Bijlage 1-1 Toelichting
Tekst van het document
Regionale detailhandelsvisie
In de regionale detailhandelsvisie West-Friesland (2015) wordt ingezet op (versterking van) de hoofdstructuur. Er wordt geen medewerking verleend aan initiatieven tot nieuwe clusters van detailhandel buiten de hoofdstructuur (met uitzondering van Bangert en Oosterpolder). Kort samengevat is het credo: initiatieven dienen bij te dragen aan versterking van de gewenste structuur nieuwe clusters van detailhandel buiten de genoemde hoofdstructuur niet gewenst zijn initiatieven die voorzien in realisering of uitbreiding van verspreid gevestigde bewinkeling niet gewenst zijn Nieuwe detailhandelsinitiatieven buiten de winkelgebieden worden niet toegestaan. De in dit bestemmingsplan voorziene detailhandel is van geringe omvang en passend bij de functie van het gebied.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Structuurvisie Hoorn
Op 10 juli 2012 is de Structuurvisie Hoorn vastgesteld. De structuurvisie is een uitwerking van de Stadsvisie uit 2005. De Structuurvisie onderscheidt acht belangrijke maatschappelijke opgaven: Bouwen en transformeren voor de vergrijzing. Vasthouden van jonge gezinnen. Ontwikkelen van aantrekkelijke stad in een complete regio. Bestaande woningvoorraad aantrekkelijk houden.
30
bestemmingsplan Stationsgebied
Balans wonen en werken. Economie verbreden. Compleet pakket aan voorzieningen bieden. Branding en profilering van Hoorn verbeteren. In de structuurvisie wordt aangegeven dat Hoorn een andere fase in gaat: van groeikern naar volwassen stad. De laatste uitbreidingsplannen worden afgerond en de aandacht verschuift naar de bestaande stad. De toekomstige behoeften moeten daarbij worden opgevangen via de herstructurering en de inbreiding in de bestaande stad. De transformatie van het deelgebied Stationsgebied past hier uitstekend in. In de structuurvisie is het plangebied van dit bestemmingsplan aangewezen als ontwikkellocatie (nr. 3). 4.4.2
Structuurvisie Poort van Hoorn
Op 5 maart 2013 is de Structuurvisie Poort van Hoorn vastgesteld. De Poort van Hoorn bestaat uit het gebied rondom het station van Hoorn en is onderverdeeld in zes deelgebieden. Pelmolenpad-Prisma is een van deze deelgebieden. Het deelgebied heeft de potentie een echte binnenstedelijke woon- en werkbuurt te worden in een hoge dichtheid. Die dichtheid kan bereikt worden door het realiseren van grondgebonden stadswoningen met gebouwde parkeervoorzieningen. Het reserveren van atelierachtige ruimten op de begane grond levert een sfeer op van bedrijvigheid die goed past in een stationsomgeving. Het planvoornemen past binnen de kaders van deze structuurvisie. 4.4.3
Woonvisie Hoorn 2020-2025 (2020)
De Hoornse woningmarkt en de ambitie om meer stad te worden vragen om een nieuwe koers. Door de enorme krapte op de woningmarkt is de urgentie groot. De gemeente Hoorn wil zich blijven ontwikkelen. De huidige vergrijzing en ontgroening (jongeren die de stad verlaten) heeft een negatief effect op de leefbaarheid en vitaliteit van de stad en daarmee een negatief economisch effect. Een divers aanbod van woningen, werkgelegenheid, zorg-, onderwijs- en recreatievoorzieningen is van groot belang voor een dynamische stad. Daarnaast zet de gemeente in op een samenleving waarin iedereen meedoet, met duurzame, toekomstbestendige en betaalbare woningen. De vraag naar woningen is groot. Daarom stimuleert de gemeente het bouwen van extra woningen. Met een nieuwbouwprogramma, zowel op nieuwe locaties als binnen bestaande buurten ('inbreiden’ en verdichten). In de woonvisie zijn voor de komende vijf jaar onderstaande vier kernpunten benoemd. 1. 2. 3. 4.
Versnelling en ontwikkeling Wonen, zorg en welzijn Duurzaam wonen Sociale huurmarkt, woonwagenbewoners en buitenlandse werknemers
Het planvoornemen voorziet in diverse woningen voor verschillende doelgroepen en levert een kwalitatieve aanvulling op de huidige woningvoorraad van Hoorn. Hoorn heeft helaas nog weinig nieuwe ruimte voor ontwikkelingen. Onze gemeente is al dichtbebouwd tot de grenzen. Veranderingen moeten vooral op bestaande locaties komen. In de Poort van Hoorn zijn veel mogelijkheden om vernieuwende woonmilieus te creëren waarin werken, wonen, ontmoeten en beleven samenkomen. Dit sluit aan bij het economisch programma van Hoorn. Het aantal alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens neemt sterk toe. Als huishoudens van samenstelling veranderen, leidt dit tot een andere woonvraag. De gemeente Hoorn speelt hier op in. Elke ontwikkeling moet een bijdrage leveren aan deze opgaven. De gemeente biedt diversiteit en houdt rekening
31
bestemmingsplan Stationsgebied
met verschillende woonvoorkeuren, huishoudenssamenstelling en leefstijlen van mensen. We gaan een concentratie van doelgroepen tegen. Bij nieuwe woningbouwplannen streeft de gemeente naar naar 30 procent goedkoop, 30 procent middelduur en 40 procent duur, in een mix van koop en huur. In elke wijk moeten verschillende typen bewoners wonen. De gemeente maakt per wijk inzichtelijk hoe de verhouding goedkoop, middelduur en duur is. Dit zet de gemeente in als sturingsmiddel. Uitgangspunt bij nieuwbouw is dat projecten kwalitatief aansluiten bij de vraag van woningzoekenden. Het regionale kwalitatieve afwegingskader (zie paragraaf 4.3) is hierbij leidend. Daarmee biedt de gemeente nieuwbouw aan die past bij de vele woonwensen, inkomens en generaties. Ontwikkelende partijen moeten zich hier aan houden. De gemeente stuurt door gebruik te maken van de doelgroepenverordening. De zelfbewoningsplicht maakt hier deel van uit, om te voorkomen dat woningzoekenden op de woningmarkt verdrukt worden door beleggers. Met de nieuwbouwopgave werkt de gemeente aan een toekomstbestendige voorraad. We spelen in op de (maatschappelijke) opgaven als de vergrijzing, de toename van kleine huishoudens, langer zelfstandig wonen, de klimaat- en energieopgave en vooral de economische versterking van Hoorn.
Doelgroepenverordening Op 6 juni 2019 heeft de gemeenteraad van Hoorn de verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur Gemeente Hoorn vastgesteld zodat de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen kan sturen op categorieën woningbouw die ondervertegenwoordigd zijn in de gemeente Hoorn. In de verordening is een balans gezocht tussen de mogelijkheden van woningzoekenden die het moeilijk hebben op de woningmarkt en de aantrekkelijkheid voor ontwikkelaars om in Hoorn woningen te realiseren. De eisen uit de verordening gelden bij nieuwe ontwikkelingen. Met de doelgroepenverordening kan de gemeente in ruimtelijke plannen en exploitatieplannen eisen opnemen voor het realiseren van sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en middenhuurwoningen. Bij nieuwbouwplannen kan dit leiden tot gevarieerdere ontwikkelingen. Binnen een ontwikkeling zullen ook sociale woningen en middenhuurwoningen gerealiseerd moeten worden nadat de gemeente de eisen uit de verordening heeft opgenomen in een ruimtelijk plan. Het gebruik van de doelgroepenverordening maakt integraal onderdeel uit van de woonvisie. De Wro biedt gemeenten de mogelijkheid om in ruimtelijke plannen te eisen dat een bepaald percentage sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en/of middenhuurwoningen gerealiseerd moet worden, mits er een doelgroepenverordening is.
