Handreiking-treasury-2015
Tekst van het document
Indien een gemeente een onderneming met een DAEB wil belasten, dan moet dat via een toewijzingsbesluit, bijvoorbeeld een Raadsbesluit.
11
http://www.europadecentraal.nl/onderwerpen/staatssteun/staatssteun-en-daeb/ De Altmarkvoorwaarden houden in: • Een decentrale overheid moet altijd, voordat de DAEB uitgevoerd en gefinancierd wordt, de openbare dienstverplichting duidelijk omschrijven; • De onderneming moet door middel van een overheidsbesluit belast worden; • De hoogte van compensatie moet vooraf objectief en transparant worden vastgesteld en mag niet hoger zijn dan noodzakelijk is voor het uitvoeren van de DAEB-taak; • De onderneming die de DAEB gaat uitvoeren moet door middel van een aanbestedingsprocedure of door middel van benchmarking geselecteerd worden. Handreiking Treasury 2015
| 36
Decentrale overheden kunnen op basis van de DAEB-de-minimisverordening ondernemingen, die een DAEB uitvoeren, over een periode van drie belastingjaren tot € 500.000 aan steun verstrekken, zonder dat er sprake is van staatssteun. Zie voorts onderdeel 2. Over DAEB is in juli 2014 een Handreiking12 verschenen. Meer informatie Voor meer informatie over de staatssteunregels voor garanties, leningen en risicokapitaal wordt verwezen naar bijlage 3. Voorts geeft de site van Europa Decentraal informatie in het dossier Staatssteun13 en het dossier Diensten van Algemeen Belang.14
3.7 Wet- en regelgeving toezicht financiële ondernemingen Financiële ondernemingen, waaronder begrepen banken, beleggingsondernemingen en (beheerders van) beleggingsinstellingen, zijn voor het mogen verrichten van financiële diensten en het mogen aanbieden van financiële producten onderworpen aan financiële toezichtregels. Deze toezichtregels proberen een zorgvuldige behandeling en bescherming van afnemers van financiële diensten en producten te waarborgen. In Nederland is het toezicht op financiële ondernemingen gebaseerd op een algemene toezichtwet die geldt voor alle financiële ondernemingen: de Wet op het financieel toezicht (de “Wft”). De Wft bevat gedragsregels en prudentiële regels voor financiële ondernemingen. Naast het financieel toezichtregime van de Wft biedt de Wet giraal effectenverkeer (de “Wge”) aan afnemers van financiële producten en diensten bescherming. De bescherming van de Wge is gericht op de gevolgen van het faillissement van een financiële onderneming (een bank of beleggingsonderneming) waar effecten in bewaring zijn gegeven.
Het is van belang dat gemeenten als afnemers van financiële producten en diensten bekend zijn met de regelgeving waaraan de aanbieders van die producten en diensten zich moeten houden en dat gemeenten deze regelgeving kunnen plaatsen binnen de context van de regels voor het http://www.europadecentraal.nl/wp-content/uploads/2014/07/Handreiking-DAEB-2014.pdf http://www.europadecentraal.nl/onderwerpen/staatssteun/ 14 http://www.europadecentraal.nl/onderwerpen/diensten-van-algemeen-belang/ 12 13
Handreiking Treasury 2015
| 37
uitzetten van (tijdelijk) overtollige liquiditeiten en het afsluiten van derivaten onder de Wet fido en de Ruddo. Daarom worden hieronder de voornaamste regels kort uiteengezet. 3.7.1 Wet op het financieel toezicht Vergunningplicht en wettelijke gedrags- en bedrijfseconomische regels Voor het mogen verrichten van financiële diensten op de financiële markten geldt een wettelijke vergunningplicht. De vergunning wordt aan financiële ondernemingen verleend door een financieel toezichthouder die uit hoofde van de Wft is belast met toezicht op de naleving van de op een financiële onderneming rustende verplichtingen. Dit is, afhankelijk van de te verrichten financiële dienst of het aan te bieden financiële product, de Stichting Autoriteit Financiële Markten (‘AFM’) of De Nederlandsche Bank (‘DNB’). Onder bepaalde omstandigheden acht de wetgever beleggersbescherming niet of in mindere mate nodig. Er geldt dan een wettelijke uitzondering of vrijstelling van de vergunningplicht. Ook is het mogelijk dat de AFM of DNB aan een financiële onderneming een ontheffing van de vergunningplicht verleent. De Wft stelt eisen aan het verkrijgen en het behouden van de voor het verrichten van een financiële dienst benodigde vergunning. De dagelijks (mede) beleidsbepalers van de desbetreffende financiële onderneming dienen geschikt en betrouwbaar te zijn.
Verder dient de financiële onderneming te voldoen aan bepaalde gedragsregels en prudentiële regels. Zo worden er in het kader van het prudentieel toezicht eisen gesteld aan de structurering en inrichting van de organisatie van de onderneming en gelden er minimum eigen vermogenseisen. De door een financiële onderneming na te leven gedragsregels verschillen naar gelang de verleende financiële dienst en het type cliënt (consument of een zakelijke klant, professioneel of niet-professioneel). Zo bevat de Wft diverse gedragsregels voor het uitzetten van (tijdelijk) overtollige liquide middelen via een (bank-)beleggingsonderneming of in een beleggingsfonds en voor het afsluiten van derivatentransacties via of met een (bank-)beleggingsonderneming, maar gelden er geen specifieke gedragsregels voor bancaire dienstverlening aan decentrale overheden, zoals kredietverlening (u/g), het bieden van spaarfaciliteiten (o/g) en betalingsverkeer. Handreiking Treasury 2015
| 38
Omdat decentrale overheden bij het uitzetten van (tijdelijk) overtollige liquide middelen en het afsluiten van derivatentransacties financiële diensten zouden kunnen afnemen van beleggingsondernemingen en beheerders van beleggingsfondsen, zijn de voornaamste voor deze partijen geldende gedragsregels opgenomen in bijlage 4. Met de inwerkingtreding van het verplicht schatkistbankieren komen nog slechts de volgende liquide middelen van decentrale overheden in aanmerking voor uitzetting via een (bank-) beleggingsonderneming, bijvoorbeeld door dit uit handen te geven aan een individueel vermogensbeheerder: a) liquide middelen die in artikel 2 lid 4 van de Wet fido zijn uitgezonderd van het verplicht schatkistbankieren (“uitgezonderde middelen”). Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2.2; b) liquide middelen die vrijkomen uit de verkoop van beleggingstitels die voor 4 juni 2012, 18:00u zijn aangegaan, mits het aflos-/vervalprofiel van de verkochte beleggingstitels per 4 juni 2012 wordt gerespecteerd (“herbelegging van bestaande uitzettingen onder de Overgangsregeling”); en c) liquide middelen die op grond van artikel 2, derde lid van de Wet fido worden uitgezet bij een andere decentrale overheid (“onderling lenen”).
Op de uitzettingen als bedoeld onder a) en c) zijn de regels van de vigerende Ruddo van toepassing, met dien verstande dat de kredietwaardigheid- en producteisen van de artikelen 2 en 3 van de Ruddo niet gelden voor de uitzettingen als bedoeld onder c). Op de uitzettingen als bedoeld onder b) zijn de regels van de per 4 juni 2012, 18:00 uur van kracht zijnde Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (“Ruddo oud”) van toepassing. De onder a), b) en c) genoemde liquide middelen kunnen worden uitgezet in participaties (deelnemingsrechten) in een beleggingsfonds, mits de beleggingen van het fonds voldoen aan de toepasselijke eisen van de vigerende Ruddo (in het geval van uitzettingen als bedoeld onder a) en c)) of de Ruddo oud (in het geval van uitzettingen als bedoeld onder b)) (“doorkijkbenadering”).
