CConstaterende datHoogeveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels ontwerp BP Sloodstraat.pdf

Raadsavond 8 juni 2023, gemeente HoogeveenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Zuid, deelplan Sloodstraat25.124 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 31

7 maart 2023

Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

4.7.2

Procedure

In het gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden: 1. 2. 3.

de initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. de initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

Wanneer ingevolge de Wet natuurbescherming voor een (bestemmings)plan een passende beoordeling moet worden gemaakt, moet op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook een milieueffectrapport worden opgesteld.

4.7.3

Aanmeldnotitie

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen is een Aanmeldnotitie Besluit m.e.r. opgesteld. In de Aanmeldnotitie zijn de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu beschreven, waarbij is ingegaan op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten. Op basis hiervan is in de Aanmeldnotitie geconcludeerd dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Om die reden wordt volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De Aanmeldnotitie is als Bijlage 3 opgenomen in de bijlagen bij toelichting.

4.7.4

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). Beoordeling De concrete omstandigheden in dit geval betreft het slopen van vijf woning en de bouw van zeven eengezinswoningen. Het plangebied is onderdeel van het bestaand stedelijk gebied van Hoogeveen. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 900 m² en blijft hiermee onder de drempelwaarde van 100 hectare. De voorgenomen ontwikkeling maakt zeven eengezinswoningen mogelijk en blijft daarmee onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in bedrijfsmatige activiteiten wordt de drempelwaarde voor bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² niet overschreden. Het project is kleinschalig van karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en de locatie ligt niet in of bij beschermde natuurgebieden. Ten aanzien van de relevante milieu- en omgevingsaspecten is er als gevolg van het project geen sprake van nadelige effecten op Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 32

7 maart 2023

de leefomgeving. Om deze redenen kan worden volstaan met deze vormvrije m.e.r.-beoordeling. Conclusie Het Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven. Tabel Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof stikstofdioxide (NO2 ) fijn stof (PM1 0) fijn stof (PM2,5)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die i s vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m 2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m 2 bij twee ontsluitingswegen.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIMB kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Met grenswaarden voor beide stoffen van 40 µg/m³ komt dit neer op een bijdrage van 1,2 µg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 33

7 maart 2023

weerzijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. Regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007 In deze regeling staat staan criteria en eisen vastgelegd waaraan de berekeningen en de rekenmodellen moeten voldoen. Hieronder een overzicht van de rekenmodellen: • CARII: berekening van emissies voor binnenstedelijk verkeer; • NIBM-tool: eenvoudige berekening van emissies van verkeer volgens worst case benadering; • ISL2: berekening van emissies voor buitenstedelijk verkeer; • ISL3a: berekening van emissies van industrie (onder meer veehouderijen).

4.8.2

Onderzoek en conclusie

De voornomen ontwikkeling bestaat uit de bouw van 7 woningen met meerdere ontsluitingswegen. Deze ontwikkeling valt onder de Regeling NIBM. Een nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.9

Externe veiligheid

4.9.1

Normstelling

Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied.

4.9.2

Onderzoek en conclusie

Inventarisatie risicobronnen Voor de inventarisatie van de aanwezige risicobronnen met de daarbij behorende veiligheidszones is de risicokaart (www.risicokaart.nl) geraadpleegd.

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 34

7 maart 2023

Inrichtingen Op circa 250 meter ten noordwesten van het plangebied is het bedrijventerrein van DOC Kaas BA gevestigd. Op dit terrein is een ammoniakinstallatie aanwezig. Voor deze installatie geldt op grond van het REVI geen PR-6 - contour. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied liggen geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Transportroutes In de omgeving van het plangebied liggen geen transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg of het water. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.10

Verkeer en parkeren

Verkeer De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de sloop van vijf seniorenwoningen en de realisatie van zeven nieuwe eengezinswoningen. Als gevolg van deze ontwikkelingen is er sprake van een beperkte toename van het verkeer. Deze toename leidt echter niet tot problemen op de omliggende wegen. Aanpassing van deze wegen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is dan ook niet noodzakelijk. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Parkeren Volgens de Parkeernota Hoogeveen geldt voor de ontwikkeling van woningen in de wijken, dorpen en bedrijventerreinen van de gemeente Hoogeveen een parkeernorm van 1,8 per wooneenheid. Het parkeermodel in de wijken en dorpen gaat uit van parkeren op eigen terrein met in tweede instantie aanvullende parkeergelegenheid in het openbare gebied binnen het bestaande wegprofiel of op daartoe aangelegde parkeervakken. In beginsel zijn restricties voor het parkeren gebaseerd op de wegen- en verkeerswet en neemt de gemeente alleen restrictieve maatregelen wanneer de verkeersveiligheid of de leefbaarheid in het geding zijn. Op basis van de voorgenomen ontwikkeling van zeven woningen dien 13 parkeerplaatsen (7 x 1,8 = 12,6 parkeerplaatsen) aanwezig te zijn. Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 35

7 maart 2023

In overleg tussen Woonconcept en de gemeente Hoogeveen is een inrichtingsplan opgesteld. In dit plan is voorzien in zes parkeerplaatsen parallel aan de Sloodstraat en zeven parkeerplaatsen haaks op Meerstalstraat. Met de realisatie van 13 parkeerplaatsen wordt voorzien in de parkeerbehoefte van de voorgenomen ontwikkeling.

Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 36

7 maart 2023

Hoofdstuk 5 5.1

Toelichting op de regels

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Het bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. De toelichting vormt de verantwoording voor de gemaakte keuzen voor de inrichting van het plangebied en de toekenning van de bestemmingen. Met het bestemmingsplan 'Korhoenlaan - Hoogeveen' wordt de huidige bestemming gewijzigd, zodat de bouw van vier grondgebonden woningen met de daarbijbehorende tuinen en erven mogelijk worden gemaakt . Dit bestemmingsplan is mede gebaseerd op het bestemmingsplan 'Wolfsbos 2006' en opgesteld aan de hand van de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen SVBP2012, zoals vastgelegd in de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012.

De regels zijn voor zover nodig op hun beurt weer aangepast aan specifieke situaties in het plangebied. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1 Inleidende regels; Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3 Algemene regels; Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

5.2

Opzet regels

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

5.2.1

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: artikel 1 Begrippen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 2 Wijze van meten: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 37

7 maart 2023

5.2.2

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de verbeelding is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in onder meer: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, bedrijvigheid etc.); Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.); Gebruiksregels: welke vormen van gebruik zijn toegestaan en welke niet; Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels.

In paragraaf 5.3 worden de verschillende bestemmingen nader toegelicht.

5.2.3

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: artikel 6 Anti-dubbeltelregel: deze regel i s opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te kunnen voorkomen. Dit kan zich met name voordoen, indien een deel van een bouwperceel, dat reeds bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage was betrokken, wederom - nu ten behoeve van de berekening van het maximale bebouwingspercentage van een ander bouwperceel - wordt betrokken; artikel 7 Algemene gebruiksregels: in de algemene gebruiksregels i s aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. Tevens i s in dit artikel een regeling opgenomen ten aanzien van het gebruik van een woning ten behoeve van een bed and breakfast; artikel 8 algemene afwijkingsregels: op basis van de algemene afwijkingsregels kunnen Burgemeester en wethouders omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van onderdelen van bestemmingsbepalingen, mocht dat in die bepalingen zelf niet geregeld zijn. Bedoeld worden onder meer geringe afwijkingen van bouw- of bestemmingsgrenzen; artikel 9 algemene procedureregels: bij het stellen van nadere eisen, zoals bedoeld in artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening, dient aan belanghebbenden de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen te worden geboden.

Hiertoe wordt in de algemene procedureregels een procedure voorgeschreven; artikel 10 overige regels: in de regels wordt een enkele keer verwezen naar andere wettelijke regelingen. Landelijke wettelijke regelgeving kan gedurende de looptijd van het bestemmingsplan veranderen. Om die reden wordt in het artikel overige regels aangegeven dat daar waar wordt verwezen naar landelijke wettelijke regelingen, die regelingen zijn bedoeld zoals deze luidden op het moment waarop het ontwerp bestemmingsplan ter visie i s gelegd.

5.2.4

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 11 Overgangsrecht is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. De inhoud van deze regels is overgenomen uit de standaardregels uit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Artikel 12 Slotregels geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer en de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 38

7 maart 2023

5.3

Verklaring van de bestemmingen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen 'Tuin' 'Verkeer'en 'Wonen' opgenomen. De bestemming 'Tuin' is opgenomen om te voorkomen dat de gronden tussen de voorgevelrooilijn van de nieuwe woningen en de openbare ruimte kunnen worden volgebouwd met bijgebouwen. Een uitzondering hierop is gemaakt voor erkers. In de bouwregels van de bestemming zijn regels opgenomen voor het bouwen van een erker aan het hoofdgebouw in casu de woning. De bestemming "Verkeer" is opgenomen ten behoeve van wegen, paden en parkeren.

De bestemming 'Wonen' is opgenomen ten behoeve van de bouw van de woningen, uitsluitend binnen de op de verbeelding opgenomen bouwvlakken. De maatvoering staat op de verbeelding.

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 39

7 maart 2023

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 40

7 maart 2023

Hoofdstuk 6 6.1

Handhaving

Algemeen

Het bestemmingsplan wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het plangebied. Aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen regels worden voorgenomen activiteiten (activiteiten en gebruik van gronden) getoetst. Als blijkt dat in afwijking van de regels activiteiten plaatsvinden, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen.

6.2

Beleidskeuzen

Door de gemeente Hoogeveen is een kadernota integrale handhaving vastgesteld. Deze nota is de start van programmatisch handhaven in de gemeente Hoogeveen. Programmatisch handhaven is een structurele en integrale aanpak van de handhaving, waarbij de uitvoering onder andere is gebaseerd op een handhavingsprogramma. Daarbij worden door het bestuur de prioriteiten bepaald en worden handhavingsactiviteiten zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. In deze aanpak worden beleid en uitvoering opgevolgd door evaluatie en bijsturing. Programmatisch handhaven is daarmee een cyclisch, democratisch, integraal en transparant proces.

