Bijlage 1- Bestemmingsplan Stadsstrand toelichting
Tekst van het document
Soortenbescherming In de onderstaande tabel (zie ook de tabel in Bijlage 6) zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat. Mits de (pro-actieve) maatregelen in acht worden genomen leidt het aspect soortenbescherming niet tot een beperking van de uitvoerbaarheid van het plan.
30
bestemmingsplan Stadsstrand
Figuur 7. bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten bruggen
4.2.4
Conclusie
Bij de nadere uitwerking en de realisatie van de plannen wordt rekening gehouden met de (pro-actieve) maatregelen en waar nodig worden de genoemde mitigerende maatregelen getroffen. Ten behoeve van de ontwikkeling van het stadsstrand is een ecologisch werkprotocol vastgesteld, waar de beschreven maatregelen in zijn verwerkt. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde eisen. Verder wordt bij het stadsstrand voorzien in vleermuisvriendelijke verlichting. Dit wordt als eis opgenomen in dit bestemmingsplan. Het aspect ecologie leidt dan ook niet tot een beperking van de uitvoerbaarheid van het plan.
4.3
Erfgoed
Toetsingskader De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan:
31
bestemmingsplan Stadsstrand
1. 2. 3.
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Bescherming van stads- en dorpsgezichten.
Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). 4.3.1
Cultuurhistorie
De bestaande waterkering (Westerdijk) is onderdeel van de Westfriese Omringdijk. De Westfriese Omringdijk is als provinciaal monument aangewezen. Om de bruggen op de bestaande waterkering (en de binnendijkse infrastructuur) aan te kunnen sluiten moeten er werkzaamheden in de monumentale dijk uitgevoerd worden. In paragraaf 3.2.2 en Bijlage 4 is ingegaan op de uit te voeren werkzaamheden en de gevolgen hiervan voor het provinciale monument. Geconcludeerd wordt dat de aantasting van het provinciale monument vanwege de kleinschaligheid (alleen ter hoogte van de drie bruggen) en tijdelijkheid (dijklichaam wordt grotendeels hersteld na uitvoering werkzaamheden) acceptabel wordt geacht, omdat met het stadsstrand een belangrijk beleidsdoel van de gemeente Hoorn wordt verwezenlijkt. Gecombineerd met de dijkversterking wordt in de eindsituatie (oeverdijk, inclusief bruggen) de aantasting van het monument zo beperkt mogelijk gehouden. De benodigde omgevingsvergunning – monument wordt vergunbaar geacht. 4.3.2
Archeologie
Op grond van de beleidskaart Archeologie van de gemeente Hoorn en het paraplubestemmingsplan Archeologie is er sprake van een volledig dekkende archeologische dubbelbestemming. De gronden hebben respectievelijk de dubbelbestemmingn Waarde-Archeologie 1, 3 of 5. Deze dubbelbestemmingen zijn in dit bestemmingsplan overgenomen. In het kader van de planvorming is een archeologische beschouwing uitgevoerd (zie Bijlage 7). Voorafgaand aan de start van het uitvoeren van de werkzaamheden aan de Markermeerdijk wordt, ter plaatse van de beoogde landhoofden, verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Een en ander is afgestemd met de provincie Noord-Holland en de uitvoerder, De Alliantie Markermeerdijken. Met deze aanpak is in voldoende mate rekening gehouden met de archeologische status van de Omringdijk. Conclusie Het aspect erfgoed staat uitvoering van het planvoornemen niet in de weg.
4.4
Externe veiligheid
Toetsingskader Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. De wet- en regelgeving rond het thema externe veiligheid zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit
32
bestemmingsplan Stadsstrand
externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak veiligheidsafstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Onderzoek Landelijk is de zogenoemde professionele risicokaart ontwikkeld. Hierop is onder andere informatie over risico’s van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Om na te gaan of bij het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd.
In het kader van de externe veiligheid is in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen gesitueerd. Binnen een straal van 1,0 kilometer bevinden zich de volgende risicobronnen die om aandacht vragen: 1.
LPG-tankstation aan de Keern 17 te Hoorn;
Het LPG-tankstation 'BP Station Keern' is gelegen aan de Keern 17. Het station heeft een maximale LPG doorzet per jaar van 1.000 m3 en de inhoud van de ondergrondse tank bedraagt 40 m3 . Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar volgt uit de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor respectievelijk het vulpunt, het ondergronds reservoir en de afleverinstallatie zijn deze afstanden 35 meter, 25 meter en 15 meter. Een LPG-tankstation kent bovendien een invloedsgebied van 150 meter (zowel vanaf het vulpunt als vanaf het reservoir). Het tankstation is op een minimale afstand van 360 meter gelegen van het plangebied. Dit tankstation vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied. Uit de risicokaart volgt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen verdere relevante risicobronnen zijn gelegen. Wel wordt opgemerkt dat eveneens sprake is van transport van gevaarlijke stoffen over de A7. Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan het zijn dat er beperkingen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen een zone van 200 meter aan weerszijden van een transportroute.
Aangezien deze wegen echter op een afstand van meer dan 200 meter (minimaal 850 meter) van het plangebied zijn gesitueerd is het niet benodigd om de externe veiligheidsrisico's middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) inzichtelijk te maken. De A7 kent echter, vanwege het transport van giftige vloeistoffen (LT2), wel een invloedsgebied van 880 meter. Daar op een afstand van minimaal 900 meter van de A7 een stadsstrand zal worden gesitueerd is de beoogde ontwikkeling buiten het invloedsgebied van deze weg gelegen en is een nadere beschouwing niet aan de orde. Ook maakt het plan geen nieuwe risicobronnen en transport van gevaarlijke stoffen mogelijk. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar wat betreft het aspect externe veiligheid.
4.5
Geluidhinder
Toetsingskader Regels ten aanzien van geluidhinder zijn vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). Het doel van de Wgh is tweeledig. Enerzijds de bescherming van het milieu en anderzijds de bescherming van de volksgezondheid. Bepalend is steeds de situering van geluidsbronnen ten opzichte van geluidsgevoelige bestemmingen,
33
bestemmingsplan Stadsstrand
zoals woningen en scholen. De Wgh gaat uit van zones langs wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Binnen dergelijke zones zijn nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen alleen toegestaan indien de geluidsbelasting op de buitengevel onder of hoogstens gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde. De Wgh is alleen van toepassing binnen de van rechtswege aanwezige zone van een weg. Volgens de Wet geluidhinder heeft elke weg een zone. Conform artikel 74 lid 2 Wgh zijn wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt hiervan uitgezonderd, evenals wegen die deel uitmaken van een woonerf. Onderzoek Door Peutz is een onderzoek uitgevoerd naar het geluid in de omgeving ten gevolge van wegverkeer na realisatie van het geprojecteerde Stadsstrand te Hoorn, alsmede ten gevolge van verkeersbewegingen op het parkeerterrein van het Stadsstrand. Het onderzoek is als Bijlage 8bijgevoegd. Door de realisatie van het Stadsstrand vindt naast de activiteiten op het Stadsstrand zelf tevens een wijziging van de verkeersintensiteiten van de aansluitende wegen plaats. Doel van het onderzoek is de geluidbelasting van de relevante woningen te berekenen voor de toekomstige maatgevende situatie (2033). Beschouwd zijn de volgende wegen: Westerdijk. Hoge Vest.
