CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Concept nota van uitgangspunten Eikstraatkwartier

Algemene Raadscommissie - Raadzaal 26 maart 2024, gemeente HoornBij agendapunt: Meningvormende bespreking concept Nota van Uitgangspunten Ontwikkeling Eikstraatkwartier (Portefeuillehouder Assendelft)19.984 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De wijk heeft een groen karakter voornamelijk bepaald door de laanbomen en de voortuinen en grenst aan de stadsomwalling en het Wilhelminapark. Toch is in de wijk weinig openbaar groen en ontmoetingsruimte aanwezig. Een belangrijke ruimtelijke opgave bij de ontwikkeling is het verbeteren van openbaar gebied, groen en ontmoetingsplekken, waardoor de doorwaadbaarheid van de wijk wordt verbeterd. Op die manier levert het toevoegen van intensieve woningbouw niet alleen een bijdrage aan de grote vraag naar woonruimte maar ook aan de vraag naar kwalitatief groen en ontmoeten. Twee locaties, met name de RAC/Johan Messchaertstraat/Eikstraat locatie en de Abbingstraat/Eikstraat locatie hebben weinig contact met de omgeving en zijn voor een groot deel verstopt achter bestaande bebouwing. Het realiseren van goede, aantrekkelijk en levendige entrees bij deze locaties is een belangrijke ruimtelijke opgave. Daarmee wordt de doorwaadbaarheid (waar je doorheen kunt lopen) van deze gebieden versterkt. Gedacht kan worden aan stedelijke hofjes, woondekken, kleine (wandel-) straatjes en groene pleintjes. 2.3 2.3.1

Stedenbouwkundige uitgangspunten Stedenbouwkundige uitgangspunten en ruimtelijke opgaven en kansen

Inpassing in het gebied De locaties zijn gesitueerd in het Venenlaankwartier, één van de eerste stadsuitbreidingswijken van Hoorn buiten de singels. De stedenbouwkundige structuur wordt gekenmerkt door een tuindorp-achtige buurt die op een vanzelfsprekende manier aansluit bij de oudere binnenstad. Er is veel ruimte voor openbaar en privé groen. De buurt wordt gekenmerkt door karakteristieke zorgvuldige bebouwing uit de jaren ’30. Dit vormt het uitgangspunt voor deze locaties. De woningen aan de Eikstraat, de hervormde kerk en de Mariaschool vormen een prachtig ensemble evenals de Mulo-school, de Montessorischool en de woningen aan de Kruitmolenstraat. De uitstraling van de nieuwbouw dient zich hierbij aan te sluiten. Voor de drie locaties geldt dat gestreefd wordt naar drie belangrijke onderdelen met betrekking tot de inpassing: 1. Een juiste inpassing qua beeldkwaliteit; 21

2. 3.

Een integrale ontwikkeling waarbij onderwijs, kinderopvang, sport, woningen, parkeren en ontmoeting zich op een zorgvuldige en natuurlijke wijze voegen in het weefsel van de omgeving; en Het creëren van een aantrekkelijk openbaar gebied.

Uitgangspunt voor het openbaar gebied: 1. Het toevoegen van interessant openbaar verblijfsgebied met de mogelijkheid tot ontmoeten en een veelheid aan kwalitatief groen en bomen e.d. 2. Inpassen van kwalitatief hoogwaardige straatjes/pleinen/hofjes voor de nieuwe-, maar ook voor de bestaande bewoners. 3. Het ontwikkelen van veilige en goed te onderhouden openbare ruimte. Algemene structuur 1. Intensieve kleinstedelijke levendige stadswijk (wonen/werken/voorzieningen). 2. Kleinschalige ruimtelijke opbouw (beperkte maat en schaal/combinatie pandniveau en blokniveau). 3. Gebruik van kappen is kenmerkend. 4. Kleine groene voortuinen. Specifieke zone langs het spoor binnen de deelgebieden Eikstraat en Wilhelminalaan 1. Aaneengesloten bebouwing aan de spoorzijde zorgt voor een luw binnenmilieu. 2. Zonzijde aan de binnenzijde biedt kans voor de ontwikkeling. 3. Ruimtelijke opbouw passend binnen de kleinschaligheid en ruimtelijke kwaliteiten van de wijk: • Geparcelleerde (opgeknipte) gevelopbouw. • Verspringingen in de gevellijn. • Interessant hoogteverloop. • Samenstel van overwegend 3-5 bouwlagen, met een accent op een enkele locatie. Rekening houden met de kleinschaligheid van de bestaande woningbouw (aansluitend). • Op een enkele plek na is er stedenbouwkundig niet direct aanleiding voor hogere accenten gezien de plek in de stad en de kleinschaligheid van de omgeving.

• Vormgeving en sfeer van levendige gevels, plasticiteit (onderdeel van de stad/wijk en geen achterzijde). • Locatie Wilhelminalaan, nabij spoorwegovergang Liornestraat biedt aanleiding voor een architectonisch accent. Eikstraat/J. Messchaerstraat/RAC-parkeerlocatie 1. Ruimtelijk betrekken en versterken kerkplein en kerk het Octaaf (ontmoetingsplein). Eikstraat- Abbingstraat/ Wilhelminalaan 1. Versterken laanstructuur 2. Voorkanten van woningen naar de straat gericht 3. Passend in het kleinschalige karakter van de laan: • Geparcelleerde (opgeknipte) gevelopbouw. • Verspringingen in de gevellijn. • Ruimtelijk (in maat en schaal) aansluiten aan de Eikstraat. • Samenstel van 3-5 bouwlagen Wilhelminalaan. 4. Goede entrees vanaf de straatzijde naar het ‘achterliggende’ gebied (doorwaadbaar). 5. Groene voortuinen. 6. De 'kop’ van de locatie Wilhelminalaan, nabij de spoorwegovergang Liornestraat, vormgeven als architectonisch accent. 22

Abbingstraat 1. Levendige ‘koppen’ aan beide uiteinden van de straat (bijv. glas, transparant, levendige plint). 2. Vormgegeven als hoekaccenten (beeldbepalend vanaf spoor en Commandeur Ravenstraat). 3. Goede, aantrekkelijke en uitnodigende entrees vanaf de straatzijde naar het ‘achterliggende gebied’ (doorwaadbaar). Dichtheid Gelet op de ambitie van de gemeente Hoorn om ‘meer stad’ te worden, ligt de nadruk op het ontwikkelen van compacte, intensieve kleinstedelijke milieus met een Floor Space Index (FSI) van maximaal 1,5. Circa de helft van elk van de drie deelgebieden is uitgeefbaar. De andere helft is bestemd voor openbaar gebied. Drie aandachtspunten zijn van toepassing: 1. De ambitie is het realiseren van een kleinstedelijk woonmilieu, hoge dichtheid. 2. Woningbouw met toevoegen stedelijke openbare ruimte. 3. Qua doelgroepen wordt gestreefd naar een combinatie van doelgroepen, met de nadruk op senioren met eventueel complementerende zorg (aan huis). 2.3.2

Bebouwing

Met betrekking tot de bebouwing wordt gestreefd naar samenhang waarbij de rooilijn reageert op de locatie. De gebouwen voegen zich naadloos in de directe omgeving. Op twee locaties is sprake van een gemeentelijk monument welke blijven behouden. De IKC’s zijn open en ruimtelijk gebouwen, dit bevordert ontmoeting. De IKC’s kunnen in meerdere tot maximaal 3 bouwlagen ontwikkeld worden. De schoolpleinen worden door het schoolbestuur integraal in het ontwerp meegenomen. Hierbij wordt extra aandacht gevraagd voor sociale veiligheid op en zichtbaarheid van het schoolplein. De logistiek van het programma op de locaties en in de gebouwen heeft geen negatieve impact op de directie omgeving. De woningbouw heeft een woonkarakter, een gebouw met ramen, balkons en deuren, zodat het een vriendelijke uitstraling heeft. Zij vormen de ‘ogen op de straat’, voorkanten van woningbouw zijn gericht op het openbaar gebied (met deur of raam), ter bevordering van levendigheid aan de straat en sociale controle. De bebouwingshoogte van de woningen moet voldoen aan de visie Hoornse Hoogte (zie ook paragraaf 1.7.13). Dit betekent: • Een FSI van maximaal 1,5. • Overwegend 3 – 5 bouwlagen. • Hoogteaccenten tot 8 bouwlagen zijn alleen mogelijk indien stedenbouwbouwkundig goed onderbouwd. Doelstelling daarbij is het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit.