6.3

Inzet gemeentelijk apparaat

Aan de controle van het onderhavige plan wordt binnen de gemeente inhoud gegeven door een aantal ambtenaren die zich continu met handhaving bezighoudt.

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 41

7 maart 2023

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 42

7 maart 2023

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente Hoogeveen. Hierin wordt tevens het risico van planschade opgenomen zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Het voorontwerp bestemmingsplan is in het kader van het artikel 3.1.1 Bro-overleg naar de wettelijke overlegpartners gestuurd. Naar aanleiding van een opmerking van de de Provincie Drenthe is een beknopte beschrijving van de na oorlogse wijk opgenomen in paragrafen 2.2 en 2.3. In de waterparagraaf 4.3.3. is op advies van het Waterschap Drents Overijsselse Delta een alinea opgenomen over de ligging in een grondwaterbeschermingsgebied. Rendo en de Veiligheidsregio Drenthe hebben aangegeven in te kunnen stemmen met voorliggend plan. Zienswijzen Deze paragraaf wordt, nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen, ingevuld.

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 43

7 maart 2023

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 44

7 maart 2023

Bijlagen toelichting

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 45

7 maart 2023

Bijlage 1

Natuurtoets Sloop Sloodstraat

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 46

7 maart 2023

natuurtoets Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid

Woonconcept

Concept

Zuiderzeelaan 53 8017 JV Zwolle T 0384236464 E info@ecogroen.nl I www.ecogroen.nl

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid

21-263

3 januari 2022

Concept

R.J. Robben

R. Olthof

Woonconcept

© Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Robben, R.J. (2022). Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving en -beleid. Rapport 21-263. Ecogroen bv Zwolle.

Inhoud Samenvatting

1

1.

Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling 1.3 Leeswijzer

2 2 2 2

2.

Kader en methode 2.1 Wet natuurbescherming 2.2 Onderzoeksmethode

3 3 3

3.

Effectbeoordeling 3.1 Flora 3.2 Zoogdieren 3.3 Vogels 3.4 Amfibieën 3.5 Overige soortgroepen

6 6 6 8 9 9

4.

Geraadpleegde bronnen

10

Bijlagen Bijlage 1 – Aangetroffen natuurwaarden

Samenvatting Aanleiding en doelstelling Woningcorporatie Woonconcept heeft het voornemen om de woningen aan de Sloodstraat 29 t/m 37 te slopen om zeven grondgebonden nieuwbouwwoningen te realiseren. Wet- en regelgeving voor bescherming van de natuur verplichten vooraf te toetsen of activiteiten conflicteren met beschermde natuurwaarden. Deze natuurtoets is bedoeld om inzicht te krijgen in mogelijke effecten op aanwezige natuurwaarden die op kunnen treden als gevolg van de voorgenomen sloopwerkzaamheden.

Effectbeoordeling • Aanvullend onderzoek naar vleermuizen heeft de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen binnen het projectgebied uitgesloten. Schade aan onmisbare foerageergebieden en vliegroutes is evenmin aan de orde. Vervolgstappen zijn voor vleermuizen niet aan de orde. • Aanvullend onderzoek naar huismussen heeft de aanwezigheid van huismusnesten binnen het projectgebied uitgesloten. Vervolgstappen zijn voor huismussen niet aan de orde. • Overige nesten van jaarrond beschermde vogels worden binnen het projectgebied uitgesloten. Wel zijn gedurende de broedtijd diverse algemene vogels zoals houtduif, merel, kauw, ekster, Turkse tortel broedend te verwachten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. • In het projectgebied zijn geen amfibieën, flora, reptielen, ongewervelden en vissen aangetroffen of te verwachten die bescherming genieten, uitgezonderd soorten waarvoor vrijstelling geldt in de provincie Drenthe.

Advies en vervolgstappen Werkzaamheden die in gebruik zijnde nesten van vogels beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de te verwachten soorten mogelijk door sloopwerkzaamheden in elk geval op te starten in de periode tussen half oktober en half februari. Indien de werkzaamheden buiten deze periode plaatsvinden, kan het projectgebied voorafgaand aan de werkzaamheden worden gecontroleerd op broedende vogels en nesten binnen de invloedsfeer van het project. Een andere mogelijkheid is om de woningen tussen half oktober en half februari ongeschikt (buiten het broedseizoen) ongeschikt te maken voor broedvogels. Dit is mogelijk door gaten en kieren die toegang bieden tot de dakconstructie af te sluiten.

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

01

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Woningcorporatie Woonconcept heeft het voornemen om vijf woningen aan de Sloodstraat 29 t/m 37 (zie figuur 1.1) te slopen om vervolgens zeven grondgebonden nieuwbouwwoningen te realiseren. Een wijziging van het bestemmingsplan is voor deze werkzaamheden niet aan de orde. Wet- en regelgeving voor bescherming van de natuur verplichten vooraf te toetsen of activiteiten conflicteren met beschermde natuurwaarden. Deze natuurtoets is bedoeld om inzicht te krijgen in mogelijke effecten op aanwezige natuurwaarden die op kunnen treden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden.