De (wijziging in) geluidbelasting ten gevolge van de afzonderlijke wegen wordt getoetst aan het reconstructiecriterium en eventueel de geluidgrenswaarden van de Wet geluidhinder (Wgh). Uit het onderzoek blijkt dat ten opzichte van de huidige situatie de geluidbelasting ten gevolge van de Hoge Vest en Westerdijk voor de toekomstige situatie met ten hoogste respectievelijk 0,5 en 0,3 dB toeneemt. Hiermee is de toename in geluidbelasting minder dan afgerond 2 dB en is geen sprake van een reconstructie in het kader van de Wet geluidhinder. De hoogste berekende gesommeerde geluidbelasting vanwege het wegverkeer (exclusief aftrek ex artikel 110g Wgh en inclusief beschouwde 30 km/uur wegvakken) bedraagt in de toekomstige situatie ten hoogste 66 dB ter plaatse van de woning Westerdijk 8, ten opzichte van 64 dB in de huidige situatie. Voor de woningen langs het Stadsstrand bedraagt de gesommeerde geluidbelasting ten hoogste 57 voor de toekomstige situatie ten opzichte van 58 dB in de huidige situatie. Deze afname in geluidbelasting wordt verklaard door de verlaging van de rijsnelheid van 60 km/uur naar 50 km/uur ter hoogte van het Stadsstrand. De geluidbelasting ten gevolge van het Stadsstrand bedraagt ter plaatse van de omliggende woningen ten hoogste 44 dB(A)-etmaalwaarde.
Hiermee bedraagt de gecumuleerde geluidbelasting vanwege het wegverkeer inclusief de activiteiten op het Stadsstrand ten hoogste 57 dB en wordt geconcludeerd dat de activiteiten op het Stadsstrand niet significant bijdragen aan de optredende geluidbelasting ter plaatse van de omliggende woningen. Samenvattend wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een reconstructie in het kader van de Wet geluidhinder en het geluid afkomstig van het Stadsstrand niet significant bijdraagt aan het akoestische woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen in de omgeving van het Stadsstrand. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar wat betreft het aspect geluidhinder.
34
bestemmingsplan Stadsstrand
4.6
Milieuhinder bedrijven
Toetsingskader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds verstaan. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. Er kan, afhankelijk van het omgevingstype, worden afgeweken van deze richtafstanden. In de genoemde VNG-publicatie worden twee omgevingstypen onderscheiden. Bij het omgevingstype 'rustige woonwijk of rustig buitengebied' wordt functiescheiding nagestreefd. Hiertoe worden minimale richtafstanden gehanteerd, waarbij een bepaalde bij een bedrijf of voorziening behorende milieucategorie een zoneringsafstand ten opzichte van hindergevoelige functies inhoudt. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ is sprake van functiemenging. In tegenstelling tot rustige woongebieden zijn in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van woningen mogelijk. Hiertoe mogen de aangegeven minimale richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (milieucategorie 1 wordt 0, 2 wordt 1, 3.1 wordt 2 et cetera).
Onderzoek Het plan voorziet onder andere in de realisatie van een strandpaviljoen, een standplaats voor een foodtruck of iets vergelijkbaars en sport- en spelfaciliteiten. Deze functies zijn van zichzelf niet gevoelig voor milieuhinder van omliggende bedrijven in maar kunnen wel leiden tot milieuhinder voor omliggende functies en kunnen dus van invloed zijn op hun ontwikkelingsmogelijkheden De geldende bestemmingsplannen in het plangebied en omgeving vormen het juridisch-planologisch kader van functies, bebouwing en werkzaamheden die zijn toegelaten. Op basis van deze plannen kan in planologisch-juridische zin ook worden nagegaan welke milieuhinderlijke bedrijvigheid is toegelaten. Vanwege het bouwplan dient hinder van bedrijven en voorzieningen rondom het plangebied te worden bestudeerd. Hiervoor wordt uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de VNG-publicatie 'Bedrijvenen milieuzonering' gehanteerd.
35
bestemmingsplan Stadsstrand
Er worden binnen het plangebied geen nieuwe hindergevoelige functies opgericht. Van een inwaartse werking is in dit geval dus geen sprake. Wel zal er naar de uitwaartse werking van de nieuwe functies gekeken moeten worden. De bij het strandpaviljoen en foodstruck behorende SBI code is SBI 561 waarbij een maximale richtafstand is gegeven van 10 meter op basis van geluid. De maximale richtafstand voor SBI code 931 behorende bij de sport- en spelfaciliteiten is 50 meter op basis van geluid. De afstand van de grens van de bestemming tot aan de gevel van de dichtstbijzijnde woningen ligt ruim verder dan deze richtafstanden. In het door Peutz uitgevoerde onderzoek naar geluidhinder (zie paragraaf 4.5 en Bijlage 8) is ook ingegaan op het aspect industrielawaai. Het hoogste berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt 44, 39 en 33 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode, hetgeen overeenkomt met een geluidbelasting van 44 dB(A)-etmaalwaarde. Deze hoogste waarden treden op ter plaatse van de woningen aan de Astronautenweg. De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer en de activiteiten op het Stadsstrand bedragen ten hoogste 57 dB, waarbij de bijdrage van het geluid vanaf het Stadsstrand verwaarloosbaar is. Conclusie Het initiatief is uitvoerbaar wat betreft het aspect milieuzonering.