• Hoogtes en breedtes zijn voor de verschillende bouwlagen in de visie opgenomen in het hoofdstuk Intensiveringsgebieden, waarbij de variatie en zorgvuldige aansluiting op de bestaande stad het kader vormen. De parkeervoorziening is bij voorkeur volledig ondergronds. Wanneer gekozen wordt voor een halfverdiepte parkeeroplossing steekt deze maximaal 1 meter boven het maaiveld uit waardoor natuurlijke ventilatie mogelijk is. De parkeervoorziening kent voldoende gronddekking t.b.v. beplanting en bomen (ook 2e grootte bomen). Een bovengrondse parkeerhub is een ruimtelijke mogelijkheid. Voorwaarden zijn een kleinschalige vormgeving en een levendige uitstraling door transparantie en combinaties met woonbebouwing (‘inpakken’). De nieuwe ontwikkeling houdt rekening met de aanwezige naastgelegen woningbouw. De bebouwing voegt zich in maat en schaal bij de bestaande woningbouw. De ontwikkeling heeft een kleinschalige opzet met een diversiteit aan vormen, verspringingen, materialen en kapvormen. De bebouwing voegt zich naadloos in de 23

stedenbouwkundige context. Er wordt uitgegaan van bebouwing op deellocaties die afbouwt tot een maximale bouwhoogte van 3 lagen of 2 lagen en een kap naast of tegenover de bestaande woningen. 2.3.3

Aansluiting op de directe omgeving

De locaties voegen zich op een natuurlijke wijze in de bestaande omgeving qua openbaar gebied, looplijnen en wegen. Bij de planvorming dient veel aandacht te bestaan voor de sociale veiligheid, bewegingsmogelijkheden voor jong en oud en het groen. De erfafscheidingen dienen in samenhang met de gebouwen en in samenhang met de erfafscheidingen van de naastgelegen bebouwing te worden ontworpen. Om het groene karakter van de buurt te behouden dient de erfafscheiding een groen karakter te hebben of een zeer zorgvuldig vormgegeven tuinmuurtje (max 1 meter). Daarnaast mag de afscheiding niet te hoog zijn, zodat men eroverheen kan kijken. Abbingstraat/Eikstraat/Wilhelminalaan 1. Geluidsopvang (wandvorming spoorzijde). 2. Stedelijke wand spoorzijde. 3. Hoogteverloop interessant (diversiteit aan hoogtes en aflopend naar bestaande bebouwing). 4. Aantrekkelijke/uitnodigende en open uitstraling spoorzijde. 5. Architectonische verbijzondering Wilhelminalaan, nabij spoorwegovergang Liornestraat. 6. Hoekaccenten Abbingstraat/spoorzijde. 7. Het plangebied Eikstraat/Abbingstraat “opent zich” naar de Eikstraat en de Abbingstraat met ruime en aantrekkelijke entrees. Door een duidelijke routing wordt de locatie meer doorwaadbaar. 8. Ook het plangebied Wilhelminalaan wordt vormgegeven als een toegankelijk bouwblok.

Door openbaarheid van de binnenruimtes ontstaan aantrekkelijke doorwaadbare gebieden met voldoende verblijfskwaliteit. RAC-locatie; Johan Messchaertstraat/Eikstraat 1. Bebouwing reageert op het kerkplein aan de J.D. Pollstraat (voorkanten woningbouw). 2. De ontwikkeling van deze locatie zorgt voor een goede ruimtelijke verbinding tussen De Liornestraat/J.D. Pollstraat/J. Messchaertstraat en Eikstraat, de locatie wordt optimaal doorwaadbaar met goede verblijfsplekken. 2.3.4

Binnenterrein

De collectieve binnenterreinen dienen als beschutte plek bij te dragen aan de woonkwaliteit van de aangrenzende woningen. Het toevoegen van verblijfsgebied dient de mogelijkheid te bieden tot ontmoeten. Behoud en versterk het groene karakter van de buurt. Openbaar gebied met een veelheid aan groen en bomen. Bij de uitwerking moet aandacht gegeven worden aan wie de binnenterreinen verzorgt en onderhoudt. Inpassen van straatjes/pleinen/hofjes met interessante wandelverbindingen in aansluiting op de bestaande structuur van de buurt. 2.3.5

Verkeer en parkeren

Uitgangspunten zijn: 1. Scheiding van de entree/verkeersstromen voor de scholen en de woningen. 2. Het parkeren voor de woningen geschiedt op eigen terrein. Uitgangspunt is gebouwd parkeren, met uitzondering van het bezoekersparkeren. 3. Het (gebouwd) parkeren is op zodanige wijze ingepast dat het parkeren niet zichtbaar is vanaf de openbare weg behoudens de toegang naar de parkeervoorziening. 4. Parkeergarages komen bij voorkeur onder maaiveld. Verdiept of halfverdiept parkeren steekt maximaal 1 meter boven het maaiveld uit. 5. De op- en afritten van de parkeervoorziening dienen binnen de rooilijn opgenomen te worden. 24

6.

Bij verdiept of halfverdiept parkeren dient het dek op zodanige wijze ingericht te worden dat de kwaliteit van de ruimte bijdraagt aan de woonkwaliteit van de aangrenzende woningen.

Abbingstraat/Eikstraat/Wilhelminalaan 1. Aantal te realiseren gebouwde parkeerplaatsen afhankelijk van aantal en type woningen. 2. Relatie bezoekersparkeren en schoolplein. Optioneel kan bezoekersparkeren gecombineerd worden met een deel van een schoolplein door een creatieve inrichting op basis van dubbelgebruik van parkeerplaatsen/ speelplein. Overdag in gebruik als deel van het schoolterrein en in de avond en nacht en in het weekend, als openbaar parkeergebied. De uitstraling van schoolplein is hierbij leidend. RAC-locatie; Johan Messchaertstraat/Eikstraat 1. Aantal te realiseren gebouwde parkeerplaatsen afhankelijk van aantal en type woningen. 2. Entree parkeergarage aan de Johan Messchaertstraat. De ingang (parkeren) zo ver mogelijk bij kruising met de verkeerslichten van de Draafsingel vandaan, bij voorkeur handhaven en optimaliseren via het huidige terrein van de kerk. 3. Stalling van fietsen en scootmobielen voor de bewoners vindt inpandig plaats. Het parkeren van fietsen en scootmobielen is een belangrijk onderdeel van de architectonische opgave. 2.4 2.4.1

Welstand Welstandnota Hoorn

De bouwplannen worden getoetst door een onafhankelijke Commissie voor Monumenten en Welstand aan de criteria die zijn vastgelegd in de Welstandsnota 2020. Hierin vallen de te ontwikkelen locaties onder regulier welstandsgebied ‘Eerste stadsuitbreidingen – Hoorn-Noord/ hetVenenlaankwartier’. Er zal worden getoetst op de relatie met de omgeving, het bouwwerk op zichzelf en de detaillering, materiaal- en kleurgebruik. De welstandsnota bevat echter geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken (paragraaf 2.3. ‘Procedure bij nieuwe (her)ontwikkelingsprojecten’). Voor dit initiatief is het daarom nodig om specifieke gebiedscriteria op te stellen en deze vast te leggen in een beeldkwaliteitsplan (op te stellen door ontwikkelaar die het stedenbouwkundig plan onder supervisie van de gemeente gaat uitwerken). Het beeldkwaliteitsplan geeft concrete kaders en richtlijnen voor de uitwerking van de bebouwing en de openbare ruimte. Dit heeft als doel om de ruimtelijke kwaliteit en samenhang van het totaalplan te borgen. 2.4.2

Gevolgen Omgevingswet

Sinds 1 januari 2024 is de Omgevingswet van kracht. Hiermee veranderde de juridische wijze van vastlegging van de welstandscriteria. Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan. In het omgevingsplan kan de gemeente regels opnemen over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Voor deze ontwikkeling wordt naar verwachting echter niet gewerkt met een wijziging van het omgevingsplan, maar met een Bopa. Het stellen van voorwaarden aan welstandsaspecten zal in dat geval juridisch vorm krijgen door middel van het verbinden van voorschriften aan de Bopa door het college in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties op grond van artikel 8.0a, lid 2, Bkl. Het beeldkwaliteitsplan dient hiervoor als basis. In het beeldkwaliteitsplan moeten de regels voldoende duidelijk worden geformuleerd. De taken en bevoegdheden van de huidige welstandscommissie zijn van rechtswege vervallen nu de Omgevingswet in werking is getreden. De gemeente stelt hiervoor in de plaats een nieuwe adviescommissie in: de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (RAK). Het RAK neemt de advisering over welstand over.

