CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Nota van Uitgangspunten De Compagnie 1

Gemeenteraad 17 oktober 2023, gemeente HoornBij agendapunt: De Compagnie 1 - Vaststellen nota van uitgangspunten en kennisnemen van memo versnellen woningbouw (2060605)18.432 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Welstand en beeldkwaliteit Welstandsnota en beeldkwaliteitsprincipes

In een welstandsnota legt de gemeenteraad in criteria vast welke welstandseisen van toepassing zijn op het betreffende gebied. Bouwplannen worden getoetst door de Commissie voor Monumenten en Welstand aan de criteria die zijn vastgelegd in de Welstandsnota 2020. Hierin valt het plangebied onder het gebied Bedrijventerreinen Westfrisia 6c. Er wordt getoetst op de relatie met de omgeving, het bouwwerk op zichzelf en de detaillering, materiaal- en kleurgebruik. De welstandsnota bevat echter geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken (paragraaf 2.3 ‘Procedure bij nieuwe (her)ontwikkelingsprojecten’). Voor dit initiatief van ongeveer 260 woningen is het daarom nodig om specifieke gebiedscriteria op te stellen en deze vast te leggen in een beeldkwaliteitsplan (op te stellen door de initiatiefnemer die het stedenbouwkundig plan uitwerkt). Beeldkwaliteitsprincipes geven hier invulling aan. Vooruitlopend op een vast te stellen beeldkwaliteitsplan zijn er een aantal beeldkwaliteitsprincipes geformuleerd. Deze principes bieden een kader waaraan het bouwplan voor de sociale huurwoningen wordt getoetst. Op deze manier wordt de samenhang geborgd tussen de eerste versnelde fase en de opvolgende bouwfasen.

Voor het gehele bouwplan wordt uiteindelijk een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dit is een gedetailleerdere uitwerking van genoemde principes. Voor een gedetailleerde weergave van de beeldkwaliteitsprincipes wordt verwezen naar de bijlage bij deze nota van uitgangspunten. De beeldkwaliteitsprincipes zijn besproken met de Commissie voor Monumenten en Welstand. Zij hebben aangegeven zich te kunnen vinden in de gekozen principes. 2.2.2

Gevolgen Omgevingswet

Omdat de Omgevingswet naar verwachting op 1 januari 2024 in werking treedt, verandert de juridische wijze van vastlegging van de welstandscriteria. Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan. In het omgevingsplan kan de gemeente regels opnemen over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Voor deze ontwikkeling zal naar verwachting echter niet gewerkt worden met een wijziging van het omgevingsplan, maar met een BOPA. Het stellen van voorwaarden aan welstandsaspecten zal in dat geval juridisch vorm krijgen door middel van het verbinden van voorschriften aan de BOPA door het college in het 23

kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties op grond van artikel 8.0a, lid 2, Bkl. Het beeldkwaliteitsplan zal hiervoor als basis dienen. De taken en bevoegdheden van de huidige welstandscommissie vervallen rechtswege nadat de Omgevingswet in werking is getreden. De gemeente stelt hiervoor in de plaats een nieuwe adviescommissie in: de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (RAK). Het RAK zal de advisering over welstand gaan overnemen. 2.2.3

Kwaliteitsteam

Voorgesteld wordt voorgesteld om een kwaliteitsteam aan te stellen, dat de bouwplannen toetst aan de beeldkwaliteitsprincipes of -plan. Deze route heeft het voordeel dat er snellere besluiten mogelijk zijn omdat er naast een toetsende rol ook aan inhoudelijke planbegeleiding kan worden gedaan (intervisie). Die inhoudelijke rol betekent tevens dat er minder detail nodig is in het beeldkwaliteitsplan doordat er sturing is op kwaliteit. Daarnaast is men minder afhankelijk van de vergadercyclus van de Commissie voor Monumenten en Welstand. 2.3 Wonen Woningbouwprogramma Het beleid is erop gericht om per gebied of wijk een optimale mix van doelgroepen na te streven met een bijbehorend woningbouwprogramma. In ieder woningbouwprogramma vraagt de gemeente een mix van goedkoop, middelduur en dure woningen. Het plangebied kan, gezien de ruimtelijke situatie, beschouwd worden als een nieuwe zelfstandige ontwikkeling. Uitgangspunt is daarom om aan te sluiten bij de Woondeal waarin is afgesproken om op regioniveau ten minste 65% van de nieuwbouwwoningen in het betaalbare segment (goedkoop en middelduur) te realiseren en te streven naar 30% sociale huur in de bestaande voorraad. De bedoeling is dat een deel van de woningen versneld gerealiseerd wordt. Zoals onder paragraaf 1.2.2 is aangegeven is een separate notitie opgesteld over hoe wordt omgegaan met de versnelde woningbouw.

Voor het definitieve woningbouwprogramma gelden de volgende eisen en ambities: 1. Het initiatief richt zich naast de tijdelijke huisvesting van Oekraïense vluchtelingen op kleine huishoudens, zoals starters, empty-nesters (stellen in de leeftijd van ca. 45-65 jaar waarvan de kinderen niet meer thuis wonen) en senioren. Dit wordt zichtbaar gemaakt in de programmering van het initiatief; 2. Het programma bevat een bepaalde mate van variëteit in woningtypologie. Uitsluitend woningen voor één doelgroep van beperkte en gelijke oppervlakte is ongewenst omdat daardoor in de toekomst leefbaarheidsproblemen kunnen ontstaan. Bovendien kunnen woningen niet altijd exclusief beschikbaar gehouden worden voor een bepaalde doelgroep. Een mix van type woningen in verschillende typen categorieën sluit aan bij de dynamiek van de woningmarkt; 3. Minimaal 50% van de woningen van de sociale huurwoningen en 50% van de vrije sector en middeldure woningen dient geschikt te zijn voor ouderen (levensloopbestendig); 4. De woonblokken voor middeldure en dure woningen kunnen nog gemengd worden, zodat de verschillende prijsklassen verdeeld worden over het plangebied. Voor de sociale huurwoningen wordt hier niet voor gekozen, omdat deze versneld gebouwd worden in een deel van het plangebied. 5.

Voor de woningen die in de categorie sociale huur vallen wordt geadviseerd om deze onder te brengen bij een woningcorporatie. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat de sociale huurwoningen volgens het toewijzingsbeleid conform de afspraken van de woningcorporaties in West-Friesland worden verhuurd; 6. De sociale huur, sociale koop en middenhuur moet voldoen aan de eisen zoals opgenomen in de (toelichting) van de verordening doelgroepen sociale/middeldure huur en sociale koop Gemeente Hoorn 2023. 7. Bij voorkeur is er sprake van een eigen buitenruimte per appartement.

24

Voor dit project geldt onderstaande differentiatie: Prijsklasse Categorie koop Sociaal 39% Midden 24% Duur 37% Totaal

100%

Categorie huur

Totaal aantal woningen*

100% 100% -

100 61 94 255

* Het totaal aantal woningen kan nog iets afwijken. Het huidige plan gaat uit van 255, maar enkele woningen meer of minder is mogelijk. Uitgegaan wordt van circa 260 woningen. Dit biedt enige flexibiliteit bij de uitwerking van de plannen. Uitgangspunt is minimaal 100 sociale huurwoningen

Prijsklasse Sociaal Midden

Duur

Prijsgrenzen Koopprijs < € 240.000,- ('sociale koop laag’, indexering in ‘Verordening doelgroepen sociale/middeldure huur en sociale koop Gemeente Hoorn 2023’) + sociale huur Koopprijs tussen € 240.000,- en € 355.000,- (grens Rijksprogramma betaalbaar wonen) + midden huur (incl. 'sociale koop hoog', indexering in ‘Verordening doelgroepen sociale/middeldure huur en sociale koop Gemeente Hoorn 2023’) Koopprijs > € 355.000,-

25

Regionale afstemming Na vaststelling van de nota van uitgangspunten en de uitwerking van een concreet bouwplan met bijbehorend programma moet het woningbouwinitiatief regionaal worden afgestemd. De regio Westfriesland heeft daarvoor het ‘Afwegingskader Wonen Westfriesland 2021’ opgesteld3. Onderdeel van het afwegingskader is het ‘Westfries vooruitdenken’ waar ieder plan aan getoetst moet worden. Om de regio een kwaliteitsimpuls te geven hebben gemeenten in de regio afgesproken dat zij zich ervoor inspannen om minimaal vier van de acht ambities te realiseren van het Westfries vooruitdenken. Deze ambities luiden als volgt: 1. Het plan levert een positieve bijdrage aan betaalbaar wonen. 2. Het plan voorziet in woningen in de vrije huursector voor middeninkomens. 3. Het plan levert een bijdrage aan het langer zelfstandig wonen. 4. Het plan is circulair en energieneutraal. 5. Het plan draagt bij aan klimaatadaptatie, een gezonde leefomgeving en verbetering van de natuur en het landschap. 6. Nieuwe woningbouw wordt zoveel mogelijk gerealiseerd in de nabijheid van een OV-knooppunt. 7. Het plan draagt bij aan de versnelling van de woningbouwproductie in Westfriesland. 8. Het plan draagt bij aan de aantrekkingskracht van de regio door het bieden van een aantrekkelijke onderscheidende woonomgeving.