4.7
Verkeer en parkeren
Voor een ruimtelijk project geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een projectvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). Het bestemmingsplan voor Stadsstrand Hoorn is primair bedoeld voor het planologisch verankeren van hetgeen is vastgelegd in het projectplan voor de dijkversterking (Projectplan Markermeerdijken, goedgekeurd door GS van Noord-Holland op 31 oktober 2018). Omdat het hier gaat om de verwerking van een onherroepelijk ruimtelijk besluit hoeven, voor de onderdelen die onverkort in het bestemmingsplan voor het strand worden overgenomen, geen nieuwe onderzoeken te worden uitgevoerd. Het gaat immers om de consolidatie van een reeds genomen planologisch besluit. Echter, in dit bestemmingsplan worden, ten opzichte van het projectplan voor de dijkversterkingen, enkele kleine nieuwe wijzigingen mogelijk gemaakt. Relevant voor verkeer en parkeren zijn de komst van drie bruggen, een horeca paviljoen en een kleine horeca kiosk met toiletgroep. Onderstaand wordt kort ingegaan op de verkeerseffecten die met deze ontwikkelingen gepaard gaan. 4.7.1
Verkeersgeneratie,verkeersafwikkeling en parkeren Stadsstrand Hoorn
In het kader van de ontwikkeling van het projectplan is de parkeeroplossing voor het Stadsstrand Hoorn aan de hand van een aantal alternatieven in beeld gebracht en gewogen (Parkeerstudie Stadsstrand Hoorn, gemeente Hoorn, 2016). Dit maakt onderdeel uit van het onherroepelijke ruimtelijke besluit. Verkeersstructuren stadsstrand Hoorn Verbindingen Om het stadsstrand te bereiken kun je één van de drie verbindingen nemen vanaf de Westerdijk. Nabij de Galgenbocht komt een verkeersbrug voor alle verkeersmodaliteiten. Ongeveer in het midden van het stadsstrand komt een voetgangersbrug die in verbinding staat met een voetgangersverbinding uit de wijk de Grote Waal. Nabij de schouwburg komt tevens een verbinding voor alle verkeersmodaliteiten. Deze weg staat ook in verbinding met de parkeergarage het Park.
36
bestemmingsplan Stadsstrand
Parkeren In totaal krijgt het stadsstrand 500 parkeerplaatsen. Er is één weg op het strand die in verbinding staat met de parkeerplaatsen. Door hoogteverschillen in het landschap worden de geparkeerde auto's deels aan het zicht onttrokken. Nabij de schouwburg worden er 250 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan er 130 parkeerplaatsen in verharding worden uitgevoerd. De overige 120 parkeerplaatsen nabij de schouwburg worden uitgevoerd in, zogeheten ritterplaten. Bij de Galgenbocht, waar een paviljoen komt worden 120 permanente parkeerplaatsen gerealiseerd, deze parkeerplaatsen worden uitgevoerd in verharding. In het tussengebied komen nog eens 130 parkeerplaatsen, uitgevoerd in gewapend gras. De parkeerplaatsen in het tussengebied worden alleen opengesteld bij topdagen. Daarnaast zijn er nog bestaande parkeermogelijkheden in het gebied. Onder de schouwburg zit een parkeergarage met een capaciteit van 124 parkeerplaatsen. Aan de andere kant van de dijk ligt nog het Lambert Meliszweg parkeerterrein met een capaciteit van 153 parkeerplaatsen. De Lambert Meliszweg en de parkeergarage zijn niet primair voor het stadsstrand en om die reden zijn deze ook niet meegenomen in de parkeervraag van het stadsstrand.
Figuur 8. Parkeerverdeling op het stadsstrand
Fietsers en voetgangers Fietsers maken gebruik van de weg op het stadsstrand. De weg is zo ingericht dat de auto 'te gast' is en daarom is de snelheid beperkt. Voor voetgangers is er een apart pad. Profiel Stadsstrandweg Op het strand wordt een strandweg gerealiseerd. Deze weg wordt uitgevoerd in asfalt met aan beide kanten een rammelstrook. De auto is 'te gast' op het stadsstrand. De fietsers rijden op het midden van de weg op het asfaltgedeelte. Auto's kunnen via de rammelstrook een fietser inhalen. Via de stadsstrandweg
37
bestemmingsplan Stadsstrand
zijn de parkeerplaatsen bereikbaar. De gemeente Hoorn heeft met bovenstaande achtergronden het rapport 'Verkeerstructuren stadsstrand Hoorn' opgesteld. Dit rapport is als Bijlage 9 bijgevoegd. In dit rapport gaat de gemeente in op de verkeersstructuren in het plangebied tijdens een topdag en normale dag-variant (zie hieronder). Per variant is zowel in afbeeldingen en tekst per variant aangegeven wat de structuren zijn van auto, fiets en voetgangers. Tot slot is ingegaan op de rijrichtingen in beide varianten. Voor deze afbeeldingen en teksten wordt verwezen naar Bijlage 9. De topdag-variant is ook gebruikt voor de modelberekening voor stranddagen waarin is ingegaan op verkeersafwikkeling van de aansluitingen op de Westerdijk. Zie hieronder. Topdag en normale dag-variant Het tussengebied van het stadsstrand is alleen geopend tijdens zeer mooi weer en grote drukte. In het rapport 'Verkeerstructuren stadsstrand Hoorn' wordt dit een 'Topdag' genoemd. Buiten de topdagen is het tussengebied gesloten. Hierdoor ontstaat er een topdag- variant en een normale dag-variant. In deze varianten zijn er andere verkeersstructuren voor de auto van kracht. Normale dag-variant In de normale dag-variant is het tussengebied gesloten. Het is dan niet mogelijk om over de strandweg te rijden. In de normale dag-variant kunnen ook enkele parkeerellipsen geopend zijn.
Dan is het mogelijk om een over een gedeelte van de strandweg te rijden. Het strand heeft twee toegangen waardoor er een rondje gereden worden op het parkeerterrein. Hier is voldoende ruimte voor. Topdag-variant In de topdag-variant is het tussengebied geopend. Dan is het mogelijk om over de strandweg te rijden om bij de parkeerplaatsen te komen. Het is niet mogelijk om vanaf de schouwburg naar het paviljoen te rijden, en vice versa. De auto is 'te gast' en dient de snelheid hiervoor aan te passen. Modelberekeningen voor stranddagen Bij het bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de aansluitingen op de Westerdijk niet leiden tot problemen met de verkeersafwikkeling. Daarnaast dient onderzocht te worden welke milieueffecten er op treden op het gebied van verkeerslawaai. In dat kader is door Goudappel een modelberekening voor stranddagen opgesteld (Bijlage 10). In deze rapportage wordt ingegaan op de verkeersafwikkeling van de aansluitingen op de Westerdijk bij de Galgenbocht en bij de Schouwburg. Voor het bepalen van de verkeerscijfers wordt gebruik gemaakt van het verkeersmodel van Hoorn en worden de modelcijfers aangevuld met de aannames voor een topdag op het strand (zie hiervoor en Bijlage 9). Uitgangspunten: Op het stadsstrand zijn 500 parkeerplaatsen gesitueerd. 250 parkeerplaatsen bij de schouwburg. 130 parkeerplaatsen bij het restaurant bij de Galgenbocht.