25

2.5 Beeldkwaliteit De nieuwbouw dient een hoogwaardige en duurzame uitstraling te krijgen. Door de omvang van het programma vormt het een ingreep binnen de wijk. Deze invulling vraagt om bijzondere bebouwing met een kwalitatief hoogwaardige architectuur passend in de locatie. Het is gewenst dat de nieuwe bebouwing aansluit bij de karakteristieke elementen uit de bestaande tuindorpachtige buurt, gekenmerkt door karakteristieke zorgvuldige bebouwing uit diverse tijden. Juist die diversiteit geeft de wijk een bijzondere kwaliteit. 2.5.1

Architectuur

1.

De bebouwing heeft een vriendelijke uitstraling. De architectuur mag niet te opzichtig zijn, maar vindt haar kwaliteit juist in zorgvuldige detaillering en kwalitatief hoogwaardig materiaalgebruik; 2. De hoge en rijke kwaliteit van de architectuur is een voorwaarde bij de uitwerking. Daarin kan eigentijdse architectuur een goede aanvulling zijn; 3. Aansluiten op de bebouwingsritmiek van de omgeving; 4. De gebouwen vertonen architectonische samenhang, er is veel afwisseling, maar er zijn ook overeenkomsten. Verschillen worden gemaakt in textuur, kleur, materiaal en vorm, bijvoorbeeld door verspringende raampartijen en materialisatie van de gevel; 5. Rijkheid aan detaillering in metselwerk; 6. De materialisering is hoogwaardig, het hoofdmateriaal is een afwisselend palet van baksteen in aardetinten, met incidenteel lichte en antracietkleurige woningen en hout; 7. Overige materialen voor detaillering zijn natuurlijke materialen, zoals hout en glas. Witte details geven de woning een fris accent (kunststof plaatmateriaal is beperkt toegestaan); 8. De opbouw van de gevel is overwegend horizontaal, bijvoorbeeld door gootlijnen, speklagen en dakoverstekken; 9. Levendigheid en individuele herkenbaarheid van woningen ontstaat door o.a.

het herhalen van onderdelen zoals erkers, verbijzondering entrees, kapverdraaiingen die het strakke beeld doorbreken en waardoor een bepaalde mate van individualiteit en eigenheid ontstaat; 10. De woningen hebben op de begane grond de keuken of de woonkamer aan de gevel voor meer contact met de straat; 11. Geen blinde kopgevels en zichtbare bergingen vanaf het openbaar gebied, tenzij het de plint verlevendigt; 12. De plint van de bebouwing dient zorgvuldig ontworpen te worden: daar waar het gebouw een directe relatie heeft met het openbare gebied straalt de gevel levendigheid en transparantie uit; 13. Er is speciale aandacht voor het ontwerp van de entrees; 14. Geen/minimaal gebruik van galerijen; en 15. Overgang tussen privé en openbaar zorgvuldig vormgeven (groene erfafscheiding of zeer zorgvuldig vormgegeven tuinmuurtje). 2.5.2

Relatie met de omgeving

De bouwplannen maken onderdeel uit van het aanwezige stedenbouwkundig patroon. De plannen worden beoordeeld op de gevolgen voor de omgeving. Bebouwing richt zich op de belangrijkste openbare ruimte en houdt rekening met de bestaande maat en schaal en hoog laag verhoudingen. Het bouwplan sluit aan op de kleinschalige verhoudingen binnen het gebied. 2.5.3

Het bouwwerk

De bouwvolumes hebben een eenvoudige en heldere hoofdvorm. De opbouw van de gevels is consequent en goed van verhouding uitgaande van de weefselstructuur van de bestaande gevels in de omgeving. Accenten in hoogte en vormgeving hebben een stedenbouwkundige aanleiding. Hoeken zijn verbijzonderd, bijgebouwen ondergeschikt. Gebouwen met bijzondere functies mogen afwijken van gebruikelijke massa, opbouw en vorm. 26

2.5.4

Detaillering, materiaal en kleurgebruik

De materialisering, detaillering en de kleur van de bebouwing en openbare ruimte worden afgestemd op de materialen en kleurgebruik van de aangrenzende bebouwing en openbare ruimte. Er moet een aantrekkelijke afwerking gezocht worden die qua kleur en materiaal bij de omgeving past. De materialisatie houdt rekening met de gevolgen van veroudering en weertype, verwering van materiaal, werking van zonlicht op het geveloppervlak, verschil van dag- en nachtbeeld. Bij veroudering van materialen mag de kwaliteit niet achteruitgaan. 2.5.5

(Beeld-) kwaliteit openbare ruimte

Het creëren van een aantrekkelijk verblijfsgebied als meerwaarde voor de woonkwaliteit met aanleiding voor ontmoeten en veel groen is de belangrijkste voorwaarde waar de openbare ruimte aan moet voldoen. Een goede aansluiting op het aanwezige kwalitatief hoogwaardig openbaar gebied (jaren ’30 wijk, gebakken materiaal, groene uitstraling, volwassen bomen(-laan) is belangrijk. Beheersbaarheid en duurzaamheid komen duidelijk naar voren. De volgende uitgangspunten zijn van toepassing: 1. De inrichting van de woonomgeving dient afgestemd te worden op de architectuur. Het collectieve binnenterrein is kwalitatief hoogwaardig ingericht met o.a. gebakken materialen, staal en hout. 2. Veel openbaar-, én privé groen. Zorg dat groen past binnen de uitgangspunten van de groenstructuur/beleidsplannen (zover vigerend) en aansluit op bestaande groenstructuren. 3. Aanwezige waardevolle bomen, zoveel als mogelijk beschermen en behouden (conform handboek bomen van het norminstituut bomen) voor de "volgroeide" kwaliteit van het nieuwbouwgebied. Te verwijderen bomen moeten 1:1 binnen het plangebied gecompenseerd worden. Daarnaast geldt de bomennorm bij woningbouw, zie paragraaf Bomenbeleidsplan. Een bomeneffectrapportage moet opgesteld worden door ontwikkelaar en afgestemd met de gemeente. 4. Mooi en bijzonder vormgegeven dekconstructies (voortgezet maaiveld) waar bomen door steken.

Toepassen van boomvormers in plantvakken (garage), geen plantenbakken. 5. “Ogen op het schoolplein” - sociale controle, haal de jongeren uit de anonimiteit. 6. De inrichting van de openbare ruimte moet zijn afgestemd op het gebruik door mindervaliden. (CROWpublicatie 233 en 337). 7. Om te waarborgen dat de openbare ruimte de gewenste kwaliteit heeft op het moment van overdracht naar de gemeente, zijn er vanaf de initiatieffase tot en met de uitvoering toetsmomenten voor de gemeente. 2.6 2.6.1

Wonen Woningbouwprogramma

Het woonbeleid is erop gericht om per gebied of wijk een optimale mix van doelgroepen na te streven met een bijbehorend woningbouwprogramma met als doelstelling een mix van 30% goedkoop, 30% middelduur en 40% duur (in een mix van koop en huur). Deze percentages gelden op wijkniveau. In het coalitieakkoord is opgenomen dat van die 30% goedkoop minimaal de helft (dus 15% van het totaal) sociale huur moet zijn. In het Coalitieakkoord 2022 - 2026 juli 2022 Durven. Doen! Dromen staat dat de gemeente in 2023 onderzoekt of een verschuiving van woningcategorieën 30% goedkoop, 30% middelduur en 40% duurdere woningen naar bijvoorbeeld 30-40-30 meer wenselijk en haalbaar is, om zo de woningmarkt verder in balans te brengen en doorstroming te bevorderen. Uitgangspunt is om aan te sluiten bij de Woondeal waarin is afgesproken om op regioniveau ten minste 65% van de nieuwbouwwoningen in het betaalbare segment (goedkoop en middelduur) te realiseren en te streven 27

naar 30% sociale huur in de bestaande woonvoorraad. I Betaalbaar is sociale huur, middeldure huur en sociale en betaalbare koop tot € 355.000 (dit vloeit voort uit de Nationale Woon- en Bouwagenda en is voor de regio Westfriesland vastgelegd in de Woondeal 2.0 Regio Noord-Holland Noord). In de woondeal is ook oog voor het kwalitatieve aspect; er is aandacht voor het type woningen dat toegevoegd wordt. Betaalbare woningen moeten onder andere ten goede komen aan starters en kleine huishoudens. Daarnaast is er oog voor geschikte woningen voor senioren. Zo krijgt de regio doorstroming op gang en worden bestaande eengezinswoningen vrij gespeeld. In de doelgroepenverordening is de volgende verdeling qua prijsgrenzen aangegeven:

Bij de categorieën sociale huur, sociale koop laag, middeldure huur laag mogen de kosten van de parkeeroplossing die volgens de parkeernorm moet worden gerealiseerd niet bij de koper c.q. huurder in rekening worden gebracht. Dit geldt ook voor het bezoekersparkeren. De huidige verdeling in het Venenlaankwartier is: • Goedkoop 44% o Sociale huur 39% o Sociale koop 5% • Middelduur 34% • Duur 22%. Na afronding van reeds lopende ontwikkelingen komt de verdeling in het Venenlaankwartier op: • Goedkoop 40% o Sociale huur 32 % o Sociale koop 8 % • Middelduur 33 % • Duur 27 %. Gezien bovenstaande is voor een goede verdeling van de woningen in het gehele Venenlaankwartier, het uitgangspunt voor de ontwikkelingen in het Eikstraatkwartier als volgt: Prijsklasse

Categorie koop

Categorie huur

Verdeling

Sociaal Midden - sociale koop hoog - betaalbare koop

10% 30% 15% 15%

15% 10%

25% 40%

28

Duur

35%

35%

Het totaal aantal woningen is afhankelijk van de nadere uitwerking van het plan. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat deze buurt binnen het Venenlaankwartier vooral middelduur – duur is en met name koop. Het advies is om 25% goedkoop (waarvan 15% sociale huur en 10% sociale koop), 40% middelduur (waarvan 10% middeldure huur en 30% middeldure koop) en 35% dure koop te realiseren. In de woondeal is afgesproken dat 65% van de nieuwbouwwoningen betaalbaar wordt gerealiseerd. Voor de categorie goedkoop geldt dat dit percentage ook volledig (25%) uit sociale huur mag bestaan als uit de bestaande voorraad van de woningcorporatie sociale huurwoningen als sociale koopwoningen kunnen worden verkocht (dit wordt vastgelegd in een nog te sluiten convenant met de ontwikkelaars en woningcorporatie(s)). Dan kan op die manier toch het percentage goedkope koop worden behaald. Dit advies geldt voor de drie ontwikkelingen gezamenlijk. Het kan zo zijn dat de sociale huurwoningen in één van de drie gebieden terechtkomen. De meest kansrijke locatie daarvoor lijkt de Wilhelminalaan. In het geval van sociale huur is het gebruikelijk en wenselijk dat woningcorporatie Intermaris hiervoor een positie inneemt. Het uitgangspunt is dan ook dat bij dat deel van de planontwikkeling Intermaris betrokken wordt om te bepalen of zij de woningen in beheer en/of eigendom willen nemen.

Dit kan echter ook een andere, in Hoorn actieve woningcorporatie zijn. Qua woningtype wordt vooral ingezet op appartementen vooral voor de doelgroepen één- en tweepersoonshuishoudens in alle leeftijdsgroepen. Het Venenlaankwartier kent veel eengezinswoningen (87%). Toevoeging van met name appartementen en wat meer stedelijke bebouwing is passend bij de omgeving. Het is ook mogelijk bijzondere woonvormen te realiseren. Er moet specifieke aandacht zijn voor seniorenhuisvesting. Het Venenlaankwartier is een sterk vergrijzende wijk, vandaar de realisering van woningen voor één- en twee persoonshuishoudens in alle leeftijdsgroepen. Hierbij kunnen ouderen doorstromen in de eigen wijk en worden (eensgezins-)woningen vrijgemaakt voor (jongere) meerpersoonshuishoudens. Bovendien kunnen zij in dezelfde wijk blijven wonen en hun sociale netwerk behouden. Appartementen voor ouderen hebben wel een minimale grootte nodig van 60 m² gebruiksoppervlakte (GBO). Dit in verband met het ouder (kunnen) worden en eventueel zorg kunnen ontvangen in de woning. Het is van belang om ervoor te zorgen dat de woningen, maar ook het eventuele woongebouw en de woonomgeving geschikt en toegankelijk zijn voor senioren, ook als zij op latere termijn zorg dienen te ontvangen in de woning. Alles moet erop gericht zijn dat senioren langer veilig, comfortabel en zelfstandig thuis kunnen blijven wonen. 2.6.2

Zelfbewoningsplicht

De gemeente legt voor alle nieuwbouw koopwoningen een zelfbewoningsplicht op. Hiermee beoogt de gemeente dat alleen de koper of huurder de woning uitsluitend kan gebruiken om die zelf (met zijn eventuele gezinsleden) te bewonen en die woning met de daartoe behorende grond niet aan derden te zullen (onder)verhuren. 2.6.3

Wonen en zorg

In de Woondeal 2.0 Regio Noord-Holland Noord staat dat specifieke aandacht nodig is voor de ondersteuning van de woonbehoeften van ouderen. Door de vergrijzing zijn er over twintig jaar naar schatting in heel Nederland 1,6 miljoen 80+ers. Dat is twee keer zoveel als op dit moment. Er is een toenemende behoefte aan woningen die aansluiten bij de wensen van ouderen. Denk aan geclusterde woningen, bijvoorbeeld in de vorm van hofjes. In het beleidsprogramma ‘wonen en zorg’ is aangekondigd dat er nationaal behoefte is aan 250.000 29

woningen geschikt voor ouderen. Het betreft 170.000 nultredenwoningen en 80.000 geclusterde woonvormen die ook geschikt zijn voor ouderen. Regio West-Friesland kent een enorme vergrijzing. In de gemeente Hoorn wordt een woonzorgvisie opgesteld en een lokale aanpak van wonen-welzijn-zorg uitgewerkt om die vergrijzing het hoofd te bieden. Dit wordt in samenwerking met de woningcorporaties en zorg- en welzijnsorganisaties gedaan. In de gemeente Hoorn zijn zorgorganisaties op zoek naar locaties voor geclusterde woonvormen met een ontmoetingsruimte voor senioren. In het plangebied zien we concrete mogelijkheden om een woonzorgconcept als een geclusterde woonvorm met een ontmoetingsruimte te realiseren. 2.7 Maatschappelijk Binnen de ontwikkeling Eikstraatkwartier is de toevoeging van maatschappelijke functies zeer wenselijk. De basis hiervoor ligt in de Omgevingsvisie, waarbij in paragraaf 5.3 de uitgangspunten voor de bestaande stad worden beschreven: ‘Net buiten de historische binnenstad liggen de wijken die aan het begin van de vorige eeuw langs de linten en lanen gegroeid en dichter bebouwd zijn. De historische opbouw van deze gebieden geven het karakter. Het zijn op dit moment hoofdzakelijk woongebieden. Op termijn bieden we meer mogelijkheden voor functiemenging dan nu mogelijk is.