De woningdifferentiatie is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Hierin is opgenomen dat dient te worden voldaan aan de doelgroepenverordening waarin is bepaald dat binnen het plangebied een bepaald percentage sociale huurwoningen en sociale koopwoningen worden gerealiseerd. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de ambities in de woonvisie. 4.4.4
Detailhandelsnota Gemeente Hoorn 2020 - 2025
De detailhandelssector ondergaat grote veranderingen. Veel fysieke winkels en winkelgebieden hebben het moeilijk. De veranderingen in het koopgedrag van mensen is gewijzigd. Zeker als gevolg van de coronacrisis en de daarbij horende maatregelen. Om de detailhandel toekomstbestendig te houden zijn beleidskeuzes nodig. De belangrijkste daarvan is het concentreren van winkelaanbod. Dit geldt zeker voor de binnenstad. De aantrekkelijkheid van de binnenstad wordt overigens niet alleen bepaald door detailhandel, maar ook door kunst, cultuur en andere publieksaantrekkende functies. Er moet sprake zijn van een samenhangende vertaling van deze nota in combinatie met het beleid op andere terreinen die van belang zijn voor het aantrekkelijk houden van de binnenstad. Om de ontwikkeling van de Poort van Hoorn mogelijk te maken, moet Albert Heijn uit de Van Dedemstraat verplaatst worden.
32
bestemmingsplan Stationsgebied
Bij het opstellen van de detailhandelsvisie is met betrekking tot de ontwikkeling Poort van Hoorn rekening gehouden met onderstaande ambitiets en uitgangspunten. De gemeente Hoorn wil 'meer stad' worden. Op grond van provinciaal en gemeentelijk beleid wordt minstens 50% van de nieuwe woningen gerealiseerd binnen 1.200 meter rond OV-knooppunten, waarvan een groot deel in de Poort van Hoorn. Om dit te realiseren is een verplaatsing van Albert Heijn noodzakelijk.* In stationsgebied-noord, stationsgebied-zuid en Pelmolenpad/Prismalocatie wordt uitgegaan van een beperkte omvang aan detailhandel, passend bij het functioneel profiel van deze gebieden.* Voorwaarde is daarnaast dat er geen onevenredige concurrentie mag zijn met de bestaande detailhandel in de binnenstad en dat de marktruimte kan worden aangetoond. In paragraaf 4.1.2 is hier nader op ingegaan. In stationsgebied noord wordt uitgegaan van een kleine binnenstadsupermarkt (500 a 700 m2 bvo), vooral gericht op lokale bewoners en bus- en treinreizigers*. * zie Raadsbesluit Uitgangspunten Gebiedsontwikkeling Poort van Hoorn - 24-09-2019 4.4.5
Beleid verblijfsruimte toeristen
De gemeente Hoorn richt zich op het stimuleren van toerisme. Een belangrijk onderdeel daarvan is de beschikbaarheid van voldoende verblijfsruimten voor toeristen om aan deze vraag te voldoen. Attracties, horeca en detailhandel zijn voor een deel afhankelijk van het verblijfstoerisme. Daarbij stimuleert toerisme het voorzieningenniveau en draagt het, zowel direct als indirect, bij aan werkgelegenheid. De gemeente wil ook consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten in woningen stimuleren. Onderdeel hiervan is het bieden van de mogelijkheid aan bewoners om verblijfsruimten aan toeristen te kunnen bieden. In de notitie worden de voorwaarden bepaald die gesteld worden aan pensions en bed & breakfasts om de belangen van bewoners te waarborgen. Ten aanzien van pensions kan geen algemeen geldend beleid worden ontwikkeld, omdat de situaties te veel verschillen en dit juist te beperkend zou werken. De beoordeling of een pension wel of niet passend is op een bepaalde locatie, wordt per geval afgewogen en waar nodig worden hier voorwaarden aan verbonden. In tegenstelling tot een pension, is de impact van een bed & breakfast beperkt. Een bed & breakfast is daarom aanvaardbaar binnen de woonbestemmingen. De impact van een bed & breakfast is relatief gering en ondergeschikt aan het wonen.
Mits de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft en eventuele overlast voor de omgeving wordt beperkt, kan medewerking worden verleend aan de vestiging van een bed & breakfast. De voorwaarden zoals opgenomen in de beleidsnotitie zijn als uitgangspunt genomen in het voorliggende bestemmingsplan. 4.4.6
Bomenbeleidsplan
In 2009 is het Bodembeleidsplan opgesteld dat voor een deel steunt op het groenbeleidsplan. Het Bomenbeleidsplan draagt de titel “Ruimte voor bomen”, waarmee wordt benadrukt dat bomen in het toekomstige gemeentelijk beleid een meer prominente plaats krijgen in ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente wil dat Hoorn een groene stad is en blijft. Centraal in het bomenbeleidsplan staat het beschermen van het huidige en toekomstige bomenbestand en het scheppen van voorwaarden voor een optimale ontwikkeling en verzorging van bomen. Via het principe “niet kappen, tenzij…” wordt het gemeentelijke bomenbestand zoveel mogelijk beschermd.
33
bestemmingsplan Stationsgebied
Figuur 13. Kaartfragment Bomenbeleidsplan
De bomenkaart vormt de onderlegger voor het bomenbeleidsplan. Hierop zijn belangrijke bestaande en gewenste boomstructuren vastgelegd. Deze boomstructuren zijn onderverdeeld in hoofdstructuur, secundaire structuur. De hoofdstructuur valt samen met de ontsluiting vanuit de wijken en de stad. De secundaire structuur bestaat uit een aantal lange routes door de wijken langs wegen, fietspaden en water. Langs deze routes staan beeldbepalende boomrijen. Hoorn zet zich in voor het handhaven en optimaliseren van deze boomstructuren. In bovenstaand figuur is de structuur ter plaatse van het plangebied weergegeven. De overige bomen met betrekking tot dit bomenbeleidsplan, zijn de wijkbomen en de parkbomen. Wijkbomen zijn de bomen dieper in de wijk vanaf de hoofd- en secundaire structuurwegen. Feitelijk zijn het bomen die op overige ruimtes in de wijk staan waar een boom kan groeien; in de bestrating, in plantsoen of op speelveldjes. De wijkbomen en parkbomen staan niet ingetekend op de bomenkaart. De parken zelf zijn wel aangegeven zonder dat hier een specifiek uitgangspunt voor is bepaald. Er is enkel opgenomen dat bomen voor een groot gedeelte het karakter van het park in de open gedeeltes bepalen. Langs het Keern loopt de hoofdstructuur. Deze eindigt bij het spoor. De Van Dedemstraat is aangemerkt als een secundaire structuur.
