Handreiking-treasury-2015
Tekst van het document
x
x
Wordt de liquiditeitsplanning (zie paragraaf 5.3) tegen de werkelijkheid afgezet? Zo nee, waarom niet? (leereffecten)?
x
x
x
x
Raad x
Ingeval het drempelbedrag wordt overschreden: wat is daarvan de reden? Waardoor wordt overschrijding veroorzaakt? Wordt onderling lenen toegepast en onder welke voorwaarden? Ingeval de kasgeldlimiet is overschreden: wat is daarvan de reden? Hoe wordt hiermee omgegaan? Wat maakt dat deze limiet wordt overschreden?
Voor vragen met betrekking tot risicomanagement wordt verwezen naar paragraaf 4.7 Ten aanzien van het kader van kasbeheer wordt verwezen naar hoofdstuk 5.
Handreiking Treasury 2015
| 71
x
Portefeuillebeheer
Handreiking Treasury 2015
| 72
6.1 Inleiding De term portefeuillebeheer wordt gehanteerd voor alle activiteiten die betrekking hebben op het aantrekken, uitzetten of garanderen van financiële middelen met een periode vanaf één jaar. In dit hoofdstuk is onderscheid gemaakt naar: • Opgenomen gelden (O/G) portefeuille; • Beheersing van renterisico’s; • Derivaten; • Uitgezette gelden (U/G) portefeuille.
6.2 Opgenomen gelden (o/g) portefeuille 6.2.1 Geld- en kapitaalmarkt Financiële markten zijn virtuele handelsplaatsen waar financiële producten worden verhandeld. Een scherpe scheiding tussen de geld- en kapitaalmarkt is er niet. De bestaansgrond voor de financiële markten is het op elkaar afstemmen van liquiditeitstekorten en overschotten. De partijen op deze markten bestaan dan ook uit (Centrale) Banken, overheden en institutionele beleggers als pensioenfondsen en verzekeraars. Op de geldmarkt reguleren de banken hun liquiditeitsposities van zichzelf en anderen voor de korte termijn. Ook geldmakelaars brengen vraag en aanbod van klanten bij elkaar. De producten zijn o.a. daggeldleningen, kasgeldleningen met looptijden van 1 of meer weken tot maanden en leningen. De tariefstelling op de geldmarkt is gebaseerd op de rentetarieven die de Europese banken elkaar onderling in rekening brengen, de Euribortarieven ( Euro interbank offered rates). De Europese centrale bank (ECB) heeft een beleidsinstrumentarium om de liquiditeitspositie van banken te beïnvloeden. Daarmee kan de ECB de rentetarieven op de geldmarkt in hoge mate sturen. Op de website van DNB en ECB is hierover informatie te verkrijgen. Op de kapitaalmarkt vindt handel in vermogenstitels plaats en de handel in derivaten. Producten zijn o.a. onderhandse leningen, Medium term notes en obligaties.
De prijsstelling komt tot stand door vraag en aanbod en wordt weergegeven in de rentecurve of swapcurve. Daarbij wordt voornamelijk gekeken naar de handel in staatsleningen met diverse looptijden. Het Handreiking Treasury 2015
| 73
absolute niveau van de rentecurve wordt bepaald door onder meer het monetaire beleid, de economische ontwikkeling en internationale kapitaalstromen. 6.2.2 Producten kapitaalmarkt Een onderhandse lening is een lening waarbij een geldnemer geld leent van één of enkele geldgevers. De verschillende partijen maken zelf de afspraken. De onderhandse lening is het instrument dat het meest wordt gebruikt bij de financiering van decentrale overheden. Onderhandse leningen hebben de volgende kenmerken: • Het zijn maatwerkafspraken tussen geldgever en geldnemer; • Doordat partijen bekend zijn, zijn ze vaak snel en eenvoudig te regelen; • De verhandelbaarheid is beperkt. Bij het afsluiten van een onderhandse lening moet in acht genomen worden dat de sectorbanken BNG en NWB binnen een dag tot storting van de lening kunnen overgaan maar dat andere partijen soms meer dan een week nodig hebben voor de administratieve afwikkeling alvorens tot storting te kunnen overgaan. Overleg vooraf kan daarom verstandig zijn. Gemeenten behoren, naast woningcorporaties en nutsbedrijven, tot de grootste partijen die opereren op de onderhandse kapitaalmarkt. De financieringsbehoefte van individuele gemeenten zijn doorgaans niet van een dergelijke omvang dat een gemeente zelf een openbare emissie uitgeeft.
In bijlage 8 zijn de meest voorkomende typen kapitaalmarktleningen opgenomen die geschikt zijn voor gemeenten. Er zijn staatsrechtelijk checks and balances ingebouwd die gemeenten verzekeren van de hoogste graad van kredietwaardigheid. Hierdoor is het kredietrisico voor financiers laag: • artikel 189 Gemeentewet, dat een structureel en reëel evenwicht in de begroting voorschrijft; • de Wet fido, waarbij de kredietwaardigheid van gemeenten centraal staat; • artikel 12 Financiële verhoudingswet (Fvw) voor noodsteun aan gemeenten die structureel geen sluitende begroting hebben bij een zeker niveau aan eigen inkomsten. Handreiking Treasury 2015
| 74
Gemeenten worden hierdoor in de markt gezien als gelijkwaardig aan de Nederlandse staat en ondervinden dan ook over het algemeen weinig problemen bij het aantrekken van onderhandse leningen. Verder wordt in een Besluit van DNB aan vorderingen op gemeenten de solvabiliteitsstatus nul toegekend. Dat betekent dat banken bij leningen aan gemeenten geen extra solvabiliteit op hun balans behoeven aan te houden, omdat er geen risico van wanprestatie is. 6.2.3 Procedures Het is verstandig om het afsluiten en administratief afwikkelen van nieuwe langlopende leningen conform een vastgelegde procedure te laten geschieden, waarbij men er goed aan doet om ook de nodige controleslagen in te bouwen. Na het afsluiten van nieuwe langlopende leningen moeten deze administratief worden opgevoerd. Het verdient aanbeveling om de contractstukken in te scannen zodat de contractinformatie, naast fysiek in het archief, ook digitaal beschikbaar is. De procedure voor het aantrekken van een onderhandse geldlening zou kunnen bestaan uit het vooraf registreren van de kenmerken (modaliteiten) van de gewenste onderhandse lening zoals de nominale hoofdsom, de gewenste looptijd, de stortingsdatum, de rentevastperiode en aflossingswijze van de lening.