Figuur 1.1 De te slopen woningen (rood omlijnd) aan de Sloodstraat, Hoogeveen. Bron achtergrondkaart: PDOK.

1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkeling Het projectgebied beslaat vijf éénlaagse seniorenwoningen (bouwjaar 1964) in het westelijke deel van de buurt ‘Hoogeveen Zuid’ in Hoogeveen. De woningen bezitten tuinen aan zowel de voor- als achterzijde en bestaan uit verharding of intensief onderhouden gazon. Aan de achterzijde is een wandel pad dat is afgeschermd met coniferen die onderdeel zijn van de tuin. Er zijn verder geen bomen of permanent oppervlaktewater aanwezig in het projectgebied. Woonconcept heeft het voornemen om deze woningen te slopen om nieuwbouwwoningen te realiseren. Ook de tuinen worden verwijdert. De sloop staat gepland voor de winterperiode van 2021/2022.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 zijn het wettelijk kader en de onderzoeksmethodiek beschreven. Vervolgens zijn een effectenanalyse en -beoordeling beschreven ten aanzien van beschermde soorten (hoofdstuk 3). In hoofdstuk 4 zijn de geraadpleegde bronnen vermeld.

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

02

2. Kader en methode 2.1 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. Conform de vraagspecificatie wordt in dit rapport alleen de bescherming van soorten binnen de invloedssfeer van de beoogde werkzaamheden behandeld. In kader 2.1 wordt een samenvatting gegeven van de relevante wetteksten. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet eist van iedereen zorgplicht voor de natuur. Zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat niemand moedwillig natuurgebieden of in het wild levende dieren of planten of hun directe leefomgeving mag verstoren, schaden of doden. Dit kan door het achterwege laten van een handeling of door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van voorzorg is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd.

– Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5. • Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk.

Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer er voor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken en aan welk wettelijk belang wordt voldaan.

2.2 Onderzoeksmethode Quickscan onderzoek Deze natuurtoets is uitgevoerd om te bepalen of het voornemen in strijd is met de wettelijke bescherming van soorten (Wet natuurbescherming). Daarom is onderzoek uitgevoerd naar de effecten op aanwezige of te verwachten beschermde soorten die op kunnen treden door de beoogde werkzaamheden. Gestart is met literatuuronderzoek om uit te zoeken of beschermde soorten bekend zijn in en rondom het projectgebied. Hiervoor is onder andere gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

03

(NDFF, 2021). De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek dat op 23 mei 2021 (droog, half bewolkt, weinig wind, 9°C; zie tabel 2.1) is uitgevoerd. Het projectgebied en de directe omgeving zijn onderzocht op beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming. Specifiek is de bebouwing onderzocht op potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen en jaarrond beschermde nesten van soorten als huismus.

Huismusonderzoek Uit de quickscan is naar voren gekomen dat aanvullend onderzoek noodzakelijk is naar huismus. Het huismussenonderzoek heeft zich voornamelijk gericht op het vaststellen van nestlocaties van huismus binnen en in de directe omgeving van het projectgebied. Conform het kennisdocument van huismus zijn in deze situatie minimaal twee ochtendbezoeken noodzakelijk in de periode 1 april tot en met 15 mei (BIJ12, 2017c). Het onderzoek heeft zich gericht op nest-, broed- en territoriumindicerend gedrag van huismus om broedgevallen/ territoria van huismus te bepalen. Alle inventarisaties zijn in de ochtenduren uitgevoerd, wanneer huismus het meest actief is. De veldbezoeken zijn met gunstige weersomstandigheden uitgevoerd door één persoon (zie tabel 2.1). Het projectgebied is twee keer bezocht in de periode 1 april tot en met 15 mei 2021.

Vleermuisonderzoek Vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform landelijk vleermuisprotocol 2021 en de kennisdocumenten voor vleermuizen (BIJ12, 2017a; 2017b). Op basis van onze ervaringen, de beperkte grootte van de potentiële invliegopeningen en de bouwkundige constructie van de bebouwing, verwachtten we enkel de aanwezigheid van de vleermuissoorten gewone en ruige dwergvleermuis in de bebouwing. De onderzoeksinspanning is zodoende afgestemd op deze soorten. Dit houdt in dat er tweemaal een onderzoek is uitgevoerd naar zomer- en kraamverblijfplaatsen in de periode half mei - half juli met minimaal 10 dagen tussen beide onderzoeken. Daarnaast is tweemaal in de periode half augustus - half september onderzoek uitgevoerd naar paarverblijfplaatsen en baltslocaties met minimaal 10 dagen tussen beide onderzoeken. Tevens hebben we eventuele vliegroutes en (belangrijkste) foerageergebieden vastgesteld tijdens de bezoeken. Alle onderzoeken zijn door één of twee personen in de ochtend- of avondschemering uitgevoerd met gunstige weersomstandigheden (droog, luchttemperatuur van minstens 10 graden Celsius en weinig wind; zie tabel 2.1). Hierbij is het projectgebied en omliggend gebied al fietsend doorkruist en is gebruik gemaakt van batdetectors die de mogelijkheid hebben om geluidsopnames te maken zoals de EMT2, D240X en M500.