Ook de Spoorsingel aan de zuidzijde is als secundaire structuur aangemerkt. Het stedenbouwkundig plan heeft geen effect op de aanwezige boomstructuur en het plan biedt voldoende mogelijkheden om de bestaande groenstructuren te versterken. Hoorn zet zich in om deze beeldbepalende boomrijen te behouden en te versterken. Voor extra bescherming van bestaande bomen gaat Hoorn een aantal instrumenten inzetten. Bij bouw- en aanlegwerkzaamheden moet een Bomen Effect Analyse (BEA) gemaakt worden, voordat de werkzaamheden plaats vinden. Hiermee wordt inzichtelijk welke effecten de beoogde maatregelen hebben. Ook moet er gewerkt worden volgens normen van de Lior (Leidraad inrichting openbare ruimte). En de gemeente gaat werken met een bomenbalans, waarop alle bomen worden aangegeven die zijn verdwenen en aangeplant. De gemeente Hoorn hanteert een bomennorm van gemiddeld 1,3 bomen per woning. Indien dit aantal niet wordt gehaald, moet het resterende deel worden afgekocht in het bomenfonds waarbij de gemeente zorgdraagt voor de plant van bomen elders in de gemeente. Het plangebied is met de meest maximale invulling met bomen van diverse soorten ontworpen. Het overige deel van de bomen wordt, via het bomenfonds, elders in Hoorn aangeplant.
34
bestemmingsplan Stationsgebied
4.4.7
Groenvisie Hoorn 2019 - 2029
Meer groene verbindingen door de stad, een beter gebruik van groen en grotere biodiversiteit. Dat zijn de speerpunten van de Groenvisie die inwoners samen met de gemeente Hoorn hebben opgesteld. Onder de titel ‘Verbindend groen’ is een visie voor het Hoornse groen in 2030 gemaakt. In de Groenvisie maakt de stad voor de komende tien jaar keuzes voor het beheer, inrichting en gebruik van het groen. Groen kleedt de openbare ruimte in Hoorn aan. Parken, plantsoenen en bermen zorgen voor sfeer en beleving. Ook dragen de groene gebieden bij aan klimaatbestendigheid en een gezonde leefomgeving. Daarnaast brengt groen inwoners bij elkaar. Onderstaande vijf pijlers dragen de Groenvisie. 1. Samen met de stad Het groen in Hoorn is van ons allemaal. De gemeente wil de samenwerking met de stad versterken door communicatie, educatie en participatie. Voor inwoners moet duidelijk zijn waar en waarom grote werkzaamheden plaatsvinden. 2. Biodiversiteit Dankzij de verschillende soorten leven blijft de natuur in evenwicht. We gaan het beheer en onderhoud waar mogelijk natuurlijk uitvoeren, zodat dieren en planten de ruimte krijgen. Biodiversiteit bevorderen we door meer gevarieerde planten in de groene verbindingen, bermen, oevers en bosplantsoenen. Bomen die in de toekomst waardevol kunnen zijn, beschermen we. 3. Gebruik van groen Groen is van groot belang voor recreatie.
Je kunt er spelen, sporten, wandelen, de hond uitlaten of luieren. We gaan functies toekennen aan de grote groengebieden om daarmee de kwaliteit te vergroten en het gebruik te spreiden. Ook geven we aan waar plek is voor eetbaar groen en stimuleren we stadslandbouw. Er komen (natuurlijke) verbindingen tussen groengebieden, zodat er een groen netwerk ontstaat door de gemeente. 4. Identiteit en beleving Groen geeft identiteit aan plekken en gebieden. De gemeente Hoorn wil de beleving en identiteit van de openbare ruimte vergroten. Het groen wordt diverser: we voegen kleur en fleur toe aan de stad. Per wijk dragen planten en hun kleuren bij aan een positieve uitstraling. Planten als heesters en bomen krijgen de kans zich te ontwikkelen doordat ze op de juiste plek staan. 5. Klimaatbestendig en duurzaam Hoorn wil binnen tien jaar een duurzamere gemeente zijn die beter bestand is tegen klimaatverandering. We gebruiken duurzame materialen en brandstoffen in het groen. In aansluiting op het groene netwerk komen in plantsoenen, parken en pleinen plekken waar mensen prettig kunnen verblijven als het warm is. De gemeente Hoorn zet zich in voor minder verstening in de openbare ruimte en tuinen. Bomen worden gekoesterd op de plaatsen waar ze tot hun recht komen en een optimale bijdrage leveren aan de klimaatdoelstellingen.
Dit betekent ook dat bomen in de openbare ruimte in principe niet weggehaald worden voor zonnepanelen. Als een grote meerderheid van de direct omwonenden overlast van bomen ervaart, wordt gezocht naar maatwerkoplossingen. Ook kan het college ervoor kiezen om de mening van de gemeenteraad te vragen. In het stedenbouwkundig plan is ingegaan op de inrichting van de openbare ruimte, waarbij ook groenvoorzieningen een belangrijke rol spelen (zie paragraaf 3.2 en Bijlage 2). Het planvoornemen is in lijn met de Groenvisie.
35
bestemmingsplan Stationsgebied
4.4.8
Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (2020)
De overheid laat steeds meer activiteiten aan de markt over. Bij nieuwe ontwikkelingen in de gemeente ontwikkelt een initiatiefnemer niet alleen privaat terrein, maar vaak ook de openbare ruimte zoals dat ook in het onderhavige plangebied het geval zou kunnen zijn. Bij deze werkwijze neemt de gemeente de openbare ruimte over in beheer en eigendom nadat deze gereed is. In dergelijke gevallen is het belangrijk dat de gemeente vooraf kan aangeven welk kwaliteitsniveau zij wenst. Om tijdens de contractvorming al inzicht te hebben in de wensen van de gemeente ten aanzien van de te ontwikkelen openbare ruimte, is een Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) opgesteld. Naast voornoemde werkwijze bestaat de mogelijkheid dat de gemeente direct opdrachtgever kan zijn voor de realisatie van het openbaar gebied waarbij ook de eisen uit de LIOR gevolgd moeten worden. Voor het stationsgebied ligt het voor de hand om deze werkwijze toe te passen. 4.4.9
Archeologiebeleid
In 2012 heeft Archeologie Erfgoed VVH een nieuwe Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hoorn vervaardigd. Deze is vastgesteld op 12 maart 2013, samen met de Erfgoedverordening 2013 van de gemeente Hoorn. Op basis van aanvullend bureauonderzoek, getoetste verwachtingen in het veld en kaartanalyse is een nieuwe kaart vervaardigd met andere vrijstellingsgrenzen dan de oude Beleidskaart Archeologie uit 2007. De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om 'rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden'. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2 , maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Hoorn wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd.
De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben. Het bestemmingsplangebied kent op de Beleidskaart Archeologie de volgende dubbelbestemmingen: Waarde-Archeologie 1: archeologisch belang betrekken bij alle bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm –Mv; Waarde-Archeologie 2: dit betreft de historische molenplaatsen, huisplaatsen, en de overige dijken. De meeste terreinen zijn m.b.v. kaartanalyse (historisch kaartmateriaal) nader begrensd. Voor deze terreinen geldt dat bij voorgenomen bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden.