De bestaande structuur vormt het uitgangspunt voor nieuwe ontwikkelingen.’ En daar wordt in paragraaf 5.4 met intensiveringsopgaven op aangevuld: ‘In de ‘Klein Stedelijke’ gebieden voegen we ook nieuwe woningen, maatschappelijke voorzieningen en bedrijven toe. We ontwikkelen hier meer woningen, bedrijven en voorzieningen per vierkante meter dan in de omliggende woonwijken. Dit doen we wel in minder hoge dichtheid dan in de ‘Gemengd Stedelijke’ gebieden. Denk hier ook bijvoorbeeld aan een mix van kleinere woningen met tuin voor jonge gezinnen, appartementen voor jongeren en ouderen en basisscholen. Winkels en restaurants zijn niet wenselijk, zie paragraaf 1.7.4 en 2.9. Hier bieden we dus ruimte voor het mengen van functies. We zorgen ook hier dat we met nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan het vergroenen en verduurzamen van het gebied.’ Uit deze passages blijkt o.a. de wenselijkheid van maatschappelijke voorzieningen. Voor de ontwikkeling van de deellocaties Eikstraat/Abbingstraat en Johan Messchaertstraat/Eikstraat/RAC-parkeerlocatie zijn de functies scholen, kinderopvang en sport beoogd. Specifiek voor de deellocatie Wilhelminalaan zijn nieuwe maatschappelijke functies zoals huisartsen en/of tandartsen denkbaar. Dit is aanvullend op het aldaar aanwezige cluster van maatschappelijke functies. De bestemming 'Maatschappelijk’ maakt een maatschappelijke invulling reeds mogelijk.

2.8 Spelen en sport Speelplekonderzoek 2016 Hoorn-Noord en het Venenlaankwartier, gemeente Hoorn en Intermaris: https://www.hoorn.nl/laatjehoorn?highlight=speelplekonderzoek Het plan moet invulling geven aan de gemeentelijke doelstelling om meer openbare sportfaciliteiten met recreatieve netwerken te verbinden. Dit betekent dat in de openbare ruimte van het plangebied sport- en/ of beweegvoorzieningen moeten worden aangebracht in ongeorganiseerd verband voor alle leeftijden. Naastgelegen indoorfaciliteiten voor sport- en bewegen worden betrokken bij de ontwikkeling van de openbare ruimte, zodat binnen en buiten met elkaar verbonden kunnen worden. De ontwikkeling van de openbare ruimte vindt plaats in samenwerking met de gemeente (stadsbeheer en sport), zodat het doel om spel en sport te faciliteren in het gebied op een goede manier in het plan geborgd wordt en in samenhang wordt beschouwd met de kenmerken van het plangebied zoals de stedenbouwkundige 30

opzet, de doelgroepen en andere voorzieningen in het gebied, wijk en/of stad. De inbreng van de omgeving wordt daarbij meegewogen. Het is vooral van belang dat sport en spel aansluiten op de ontwikkeling van het gebied. Het aantal speelplekken en de omvang wordt bepaald op basis van de prognose van het aantal kinderen per leeftijdscategorie en de al aanwezige speelplekken. Voor de omvang van de speelplaatsen is voor deze locatie in overleg met de gemeente maatwerk mogelijk zodat spel en sport passend zijn bij de ontwikkeling. Hierbij speelt mee dat op meerdere plekken in de buurt schoolpleinen liggen, zijn. Gezien het integrale karakter van de scholen als kindcentrum moeten ze ook beschikbaar blijven voor hun eigen activiteiten. Scholen dienen te beschikken over een minimale oppervlakte aan speelplein op grond van de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Hoorn 2019 (LINK). Daar bovenop komt de speelruimte die is bedoeld voor kinderopvang. De ruimtebehoefte om te spelen tijdens schooltijd is echter groter. Bij de planuitwerking door de schoolbesturen dient rekening te worden gehouden met die extra ruimtebehoefte en dient de oppervlakte van schoolpleinen en openbare speelplekken in balans te worden gebracht tussen school en buurt.

Concreet betekent dit dat de door ontwikkelaar te realiseren speelruimte binnen de deelgebieden van de woningen het resultaat is van de totale ruimtebehoefte van scholen, kinderopvang en openbare speelplekken minus de speelruimte bij de door de schoolbesturen te realiseren speelpleinen. 2.9 2.9.1

Economie Detailhandel

Op deze locatie worden geen detailhandelsfuncties beoogd. Het onderwerp kan buiten beschouwing blijven. 2.9.2

Horeca

Op deze locatie worden geen horecafuncties beoogd. Het onderwerp kan buiten beschouwing blijven. 2.9.3

Bedrijven en kantoren, overige commerciële functies

Op deze locatie zijn bedrijvenfuncties, kantorenfuncties of overige commerciële functies wenselijk en in bepaalde gevallen in de plint denkbaar, indien de aard van de functie haalbaar is, ruimtelijk inpasbaar is en voldoet aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het beleid van de gemeente Hoorn is om binnen woongebouwen geen bedrijfsmatige activiteiten toe te staan. Zie ook paragraaf Maatschappelijk. 2.10 2.10.1

Verkeer en parkeren Ontsluiting

Voor wat betreft de verkeersontsluiting van het plangebied gelden de uitgangspunten uit de Mobiliteitsvisie. De ontwikkelaar dient een mobiliteitsplan (verkeerskundig onderzoek) op te stellen voor de ontwikkeling van de woningen. Het mobiliteitsplan moet geïntegreerd worden in de openbare ruimte of, indien de oplossingen daar aanleiding toe geven, in de ruimte van de te ontwikkelen locaties. Het mobiliteitsplan bevat minimaal: 1. Een beschrijving van de ontwikkelingen en welke gevolgen dat heeft voor het aantal vervoersbewegingen per modaliteit; 2. Hoe het parkeren per modaliteit op eigen terreinen wordt geregeld; 3. Wat de gevolgen (o.a. in aantallen per etmaal) voor de verkeersafwikkeling in de buurt en aansluitende wegen zijn; 4. Hoe de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling worden geborgd: indien er verkeersonveiligere situaties ontstaan dient aangeven te worden welke oplossingen worden geboden en kan de verkeersstructuur van 31

5.

6.

7.

de wijk en aansluitende wegen dat aan? Dit is met name van belang vanwege de wijziging van de hele verkeers- en parkeersituatie in de omgeving door vertrek van drie IKEC's (met leerlingenvervoer door middel van busjes) en de intensivering vanwege de clustering van de scholen waardoor de Mariaschool naar 480 leerlingen groeit en de Montessorischool naar 325 leerlingen; De huidige verkeersafwikkeling mag niet verslechteren en moet bij voorkeur zelfs verbeteren door de ontwikkelingen in de wijk. In de huidige situatie blokkeren auto's en busjes (gerelateerd aan de scholen) regelmatig de rijbaan of uitritten van bewoners op bepaalde schooltijden. Door intensivering van twee scholen zal dat daar tot een toename van verkeersonveiligheid leiden waarvoor een oplossing/mobiliteitsplan moet komen. Afwikkeling van schoolgerelateerde verkeersstromen (gemotoriseerd verkeer) via de RAC-parkeerlocatie is uitgangspunt en moet een oplossingsrichting zijn in het op te stellen en uit te voeren mobiliteitsplan. De ontsluiting van de RAC-parkeerlocatie vraagt om een optimalisatie qua veilige toegankelijkheid en vrije doorstroming. PKN De Octaaf heeft de intentie uitgesproken hieraan mee te werken en dit gezamenlijk uit te werken, mits haar belangen ook geborgd zijn. Aandacht voor de verkeersveiligheid nabij de ingang van de school/schoolplein.

2.10.2

Parkeren

2.10.2.1 Parkeernormennota Hoorn VASTSTELLEN PARKEERNORMENNOTA HOON | LOKALE WET- EN REGELGEVING (OVERHEID.NL) Op 28 juni 2018 heeft de gemeenteraad de parkeernormennota Hoorn vastgesteld. Deze is per 1 juli 2018 in werking getreden. Deze nota is onderdeel geworden van het paraplubestemmingsplan ‘Parkeren & laden en lossen’, die per 18 november 2018 onherroepelijk geworden is. Met dit bestemmingsplan wordt geregeld welke parkeernorm en/of normen van toepassing zijn bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zoals op deze locatie binnen het Venenlaankwartier. Het parkeerbeleid gaat uit van het realiseren van parkeerplaatsen op eigen terrein. De loopafstanden van de parkeerplaats tot de bestemmingen moeten acceptabel zijn en vallen binnen de afstanden zoals genoemd in de Parkeernormennota Hoorn. Het plangebied maakt deel uit van het gebied dat wordt aangeduid als de schil.

32

Afbeelding: impressie van de drie verschillende gebieden uit het Parkeernormennota Hoorn.

