijdig houdt. Het mooie van Rotterdam is dat het niet toestaat dat mensen niet bereikbaar zijn. Sommige mensen spreken smalend van een beschavingsoffensief. Dat is niet terecht. Het gaat erom ouders en kinderen te helpen die niet bereikbaar zijn. Als je die niet bereikt dan is het jeugdbeleid niet effectief. ‘Iedereen moet mee­ doen en anders komen we je halen’, is daarom een goed uitgangspunt.

Rotterdam is daar heel consequent in.” Als Jo Hermanns morgen burgemeester zou worden van een van de grote steden, dan zou hij in ieder geval drie prioriteiten stellen binnen het gemeentelijk beleid: heel veel investeren in individuele begeleiding van gezinnen die het moeilijk hebben; alle uitgaven voor jeugdzorg op effectiviteit beoordelen en toedelen en het opsporen en bestrijden van kindermishandeling een taak maken van de gemeente.

“Het mooie van Rotterdam is dat het niet toestaat dat mensen niet bereikbaar zijn”

16 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006

Hermanns: “Mijn uitgangspunt zou zijn dat een gemeente zich met dwang en drang entree mag verschaffen tot de privélevenssfeer van de burgers. Voor een effectieve individuele begelei­ ding moeten gaten in bestaande systemen worden gedicht. Op de eerste plaats tussen de lichte vormen van opvoedingsondersteuning aan de ene kant en de geïndiceerde jeugdzorg en justitiële interventies aan de andere kant en verder tussen onderwijs en sociaalmaatschap­ pelijk werk en jeugdgezondheidszorg. Financieel gezien weten we op het ogenblik van 95 procent van de uitgaven voor opgroei- en opvoedhulp niet of deze effectief zijn. Daar zou ik snel verandering in willen brengen.”

terug van een werkbezoek aan Curaçao dat 140 000 inwoners telt en heeft de gemeente geadviseerd deze onorthodoxe stap te zetten. “De mensen daar leven in bittere armoede. Kindermishandeling is wijdverbreid. Ketens van ellende, zie je daar. Moeders die hun 12-jarige dochter tot prostitutie dwingen, die dan zwanger raakt en haar dochter ook weer tot prostitutie dwingt. Verwaarlozing is een even zo groot probleem. Echt vreselijk. In wezen gaat het om een paar wijken met een paar duizend probleem­ kinderen. Rotterdam zou moeten durven daar te investeren in opvoedingsondersteuning, bij voorkeur via de jeugdgezondheidszorg die daar alle kinderen bereikt. Het zou criminaliteit onder jongeren daar verminderen, ook onder jongeren die naar Rotterdam uitwijken.”

Hij blijft relatief lang stilstaan bij het onderwerp kindermishandeling. “Kindermishandeling is een van de belangrijkste oorzaken als jongeren in de Een intensieve samenwerking tussen de driehoek criminaliteit zijn terechtgekomen. Het merendeel Centrum voor Jeugd en Gezin, Brede School en van jonge criminelen heeft als kind een bescha­ Casusoverleg in de wijk (politie) zou – naar voorbeeld van Almere – de basis moeten vormen “Financieel gezien weten we bij de uitvoering van zijn jeugdbeleid. “De kunst is de instanties in de driehoek met elkaar te op het ogenblik van 95 procent verbinden om ouders en kinderen te onder­ van de uitgaven voor opgroeisteunen, maar ook om te kunnen ingrijpen. Ik zie daarbij een grote urgentie om de huisartsen en opvoedhulp niet of deze daarbij te betrekken. Die blijven nu nog bijna helemaal buiten het jeugdbeleid. Dat is heel triest effectief zijn” want ouders gaan met een kind met wie het niet diging opgelopen. Dat kost de maatschappij bijna goed gaat in eerste instantie naar hun huisarts. een miljard euro per jaar. Ingrijpen in gezinnen Hij of zij is vraagbaak nummer één bij problemen waar kinderen worden mishandeld of misbruikt, in een gezin, geniet het volste vertrouwen. Over wordt nu nog niet gezien als een taak van de een advies van de huisarts zijn mensen over het gemeente.