36
bestemmingsplan Stationsgebied
4.4.10
Kadernotitie Intensiverings- & Hoogbouwvisie
Intensivering en hoogbouw hebben langdurig en in grote mate invloed op de uitstraling van de stad. Om een kader te hebben waaraan getoetst kan worden, zodat iedere situatie in de stad volgens dezelfde kwalitatieve standaard wordt bekeken heeft de gemeenteraad op 20 april 2021 ingestemd met de kadernotitie Intensiverings- & Hoogbouwvisie. Op basis van deze kadernotitie wordt de uiteindelijke hoogbouwvisie opgesteld. In de notitie wordt voorgesteld een wijze van intensiveren te kiezen die past bij Hoorn. Dat betekent dat nieuwe hoogbouw moet passen bij de directe omgeving, maar ook dat die geïnspireerd is op het leefmilieu in de binnenstad. Een gevarieerde programmatische invulling en bouwhoogte. En intensief betekent ook veel ruimte voor water of groen. Intensiveren van stedelijke gebieden is een kans om de gewenste woningen en voorzieningen toe te voegen om de stad leefbaar en vitaal te houden. Door die nieuwe woningen in een meer stedelijke omgeving te maken, zijn ze aantrekkelijk voor bijvoorbeeld de jongere woningzoekers, of ouderen die op zoek zijn naar een levendige woonomgeving. Door iets meer dan nu de hoogte op te zoeken, kunnen woningen toegevoegd worden aan de stad, zonder dat dat ten koste gaat van openbare ruimte. Het is niet het doel om de stad vol te bouwen, maar juist om woningen toe te voegen en ook meer bruikbare groene ruimte.
Definitie hoogbouw De definitie van hoogbouw is voor velen verschillend, dat hangt ook af van verhoudingen tot andere gebouwen en het standpunt waarvandaan je die hoogbouw beleeft. Gemeenten in Nederland hanteren dus ook verschillende definities voor de grens waarboven een gebouw hoogbouw genoemd wordt. Hoorn ligt aan het water en in een plat landschap, waardoor het silhouet van met name de oude stad en de omliggende dorpen (met nog mooie monumentale kerkjes) met relatief lage hoogbouw behoorlijk kan veranderen. Daarom wordt uitgegaan van een hoogbouwdefinitie die per gebied verschilt. In Hoorn worden drie definities van de basishoogte, met bijbehorende accenten en uitschieters gehanteerd.
Figuur 14. Drie definities van basishoogte zoals opgenomen in de kadernotitie Intensiverings- & Hoogbouwvisie
De gebieden waar dynamisch stedelijk gebied wordt voorzien, zijn gelegen binnen een cirkel van 1200 meter vanaf een station. Het stedenbouwkundig plan Poort van Hoorn is het eerste intensiveringsgebied met uitgangspunten voor de hoogte van 5 tot 6 lagen voor de basishoogte, met enkele hogere delen tot 8 lagen. Daarbij is aangegeven dat een aantal hoogteaccenten mogelijk zijn.
37
bestemmingsplan Stationsgebied
Poort van Hoorn geeft een goed beeld van de kansen van intensivering, en daar is breed draagvlak voor, hoewel er in de nadere verdieping van het stedenbouwkundig plan over de plaatsing van de hoogteaccenten nader overleg heeft plaatsgevonden met onder andere de omgeving (zie ook paragraaf 7.1 waarin is ingegaan op het participatietraject). Mede naar aanleiding van het participatietraject is de plaatsing van de hogere gebouwen aangepast ten opzichte van het in 2020 vastgestelde stedenbouwkundige plan. In paragraaf 3.4 is ingegaan op de stedenbouwkundige motivering van de hoogteaccenten in het plangebied. Er wordt gekozen voor een wijze van intensiveren die past bij Hoorn. Dat betekent dat nieuwe hoogbouw moet passen bij de directe omgeving, maar ook dat die geinspireerd is op het leefmilieu in de binnenstad: Met een gevarieerde programmatische invulling en bouwhoogte. En intensief betekent ook veel ruimte voor water of groen. 4.4.11
Welstandsnota 2020
Op 4 februari 2020 is de Welstandsnota 2020 van de gemeente Hoorn vastgesteld. De welstandsnota is het toetsingsinstrument voor nieuwe ontwikkelingen in Hoorn. Het planvoornemen ligt in plangebied 5c Buitenstad. Hiervoor geldt een regulier welstandsregime. In de reguliere gebieden ligt de focus bij de beoordeling vooral op het bewaren van de eenheid in complexmatige bebouwing. De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. In sommige gevallen kan dan worden volstaan met het verwijzen naar criteria van naastgelegen of andere vergelijkbare gebieden in de gemeente. In andere gevallen wordt bij de beoordeling teruggegrepen op de algemene criteria. Ook kan de gemeenteraad besluiten in het kader van de planvorming nieuwe welstandscriteria vast te stellen als aanvulling op de welstandsnota. Voor het plangebied wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie paragraaf 3.7). In het beeldkwaliteitskader staan de criteria met betrekking tot de plaatsing, massa, aanzichten/detaillering, opmaak en diverse andere zaken voor het op te richten programma. Het beeldkwaliteitskader vormt, samen met het voorliggende bestemmingsplan, na de uiteindelijke vaststelling door de gemeenteraad, de basis voor de aan te vragen (eventueel collectieve) omgevingsvergunning(en) voor het bouwen.
Het beeldkwaliteitskader doorloopt een eigen procedure en wordt apart van het bestemmingsplan vastgesteld.
38
bestemmingsplan Stationsgebied
Hoofdstuk 5
Omgevingstoets
Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan te toetsen, is het noodzakelijk dat verschillende onderzoeken worden uitgevoerd.
5.1
Bodem
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is bepaald dat in de toelichting inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van de onderzoeksverplichting van het college en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen. Een bepaalde mate van bodemverontreiniging hoeft in veel gevallen niet direct een probleem op te leveren. In veel gevallen zal historisch onderzoek inzake de betreffende verdachte locatie kunnen uitwijzen of er voldoende aanleiding is om ook bodemonderzoek te laten uitvoeren. Met een oriënterend bodemonderzoek en/of een nader bodemonderzoek kan worden vastgesteld of inderdaad sprake is van bodemverontreiniging, en zo ja, in welke mate en van welke omvang. Op basis van een nader onderzoek kan de provincie bepalen of er een noodzaak is tot gedeeltelijke of gehele sanering van de locatie en of er beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen.
Daarbij zal ook de huidige en/of toekomstige bestemming en het gebruik van de locatie een rol spelen uit welke saneringsvarianten kan worden gekozen. Onderzoek In 2017 en 2018 zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd voor zowel de noord- en zuidzijde van het stationsgebied. Door de gemeente Hoorn zijn de verontreinigingssituaties naar aanleiding van deze onderzoeken in kaart gebracht (Bijlage 7). Uit het onderzoek blijkt dat op diverse vlekken ernstige, maar niet spoedeisende, vormen van bodemverontreining aanwezig is. De onderzoeksresultaten vormen milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor de toekomstige bestemming van de locatie. Door middel van een sanering kunnen deze gronden gebruikt worden voor de beoogde functies. Er kan op basis van de beschikbare informatie niet worden gegarandeerd dat plaatselijk de bodem altijd geschikt is voor de huidige en/of gewenste functie. Bij bouwactivteiten/ontwikkelingen binnen het gebied moet daarom altijd een extra toets op bodemgeschiktheid worden gedaan. Voor de geplande saneringswerkzaamheden (inclusief de werkzaamheden in het stationsgebied) wordt overwogen om te werken met een raamsaneringsplan.