2.10.2.2 Auto’s In de Parkeernormennota Hoorn is per functie in tabellen weergegeven welke parkeernorm wordt gehanteerd. Er wordt uitgegaan van een parkeerdruk van 50-84%. Voor het plangebied wordt derhalve uitgegaan van kolom ML. Deze kolom is van toepassing op alle functies in het plangebied en kan worden geraadpleegd in de Parkeernormennota Hoorn. Het aandeel bezoekers parkeren verlagen we van 0,3 naar 0,15 pp per woning. In de parkeernormen wordt onderscheid gemaakt tussen het aandeel bezoekers en het aandeel nietbezoekers. Het parkeren voor bewoners en bezoekers moet plaatsvinden op eigen terrein. Doordat door de planontwikkelingen de parkeerdruk in het parkeervergunning gebied wijzigt, ontstaan mogelijk kansen om een deel van de openbare parkeerruimte in te zetten om een deel van de nieuwe parkeervraag (bezoekersparkeren) op te vangen. Het aantal is afhankelijk van de parkeerdruk/ ruimte in het vergunning gebied. Hiernaast kan het een optie zijn om openbare parkeerplaatsen aan het vergunning gebied toe te voegen voor het aandeel bezoekersparkeren. Het bezoekersaandeel van de planontwikkeling kan dan daar opgevangen worden en wordt onderdeel van het openbare parkeergebied. De Parkeernormennota Hoorn geeft een omschrijving over de afwijkingsmogelijkheden.

Hierbij moet rekening gehouden worden met de piekmomenten in de parkeerdruk en de geldende parkeerregels in de vergunninghoudersgebieden HoornNoord en het Venenlaankwartier. Bij de bepaling van de parkeervraag kan onder voorwaarden (o.a. wanneer sprake is van verschillende functies en parkeerplaatsen voor iedereen beschikbaar zijn) rekening worden gehouden met dubbelgebruik. Dit houdt in dat een parkeerplek op verschillende momenten op de dag door verschillende functies gebruikt kan worden. In de Parkeernormennota Hoorn staan de mogelijkheden beschreven om dubbelgebruik toe te passen. Aan de hand van een concreet uitgewerkt plan kan door de gemeente worden beoordeeld in hoeverre dit kan worden toegepast bij dit initiatief. Bij de Parkeernormennota is een bijlage opgenomen waarin de maatvoering van parkeerplaatsen is uitgewerkt. Uitgangspunt is de standaard maatvoering uit het ASVV of NEN2443 voor parkeren op eigen terrein. Bijzondere parkeerplaatsen of parkeerplaatsen tegen/langs obstakels/muren/hagen dienen tot 50 cm breder en/of langer uitgevoerd te worden. Uitgangspunt is het compenseren van de 87 openbare betaalde parkeerplaatsen die er nu op de RACparkeerlocatie liggen. Deze parkeerlocatie is een belangrijke locatie voor ondernemers, omwonenden en aangrenzende functies (zoals de scholen). Ook dient het als overloopterrein voor ’t Jeudje.

Optimalisatie van de parkeercapaciteit kan mogelijk zijn door te monitoren en evalueren of het aantal past binnen de behoefte van betaalde parkeerders (onder andere voor bezoekers van de binnenstad) en vergunninghouders (bijvoorbeeld werknemersvergunningen van de omliggende scholen). Door de afname van schoollocaties is de kans aanwezig dat minder werknemersvergunningen voor de RAC-parkeerlocatie uitgegeven worden. Hierdoor kan terughoudender omgegaan worden met het verstrekken van vergunningen en is de parkeerbehoefte van de toekomstige RAC-parkeerlocatie mogelijk lager. Bij de uitwerking van de plannen moet duidelijk worden wat de daadwerkelijke parkeerbehoefte van de RAC-parkeerlocatie wordt. Fietsen FIETSPARKEERKENCIJFERS 2019 - FIETSBERAAD Voor fietsparkeren kunnen de CROW fietsparkeerkerncijfers als richtinggevend worden beschouwd. Het Bouwbesluit 2012 stelt in artikel 4.31 lid 1, voor woningen een individuele fietsenberging verplicht van 5m². Een gelijkwaardige oplossing is echter ook mogelijk. Bij voorkeur wordt in dit plangebied gekozen voor een oplossing die als gelijkwaardig kan worden beschouwd ten opzichte van de individuele fietsenberging, door 33

gebruik te maken van een gemeenschappelijke fietsenberging conform de Amsterdamse bouwbrief nummer 2015-130 maart 2015. In de Amsterdamse bouwbrief wordt toegelicht hoe een gemeenschappelijke fietsenberging in combinatie met een inpandige berging in de woning zodanig kan worden ingericht dat dit als gelijkwaardig aan een individuele fietsenberging conform het Bouwbesluit 2012 wordt beschouwd door de gemeente Amsterdam. Deze uitgangspunten worden ook voor dit plangebied gehanteerd. Een aantal aspecten is hierbij van belang: het aantal fietsplekken per woning, de eisen aan de inpandige berging in de woning, de bereikbaarheid en het beheer van de gemeenschappelijke fietsenberging. Als aan de eisen in de voornoemde bouwbrief wordt voldaan wordt het plan op grond van artikel 1.3 van het Bouwbesluit 2012 door de gemeente Hoorn als gelijkwaardig beschouwd. Voor bezoekers moet er op eigen terrein voldoende fietsparkeerplaatsen worden gecreëerd in de nabijheid van de entrees van de woningen. 2.11 Erfgoed In de toelichting van een ruimtelijk besluit moet een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor moeten cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk worden meegewogen bij het vaststellen van het ruimtelijke besluit.

Er moet een inventarisatie worden gemaakt van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moet worden aangeven welke conclusies daaraan worden verbonden en op welke wijze deze waarden worden geborgd in het ruimtelijk besluit. De Erfgoedwet (voorheen Monumentenwet) vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet regelt het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Echter, onderdelen van de Erfgoedwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zijn overgeheveld naar de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Het betreft dan: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; en • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. De scholen aan de Johan Messchaertstraat en aan de Eikstraat zijn gemeentelijk monument. 2.11.1

Archeologie

De gronden van de drie locaties hebben deels de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 2 en deels de dubbelbestemming Waarde-Archeologie 5. Bij Waarde-Archeologie 2 is er onderzoek nodig wanneer een bouwwerk een oppervlakte heeft van 100 m2 of meer en werkzaamheden die over een oppervlakte van 100 m 2 of meer tevens dieper dan 0,30 m de bodem in gaan. De locaties bedragen meer dan 100 m2.

34

Bij Waarde-Archeologie 5 is er onderzoek nodig wanneer een bouwwerk een oppervlakte heeft van 10.000 m2 of meer en werkzaamheden die over een oppervlakte van 10.000 m2 of meer tevens dieper dan 0,40 m de bodem in gaan. 2.11.1.1 Locatie Abbingstraat/Eikstraat Vanuit het gemeentelijk beleid wordt geadviseerd om archeologie-vriendelijk te bouwen, dat wil zeggen de bodem niet te verstoren. Een archeologie-vriendelijk bouwplan kan worden getoetst door Archeologie WestFriesland en dient te worden goedgekeurd door de gemeente. Indien de geplande ingrepen benodigd voor de nieuwbouw een oppervlakte groter dan 100m2 bestrijken en niet archeologie-vriendelijk worden uitgevoerd, is binnen het noordelijk deel van het plangebied op basis van de hoge archeologische waarde een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven. Als leidraad voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat vervolgens aan het bevoegd gezag ter goedkeuring wordt voorgelegd. De kosten van een dergelijk onderzoek zijn, conform de Erfgoedwet (hoofdstuk 9 § 1), voor rekening van de initiatiefnemer/ontwikkelaar. De sloop van de opstallen dient onder archeologisch regime plaats te vinden.

Verder in het voorbereidingsproces zal worden gevraagd archeologie in het sloopbestek op te nemen en zo zuinig mogelijk te slopen. Binnen het zuidelijk deel van het plangebied is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen hier vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Voor meer informatie, kaartmateriaal en details wordt verwezen naar de archeologische quickscan van 05-072023 die is opgenomen in de bijlage 3. 2.11.1.2 Locatie RAC - Johan Messchaertstraat/Eikstraat Vanuit het gemeentelijk beleid wordt geadviseerd om archeologie-vriendelijk te bouwen, dat wil zeggen de bodem niet te verstoren. Een archeologie-vriendelijk bouwplan kan worden getoetst door Archeologie WestFriesland en dient te worden goedgekeurd door de gemeente. Indien de geplande ingrepen benodigd voor de nieuwbouw groter zijn dan 100 m2 en nietarcheologievriendelijk worden uitgevoerd, is binnen het centrale deel van het plangebied (oranje gearceerd in afb. 4) op basis van de hoge archeologische waarde een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZcyclus vereist. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven.