Ook de vastlegging van de gegevens van de partijen waarbij een offerte wordt opgevraagd en de inschatting van het te verwachten rentetarief kan het offerteproces versnellen en kunnen fouten in het proces voorkomen. De inschatting van het te verwachten rentetarief kan via diverse internet sites van makelaars en/of sectorbanken verkregen worden. Het is aan decentrale overheden zelf om met financiële instellingen te spreken over het rentetarief bij leningen.23
23
Uit onderzoek blijkt dat gemeenschappelijke regelingen licht hogere rentetarieven afspreken dan afzonderlijke gemeenten, het verschil is beperkt: Coelo: ESB Governance d.d. 12 maart 2015 Handreiking Treasury 2015
| 75
6.2.4 Portefeuillebeheer Bij het beheren van een O/G portefeuille is het essentieel dat snel de modaliteiten van de individuele leningen voor de treasury op te roepen zijn. Het op een uniforme wijze vastleggen van de leningen en archiveren van de leningstukken is belangrijk om snel over de benodigde informatie te kunnen beschikken. De beschikbare informatie zal vervolgens vertaald moeten worden in meerjarige renterisico overzichten, waarbij renteconversies en aflossingen vanuit de bestaande portefeuille in beeld worden gebracht. Voor het aangaan van nieuwe langlopende financieringen zullen de financieringskasstromen vanuit de bestaande portefeuille aangevuld moeten worden met de verwachte kasstromen vanuit de exploitatie en de investeringen. Hiermee kan op basis van een meerjarige financieringsplanning (minimaal vier jaar) proactief met toekomstig renterisico omgegaan worden en kunnen onderbouwde financieringsbeslissingen worden genomen door de gemeente. Voor toekomstige langlopende financieringen is het van belang om ervoor te zorgen dat deze passen binnen het renterisicoprofiel van de bestaande portefeuille. Dit houdt in voldoende spreiding van het renterisico, zodat de renterisiconorm in de toekomst niet wordt overschreden. Ook is het van belang de schuldpositie van de gemeente te monitoren.
Dit aspect komt terug in de geplande opname van financiële kengetallen, waaronder één voor de netto schuld, in de begroting en verantwoording. Een gezonde schuldpositie helpt de financiële huishouding structureel op orde te houden.
6.3 Beheersing van renterisico’s: de renterisiconorm Renterisicobeheer omvat het beperken van de invloed van (externe-) rentewijzigingen op de financiële resultaten van de gemeente. Een belangrijk uitgangspunt van de Wet fido is het beheersen van de renterisico’s op de vaste schuld (schuld met een rentetypische looptijd vanaf één jaar). Het renterisico met betrekking tot de renterisiconorm heeft betrekking op de contractuele renteherzieningen en de aflossingen op de vaste schuld. Het renterisico wordt verkleind door aflossingen in de tijd te spreiden. Het renterisico wordt in een jaar getoetst aan de renterisiconorm. De renterisiconorm wordt berekend door een vastgesteld percentage (20% voor de provincies, de gemeenten en de gemeenschappelijke regelingen en 30% Handreiking Treasury 2015
| 76
voor de waterschappen) te vermenigvuldigen met het begrotingstotaal. De renterisiconorm dient jaarlijks als onderdeel van de financieringsparagraaf bij de begroting en het jaarverslag opgenomen te worden. Berekening renterisico en toetsing aan norm. Stap
Variabelen renterisiconorm
Jaar T
(1)
Renteherzieningen
(2)
Aflossingen
(3)
Renterisico (1 + 2)
(4)
Renterisiconorm
(5a) = (4>3)
Ruimte onder renterisiconorm
(5b) = (3>4)
Overschrijding renterisiconorm
Jaar T+ 1
Jaar Jaar T+2 T+3
Renterisiconorm Berekening
Begrotingstotaal jaar T
(4a)
Percentage
(4b)
Regeling Renterisiconorm (van alleen jaar T)
(4)=(4ax4b/100)
Het renterisico kan gestuurd worden door bij het aantrekken van nieuwe langlopende financieringsmiddelen rekening te houden met de vervalkalender en renteherzieningen van de bestaande vaste schuld. Ook de keuze tussen de aflossingsvorm (lineair, annuïtair en fixe) beïnvloedt de aflossingen per jaar en dus ook het renterisico van de komende jaren. Het verlengen van de gemiddelde looptijd van de leningenportefeuille verlaagt het renterisico. Handreiking Treasury 2015
| 77
6.4 Derivaten 6.4.1 Hoofdvormen Gemeenten hebben, bijvoorbeeld vanuit een investeringsprogramma, een financieringsbehoefte. Het aantrekken van financiering brengt echter renterisico’s met zich mee, ofwel onzekerheid over toekomstige renteniveaus. En dus ook over toekomstige rentelasten. Gemeenten kunnen in meer of mindere mate behoefte hebben om deze risico’s te beheersen. Dat kan door middel van derivaten. Derivaten zijn zogenoemde afgeleide producten van traditionele instrumenten. Dat wil zeggen dat de afspraken op een bepaalde contracthoofdsom worden gebaseerd zonder die hoofdsom feitelijk wordt uitgewisseld of gestort. Derivaten betreffen verhandelbare contracten met als onderliggende waarde een geldlening (of belegging). Het voordeel van derivaten is dat zij ingezet kunnen worden tegen specifieke renterisico’s. Traditionele instrumenten en moderne rente-instrumenten De gemeente kan in die behoefte voorzien door het aantrekken van één of meerdere leningen (lineair, annuïtair, fixe), al dan niet met uitgestelde storting. Al naar gelang de looptijd of duur van de financieringsbehoefte zullen de leningen een kortlopend of een langlopend karakter hebben. Dergelijke leningen worden ook wel aangeduid als traditionele instrumenten. Het aantrekken van financiering brengt renterisico’s met zich mee, oftewel onzekerheid over toekomstige renteniveaus.