Dit geeft de mogelijkheid om gefaseerd te saneren en om eenvoudiger om te gaan met onverwachte lokale verontreinigingsspots in het dempingmateriaal op terreindelen waar geen sterke verontreinigingen in de diverse bodemonderzoeken naar voren zijn gekomen. Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.
39
bestemmingsplan Stationsgebied
5.2
Ecologie
In het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. Dit is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb), de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. 5.2.1
Ecologische beoordeling
Voor het totale plangebied Poort van Hoorn is een ecologische beoordeling uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport is als Bijlage 8 toegevoegd aan deze toelichting. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Indien vliegroutes of verblijfplaatsen van de Meervleermuis aanwezig zijn, kan een negatief effect optreden op het instandhoudingsdoel van de Meervleermuis in de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer. Om te bepalen of dit het geval is, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd wanneer werkzaamheden plaatsvinden waarbij gebouwen gesloopt worden of wanneer er lichtbronnen nabij bomen, bestaande gebouwen of watergangen worden gerealiseerd. Overige gebiedsbescherming Op overige beschermde gebieden (NNN, Weidevogelgebieden) zijn door uitvoering van de geplande werkzaamheden geen negatieve effecten te verwachten. Stikstof Een AERIUS- berekening van de stikstofuitstoot van het planvoornemen moet uitwijzen of er negatieve effecten in het kader van de Wnb beschermde gebieden zullen optreden. Op basis daarvan kan worden bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. Op 7 juni 2021 is de berekening stikstofdepositie voor de bestemmingsplannen 'Poort van Hoorn - Stationsgebied' en 'Pelmolenpad' uitgevoerd.
Omdat de plangebieden aan elkaar grenzen en de realisatie deels tegelijk plaats vindt is er voor gekozen om voor de twee bestemmingsplannen een gezamenlijke AERIUS-berekening uit te voeren. De berekeningen met AERIUS genereren een rekenresultaat en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. De berekening met bijlagen is als Bijlage 10 bijgevoegd. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wnb beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. Soortenbescherming Vogels Door uitvoering van de plannen ontstaat mogelijk een conflict met de Wnb indien broedende vogels en hun nesten worden verstoord. Vleermuizen Wanneer men gebouwen sloopt of bomen met holtes kapt kunnen er verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Er dient dan aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen te worden uitgevoerd. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen bestaat uit meerdere onderzoeksrondes, die verspreid over de periode mei tot en met oktober plaatsvinden. Vanwege de nabijheid van het Markermeer zal er
40
bestemmingsplan Stationsgebied
extra aandacht besteed moeten worden aan de Meervleermuis tijdens dit onderzoek. Steenmarter Wanneer gebouwen gesloopt worden kunnen verblijfplaatsen van Steenmarter verloren gaan. Mochten gebouwen gesloopt worden dan dient eerst onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van Steenmarter in de betreffende gebouwen. Overige beschermde soorten Door uitvoering van de plannen zal geen conflict met de Wnb ontstaan ten aanzien van overige beschermde soorten. Wel dient ten aanzien van vrijgestelde amfibieën en zoogdiersoorten de zorgplicht in acht genomen te worden, door de dieren de gelegenheid te geven het plangebied te verlaten. 5.2.2
Aanvulling ecologische beoordeling
In april 2021 is een quickscan gedaan door Altenburg & Wymenga (zie paragraaf 5.2.1). Uit de quickscan komt naar voren dat een aantal te slopen gebouwen in het stationsgebied mogelijk geschikt is voor steenmarter. Verder is een aantal te slopen gebouwen en/of te kappen bomen geschikt voor vleermuizen. Om welke gebouwen en bomen het exact gaat, wordt niet in de rapportage beschreven. Om te bepalen of beschermde soorten voor (kunnen) komen in de te slopen gebouwen en te kappen bomen rondom het station, is op 13 januari 2022 een veldbezoek gedaan door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs en zijn de bevindingen weergegeven in een oplegnotitie. Deze oplegnotitie is als Bijlage 9 bijgevoegd. Deze notitie beschrijft per soortgroep de geschiktheid van de te verwijderen gebouwen en opgaande beplanting in het gebied. Verder wordt per te verwachten beschermde soort beschreven welke vervolgstappen aan de orde zijn. De toetsing per soortgroep en de conclusie zijn onderstaand weergegeven. Toetsing vleermuizen Als gevolg van de sloop van de gebouwen die zijn weergegeven in figuur 1 in Bijlage 9, gaan mogelijk vleermuisverblijfplaatsen verloren. Om te bepalen of verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, is nader onderzoek nodig. Op basis van dit nader onderzoek, wordt bepaald of een ontheffing voor de Wnb nodig is.
Het gebied zal naar verwachting na de sloop van de gebouwen en kap van de bomen niet ongeschikt worden voor de te verwachten vleermuissoorten die rondom opgaande beplanting en in bebouwd gebied foerageren. Bovendien is in de directe omgeving van het gebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op het foerageergebied van vleermuizen treden niet op. Toetsing vogels met jaarrond beschermde nesten Als gevolg van de sloop van de bebouwing in het gebied gaan geen jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels verloren. Bij uitvoering van het plan verandert het gebied als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, maar zal niet geheel ongeschikt worden. Bovendien is in de directe omgeving van het gebied in ruime mate alternatief en deels hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten treden niet op. Wanneer werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen in gebruik zijnde nesten van algemene vogelsoorten worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen.
Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Toetsing grondgebonden zoogdieren Als gevolg van de plannen gaan geen verblijfplaatsen of leefgebied van beschermde grondgebonden zoogdieren verloren. Negatieve effecten op grondgebonden zoogdieren zijn niet te verwachten.
41
bestemmingsplan Stationsgebied
Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen wel enkele verblijfplaatsen van algemene zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Noord-Holland. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Toetsing planten, vissen, amfibieën, reptielen en ongewervelden Als gevolg van de plannen gaan geen groeiplaatsen, verblijfplaatsen en/of voortplantingsplaatsen van soorten uit de soortgroepen planten, vissen, amfibieën, reptielen of ongewervelden verloren. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen wel enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieënsoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Noord-Holland. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Conclusie Op basis van de hierboven beschreven toetsing, is een nog onvoldoende beeld van de natuurwaarden in het gebied verkregen om de toetsing aan de Wnb op te baseren.
Uit de toetsing komt naar voren dat als gevolg van de plannen mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Nader onderzoek is nodig om de aan- of afwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in een aantal gebouwen vast te stellen. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt bepaald of een ontheffing voor de Wnb nodig is. Het nader onderzoek naar de vleermuizen wordt uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zullen te zijner tijd worden verwerkt. Omdat de verwachting is deze onderzoeken nog niet (volledig) zijn uitgevoerd ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan is er voor gekozen om de verplichting tot een onderzoek vast te leggen in de regels door middels van een voorwaardelijke verplichting. Voor het overige wordt rekening gehouden met de zorgplicht en is het planvoornemen niet in strijd met het gestelde binnen de Wnb.