In geval van binnenstedelijke projecten worden voor plannen met meer dan elf woningen deze plannen conform het ingevulde afwegingskader ter kennisname gestuurd naar de werkgroep Wonen en de VVRE. Met deze kennisgeving wordt voldaan aan de eisen die worden gesteld aan regionale afstemming op grond van provinciaal beleid. Voor deze locatie geldt dat er sprake is van een binnenstedelijk project. Het initiatief moet aan minimaal vier van de acht ambities voldoen. Vanwege de omvang van meer dan elf woningen wordt de werkgroep en de VVRE in kennis gesteld van het initiatief door het invullen van het afwegingskader. Zelfbewoningsplicht De gemeente legt voor alle nieuwbouw een zelfbewoningsplicht op. Hiermee beoogt de gemeente dat alleen de koper of huurder van de woning de woning uitsluitend kan gebruiken om die zelf (met zijn eventuele gezinsleden) te bewonen en die woning met de daartoe behorende grond niet aan derden te zullen (onder)verhuren. Voor de categorieën sociale koop is dit vastgelegd in de Verordening doelgroepen sociale/middeldure huur en sociale koop Gemeente Hoorn 2023. Voor de andere categorieën legt de gemeente hierover afspraken vast in de anterieure overeenkomst. Bij de categorie huur gaat het er dan om dat de huurder de woning niet verder mag onderverhuren. Gemeenschappelijke ruimte In de woningbouwcomplexen zullen zowel jonge als oudere bewoners wonen.

Om de sociale cohesie in de nieuwe wijk te bevorderen is het prettig als er ruimtes of plekken zijn waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten. Dit kan zowel binnen als buiten zijn. Het is daarom de wens om in een van de complexen voor sociale huur een gezamenlijke ruimte te realiseren, welke als een huiskamer kan dienen voor de bewoners in en wellicht ook rondom de nieuwe wijk. Daarnaast is het wenselijk om in de buitenruimte een aanleiding te creëren waar bewoners elkaar kunnen ontmoeten. Bij de uitwerking van de plannen wordt hier aandacht aan besteed. 2.4 Maatschappelijk Door de toevoeging van 255 nieuwe woningen kan behoefte ontstaan aan enkele maatschappelijke voorzieningen, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheidszorg of collectieve ruimtes (ontmoetingsfunctie). Deze functies zijn in de stedenbouwkundige opzet opgenomen in de plint van een van de woongebouwen voor sociale huurwoningen. Deze locatie ligt in het midden van het plangebied, waardoor het een belangrijke rol kan spelen in de wijk en de vorming van sociale cohesie tussen de toekomstige bewoners van het gebied. 3 AFWEGINGSKADER WONEN WESTFRIESLAND 2021 | LOKALE WET- EN REGELGEVING (OVERHEID.NL)

26

Daarnaast is er op de verdiepingen van de sociale huurwoningen ruimte voor bijvoorbeeld een gezamenlijke woonkamer of keuken. Bij de uitwerking van het woningbouwplan kan worden onderzocht of dit daadwerkelijk wenselijk en mogelijk is. 2.5 Spelen en sport Het plan moet invulling geven aan de gemeentelijke doelstelling om meer openbare sportfaciliteiten met recreatieve netwerken te verbinden. Dit betekent dat in de openbare ruimte van het plangebied sport- en/ of beweegvoorzieningen moeten worden aangebracht in ongeorganiseerd verband voor alle leeftijden. De ontwikkeling van de openbare ruimte vindt plaats in samenwerking met de gemeente (stadsbeheer en sport), zodat het doel om spel en sport te faciliteren in het gebied op een goede manier in het plan geborgd wordt en in samenhang wordt beschouwd met de kenmerken van het plangebied zoals de stedenbouwkundige opzet, de doelgroepen en andere voorzieningen in het gebied, wijk en/of stad. Het is vooral belangrijk dat sport en spel aansluiten op de ontwikkeling van het gebied. Het aantal speelplekken wordt bepaald op basis van prognose van het aantal kinderen per leeftijdscategorie en de al aanwezige speelplekken. Als er geen prognose van het aantal kinderen is dan wordt uitgegaan van 10 m² speelruimte per woning in nieuwbouwwijken.

Gelet op het beoogde programma van appartementen dat deels is gericht op ouderen, Is niet de verwachting dat het een kinderrijke buurt wordt, ook niet tijdens de tijdelijke huisvesting van Oekraïense vluchtelingen. Bij de uitwerking van het stedenbouwkundig plan wordt in afwijking van voormeld uitgangspunt van 10 m² speelruimte per woning, maatwerk geleverd en wordt waarschijnlijk ingezet op een speelplaats voor de allerjongsten en voor de oudere jeugd. Dit zijn goede zitplekken en enkele speelvoorzieningen. 2.6 2.6.1

Economie Detailhandel

In de Regionale Detailhandelsvisie en Detailhandelsvisie Gemeente Hoorn 2020-2025 wordt als uitgangspunt gehanteerd dat dagelijkse winkels in een winkelgebied worden geconcentreerd omdat de mate van concentratie van het aanbod een belangrijke factor is voor de hoogte van het voorzieningenniveau. Solitaire winkels buiten winkelgebieden zijn ongewenst omdat dit de positie van winkels in andere gebieden verzwakt. Dit komt ook overeen met de Binnenstadsvisie die weliswaar betrekking heeft op het gebied binnen de historische singelstructuur, maar ook verwijst naar het gebied buiten die structuur. In de Binnenstadsvisie wordt uitgegaan van terughoudendheid van winkelvoorzieningen elders in de (binnen)stad zodat er geen concurrerende winkelformules in de Poort van Hoorn en het Hof van Hoorn ontstaan. Het is dus niet de bedoeling dat binnen het plangebied een nieuw winkelcentrum ontstaat. Op grond van artikel 6.13a van de Omgevingsverordening NH2020 zijn solitaire detailhandelsvestigingen ook niet toegestaan. 2.6.2

Horeca

Vanwege de beperkte omvang van het programma en ligging van het plangebied wordt geen zelfstandige horeca nagestreefd binnen dit gebied. 2.6.3

Bedrijven en kantoren, overige commerciële functies

Bedrijven, kantoren en overige commerciële functies worden niet nagestreefd binnen dit gebied. Voor grondgebonden woningen geldt binnen Hoorn dat beroepen aan huis onder voorwaarden mogelijk zijn.