En dus ook over toekomstige rentelasten. Organisaties kunnen in meer of mindere mate behoefte hebben om deze risico’s te beheersen. Het beheersen van renterisico’s kan door middel van derivaten, ook wel moderne rente-instrumenten genoemd. Fixerend of afschermend karakter Derivaten kunnen een fixerend of een afschermend karakter hebben. Bij fixerende derivaten weet de gemeente vanaf het moment van sluiten van het derivaat welke rentekosten de gemeente gaat betalen. Alle kosten zitten verwerkt in het rentetarief. Een voorbeeld van een fixerend derivaat is een renteswap. Bij afschermende derivaten dekt de gemeente tegen betaling van een premie het risico van een nadelige rentebeweging af. Het effect van een gunstige ontwikkeling van de rente wordt opengehouden.
Handreiking Treasury 2015
| 78
Het voordeel van fixerende derivaten is dat gemeenten hun rentekosten onafhankelijk kunnen maken van bewegingen/veranderingen in de marktrente24. De gemeente weet dus exact wat haar rentekosten zijn. Een nadeel van een fixerend derivaat is dat geen voordeel meer behaald kan worden uit een gunstige (rente)ontwikkeling ten opzichte van een renteoptie. Logischerwijs wordt er ook geen premie betaald. Juist dit laatste is het sterke punt van afschermende derivaten. Voor gemeenten zijn de meest gebruikte (en wettelijke toegestane) derivatenvormen: de rentecap, de renteswap (payer swap, receiver swap, forward starting swap) en de swaption. Zie voor uitleg over de werking van de verschillende derivaten bijlage 7. Niet-effectieve positie De regelgeving voor decentrale overheden stelt dat gemeenten derivaten mogen afsluiten mits zij geen niet-effectieve positie innemen (zie paragraaf 3.2.1). Daarnaast zijn een aantal derivaten voorgeschreven die gemeenten mogen hanteren. Van een niet-effectieve positie is sprake in het geval de onderliggende waarde en de looptijd van financiële derivaten niet overeenkomen met de financieringsbehoefte waarop zij betrekking hebben. Er dient dus een koppeling te zijn tussen de waarde en de looptijd van het derivaat en de waarde en de looptijd van de financieringsbehoefte waarvoor het derivaat is afgesloten.
6.4.2 Derivatenovereenkomsten en onderpandverplichtingen Voor het afsluiten van een swap tekenen de overheidspartij en de bank een derivatenovereenkomst. Daarin staan de voorwaarden voor het gebruik van de derivaten. Voor derivatentransacties hanteren banken een aantal soorten overeenkomsten, zoals de ISDA-overeenkomst (International Swap Derivatives Association) en de RFD (Raamovereenkomst voor Financiële Derivaten). Beide overeenkomsten bestaan uit een hoofdovereenkomst (master agreement), een bijlage (schedule) en een lijst met definities (definitions). De master agreement is een standaarddocument met standaardbepalingen die gelden voor alle derivatencontracten met de betrokken bank. In de schedule kunnen partijen afwijken van de tekst van de master agreement en kunnen partijen aanvullende afspraken maken.
24
Maar niet van veranderingen in liquiditeitsopslagen. Handreiking Treasury 2015
| 79
Voor iedere individuele derivatentransactie onder een ISDA worden daarnaast aparte confirmations opgesteld, waarin ook weer specifieke bepalingen opgenomen kunnen worden. Door rentebewegingen na het sluiten van een transactie, zal een derivaat een marktwaarde (positief of negatief ) krijgen. Bij een positieve marktwaarde van het derivaat is er sprake van een potentiële vordering van de overheidspartij op swapbank. Dit introduceert het begrip tegenpartijrisico en kan gedeeltelijk ondervangen worden door contracten aan te gaan met banken met een hoge kredietwaardigheid (lees: rating). Daarnaast is het mogelijk om afspraken te maken over het storten of het ontvangen van onderpand (margin calls), bijvoorbeeld in de vorm van liquide middelen. Dit ter afdekking van het mogelijke verlies als de tegenpartij zijn verplichtingen, bijvoorbeeld vanwege faillissement, niet nakomt. Met andere woorden, wanneer een tegenpartij niet langer aan de verplichtingen uit hoofde van het derivaat voldoet, geeft het beschikbare onderpand in beginsel de mogelijkheid om het betreffende derivaat opnieuw af te sluiten tegen dezelfde voorwaarden met een andere tegenpartij. Afspraken over onderpandverplichtingen zijn vastgelegd in de zogenaamde Credit Support Annex (CSA) die een afzonderlijk onderdeel vormt bij de ISDA Master Agreement.
In een CSA wordt verder geregeld met welke frequentie er hoeveel onderpand wordt verrekend. Veelal wordt daarbij ook gewerkt met een drempelbedrag (threshold) en een minimum transfer amount. Zolang de marktwaarde binnen de afgesproken range van het drempelbedrag blijft, hoeft geen onderpand verrekend te worden. De minimum transfer amount is een praktische maatregel om te vermijden dat men voor een paar euro al moet verrekenen. Hierbij wordt een minimumbedrag afgesproken dat iedere keer overgeboekt moet worden op de contractueel bepaalde verrekendata. Ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Ruddo, kunnen medeoverheden niet overeenkomen dat eenzijdige bijstortverplichtingen alleen ten laste van de medeoverheid komen te liggen. 6.4.3 Breakclauses In de derivatencontracten kunnen ook de zogenaamde breakclausules opgenomen zijn. Een break- clausule is een recht om op een vooraf vastgesteld moment het swapcontract tegen marktwaarde af te rekenen. Handreiking Treasury 2015
| 80
Indien situaties in de derivatencontracten beschreven staan waarbij verplicht moet worden afgerekend, spreekt men van een mandatory breakclause. Ook kan het zijn dat op bepaalde tijdstippen één of beide partijen het recht hebben (maar niet de plicht) om tussentijds af te rekenen (mutual breakclause). Afrekening gebeurt tegen marktwaarde. Bijzondere break-clausules zijn bij wet niet meer toegestaan.