120 overloop parkeerplaatsen alleen toegankelijk op zeer drukke dagen. Op een gemiddelde dag definiëren we voor de geluidberekeningen een worst-case scenario. Waarbij alle parkeerplaatsen bij de Schouwburg en de Galgenbocht 1 keer gebruikt worden. Voor een gemiddelde dag (worst-case) Alle open parkeerplaatsen worden 1 maal bezet. Dus 250 plus 130 auto’s op een gemiddelde dag. Voor een Topdag Parkeerplaatsen bij de schouwburg 2* bezet: 500 auto’s. Parkeerplaatsen bij de Galgenbocht 3* bezet: 390 auto’s.
38
bestemmingsplan Stadsstrand
Parkeerplaatsen overloop 1* bezet: 120 auto’s in bij de schouwburg en uit bij de Galgenbocht. Uit het onderzoek blijkt: Op een gemiddelde dag met strandbezoek, waarbij alle parkeerplaatsen bij de Schouwburg en de Galgenbocht allemaal 1 keer bezet zijn, neemt de intensiteit op de Westerdijk met maximaal 20% toe tussen 2022 en 2033. De Westerdijk heeft in de toekomst voldoende capaciteit om deze toename te kunnen verwerken;. De aansluitingen op de Westerdijk hebben ruim voldoende capaciteit om het verkeer zonder filevorming af te kunnen wikkelen. 4.7.2
Verkeersgeneratie, verkeersafwikkeling en parkeren horecapaviljoen en kiosk
De nieuwe functies zijn qua omvang zeer beperkt; dit geldt ook voor de bijbehorende parkeerbehoefte. Voor het horeca paviljoen wordt (bij een maximaal bruto vloer oppervlak van 400 m2 ), rekening gehouden met een behoefte van maximaal 32 parkeerplaatsen; het aantal beschikbare parkeerplaatsen is meer dan voldoende om hierin te voorzien. Voor wat betreft de kiosk wordt ervan uitgegaan dat deze geen zelfstandige verkeersaantrekkende werking heeft. De parkeerbehoefte ten behoeve van deze kiosk wordt daarom als nihil beschouwd. Voor het in beeld brengen van de verkeersgeneratie (het totaal van het aantal verkeersbewegingen dat kan worden toegeschreven aan een functie) van het horecapaviljoen kan geen gebruik worden gemaakt van standaard kengetallen, zoals deze bijvoorbeeld beschikbaar worden gesteld door het CROW. De verkeersaantrekkende werking van horeca is daarvoor te sterk afhankelijk van het aantal zitplaatsen en openingstijden. Deze zijn nog niet bekend. Omdat het hier gaat om een strandpaviljoen moet bovendien rekening worden gehouden met strandbezoekers die op enig moment (bijvoorbeeld als afsluiting van een stranddag) tevens gebruik maken van het horecapaviljoen; het overgrote deel van de verkeersaantrekkende werking van het paviljoen gaat dus op in de verkeersgeneratie van het strand en vice-versa.
Op basis van de raming van de parkeerbehoefte wordt aangenomen dat de verkeersgeneratie van en naar het horecapaviljoen los van het strandbezoek dusdanig gering is ten opzichte van het totaal aan verkeersbewegingen van en naar het strand, dat deze hierin opgaat. Zie hiervoor ook Bijlage 10. Voor wat betreft de kiosk wordt, zoals eerder aangegeven, ervan uitgegaan dat deze geen zelfstandige verkeersaantrekkende werking heeft. Een beschouwing van de verkeersgeneratie kan om deze reden achterwege blijven. Verkeersveiligheid Om de verkeersveiligheid op de Westerdijk te verbeteren, voert de gemeente Hoorn in ieder geval de volgende maatregel door. De kom Hoorn wordt verplaatst zodat de voetgangers- en autobrug in de toekomst binnen de bebouwde kom vallen. Hierdoor zal de snelheid terug worden gebracht van 60 km/uur naar 50 km/uur. Het verplaatsen van de komgrens is een besluit van de Provincie Noord-Holland. Vanuit de gemeente Hoorn wordt een verzoek ingediend voor verplaatsing. Dit verzoek is op dit moment nog niet gedaan Het ontwerp van de kruisingsvlakken is nog niet helemaal afgerond. In ieder geval worden de kruisingsvlakken op de Westerdijk voorzien van verkeerskundige plateau's conform CROW. bij de aansluiting autobrug op Westerdijk is al een plateau aanwezig.
De volgende snelheidsbeperkende maatregelen kunnen nog worden toegepast: een verhoogd kruisingsvlak (een sinus drempel met hoogte verschil 12 cm) attentie verhogende maatregelen zoals markering, bebording en kleur aanpassing van de voorrangsregeling snelheidsverlaging naar 30km/uur extra verlichting op de kruisingsvlakken
39
bestemmingsplan Stadsstrand
Het kruispunt de Hulk – Westerdijk wordt voorzien van een verkeersdruppel conform de CROW. Op het definitief ontwerp wordt een verkeersveiligheidsaudit uitgevoerd. Op basis van het advies vanuit verkeersveiligheidsaudit zullen aanvullende maatregelen in het ontwerp door worden gevoerd.” Conclusie Het aspect verkeer en parkeren is geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.
4.8
Luchtkwaliteit
Toetsingskader De Wet luchtkwaliteit is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken, als gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging. Anderzijds heeft de wet tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling. Volgens de nieuwe regeling vormt luchtkwaliteit in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van een ruimtelijk project als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. een project leidt, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. een project draagt 'niet in betekenende mate' (nibm) bij aan de luchtverontreiniging. een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10 ) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Toetsing Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil de nibm-tool ontwikkeld.
Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. De NIBM-toets heeft plaatsgevonden in het kader van de verleende omgevingsvergunning versterking Markermeerdijken. Op basis van de NIBM-toets kan worden geconcludeerd dat de toename van het aantal motorvoertuigbewegingen niet zorgt voor overschrijding van de NIBM-grens. Daarom is geen extra onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig voor het ontwikkelen van het stadsstrand met de bijbehorende parkeerplaatsen. Echter, in dit bestemmingsplan worden, ten opzichte van het projectplan voor de dijkversterkingen, enkele kleine nieuwe wijzigingen mogelijk gemaakt. Relevant voor luchtkwaliteit zijn is de extra verkeersgeneratie nav de komst van een horeca paviljoen en een kleine horeca kiosk met toiletgroep. Onderstaand wordt kort ingegaan op de effecten die met deze ontwikkelingen gepaard gaan. Op basis van de raming van de parkeerbehoefte (zie paragraaf 4.7) wordt aangenomen dat de verkeersgeneratie van het toe te voegen horeca paviljoen dusdanig gering is ten opzichte van het totaal aan verkeersbewegingen van en naar het strand, dat deze hierin opgaat. Een nadere beschouwing in het kader van luchtkwaliteit is daarmee niet aan de orde.