27

2.7 2.7.1

Verkeer en parkeren Ontsluiting

Het bedrijventerrein Westfrisia is, dankzij de ligging aan de Westfrisiaweg en de nabijheid van de A7, per auto goed bereikbaar. Het gebied wordt centraal ontsloten via de Oostergouw op de Westfrisiaweg en van daaruit richting A7 en, in beperkte mate, aan de oostzijde via De Strip op de Westfrisiaweg. De verkeersdruk op de Oostergouw is in de ochtend- en avondspits erg hoog. Dit is een punt van aandacht. De Oostergouw vormt in zuidelijke richting een goede verbinding met de Rozenbuurt, de Nieuwe Steen en andere bedrijventerreinen zoals de Oude Veiling en Hoorn ’80. Nabij de voormalig penitentiaire inrichting aan de Oostergouw is een kruising aanwezig met verkeerslichten. Hier takt de Oostergouw in twee richtingen af voor het bestemmingsverkeer van het bedrijventerrein. Richting het westen naar De Compagnie en richting het oosten naar De Factorij. De Factorij takt op twee punten aan op De Corantijn, De Corantijn sluit op twee punten aan op de Marowijne (en omgekeerd). De verkeersstructuur op De Compagnie zelf is zodanig ontworpen dat verkeer nu afgewikkeld kan worden, onder andere met lussenstructuur en noord-zuid verbindingen. De komst van de nieuwe woningen heeft echter invloed op het (hoofd-)wegennet. Een nieuwe (woon-)wijk genereert verkeer.

Dit kan niet met een directe ontsluiting op de Oostergouw worden gerealiseerd, vanwege de nabijheid van de twee andere kruisingen en de intensiteiten op de Oostergouw. De wijk moet ontsloten worden via de bestaande ontsluiting De Compagnie en de Oostergouw. Eerste verkeersonderzoek4 naar de invloed van de nieuwe buurt op de drukte op de kruispunten van de Oostergouw, toont aan dat het verkeer op de kruispunten Oostergouw-De Compagnie en Oostergouw Dorpsstraat in 2030 vooral in de avondspits niet meer goed kan worden afgewikkeld. De ontwikkeling zelf zorgt volgens het onderzoek slechts voor een beperkte verslechtering van de verkeersafwikkeling, doordat de drukste richtingen nauwelijks extra belast worden. De kruispunten staan feitelijk door autonome groei van het verkeer onder druk. Op grond van het huidige bestemmingsplan is een gevangenis op de kavel mogelijk. Deze ‘bestemming’ brengt ook de nodige verkeersbelasting met zich mee. Het aanpassen van de bestemming naar wonen betekent geen verslechtering van de verkeerssituatie ten opzichte van de ‘juridische referentie situatie’. De ‘nieuwe plansituatie’ is zelfs iets gunstiger voor de verkeersbelasting. Desondanks is deze toekomstige verkeerssituatie voor Hoorn geen wenselijke situatie. De kruispunten zouden in de toekomstige situatie moeten worden aangepast of ontlast. Hiervoor is nader onderzoek nodig.

Het is wenselijk om bij het nader onderzoek niet alleen naar deze kruispunten te kijken, maar ook op een hoger schaalniveau naar het verkeersnetwerk van Hoorn te kijken en daarmee te onderzoeken welke mogelijkheden er zijn om door middel van ingrepen in het netwerk om het verkeer beter te spreiden. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een knip in het netwerk, waardoor verkeer anders wordt gespreid over de verschillende invalsroutes van Hoorn. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het nieuwe verkeersmodel Hoorn dat eind 2023 beschikbaar komt. Gelet op bovenstaande hoeven de aanpassingen aan de kruispunten nog niet te zijn uitgevoerd als de woningbouw wordt vergund. De aanpassingen dienen uiterlijk in 2030 plaats te vinden. Het is nodig om de inrit naar het plangebied op voldoende afstand van de kruising De Compagnie – Oostergouw wordt geplaatst. Hierbij moet rekening gehouden worden met het bestaande rioolgemaal aan De Compagnie 1. Meer filevorming op de Oostergouw als resultaat van verkeersdrukte bij de verkeersregelinstallatie moet zoveel mogelijk voorkomen worden.

4

Goudappel Coffeng, Verkeersonderzoek woningbouw PI-locatie Zwaag – 7 september 2023

28

Er dient minimaal één ontsluiting voor langzaam verkeer te worden gerealiseerd vanuit het plangebied. Een aansluiting op het fietspad langs de Oostergouw en/of een langzaam verkeersroute over het spoor zijn gewenst. In dat geval moet minimaal de breedte van het fietspad worden aangepast naar een fietspad in twee richtingen met een voetpad ernaast. Het kruispunt Oostergouw – Dorpstraat moet ook zo worden ingericht dat voetgangers uit de nieuwe buurt veilig kunnen oversteken. Voor de nood- en hulpdiensten dient de wijk via een tweede ontsluiting bereikbaar te zijn. Het is wenselijk om dit via een autoverbinding te realiseren, als dit niet mogelijk is kan dit gecombineerd worden met een verbinding voor langzaam verkeer. De Museumstoomtram heeft een onderhoudsloods en oud station naast de projectlocatie. Er zijn plannen voor de bouw van een grote onderhoudsloods en extra opstelsporen. Met de Museumstoomtram moet besproken worden of en hoe er eventueel een langzaam verkeersroute over de sporen kan worden aangelegd en of deze ook kan worden ingezet als extra calamiteitenroute. Voor de verkeersontsluiting van het plangebied gelden daarnaast de uitgangspunten uit de Mobiliteitsvisie. 2.7.2

Parkeren

2.7.2.1 Parkeernormennota Hoorn Op 28 juni 2018 heeft de gemeenteraad de parkeernormennota Hoorn vastgesteld. Deze is per 1 juli 2018 in werking getreden. Deze nota is onderdeel geworden van het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren & laden en lossen’, die per 18 november 2018 onherroepelijk geworden is. Met dit bestemmingsplan wordt geregeld welke parkeernorm en/of normen van toepassing zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals dit initiatief. Het parkeerbeleid gaat uit van het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein. De loopafstanden van de parkeerplaats tot de bestemmingen moeten acceptabel zijn en vallen binnen de afstanden zoals genoemd in de Parkeernormennota Hoorn. Het plangebied maakt deel uit van het gebied dat wordt aangeduid als de schil. Voor dit plangebied geldt dan ook de normering die geldt voor het gebied ‘Rest bebouwde kom’.

Afbeelding: impressie van de drie verschillende gebieden uit de Parkeernormennota Hoorn

2.7.2.2 Auto’s In de Parkeernormennota Hoorn is per functie in tabellen weergegeven welke parkeernorm wordt gehanteerd. Omdat het gebied thans onbebouwd is, de voorgaande functie van de penitentiaire inrichting geen goed beeld geeft van een representatieve parkeerdruk en verkeersgeneratie en er geen openbare ruimte in de nabijheid is om te kunnen parkeren, wordt uitgegaan van rest bebouwde kom en kolom M in de tabel uit de Parkeernormennota Hoorn voor woonfuncties. 29

Dit betekent ook dat alle parkeerplaatsen binnen het plangebied moeten worden gerealiseerd. Het uitgangspunt is dat parkeren binnen het plangebied wordt opgelost en niet in aangrenzend openbaar gebied wordt opgelost.

Op basis van de normen moeten er circa 385 parkeerplaatsen in het plangebied worden aangelegd. Omdat dit een groot beslag legt op de aanwezige openbare ruimte is gekeken of deze normen voor deze locatie daadwerkelijk geschikt zijn. Daarbij is onderzoek gedaan naar: 1. De parkeernorm voor sociale huurwoningen 2. De parkeernorm voor bezoekersparkeren Ad 1. Parkeernorm sociale huurwoningen De parkeernorm voor de sociale huurwoningen is op basis van de Parkeernomennota 1,3 parkeerplaats per woning (norm sociale huur, appartement in de rest van de bebouwde kom). Uit ervaring in andere wijken met sociale huurwoningen komt naar voren dat het autobezit vaak lager is dan de kengetallen. Via de corporatie zijn gegevens ontvangen over het autobezit in de wijk Risdam. Hieruit blijkt dat het gemiddeld autobezit 0,87 auto per woning is. De Parkeernormennota biedt in het geval dat het autobezit onder de 0,9 auto per woning ligt, de mogelijkheid om een lagere norm te hanteren (zie onderstaande tabel uit de Parkeernormennota). In dit geval kan een norm van 1,1 parkeerplaats per woning worden gehanteerd voor sociale huur, uitgaande van kolom ML.