6.5 Uitgezette gelden (U/G) Financiering (u/g) heeft betrekking op het verstrekken van leningen uit hoofde van de publieke taak en het (tijdelijk) uitzetten van financiële middelen uit hoofde van de treasury. Gemeenten kunnen uitsluitend leningen aangaan, middelen uitzetten en garanties verlenen voor de uitoefening van de publieke taak. De Wet fido geeft aan het begrip publieke taak een beperkte invulling. Bankachtige activiteiten - zoals in de zin van aantrekken en uitzetten van middelen met als doel het genereren van inkomen - worden volgens de Wet fido in elk geval niet tot de publieke taak van gemeenten gerekend en zijn verboden. Decentrale overheden zijn verplicht hun overtollige middelen aan te houden in ’s Rijks schatkist. Hierop bestaan enkele uitzonderingen. De wet- en regelgeving en de uitzonderingen op het verplicht schatkistbankieren zijn vermeld in hoofdstuk 3. 6.5.1 Uitzettingen uit hoofde van de publieke taak Om het realiseren van gemeentelijke beleidsdoelen door derde partijen mogelijk te maken is het soms nodig dat de gemeente financieel bijspringt. Wanneer er sprake is van een onrendabele exploitatie - bij investeringen ook wel onrendabele toppen genoemd - kan de gemeente subsidiebijdragen verstrekken zodat een sluitende exploitatie kan worden gerealiseerd.
Een sluitende exploitatie wil echter niet zeggen dat de financiering van de benodigde investeringen die samenhangen met de uitvoering zonder meer is te verkrijgen op de markt. Geldverstrekkers kunnen terughoudend zijn met het verstrekken van financiering vanwege het risicoprofiel van de tegenpartij, de onderliggende business case of de te verkrijgen zekerheden. In dat geval kan een gemeente besluiten om zelf een lening te verstrekken. Een voorbeeld is de gemeente die voorziet in de financieringsbehoefte van een sportvereniging die naar het oordeel van de gemeenteraad de publieke zaak dient. Het Handreiking Treasury 2015
| 81
verdient de voorkeur dat de vaksector en de Treasury samen het politieke besluit c.q. het raadsbesluit voor een dergelijke lening voorbereiden. De motieven vanuit de vaksectoren om via leningen en garanties de publieke taak op een bepaalde wijze uit te voeren moeten daarin onderscheiden worden van de financieringsvoorwaarden volgens het treasurybeleid. De betrokken vaksector is verantwoordelijk voor de onderbouwing en de haalbaarheidsbeoordeling van de publieke taak en de beoordeling van de budgettaire gevolgen. Het verdient aanbeveling om de Treasury te betrekken bij die besluitvorming vanwege de kennis van zaken met betrekking tot de financieringsvoorwaarden en de complexe Europese regelgeving. In gezamenlijkheid zal de financiële positie van de aanvrager moeten worden beoordeeld en het risicomanagment worden ingericht. Het is in dit verband denkbaar dat de Treasury een handleiding opstelt voor de vaksectoren met betrekking tot leningverstrekking en garantieverlening. 6.5.1.1
Aandachtspunten bij het bepalen van de publieke taak Onderstaande tabel bevat een aantal aandachtspunten bij het bepalen van de publieke taak. Aandachtspunten bij het bepalen van de publieke taak Bij het vaststellen van criteria ten aanzien van het begrip en het doel van de publieke taak kunnen de volgende punten in ogenschouw genomen worden: • Op die gebieden waar de gemeente geen beleidsvormende c.q. stimulerende taak voor haar ziet weggelegd, worden in beginsel geen garanties/leningen verstrekt; • Pas als de raad van mening is dat het doel van de lening of garantie voldoende past in het (al) geformuleerde gemeentelijke beleid kan deze worden verstrekt. De mate waarin het doel van de lening of garantie past in het gemeentelijk beleid is mede af te lezen uit de wijze waarop de gemeente tot dan is omgegaan met de desbetreffende activiteiten, voorzieningen of organisaties; • Men doet er goed aan zich af te vragen wat het belang van de eigen inwoners van de gemeente is bij de bepaling van de desbetreffende taak.
Handreiking Treasury 2015
| 82
Als binnen de publieke taak een lening wordt verstrekt of een garantie wordt verleend, is het belangrijk om vast te stellen welke bescheiden bij een aanvraag aan de gemeente moeten worden overlegd, bijvoorbeeld: • reden aanvraag; • uittreksel Kamer van koophandel; • financieringsstatuut van de organisatie; • bestuurssamenstelling; • business case inclusief meerjarige liquiditeitsprognose • exploitatieoverzicht huidige boekjaar; • begroting huidige en komend jaar; • jaarrekening afgelopen 2 jaar (voorzien van goedkeurende accountantsverklaring). Het bepalen van de prijsstelling (risicovergoeding). Doorgaans wordt aan de hand van de volgende criteria de prijsstelling vastgesteld: • liquiditeit/kasstroom • solvabiliteit; • rentabiliteit; • risicoanalyse (markt, operationele, krediet- en juridische risico’s); • te verkrijgen zekerheden en overeen te komen voorwaarden; • voorwaarden Europese regelgeving. Vastgesteld moet worden of uit de verwachte liquiditeit/kasstroom de komende jaren rente en aflossing kan worden voldaan. Verder moet worden vastgesteld op welke wijze en hoe frequent er gemonitord wordt, alsmede welke stukken periodiek hiervoor aan de gemeente moeten worden overlegd.