Ik vind dat kindermishandeling algemeen zeer tevreden ook al kan deze niet veel vroegtijdig moet worden opgespoord en dat een doen.” grens moet worden bepaald waarop de gemeente ingrijpt.” politiek Met het oog op de komende Tweede Kamer­ Hermanns merkt in dit verband op dat investeren verkiezingen komt de vraag op of in een volgend in opvoedingsondersteuning op Curaçao een kabinet een minister moet worden belast met mogelijke oplossing is voor de ernstige overlast Jeugdbeleid. Daar blijkt hij niets voor te voelen. die Rotterdam heeft van jonge Antilianen die “Jeugdbeleid moet een integraal onderdeel zijn vooral van dat eiland afkomstig zijn. Hij is net van alle beleid, ook inkomensbeleid, ruimtelijke

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 17

jeugdbeleid ‘opgroeien in rotterdam’

ordening. Het is van belang dat in een woonwijk voldoende speelruimte is. Ik noem maar wat. Iedere minister en beleidsmaker moet letten op de consequenties van het beleid voor de jeugd. Het gaat hier wel om een kwart van de burgers. Omdat we nu in een fase zitten dat een soort vernieuwing van het jeugdbeleid aan het ontstaan is, zou ik er mee kunnen leven dat er eenmalig, voor vier jaar een minister van Jeugd komt. Maar in principe kun je ‘jeugd’ niet uitbesteden aan één speciaal bewindspersoon.” Hij constateert dat weinig politieke partijen prioriteit geven aan de jeugd en de jeugd­ problematiek in de steden. “En dat terwijl er veertig- tot tachtigduizend probleemkinderen zijn. Die gaan voor enorme voor maatschappelijke kosten zorgen als de overheid zich er niet mee bemoeit. En dat niet alleen, moeilijke gezinnen hebben een ontwrichtend effect op het functio­ neren van de samenleving. In de politiek ziet men het verband niet tussen investeren in opvoedings­ ondersteuning en de kwaliteit van de samen­ leving. En dat terwijl de invloed van psychische en gedragsproblemen op de samenleving heel groot is. De voorlopers van die problemen zitten in de opvoeding van een kind. Kortom: investeren in jeugd is een maatschappelijke opdracht want het is een basisvoorwaarde voor een goed functio­ nerende samenleving.

Het wordt tijd dat politici een visie ontwikkelen op de jeugd en de samen­ leving en zich realiseren dat investeren in jeugd waardevol is.” <<

Rotterdam voert sinds enkele jaren een integraal jeugdbeleid onder de titel ‘Opgroeien in Rotterdam: Steun én grenzen’. In dat beleid staan zowel de rechten als de plichten van kinderen en jongeren centraal: ze hebben het recht op optimale ontwikkelingskansen, maar aan ongewenst gedrag worden duidelijke grenzen gesteld, meldt de website van de gemeente Rotterdam, www.opgroeien.rotterdam.nl Het beleid is gericht op ontwikkeling en opvoeding van kinderen van 0‑18 jaar, daarna kent de stad de sluitende aanpak tot 23 jaar voor jongeren die na hun 18de (nog) niet zelfstandig door het leven kunnen. In Rotterdam moeten jongeren tot 23 jaar op school zitten, werken en/of een zorgtraject volgen. Bij een een zogenoemd Jongerenloket kunnen alle jongeren in Rotterdam van 17 tot 23 jaar terecht voor informatie over onderwijs, werk en inkomen. Het doel van het Jongerenloket is om de jongeren op weg te helpen naar economische zelfstandigheid met de nadruk op werk en/of scholing. Uitgangspunt van het Jongerenloket is de zogenaamde jongerenladder: scholing boven werk boven uitkering. Het Rotterdamse jeugdbeleid kent, onder het motto ‘Beperken en versterken’, vier speerpunten: 1. voorkomen en bestrijden van jeugdwerkloosheid 2. jeugd en overlast 3. opvoedingsondersteuning 4. voeding en beweging Voor deze speerpunten zijn actieprogramma’s opgesteld, die jaarlijks worden geactualiseerd.