Handreiking Treasury 2015
| 39
Vermogensscheiding In de Wft zijn regels opgenomen die banken en beleggingsondernemingen verplichten om met betrekking tot de financiële instrumenten (beleggingstitels) van cliënten regelingen te treffen die ervoor zorgdragen dat de rechten van die cliënten worden beschermd. De vermogensscheidingsregels richten zich vooral op de bescherming van het eigendomsrecht van beleggers bij de afwikkeling van transacties in en de bewaring van financiële instrumenten. De vermogensscheidingsregels dienen te waarborgen dat in geval van een faillissement van een bank of beleggingsonderneming de financiële instrumenten van cliënten voldoende zijn afgeschermd van het vermogen van de bank of beleggingsonderneming, zodat de financiële instrumenten van cliënten bij faillissement van de bank of beleggingsonderneming niet in de boedel vallen van de bank of beleggingsonderneming. Bij vermogensscheiding moet een onderscheid worden gemaakt naar het type financieel instrument: (a) financiële instrumenten die vallen onder het regime van de Wge en (b) financiële instrumenten die niet vallen onder het regime van de Wge. Financiële instrumenten die vallen onder het regime van de Wge (‘Wgeeffecten’), betreffen veruit de grootste groep. Dit zijn financiële instrumenten die zijn gedematerialiseerd, ook wel genoemd ‘gegiraliseerd’.
Dat wil zeggen dat zij zijn opgenomen in een giraal systeem van levering: levering van een Wge-effect geschiedt door bijschrijving in een administratief/giraal tegoed op een effectenrekening. Er is geen sprake van de levering van een fysiek stuk. Tot financiële instrumenten die niet vallen onder het regime van de Wge (‘niet Wge-effect’), behoren onder andere eurobonds, structured products en (niet-beursgenoteerde) deelnemingsrechten in een beleggingsinstelling. Wge-effecten worden door de bank of beleggingsonderneming conform de bepalingen van de Wge bewaard en geadministreerd. Zie ook paragraaf 3.7.2. Niet Wge-effecten worden bewaard bij een aparte bewaarinstelling (‘bewaarbedrijf’) die aan een aantal voorwaarden moet voldoen, waaronder: Handreiking Treasury 2015
| 40
• de activa van het bewaarbedrijf moet zijn afgescheiden van de niet Wge-effecten van de cliënt; • het bewaarbedrijf mag geen andere activiteiten verrichten dan het bewaren van niet Wge-effecten (dit moet in de statuten worden vastgelegd); en • er gelden enkele kwaliteitseisen: de nakoming van de verplichtingen van het bewaarbedrijf moet te allen tijde worden gegarandeerd door de bank of beleggingsonderneming en het bewaarbedrijf mag de door haar voor cliënten gehouden niet Wge-effecten niet aan derden verpanden. Bij onder de Wft gereguleerde beleggingsfondsen geldt een ‘getrapte’ vermogensscheiding. De beleggingen en de overige tot het beleggingsfonds behorende vermogensbestanddelen worden voor rekening van de participanten gehouden door een entiteit, de juridisch eigenaar, met als enig statutair doel het houden van de juridische eigendom van de activa van een of meer beleggingsfondsen, al dan niet tezamen met het bewaren en administreren van de activa. De uiteindelijke bewaring van het fondsvermogen wordt door de beheerder en de juridisch eigenaar opgedragen aan een van de beheerder onafhankelijke bewaarder.
Op deze wijze wordt een scheiding aangebracht tussen het vermogen van het fonds en dat van de deelnemers en de beheerder.15 Hierdoor wordt voorkomen dat schuldeisers van de afzonderlijke deelnemers in het fonds of de schuldeisers van de beheerder, die niets met het beleggingsfonds van doen hebben, zich op het fondsvermogen kunnen verhalen.
15
Tussen de deelnemers, de beheerder en de juridisch eigenaar van een beleggingsfonds bestaat een fiduciaire verhouding: het vermogen van het fonds behoort economisch toe aan de deelnemers, maar juridisch aan de juridisch eigenaar die het vermogen van het fonds op eigen naam houdt voor en ten behoeve van de deelnemers. De deelnemers hebben geen goederenrechtelijke aanspraak op het vermogen van het fonds, maar uitsluitend een verbintenisrechtelijke aanspraak tegen de juridisch eigenaar tot uitkering van de intrinsieke waarde van de door hen gehouden aandelen in het economisch eigendom van het vermogen van het fonds. Handreiking Treasury 2015
| 41
3.7.2 Wet giraal effectenkeer In de Wge is via het systeem van dematerialisatie van financiële instrumenten (giralisering; zie de toelichting onder paragraaf 3.7.1) een wettelijke voorziening getroffen dat ingeval van faillissement van een bank of beleggingsonderneming de Wge-effecten die door deze bank of beleggingsonderneming worden bewaard en administreert niet in de boedel vallen van de bank of beleggingsonderneming. De cliënten van de bank of beleggingsonderneming kunnen het eigendomsrecht op de betreffende Wge-effecten uitoefenen ondanks het faillissement van de bank of beleggingsonderneming. Voor een uitgebreide toelichting op de bescherming die wordt geboden door de Wge wordt verwezen naar de rubriek ‘Veelgestelde vragen’ (http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/richtlijnen/2008/07/12/veelgestelde-vragen-fido-financiele-instrumenten.html) op de website van de Rijksoverheid. 3.7.3 Beleidskader derivaten (semi-)publieke instellingen en European Market Infrastructure Regulation (EMIR) Het toezicht op het gebruik van derivaten bij (semi-)publieke instellingen wordt geregeld per sector. Hierdoor kan per sector het meest adequate toezicht worden georganiseerd, met de maatregelen die aansluiten bij de voor die sector van toepassing zijnde regelgeving.
Hoewel sectoraal toezicht uitgangspunt is, heeft het kabinet Rutte-Asscher, mede naar aanleiding van de Vestia-affaire, in september 2013 een overkoepelend beleid vastgesteld voor het gebruik van derivaten door (semi)publieke instellingen. Dit overkoepelend beleid is vastgelegd in het Beleidskader derivaten (semi-) publieke instellingen (“Beleidskader derivaten”) en bevat de algemene uitgangspunten voor het gebruik van financiële derivaten in de (semi-) publieke sector. Deze uitgangspunten zullen door de betrokken ministeries moeten worden verankerd in sectorale wet- of regelgeving. Daarmee is een minimumkader geschapen voor regels die voor grote groepen publieke en semipublieke instellingen (gaan) gelden. Specifieke, aanvullende eisen die volgens de betrokken ministeries moeten worden gesteld aan bepaalde sectoren worden in de sectorale wet- of regelgeving uitgewerkt. Deze eisen mogen strenger, maar niet soepeler zijn dan het overkoepelend beleid. Voor decentrale overheden geldt dat de uitwerking van het beleidskader inzet is van bestuurlijk overleg. Met het Beleidskader derivaten wordt beoogd dat geschikte financiële derivaten op de juiste wijze en in verantwoorde mate worden ingezet. Dit betekent onder meer dat het aangaan van derivatentransacties alleen is Handreiking Treasury 2015
| 42
toegestaan met het doel om opwaartse renterisico’s te beheersen en dat het verkopen van derivaten, anders dan het sluiten van derivaatposities, niet is toegestaan. Het prudent gebruik van derivaten is nader geregeld in de Ruddo. Zie voor een toelichting hierop paragraaf 3.2.1. De Europese regelgeving voor het gebruik van derivaten is neergelegd in de European Market Infrastructure Regulation (EMIR). De gevolgen van EMIR voor decentrale overheden zijn dat de details van elke derivatentransactie moeten worden aangemeld bij een Trade Repository. Decentrale overheden kunnen de transactiemelding uitbesteden aan een financiële instelling, maar de eindverantwoordelijkheid blijft voor rekening van decentrale overheden. Voor meer informatie over EMIR wordt verwezen naar de website van Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM) en de EMIRbrochure van de AFM.