Overige aandachtspunten bij de publieke taak zijn: • de organisatie toont aan dat de lening zonder gemeentegarantie niet verstrekt wordt of leidt tot een te zware rentelast; • de looptijd van de lening afstemmen op de economische levensduur van het object; • verplicht gestelde verzekeringen; • bij voorkeur een maximale looptijd en aflossingswijze afspreken om te voorkomen dat garanties een min of meer eeuwigdurend karakter kunnen krijgen. Handreiking Treasury 2015
| 83
6.5.1.2
Verstrekken van leningen In hoofdstuk 3 is aangegeven, dat het verstrekken van leningen uit hoofde van de publieke taak gebaseerd moet zijn op een wettelijke grondslag, vastgelegd in een gemeentelijke verordening. In dit gemeentelijke beleid kan worden vastgelegd of de gemeente zich in de regel terughoudend (nee, tenzij…) opstelt of juist faciliterend (ja, mits…) en onder welke voorwaarden. Hierbij moet wel bedacht worden dat optreden als bankier geen primaire taak is van de gemeente. Het verdient aanbeveling om een faciliterend beleid vast te leggen in een specifieke verordening met een eigen afwegingskader (bijvoorbeeld voor het verstrekken van startersleningen). Met het oog op duidelijkheid en transparantie kan het gemeentelijk beleid verder worden geconcretiseerd in bepaalde beleidsuitgangspunten. Zo kan bijvoorbeeld bij een terughoudend beleid worden gesteld dat er geen leningen worden verstrekt als er op die beleidsterreinen (landelijk opererende) waarborgfondsen actief zijn. Ook kan de gemeente stellen pas leningen te verstrekken nadat de aanvrager heeft aangetoond dat deze zelfstandig geen financiering op de markt kan verkrijgen, bijvoorbeeld door middel van het overleggen van verklaringen van minimaal twee banken waarin dit wordt bevestigd. Kredietrisicomanagement Aan het verstrekken van leningen zijn financiële risico’s verbonden.
Het risico dat een geldnemer niet of niet tijdig aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen richting de gemeente noemen we het kredietrisico. In een ideale situatie zal de geldnemer tijdig de rente- en aflossingsverplichtingen voldoen en krijgt de gemeente haar geld terug. In dat geval zijn er voor de gemeente geen kosten verbonden aan leningverstrekking25. Echter, juist de door gemeenten verstrekte leningen worden over het algemeen gekarakteriseerd door een hoger risicoprofiel. Daarnaast hebben dergelijke leningen vaak een lange looptijd en kunnen gedurende deze looptijd wijzigende
25
Hierbij wordt verondersteld dat de rente op de door de gemeente verstrekte lening gelijk of hoger is dan de rente die de gemeente zelf moet betalen voor het aantrekken van de eigen financiering. Indien er een laagrentende lening of zelfs een renteloze lening wordt verstrekt, heeft dit “rentetekort” een budgettair effect en zal daar binnen de begroting van de gemeente dekking voor gevonden moeten worden. Handreiking Treasury 2015
| 84
omstandigheden26 een (negatieve) invloed hebben op het risicoprofiel van de geldnemer. Daarmee neemt de kans dat de gemeente schade lijdt navenant toe. Leningen zijn vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten die de gemeente niet eenzijdig kan opzeggen, tenzij dit nadrukkelijk in de overeenkomsten is geregeld. Indien zich een risico manifesteert, resulteert dit in lasten voor de gemeente waarvoor normaal gesproken geen budgettaire dekking is in de begroting. Als gevolg daarvan zullen deze verliezen effect hebben op het gemeentelijke weerstandsvermogen. Alleen door het tijdig treffen van maatregelen kunnen deze verliezen worden voorkomen c.q. beperkt worden en opgevangen in de begroting. Een goed inzicht in de risico’s die samenhangen met de verstrekte leningen en een verantwoord kredietrisicomanagement is daarom van zeer groot belang. Verstrekte geldleningen zijn dus geen “gratis geld” of “gratis beleidsruimte”. In de besluitvorming zal dit tot uitdrukking moeten komen. Dit kan door de risico’s die samenhangen met de leningverstrekking te kwantificeren en af te zetten tegen het beschikbare weerstandsvermogen. Meer expliciet is het afzonderlijk zichtbaar maken binnen het weerstandsvermogen van een bestemmingsreserve waarin voldoende middelen worden aangehouden om deze risico’s te kunnen opvangen of het instellen van een specifieke voorziening.
Bij het verstrekken van geldleningen moet de staatssteunregelgeving in acht worden genomen, zie paragraaf 3.6. Wanneer er geen marktconforme voorwaarden (waaronder rentepercentage) wordt gerekend aan de geldnemer kan sprake zijn van ongeoorloofde staatssteun. Het verdient aanbeveling een juridische toets hierop te doen. Daarnaast zou bij een transparante besluitvorming de “rentesubsidie” afzonderlijk zichtbaar moeten worden gemaakt. Als sprake is van bijvoorbeeld DAEB-activiteiten is steun in voorkomende gevallen geoorloofd.
26
Hierbij kunnen bedrijfsvoeringsaspecten bij de geldnemer een rol spelen maar ook bijvoorbeeld marktomstandigheden of wijzigingen in wetgeving. Handreiking Treasury 2015
| 85
In het kader van risicobeperking wordt aangeraden om bij leningverstrekking voor zover mogelijk voorwaarden en zekerheden te bedingen, zoals bijvoorbeeld voorverhuur- en voorverkooppercentages, en hypotheekrechten, pandrechten en borgstellingen door derden. Tevens kunnen er kredietwaardigheidseisen worden gesteld, grenzen worden gesteld aan wat geleend kan worden aan een partij, alsmede grenzen worden gesteld aan het risico dat gelopen wordt op een bepaalde partij. Als de geldnemer niet of niet geheel aan de verplichtingen kan voldoen die voortvloeien uit de lening, dan heeft de gemeente de onderliggende zekerheden om de financiële schade zoveel mogelijk te beperken. Ter bescherming van de positie van de gemeente is het ook van belang om vast te leggen voor welke handelingen de geldnemer voorafgaande goedkeuring van de gemeente behoeft (voorwaarden als statutenwijzigingen, vervreemden of bezwaren van eigendommen of het aangaan van financiering bij derden). Met betrekking tot de monitoring van de verstrekte leningen zijn goede afspraken over de informatieverstrekking door de geldnemer ook van belang. Zo kunnen bijvoorbeeld de balans en jaarcijfers, de begroting en liquiditeitsoverzichten een belangrijke rol spelen bij een periodieke beoordeling van de risicopositie van de geldnemer door de gemeente.