Onderzoek kraamverblijfplaatsen en zomerverblijfplaatsen Het onderzoek naar kraamverblijfplaatsen is gestart met een avondbezoek op 27 mei 2021. Dit avondbezoek is vooral gebruikt om locaties met mogelijke (kraam)verblijfplaatsen te bepalen. Tijdens het avondbezoeken is gelet op in- en uitvliegende vleermuizen en plekken met veel activiteit van vleermuizen in de vroege avond. Het tweede bezoek in de kraamperiode (een ochtendbezoek) vond plaats op 14 juni 2021. Naarmate het lichter wordt, keren vleermuizen terug naar hun kraam- of zomerverblijfplaats, maar voordat ze naar binnen gaan cirkelen ze vaak minutenlang rond de ingang van hun verblijfplaats. Dit

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

04

zogenoemde zwermen wijst op een verblijfplaats. Aan de hand van het aantal invliegende dieren kan vervolgens de grootte van een eventueel aanwezige kraam- of zomerverblijfplaats worden bepaald. Onderzoek paarverblijfplaatsen/baltsterritoria en zomerverblijfplaatsen Gestart is met een avondbezoek op 24 augustus 2021, waarbij rondvliegende en vooral baltsende vleermuizen in beeld zijn gebracht. Het bezoek geeft inzicht in welke woningen paarverblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn en dit vergemakkelijkt het zoeken naar verblijfplaatsen tijdens het later uit te voeren ochtendbezoek. Tijdens het avondbezoek zijn alle woningen binnen het projectgebied in de piek van de baltsroepactiviteit van vleermuizen minimaal tweemaal bezocht. Het tweede bezoek is uitgevoerd in de ochtenduren op 26 september 2021. Aan het begin van het bezoek is o.a. gelet op ruige dwergvleermuizen die vaak vanuit de spouw baltsen. Naarmate het lichter wordt, keren vleermuizen terug naar hun paar- of zomerverblijfplaats, maar voordat ze naar binnen gaan cirkelen ze vaak minutenlang rond de ingang van hun verblijfplaats. In het geval van een paarverblijfplaats wordt daarbij ook gebaltst. Tabel 2.1 Overzicht uitgevoerde veldbezoeken Datum 2021-04-23 2021-05-13 2021-05-27 2021-06-14 2021-08-24 2021-09-26

Tijdstip 09:30 – 11:00 08:45 – 09:30 21:45 – 23:45 03:00 – 05:00 02:45 – 03:45 05:30 – 07:30

Soort bezoek Dagbezoek huismus + Quickscan onderzoek Dagbezoek huismus Kraamronde avond vleermuizen Kraamronde ochtend vleermuizen Paarronde avond vleermuizen Paarronde ochtend vleermuizen

Weersomstandigheden 9°C, half bewolkt, droog, weinig wind 14°C, licht bewolkt, droog, weinig wind 10°C, helder, droog, weinig wind 15°C, helder, droog, weinig wind 15°C, helder, droog, weinig wind 13°C, helder, droog, weinig wind

Analyse Op basis van het uitgevoerde onderzoek is beoordeeld welke soorten aanwezig zijn. Vervolgens is op basis van het voornemen (zie paragraaf 1.2) bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten en of vervolgstappen (zoals het aanvragen van ontheffing) vereist zijn.

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

05

3. Effectbeoordeling 3.1 Flora In de directe omgeving van het projectgebied zijn algemene plantensoorten van tuinen en gazons aangetroffen zoals madelief, gewone paardenbloem, klimop en diverse coniferen. Tijdens de veldbezoeken zijn geen in de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens worden deze soorten ook niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.

3.2 Zoogdieren Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven en op welke wijze ze beschermd zijn. Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen.

Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.

Verblijfplaatsen Gedurende het verkennende veldbezoek zijn potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen gezien. Potentiele verblijfplaatsen zijn aanwezig in de spouwmuur en onder het dak en zijn toegankelijk via open stootvoegen, ruimte achter de daktrim, ruimte bij kantpannen en overige gaten en kieren (zie figuur 3.1).

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

06

Figuur 3.1 Potentiële invliegopeningen (rode pijlen) die toegang geven tot het dak of de spouwmuur. Linksboven: ruimte bij regenpijp en daktrim. Rechtsboven: open stootvoegen en daktrim. Onder: ruimte bij kantpannen. Bron foto’s: Ecogroen

Door de voorgenomen werkzaamheden gaan potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Daarom is aanvullend onderzoek uitgevoerd om de functie van deze potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen te onderzoeken. Tijdens het aanvullende vleermuisonderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen in de woningen aangetroffen. Wel zijn in de omgeving van het projectgebied verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen (zie bijlage 1). Vervolgstappen ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aan de orde. Vliegroutes en foerageergebieden Het aanwezige groen en de bebouwing binnen het projectgebied wordt mogelijk gebruikt als (onderdeel van) een vliegroute en/of foerageergebied door vleermuizen. Tijdens het vleermuisonderzoek zijn echter geen vliegroutes of belangrijk foerageergebied vastgesteld. De werkzaamheden aan de woningen hebben zodoende geen negatief effect op onmisbare en/of belangrijke vliegroutes en foerageergebieden. Bovendien is het projectgebied in de toekomstige situatie in vergelijkbare mate geschikt als vliegroute en/of foerageergebied voor vleermuizen. Vervolgstappen voor vliegroutes en foerageergebieden zijn niet aan de orde.