Handreiking Treasury 2015
| 43
Treasuryorganisatie
Handreiking Treasury 2015
| 44
4.1 Treasury en financieel beleid De treasury zorgt ervoor dat de gemeente altijd over voldoende liquide middelen beschikt om haar activiteiten te betalen. Dit doet de gemeente door aanvullend op de inkomsten, indien noodzakelijk, vreemd kapitaal aan te trekken. Bij een overschot aan liquide middelen moeten deze middelen op een veilige manier worden uitgezet. Voor een goede behoefteraming is inzicht in de toekomstige kasstromen nodig. De ontwikkeling van de financiële positie is van groot belang voor de houdbaarheid van de gemeentefinanciën. Het is daarom verstandig de treasury niet als een losstaande taak te zien, maar integraal te betrekken bij het financieel beleid. De ontwikkeling van de financiële positie is tevens van belang voor het Rijk in verband met naleving van de EMU-vereisten uit het Europees Verdrag en het Stabiliteitspact en daaruit volgend voor het EMU-saldo van de gemeente.
4.2 Beleidsmatige aspecten Als de organisatie van de treasury niet op orde is, worden er beleidsmatige en bedrijfsvoeringsrisico’s gelopen. Beleidsmatige risico’s zijn risico’s die samenhangen met de mate van duidelijkheid over beleid en richtlijnen (limieten). Dit zijn treasuryrisico’s die de gemeente loopt als het beleid en de doelstellingen van de treasury niet, beperkt of niet duidelijk zijn omschreven in bijvoorbeeld het financieringsstatuut. Bij de uitvoering van treasury is het van belang dat er volledige duidelijkheid bestaat over de te hanteren doelstellingen, richtlijnen en limieten. De wetgever heeft hiervoor wettelijke kaders vastgesteld die in hoofdstuk 3 zijn toegelicht. Binnen deze wettelijke kaders is de gemeente verplicht haar eigen doelstellingen en kaders ten aanzien van de treasury vast te stellen. Dit gebeurt in: • de verordening ex art 212 van de Gemeentewet. Tevens kan ervoor gekozen worden dit verder in te perken in: • de uitvoeringsregels, lees financieringsstatuut.
Handreiking Treasury 2015
| 45
De verordening ex art 212 GW dient te waarborgen dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. Op de website van de VNG is een voorbeeld16 van deze verordening te vinden. De verordening dient door de gemeenteraad te worden vastgesteld. De uitvoeringsregels mogen door het college worden vastgesteld. De regels geven de doelstellingen en de grenzen aan waarbinnen het treasurybeleid en de treasuryactiviteiten moeten vallen. Het is van belang dat de geformuleerde hoofddoelstellingen van het financieringsstatuut van de gemeente in lijn zijn met het beheersmatige karakter van de treasury, die gericht is op het minimaliseren van de kosten en het beheersen van de financiële risico’s binnen de gestelde kaders. Denkbare kwaliteitseisen ten aanzien van de eigen geformuleerde beleidskaders zijn: • eenduidig en expliciet geformuleerd; • kort en bondig geformuleerd; • rechtmatig en actueel; • specifieke richtlijnen en uitgangspunten voor deelactiviteiten. Belangrijke aandachtspunten bij het vaststellen van het treasurybeleid zijn: • het vastleggen van voorwaarden en zekerheden voor het verstrekken van leningen en garanties; • het vastleggen van beoordelingscriteria (incl. risicobeoordeling) voor leningen en garanties; • het vastleggen van de status van de gemeente als belegger.
16
http://www.vng.nl/onderwerpenindex/gemeentefinancien/accountantscontrole-begroting-verantwoording/brieven/model-financiele-verordening-ex-artikel-212-gemeentewet Handreiking Treasury 2015
| 46
4.3 Organisatorische aspecten Plaats van treasury in de organisatie Een duidelijke inbedding van de treasury binnen de gemeentelijke organisatie is vooral van belang om een adequate verdeling van de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de treasury mogelijk te maken. Het gaat bij de treasury als organisatie dan om de volgende zaken: • de plaats van de treasury binnen de organisatie, bijvoorbeeld als zelfstandig onderdeel of als een onderdeel van een afdeling; • de mate van centralisatie. Veel gemeentelijke organisaties geven de voorkeur aan een sterke centralisatie van de treasury. Het vergemakkelijkt de invulling van de eisen van functiescheiding en controle. Daarnaast treden door centralisatie schaalvoordelen op, waardoor kostenvoordelen kunnen ontstaan en risico’s beter kunnen worden beheerst. Mandatering Hoewel de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering van de treasuryactiviteiten altijd bij het college van B&W blijft, kunnen de bevoegdheden via mandatering overgedragen worden aan de ambtelijke organisatie. Mandatering biedt uiteraard de volgende voordelen: • de treasury kan slagvaardiger opereren op de financiële markten; • het college wordt niet onnodig belast met de uitvoering van de dagelijkse treasuryactiviteiten.
Randvoorwaarde bij het mandateren van taken en bevoegdheden is dat de uitvoering van het beleid periodiek gecontroleerd en geëvalueerd wordt door het college op basis van verantwoordingsrapportages. Bij het overdragen van taken en bevoegdheden moet rekening gehouden worden met een minimale functiescheiding tussen: de beleidsbepaling, het uitvoeren (frontoffice), het administreren en controleren (backoffice) van en rapporteren over de treasuryactiviteiten. Het is belangrijk dat de intern gemandateerde bevoegdheden bij de financiële tegenpartijen bekend gemaakt worden.
Handreiking Treasury 2015
| 47
Naast beleidsmatige, uitvoerende, controlerende, administrerende en rapporterende taakvelden heeft de treasury ook adviserende taken. Deze taken en verantwoordelijkheden kunnen duidelijk worden vastgelegd en verdeeld volgens het “twee paar-ogenprincipe”. Organisatorische risico’s Organisatorische risico’s betreffen risico’s die samenhangen met de verdeling van verantwoordelijkheden, bevoegdheden, taken en functies (functiescheiding). Deskundigheidsrisico Bij het toewijzen van taken en verantwoordelijkheden kunnen deskundigheidsrisico’s ontstaan, namelijk wanneer de treasurer instrumenten en technieken ondeskundig toepassen en de effecten die dit op de organisatie heeft niet overzien. De kwaliteit van de bezetting is dus erg belangrijk. De treasurer moeten voldoende kennis hebben met betrekking tot financiering- en beleggingsinstrumenten. Frauderisico Een ander organisatorisch risico is het frauderisico. Dit is het risico dat functionarissen bewust middelen van de organisatie vervreemden door oneigenlijke toepassing van bevoegdheden en instrumenten. Formatierisico Ook het formatierisico valt onder de organisatorische risico’s. Dit risico ontstaat als er een te gering aantal functionarissen betrokken is bij het verrichten van transacties en andere treasury handelingen en de administratieve verwerking daarvan.
Door een te grote werkdruk ontstaan er dan risico’s dat zorgvuldigheidsfouten en onjuistheden optreden die niet opgemerkt worden. Verantwoordelijkheidsrisico Het verantwoordelijkheidsrisico is het risico dat de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van een activiteit of de beheersing van een bepaald proces niet duidelijk bij een bepaalde persoon is gelegd. Daardoor worden noodzakelijke handelingen niet verricht of gebeurt er onvoldoende in de procesgang.
Handreiking Treasury 2015
| 48
Bevoegdheden en verantwoordelijkheidsverdeling Treasurycommissie De uitvoering van de treasuryactiviteiten dient zoveel mogelijk binnen de planning & control cyclus (P&C cyclus) van de gemeente opgenomen te zijn. Gemeenten hebben de mogelijkheid om een treasurycommissie in te stellen. Deze commissie komt periodiek bij elkaar om plannen en rapportages te bespreken en afspraken te maken. Dit draagt bij aan de inbedding van de treasury binnen de P&C cyclus. Een treasurycommissie vormt een veel gebruikt overlegorgaan om gestructureerd treasury vraagstukken te bespreken en beslissingen te nemen. Deze commissie wordt gevormd door een afvaardiging vanuit de gemeente, die betrokken en beslissingsbevoegd is ten aanzien van uitvoering van de treasuryactiviteiten, eventueel aangevuld met een externe adviseur.