Uitvoeringsprocedures Het is belangrijk dat de uitzettingen op een overzichtelijke wijze geadministreerd worden, zodat monitoring efficiënt kan plaatsvinden. Net als bij de O/G portefeuille, geldt dat bij het verstrekken van leningen van belang is dat dit conform een vastgelegde procedure geschiedt, waarbij tevens de nodige controleslagen zijn ingebouwd. Deze moeten administratief vastgelegd worden. Het verdient aanbeveling om de contractstukken in te scannen zodat de contractinformatie, naast fysiek in het archief, ook digitaal beschikbaar is. Hierbij geldt dat voorwaarden en zekerheden bij de periodieke monitoring eveneens worden belicht. Gecontroleerd dient te worden of afspraken worden opgevolgd en zekerheden nog steeds voldoende (dekkings)waarde hebben.
Handreiking Treasury 2015
| 86
6.5.1.3
Borgstellingen en garanties Borgstelling of garantstelling door de gemeente leidt voor de geldnemer tot een (betere) toegang tot de kapitaalmarkt en een voordeel in de rentekosten. In dat geval zal de geldgever namelijk niet het risicoprofiel van de geldnemer als uitgangspunt nemen bij het bepalen van de hoogte van de rente, maar het risicoprofiel van de gemeente. Met gemeentegarantie is het rentepercentage van een lening voor een geldnemer slechts iets hoger dan het tarief waartegen de gemeente zelf op de markt kan lenen. Het risico wordt bijna volledig op de gemeente afgewenteld. Het risico bij borgstelling of garantieverlening is vergelijkbaar met het risico bij leningverstrekking. De rolverdeling tussen de beleidssectoren en de Treasury zal op eenzelfde wijze invulling moeten krijgen als bij leningverstrekking. Voorheen werden in het Burgerlijk wetboek (BW) twee rechtsfiguren beschreven, een borgtocht en een garantie-overeenkomst, met ieder hun eigen juridische kenmerken. In het huidige BW is alleen nog de borgtocht opgenomen (Burgerlijk Wetboek 7, artikel 850 e.v. ). Aan het begrip garantie is geen vaststaande betekenis meer toegekend. Een garantie kan naar de wens van partijen vormgegeven worden. Waartoe een garantie strekt, en hoeveel geruststelling de geldgever aan de garantie kan ontlenen, hangt geheel af van de door de partijen bepaalde inhoud van de garantie.
De verdeling van de verschillende risico’s die tot wanbetaling door de geldnemer kunnen leiden (of, anders gezegd, die tot betaling door de garant moet leiden) kan door de partijen naar believen worden geregeld. Bij borgstellingen wordt altijd waarborg over een bepaald bedrag verleend. Bij garantstellingen kan in principe ook een garantstelling gedaan worden zonder een maximum bedrag aan te geven. Met een dergelijke garantstelling wordt uiteraard een groot risico aangegaan. Het is daarom raadzaam van dergelijke algemene garantstellingen af te zien. Omdat bij juridische geschillen de wettelijk geregelde borgtocht een betere uitgangspositie biedt, verdient het de voorkeur om indien mogelijk alleen garanties te verlenen in de vorm van een borgtocht. Hetgeen in paragraaf 6.5.1.2 over kredietrisicomanagement is geschreven is eveneens op deze paragraaf van toepassing.
Handreiking Treasury 2015
| 87
6.6 Kritische vragen met betrekking tot portefeuillebeheer In onderstaande tabellen worden de kritische vragen met betrekking tot de portefeuille o/g, portefeuille u/g en derivaten behandeld. Met betrekking tot portefeuillebeheer kunnen de volgende vragen worden gesteld om inzicht te krijgen in kansen en risico’s van bestaande portefeuilles (opgenomen gelden, uitgezette gelden en garantie): Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Wordt bij het aantrekken van nieuwe leningen, rekening gehouden met de huidige rente- en aflossingsverplichtingen uit de bestaande portefeuille?
x
x
x
Op welke wijze worden de kansen in de leningenportefeuille benut?
x
x
Is de eventueel gewijzigde rentestructuur aanleiding om de kansen nog eens te bezien?
x
x
Wordt voorzien dat de kasgeldlimiet en renterisiconorm worden overschreden: • wat is daarvoor de reden? • hoe wordt hiermee omgegaan? • welke maatregelen (moeten) worden genomen? • welke effecten hebben deze maatregelen?
x
x
x
Ten aanzien van het kader ten aanzien van portefeuillebeheer wordt verwezen naar paragraaf 6.2 en 6.3.
Handreiking Treasury 2015
| 88
Ten aanzien van al verstrekte leningen en garanties kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Zijn alle leningen en garanties die zijn verstrekt aan verschillende partijen in beeld, inclusief contractuele afspraken en overeengekomen voorwaarden en zekerheden?
x
x
x
Is er inzicht in de omvang van de risicopositie? zo niet: laat een analyse uitvoeren
x
x
x
Wordt de risicopositie periodiek gemonitord?
x
x
Zijn er contractuele afspraken gemaakt over de informatie die partijen aan de gemeenten dienen te verstrekken?
x
x
Wordt het beleid op het gebied van leningen en garanties periodiek herijkt?
x
x
x
Worden bestaande leningen en garanties getoetst op aangepast beleid?
x
x
x
Wordt de voortgang van de investeringen/ projecten van de partij waaraan steun is verleend gevolgd (en dus afname risico)?
x
x
Welke zekerheden zijn gevestigd?
x
x
In hoeverre zijn de organisaties waaraan steun is verleend afhankelijk van externe subsidiestromen?
x
x
Is er voldoende weerstandscapaciteit bij de desbetreffende organisatie(s)? zo niet: is er binnen de gemeente rekening gehouden met additionele weerstandscapaciteit?
x
x
Is er een duidelijke relatie tot de risico’s die voortkomen uit verstrekte leningen en garanties met de weerstandscapaciteit van de gemeente?
x
x
x
Ten aanzien van het kader van versterkte leningen en garanties wordt verwezen naar paragraaf 6.5
Handreiking Treasury 2015
| 89
Ingeval van mogelijk te verstrekken leningen en garanties kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Zijn er criteria binnen de gemeente vastgesteld ten aanzien van het verstrekken van leningen en garanties? Voldoet de te verstrekken lening/ garantie hieraan?
x
x
x
Is er beleid met betrekking tot acceptatie en beheer van te verstrekken leningen en garanties?
x
x
x
Wat maakt dat een financiële instelling geen lening wil verstrekken aan deze partij?