Als leidraad voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat vervolgens aan het bevoegd gezag ter goedkeuring wordt voorgelegd. Op basis van de archeologische resultaten van het proefsleuvenonderzoek kan worden bepaald of het noodzakelijk is om ook de rest van de nieuwbouwcontour archeologisch te onderzoeken. Indien dit het geval is, kan direct worden doorgestart naar een archeologische opgraving. Nadat het archeologisch onderzoek is voltooid, kan het plangebied worden vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie. De kosten van een dergelijk onderzoek zijn, conform de Erfgoedwet (hoofdstuk 9 § 1), voor rekening van de initiatiefnemer/ontwikkelaar. 35

Binnen het noordelijk en zuidelijk deel van het plangebied is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen hier vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Voor meer informatie, kaartmateriaal en details wordt verwezen naar de archeologische quickscan van 05-072023 die is opgenomen in de bijlagen 2. 2.11.1.3 Locatie Wilhelminalaan Op basis van een archeologisch bureauonderzoek dat is uitgevoerd, is vast komen te staan dat de hoge archeologische waarde voor vindplaatsen uit Nieuwe Tijd binnen het plangebied naar beneden kan worden bijgesteld. De aanwezige bebouwing zal eventuele resten uit de prehistorie binnen het plangebied al hebben aangetast. Het gebied is vrijgegegeven van archeollogosich nader onderzooek. Voor meer informatie, kaartmateriaal en details wordt verwezen naar de archeologische quickscan van 27-062023 die is opgenomen in de bijlagen 4. 2.11.2

Cultuurhistorie

2.11.2.1 Locatie Abbingstraat/Eikstraat De Mariaschool is (gedeeltelijk) gemeentelijk monument. De Eikstraat heeft cultuurhistorische waarden vanwege klinkerbestrating met bomenrijen en een ruime stoepenzone en terugliggende rooilijnen met groene voortuinen aan weerszijden van de straat. De bebouwing heeft samenhangende tijdsgebonden architectuur. De hoogte van de woningen is maximaal twee lagen met kappen met hellende daken. Dit samenhangend beeld van de straat moet in stand worden gehouden. De school met het schoolplein is hierbij een belangrijk beeldbepalend element in de straat. Nieuwbouw moet los van het gemeentelijk monument worden gepositioneerd met voldoende afstand om het oorspronkelijke bouwvolume in haar context te behouden. We gaan ervan uit dat het gebied achter de school (tot aan het spoor) wordt betrokken bij de herontwikkeling. Hierbij kan een opbouw van laag aan de Eikstraat (maximaal twee lagen met kap) naar hoger op het achtergelegen terrein worden gepositioneerd. Aan de spoorzijde kunnen meer lagen komen. Het water langs het spoor heeft cultuurhistorische waarden dus moet worden gehandhaafd.

Afbeelding: Cultuurhistorische elementen

36

Afbeelding: Cultuurhistorische elementen

2.11.2.2 Locatie RAC - Johan Messchaertstraat/Eikstraat De RAC-locatie loopt van de Johan Messchaertstraat helemaal door naar de Eikstraat. Het schoolgebouw aan de Johan Messchaertstraat 1 is gemeentelijk monument. Het pand staat op een prominente plek naast het eveneens monumentale voormalige schoolgebouw Draafsingel 37. Johan Messchaertstraat 3 heeft geen monumentale status maar sluit in architectuur, dimensies en rooilijn aan op genoemde monumentale panden. Aan de overzijde van de straat ligt de Rijks HBS met een groen voorterrein, dit is een rijksmonument. Het verloop van de Johan Messchaertstraat en de aansluitende J.D. Pollstraat wordt bepaald door genoemde schoolgebouwen. De bebouwing aan de Eikstraat heeft geen monumentale status maar sluit in vormgeving aan op de vrijstaande woningen aan de Eikstraat. Erfgoed kan zich voorstellen dat het gebied van Het Octaaf wordt betrokken bij de herontwikkeling om zo te komen tot een totaalontwerp. De nieuwbouw aan de zijde van de Eikstraat moet georiënteerd worden op de Eikstraat. Dit moet naar aard en schaal van de andere woningen aan de Eikstraat, dus grondgebonden woningen en groene voortuinen. De Eikstraat heeft cultuurhistorische waarden vanwege klinkerbestrating met bomenrijen en een ruime stoepenzone en terugliggende rooilijnen met groene voortuinen aan weerszijden van de straat.

De hoogte van de woningen is maximaal twee lagen met kappen met hellende daken. Dit beeld van de straat moet in stand worden gelaten.

37

Afbeelding: Cultuurhistorische elementen

Afbeelding: Cultuurhistorische elementen

2.11.2.3 Locatie Wilhelminalaan De locatie aan de Wilhelminalaan is niet beschermd. Echter Erfgoed stelt voor hier het gevoel van kleinschaligheid te behouden. De voorkant van het gebouw zou gesitueerd moeten blijven aan de Wilhelminalaan maar ook een begrenzing krijgen aan de J.D. Pollstraat door middel van een brede groenstrook. Daarnaast moet de fietsverbinding met de Emmalaan in stand worden gelaten. Het water aan het spoor heeft cultuurhistorische waarden dus moet worden gehandhaafd.

38

Afbeelding: Cultuurhistorische elementen

Afbeelding: Cultuurhistorische elementen

2.12 Toerisme Binnen het plangebied zijn geen functies beoogd die gerelateerd zijn aan toerisme. Het onderwerp toerisme kan buiten beschouwing blijven. Een Airbnb en Bed & Breakfast zijn niet toegestaan in een woongebouw. 2.13 Sociale veiligheid Het bouwplan en de aangrenzende gebieden moeten getoetst worden op donkere hoeken en plaatsen waar samenscholing kan plaatsvinden en waar dit ongewenst is. Vooraf moeten maatregelen om sociale veiligheid te bevorderen worden besproken met de gemeente Hoorn. 2.14 Gezondheid Onder de Omgevingswet speelt het aspect ‘gezondheid’ mee in de afweging van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het thema ‘gezondheid’ omvat de aspecten, die de fysieke gezondheid van mensen in het gebied bepaalt en/of bevordert. Het gaat daarbij om concentraties luchtverontreinigende stoffen en de hoogte van geluid door wegverkeer maar ook over de mogelijkheden en maatregelen die bewoners en gebruikers in het gebied bevorderen (zelf) te bewegen en de kwaliteit van groen en openbare ruimte in het gebied. Gezondheid wordt breder beschouwd dan alleen focus op luchtkwaliteit- en geluidseffecten beneden 39

de normen, maar ook op ruimte voor bewegen en andere aspecten. De ontwikkelaar dient rekening te houden met het aspect gezondheid bij het ontwikkelen van het bouwplan en dient te motiveren welke gezondheidseffecten er zijn te verwachten voor de nieuwe bewoners en de omgeving.

3

Technische uitgangspunten

3.1 Kabels en leidingen, nutsruimten Voor de aanleg van kabels, leidingen en andere nutsvoorzieningen moet de ontwikkelaar in overleg treden met de nutsbedrijven en de gemeente, afdeling beheer en realisatie. De volledige coördinatie met de nutsbedrijven ligt bij de ontwikkelaar. Schakelkasten, trafohuisjes, CAI-kasten, brandkranen en dergelijke moeten binnen de plangrenzen opgenomen worden. Trafokasten moeten inpandig aangebracht worden; een PvE inpandige MSR is als voorbeeld beschikbaar. De kosten van het verleggen van kabels en leidingen zijn voor rekening van de ontwikkelaar. Dit geldt zowel binnen de plangrenzen als ook in de openbare ruimte. Voor de ontwikkeling is de Algemene Verordening Ondergrondse Infra van toepassing (AVOI). Voor alle eisen voor kabels en leidingen is het uitgangspunt het “handboek kabels en leidingen Hoorn”. Hierbij rekening houdend met eventueel geplande werkzaamheden in het projectgebied voorafgaand op ontwikkeling, en werkzaamheden in de omgeving. Bij het ontwerpen, realiseren en beheren van de kabels en leidingen dient de LIOR gevolgd te worden. Dit uitgangspunt geldt voor gronden die terug geleverd worden aan de gemeente of grond waarin de gemeente de werkzaamheden uitvoert. Bij het ontwerpen, realiseren en beheren van de kabels en leidingen dient de LIOR gevolgd te worden. Hieronder is een KLIC-melding opgenomen van de situatie in Q4 2023.