Voor het terugdringen van overlast, criminaliteit en achterstanden door Antilliaanse jongeren is een speciaal Actieprogramma Antilianen opgesteld. Dat richt zich onder meer op het vroeg signaleren en aanpakken van problemen bij de opvoeding, bijvoorbeeld bij ouders met jonge kinderen; het aanpakken van problemen met een seksuele moraal en omgaan met seksualiteit; het inrichten en operationaliseren van een stedelijke pool van gezinscoaches; het intensief handhaven van de leerplicht; zorgen voor opvang van (probleem)leerlingen in onderwijs­ opvangvoorzieningen; het bieden van 250 stageplekken, waarvan 125 bij de gemeente; zorgen voor trajectbegeleiding naar werk; het aanbieden van zinvolle dagbesteding; het betrekken van de Antilliaanse gemeenschap bij de uitvoering. De bedoeling van het actieprogramma is dat in 2008 overlast, criminaliteit en achterstanden op het gebied van werk, huisvesting, opleiding en financiën zin verminderd, opgroeiende jongeren niet meer terechtkomen in een circuit van overlast en criminaliteit, en elke Antilliaan tussen de 18 en 35 jaar een baan heeft, op school zit of in een justitieel traject. <<

18 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006

Het afsluiten voor sociale en maatschappelijke invloeden en isoleren in de eigen kring kan radicalisering versterken | foto: Inge van Mill.

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 19

Signalen van islamitische radicalisering

Op het spoor van jihadisering De persoonlijke gevolgen van een bewuste keuze voor een radicaalislamitische geesteshouding, wanneer die bij islamitische jongeren geworteld raakt, zijn verstrekkend. Tal van persoonlijke vrijheden worden opgeofferd. Het is zaak het niet zover te laten komen. De meeste gemeenten hebben echter nog geen vorm van informatie­ voorziening waarmee ze signalen van radicalisering, ofwel jihadisering, duiden, verzamelen en beoordelen. En wat kunnen gemeenten doen om ook de oorzaken weg te nemen, om radicalisering in de kiem kunnen smoren? door Uri Rosenthal, Edward van der Torre en Marco Zannoni De auteurs zijn werkzaam bij het COT, Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement te Den Haag.

nahouden – zoals diehards uit de kraakbeweging van vroeger en sommige fanatieke antigloba­ listen. Om van radicalisering te kunnen spreken moet aan drie voorwaarden worden voldaan: 1) de ontwikkeling van opvattingen en activi­ teiten gericht op vergaande veranderingen en Het is in deze tijd reëel om bij ten minste drie zelfs omverwerping van het maatschappelijke of netwerken, organisaties, groepen en personen politieke bestel, waarbij zo nodig buitenwettelijke gespitst te zijn op het risico van radicalisering: methoden, met inbegrip van geweld, gebruikt 1) de harde periferie van de dierenbeschermers; worden; 2) het aanvaarden, in toenemende mate, 2) rechts-extremisten en; 3) radicaal­islamitische van verreikende persoonlijke of maatschappelijke groeperingen en personen. Bovendien blijven gevolgen van deze opvattingen en activiteiten; er aan de uiterst linkse kant van het politieke 3) de ontwikkeling van een algehele houding van spectrum kleine groepjes die er radicale ideeën op compromisloosheid, waarbij de confrontatie

20 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006

wordt gezocht met diegenen die in de weg staan. Radicalisering betekent een verandering naar radicalisme: van minder naar meer op alle drie de componenten. Wij beperken ons hier tot de islamitische radica­ lisering. Voor radicaalislamitische groepen of personen die bereid zijn tot het toepassen van geweld, reserveert de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) de term jihadisering. De AIVD schat begin 2005 de harde kern van jihadistische radicaalislamitische personen op enkele honderden, met daaromheen duizenden personen die met dit gedachtegoed sympathi­ seren. Dit betekent dat er kwalitatieve en kwantitatieve argumenten zijn waarom een aantal Nederlandse gemeenten te maken kan krijgen met islamitische radicalisering. Voor de grotere gemeenten is dit, vanwege de omvang en samenstelling van de bevolking, zelfs waarschijnlijk. We formuleren en bespreken vier stellingen: • Door het hele land heen moeten, naast de AIVD, bestuur, justitie en politie stappen nemen om

radicalisering onder islamitische groepen in beeld te brengen. • Het verwerven en beoordelen van signalen en informatie op het gebied van jihadisering vergt goede voorzieningen. • Het bijeenbrengen van urbane of lokale informatie (kennis uit en over lokale gemeenschappen) kan bijdragen aan goede informatieverzameling over radicalisering. • Bij preventieve interventies is het cruciaal onverschillig­heid jegens de samenleving onder sommige islamitische jongeren aan te pakken, die ontstaat vanuit ervaren maatschappelijk onrecht.