x
x
x
Kan een beroep worden gedaan op een waarborgfonds (Waarborgfonds Sociale Woningbouw, Stichting Waarborgfonds Sport, Waarborgfonds voor de Zorg, Waarborgfonds Volwassenen Educatie, Waarborgfonds KinderOpvang)?
x
x
x
Wat maakt dat de gemeente een lening/garantie verstrekt?
x
x
X
Wat zijn de risico’s verbonden aan de voorgestelde te verstrekken lening/ garantie? wat maakt dat de gemeente deze risico’s op zich moet nemen?
x
x
X
Op welke wijze kunnen risico’s worden beperkt door het vestigen van zekerheden en overeenkomen van voorwaarden? Hoe groot is het eventueel restrisico als betalingsverplichtingen niet nagekomen kunnen worden?
x
x
X
Waaruit wordt rente- en aflossing voldaan en is er voldoende buffer om tegenvallers op te vangen? is er zicht op de financiële positie en de liquiditeitsprognoses van de aanvrager?
x
x
X
Handreiking Treasury 2015
| 90
Welke zekerheden worden gesteld? hoe groot is de kans dat deze zekerheden daadwerkelijk kunnen worden ingewonnen ingeval van calamiteiten? welke additionele eisen worden gesteld?
x
x
X
Op welke wijze wordt vinger aan de pols gehouden vanuit de gemeente ten aanzien van de ontwikkeling van de financiële positie van deze partij? (hoe, met welke frequentie) is adequate kennis in huis om de ontwikkeling van de financiële positie (en het risico) te monitoren? zo niet: op welke wijze wordt deze kennis gewaarborgd? Wordt ook de waarde van de zekerheden periodiek gemonitord?
x
x
X
Is getoetst of er sprake van geoorloofde staatssteun door het verstrekken van deze lening/garantie?
x
x
x
Ingeval van onderhandse leningen: is bij minimaal twee partijen een prijs opgevraagd? • zo niet: wat maakt dat dit niet is gedaan? • zo niet: hoe weten we of het gehanteerde rentetarief en de risico-opslag marktconform zijn?
x
x
x
Ingeval van concernfinanciering: • matcht de lening met de onderliggende liquiditeitsplanning? Zo niet: wat maakt dat men de voorgestelde lening wil aantrekken? • wat is de kwaliteit van de liquiditeitsplanning? Loopt de gemeente risico te veel/weinig geld aan te trekken in relatie tot wat we daadwerkelijk nodig hebben? • is er een rentevisie beschikbaar? Op welke wijze is deze rentevisie tot stand gekomen?
x
x
x
Handreiking Treasury 2015
| 91
Vragen
Ambtelijk College
Ingeval van projectfinanciering: wat maakt dat er sprake is van projectfinanciering (in plaats van concernfinanciering)?
x
Raad
x
x
Ten aanzien van het kader van te verstrekken leningen en garanties wordt verwezen naar paragraaf 6.5, 6.6, 6.7
Op het gebied van renterisicomanagement kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Voldoet de gemeente aan de voorwaarden zoals gesteld aan kasgeldlimiet en renterisiconorm?
x
x
x
Op welke wijze tracht de gemeente het renteresultaat te optimaliseren (binnen de gestelde wettelijke kaders)?
x
x
Worden rente-instrumenten ingezet (derivaten)?
x
x
x
Ten aanzien van het kader van renterisicomanagement wordt voor de kasgeldlimiet verwezen naar paragraaf 5.6 en voor de renterisiconorm naar paragraaf 6.3
Ingeval de gemeente rente-instrumenten (derivaten) heeft ingezet kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Is voldoende kennis aanwezig in de gemeente voor het inzetten van deze instrumenten?
x
x
x
Is de interne organisatie ingericht op het gebruik van derivaten? Denk hierbij aan bevoegdheden, interne controle, vastlegging
x
x
Handreiking Treasury 2015
| 92
Is er sprake van een effectieve positie? Derivaat en onderliggende lening dienen een op een aan te sluiten
x
x
Worden derivaten opgenomen in het jaarverslag en gecontroleerd door accountant?
x
x
Is er sprake van een open of gesloten positie?
x
x
Ten aanzien van het kader van derivaten wordt verwezen naar paragraaf 6.4
Ingeval de gemeente rente-instrumenten (derivaten) wenst in te zetten kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Wat is het doel van het inzetten deze instrumenten (risico-beheersing of anderszins)?
x
x
x
Kunnen de risico’s niet op een andere wijze worden afgedekt?
x
x
x
Hebben meerdere functionarissen binnen onze gemeente kennis van deze instrumenten en zijn ze op de hoogte dat we deze instrumenten toepassen (en de rechten/plichten n.a.v. deze instrumenten?)
x
x
x
Ten aanzien van het kader van derivaten wordt verwezen naar paragraaf 6.4 NB: Het is van belang dat de bestuurder de reden en werking van deze instrumenten begrijpt. Ingeval men dit door de desbetreffende ambtenaren niet goed krijgt uitgelegd, kan het beter zijn om af te zien van het inzetten van dergelijk instrumenten.
Handreiking Treasury 2015
| 93
Ingeval de renterisiconorm wordt overschreden (in een bepaald jaar of verschillende jaren) kunnen de volgende vragen worden gesteld: Vragen
Ambtelijk
College
Raad
Wat maakt dat wij de norm overschrijden in het desbetreffende jaar (of de desbetreffende jaren)?
x
x
x
Wat betekent het voor de gemeente indien de norm overschreden wordt (gevolgen, effecten)?
x
x
x
Welke maatregelen (moeten) worden genomen? welke effecten hebben deze maat regelen?