5.3
Erfgoed
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan: 1. 2. 3.
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie Bescherming van stads- en dorpsgezichten
Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige
42
bestemmingsplan Stationsgebied
cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. 5.3.1
Cultuurhistorie
Ten behoeve van de ontwikkeling van Stationsgebied Noord is in 2018 een herziene versie van het cultuurhistorisch advies opgesteld1 . In juni 2020 is door Bureau Erfgoed een cultuurhistorische inspiratiekaart aangeleverd (Bijlage 11). Deze kaart is gebaseerd op een cultuurhistorisch advies voor het Stationsgebied Zuid (conceptversie) dat in juni 2018 is aangeleverd2 (Bijlage 12). Het plangebied wordt in het westen begrensd door het Keern, in het noorden door de van Dedemstraat, in het oosten door een waterpartij die de bebouwing langs de Koepoortweg begrensd. De zuidelijke begrenzing wordt gevormd door de Stationsweg en de Noorderveemarkt. Het plangebied ligt deels binnen en deels buiten de historische stadskern van Hoorn. Het is een gebied waarin vanaf de 12de eeuw is ontwikkeld. In de 12de en 13de eeuw was dit weideland met een binnendijkje, het Keern. Het Keern vormde de scheiding tussen de Westerpolder en Oosterpolder (figuur 15). Rond 1426 werd een stadsomwalling met stadsgracht aangelegd rondom het Kleine Noord. De wal en gracht volgden de Veemarkt, Noorderveemarkt, Scharloo en Vale Hen. Het water dat ter plekke van het huidige parkeerterrein Vale Hen aanwezig was, was een restant van de stadsgracht. Ergens ter hoogte van het kruispunt van het Keern, Noorderveemarkt, De Weel en Hoge Vest stond de eerste Noorderpoort, die toen nog van hout was.
De precieze locatie is onbekend. In 1508 vond een stadsuitbreiding plaats, waarbij een nieuwe stadsgracht met poorten en torens werd aangelegd. In plaats van de oude houten Noorderpoort verscheen een stenen Noorderpoort. Deze ligt in de huidige situatie onder de locatie waar het Keern aansluit op het kruispunt met de Noorderveemarkt, De Weel en Hoge Vest. In 1513 werden twee stadstorens gebouwd. Vervolgens werd gefaseerd een stadsmuur opgetrokken en in 1552 rondom de Noorderpoort een rondeel gebouwd. Hiernaast werd een nieuwe Noorderpoort gebouwd en het Keern werd in een bocht hierheen verlegd. Bij een deel van de stadswal is nooit een stadsmuur gerealiseerd. Op de oudste stadsplattegrond van de stad uit 1560 is de situatie goed te zien.
43
bestemmingsplan Stationsgebied
Figuur 15. Stadsplattegrond van Van Deventer uit 1560 (noorden boven)
In de 17de eeuw werd het gebied verder ontwikkeld. Vanaf 1594 werden buiten de stadsgrachten fraaie met bomen beplante singels gemaakt (figuur 16). Hier kon men rondom de stad wandelen. Vanaf 1618 werd een rij huizen aan de Hoge Vest gebouwd. Hier ligt nu de rijweg Hoge Vest en parkeerterrein Vale Hen. In 1624 werd onder het volledige Nieuwe Noord een bakstenen overkluizing gemaakt, die aansloot op het water rondom het rondeel. Als scheidingen tussen zoet en zout water werden bakstenen beren in de stadsgracht gemaakt. De situatie in de 17de eeuw is goed te zien op de stadsplattegrond van Blaeu, die werd uitgegeven in 1649 (figuur 16).
Figuur 16. Stadsplattegrond van Blaeu uit 1649
44
bestemmingsplan Stationsgebied
In de 18de eeuw vonden weinig wijzigingen plaats in de inrichting van het gebied. Wel vernemen we in de historische bronnen van herstelwerkzaamheden aan bijvoorbeeld de muur rondom het rondeel.
Figuur 17. Stadsplattegrond van Doesjan uit 1794
In de loop van de 18de eeuw zette een economische en demografische neergang van de stad in wat resulteerde in de afbraak van veel huizen. Op de oudste kadastrale kaart uit 1823 zijn de meeste structuren en gebouwen nog aanwezig. Duidelijk te zien zijn bijvoorbeeld het rondeel, de loop van de stadsgracht en de stadstorens. In de 19de eeuw volgde een grootschalige afbraak van de stadspoorten, torens, omwallingen en ook huizen. De volledige bebouwing aan de Hoge Vest is uiteindelijk verdwenen. Een deel van de stadsgracht werd bovendien gedempt. Vanaf het einde van de 19de eeuw werd het gebied nieuw ingericht. Vooral de aanleg van de spoorlijn en bouw van het station veroorzaakten een ingrijpende verandering (figuur 18).
45
bestemmingsplan Stationsgebied
Figuur 18. Ligging plangebied op landgebruik van de kadastrale Minuut uit 1823 (bron: HISGIS).
Figuur 19. Ligging plangebied stationsgebied Noord en Zuid (rode stippellijn) en plangebied Pelmolenpad-Prismalocatie (zwarte stippellijn) op een topografische kaart uit 1935.
46
bestemmingsplan Stationsgebied
Figuur 20. Plangebied op de cultuurhistorische inventarisatiekaart.
Aan de oostkant grenst het plan deels aan De Tocht, de ten westen van en evenwijdig aan de Koepoortsweg gelegen waterloop die in het noorden uitmondt in De Groene Wijzend. De Tocht is waarschijnlijk een gegraven afwatering uit de tijd van de ontginning van dit gebied in de late twaalfde eeuw. De Tocht is voor Hoorn van groot historisch belang, omdat de stad ontstaan is rond de monding van deze waterloop, waar deze via een sluis uitmondde in de Zuiderzee (deze sluis lag volgens Velius aan de oostkant van de Roode Steen). De Tocht zorgde niet alleen voor de ontwatering van het veenontginningsgebied, maar was ook een belangrijke aan- en afvoerroute voor producten uit het achterland. Voor de ontwatering van de perceelsloten van het veengebied waren zowel de Tocht als de sloot langs de Holenweg in gebruik. Vanuit het Westfriese achterland werden goederen per boot via De Tocht aangevoerd om in Hoorn verkocht te worden. Mede hierdoor werd Hoorn een belangrijke marktplaats. De Tocht vormde eeuwenlang een van de belangrijkste verbindingen tussen de stad en het achterland; tot in de twintigste eeuw maakten tuinders tot Andijk aan toe gebruik van deze vaarroute om hun producten per schuit aan te voeren naar de groente- en fruitmarkt op het Nieuwland en, later, het stationsemplacement. Op de westoever van De Tocht bevond zich een beklinkerd paadje voor de schuitentrekkers.