4.4 Informatie aspecten Om een onderbouwde treasury beslissing te kunnen nemen is het van belang dat onderstaande interne en externe operationele informatie beschikbaar is voor de treasury: • liquiditeitsplanning op korte en middellange termijn; • rentestructuur en rentevisie; • inzicht in kansen/risico’s bestaande portefeuilles (o/g, u/g en garantie)17; • rekening-courant structuur en condities; • saldo-informatie banken.
4.5 Rapportages Rapportages ten aanzien van de treasuryactiviteiten zijn van belang om verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid, de interne controle te ondersteunen en performancemeting mogelijk te maken. Financieringsparagraaf in het BBV Ter vaststelling en verantwoording van het treasurybeleid dient, conform de wettelijke vereisten, in de begroting en in het jaarverslag een financieringsparagraaf opgenomen te worden. Art. 13 van het BBV zegt hierover het
17
o/g: opgenomen gelden. u/g: uitgezette gelden. Zie hoofdstuk 6. Handreiking Treasury 2015
| 49
volgende: ”De paragraaf betreffende de financiering in de begroting bevat in ieder geval de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille’’. Deze brede definitie laat gemeenten veel vrijheid voor het invullen van deze paragraaf. In deze paragraaf kunnen in ieder geval onderstaande aspecten aan de orde komen: • algemene ontwikkelingen (intern/extern); • verwachte liquiditeitsontwikkeling begrotingsjaar; • marktontwikkelingen en rentevisie; • risicopositie bestaande portefeuilles (o/g, u/g, garantie); • samenstelling en resultaat beleggingen; • renterisico’s van het afgelopen jaar, met een rentetypische looptijd tot 1 jaar (kasgeldlimiet); • renterisiconorm bij de begroting 4 jaar vooruit; • voorgenomen liquiditeitsbeheer/transacties; • eventuele risicobeheersmaatregelen, waaronder het hanteren van financiële derivaten. De financieringsparagraaf in het jaarverslag dient in het bijzonder een verschillenanalyse te zijn tussen de plannen, zoals deze zijn opgenomen in de begroting en de realisatie, zoals beschreven in het verslagjaar. Rapportages B&W Naast de financieringsparagraaf in het jaarverslag zal er ook gedurende het begrotingsjaar gerapporteerd moeten worden over de uitgevoerde activiteiten en afwijkingen ten opzichte van de planning.
Periodiek kan de Treasury via managementrapportages het college van B&W en de gemeenteraad informeren over geleverde prestaties en voorstellen voor eventuele beleidswijzigingen. Standaard onderdelen van deze rapportages zijn de renteontwikkeling, het gevoerde rentemanagement, de afgesloten transacties op de geld- en kapitaalmarkten, het portefeuillebeheer, projectfinanciering, liquiditeitenbeheer, etc. Deze rapportages moeten de interne controle (zie paragraaf 4.6) in staat stellen de treasury op haar doelmatigheid te beoordelen. Bij aanmerkelijke tussentijdse verschillen tussen prognoses en realisaties is het aan te bevelen om ook de Raad te informeren. Handreiking Treasury 2015
| 50
4.6 Interne controle Naast het opnemen van controlepunten in de procesgang van activiteiten is het belangrijk dat regelmatig een verbijzonderde controle plaatsvindt. Een dergelijke controle op de naleving van de procedures dient te waarborgen dat functionarissen de procedures blijven naleven. De interne controle heeft twee doelen: • vaststellen of de preventieve maatregelen worden nageleefd en de administratieve vastlegging een juiste, volledige en tijdige weergave is van de stand van zaken op enig moment (rechtmatigheidtoetsing); • controle op de mate waarin de treasury haar doelen realiseert (doelmatigheidstoetsing). Deze controles kunnen transactiegewijs of periodiek worden uitgevoerd. Voorbeelden van controlepunten zijn: • toetsen of bevoegdheden/limieten niet zijn overschreden; • toetsen of procedures zijn opgevolgd; • toetsen of uitvoering binnen het beleidskader heeft plaatsgevonden; • beoordeling liquiditeitspositie; • beoordeling risicopositie; • performancemetingen.
4.7 Risicomanagement Een van de belangrijkste aspecten van treasury is het beheersen van risico’s. Risicomanagement in relatie tot treasurybeheer heeft betrekking op het beheersen van financiële risico’s (renterisico’s, kredietrisico’s, liquiditeitsrisico’s, fundingrisico’s en koersrisico’s). In de hierop volgende hoofdstukken wordt nader in gegaan op deze aspecten. Hieronder worden de belangrijkste aandachtspunten per deelgebied weergegeven. Algemene risicobeheersing: • er wordt voldaan aan de ratingvereisten zoals gesteld in de Ruddo. Renterisicobeheer: • de gemiddelde netto vlottende schuld per kalenderkwartaal dient getoetst te worden aan de kasgeldlimiet;
Handreiking Treasury 2015
| 51
• de hoogte van de jaarlijkse verplichte aflossingen en renteherzieningen dient getoetst te worden aan de renterisiconorm; • de liquiditeitsplanning is de basis voor het indekken van renterisico’s; • financiële derivaten dienen prudent gehanteerd te worden en kunnen helpen bij het tegengaan van het opwaartse renterisico. Kredietrisicobeheer: • inzicht in de leningen/garanties die verstrekt zijn; • inzicht in omvang van de risicopositie; • wijze van monitoring en frequentie ervan; • debiteurenrisico; • de mate waarin risico’s door zekerheden afgedekt zijn. Liquiditeitsrisico: • kan een gemeente tijdig voldoen aan haar verplichtingen? • heeft de gemeente volledig toegang tot (korte) financiering? Fundingrisico: • toegang tot de geld- en kapitaalmarkt.
4.8 Beperkte rol rentevisie Een rentevisie kan als hulpmiddel door gemeenten gehanteerd worden bij het indekken van toekomstige renterisico’s. Een voorwaarde bij het indekken van toekomstige renterisico’s is dat er zekerheid bestaat over de omvang van het toekomstige renterisico. Dit kan een nieuwe investering, een herfinancieringsbehoefte of een renteherziening betreffen. Het moment van indekken en de keus voor een bepaalde leningsvorm kan dan gebaseerd worden op een opgestelde rentevisie.
4.9 Spanningsvelden Tegenwoordig worden treasurers in toenemende mate met spanningsvelden geconfronteerd, vooral door het ontstaan van tijdelijke liquiditeit van financiële middelen die niet hoeven te worden aangehouden in de schatkist (zie nader paragraaf 3.1):
Handreiking Treasury 2015
| 52
Keuze gemeente bij treasury-activiteiten: professioneel of juist niet-professioneel Beleggers moeten zich sinds de implementatie van de MiFID18 in de Wft19 kwalificeren met een bepaalde status, zoals professioneel of juist niet-professioneel. Gemeenten zijn in de basis niet-professioneel. Nietprofessionele beleggers genieten meer bescherming. Het is van belang dat een gemeente zich ervan bewust is dat zij een groter risico loopt op matige tot zelfs misleidende informatie naarmate zij zich “professioneler” kwalificeert. Zo bestaat op informatie zoals prospectussen over beleggingsproducten geen toezicht van de AFM, als deze informatie is gericht aan professionele beleggers; het is aan te bevelen dat een gemeente in haar financiële verordening en in haar financieringsstatuut een doordachte keuze maakt met welke beleggersstatus zij zich wil kwalificeren op de financiële markten bij het uitzetten van liquide middelen die zijn uitgezonderd van het verplicht schatkistbankieren. Nationale- en regionale overheidslichamen worden in de Wft gekwalificeerd als professionele belegger. Het begrip regionale overheidslichamen omvat echter niet Nederlandse gemeenten, provincies en waterschappen (en hun samenwerkingsverbanden).
Artikel 4:18c van de Wft biedt niet-professionele beleggers onder stringente voorwaarden de mogelijkheid een verzoek in te dienen aan de financiële onderneming aangaande verkrijging van de professionele status. Uiteraard is bij de keuze professioneel versus niet-professioneel tevens de deskundigheid van de betreffende treasurer van belang (zie ook paragraaf 4.3). Zorgplicht tegenpartij Het is van belang dat de treasurer zich realiseert of een transactie met een tegenpartij op de financiële markten louter bemiddeling was –“execution only”- of dat er adviezen aan te pas zijn gekomen die een grotere zorgplicht geven aan de tegenpartij; vermijd onduidelijke en dan vaak tegenovergestelde meningen over de aard van de transacties.