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

07

Overige zoogdieren Op basis van habitateisen, terreinkenmerken, het veldbezoek en verspreidingsgegevens worden verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdieren die zijn opgenomen in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde zoogdieren zonder provinciale vrijstelling (zoals steenmarter en eekhoorn) uitgesloten. Wel zijn binnen en in de directe omgeving van het projectgebied vaste verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdiersoorten met provinciale vrijstelling aangetroffen en/of te verwachten. Dit zijn onder andere huisspitsmuis. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt in de provincie Drenthe vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is.

3.3 Vogels Vogels met jaarrond beschermde nesten Van veel broedvogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Nestlocaties kunnen dan buiten het broedseizoen zonder overtreding van de Wet natuurbescherming verwijderd worden. Voor een aantal broedvogelsoorten geldt echter dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 3.2). Kader 3.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt in provincie Drenthe verstaan: in functie zijnde nesten van de ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, wespendief, zwarte wouw, slechtvalk, sperwer, steenuil, kerkuil, oehoe, gierzwaluw, grote gele kwikstaart en huismus. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Huismus In de woningen zijn potentiële nestplaatsen voor huismus aanwezig onder het dak en bereikbaar via de ruimte tussen de dakgoot en de 1ste rij dakpannen. Door de voorgenomen sloopwerkzaamheden gaan deze potentiële nestplaatsen van huismus verloren. Daarom is aanvullend onderzoek uitgevoerd om vast te stellen of nestplaatsen van huismus binnen het projectgebied aanwezig zijn. Tijdens het aanvullende huismusonderzoek zijn geen nestplaatsen van huismussen in de woningen van het projectgebied aangetroffen. Wel zijn in de omgeving zeven nestlocaties van huismus aangetroffen (zie bijlage 1). Vervolgstappen ten aanzien van nestplaatsen van huismussen zijn niet aan de orde. Overige vogels met jaarrond beschermde nesten In het projectgebied zijn geen potentiële nestlocaties van overige gebouwbewonende soorten als gierzwaluw aangetroffen. Hoewel de bebouwing wel dakoverstekken en dakpannen daken bezit, bieden deze geen geschikte nestplaatsen of geschikte invliegopeningen.

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

08

Overige vogels In bebouwing en bomen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden is geschikt broedbiotoop aanwezig voor enkele vogelsoorten als houtduif, merel, kauw, ekster, Turkse tortel. Door de voorgenomen plannen gaan mogelijk broedplekken van deze soorten verloren of worden broedende vogels verstoord. Werkzaamheden die zorgen voor schade of ernstige verstoring van bewoonde nesten (leidend tot het verlaten van nesten), dienen te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor meeste soorten kan de periode tussen half februari en half oktober worden aangehouden als broedseizoen. We adviseren om de werkzaamheden tussen half oktober en half februari uit te voeren. Wanneer werkzaamheden buiten deze periode worden uitgevoerd adviseren we om een broedvogelcontrole door een ter zake deskundige uit te laten voeren. Tijdens de broedvogelcontrole wordt gekeken of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Een andere mogelijkheid is om de woningen tussen half oktober en half februari ongeschikt te maken voor broedvogels.

Dit is mogelijk door gaten en kieren die toegang bieden tot de dakconstructie af te sluiten met bijvoorbeeld gaas, doek of rugvulling (stroken schuimrubber).

3.4 Amfibieën Door de afwezigheid van permanent oppervlaktewater wordt voortplanting van amfibieën binnen het projectgebied uitgesloten. Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens wordt ook overwintering van de in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën zonder vrijstelling (zoals poelkikker en rugstreeppad) uitgesloten. Wel is binnen en in de directe omgeving van het projectgebied (tuinen en openbaar groen) overwintering van algemene soorten amfibieën zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander te verwachten in (muizen)holen, strooisellagen en onder struiken en hagen. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen deze soorten mogelijk geschaad worden. Voor deze amfibieën geldt vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is.

3.5 Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens worden in het projectgebied geen vaste verblijfplaatsen verwacht van beschermde reptielen, vissen en ongewervelden. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde voor deze soortgroepen.

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

09

4. Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12 (2017a). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12 (2017b). Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. Versie 1.0, Juli 2017. BIJ12 (2017c). Kennisdocument Huismus Passer domesticus. Versie 1.0, Juli 2017. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdierenvereniging (2021). Vleermuisprotocol 2021.