Ad 2. Parkeernorm bezoekersparkeren In beginsel geldt een parkeernorm van 0,3 voor bezoekersparkeren. Daar waar voor het bewonersparkeren in woonwijken onderscheid wordt gemaakt in locatiespecifieke kenmerken bij het bepalen van het aantal parkeerplekken (zoals ligging ten opzichte van het centrum en/of openbaar vervoer), is dit voor bezoekersparkeren bij de functie wonen nog niet het geval. Door digitalisering is steeds meer data beschikbaar gekomen over het parkeergedrag van bezoekers aan woningen. Hieruit blijkt dat de bezoekersnorm van 0,3 parkeerplaatsen per woning vaak te hoog is. Dit blijkt onder andere uit onderzoeken in 16 steden in Nederland5. Om te voorkomen dat er parkeerplaatsen worden aangelegd die onbenut blijven, kan de bezoekersnorm met 0,15 verlaagd worden. Bij de bepaling van de parkeervraag mag rekening worden gehouden met dubbelgebruik. Dit houdt in dat een parkeerplek op verschillende momenten op de dag door verschillende functies gebruikt kan worden. In de 5 Goudappel Coffeng, Verkeersonderzoek woningbouw PI-locatie Zwaag – 7 september 2023, pagina 4.

30

Parkeernormennota Hoorn staan de mogelijkheden beschreven om dubbelgebruik toe te passen. Aan de hand van een concreet uitgewerkt plan kan door de gemeente worden beoordeeld in hoeverre dit kan worden toegepast bij dit initiatief. Naar verwachting is dubbelgebruik hier niet aan de orde, omdat het programma voornamelijk uit woningbouw bestaat. Conclusie normen Uit bovenstaande is gebleken dat voor het plan uitgegaan kan worden van lagere normen voor sociale huurwoningen en voor bezoekersparkeren. Dit komt neer op de volgende parkeernormen: • Sociale huurwoningen: rest bebouwde kom, kolom ML. • Middenhuurwoningen: rest bebouwde kom, kolom M. • Dure koopwoningen: rest bebouwde kom, kolom M. • Voor het inbegrepen aandeel bezoekersparkeren kan voor alle woningen 0,15 parkeerplaatsen per woning voor worden gehanteerd. In totaal kan bij het voorgestelde programma van 255 woningen uitgegaan worden van 330 parkeerplaatsen. De parkeerbalans wordt uiteindelijk bepaald aan de hand van het exacte definitieve woningbouwprogramma.

Overig Naar verwachting biedt deelvervoer geen mogelijkheid als korting op de parkeereis. Er is geen parkeerregime en er is geen OV-knooppunt in de nabije omgeving aanwezig. Aan de hand van een concreet uitgewerkt plan kan later door de gemeente Hoorn beoordeeld worden in hoeverre dit kan worden toegepast bij dit initiatief. Bij de Parkeernormennota is een bijlage opgenomen waarin de maatvoering van parkeerplaatsen is uitgewerkt. Voor parkeren in garages gelden de afmetingen uit de NEN 2443 en de Ontwerpwijzer Gebouwde Parkeervoorzieningen van het CROW. Voor parkeren op maaiveld gelden de afmetingen van de meest recente ASVV (op dit mei 2022 de ASVV 2021). Tot slot is het wenselijk om een deel van de parkeerplaatsen (half-) verdiept aan te leggen onder de bouwblokken met de dure en eventueel de middeldure woningen. Hierdoor zal de kwaliteit van de binnenterreinen sterk verbeteren en hoeven er mogelijk minder parkeerplaatsen aan de randen te worden aangelegd. Bij de verkoop van de gronden voor de middel dure en dure woningen worden partijen uitgedaagd om (half)verdiept parkeren daadwerkelijk te realiseren. Bij de sociale huurwoningen zien we die mogelijkheid niet, dit is vanwege de maximale huurprijzen financieel niet haalbaar. De afmetingen van de (half)verdiepte parkeergarages dienen te voldoen aan de afmetingen van de NEN2443.

2.7.2.3 Fietsen Voor fietsparkeren kunnen de CROW fietsparkeerkencijfers als richtinggevend worden beschouwd. Het Bouwbesluit 2012 stelt in artikel 4.31, lid 1, voor woningen een individuele fietsenberging verplicht van 5 m². Een gelijkwaardige oplossing is echter ook mogelijk. Bij voorkeur wordt in dit plangebied gekozen voor een oplossing die als gelijkwaardig kan worden beschouwd ten opzichte van de individuele fietsenberging, door gebruik te maken van een gemeenschappelijke fietsenberging in lijn met de Amsterdamse bouwbrief nummer 2015-130 maart 2015. In de Amsterdamse bouwbrief wordt toegelicht hoe een gemeenschappelijke fietsenberging in combinatie met een inpandige berging in de woning zodanig kan worden ingericht dat dit als gelijkwaardig aan een individuele fietsenberging conform het Bouwbesluit 2012 wordt beschouwd door de gemeente Amsterdam. Deze 31

uitgangspunten worden ook voor dit plangebied gehanteerd. Een aantal aspecten is hierbij van belang: het aantal fietsplekken per woning, de eisen aan de inpandige berging in de woning, de bereikbaarheid en het beheer van de gemeenschappelijke fietsenberging. Als aan de eisen in de voornoemde bouwbrief wordt voldaan, wordt het plan op grond van artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 6door de gemeente Hoorn als gelijkwaardig beschouwd. Voor de bezoekers moeten er binnen het plangebied voldoende fietsparkeerplaatsen te worden gecreëerd in de nabijheid van de entrees van de woningen. 2.8 2.8.1

Bedrijven en milieuzonering Kader

Bij het toestaan van nieuwe functies moet worden beoordeeld hoe deze zich verhouden tot bestaande bedrijven in de omgeving. In de ruimtelijke ordening geldt een zogenaamde scheiding van functies om te voorkomen dat de verschillende functies, zoals bedrijven en woningen elkaar ‘bijten’ door enerzijds het bedrijf te beperken en anderzijds door de woningen te hinderen met stof, lawaai, geur etc. Om deze hindersituaties te voorkomen dient bij het toestaan van ruimtelijke ontwikkelingen waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Daartoe zijn in de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (hierna te noemen: VNG-brochure) richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor verschillende functies aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer gedetailleerde afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Wel is uit vaste jurisprudentie gebleken dat de Raad van State in het kader van “goede ruimtelijke ordening” toetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie en bij het afwijken hiervan aan de onderliggende motivering.

In de aanloop naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de VNG de uitgave Milieuzonering nieuwe stijl (2019) uitgebracht. Verwacht wordt de uitgave ‘Servicedocument Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering nieuwe stijl)’. Omdat de VNH-brochure een goede indicatie geeft van de te verwachten milieueffecten van bedrijven wordt vooralsnog de VNG-brochure gehanteerd voor een indicatie van de verhouding tussen bedrijven en woningen. 2.8.2

Relevantie plangebied

De locatie is gelegen aan de rand op bedrijventerrein Westfrisia, waar diverse bedrijven zijn gevestigd, waaronder een vleesverwerkingsbedrijf, een bedrijf gespecialiseerd in installatietechniek en garagebedrijven. Uit de richtafstandenlijst van de VNG-brochure, blijkt dat met name voor het aspect geluid en geur de grootste afstand moet worden aangehouden. Deze afstand is respectievelijk 10-30 meter en 30-50 meter. De aspecten geluid en geur zijn met name van belang voor het vleesverwerkingsbedrijf, dat direct naast de locatie is gelegen. Vanwege de te realiseren woonfunctie in de directe nabijheid van de bedrijven op het bedrijventerrein, moet door middel van onderzoek worden aangetoond dat de woonfunctie inpasbaar is op de locatie en dat de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. In de stedenbouwkundige hoofdopzet is al rekening gehouden met extra afstand (ruim 50 meter) tussen de woningen en het vleesverwerkingsbedrijf. Onderzoek moet aantonen dat dit voldoende is. Een ander aandachtspunt betreft de loods van de museumstoomtram en eventuele uitbreidingsplannen daarvoor. Bij het onderzoek naar bedrijvenhinder dient uitgegaan te worden van de maximale planologische mogelijkheden.