harde kern

Recente verhalen, waarbij vechtpartijtjes worden gepresen­teerd als ‘rassenrellen’, zijn nogal over­ dreven. Dit neemt niet weg dat de radicalisering van moslim­jongeren zorgen baart. Dit geldt niet alleen voor de grote steden, maar ook voor kleine gemeenten. De AIVD uit in het rapport De geweld­ dadige jihad in Nederland (2006, p. 57) stevige taal: “Jonge islamitische Nederlanders, kinderen

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 21

Het percentage allochtone tieners met problemen stijgt. Te denken valt aan hard­ nekkige jeugdwerk­loosheid, gezinsarmoede, fragiele gezinnen, spanningen met andere jongeren | foto: Inge van Mill.

of kleinkinderen van migranten uit islamitische landen, zijn in toenemende mate ontvankelijk voor radicalisering en jihadisering.” Volgens de AIVD moet de harde kern van jihadistisch radicaalislami­­ti­sche personen worden geschat op enkele honderden personen. Tien tot twintig netwerken zijn actief die qua samenstelling en intensiteit van contacten zeer vluchtig zijn. Maar het soms vluchtige karakter van de onder­ linge contacten betekent niet dat de radicale opvattingen van die personen eveneens vluchtig zouden zijn. De persoonlijke implicaties van een

Er is een zeer ruim aanbod voorhanden van radicale opvattingen die deze harde kern inspireren bewuste keuze voor een radicale geestes­houding zijn zeer ingrijpend. Het betekent het aangaan van intensieve verplichtingen, zowel fysiek als

mentaal, en het opofferen van tal van persoonlijke vrijheden. Er is een zeer ruim aanbod voorhanden van radicale opvattingen die deze harde kern inspireren. De harde kern produceert en distribueert ook veel eigen opvattingen en gedachtespinsels. Er zijn vele websites, fora en chatrooms op het internet waar informatie en adviezen beschikbaar zijn. Het is een zware opgave voor de autoriteiten in ons land en het buitenland om hierin te interveniëren, een tegenaanbod te creëren en websites doeltreffend uit de lucht te halen. Tot nog toe blijken de autoriteiten nauwelijks hierin te slagen. Rondom de harde kern bevinden zich duizenden andere personen die sympathiseren met het radicaal­ islami­tische gedachtegoed. Toch hebben de meeste gemeenten nog geen vorm van informatievoorziening waarmee ze signalen die op deze problematiek duiden, verzamelen en beoordelen – om er volgens activiteiten tegenover te stellen.

22 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006

informatieschakelpunt

Functionarissen die contact hebben met de praktijk van alledag – bijvoorbeeld agenten, medewerkers van de sociale dienst, van de burgerlijke stand of van de woningcorporatie – kunnen te maken krijgen met signalen die duiden op radicalisering. Hoe wordt ervoor gezorgd dat functiona­rissen de signalen herkennen én ook nog eens bereid zijn deze kennis uit handen te geven? Het eerste vergt ten minste onderwijs en het laatste onder meer vertrouwen. Alleen het inrichten van voorzieningen voor informatie­ verzameling vormt dus allerminst een garantie voor succesvol beleid, maar ze zijn in elk geval onmisbaar. Rotterdam heeft bijvoorbeeld een informatieschakelpunt ingericht voor de vroeg­ tijdige signalering van radicali­sering. Hier komen signalen bijeen vanuit gemeentelijke diensten, met de overheid gelieerde instellingen en het politieapparaat. Een programmamanager beschikt over een kleine ondersteunende staf en over liaisons binnen gemeentelijke diensten en deelgemeenten.