Conclusie Met betrekking tot het stadsstrand in Hoorn en de te realiseren parkeerplaatsen blijkt dat sprake is van toepasselijkheid van grondslag c van artikel 5.16 lid 1 Wm, namelijk het plan draagt niet in betekenende
40
bestemmingsplan Stadsstrand
mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.9
Water
Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin moet worden ingegaan op de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water. Het plangebied van het bestemmingsplan ligt binnen het beheersgebied van waterschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Het plangebied ligt binnen het hoofdwatersysteem en is in beheer bij Rijkswaterstaat. Dit houdt in dat het nationale beleid (inmiddels Nationaal Waterprogramma) van toepassing is. Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk.
Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die op onze website te vinden zijn (https://www.hhnk.nl/keur/). Ontwerp Oeverdijk De volgende uitganspunten staan centraal bij het ontwerp van de oeverdijk: Een zo ononderbroken mogelijke belijning van de waterlijn in langsrichting. Ontwerp stadsstrand volgens SOK Hoorn. Vrije uitstroom op het Markermeer van Gemaal Westerkogge. Overal een tussenwater met een breedte van minimaal 10 m op NAP-0,4 m. De voorlanden worden niet aangetast. De einddammen zijn de overgangen tussen de Oeverdijk en de bestaande kering. De einddammen zijn waterkerend en daarom onderdeel van de primaire waterkering, de strekdammen zijn dat niet. De einddammen zijn de waterkerende overgangen tussen de kruin van de Oeverdijk naar de bestaande kering. In totaal zijn er vier einddam onderscheiden. Voor alle strekdammen geldt dat deze zijn bedoeld om het zand op te sluiten in de betreffende Oeverdijksectie.
De strekdammen hebben dan ook geen waterkerende functie, maar zijn onderdeel van het waterstaatswerk. De Oeverdijk betreft een zandige oplossing. Dit betekent dat de buitenzijde onder invloed staat van golven en stromingen van het Markermeerkan afslaan. Het buitenprofiel kent daarom een dynamisch karakter. Teneinde dit dynamische gedrag toe te staan, zonder dat direct de veiligheidswerking in het geding is, is boven het veiligheidsprofiel een slijtlaag vormgegeven.
41
bestemmingsplan Stadsstrand
Als gevolg van de lange strekkingen van de Oeverdijk Grote Waal en Karperput is ervoor gekozen om de slijtlaag te variëren in langsrichting. In erosieve zones komt dan meer zand dan in meer stabiele zones. Hiervoor zijn de beide secties ingedeeld in 4 vakken. Het volume van de slijtlaag is berekend op basis van het veiligheidsprofiel. De slijtlaag is ingepast tussen NAP+0,5 m en NAP+1,0 m, met een talud van 1:25. Ontwerp Tussenwater Het tussenwater is de buitenzijde van de bestaande kering. Voor de Oeverdijk is het tussenwater de binnenzijde van de dijk en kan gezien worden als een soort teensloot. Het tussenwater is nodig voor de stabiliteit van de bestaande kering. Het tussenwater noord loopt zowel achter Oeverdijk Stadsstrand als achter Oeverdijk Grote Waal. Het tussenwater zuid loopt achter Oeverdijk Karperput. Als gevolg van de aanleg van de Oeverdijk, wordt de maalkom van het voormalig gemaal Westerkogge afgesloten van het Markermeer. In verband met de fundering van het voormalige gemaal krijgt de maalkom een eigen peilbeheer. Het tussenwater heeft een minimale breedte van 10 meter op NAP -0,4 m niveau en een maximale breedte variërend tussen 10 meter tot circa 60 meter. De diepte van het tussenwater betreft op het diepste punt NAP -1,6 m en biedt voldoende diepgang voor varend onderhoud.
Het waterpeil in het tussenwater varieert op een natuurlijke wijze tussen NAP -0,4 m en NAP -0,6 m. Buiten die peilen zorgt een kunstwerk (inlaat bij uitzakken, gemaal bij overschrijding) voor peilhandhaving binnen natuurlijke marge. Er is gekozen voor een gereduceerd natuurlijk peil. Dit betekent dat het peil in de winter hoger is dan in de zomer. Dit is tegenovergesteld van het Markermeer, waar een tegennatuurlijk peil wordt gehandhaafd. HHNK zal het tussenwater onderhouden, waar dit het natte profiel betreft. Het droge profiel wordt onderhouden door de gemeente Hoorn. Overige functies Oeverdijk De Oeverdijk heeft een waterstaatskundige functie. Daarnaast wordt De gebruiksfunctie van de Oeverdijk wordt deels recreatief (Stadsstrand Hoorn) en deels natuur (Grote Waal en Karperput). Daarnaast komt over de gehele Oeverdijk een onderhoudspad, welke aansluit op de eind,- en strekdammen en dijkopgangen. Voor een groot gedeelte wordt dit onderhoudspad gecombineerd met een fiets, - en voetpad. Er zijn 5 dijkopgangen onderscheiden. Naast dat de dijkopgangen veelal worden gebruikt voor fietsverkeer, zijn ook alle opgangen geschikt voor beheer en onderhoudsvoertuigen tot een max gewicht van ca 35 ton en is gerekend met een maximale belasting van 13,3 kPa met een spreiding van 30 graden. Op de kruin van alle Oeverdijksecties is een pad voorzien.