6 Vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet kan de gelijkwaardigheidstoets worden toegepast op grond van artikel 4.7 Omgevingswet.

32

2.9 Cultuurhistorie en archeologie In de toelichting van een ruimtelijk besluit, zoals een bestemmingsplan of goede ruimtelijke onderbouwing, moet conform de Erfgoedwet (voorheen Monumentenwet) een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor moeten cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van het ruimtelijke besluit. Er moet een inventarisatie worden gemaakt van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moet worden aangeven welke conclusies daaraan worden verbonden en op welke wijze deze waarden worden geborgd in het bestemmingsplan. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet regelt het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Echter, onderdelen van de Erfgoedwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die op 1 januari 2024 1 in werking treedt.

Het betreft dan: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; • Bescherming van stads- en dorpsgezichten; Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Cultuurhistorie Voor wat betreft de cultuurhistorische achtergrond wordt verwezen naar de Archeologische Quick Scan die als bijlage bij deze nota is bijgevoegd. In de huidige situatie zijn er geen cultuurhistorische waarden binnen het plangebied meer aanwezig. Wel zijn de direct omliggende cultuurhistorische structuren van belang, zoals het water aan de oost-zuid en westzijde en de spoorlijn. Daarnaast is het plangebied omringt door groen. Dit is belangrijk bij het zicht vanaf het historische lint de Dorpsstraat. Bij de ontwikkeling moet dan ook rekening worden gehouden met deze historische structuren en het groen.

33

Archeologie De gronden van het plangebied hebben de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 4. Dit houdt in dat er onderzoek nodig is wanneer het plangebied een oppervlakte heeft van 1.000 m² of meer en werkzaamheden een 0,40 m of dieper de bodem in gaan. Het plangebied bedraagt meer dan 1.000 m². In de Archeologische Quick Scan met datum 14-01-2021 die als bijlage bij deze nota van uitgangspunten is gevoegd staat het gebied dat is vrijgegeven voor archeologie. Op de plek van de gevangenisbebouwing is de ondergrond verstoord geraakt. De bouw van de gevangenis heeft mogelijk gezorgd voor bodemverstoring buiten de gebouwen, bijvoorbeeld bij het bouwrijp maken van het terrein. Op basis van de aanwezige omvangrijke bebouwing is de kans op het aantreffen van waardevolle archeologische resten uit de Bronstijd klein. Hier wordt geen intacte archeologische vindplaats onderzocht . Archeologie West-Friesland adviseert daarom de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg is niet noodzakelijk.

34

Figuur 4 het plangebied is vrijgesteld van archeologisch onderzoek (zie ook archeologische quick scan)

2.10 Ecologie In opdracht van het RVB is een quickscan ecologie uitgevoerd. Daaruit blijkt dat negatieve effecten van de plannen op beschermde soorten (indien aanwezig) zijn uit te sluiten, mits er rekening wordt gehouden met enkele voorschriften. Er wordt aanbevolen: • de werkzaamheden in het plangebied uit te voeren buiten de broedperiode (grofweg half maart – half juli) óf het plangebied voor de broedperiode ongeschikt te maken voor broedvogels; • het plangebied af te blijven schermen met hekken, of liever water, om mogelijke toekomstige verstoring voor jaarrond beschermde nesten in de bomen rondom het plangebied te voorkomen. Waar dit niet mogelijk is en verstoring niet kan worden uitgesloten, dient er een onderzoek gedaan te worden naar mogelijk aanwezige jaarrond beschermde nesten in de bomen rondom het plangebied; • werkzaamheden met zware trillingen rondom eventueel aanwezige actieve nesten van vogels (jaarrond beschermd of anderszins) te voorkomen. Dergelijk werk moet buiten het vogelbroedseizoen worden gepland; • in de plannen rekening te houden met de mogelijke verstoring van de aanwezige vleermuiskasten door de werkzaamheden door zwaar constructiewerk buiten de gevoelige periode (globaal april-oktober of eventueel na voorcheck van de kasten) uit te voeren. Tevens mogen de vleermuispalen niet verplaatst wordenzonder toestemming van het bevoegd gezag.

Aangezien het de bedoeling is dat de versneld te realiseren woningen eind 2024 opgeleverd kunnen worden, is het uitvoeren van werkzaamheden buiten de broedperiode en buiten de voor vleermuizen gevoelige periode niet mogelijk. In dat kader moet tijdig onderzocht worden of: • trillingsarm geheid kan worden (schroeven); en/of • overleg gevoerd kan worden met de Provincie of het mogelijk is om de vleermuispaal die zich het dichtst bij de te realiseren sociale huurwoningen bevindt, al dan niet tijdelijk, een paar meter naar achteren in de groenzone verplaatst mag worden; • welke maatregelen er nodig zijn om het plangebied voor de broedperiode ongeschikt te maken voor broedvogels. Inmiddels is de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord akkoord met het verplaatsen van de vleermuispalen. 2.11 Toerisme Het plangebied krijgt geen functies gerelateerd aan toerisme en is daarmee op zichzelf niet toeristisch aantrekkelijk. Het onderwerp toerisme kan buiten beschouwing blijven.

35

2.12 Sociale veiligheid De huidige locatie grenst aan een bedrijvenlocatie omgeven door veel infrastructuur. ’s Avonds zijn er geen activiteiten op het bedrijventerrein te verwachten. Het plangebied ligt aan een belangrijke verkeerroute over de weg waardoor veel mensen zich verplaatsen vlak langs het plangebied. Door de herontwikkeling naar een woonlocatie wordt het gebruik van het plangebied door mensen vergroot en daarmee wordt de sociale veiligheid binnen het gebied maar ook naar de omgeving toe vergroot. Het bouwplan en de aangrenzende gebieden moeten getoetst worden op donkere hoeken en plaatsen waar samenscholing kan plaatsvinden en waar dit ongewenst is. Vooraf moeten maatregelen om sociale veiligheid te bevorderen worden besproken met de gemeente Hoorn. 2.13 Gezondheid Onder de Omgevingswet speelt het aspect ‘gezondheid’ mee in de afweging van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het thema ‘gezondheid’ omvat de aspecten, die de fysieke gezondheid van mensen in het gebied bepaalt en/of bevordert. Het gaat daarbij om concentraties luchtverontreinigende stoffen en de hoogte van geluid door wegverkeer maar ook over de mogelijkheden en maatregelen die bewoners en gebruikers in het gebied bevorderen (zelf) te bewegen en de kwaliteit van groen en openbare ruimte in het gebied.

Gezondheid wordt breder beschouwd dan alleen focus op luchtkwaliteit- en geluidseffecten beneden de normen, maar ook op ruimte voor bewegen en andere aspecten. De initiatiefnemer dient rekening te houden met het aspect gezondheid bij het ontwikkelen van het bouwplan en dient te motiveren welke gezondheidseffecten er zijn te verwachten voor de nieuwe bewoners en de omgeving.

3

Technische uitgangspunten

3.1 Kabels en leidingen, nutsruimten Voor de aanleg van kabels, leidingen en andere nutsvoorzieningen moet de initiatiefnemer in overleg treden met de nutsbedrijven. De volledige coördinatie met de nutsbedrijven ligt bij de initiatiefnemer. Schakelkasten, trafohuisjes, CAI-kasten, brandkranen en dergelijke moeten binnen de plangrenzen opgenomen worden. De kosten van het verleggen van kabels en leidingen zijn voor rekening van de ontwikkelaar. Dit geldt zowel binnen de plangrenzen als ook in de openbare ruimte. Voor de ontwikkeling is de Algemene Verordening Ondergrondse Infra van toepassing (AVOI). Voor alle eisen ten aanzien van kabels en leidingen is het uitgangspunt het “handboek kabels en leidingen Hoorn”. Dit uitgangspunt geldt voor gronden die terug geleverd worden aan de gemeente of grond waarin de gemeente werkzaamheden uitvoert. De technische eisen voor de aanleg van de ondergrondse infrastructuur staan in de LIOR. 3.2 Kunstwerken Voor verbindingen over het water bij de spoorlijn geldt dat alle voorzieningen rondom de spoorlijn onderhoudsvrij moeten worden ontworpen omdat voor elke vorm van onderhoudswerk rondom spoorlijnen aan grote kostbare veiligheidseisen en vergunningstermijnen moeten voldoen. Het maximaliseren van een lage onderhoudsfrequentie moet hier het doel zijn. Bij andere projecten in Hoorn kan materiaal ‘vrij komen’.