signalen moet ook iets gebeuren, zoals goede duiding ervan en het ontwikkelen van een aanpak op maat. De mogelijkheden van politie­ optreden in reactie op mogelijke radicalisering zijn beperkt. Dit geldt in mindere mate voor jihadisering of de dreiging van terrorisme. In tegenstelling tot wat veel gemeenten lijken te denken is het hebben van een goed signalerings­ netwerk en goede contacten met de politie het beginpunt van een bestuurlijke aanpak en niet het eindpunt.

alledaagse contacten

Signalen van radicalisering kunnen betrekking hebben op situaties die in aard en ernst ver uiteen­ lopen. Ze variëren van dreigende confrontaties tussen allochtone en autoch­tone jongeren op scholen en het raadplegen van radicale websites vanaf computers in openbare ruimtes, tot het samenkomen van jongeren die frequent spreken over de in hun ogen normloze en moreel verderfelijke situatie in Nederland.

De gangbare perceptie van radicalisering blijft vaak nog beperkt tot kenmerken als het dragen van speciale kleding (een djellaba) of haardracht (baard). Het gevaar van blik­vernauwing en stigma­tisering ligt op de loer: vrome moslims worden onnodig in de gaten gehouden, en visuele signalen die wel op een plotselinge radicalisering kunnen wijzen, worden juist veronachtzaamd. De mate van radicalisering is niet af te meten aan kleding en haardracht – essentieel zijn de veranderende uitlatingen en hande­lingen. Dat betreft bijvoorbeeld mensen die zich Moet elke gemeente een schakelpunt op losmaken uit maatschappelijke en sociale Rotterdamse leest inrichten? Gezien de grote verbanden en zich isoleren in de eigen kring; verschillen tussen Nederlandse gemeenten, in toenemende mate proberen de eigen overtui­ zeggen we niet onmiddellijk: ja natuurlijk. Wel gingen dwingend over te brengen op anderen; moeten alle grotere gemeenten, waarvan op basis in toenemende mate intolerant zijn naar anders­ van bestaande inlichtingen bekend is dat ze in denkenden; tegenstellingen tussen groepen zekere mate kwetsbaar zijn voor jihadisering, hun benadrukken (wij-zij-denken); geweld verheer­ informatievoor­ziening op peil brengen. Met deze lijken; steeds minder het gezag van autoriteiten

In tegenstelling tot wat veel gemeenten lijken te denken is het hebben van een goed signaleringsnetwerk en goede contacten met de politie het beginpunt van een bestuurlijke aanpak en niet het eindpunt

www Het rapport van de AIVD, De gewelddadige jihad in Nederland. Actuele trends in de islamistisch-terroristische dreiging, is te downloaden van de website van het Centrum voor Criminali­ teitspreventie en Veiligheid (CCV): www.hetccv.nl De AIVD belicht in het rapport het verschijnsel van jihadistische netwerken in Nederland en in welke politiekmaatschappelijke en sociaalpsychologische context deze hebben kunnen ontstaan. De jihadistische dreiging ontspruit steeds vaker aan onze eigen samenleving, aldus de AIVD. Als voornaamste oorzaak gelden de processen van radicalisering en recrutering onder jonge moslims. Het internet oefent bij deze processen een steeds grotere rol uit, aldus de AIVD die in dit verband spreekt van het internet als ‘turbo’ van de jihadbeweging. Speciaal voor gemeenten heeft de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) een handreiking opgesteld met aanwijzingen hoe zij radicalisme kunnen bestrijden: Radicalisme signaleren en aanpakken. Vroegtijdige aanpak van radicaliserende jongeren, Sdu Uitgevers, 2006. In de hand­ reiking, die van de website van het CCV is te downloaden, wordt een preventief, curatief en repressief instrumentarium geschetst voor de aanpak van radicalisering.

Daarmee gewapend kunnen uitvoerende professionals —zoals medewerkers van welzijnsinstellingen, woningbouw­ corporaties, bouw- en woningtoezicht, buurtagenten, leerplichtambtenaren, buurtorganisaties, docenten en jongerenwerkers — tendensen van radicalisering beter signaleren en aanpakken. De handreiking biedt dus handvatten hoe te handelen bij vermoedens van prille radicalisering, niet zozeer ernstige radicalisering waarbij politie, justitie en veiligheidsdiensten in beeld komen. Ook van de website van het CCV is de (eerste) periodieke analyse te downloaden die het Informatieschakelpunt (ISP) in Rotterdam heeft gemaakt van de aanpak van radicali­ sering in de stad: Radicalisering in Rotterdam. Het ISP is onderdeel van het Actieprogramma Meedoen of Achterblijven: tegen radicalisering en voor kansen voor Rotterdammers. De bedoeling is dat het ISP zich vooral richt op vroegtijdige signalering van radicalisering, dat overigens in de Rotterdamse aanpak als verschijnsel breed wordt uitgelegd; met radicalisering wordt niet alleen religieus geïnspireerd gedrag bedoeld, maar ook activistisch of rechts-extremistisch gedrag. Het ISP wordt geacht om