Internet NDFF (2021). NDFF uitvoerportaal (https://ndff-ecogrid.nl). Geraadpleegd op 23 december 2021.

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

10

Bijlagen Bijlage 1 – Aangetroffen natuurwaarden

Figuur B1 Overzichtskaart aangetroffen natuurwaarden rondom projectgebied (rood omlijnd). Bron achtergrondkaart: PDOK

Natuurtoets Sloop Sloodstraat 29 t/m 37, Hoogeveen

01

Bijlage 2

Watertoets

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 61

7 maart 2023

Digitale Watertoets Res ultaat van de check gedaan op 04-02-2022

Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toets en of u de belangen van het Waters chap raakt. Indien dit het geval is krijgt u teks t en uitleg over het vervolg proces .

VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.

korte procedure

OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE

04-02-2022, 13:30

P agina 1 van 5

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.

Gaat het om een plan met uits luitend een functiewijziging van bes taande bebouwing? nee

2.

Is er s prake van een uitbreiding van de lozing van huis houdelijk afvalwater in het landelijk gebied groter dan 9 vervuilings eenheden (ve) of in het s tedelijk gebied van 30 ve? nee

3.

Is er in of rondom het plangebied s prake van wateroverlas t of grondwateroverlas t? nee

4.

Neemt in het plan het verharde oppervlak van bebouwing en bes trating toe met meer dan 1500m2? nee

5.

Is het plan onderdeel van een grotere ruimtelijke ontwikkeling? nee

6.

Worden er op bedrijfs matige wijze activiteiten verricht waardoor het verharde oppervlak verontreinigd raakt? nee

7.

Verandert het waterpeil als gevolg van het plan? nee

8.

Worden er materialen gebruikt waardoor het afs tromende hemelwater verontreinigd kan raken? nee

9.

Vindt er een lozing plaats op oppervlaktewater? nee

10.

Vindt er een tijdelijke of permanente onttrekking van grondwater plaats ? nee

04-02-2022, 13:30

P agina 2 van 5

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets 11.

Invloeds zone A-watergangen nee

12.

Beekdalen nee

13.

Milieuzonering RWZ I nee

14.

Invloeds zone Grote Rivieren nee

15.

Invloeds zone Vecht nee

16.

Z one pers leiding nee

17.

Bes chermings zone waterkering nee

18.

Primaire Watergebieden en bergings gebieden nee

19.

Invloeds zone B watergangen nee

20.

Invloeds zone overige keringen nee

21.

overs troombaar_gebied nee

22.

Grondwaterbes chermings gebied drinkwater nee

04-02-2022, 13:30

P agina 3 van 5

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets DETAILS 1.

korte procedure Voor uw plan moet u de korte procedure volgen.

Wat moet ik doen? WIJ VERZ OEKEN U OM IN TE LOGGEN OM DE PROCEDURE AF TE RONDEN. HIERDOOR IS UW PLAN OOK AANGEMELD BIJ HET WATERSCHAP! Momenteel wordt de s tandaard waterparagraaf 'Korte procedure' nog niet meegezonden met uw aanmeldgegevens . We verzoeken u in het hoofds cherm de 'pdf' met het advies te downloaden ten behoeve van uw eigen adminis tratie. Geachte heer / mevrouw, U heeft een watertoets uitgevoerd op de webs ite www.dewatertoets .nl. Op bas is van deze digitale toets kunt u de korte procedure volgen. Het waters chap gaat akkoord met uw plan, mits u voldoet aan de uitgangs punten uit de s tandaard waterparagraaf met bijbehorende aanvullende adviezen. Binnen de procedure voor het bes temmings plan, projectbes luit of omgevings vergunning kunt u deze teks ten toevoegen aan de toelichting van het bes temmings plan. Wij verzoeken u op de punten waar dat wordt gevraagd de teks t te s pecificeren voor uw plan.

STANDAARD WATERPARAGRAAF KORTE PROCEDURE In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht ruimtelijke plannen te ‘toets en op water’, de zogenaamde watertoets . De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en bes luiten.

Relevant beleid Het beleid van het waters chap Drents Overijs s els e Delta s taat bes chreven in het waterbeheerplan 2016-2021. Specifiek voor het s tedelijke gebied heeft het waters chap het beleid geformuleerd in ‘Water Raakt!’. Daarnaas t is de Keur een belangrijk regels tellend ins trument waarmee in ruimtelijke plannen rekening moet worden gehouden. U kunt de genoemde documenten raadplegen op onze s ite www.wdodelta.nl.

Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen s chadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bes temmings plan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealis eerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen s prake van (grond)wateroverlas t. Voor de aanleghoogte wordt een ontwaterings diepte geadvis eerd van minimaal 80 centimeter. Dit is de afs tand tus s en de gemiddelde hoogs te grondwaters tand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden vols taan met een kleinere ontwaterings diepte. Om wateroverlas t binnen woningen en bedrijven te voorkomen advis eren wij om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het s traatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes , zoals kelders en parkeergarages , wordt aandacht bes teed aan het voorkomen van wateroverlas t door bijvoorbeeld ins tromend hemelwater.