Zo komt er bijvoorbeeld een duiker vrij die geschikt kan zijn als alternatief voor een gewenste brug. Vanuit kostenbesparing en circulariteit kan hergebruik hier van meerwaarde zijn. Alle brugverbindingen en duikers moeten worden uitgevoerd conform LIOR. 3.3 Riolering Voor wat betreft riolering moet vroegtijdig onderzoek gedaan worden naar hoe de ontwikkeling aangesloten kan op de bestaande ondergrondse infrastructuur. Indien dit niet het geval is, dient in overleg met de gemeente een plan opgesteld te worden over de aanleg van riolering en verwerking van de afvoer. De nieuw aan te leggen riolering moet qua capaciteit geschikt zijn voor het beoogde programma. De technische eisen die gesteld worden aan de riolering staan in de LIOR. 3.4 Wateropgave/groen Op grond van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gelden er regels voor een eventuele toename van verhard oppervlak. Verhard oppervlak bestaat bijvoorbeeld uit gebouwen, terreinverharding en wegen. Door de aanleg van verhard oppervlak wordt neerslag versneld afgevoerd naar 36

het water, waardoor het risico op wateroverlast toeneemt. Om dit effect te compenseren geldt op grond van de Waterschapsverordening dat extra waterberging nodig is in de vorm van extra wateroppervlak met een omvang van 10% van het nieuwe aangebrachte verharde oppervlak. Indien het nieuw aangebrachte verharde oppervlak kleiner is dan 800 m² is de toename van het risico op wateroverlast gering. In die situatie hoeft daarom geen compensatie plaats te vinden. In het kader van de ruimtelijke procedure dient een watertoets plaats te vinden die wordt afgestemd met de waterbeheerder. Op grond van het vigerende bestemmingsplan is een ruime mate van verharding al toegestaan en ook aanwezig tot aan de sloop van de voormalige PI. Indien er sprake is van watercompensatie, komt dit voor rekening van initiatiefnemer. 3.5 Energie en duurzaam bouwen In deze paragraaf is gebaseerd op de Handreiking Duurzaamheid Bouwontwikkelingen. De gemeente Hoorn en de Woningmakers hebben samen de Handreiking Duurzaamheid Bouwontwikkelingen opgesteld. De Woningmakers is een samenwerkingsverband tussen wooncorporaties, projectontwikkelaars, makelaars en de gemeente Hoorn met als doel het versnellen van woningbouwprojecten. In de handreiking staan uitgangspunten en ambities op het gebied van energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie.

Marktpartijen hebben deze geëvalueerd en als haalbaar beschouwd. Hierbij moet worden opgemerkt dat wettelijke eisen kunnen veranderen. Hier dient bij de uitwerking rekening mee te worden gehouden. 3.5.1

Kader

De afspraken over duurzaamheid worden vastgelegd in: • Nota van uitgangspunten, • Anterieure overeenkomst of ROK-overeenkomst, • Ruimtelijke besluiten zoals bestemmingsplannen of omgevingsplannen en stedenbouwkundige plannen. Ontwikkelaars en bouwers worden aangespoord om verantwoordelijkheid te nemen voor de kwaliteit van hun eindproduct. Dit gebeurt door: • Aan het begin van het proces, door de vereiste prestaties op te nemen in de nota van uitgangspunten. • Vervolgens in het bestek door bij oplevering inzichtelijk te maken dat de verlangde prestatie in de praktijk is behaald. • Uiteindelijk aan het einde van het proces door via meting en beoordeling (gecertificeerde) proeven te doen om zo de eindkwaliteit vast te leggen. De opleverkwaliteit moet dus tenminste gelijk zijn aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 en aan de kwaliteit die bij aanvang van de bouw is overeengekomen. Zolang de ambities uit dit document nog niet in bestaand beleid is vertaald ondersteunt het programma Duurzame Stad bij het praktisch vertalen van de eisen, ambities en voorwaarden naar specifieke afspraken met de ontwikkelaar (vastgelegd in een anterieure overeenkomst). Hierbij is het meer dan wenselijk dat de ontwikkelaar het budget organiseert om de specifieke maatregelen te onderzoeken en deze uit te voeren.

In de volgende paragrafen wordt per duurzaamheidsthema ingegaan op de uitgangspunten die de gemeente hanteert. Bij de uitwerking van het initiatief moet worden aangetoond dat het initiatief voldoet aan de met de gemeente vastgelegde afspraken. Ook moet worden onderbouwd in hoeverre de gestelde ambities in het initiatief zijn verwerkt. 3.5.2

Energietransitie

Hoorn streeft naar een CO2-reductie van 49% in 2030 en klimaatneutraliteit in 2040. Momenteel wordt slechts 4% van de energievraag duurzaam gerealiseerd. Om de overige 96% vóór 2040 duurzaam op te wekken, worden energiebesparingsprojecten, duurzame energieopwekking en aardgasvrije warmte onderzocht. Om extra druk op de infrastructuur te voorkomen, moet de initiatiefnemer, eventueel in samenwerking met de gemeente om een capaciteitscheck vragen bij de aankoop. De kaders voor de energietransitie zijn hieronder weergegeven. 37

Uitgangspunten en wettelijke eisen 1. Alle nieuwe gebouwen moeten voldoen aan Bijna Energie Neutrale Gebouwen (BENG123), zoals beschreven in de NTA 8800. (zie: https://www.rvo.nl/). 2. Ook worden de plannen getoetst op het risico op temperatuuroverschrijding in het gebouw (zie: https://www.rvo.nl/). 3. De hoeveelheid hernieuwbare energie (BENG3) bestaat uit: opbrengst van zonnepanelen, stadsverwarming, warmte- en koudeopslag. (NEN 7125, zie www.nenconnect.nl). 4. Warmtepompen kunnen geluid maken. Hier zijn normen voor. De hoeveelheid geluid op de erfgrens mag in de nacht maximaal 40 dB zijn, en overdag 45 dB. Deze eisen gelden voor nieuwbouw en bestaande woningen. 5. Voor de toepassing van bodemenergie is vaak een vergunning nodig voor: Een klein (<70 kW) gesloten systeem moet bij de gemeente worden gemeld via www.omgevingsloket.nl. Voor een gesloten systeem groter dan 70 kW moet een vergunning worden aangevraagd bij de gemeente. Voor een open systeem is een vergunning van de provincie nodig. Aanvullende ambities 1. Wanneer mogelijk is het wenselijk om een hogere energie-ambitie te realiseren In de tabel hieronder staat de hogere ambitie (BENG+):

2.

3.

4.

5.

6. 7.

BENG 1 blijkt maatwerk en niet voor elke woning hetzelfde. Door strengere eisen aan BENG 1 blijkt de patiowoning te worden uitgesloten. Voor vrijstaande en hoekwoningen is deze buitenproportioneel en voor meergezinswoning is de standaard eis BENG 2 te hoog. Daarom wordt bij voorkeur gekeken naar de totale CO2 prestatie. De gemeente Hoorn is aardgasvrij in 2040. Om dat te bereiken werkt de gemeente Hoorn aan collectieve duurzame warmte met een warmtenet en worden kleinschalige (buurt)warmte-initiatieven ondersteund. Binnen een bouwplan moet rekening gehouden worden met externe warmtelevering. Wanneer het woningbouwplan in de buurt ligt van potentiële uitbreidingslocaties van het warmtenet, dan moet de optie om aan te sluiten op het warmtenet in de ontwerpfase worden meegenomen. De keuze om aan te sluiten wordt gemaakt in de VO-fase (voorlopig ontwerp). De gemeente legt het contact met het betreffende initiatief voor verdere afstemming van o.a. de (reken)uitgangspunten (EOR). Programma Duurzame Stad ondersteunt bij het regelen van een gesprek met de ontwikkelaar en de warmtenetpartner m.b.t. deze mogelijkheid. De ‘Woningmakers’ en HVC leggen hun planningen naast elkaar en bespreken waar kansen liggen om nieuwbouw aan te sluiten op het warmtenet.