Voor alle paden geldt dat deze toegankelijk zijn voor beheer en onderhoudsvoertuigen. Het pad op de kruin van het stadsstrand is daarnaast ook toegankelijk voor fietsers en wandellaars. Het pad op de kruin van Oeverdijk Grote Waal Waal (een deel van de grote waal is niet toegankelijk en word ingericht als stiltegebied t.b.v. natuurontwikkeling) en Oeverdijk Karperput is alleen toegankelijk voor fietsers. De gehele Oeverdijk is onderverdeeld in delen waar intensief, extensief en niet gerecreëerd kan worden. Daar waar intensieve recreatie plaatsvindt, is de natuurontwikkeling niet noemenswaardig. Daar waar meer extensieve recreatie plaatsvindt, gaat dit goed samen met natuurontwikkeling. Aan de binnenzijde van de Oeverdijk worden schelpen gestrooid. Regen zal vervolgens van kalkmenging met de ondergrond zorgen. Het uitstrooien zal gebeuren van de kruin tot aan de waterlijn. Daarnaast heeft het tussenwater ecologische functies. Zo kan het dienen als paaigrond voor vissen uit het Markermeer en
42
bestemmingsplan Stadsstrand
het mogelijk maken van natuurontwikkeling op de Hulk en de binnenzijde van de Oeverdijk bij Grote Waal. Om variatie in vegetatie op de Oeverdijk te stimuleren en verstuiving tegen te gaan, worden er verschillende soorten lokale vegetatie ingezaaid. Op de Oeverdijk wordt een regulier dijkmengsel ingezaaid dat wordt bijgemengd met een kruidenrijk mengsel. Er worden verschillende kruidenrijke mengsels toegepast, die om en om worden gebruikt om de diversiteit in vegetatie op de Oeverdijk te bevorderen. Wettelijk kader In 2024 zal de legger voor het waterstaatswerk (de waterkering) naar verwachting gereed zijn. De bestaande waterkering (Westerdijk) krijgt een secundaire functie. In het komende jaar/jaren worden onderzocht welke classificatie deze waterkering krijgt. Keur De keur is een verordening die HHNK heeft vastgesteld, waarin staat aangegeven voor welke activiteiten een watervergunning noodzakelijk is. Ook kunnen belanghebbenden op basis van deze verordening onderhoudstaken worden opgelegd. Altijd met het doel om te voorkomen dat de kans op overstromingen wordt vergroot. In de zone waterstaatswerk gelden zwaardere geboden en verboden dan in de verder van de waterkering afliggende beschermingszone.
Om te voorkomen dat HHNK geen ruimte heeft om de dijk in de toekomst te kunnen versterken, is het verboden zonder vergunning werken aan te leggen ofte bouwen binnen het profiel van vrije ruimte. De geldende Keur samen met de toelichting op de Keur zijn beschikbaar via de website van HHNK. Legger HHNK is verplicht voor zijn waterstaatswerken een legger vast te stellen. Dit is vastgelegd in de Waterwet en de Waterschapswet. Waterwet artikel 5.1, lid 1 De beheerder draagt zorg voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. De legger bevat een overzichtskaart, waarop de ligging van waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones staat aangegeven. Waterschapswet, artikel 78, lid 2 Het algemeen bestuur stelt een legger vast waarin onderhoudsplichtigen of onderhoudsverplichtingen worden aangewezen. Op de leggerkaart is vastgelegd waar de Keur van toepassing is. Inhoud van de Legger In de legger is de vorm, ligging, afmeting en constructie van de waterkering vastgelegd. In de legger staat ook vermeld wie onderhoudsplichtig is voor een bepaald stuk van de waterkering. Op topografische kaarten is de ligging van de waterkering met een onderverdeling in kenmerkende dijktrajecten vastgelegd.
Voor ieder onderscheiden dijktraject is de vorm en afmeting vastgelegd met een kenmerkend dwarsprofiel. De constructie van de Zuiderdijk van Drechterland bestaat in het algemeen uit een grondlichaam met een grasbekleding op de taluds en bermen, een harde bekleding op het onderste deel van het buitentalud en een rijweg op de kruin. Ook zijn waterkerende kunstwerken en constructies in en rondom de dijk aanwezig. Deze zijn op de topografische kaarten opgenomen en kort beschreven in deze toelichting op de legger. Op de leggerkaart is naast de zone waterstaatswerk ook de daaraan grenzende beschermingszones en het profiel van vrije ruimte aangegeven. In onderstaande figuur zijn de leggerzones schematisch weergegeven.
43
bestemmingsplan Stadsstrand
Figuur 9. Schematische weergave leggerzones
Waterstaatwerk Het waterstaatswerk is afgeleid uit de vorm van de huidige waterkering. De grenzen daarvan zijn bepaald aan de hand van geotechnische berekeningen. Het waterstaatswerk is het dijklichaam dat voldoende sterk is om het water 'te kunnen keren'. Naast het huidige profiel is een minimaal leggerprofiel aangegeven. Dit profiel kan gezien worden als de ondergrens voor de waterkering. Beschermingszones De Beschermingszone-A is het gebied waarbinnen ontgraving de sterkte van de dijk negatief kan beïnvloeden. En ook het gebied waarin, door verstoring van de ondergrondse ondoorlatende grondlagen, het waterkerend vermogen kan worden aangetast. De grenzen van deze Beschermingszone-A zijn geotechnisch bepaald aan de hand van zogenaamd 'Keurgrensonderzoek' Beschermingszone-B wordt bepaald door die strook waarbinnen extreme belastingen als trillingen door explosies, of gronderosies door schade aan hogedrukleidingen een grote negatieve invloed kunnen hebben op de sterkte van de waterkering. Profiel van vrije ruimte Het profiel van vrije ruimte is een reservering om in de toekomst voldoende ruimte te hebben om de dijk te versterken. Het is de omhullende zone aan de binnen- en buitenzijde van de dijk welke vrij moet blijven voor het kunnen inpassen van een toekomstige versterking van de waterkering. Het profiel van vrije ruimte is bepaald voor een planperiode van 100 jaar.
Voor de bepaling van de ontwerphoogte is gebruik gemaakt van prognoses voor toekomstige peilstijgingen en bodemdaling op basis van het maximale klimaatscenario. De breedte van de dijk volgt uit geotechnische (Mstab) berekeningen voor stabiele dijktaluds. Verder is rekening gehouden met ruimte voor de inpassing van een goede afwatering (dijksloot) en het uitvoeren van beheer en onderhoud (maaistrook tussen dijk en dijksloot). Verschil huidige en minimale profiel Het huidige profiel is over het algemeen ruimer dan het minimale profiel. Dit verschil ontstaat doordat bij aanleg en ontwerp van de keringen rekening wordt gehouden met een robuust en toekomstbestendig profiel. Er wordt niet dagelijks grootschalig aan de dijken gewerkt. Hierom houdt HHNK bij aanleg rekening met zetting, bodemdaling en eventuele waterspiegelstijging.
44
bestemmingsplan Stadsstrand
Onderhoudsplicht In de legger staat vermeld wie onderhoudsplichtig is voor een bepaald stuk van de waterkering. In het algemeen geldt dat eigenaren van gronden die in de legger zijn aangewezen ook de onderhoudsplichtigen zijn van die gronden. Als HHNK gronden heeft verpacht, zijn afspraken gemaakt met pachters over het uitvoeren van onderhoud. Dit is in de legger niet nader aangegeven, maar ligt vast in pachtovereenkomsten. Indien werken met vergunning zijn uitgevoerd (zoals verharding, op- en afritten) geldt dat de rechthebbende of vergunninghouder van deze voorziening onderhoudsplichtig is. Dit ligt vast in de vergunning. De eisen uit de verleende vergunningen blijven dus van kracht. De onderhoudsplicht omvat, voor zover niet anders is afgesproken met de eigenaren, de 'instandhouding van de waterkerende functie'. Dit houdt in dat eigenaren het maaiwerk uitvoeren, eventuele beschadigingen herstellen en begroeiingen of materialen in stand houden. Voor het buitengewoon onderhoud aan de waterkering, zoals een (grootschalig) onderhoud of verbetering van de dijk, blijft HHNK verantwoordelijk ook als de percelen niet in eigendom van HHNK zijn. Relatie met 'Legger wateren' De onderhoudsplicht voor waterlopen is vastgelegd in de 'Legger wateren'.