signalen te vergaren vanuit gemeentelijke diensten, deel­ gemeenten en aan de overheid gelieerde instellingen die wijzen op het risico van radicalisering, extremisme en terrorisme. De werkwijze van het ISP kan betrekking hebben op patronen van radicalisering en de reactie van de lokale bevolking op belangrijke gebeurtenissen (elders) die van invloed kunnen zijn op de sfeer in de stad, maar kan ook individuele personen betreffen. Bij een vermoeden van radicalisering van personen worden twee parallel lopende sporen gevolgd. Allereerst wordt de informatie die op radicalisering duidt doorgegeven aan de politie, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de betrokkene al verder is in zijn radicaliseringsproces. Daarnaast wordt nagegaan in hoeverre de betrokkene kan integreren in de Rotterdamse samenleving. Daarvoor wordt hij benaderd voor een persoonsgerichte aanpak (PGA), waarbij een of meerdere gemeentelijke diensten of organisaties zijn betrokken. De nota Weerbaarheid en integratiebeleid van minister voor Vreemdelingenzaken Integratie Verdonk is te downloaden van www.justitie.nl In de nota staat de preventie van radicalisering centraal vanuit het perspectief van het integratiebeleid. De bedoeling is dat radicalisering wordt voorkomen door jongeren weer­ baarder te maken tegen radicaliseringstendensen, en te zorgen dat zij zich niet afkeren van de samenleving.

Weerbaarheid van jongeren kan worden versterkt door algemeen overheidsbeleid om gedeeld burgerschap en maatschappelijke binding te versterken en om schooluitval en ontsporing van jongeren te voorkomen. Vanuit het integratiebeleid worden onder meer activiteiten onder­ nomen om discriminatie en uitsluiting, vooral op de arbeids­ markt en in het uitgaansleven, te voorkomen. Samen met de organisatie FORUM wordt een actieprogramma uitgevoerd, onder de naam ‘Democratische rechtstaat – weerbare samenleving’, om weerbaarheid en het democratisch normbesef onder moslimjongeren te versterken. Een ander programma – ‘Niet naast elkaar, maar met elkaar’ – wordt in samenwerking met het Landelijk Overleg Minderheden (LOM) uitgevoerd. Dit richt zich vooral op het verstevigen van maatschappelijke binding, door bevolkingsgroepen meer met elkaar in contact te brengen, en vatbaarheid voor radicaliseringsinvloeden te verminderen.

24 special>> Veiligheid in de g4 | juli-augustus 2006

van vragen bij andere bronnen, het inter­ en overheidsdienaren erkennen; radicaal preteren en herinterpreteren van ogenschijn­ gedachte­goed (op schrift of audiovisueel) bezitten en verspreiden. Aan dit soort uitlatingen en lijk gefragmenteerde informatie. gedragingen kunnen wijkagenten, jongeren­ • Ontbureaucratisering is een regelrechte must: werkers, onderwijzers en gemeenteambtenaren contacten op straatniveau en een combinatie radicaliserings­processen en jihadisering van materiekennis en gezond verstand zijn herkennen. onmisbaar. Gemeenten hebben weinig ervaring met het inwinnen van informatie over mogelijke radicalisering. De politie als instituut natuurlijk wél, maar veel politiemensen persoon­lijk niet. Aanknopingspunten om hierin verandering te brengen zijn: • Informatieverzameling is een proces: het opbouwen van contacten en vertrouwen gaat vooraf aan het vergaren van signalen. • Informatievergaring in islamitische kringen is dus gebaat bij gemeentebestuurders, ambtenaren en agenten die veel alledaagse contacten met islamitische gemeen­schappen hebben en ook daadwerkelijk wat voor deze gemeenschappen betekenen. • Signalen hoeven lang niet altijd te worden gezocht door de gemeente en de politie. Bij goede contacten zullen veel signalen ook vanuit de islamitische gemeenschappen bij praktijkmensen terechtkomen.