3.2 Riolering Voor het rioolbeheer is het van belang dat de was-wordt situatie in een vroeg stadium in beeld wordt gebracht over het aanbod van stedelijk afvalwater. Nieuwbouw wordt altijd gescheiden aangeboden ongeacht of het 40

gemeentelijke stelsel al is gescheiden. De debieten die het rioolstelsel moet gaan afvoeren voor een bouwplan, moeten worden aangeboden aan de gemeente. Dit vanwege de capaciteit van het bestaande bemalingsgebied van het riool. Voor elk bouwplan moet daarom met een rioolberekening worden aangegeven hoeveel er wordt geloosd, voor inzicht in het totaal debiet. Breng dus in beeld wat de wijzigingen zijn in lozingen van het totale wateraanbod van afvalwater, hemelwater en grondwater op het riool. Hierbij rekening houdend met eventueel geplande werkzaamheden in het projectgebied voorafgaand op ontwikkeling, en werkzaamheden in de omgeving. Bij het ontwerpen, realiseren en beheren van de riolering dienen de LIOR en de Leidraad Riolering van de Stichting Rioned gevolgd te worden. 3.3 Eigendomssituatie Al het openbaar gebied in het plangebied wordt in eigendom én beheer overgedragen aan de gemeente. Gebouwde en verdiepte parkeergarages worden echter in principe niet opgenomen in gemeentelijk eigendom en beheer. Het beheer van een gebouwde verdiepte parkeergarage moet daarom opgenomen worden in bijvoorbeeld een VVE. Het terrein boven op een verdiepte parkeergarage (bijvoorbeeld ingericht als park of speelplein) wordt ook niet in gemeentelijk beheer opgenomen. De gemeente maakt afspraken met de ontwikkelaar over het gebruik en de uitstraling van de ruimte boven op dek.

Voor de RAC-locatie onderzoekt de gemeente samen met de ontwikkelaar welke constructie mogelijk is.

3.4 Wateropgave/groen Op grond van de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gelden er regels voor een eventuele toename van verhard oppervlak. Verhard oppervlak bestaat bijvoorbeeld uit gebouwen, terreinverharding en wegen. Door de aanleg van verhard oppervlak wordt neerslag versneld afgevoerd naar het water, waardoor het risico op wateroverlast toeneemt. Om dit effect te compenseren geldt op grond van de waterschapsverordening dat extra waterberging nodig is in de vorm van extra wateroppervlak met een omvang van 10% van het nieuwe aangebrachte verharde oppervlak. Indien het nieuw aangebrachte verharde oppervlak kleiner is dan 800 m² is de toename van het risico op wateroverlast gering. In die situatie hoeft geen compensatie plaats te vinden. In het kader van de ruimtelijke procedure moet een watertoets plaatsvinden die wordt afgestemd met de waterbeheerder. Indien er sprake is van watercompensatie, komt dit voor rekening van ontwikkelaar. Bij het ontwerpen, realiseren en beheren van groen en water dient de LIOR gevolgd te worden. Het plangebied kent in de huidige situatie al een hoge mate van verharding en krijgt een stedelijke invulling. Uitgangspunt is dat de nieuwe situatie klimaat adaptief is ingericht, zowel bij hitte als bij wateroverlast. 3.5 Afvalinzameling Voor de huisafvalinzameling wordt verwezen naar de LIOR.

Het doel is dat iedere inwoner zijn huisvuil op zijn eigen terrein opslaat en niet in de openbare ruimte. Bij hoogbouw en bovenwoningen wordt restafval ondergronds ingezameld. Hoogbouw en bovenbouw hebben ook PBD-zakken die een plek moeten krijgen. Het is niet toegestaan om op het openbaar terrein of op straat buiten het plangebied containers op te stellen. Bij het gedeeltelijk opleveren van woningen moeten afspraken gemaakt worden over tussentijdse afvalafhandeling. Wanneer locaties door bouwwerkzaamheden nog niet door de gemeentelijke afvaldienst te bereiken zijn zullen de bewoners die al wel gebruik maken van de woningen daar over ingelicht moeten worden. Ook moet er een tijdelijke oplossing komen voor het verwerken van afval. 3.6 Nood- en hulpdiensten Het plangebied is bereikbaar vanaf de J. Poststraat en de Draafsingel. De Veiligheidsregio dient in een vroegtijdig stadium te worden betrokken bij het initiatief. Het initiatief moet echter nog concreet worden uitgewerkt. De nood- en hulpdiensten moeten om advies worden gevraagd over de bereikbaarheid van de 41

woningen en voorzieningen. Zeker wanneer gedacht wordt om de verkeerscirculatie in de wijk aan te passen ten gunste van de planontwikkelingen. Via team Mobiliteit kunnen de (schets) plannen van de ontwikkelingen worden aangemeld voor behandeling in de Adviesgroep Verkeer van de gemeente Hoorn. Hierin zitten vertegenwoordigers van o.a. de politie, brandweer en ambulance. 3.7 Lokaal warmte-initiatief Binnen het plangebied zijn bewoners een warmte-initiatief gestart. Het warmte-initiatief heeft als doel om bestaande woningen aan te sluiten op de warmtevoorziening van de nieuwe ontwikkeling. Er is door het warmte-initiatief een juridische entiteit in oprichting. Het warmte-initiatief wil in samenwerking met de gemeente en ontwikkelaars (van de scholen en woningen) de warmtevoorziening voor de buurt aardgasvrij realiseren. De gemeente ondersteunt dit initiatief en ziet maatschappelijk voordeel in het samen optrekken. De ontwikkelaar laat in samenwerking met het warmte-initiatief en de scholen onafhankelijk onderzoek uitvoeren via bijvoorbeeld een variantenstudie naar een warmteoplossing waarop de gebouweigenaren in de buurt kunnen aansluiten. Daarbij specificeert de ontwikkelaar onder welke voorwaarden een aanbieding gedaan kan worden aan bestaande eigenaren voor een warmtenetaansluiting. De berekening voldoet aan de warmtewet en het NMDA principe.

Voor de berekening kan worden uitgegaan van twee scenario’s: alle woningen in de buurt: Venelaankwartier - Buurt 11 03 en 70% van de woningen in de buurt: Venelaankwartier Buurt 11 03, uitgaande van willekeurige spreiding. Uit het onderzoek volgt de keuze voor welke warmteoplossing maatschappelijk het meest aantrekkelijk is om de buurt en de nieuwbouw van warmte te voorzien zonder aardgasgebruik. Uitgangspunten: 1. Gehele buurt "van het aardgas af". De 3 bouwlocaties (waaronder 2 scholen) en de bestaande buurt in 2 onderstaande scenario's; a. 100% van de woningen in de buurt: Venelaankwartier - Buurt 11 03 b. 70% van de woningen in de buurt: Venelaankwartier - Buurt 11 03, uitgaande van willekeurige spreiding 2. Bij de dimensionering van de bron wordt rekening gehouden met 100% aansluiting van de woningen in de buurt: Venelaankwartier - Buurt 11 03. Woningeigenaren hebben de mogelijkheid om op een later tijdstip aan te sluiten. 3. Comfortabele warmte voorziening; 4. Bovenstaande tegen laagste maatschappelijke kosten (gehele systeem, inclusief bron t/m in huis warmteafgifte systemen); 5. Per scenario uitgaande van de volgende opties: a. Demarcatie bij bron; Ontwikkelaar voorziet levering bron (temperatuur) aan de energiecoöperatie waarbij zij zelf het opwaarderen en de distributie verzorgen; b. Integraal warmtebedrijf v.w.b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=9d91fd82-9c7a-4702-92a3-1a22bc9c2aae