Hoewel de zonering van de waterkering over een waterloop heen kan liggen, is voor de waterloop de onderhoudsplicht zoals deze is vastgelegd in de 'Legger wateren' leidend. In de 'Legger wateren' kunnen waterlopen worden aangemerkt als dijksloot. Deze dijksloten liggen in het algemeen parallel aan de dijk en de onderhoudsplicht voor deze dijksloten voor zowel baggeren als buitengewoon onderhoud, heeft HHNK aan de eigenaar van de dijk toegewezen. Onderzoek In het kader van de dijkversterking heeft een watertoets plaatsgevonden met als conclusie dat de dijkversterking zoals deze is voorgenomen, in overeenstemming is met de vigerende regelgeving en het vigerende beleid. De dijkversterking wordt zodanig uitgevoerd dat er geen negatieve gevolgen zijn voor zowel het binnendijkse als het buitendijkse oppervlaktewater. Er zijn geen gevolgen voor de waterkwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater. De waterberging wordt niet significant beïnvloed. Vanzelfsprekend komt de dijkversterking de waterveiligheid ten goede. Echter, in dit bestemmingsplan worden, ten opzichte van het projectplan voor de dijkversterkingen, enkele kleine nieuwe wijzigingen mogelijk gemaakt. Relevant voor het aspect water zijn de komst van een horeca paviljoen, een kleine horeca kiosk met toiletgroep en drie bruggen.
Onderstaand wordt kort ingegaan op de verkeerseffecten die met deze ontwikkelingen gepaard gaan. Over het planvoornemen vindt overleg plaats met het waterschap. Het horecapaviljoen en de kleine horeca kiosk worden gesitueerd op het stadsstrand. De oppervlakte van deze beide functies samen blijven onder de 800 m2 . Op basis van het planvoornemen kan geconcludeerd worden dat het plan een beperkte invloed heeft op het watersysteem en/of afvalwaterketen. Het Hoogheemraadschap geeft in dergelijke gevallen maatregelen in de vorm van deeladviezen. Hieronder worden de gegeven deeladviezen weergegeven. 1.
Advies verharding en compenserende maatregelen 0-800
Omdat er slechts in zeer beperkte mate sprake is van een toename van bebouwing en/of verharding heeft dit dermate kleine gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie en er geen compenserende maatregelen getroffen te worden. 2.
Waterkwaliteit en riolering
Samen met de gemeenten heeft het HHNK de basisdoelstelling het hemelwater zoveel mogelijk te scheiden
45
bestemmingsplan Stadsstrand
van het afvalwater. Het HHNK adviseert de mogelijkheden te onderzoeken het hemelwater op eigen terrein te verwerken in de bodem of rechtstreeks te lozen op het aanwezige oppervlaktewater. Voorwaarde hierbij is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. In de nadere planuitwerkingen zal hier rekening mee worden gehouden. 3.
Geen verontreininging
Binnen het plangebied is geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZ I). Het HHNK adviseert voor nieuwe ontwikkeling om een gescheiden stelsel aan te leggen. In de nadere planuitwerkingen zal hier rekening mee worden gehouden. Conclusie Uit het oogpunt van het aspect water gelden geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan, mits de adviezen gevolgd worden.
4.10 Duurzaamheid Landelijke wetgeving Het Nationaal Plan voor het bevorderen van bijna-energieneutrale gebouwen in Nederland beschrijft het Nederlandse beleid om te komen tot bijna-energieneutrale woningen vanaf 2021. Hiervoor gelden per 1 januari de BENG-eisen zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Op 3 april 2018 is een aanpassing van de Gaswet in werking getreden waardoor de gasaansluitplicht is komen te vervallen. Dit betekent dat geen omgevingsvergunningen meer mogen worden afgegeven voor nieuwbouw die aangesloten wordt op een gasnet. Deze regeling geldt voor omgevingsvergunningen aangevraagd vanaf 1 juli 2018. Gemeente Hoorn De gemeente Hoorn heeft een duurzame, toekomstbestendige ontwikkeling hoog in het vaandel staan. Het gemeentebestuur heeft uitgesproken in 2040 klimaatneutraal te willen zijn. Ten aanzien van bestaand gebied worden geen regels opgenomen ten aanzien van duurzaamheid. Er wordt vooral gestreefd naar een vrijwillige en gezamenlijke inzet. De bestaande bouw is verantwoordelijk voor een groot deel van het totale energiegebruik van Hoorn. De gemeente voert met allerlei belanghebbenden (huurders, particuliere bezitters van woningen en bedrijven, corporaties) gesprekken om te komen tot gezamenlijke oplossingen.
Te denken valt hierbij aan ondersteuning in de vorm van subsidies (ook het eenvoudiger aanvragen daarvan), waar mogelijk het soepeler verkrijgen van vergunningen en gezamenlijke aanschaf van duurzame artikelen; denk aan isolatiemateriaal en dergelijke. Door de alsmaar stijgende prijzen van energie zijn de investeringen in duurzame oplossingen steeds sneller terugverdiend. Naast veel aandacht voor energiegebruik is er ook aandacht voor andere duurzame strategieën, zoals het optimaal benutten van de beschikbare ruimte. Daarnaast wordt voor zover mogelijk gestreefd naar gecombineerde ontwikkelingen. Bestemmingsplan In voorliggend bestemmingsplan zijn geen specifieke regels opgenomen ten aanzien van de duurzame energieaspecten.
4.11 Milieueffectrapportage Inleiding Op 1 april 2011 is het (gewijzigde) Besluit m.e.r. in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.-beoordeling) van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
46
bestemmingsplan Stadsstrand
Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in lijst D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Daarbij zijn in het bijzonder de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EU-richtlijn van belang. Deze omstandigheden betreffen onder andere de kenmerken van de potentiële effecten en cumulatie. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn eventuele keuze voor géén m.e.r.-beoordeling voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de overwegingen van het moederbesluit. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Op basis van de vormvrije m.e.r. blijkt of al dan niet een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Onderzoek In de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het de ruimtelijke onderbouwing planm.e.r.-plichtig (onderdelen C en D), projectm.e.r.-plichtig (onderdeel C) of m.e.r.-beoordelingsplichtig (onderdeel D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In de bijlage van het Besluit m.e.r. is in categorie (D11.2) de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen.