18 19
MiFID staat voor Markets in Financial Instruments Directive. Zie bijlage 1 Wft staat voor de Wet op het financieel toezicht. Zie paragraaf 3.7.1. Handreiking Treasury 2015
| 53
Afbreukrisico Ook is van belang dat de gemeente of de treasurer zich ervan bewust is dat een verkeerd uitpakkende beleggingsbeslissing een afbreukrisico kan inhouden voor de gehele gemeentelijke sector. Tijdelijke liquiditeit Met betrekking tot tijdelijke liquiditeit worden ook nog de volgende twee spanningsvelden opgemerkt: • Verschillende provincies en gemeenten bezaten aandelen in bedrijven die dividend uitkeren. Door de verkoop van deze aandelen vallen deze inkomsten weg. Via het schatkistbankieren, ontvangen de provincies en gemeenten rendement. Daarnaast kunnen deze gelden ook gebruikt worden voor de publieke taak. De treasurer zou een adviserende rol kunnen spelen bij het voorbereiden van de financiering van nieuwe publieke taken. • Bovendien kan zogenoemde balansverlenging optreden als na vorming van grote vermogens de eventueel grote schulden niet worden afgelost, terwijl dat wel mogelijk zou zijn geweest. Het is van belang dat de treasurer zich ervan bewust is dat onnodige balansverlenging, zeker als daar tijdelijke liquiditeit bij meespeelt, lijkt op near banking. Dit verdient niet de aanbeveling.
Het wettelijk kader als minimum Daarbij is van belang dat de Raad, B&W en de treasurer zich ervan bewust zijn dat het fido-kader (zie paragraaf 3.1) het minimum is voor normen om de financieringsrisico’s te beheersen en dat het gemeentelijk sentiment over risico’s aanleiding kan zijn om eventueel nog scherpere normen in het financieringsstatuut of in treasury-beleidsstukken op te nemen. Risico en rendement Het is van belang dat alle betrokkenen zich ervan bewust zijn dat een hoger rendement een hoger risico impliceert.
Handreiking Treasury 2015
| 54
4.10 Kritische vragen met betrekking tot de treasuryorganisatie Met betrekking tot de treasuryorganisatie kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Wat zijn de doelstellingen van de treasury van onze gemeente?
x
x
x
Heeft de treasury voldoende prioriteit/ is er voldoende tijd om de taken naar behoren uit te voeren?
x
Hoe is het kennisniveau binnen treasury?
x
Hoe wordt het kennisniveau op peil gehouden?
x
Is de treasury bij minimaal twee mensen belegd (c.q. is er back-up geregeld)?
x
Kunnen afgesloten producten en overeengekomen afspraken ten behoeve van derden (leningen en garanties) worden geadministreerd?
x
Bevat de paragraaf financiering ten minste de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille?
x
x
x
Is er ingegaan op het uitsluitend aangaan van leningen, het uitzetten van middelen en verlenen van garanties ten behoeve van de uitoefening van de publieke taak?
x
x
x
Is er aandacht besteed aan het prudente karakter van uitzettingen en derivaten?
x
x
x
Is er een (samenvatting van het verwachte) risicoprofiel van de financieringsportefeuille opgenomen?
x
x
X
Is er aandacht besteed aan de interne en externe ontwikkelingen die invloed hebben op de financieringsfunctie?
x
x
X
Handreiking Treasury 2015
| 55
Is er aandacht besteed aan de beleidsvoornemens voor de financiering (financieringspositie, leningenportefeuille en de uitzettingen)?
x
x
X
Is er specifiek aandacht voor de nazorgfondsen (provincies)?
x
x
x
• Ten aanzien van beleidsmatige aspecten in relatie tot de treasuryorganisatie wordt verwezen naar paragraaf 4.2. • Voor organisatorische risico’s met betrekking tot de treasuryorganisatie wordt verwezen naar paragraaf 4.3.
Ten aanzien van de financieringsparagraaf bij de begroting kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
x
x
x
Is er een rentevisie, zie ook paragraaf 4.8, beschikbaar? • zo nee: wat maakt dat de gemeente geen rentevisie heeft opgenomen in de paragraaf? • zo ja: op welke wijze is deze rentevisie tot stand gekomen?
• Voor inzicht in de kansen en risico’s van bestaande portefeuilles (opgenomen gelden, uitgezette gelden en garantie) wordt verwezen naar de vragen onder deze kop in paragraaf 6.6 • Ten aanzien van de liquiditeitsontwikkeling wordt verwezen naar de vragen in paragraaf 5.4
Ten aanzien van de financieringsparagraaf bij het jaarverslag kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Hoe kunnen we vaststellen dat de treasury doelmatig is uitgevoerd?
x
x
x
Ingeval de renterisiconorm (zie par. 6.3) is overschreden: wat is daarvoor de reden? Hoe wordt hiermee omgegaan?
x
x
x
Handreiking Treasury 2015
| 56
Ingeval de kasgeldlimiet (zie paragraaf 5.6) is overschreden: wat is daarvoor de reden? Hoe wordt hiermee omgegaan?
x
x
Wordt de liquiditeitsplanning (zie paragraaf 5.3) tegen de werkelijkheid afgezet? Zo nee, waarom niet? (leereffecten)?
x
x
x
Ten aanzien van het financieringsverslag wordt verwezen naar paragraaf 4.4 en 4.5
Ten aanzien van het beheersen van risico’s kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Tegen welke soorten risico (krediet-, rente-, liquiditeitsrisico?) beschermt de treasury zich?
x
x
x
Op welke wijze wordt risicomanagement uitgevoerd?
x
x
Welke dekkingsstrategie wordt toegepast (alles, gedeeltelijk of niets afdekken)?
x
x
Wordt college en/of raad periodiek voorzien van rapportages t.a.v. posities, risico’s, limieten (en met welke frequentie)?
x
x
Is er een functiescheiding tussen degene die de lening aantrekt, de administratie doet en de autorisatie geeft?
x
x
x
Voor vragen met betrekking tot renterisicomanagement wordt verwezen naar paragraaf 4.7.
Handreiking Treasury 2015
| 57
Kasbeheer
Handreiking Treasury 2015
| 58
Onder Kasgeldbeheer valt het rekeningenbeheer en beheer van de financiële posities met een looptijd tot 1 jaar. Hierbij ligt de focus vooral op het beheer van de geldstromen en saldi op rekening courant. In dit hoofdstuk zijn de activiteiten opgesplitst in: • Rekeningbeheer; • Saldo- en liquiditeitenbeheer; • Schatkistbankieren; • Betalingsverkeer; • Beheersing van renterisico’s Daarnaast wordt ingegaan op de beheersing van de renterisico’s op de geldmarkt. In de slotparagraaf volgt een reeks met vragen met betrekking tot kasbeheer.
5.1 Rekeningbeheer Voor een efficiënt rekeningbeheer is het van belang dat de rekeningen niet teveel versnipperd zijn over verschillende banken. Concentratie van rekeningen bevordert een effectief saldobeheer. Een efficiënte structuur bestaat uit een beperkt aantal rekeningen en een beperkt aantal bankrelaties. Het is vanzelfsprekend dat het beheren van één bankrekening eenvoudiger en efficiënter is dan het beheren van twintig rekeningen bij vier verschillende banken. Als een gemeente meerdere bankrekeningen aanhoudt bij één bank, verdient het aanbeveling om deze rekeningen op te nemen in een saldo- en rentecompensatiecircuit. Hierbij worden de debeten creditsaldi van alle rekeningen samengevoegd tot één gecombineerd saldo. Vervolgens berekent de bank de te betalen/ontvangen rente over dit gecombineerde saldo. De rentekosten worden hierdoor gereduceerd, maar ook de interne kosten, omdat de Treasury alleen het gecombineerde saldo van het circuit hoeft te beheren en niet het saldo van iedere rekening. Doelstelling voor de Treasury is om op het rekeningstelsel gunstige/ marktconforme rekeningvoorwaarden af te spreken. Goede rekeningvoorwaarden bevorderen de opbrengsten en verminderen de benodigde inspanningen voor het saldobeheer. De voorwaarden op rekening-courant bestaan uit de rentetarieven, kredietfaciliteiten en provisie.