In gebieden met veel initiatieven voor bodemenergie wil de gemeente voorkomen dat minder efficiënt gebruik gemaakt wordt van de ruimte om bodemenergie te winnen. In dit geval bepaalt de gemeente of het aanwijzen van een interferentiegebied nodig of wenselijk is, Als er elektrisch verwarmd gaat worden met warmteoplossingen die een hoge piekvraag kennen (Infrarood-, weerstandverwarming en luchtwarmtepompen) dan betekent dit ook iets voor de vraag naar elektriciteit. De initiatiefnemer moet bij Liander navragen of de capaciteit voldoende is voor de aansluitingen in het gebied, Er wordt fysieke ruimte opgenomen in bestemmings- en/of stedenbouwkundig plan om duurzaam bouwen te stimuleren of te faciliteren. Bij de aanleg van een warmtenet wordt in de plannen standaard een paragraaf ‘kabels en leidingen’ opgenomen. Dit is nodig om ondergronds voldoende capaciteit te houden voor het elektriciteitsnetwerk. 38

8. 9.

Alle nieuwbouwwoningen zijn geschikt voor het plaatsen van zonnepanelen, indien mogelijk in combinatie met een groen dak. De gemeente Hoorn ondersteunt geen verwarmingsoplossingen op basis van het verbranden van biomassa.

3.5.3

Mobiliteit

De gemeenteraad heeft in 2019 het besluit genomen om 'meer stad' te worden. Daarnaast wordt ingezet op een aantrekkelijke, economische, goed bereikbare, veilige en duurzame stad. De Mobiliteitsvisie geeft daar invulling aan. Deze visie is op 30 maart 2021 als meningsvormend raadsstuk besproken. De ambities daarvan zijn overgenomen. Uitgangspunten en wettelijke eisen 1. Bij nieuwe utiliteitsgebouwen (gebouwen om in te werken zoals kantoren) en utiliteitsgebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan, en die meer dan tien parkeervakken hebben, bestaat de ambitie om minimaal 1 oplaadpunt te realiseren. Daarnaast moeten voor een op de vijf parkeervakken (loze) leidingen voor oplaadpunten worden aangelegd. Als de kosten van het aanleggen van deze leidingen hoger zijn dan 7% van de totale renovatiekosten, geldt er een vrijstelling van deze verplichting. 2. Ook bij nieuwe woningen en woningen die een ingrijpende renovatie krijgen en die meer dan tien parkeervakken hebben, moeten leidingen voor oplaadpunten worden gerealiseerd. Deze verplichting geldt wanneer de parkeergelegenheid op hetzelfde terrein (bouwperceel) ligt. Als de kosten van het aanleggen van deze leidingen hoger zijn dan 7% van de totale kosten, geldt er een vrijstelling van deze verplichting (zie: EPBD III, 10 maart 2020). Aanvullende ambities 1.

Een belangrijk aandachtspunt is de brandpreventie bij laadpalen, met name in ondergrondse parkeergarages. 2. Zorgen voor voldoende oplaadpunten voor elektrische fietsen. 3. Er wordt ingezet op een kwaliteitsverbetering voor lopen, fiets en het OV. In wijken worden stoepen breder en obstakels voorkomen. 4. In de nieuwe wijken staat comfort voor langzaam verkeer voorop. Zo staat de fiets dichterbij geparkeerd dan de auto. Gebiedsontwikkelingsprojecten zijn een vliegwiel voor innovaties, bijvoorbeeld voor deelvervoer. Dit kunnen auto’s zijn, maar ook (elektrische) (bak)fietsen. 5. Er wordt prioriteit gelegd bij het reizen met een ander vervoermiddel dan de auto. 3.5.4

Circulaire economie en materiaalgebruik

Uitgangspunten en wettelijke eisen: 1. Bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning is het verplicht om een Milieu Prestatie Gebouwen (MPG) in te vullen. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden gebruikt. 2. Per 1 juli 2021 zijn de eisen voor nieuwe woningen aangescherpt van 1,0 naar 0,8. De wettelijke eisen worden stapsgewijs verder aangescherpt, waarbij de Rijksoverheid de norm in 2030 wil terugbrengen naar 0,5. Ambities: 1. Bij de materiaalkeuze en het gebouwontwerp gaan voor maximaal waarde behoud van grondstoffen. 2. Maatregelen waarmee de MPG kan worden verlaagd zijn het toepassen van biobased materialen, zoals hout, isolatie met grassen en het gebruik van hergebruikte of gerecyclede materialen, zoals beton, bakstenen, elektrische installaties en dergelijken. Onderhoudsvrije materialen kunnen hierin een rol spelen. 3. Er wordt gestreefd naar het realiseren van een MPG van € 0,7/m² BVO. Minimaal 20% van het gebruikte materiaal is gerecycled. Of de ontwikkelaar laat zien waar hij specifiek aandacht besteedt aan circulair bouwen. 4. De milieubelasting van bouwmaterialen kan ook worden beperkt door compact te bouwen (beperk het aantal wanden, hoeken en materiaal-intensieve afwerkingen), flexibel te bouwen en het materiaalverlies 39

5.

te beperken. De detaillering zodanig uitvoeren dat vervanging en hergebruik van gebouwonderdelen mogelijk is en de te verwijderen materialen herbruikbaar zijn. Er wordt een materialenpaspoort opgesteld. Hierin worden ten minste de materialen die in een gebouw zitten en de kwaliteit en hoeveelheid van deze materialen vastgelegd. Het materialenpaspoort wordt binnen het project opgesteld door de gemeente, of een bureau dat in opdracht werkt van de gemeente, in samenspraak met ontwikkelaars en leveranciers. De kosten van het materialenpaspoort komen ten laste van het project.

3.5.5

Klimaatadaptatie en biodiversiteit

Maatregelen zijn afgesproken om veilig en comfortabel te kunnen blijven wonen, werken en recreëren. Hoofdpunten van het vastgestelde Ambitieniveau (B) voor klimaat adaptief handelen zijn: - meegroeien met de klimaatverandering; - beschermingsniveau is vergelijkbaar met de situatie van nu; - we benutten klimaatadaptatie actief om waarde toe te voegen aan onze stedelijke leefomgeving. Uitgangspunten Strategie B betekent een beschermingsniveau waarbij bij heftige regenbuien geen schade optreedt aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Er zijn afspraken gemaakt over hitte, droogte en wateroverlast. Per onderdeel zijn de uitgangspunten benoemd: Hitte: 1. Tenminste 40% schaduw in het plangebied op de hoogste zonnestand (21 juni) voor verblijfsplekken en gebieden waar langzaam verkeer verplaatst en minimaal 30% schaduw op buurtniveau. 2. Koele en schaduwrijke verblijfsplekken van minimaal 200m² zijn op loopafstand (300 meter) aanwezig en openbaar toegankelijk. 3. 50% van alle horizontale en verticale oppervlakten wordt warmte werend of verkoelend ingericht. 4. De koeling van de gebouwen leidt niet tot opwarming van de (verblijfs)ruimten in de directe omgeving. 5. Vitale en kwetsbare functies en groenvoorzieningen in de openbare ruimte moeten bestand zijn tegen hitte. Droogte: 1.

De grondwaterpeilen in het plangebied en de omgeving en de zoetwaterbeschikbaarheid in de bodem zijn sturend in de functiekeuze, systeemkeuze en inrichting in het plangebied. 2. De inrichting van het plangebied is infiltratieneutraal bij uitbreidingslocaties en infiltratiepositief bij herontwikkeling. 3. Bij het ontwerp en de inrichting wordt ingezet op drinkwaterbesparing, regenwaterbenutting en verbetering van de waterkwaliteit. 4. Vitale en kwetsbare functies moeten bestand zijn tegen langdurige droogte. Wateroverlast: 1. In het plangebied treedt bij hevige neerslag (1/100 jaar, bij 70mm in een uur) geen schade op in en aan gebouwen, infrastructuur en voorzieningen. Bij hevige neerslag (1/250 jaar, 90mm in een uur) blijven vitale en kwetsbare infrastructuur en voorzieningen functioneren en bereikbaar (hoofdwegen, drinkwater en energie). 2. Op privaat terrein wordt een groot deel van de neerslag (range 40-70 mm) van een hevige bui op het bebouwd deel van het privaat terrein zelf verwerkt (geïnfiltreerd, opgevangen en/of vertraagd afgevoerd) of in extra watervoorzieningen in of toegerekend aan het plangebied. De voorzieningen voeren de eerste 24 uur vertraagd af (niet extra naar riolering of watersysteem) en zijn in maximaal 60 uur weer beschikbaar.