De drempelwaarde voor een formele m.e.r.-beoordeling in het Besluit m.e.r. ligt op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. De in 2018 verleende omgevingsvergunning maakt ondedeel uit van het Projectplan Waterwet (zie 1.1 Aanleiding). Ter onderbouwing van het besluit over het Projectplan Waterwet is een milieueffectrapport opgesteld (MER). Voor de diverse deelplannen uit het projectplan Waterwet hoeft niet opnieuw een MER te worden opgesteld, mits binnen de bandbreedte van de MER en het planvoornemen wordt gebleven. De beoogde toevoegingen aan het stadsstrand passen binnen de gestelde kaders uit het Projectplan en de daarop gevoerde MER. Het uitvoeren van een MER is dan ook niet noodzakelijk. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten waarvoor formeel geen MER opgesteld hoeft te worden, een besluit moet worden genomen of het plan mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een “vormvrije” m.e.r.-beoordeling. Conclusie Omdat er reeds een MER is uitgevoerd en uit hoofdstuk 4 blijkt dat er geen sprake is van belangrijke negatieve milieueffecten voor de beoogde toevoegingen kan een “vormvrije” m.e.r.-beoordeling achterwege blijven.
47
bestemmingsplan Stadsstrand
48
bestemmingsplan Stadsstrand
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Inleiding
Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening Op 1 juli 2008 zijn de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorliggende bestemmingsplan is opgesteld op grond van de Wro en het Bro. Op grond van artikel 3.1.3 van het Bro moet een bestemmingsplan worden uitgewerkt in: een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven; bestemmingen die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven; regels die bij of krachtens wet kunnen worden voorgeschreven; voor zover nodig uitwerkings-, wijzigings- en afwijkingsregels. Ook moet op grond van artikel 3.1.6 van het Bro een bestemmingsplan samengaan met een toelichting waarin ten minste zijn opgenomen: een onderbouwing van de in het bestemmingsplan gemaakte keuze van bestemmingen; de resultaten van de (noodzakelijke) voor het bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken; de resultaten van het overleg en de inspraak op grond van artikel 3.1.1 van het Bro. Op grond van artikel 1.2.1 van het Bro (in werking getreden op 1 januari 2010) moet het bestemmingsplan digitaal beschikbaar gesteld worden. Om dit mogelijk te maken moet het bestemmingsplan worden uitgewerkt in een zogenoemde GML. In de GML is er een koppeling tussen de kaart, regels en toelichting (het bestemmingsplan) gemaakt.
Deze koppeling van de kaart, regels en toelichting is de zogenoemde verbeelding van het bestemmingsplan. Hiervoor moet het bestemmingsplan worden opgesteld overeenkomstig de RO-standaarden: Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Standaard toegankelijkheid ruimtelijke instrumenten (STRI2012). Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen 2012 (PRBP2012). Dit bestemmingsplan is zo opgesteld dat het digitaal beschikbaar gesteld kan worden. Dit betekent dat: alle verschillende onderdelen van de kaart een zogenoemde IMRO2012- code hebben; de digitale kaart is opgesteld volgens de standaardtechniek voor uitwisseling GML; de regels overeenkomstig de SVBP2012 zijn opgesteld; de toelichting en regels digitaal aan de kaart zijn gekoppeld. Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wabo is een deel van de Wro opgenomen in de Wabo. Op grond van de Wabo en het Bor is de omgevingsvergunning ingevoerd. In de omgevingsvergunning worden verschillende vergunningtrajecten (zoals bouwvergunning, milieuvergunning etc.) gebundeld. In artikel 2.1 van de Wabo is een algemeen gebruiksverbod opgenomen. Op grond hiervan is voor een gebruik dat op grond van een bestemmingsplan niet is toegestaan een omgevingsvergunning noodzakelijk.
Door de inwerkingtreding van de Wabo en het Bor is een aantal begrippen op grond van de Wro vervallen. Deze begrippen worden ook in de SVBP2012 gebruikt. In september 2010 zijn door Geonovum, als beheerder van de RO-standaarden, werkafspraken voor de SVBP2012 uitgegeven. Op basis van deze afspraken is in bestemmingsplannen geen sprake meer van ontheffingen maar van afwijkingen. De in het overgangsrecht opgenomen bouwvergunning is vervangen door een omgevingsvergunning voor het bouwen.
49
bestemmingsplan Stadsstrand
5.2
Bestemmingsplanprocedure
In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Ontwerpfase Na aankondiging in de Staatscourant en in één of meer plaatselijke dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, wordt het ontwerpbestemmingsplan zes weken ter inzage gelegd. Tijdens deze periode kan een ieder zienswijzen over het ontwerp naar voren brengen. Vaststellingsfase Na afloop van de termijn van de terinzagelegging stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Gedurende de periode van 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.3
Toelichting op de bestemmingsplanregels
5.3.1
Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Artikel 1) en de wijze van meten (Artikel 2). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. Alle begrippen zijn in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. 5.3.2
Bestemmingsplanregels
Het bestemmingsplan kent een aantal bestemmingen, welke hierna worden toegelicht. Natuur De bestemming 'Natuur' (Artikel 3) aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud, herstel en/of de ontwikkeling van de aanwezige natuurlijke en landschappelijke waarden met het daaraan ondergeschikt recreatief medegebruik. Bouwen is niet toegestaan. Binnen deze bestemming valt ook een wandel- en fietsbrug, aangeduid als "specifieke vorm van verkeer - voetgangersbrug". Ter bescherming van het gebied is het ophogen en afgraven van gronden en het verwijderen en aanplanten van beplanting of het verharden van terrein aan een vergunningplicht gebonden. Daarnaast gelden er enkele specifieke gebruiksregels. Recreatie-Stadsstrand De voor 'Recreatie-Stadsstrand' (Artikel 4) aangewezen gronden zijn bestemd voor strandgerelateerde recreatie met de daarbij behorende voorzieningen, zoals sport- en speelvoorzieningen en horca. Het horecapaviljoen is specifiek aangegeven. Binnen deze bestemming vallen ook wandel- en fietspaden die zijn aangeduid als "verkeer", alsmede twee wandel- en fietsbruggen en een verkeersbrug voor gemotoriseerd en ongemotoriseerd verkeer (respectievelijk aangeduid als "specifieke vorm van verkeer voetgangersbrug" en "specifieke vorm van verkeer - verkeersbrug"). Ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - hoogteaccent" is een uitkijkpunt voorzien.