Vanuit het oogpunt van transparantie is het goed om de rentecondities te relateren aan een interbancaire referentierente (Euribor/Eonia). Handreiking Treasury 2015
| 59
5.2 Saldo- en liquiditeitenbeheer Het saldobeheer richt zich op een optimale allocatie van de dagelijkse rekening-courant saldi, ten aanzien van het valutaire saldo (renteresultaat) evenals het minimaliseren van de rentekosten en het maximaliseren van de rentebaten van de saldi op rekening-courant. Het liquiditeitenbeheer probeert door middel van het opstellen van een prognose van de verwachte in- en uitgaande geldstromen (de liquiditeitsplanning) de financieringsbehoefte tot de periode van 1 jaar inzichtelijk te maken. Dit gebeurt om de minimale liquiditeitspositie te kunnen vaststellen ten einde op elk willekeurig tijdstip aan de behoefte aan geldmiddelen te kunnen voldoen en daarnaast het renteresultaat te kunnen optimaliseren. Met deze renteoptimalisatie wordt bedoeld dat tijdelijke tekorten (korter dan één jaar) worden opgevangen door geld aan te trekken tegen minimale kosten en dat tijdelijke overschotten tegen maximale opbrengsten en met minimale risico’s worden uitgezet, rekening houdend met de eisen in de Wet fido en onderliggende regelgeving. Uitgangspunt voor het saldo- en liquiditeitenbeheer is het valutaire saldo op de rekening-courant. Men doet er goed aan dit saldo ook aan te passen voor de betalingen en ontvangsten ‘in de pijplijn’.
Deze betalingen en ontvangsten hebben consequenties voor het valutaire20 saldo van die dag, maar zijn nog niet op het ontvangen afschrift verwerkt. Bij het saldo- en liquiditeitenbeheer is het belangrijk dat een gemeente vanuit het oogpunt van renterisicobeheersing de kasgeldlimiet niet overschrijdt. Indien een gemeente voor het derde achtereenvolgende kwartaal de kasgeldlimiet overschrijdt, dient de gemeente haar toezichthouder hiervan op de hoogte te stellen en een plan voor te leggen om binnen de kasgeldlimiet te blijven. De aandachtspunten bij saldobeheer zijn als volgt: • het bepalen van de te beheren positie; • het opzet van een efficiënte rekeningstructuur; • het afspreken van gunstige en/of marktconforme rekeningcondities; • de technieken en instrumenten die gebruikt kunnen worden voor het beheren van de positie;
20
Dit is het daadwerkelijke saldo waarover de bank ook de rente berekend, in tegenstelling tot het boeksaldo wat aangeeft welke bedragen er die dag al verwerkt zijn op de bankrekening Handreiking Treasury 2015
| 60
• het opzetten en beheren van een efficiënte interne en externe informatievoorziening om tijdig de valutaire saldi te kunnen bepalen en beheren; • de vereiste interne controles en performance metingen. Het verdient aanbeveling om het treasurybeleid tevens te concretiseren in limieten en bevoegdheden zoals: • het maximaal aantal bankrelaties en bankrekeningen; • de maximale/minimale positie per bankrelatie; • de limiet per medewerker per instrument per dag (inclusief procuratie); • bevoegdheden om rekeningen te openen/af te sluiten; • bevoegdheden om rekeningcondities vast te leggen.
5.3 Liquiditeitsplanning Om te kunnen bepalen welke transacties de Treasury moet verrichten, is inzicht nodig in de toekomstige liquiditeitsposities. Hierbij is een liquiditeitsplanning een noodzakelijk instrument. De liquiditeitsplanning dient inzicht te geven in de liquiditeitspositie en -behoefte van een gemeente. Op basis van een zo nauwkeurig mogelijke voorspelling van de in- en uitgaande geldstromen kan de organisatie tijdig actie ondernemen om tekorten aan te vullen en overschotten uit te zetten. Naast deze functie is de liquiditeitsplanning een hulpmiddel om de rente-exposure te bepalen en het dagelijkse saldo te beheren. Doelstellingen liquiditeitsplanning • Meer grip op de geldstromen in de gemeentelijke organisatie en de daarmee samenhangende risico’s; • Meer aandacht voor het liquiditeitsverloop van projecten en investeringen binnen de P&C cyclus. Vereisten om tot een goede liquiditeitsplanning te komen • Projectleiders van het grondbedrijf en van grote investeringsprojecten betrekken bij de totstandkoming van de liquiditeitsplanning; • Goede communicatie/ informatie-uitwisseling tussen de treasurer en de projectleiders; Een liquiditeitsplanning blijkt meer en meer van belang voor een rechtmatigheidverantwoording van het eigen handelen. Dit geldt voor zowel het aantrekken als het uitzetten van middelen.
Op deze manier is beter aantoonbaar dat (de schijn van) bankieren wordt vermeden. Een liquidiHandreiking Treasury 2015
| 61
teitsplanning geeft minimaal één jaar vooruit op maandbasis en vier jaar vooruit op jaarbasis een voortschrijdend inzicht van de verwachte liquiditeitsontwikkeling. Daarnaast vindt op de rapportagemomenten het vergelijk plaats tussen planning en realisatie. Hierdoor kunnen de grote verschillen geanalyseerd worden en deze informatie meegenomen worden bij het actualiseren van de planning. Uit de begroting kan de treasurer veel informatie halen over verwachte inkomsten en uitgaven. Deze verwachtingen laten zich vertalen naar geldstromen. Niet alle baten en lasten uit de begroting leiden tot uitgaven en inkomsten, denk hierbij aan interne verrekeningen, afschrijvingen en dotaties/onttrekkingen aan reserves en voorzieningen. Bovendien laten deze geldstromen zich nader specificeren naar tijdstippen waarop betalingen zullen worden verricht en ontvangsten worden verwacht. De daaruit resulterende informatie kan dan vervolgens in een liquiditeitsplanning worden opgenomen. Voor het nader specificeren naar tijdstippen heeft de treasurer hulp uit de organisatie nodig. De diverse budgethouders kunnen als rapporteurs van planningsinformatie worden aangewezen. Zij kunnen verantwoordelijk worden gesteld voor het aanleveren van gegevens en de kwaliteit van de door hen aangeleverde gegevens.
Hierbij wordt zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de periodieke rapportages in het kader van de planning en control cyclus binnen de gemeente. Tussentijdse substantiële wijzigingen worden uiteraard direct in de planning verwerkt In een vroeg stadium zullen globale planningsgegevens beschikbaar zijn. Hoe dichter de datum van realisatie nadert, des te specifieker en juister zullen de prognoses kunnen worden. Er is dus sprake van een continu proces en een continue inspanning die van de budgethouders wordt gevraagd. Ter illustratie is in bijlage 6 een checklist voor een plan van aanpak voor een liquiditeitsplanning opgenomen.