x
x
x
Voor overige vragen met betrekking tot risicomanagement wordt verwezen naar paragraaf 4.7 Ten aanzien van het kader van de renterisiconorm wordt verwezen naar paragraaf 6.3
Handreiking Treasury 2015
| 94
Bijlagen
Handreiking Treasury 2015
| 95
Bijlage 1 Begrippenlijst
Handreiking Treasury 2015
| 96
Balansverlenging Vergroting van het balanstotaal door gelijktijdige toename van de passiva en activa. Balansverlenging heeft direct effect op verschillende financiële ratio’s. Cash settlement Cash settlement staat voor het afwikkelen van financiële derivaten. Het verrekenen van de waarde bij de afwikkeling van financiële derivaten. DSL tarief Voor deposito’s die gemeenten langer dan een jaar aanhouden in de schatkist geldt het DSL (Dutch State Loans) tarief. DTC tarief Gemeenten krijgen op hun deposito’s in de schatkist het Dutch Treasury Certificates (DTC) tarief. Voor deposito’s die gemeenten korter dan een jaar aanhouden in de schatkist geldt het DTC (Dutch Treasury Certificates) tarief. EONIA Het Eonia tarief is de rente die banken elkaar vergoeden voor overnight (1-daagse) uitzettingen. Als gemeenten geld aanhouden op rekening-courant in de schatkist dan krijgen zij het Eonia tarief vergoed, afgerond op 2 decimalen. Als de Eonia rente negatief is, dan wordt deze gelijk gesteld aan 0. EURIBOR Het Euribor (Euro Interbank Offered Rate) is een tarief dat banken elkaar in rekening brengen voor leningen met een looptijd van 1 week tot 12 maanden.
Landen Europese economische ruimte Alle landen van de EU, Liechtenstein, Noorwegen en IJsland Landen Europese Unie (EU) België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Kroatië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden. Handreiking Treasury 2015
| 97
Liquiditeitspositie De mate waarin op korte termijn aan de opeisbare verplichtingen kan worden voldaan. Liquiditeitsopslag De liquiditeitsopslag is naast de basisrente en de debiteurenopslag één van de drie componenten van de rentevoet voor het vreemd vermogen. Met de liquiditeitsopslag worden de liquiditeitskosten voor de bank gedekt, oftewel de kosten die banken moeten maken om geld aan te kunnen trekken en die vervolgens vertaald worden naar de klant. Medium term note Een Medium Term Note (MTN) is een instrument voor de gemeente om financiering met een looptijd van minimaal twee en maximaal dertig jaar aan te trekken. Een MTN is een verhandelbare schuldbekentenis aan toonder met gestandaardiseerde voorwaarden. MiFID MiFID staat voor Markets in Financial Instruments Directive. Deze Europese beleggingsrichtlijn is in de Europese Unie op 1 november 2007 in werking getreden en heeft drie doelstellingen: • het beschermen van beleggers en de integriteit van de financiële markten; • het bevorderen van eerlijke, transparante, efficiënte en geïntegreerde financiële markten; • het verder harmoniseren van de Europese beurshandel en beleggingsmarkt. De MiFID regels zijn in Nederland opgenomen in de Wft.
Nazorgfonds Het nazorgfonds is een publiekrechtelijk rechtspersoon (BW boek 2 artikel 1 lid 2 “lichamen waaraan een deel van de overheidstaak is opgedragen, bezitten slechts rechtspersoonlijkheid indien dit uit het bij of krachtens de wet bepaalde volgt”). Gedeputeerde Staten zijn belast met het beheer ervan (artikel 15.47, lid 4 Wm). Near banking Het is decentrale overheden verboden om te lenen met het enkele doel de middelen tegen een hoger rendement uit te zetten (near banking). Dit Handreiking Treasury 2015
| 98
verbod, impliciet geregeld in artikel 2, tweede lid, van de Wet fido, is expliciet opgenomen in artikel 2a, eerste lid, van de Ruddo. Obligatie Verhandelbare schuldbekentenis als onderdeel van een obligatielening, uitgegeven door een overheid of bedrijf. Rating Overzicht ratingkwalificaties Moody’s, Standard & Poor’s en Fitch Lange termijn ratings • Aaa AAA Extreem kredietwaardig • Aa AA Zeer kredietwaardig. Veiligheidsmarge echter niet zo hoog als bij de AAA-categorie. • AA Zeer kredietwaardig. Er zijn echter factoren aanwezig waardoor afbetaling in de toekomst enig gevaar loopt. • A Goede kredietwaardigheid. De kans op betalingsproblemen bij de partij is niet groot. Korte termijn ratings • P-1 A-1+/A-1 Capaciteit voor rente en aflossing is extreem, respectievelijk zeer groot. • P-2 A-2 Voldoende capaciteit voor tijdige betaling aanwezig. Echter niet zo groot als in bovengenoemde categorie. • P-3 A-3 Adequate capaciteit voor tijdige betaling aanwezig. Echter kwetsbaar indien de omstandigheden tegenzitten. Rentestructuur Patroon van onderlinge verschillen in rentepercentage, ontstaan door looptijdverschillen van de verschillende vermogenstitels en door renteverwachtingen. Renteswap (interest rate swap) Een onderhandse overeenkomst, waarbij twee partijen afspreken om gedurende een vooraf bepaalde periode kasstromen in de vorm van rentebetalingen uit te wisselen.
Daarbij wordt een variabele rente (Euribor rente) geruild tegen een vaste rente (kapitaalmarktrente).
Handreiking Treasury 2015
| 99
Rentetypische looptijd Looptijd tussen twee renteconversiemomenten. Het tijdsinterval gedurende de looptijd van een geldlening, waarin op basis van de leningvoorwaarden van de geldlening sprake is van een door de verstrekker van de geldlening niet beïnvloedbare constante rentevergoeding. Rentevisie Toekomstverwachting over de renteontwikkeling, uitgaande van een aantal rentebepalende factoren, op basis waarvan een financierings- en beleggingsbeleid wordt gevoerd. Saldo rentecompensatie circuit De debet- en creditvalutaire saldi van meerdere rekeningen van een organisatie worden samengevoegd tot één gecombineerd saldo; en over dit gecombineerde saldo berekent de bank de te betalen of ontvangen rente. Een en ander is echter alleen mogelijk wanneer de organisatie deze rekeningen bij één bank aanhoudt. Schatkistbankieren Het aanhouden van publieke middelen bij het ministerie van Financiën. Meer informatie is te vinden op www.schatkistbankieren.nl. Solvabiliteit De mate waarin een organisatie op lange termijn aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen. Vastrentende waarden Vermogenstitels met een vaste renteopbrengst.
Handreiking Treasury 2015
| 100