De opkomst van de veilingen in Zwaag en Blokker betekende het einde voor de Hoornse groente- en fruitmarkt en daarmee verloor De Tocht zijn functie als aanvoerweg voor agrarische producten. Hoewel aan het eind van de 19e eeuw water is aangelegd, is dit nu niet meer in het plangebied aanwezig, met uitzondering van een kleine watergang aan de oostzijde van het plangebied die in contact staat met de (oorspronkelijke loop van de) Tocht (figuur 20). Op bovenstaande afbeelding (figuur 20) is te zien dat het plangebied deels ligt in het beschermd stadsgezicht van Hoorn. Dat betekent dat het gehele gebied binnen de begrenzing van het beschermd stadsgezicht de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie moet krijgen. De volgende elementen in het plangebied dienen ook de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie te krijgen.
47
bestemmingsplan Stationsgebied
In 1839 werd de eerste spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem geopend door de Hollandsche IJzeren Spoorweg - Maatschappij (HIJSM). Daarna ontwikkelde het railvervoer in Nederland zich snel. In 1884 werd de spoorlijn Amsterdam- Zaandam-Hoorn geopend. Deze werd in 1885 doorgetrokken naar Enkhuizen, waarna men verder naar het noorden kon door een bootdienst over de Zuiderzee. Ook Medemblik wilde een spoorverbinding. Dit leidde in 1887 tot een tramverbinding. De lijn kende de volgende stations: Medemblik, Opperdoes, Twisk, Midwoud-Oostwoud, Abbekerk-Lambertschaag, Benningbroek-Sijbekarspel, Wognum-Nibbixwoud, Zwaagdijk, Zwaag, Westerblokker en Hoorn. Begin jaren '20 kreeg de lokaaltrein naar Medemblik concurrentie van de autobus die de dorpen beter kon bereiken en goedkoper was. Dit was meteen het begin van het einde van de stoomtram. In 1935 werden de stoomtrams ten behoeve van het personenvervoer gestaakt. Uitzondering hierop waren de treinen die tijdens de Tweede Wereldoorlog nog even naar Medemblik reden omdat door de brandstofschaarste de bussen niet meer reden. In 1968 werd de Museumstoomtram in het leven geroepen. De rijtuigenloods aan de Van Dedemstraat 8 is gemeentelijk monument. Aan de zuidzijde van het spoor bevinden zich het station, rijksmonument, en de bussengarage, gemeentelijk monument. Het station uit 1884 is opgetrokken in neo-renaissance.
Hoewel in die tijd er een standaardisering van stations was, was geen enkel station hetzelfde en werd station Hoorn in opdracht van de Staat door ingenieur Jan Dionijs Evers ontworpen. De bussengarage staat naast het monumentale stationsgebouw van Hoorn. Het Stationsplein is in opzet tot stand gekomen na de demping van de Noorderpoortsgracht en de aanleg van het Noorderplantsoen in 1885. Het spoorwegemplacement, gelegen ten oosten van het stationsgebouw en het Stationsplein, was destijds ingericht voor opslag en onderhoud van treinmaterieel. Op het emplacement stonden onder andere een locomotievenloods, een waterreservoir, een draaischijf voor het keren van de locomotieven en er was plek voor kolenopslag. Nadat het gebruik voor stoomlocomotieven in 1939 eindigde werd de locomotievenloods vanaf 1941 als garage, werkplaats en kantoor gebruikt door WACO, de Westfriese Autocar Onderneming uit Hoorn. Op 27 juni 1953 werd door N.V. Naco, de Nederlandse Auto Car Onderneming uit Alkmaar, vergunning aangevraagd voor het slopen van de bestaande locomotievenloods en de bouw van een nieuwe bussengarage met kantoor en woonhuis naar ontwerp van Ringers Bouwbureau N.V. uit Alkmaar. Aan de zuidwest zijde van het station ligt de Noorderveemarkt. Dit gebied bleef vanaf het midden van de 16de eeuw onbebouwd.
In 1656 werd een stalling voor de nieuwe paardenmarkt gemaakt tussen de Noorderpoort en de St. Janssluis. In 1772 werd de markt van stenen palen voorzien en werd het terrein vergroot door het slechten van de vestingwal tussen de Noorderpoort en de huidige Veemarkt. Het terrein werd gebruikt als koeien- en paardenmarkt. De gracht werd omstreeks 1880 gedempt. Aan het eind van de 19de eeuw werd een deel van het terrein voorzien van gietijzeren palen ten behoeve van de Veemarkt. Het gebied van de Noorderveemarkt vormt een open ruimte tussen de binnenstedelijke bebouwing en de bebouwing langs de spoorlijn. Door deze ruimte blijft de historische structuur van de omgrachting van de stad afleesbaar. Behoud van een open en ruimtelijke zone is dan ook wenselijk. Op de Noorderveemarkt bevinden zich tevens diverse monumentale bomen. 5.3.2
Archeologie
Voor grote delen van het plangebied zijn al archeologische bureauonderzoeken of quickscans vervaardigd. Hierin is een gespecificeerde verwachting opgesteld en aangegeven hoe om te gaan met de aanwezige archeologische waarden3 . Op de beleidskaart archeologie (figuur 21) staan verschillende vrijstellingsgrenzen aangegeven. De historische stadskern is in paars aangegeven. De overige historische bebouwing staat in oranje weergegeven. Voor het plangebied geldt dat de meest zuidelijke begrenzing binnen het rijksbeschermd stadsgezicht van
48
bestemmingsplan Stationsgebied
Hoorn ligt. De overige historische bebouwing geldt een hoge archeologische waarde. Het noordelijke deel (ingeklemd tussen de historische bebouwing) is in een advies uit het verleden al vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie vanwege de aanleg van de spoorlijn en de grote waterpartij. Het bestemmingsplangebied kent op de Beleidskaart Archeologie de volgende dubbelbestemmingen: Waarde-Archeologie 1: archeologisch belang betrekken bij alle bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm –Mv; Waarde-Archeologie 2: dit betreft de historische molenplaatsen, huisplaatsen, en de overige dijken. De meeste terreinen zijn m.b.v. kaartanalyse (historisch kaartmateriaal) nader begrensd. Voor deze terreinen geldt dat bij voorgenomen bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden.