De verwerking van de neerslag op het overige deel van het private terrein is de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar, zoals geregeld via de Waterwet. 3. De ontwikkeling gebeurt waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden en hergebruikt in het plangebied. 4. In het gebied is natuurlijke en oppervlakkige afwatering zoveel mogelijk aanwezig.

40

5.

Bij een waterdiepte van 20 cm op de rijbaan door extreme regen en/of overstromingen mag geen schade optreden aan gebouwen en elektrische installaties in de openbare ruimte en blijven wegen begaanbaar.

Ambities: 1. De tuinen, parkeerplaatsen en het gebied worden alleen wanneer noodzakelijk verhard. Het overige wordt groen ingericht. Hierdoor kan voldoende water worden afgevoerd en het is goed voor de biodiversiteit. Groenstructuren en verschillende soorten groen zijn van belang. Dit vermindert hittestress en draagt bij aan een gezonde leefomgeving. Voor privé tuinen kunnen deze voorwaarden niet dwingend worden opgelegd, daar kan wel voorlichting worden gegeven. In de plannen wordt 5% kavelgroen en 20% groen dak gerealiseerd. 2. Waar mogelijk wordt waterdoorlatende verharding toegepast. 3. Zorgen voor een voorziening voor het opvangen van regenwater voor later gebruik. 3.6 Afvalinzameling Voor de huisafvalinzameling wordt verwezen naar de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR). Het doel is dat iedere inwoner zijn huisvuil op eigen terrein opslaat en niet in de openbare ruimte. Bij hoogbouw en bovenwoningen wordt restafval ondergronds ingezameld. In de planvorming moeten de locaties voor voldoende ondergrondse afvalcontainers vroegtijdig worden bepaald. In overleg met de contractant (HVC) wordt de definitieve hoeveelheid, locatie en bereikbaarheid ervan afgestemd. Dit geldt zeker ook wanneer sprake is van een gefaseerde oplevering van woningen. 3.7 Civiel De binnen gebieden blijven waarschijnlijk privaat eigendom van de belegger of een VVE.

Alle gebieden rondom de gebouwen worden waarschijnlijk openbaar gebied. Bij de aanleg van openbare ruimte moet worden voldaan aan de LIOR. Alle openbare ruimte in het plangebied wordt overgedragen aan de gemeente. 3.8 Verlichting De openbare verlichting moet voldoen aan de eisen uit de LIOR, het Beleidsplan openbare verlichting 2014 – 2024 en de NPR 13201+A1. Bij het bepalen van het type en de locatie van bomen moet rekening gehouden worden met de openbare verlichting. Bij het verlichtingsplan moet rekening worden gehouden met de fasering van de realisatie van de ontwikkeling. 3.9 Nood- en hulpdiensten In paragraaf 2.7.1 is aangegeven dat een extra ontsluiting van het plangebied nodig is in de vorm van één of twee fietsverbindingen waarvan ten minste één verbinding geschikt is om het verkeer van nood-en hulpdiensten te verwerken (denk aan de breedte, draaicirkels, zwaar verkeer e.d.). Deze extra verbinding moet goed verlicht worden en uiteraard goed bereikbaar zijn. De Veiligheidsregio dient in een vroegtijdig stadium te worden betrokken bij het initiatief. De Veiligheidsregio heeft al een eerste advies afgegeven over de stedenbouwkundige hoofdopzet. Het plan is naar aanleiding van dit advies aangepast, zodat wordt voldaan aan de bereikbaarheidseisen die in het advies zijn opgenomen.

Het stedenbouwkundig planwordt nogopgesteld en ook het bouwplan voor de sociale huurwoningen moet nog gemaakt worden. De nood- en hulpdiensten worden bij deze plannen betrokken en hen zal om advies worden gevraagd over de bereikbaarheid van de woningen en voorzieningen, externe veiligheid en over blusvoorzieningen. 3.10 Keurmerk wonen Het Politiekeurmerk Veilig Wonen is een keurmerk voor woningen die in een bepaalde mate zijn beveiligd. Bij woningen die het keurmerk krijgen, zijn inbraakvertragers aangebracht en zijn er geen zwakke plekken die het een inbreker makkelijk maken om de woning binnen te komen. 3.11 Milieu- en omgevingsonderzoeken De initiatiefnemer en/of de ontwikkelaar is verantwoordelijk voor het (laten) opstellen van een aantal omgevingsaspecten. Dit dient plaats te vinden door een technisch gekwalificeerd bureau. De onderzoeken worden waar nodig om advies voorgelegd aan een aantal andere overheden. Dit betreft onder andere de

41

Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord, het HHNK en de Veiligheidsregio. De onderstaande onderzoeken zijn in ieder geval aan de orde: 1. Vormvrije MER beoordeling 2. Ecologisch onderzoek 3. Aerius berekening stikstof 4. Externe veiligheid 5. Akoestisch onderzoek 6. Archeologisch onderzoek 7. Bodemonderzoek 8. Luchtkwaliteit 9. Bedrijven en milieuzonering 10. Bezonningsstudie 11. Trillingshinder

4

Vervolg

4.1 Procesbeschrijving De voorbereiding en realisatie van dit project wordt in lijn met projectmatig werken uitgevoerd. Dit houdt in dat er een gemeentelijke projectleider is aangesteld, een projectteam is gevormd. Dit team werkt volgens een vaste werkwijze, zoals opgenomen in de intentieovereenkomst (maar ook hierna) naar een concreet bouwplan wordt gewerkt. 4.1.1

Projectorganisatie:

-

projectleider projectteam incidentele ondersteuning

-

initiatiefnemer stedenbouwkundig bureau

4.1.2

I. Lubrun adviseurs van RO, Wonen, Verkeer, Stedenbouw en Grondzaken adviseurs van het ingenieursbureau, Erfgoed, Omgevingsdienst, Communicatie, Veiligheidsregio, GGD, HHNK Rijksgebouwendienst Urhahn

Proces

Met de initiatiefnemer (het RVB) is afgesproken om een nota van uitgangspunten voor het plangebied/project op te stellen. Vanwege de wens om een deel van de woningen in het plangebied versneld te realiseren wordt parallel aan deze nota van uitgangspunten een notitie over versnelde woningbouw opgesteld. In de nota van uitgangspunten is aangegeven waar in het plangebied deze woningen versneld gebouwd kunnen worden. Voor het plangebied vervolgt de planontwikkeling verder het reguliere proces. Na het vaststellen van de nota van uitgangspunten wordt een stedenbouwkundig plan ontwikkeld. De bedoeling is dat parallel hieraan een bouwplan wordt ontwikkeld voor de versnelde woningbouw. Dit bouwplan moet voldoen aan deze nota van uitgangspunten. Met een nota van uitgangspunten worden de uitgangspunten voor de planontwikkeling benoemd. Het concept van de nota van uitgangspunten is gedeeld met de initiatiefnemer die in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren. De definitieve versie is vervolgens ook gedeeld met initiatiefnemer. De nota van uitgangspunten maakt onderdeel uit van een participatieproces dat wordt verzorgd door de initiatiefnemer. In het kader van het participatieproces zijn 2 bijeenkomsten georganiseerd. Tijdens de bijeenkomsten zijn de plannen gedeeld en zijn vragen beantwoord. Daarnaast hebben er nog gesprekken met omwonenden en bedrijfseigenaren plaatsgevonden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=c494e44e-8517-4a62-81ed-960155216b78