Handreiking Treasury 2015
| 62
5.4 Schatkistbankieren Decentrale overheden zijn verplicht hun overtollige middelen aan te houden in de schatkist. Hierop bestaan enkele uitzonderingen. De wet- en regelgeving en de uitzonderingen op het verplicht schatkistbankieren zijn behandeld in hoofdstuk 3. 5.4.1 Het aanhouden van middelen in rekening courant bij de schatkist Over de overtollige middelen, die decentrale overheden aanhouden in de rekening-courant van de schatkist en op elk moment kunnen opnemen, wordt een daggeldrente vergoed, het Eonia tarief afgerond op 2 decimalen. Mocht deze daggeldrente negatief zijn dan wordt de rente gelijk gesteld aan nul. 5.4.2 Het plaatsen van deposito’s bij de schatkist Naast het aanhouden van middelen in de rekening-courant bij de schatkist is het ook mogelijk om gelden via deposito’s onder te brengen in de schatkist. Het plaatsen van een deposito (via de Internetfaciliteit) en de renteontvangst en aflossing van een deposito lopen via de rekening-courant van de desbetreffende decentrale overheid bij de schatkist. Een deposito moet minimaal €10.000 groot zijn; deposito’s aanhouden bij banken is niet langer toegestaan. De looptijden variëren van 2 dagen tot en met 30 jaar. De rentevergoeding via de rekening-courant bij de schatkist is afhankelijk van de looptijd van het deposito.
De rentevergoedingen zijn voor deposito’s met een looptijd langer dan een jaar gelijk aan het effectief rendement op staatsobligaties met dezelfde looptijd (het DSL tarief ). Voor deposito’s met een looptijd korter dan een jaar is de rente gelijk aan de rente op door het Rijk uitgegeven schatkistpapier (DTC’s) met dezelfde looptijd. Als het betreffende DSL of DTC tarief negatief is dan wordt de bijbehorende depositorente gelijk gesteld aan nul. De rentetarieven worden elke werkdag geactualiseerd. Het gedeeltelijk vervroegd opnemen van een deposito is niet mogelijk. Een deposito kan alleen in z’n geheel bij de schatkist vervroegd worden opgenomen tegen de actuele marktwaarde. Het vervroegd opnemen van een deposito mag alleen als (een deel van) het geld nodig is voor het uitoefenen van de publieke taak. Als het deposito groter is dan het bedrag dat nodig is voor de publieke taak dan mag de rest van het vrijgevallen deposito wel opnieuw in een deposito worden weggezet. Handreiking Treasury 2015
| 63
5.4.3 Zero-balancing Om te garanderen dat er aan het einde van de dag geen middelen op bankrekeningen buiten de schatkist staan wordt gebruik gemaakt van zero-balancing. Decentrale overheden kunnen een nieuwe bankrekening openen, die wordt gebruikt voor het zero-balancing. Zero-balancing betekent dat de bank het saldo op een bankrekening van de deelnemer aan het einde van de dag overboekt naar een bankrekening van het ministerie van Financiën bij dezelfde bank of juist aangevuld tot nul vanaf de rekening van het ministerie. In de praktijk betekent dit dat een (nieuwe) bankrekening van de decentrale overheid gekoppeld wordt aan de rekening-courant van de decentrale overheid bij de schatkist. Door die koppeling wordt een positief saldo op de bankrekening afgeroomd ten gunste van de rekening-courant bij de schatkist of wordt een negatief saldo aangevuld ten laste van die rekening-courant, daarmee eindigt de bankrekening van de deelnemer de dag met een saldo van nul. Het bedrag dat maximaal kan worden opgenomen van de rekeningcourant is gelijk aan de intradaglimiet van de (nieuwe) bankrekening.
Hoe het overmaken en opnemen uit de schatkist werkt, wordt in de volgende paragrafen uitgelegd. 5.4.4 Overtollige middelen naar de schatkist overmaken Decentrale overheden zijn zelf verantwoordelijk voor de hoeveelheid geld die naar de schatkist wordt geboekt, of juist uit de schatkist wordt teruggehaald. Als de gemeente overtollige middelen niet (direct-) nodig heeft voor de uitvoering van de publieke taak en dus in principe op de rekening-courant bij de schatkist moet storten, dan verloopt dit via een overboeking naar de nieuwe bankrekening. Het kan zijn dat de gemeente slechts tijdelijk wat meer overtollige middelen heeft en niet wordt verwacht dat de gemeente daardoor over het hele kwartaal genomen het drempelbedrag overschrijdt. De gemeente kan dan besluiten om de overtollige middelen op de reguliere betaalrekening(en) te laten staan. Als wordt besloten om de overtollige middelen over te hevelen Handreiking Treasury 2015
| 64
naar de rekening-courant bij de schatkist, dan kan dit door simpelweg een bedrag over te maken naar de geopende nieuwe bankrekening (tussenrekening). Deze overboeking dient bij voorkeur vóór 15.30 uur voltooid te zijn; houdt hierbij rekening met de verwerkingstijden zoals de bank die hanteert voor overboekingen. Door overboekingen vóór 15.30 uur te voltooien is het Agentschap nog in de gelegenheid om in zijn eigen cash management rekening te houden met de kasstromen uit hoofde van schatkistbankieren. Aan het einde van de dag wordt het saldo van de nieuwe bankrekening van de gemeente afgeroomd naar de schatkist, het precieze tijdstip waarop dit gebeurt, verschilt per bank. In de loop van de volgende dag is het bedrag dat de gemeente heeft overgeboekt zichtbaar in de rekening-courant van de gemeente bij de schatkist. 5.4.5 Geld opnemen uit de schatkist Indien de gemeente middelen nodig heeft die bij de schatkist worden aangehouden, dient de gemeente de nieuwe bankrekening te debiteren. In dat geval staat de nieuwe bankrekening gedurende de dag rood; dit negatieve saldo wordt aan het eind van de dag aangezuiverd vanuit de rekening-courant van de gemeente bij de schatkist.
Geld opnemen uit de schatkist kan per dag tot het bedrag van de intradaglimiet.21 Als de intradaglimiet niet hoog genoeg is, bijvoorbeeld omdat de gemeente een eenmalige uitzonderlijk hoge betaling moet doen ten laste van de rekening-courant bij de schatkist, dan is het mogelijk om via de website van het Agentschap de intradaglimiet incidenteel te verhogen. In overleg met het Agentschap kan de gemeente de intradaglimiet ook permanent aanpassen. Dit kan in beginsel ook als de gemeente daarvoor niet voldoende saldo op de rekening-courant bij de schatkist heeft staan. Hierdoor kan de gemeente (per ongeluk) bij de schatkist rood komen te staan. Het Agentschap neemt dan contact op met het verzoek de roodstand ongedaan te maken. Door de technische inrichting van het schatkistbankieren, kan dit niet voorkomen worden. Omdat het wetsvoorstel roodstand bij de schatkist niet toestaat, wordt er een boeterente van 100 basispunten in rekening gebracht bovenop het Eonia tarief. Voor kredieten en leningen (kort en lang) kunnen decentrale overheden terecht bij private partijen.
21
De intradaglimiet is het maximale bedrag dat de (nieuwe) bankrekening binnen een werkdag debet mag staan. Handreiking Treasury 2015
| 65
5.4.6 Drempelbedrag: maximale bedrag aan overtollige middelen dat een decentrale overheid buiten de schatkist mag houden Het drempelbedrag is het maximale bedrag dat een decentrale overheid over een heel kwartaal gezien gemiddeld op dagbasis buiten de schatkist mag houden.
Het drempelbedrag is gebaseerd op een gemiddelde per kwartaal. Het gemiddelde voor alle dagen in het kwartaal mag dan niet hoger zijn dan het drempelbedrag. In de toelichting op de balans in de jaarrekening moet gerapporteerd worden over de hoogte van het drempelbedragen over het gebruik ervan. Het drempelbedrag is bedoeld om te voorkomen dat deelnemers niet elke dag elke laatste euro naar de schatkist hoeven over te boeken. Het kan namelijk voorkomen dat er nog ontvangsten binnen komen bij de bank van de gemeente nadat de werkdag voorbij is. Het drempelbedrag kan ook gebruikt worden om fluctuaties in kasstromen op te vangen, of om niet elke bankrekening dagelijks te hoeven afromen naar nul. Als een gemeente een keer vergeet om middelen af te romen naar de schatkist, dan kan het drempelbedrag voldoende flexibiliteit geven om dit in de rest van het kwartaal te compenseren. Voor kleine organisaties met voorspelbare inkomsten en uitgaven geeft het drempelbedrag de mogelijkheid om slechts een keer per week of nog minder vaak geld over te maken naar de schatkist. Voor verdere informatie, zie bijlage 5. 5.4.7 Onderling lenen In uitzondering op de algemene regel mogen decentrale overheden elkaar onderling overtollige middelen uitlenen, zo lang er geen sprake is van een toezichtsrelatie. Het verbod op verkapt bankieren blijft wel gehandhaafd.