Voorkeursbeleid hemelwater 04-02-2022, 13:30

P agina 4 van 5

https://dewatertoets.nl

Digitale Watertoets (Onders taande teks t graag s pecificeren wat van toepas s ing is voor uw plan. Daarbij vragen wij u om het verbreed gemeentelijke riolerings plan (vGRP) van de gemeente te raadplegen en rekening te houden met het hemelwaterbeleid van de gemeente. Wij vragen u om dit te bes chrijven in deze waterparagraaf.) Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afs tromend hemelwater ter plaats e in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waters chap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi’s heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is , is ondergronds e infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempas s age worden geloos d op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepas te methode, niet tot wateroverlas t leiden op aangrenzende percelen of het omliggende waters ys teem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater.

Waar moet ik op letten? Achtergrondinformatie

04-02-2022, 13:30

P agina 5 van 5

https://dewatertoets.nl

Bijlage 3

Aanmeldnotitie MER

Zuid, deelplan Sloodstraat ontwerp

NL.IMRO.0118.2022BP9005004-ON01 67

7 maart 2023

AANMELDNOTITIE BESLUIT M.E.R. ‘Bestemmingsplan Sloodstraat Hoogeveen’

Status: concept Datum: 7 oktober 2022 Auteur: Witpaard

Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................................... 3 1.1 Aanleiding en doel ......................................................................................................................... 3 1.2 Beoordelingskader ........................................................................................................................ 3 1.3 Procedure ...................................................................................................................................... 3 1.4 Vormvrije m.e.r.-beoordeling ......................................................................................................... 3 1.5 Opzet van de aanmeldingsnotitie .................................................................................................. 4

2. Kenmerken van het project ............................................................................................ 6 2.1 Inleiding ......................................................................................................................................... 6 2.2 Omvang van het project ................................................................................................................ 6 2.3 Cumulatie met andere projecten ................................................................................................... 6 2.4 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen ............................................................................................ 6 2.5 Productie van afvalstoffen ............................................................................................................. 6 2.6 Verontreiniging en hinder .............................................................................................................. 6 2.7 Risico van ongevallen .................................................................................................................... 7 2.8 Risico’s voor de menselijke gezondheid ....................................................................................... 7

3. Plaats van het project ..................................................................................................... 8 3.1 Inleiding ......................................................................................................................................... 8 3.2 Ligging van de locatie ................................................................................................................... 8 3.3 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................... 8 3.4 Bijzondere waarden in het projectgebied en omgeving ............................................................... 8

4. Kenmerken van het potentiële effect ............................................................................. 9 4.1 Inleiding ......................................................................................................................................... 9 4.2 Waarschijnlijk belangrijke gevolgen voor het milieu ..................................................................... 9 4.3 Effectkenmerken .......................................................................................................................... 12

5. Conclusie....................................................................................................................... 14

7 oktober 2022 | Aanmeldnotitie Besluit m.e.r. ‘BP Sloodstraat Hoogeveen’ | Witpaard

2

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Woonconcept heeft het voornemen de bestaande woningen aan de Sloodstraat 29 - 37 in Hoogeveen te slopen en te vervangen door nieuwbouw. De bestaande seniorenwoningen zijn verouderd en voldoen op verschillende vlakken (doelgroepen, duurzaamheid) niet meer aan de huidige en toekomstige behoefte. Met de nieuwbouw worden zeven eengezinswoningen gerealiseerd, waarmee beter invulling wordt gegeven aan de bestaande en toekomstige behoefte. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Hoogeveen, sectie I, nummers 3023 en heeft een oppervlakte van ruim 900 m². De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Zuid 2017' van de gemeente Hoogeveen. Om het plan juridisch-planologisch mogelijk te maken, dient het geldende bestemmingsplan te worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan vormt het nieuwe planologische kader om de bouw van 30 nieuwe woningen te realiseren. Om de voorgenomen ontwikkelingen mogelijk te kunnen maken is een besluit in het kader van artikel 3.1, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) noodzakelijk, in casu een bestemmingsplan. Op dergelijke besluiten is het Besluit milieueffectenrapportage (Besluit m.e.r.) van toepassing. Deze aanmeldnotitie is de eerste stap in de procedure voor het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

1.2 Beoordelingskader Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel.

1.3 Procedure In de gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. 3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Deze aanmeldnotitie dient voor het starten van de hierboven beschreven procedure.

1.4 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Het besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk

7 oktober 2022 | Aanmeldnotitie Besluit m.e.r. ‘BP Sloodstraat Hoogeveen’ | Witpaard

3

ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: • een oppervlakte van 100 hectare of meer, • een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of • een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Conclusie De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 900 m² en blijft hiermee onder de drempelwaarde van 100 hectare. De voorgenomen ontwikkeling maakt zeven woningen mogelijk en blijft daarmee onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in bedrijfsmatige activiteiten wordt de drempelwaarde voor bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² niet worden overschreden. De voorgenomen activiteit blijft onder de genoemde drempelwaarden voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Om die reden kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12795476/1