Figuur 21. De ligging van het plangebied (zwarte stippellijn) op de beleidskaart archeologie van de gemeente Hoorn. In zwart zijn de bouwvlakken binnen het bestemmingsplangebied aangegeven. De gearceerde bouwvlakken betreffen de nieuwe bouwvlakken die nog niet volledig zijn vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
Uit figuur 21 blijkt dat delen van het plangebied samenvallen met archeologisch waardevolle zones waar bij plannen met een omvang groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm rekening moet worden gehouden met het aspect archeologie (kleur donkeroranje). Dit betreffen de gearceerde bouwvlakken in figuur 21. Deze zones concentreren zich aan de oost-, zuid- en westzijde van het bestemmingsplangebied. Het overige deel van het plangebied is reeds vrijgesteld van archeologisch onderzoek (kleur grijs). Dit deel bevindt zich ten noorden van het huidige station. Hier loopt de spoorlijn en was in het verleden een grote waterpartij aanwezig. Eventuele archeologische resten zullen hier grotendeels zijn verstoord of geheel zijn verdwenen. Voor de drie gearceerde bouwvlakken is een bureauonderzoek uitgevoerd. Het bureauonderzoek is uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Daartoe zijn reeds bekende archeologische, historische en aardkundige gegevens verzameld en is het grondgebruik in het plangebied in het heden en verleden geïnventariseerd. Onderstaand zijn de conclusie, selectieadvies en aanbevelingen
49
bestemmingsplan Stationsgebied
uit het Archeologisch Bureauonderzoek Stationsgebied Hoorn weergegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 13 bijgevoegd. Conclusie Het plangebied ligt grotendeels net buiten het historisch centrum van de stad Hoorn. Een groot deel was lang in gebruik als weideland, gelegen tussen het Keern en de Koepoortsweg. Bovenop het Keern werd in de 15de eeuw voor het eerst een houten stadspoort gebouwd. De poort werd later vervangen door een stenen poort. Begin 16de eeuw vond een stadsuitbreiding plaats, waarbij een nieuwe stadsgracht met poorten en torens werd aangelegd binnen het plangebied. Met de aanleg van de singelgracht tussen de Koepoort en de Noorderpoort was de middeleeuwse stadsomgrachting van Hoorn compleet. In de 17de eeuw is het gebied verder ontwikkeld en verscheen onder andere een weg met bomen langs de noordzijde van de stadsgracht. Ten noorden van de stadsgracht waren vanaf de 17de eeuw enkele bebouwde percelen aanwezig. Mogelijk lagen hier ook (moes)tuinen, siertuinen en boomgaarden met hier en daar een klein gebouw. In de 19de eeuw volgde een grootschalige afbraak van de stadspoorten, torens, omwallingen en ook huizen. Vanaf het einde van de 19de eeuw is het gebied omgevormd tot stationsgebied. Selectieadvies en aanbevelingen Delen van het plangebied zijn reeds vrijgesteld met betrekking tot het aspect archeologie.
Vanuit het gemeentelijk beleid wordt in eerste instantie geadviseerd om ter plaatse van de niet vrijgestelde zones archeologie-vriendelijk te bouwen, dat wil zeggen de bodem niet te verstoren. Een archeologie-vriendelijk bouwplan kan als alternatief worden voorgelegd aan de gemeente. Het archeologie-vriendelijke bouwplan dient te worden gekeurd door Archeologie West-Friesland. Een niet archeologie-vriendelijk bouwplan houdt in dat de huidige situatie van de bodem zal worden verstoord tijdens het bouwproces. Onder bodemverstoring wordt verstaan: het verwijderen van muurwerk uit de bodem, hieronder vallen ook funderingen en palen van de bestaande bebouwing vanaf de vrijstellingsdiepte gemeten vanaf het bestaande maaiveld van de archeologische vindplaats. vorstranden dieper dan 30 cm het aanbrengen van funderingspalen, damwanden, grondverbeteringen, groutankers etc.
bodemsaneringen, tijdelijke uitplaatsing van vervuilde grond kelders, ondergrondse reservoirs, overmatige boringen voor diverse onderzoeken en bijvoorbeeld wkk installaties kruipruimtes vijvers/watercompensaties sloten en andere ingravingen kabels en leiding-tracés vanaf maaiveld Ligt het in de planning om één of meerdere van voorgenoemde bodemverstorende werkzaamheden tijdens het project uit te voeren, dan wordt het bouwproject als niet archeologie-vriendelijk geclassificeerd en dient nader archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. In het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Gezien de hoge archeologische waarde is binnen een deel van het plangebied nader archeologisch onderzoek vereist in het kader van de AMZ-cyclus. De aard en locatie van dit onderzoek is verwerkt op een advieskaart (figuur 22).
50
bestemmingsplan Stationsgebied
Figuur 22. Archeologische advieskaart voor het stationsgebied in Hoorn
Geadviseerd wordt om de bouwwerkzaamheden ter plaatse van de bouwvlakken die in dit bureauonderzoek zijn aangeduid met nummers 1 (noordwesthoek van het plangebied) en 2 (ten zuiden van het spoor naast de huidige fietsenwinkel) archeologisch te laten begeleiden. Een archeologische begeleiding moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals die worden gesteld in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1. Dat houdt in dat er een Programma van Eisen dient te worden opgesteld en dat eventueel aangetroffen archeologische sporen, voordat deze worden verwijderd door daartoe bevoegde archeologen worden gedocumenteerd door middel van tekening, foto en beschrijving. Daarnaast wordt vondstmateriaal verzameld. Ter hoogte van bouwvlak 3 (zuidoosthoek van het plangebied) dien het archeologisch onderzoek te bestaan uit een vlakdekkende archeologische opgraving voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden. Als leidraad voor de opgraving dient een door het bevoegd gezag goedgekeurd Programma van Eisen te worden opgesteld. Na het opgraven van de archeologische waarden kan het plangebied worden vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie.
Tot slot is van belang dat indien toch ook graafwerkzaamheden worden uitgevoerd ter plaatse van andere structuren zichtbaar op de inventarisatiekaart (bijvoorbeeld voor de aanleg van nieuwe wegen), mogelijk ook hier archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Buiten de op de advieskaart aangegeven vlakken die nader onderzocht dienen te worden, blijft daarom het vigerend beleid van kracht. Ook dit is verwerkt op de advieskaart. Eventuele verdere ingrepen dienen apart te worden getoetst. Conclusie Wat betreft het aspect cultuurhistorie is het planvoornemen uitvoerbaar. Het begeleiden danwel opgraven ter plaatse van de drie bouwvlakken is geborgd in de regels en verbeelding van het bestemmingsplan. Voor het overige blijven de huidige dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en Waarde Archeologie 2' van toepassing. Met het borgen van deze adviezen is het planvoornemen op het aspect archeologie
51
bestemmingsplan Stationsgebied
uitvoerbaar.
5.4
Externe veiligheid
De overheid heeft de afgelopen jaren veiligheidsnormen vastgelegd die in acht moeten worden genomen en waarmee zowel op het gebied van milieu als op het gebied van de ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat de afwegingen, ten aanzien van risico’s op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moeten worden gemaakt en niet langer onbewust of impliciet plaatsvinden. Onderzoek Landelijk is de zogenoemde professionele risicokaart ontwikkeld. Hierop is onder andere informatie over risico’s van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Om na te gaan of bij het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, is de Risicokaart geraadpleegd. In de hiernavolgende figuur is een fragment van deze risicokaart weergegeven.
Figuur 22. Fragment risicokaart.
Over het aanwezige spoor vindt geen transport van gevaarlijke stoffen plaats. Over de Provincialeweg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Deze weg heeft geen 10-6/j en 10-7/j contour voor het plaatgebonden risico (PR). Het plan voldoet aan de normen voor het PR. De 10-8/j contour ligt circa 52 meter van het hart van de weg. Dit heeft geen effect op de voorgenomen ontwikkeling. Uit de risicokaart blijkt dat er in het plangebied geen risicobronnen aanwezig zijn. Direct buiten het plangebied is tankstation Keern gesitueerd. De veiligheidsafstanden met betrekking tot het aanwezige tankstation Keern liggen buiten het plangebied. Voor het overige zijn er geen risicobronnen aanwezig die van invloed zijn op het planvoornemen. Het planvoornemen zelf maakt geen risicovolle inrichtingen mogelijk die van invloed zijn op de omgeving. Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect externe veiligheid uitvoerbaar.