Het is dus niet toegestaan om geld in te lenen met als doel dit onderling uit te lenen. Daarnaast moet nog worden gelet op overige (Europese) wet- en regelgeving, zoals mededingingsregels en staatssteun. Iedere decentrale overheid moet de onderlinge leningen elk kwartaal rapporteren aan het CBS.
Handreiking Treasury 2015
| 66
Bij de afweging om onderling te gaan lenen moet de (meerjarige) liquiditeitsprognose en de rentevisie worden betrokken. Daarnaast is het aan te bevelen om een aanvullende kaderstelling vast te stellen waarin de volgende aspecten kunnen worden betrokken: • Een maximaal percentage van de totale financieringsomvang van de ontvangende partij. • Een absoluut bedrag per lening. • Een geformuleerde minimale rendementseis boven de deposito’s bij de schatkist. Verantwoording over het onderling lenen vindt plaats via jaarrekening, begroting en de Iv3. Voor de wettelijke regels voor onderling lenen wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2.1. 5.4.8 Het aanvragen van een uitzondering op schatkistbankieren Op verzoek van een decentrale overheid kan de minister van Financiën deze decentrale overheid uitzonderen van de verplichting om een tussenrekening aan te houden bij een of meer banken ten behoeve van zero-balancing. Een uitgezonderde decentrale overheid hoeft dan dus geen nieuwe bankrekening te openen voor het schatkistbankieren, en krijgt ook geen eigen rekening-courant bij de schatkist.
Deze uitzondering wordt in twee situaties verleend: Bij (1) decentrale overheden zonder eigen middelen en dus zonder eigen bankrekening (zoals bij een gemeenschappelijke regeling waarvan de inkomsten en uitgaven direct worden gedaan door de deelnemers en dus niet door de gemeenschappelijke regeling zelf ), en (2) decentrale overheden die in staat zijn om hun overtollige middelen via een andere decentrale overheid bij de schatkist aan te houden. Deze uitzondering is bedoeld voor bijvoorbeeld gemeenschappelijke regelingen waarvan de treasury wordt uitgevoerd door een van de deelnemers.
Handreiking Treasury 2015
| 67
Het aanvragen of wijzigen van een uitzondering kan via de website22 van het Agentschap van de Generale Thesaurie van het ministerie van Financiën. Het agentschap publiceert op de website ook een lijst van de decentrale overheden die zijn uitgezonderd. Wanneer gemeenten bijvoorbeeld in het kader van de drie grote decentralisaties, een nieuwe gemeenschappelijke regeling oprichten die rechtspersoonlijkheid heeft (een openbaar lichaam), dan is die gemeenschappelijke regeling verplicht zich aan te melden voor deelname aan schatkistbankieren. Aanmelding verloopt via de website van het Agentschap.
5.5 Betalingsverkeer De doelstelling bij het betalingsverkeer is om de kwaliteit van de dienstverlening bij het uitvoeren van dit betalingsverkeer te waarborgen en te verbeteren en daarbij de interne en externe kosten en risico’s bij het verwerken van betalingen te minimaliseren. Het doen en verwerken van betalingen is een laatste schakel in de procesketen van het debiteuren- en crediteurenbeheer. De nadruk dient vooral te liggen op het zo effectief en efficiënt mogelijk aanmaken en verwerken van de betaalstromen. In deze lijn past het zoveel mogelijk elektronisch verwerken van betaalinformatie en zoveel mogelijk terugdringen van het chartale betalingsverkeer. Daarnaast is het essentieel dat de (interne) risico’s in het betaalproces worden geminimaliseerd. Dit betekent dat het van belang is dat er voldoende functiescheiding is tussen functionarissen die in de crediteurenadministratie kunnen muteren, de 1e en 2e handtekening onder de betalingen zetten en de controle op de uitgevoerde betalingen doen.
22
http://www.dsta.nl Handreiking Treasury 2015
| 68
Aandachtspunten bij het betalingsverkeer zijn: • Betaalbeleid: Gehanteerde betalingstermijn in de algemene inkoopvoorwaarden; • Debiteurenbeheer: Gestelde betaaltermijnen en de actieve monitoring hiervan. Daarnaast verdient het aanbeveling om een stappenplan op te stellen voor debiteuren die niet aan hun verplichtingen kunnen voldoen; • Autorisatie: Scheiding tussen 1ste en 2de handtekening binnen het elektronisch bankieren systeem; • Chartaal betalingsverkeer: Het chartale betalingsverkeer dient zo veel mogelijk teruggedrongen te zijn/worden; • Het beschikken over meer dan 1 betalingsverkeersysteem in verband met mogelijke storingen in het elektronisch betalingsverkeer.
5.6 Beheersing van renterisico’s: kasgeldlimiet Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het beheersen van risico’s die samenhangen met de rentelasten van decentrale overheden. Teneinde een grens te stellen aan korte financiering (rentetypische looptijd tot één jaar) is in de Wet fido de kasgeldlimiet opgenomen. Juist voor korte financiering geldt dat het renterisico aanzienlijk kan zijn, aangezien fluctuaties in de rente bij korte financiering direct een relatief grote invloed hebben op de rentelasten. De kasgeldlimiet wordt berekend als een percentage van het totaal van de jaarbegroting van de gemeente bij aanvang van het jaar. In de Wet fido wordt de gemiddelde korte financiering (de netto vlottende schuld) per drie maanden getoetst aan de kasgeldlimiet. Hiertoe wordt het gemiddelde genomen van de korte financiering op de eerste dag van de drie kalendermaanden in een kwartaal. Hierover wordt eenmaal per jaar gerapporteerd in de financieringsparagraaf bij de begroting en het jaarverslag.
Handreiking Treasury 2015
| 69
Toets kasgeldlimiet Omvang begroting per 1 januari xx (= grondslag)
Bedragen in euro’s per kwartaal Kw1
Kw2
Kw3
Kw4
-in procenten van de grondslag
%
%
%
%
-in bedrag
€
1. Toegestane kasgeldlimiet
2. Omvang vlottende korte schuld Opgenomen gelden < 1 jaar
+/+
+/+
+/+
+/+
Schuld in rekening-courant
+/+
+/+
+/+
+/+
Gestorte gelden door derden < 1 jaar
+/+
+/+
+/+
+/+
Totale omvang van de vlottende schuld
+/+
+/+
+/+
+/+
Contante gelden in kas
-/-
-/-
-/-
-/-
Tegoeden in rekening-courant
-/-
-/-
-/-
-/-
Overige uitstaande gelden < 1 jaar
-/-
-/-
-/-
-/-
3. Vlottende middelen
Totale omvang van de vlottende omvang Toets kasgeldlimiet 4. Totaal netto vlottende schuld (2)-(3) Toegestane kasgeldlimiet (1) Ruimte (+)/Overschrijding (-) = (1)-(4)
Handreiking Treasury 2015
| 70
5.7 Kritische vragen met betrekking tot kasbeheer Met betrekking tot kasbeheer kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk College
Is er een liquiditeitsplanning voor korte en middellange termijn is opgenomen
x
x
Ingeval er een overzicht van de liquiditeitsontwikkeling is opgenomen: • wat is de kwaliteit van de liquiditeitsplanning? • worden informatiestromen geanalyseerd? • worden er voorstellen gedaan voor transacties? • zo ja: is de kwaliteit van de liquiditeitsplanning voldoende basis om financiering op aan te trekken? Matchen planning en realisatie? Of is juist sprake van periodieke onderuitputting en wijken planning en realisatie stelselmatig af? • zo niet: welke risico’s lopen we (overfinanciering?) • zo nee: wat maakt dat er geen voorstellen worden gedaan tot voorgenomen financieringsbeslissingen op basis van de liquiditeitsplanning?