• Gemeente en politie moeten systematisch open bronnen­onderzoek verrichten. Dit levert meer op dan menigeen denkt. • Het is heel verstandig om personen met een centrale positie in het sociaal verkeer serieus te nemen als mogelijke bron: winkeliers, post­ bodes, bloemenbezorgers, woonconsu­lenten, horecamensen en vrijwilligers van moskeeën (die soms toch heel wat blijken te weten over enkele niet-onschuldige bezoekers, over spijtoptanten of over gebedsbijeenkomsten op een steenworp afstand). • Een groot deel van het informatieproces bestaat uit terugkoppelen, doorvragen, het uitzetten

tieners met problemen

Het geschatte aantal sympathisanten van radicaalislami­tische opvattingen levert prangende vragen op over de actualiteit van het beleid op het gebied van minderheden, jongeren, onderwijs en werkgelegenheid. Op nationaal niveau is met de in 2005 uitgebrachte nota Weerbaarheid en Integratiebeleid van minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie Verdonk een belangrijke stap gezet. Ook verschillende gemeenten nemen het vraagstuk serieus. Maar lokale autoriteiten hebben nog altijd weinig inzicht in de sentimenten die leven onder allochtone jongeren. Ook wat dit betreft is ontbureaucratisering een vereiste – jaarlijkse bezoekjes door een bestuurder aan de moskee of een regelmatig overleg van een ambtenaar met telkens dezelfde vertegenwoordigers uit minder­ heidsgroeperingen helpen nu eenmaal niet erg, ook niet als het een fraaie foto oplevert in het burgerjaarverslag. Het percentage allochtone tieners met problemen stijgt. De aard van die problemen loopt sterk uiteen: gezins­armoede, fragiele of gebroken gezinnen, tienerschulden, lage irritatiedrempels, spanningen met andere jongeren, verveling, te weinig veilige buitenruimte, gebrekkige schoolprestaties, en niet te vergeten de hardnekkige jeugdwerkloosheid. In straat­ gesprekken met allochtone tieners (een onder­ schatte onderzoeksmethode) proeven wij vaak intens ressentiment over allerhande onrecht.

Het herinnert aan wat Schuyt de “omweg van de

secondant #3/4 | juli-augustus 2006 25

onverschilligheid” noemt: onverschilligheid als schakel tussen aan de ene kant ervaren onrecht en aan de andere kant criminaliteit of begrip daarvoor. Onverschilligheid kan leiden tot radicalisering, en radicalisering en zeker jihadisering brengt een steeds verder gaande onverschil­ligheid jegens de samenleving van ‘de anderen’ – de ongelovigen – teweeg. Daarom is beleid dat deze onver­schilligheid tegengaat cruciaal. Het vergt scholing, werkgelegenheid en antidiscriminatiebeleid. Onderwijsinstellingen moeten leerlingen binden, hun talenten scouten (ook op het gebied van sport en kleinkunst) en het onderwijs messcherp afstemmen op de arbeids­ markt.

waarschuwing

Tot slot is een waarschuwing op zijn plaats. Het heeft er soms de schijn van dat de confrontatie met de harde werke­lijkheid van de jihadistische dreiging en de daaruit voort­vloeiende dreiging van terroristische voornemens en acties beleids­ makers moeilijk valt, en dat deze zich dan toch

liever buigen over de vraag hoe de radicalisering kan worden tegengegaan. Discussies over sociaaleconomische maat­regelen om de vatbaarheid van moslimjongeren voor radicale ideeën in te dammen (de Nederlandse taal leren, diploma halen, een baan krijgen) zijn vertrouwd terrein. Dergelijke preventieve maatregelen zijn belangrijk, maar het gevaar bestaat dat ze ten koste gaan van de informatie­verzameling over jihadisering en terroristische voornemens en van daarop gebaseerde interventies. <<

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=720ca5e5-6b77-4bad-9460-27c1a1d0dbdd