Gemeenteraad transcript
Tekst van het document
Dus de eerste stap die we met u hiertoe hebben afgesproken is de armoedeconferentie en wij willen daar graag met u over in … Tijdens de armoedeconferentie met u over van gedachten wisselen en lezen we het amendement, voorzitter, zou je kunnen zeggen ja, de SGP en het CDA concludeert dat we niet willen investeren in een systeem, maar juist in de mens en dat is nou precies wat dit college en eigenlijk ook het coalitieakkoord wil. Investeren in de mens, met omzien naar elkaar. Want we kiezen ervoor om te investeren, extra budget beschikbaar te stellen voor twee doelgroepen. Twee doelgroepen, namelijk statushouders en jonge mensen. Mensen tot en met 27 jaar, want we zien dat die groepen juist steeds een groter deel uitmaken van de groep die inkomensondersteuning krijgen van de gemeente. Er zijn op dit moment in Hoogeveen ongeveer 250 statushouders die inkomensondersteuning ontvangen en die groep, u weet wat er aan de gang is in de wereld, wordt alleen maar groter. Dus juist dan is het heel erg belangrijk dat voor die groep de kansen worden vergroot en dat we inzetten op een toekomstperspectief voor die mensen. Dat ze aan het werk kunnen, dat we ze helpen om ook daadwerkelijk aan de slag te gaan. Om eigenlijk armoede te voorkomen. Dus, voorzitter, als we kijken naar het amendement, past het in de financiële kaders? Zeker. Is het uitvoerbaar? Ook waar.
Is het inhoudelijk verstandig? Nee. Dan zeggen wij als college wij ontraden dit amendement. De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Koekoek: Voorzitter, mag ik nog op de wethouder reageren? De voorzitter: Ja, dat doen … Als u het niet erg vindt, kijken we even en dan kom ik bij u terug hoor, om daar op te reageren. De heer Pomper. De heer Pomper: Ja, dank u, voorzitter. Ik heb eigenlijk even een verhelderende vraag aan de wethouder. We gaan inderdaad nog een armoedeconferentie organiseren, maar als daar dus uit blijkt dat er financiële middelen nodig zijn om daar het beleid op in te zetten, hebben we dan die financiële middelen wel of moeten we daar weer opnieuw over in debat gaan en een nieuwe begroting op wijzigen? De voorzitter: De heer Van Eck. De heer Van Eck: Nou, ik dacht dat de wethouder ging antwoorden, dus. Maar ik wil graag mijn bijdrage, mijn reactie geven op dit amendement. Armoedebestrijding, bestaanszekerheid. Ja, natuurlijk dat is topprioriteit van ons allemaal, maar mensen aan een baan helpen, dat is toch een vorm om te werken aan armoedebestrijding? Dat is toch een vorm van het bieden van bestaanszekerheid en dat is wat we hiermee doen. Dat is wat wij doen met deze 200.000 euro en in het amendement staat dat op dit moment de krapte op de arbeidsmarkt enorm is. Dat is waar.
En dan staat er vervolgens dat betekent dat er kansen zijn voor iedereen die wil en die kan werken. Dat is waar, maar we richten ons nu juist op mensen die wel willen
werken, maar niet kunnen werken. Die onvoldoende – lelijk woord – een onvoldoende startkwalificatie hebben, om aan die startkwalificatie te werken zodat ze wel kunnen werken. Daar is dit bedrag voor en daarom zijn wij tegen dit amendement. De voorzitter: Mevrouw Rutgers. Mevrouw Rutgers: Ja, er lijkt af en toe toch een beetje met twee maten te worden gemeten door het college, want de ene keer wordt er gezegd pas als er een plan is, dan gaan we daar geld aan koppelen en in de oplegger van de kaderbrief of in die update, daar wordt alleen maar geld uitgetrokken voor iets waar nog geen plan voor is. Dus dat valt me een beetje tegen. Daarnaast is bekend dat de mensen die nu nog in de bak zitten, niet in de gevangenis, maar in de kaartenbak van werkloos, dat dat mensen zijn bij wie al van alles geprobeerd is om hen aan het werk te helpen en dit zijn de mensen die niet kunnen werken. Dus ik ben het eens met de argumentatie van het CDA dat daar de laatste jaren alles op in is gezet om iedereen uit die kaartenbak aan werk te helpen, dat dat wel een beetje is opgedroogd en dat de arbeidsmarkt dusdanig is dat als je wil werken dat naar mogelijkheden voor zijn. Als je geen goede startkwalificatie het zijn er inmiddels andere regelingen, zoals het STAP-budget en waar je aanspraak op kan maken en een heleboel andere regelingen. Daar hebben wij geen twee ton voor nodig vanuit Hoogeveen.
Dus laten we die twee ton alsjeblieft inzetten op armoedebestrijding en bestaanszekerheid, want daar ligt echt nog wel een grote uitdaging. Misschien wel groter dan twee ton, maar dan hebben we die in ieder geval vast binnen en dan kunnen we bij de begroting daar nog andere amendementen op indienen, mocht dat nodig zijn. De voorzitter: De heer Van Eck wil … Mevrouw Rutgers: Dus wij zijn voor. De voorzitter: De heer Van Eck daar nog even op reageren. De heer Van Eck: Ja, in reactie op wat mevrouw van D66 … Mevrouw Rutgers: Maar gingen we nou in debat? Want dan had … We gingen toch nu reageren op … De voorzitter: Nee, dit is een debatronde. Mevrouw Rutgers: Ja, nou ja, dat werd net ook al niet op die manier aangevlogen, toch? De voorzitter: Ja, maar ja, als niemand debat zoekt, dan laat ik het aan u over, maar, de heer Van Eck. De heer Van Eck: Ik zoek inderdaad het debat. Ik wilde even reageren op de opmerking van mevrouw Rutgers van D66 dat de laatste jaren van alles geprobeerd is en dat het niet gelukt is om deze mensen aan het werk te helpen. De laatste jaren is er enorm bezuinigd op deze post, echt veel meer dan het extra geld wat nu uitgetrokken wordt. Door die enorme bezuiniging hebben we gewoon veel minder mensen kunnen helpen. Door geld toe te voegen, kunnen we meer mensen helpen.
Mevrouw Rutgers: Voorzitter, mag ik daarop reageren? De voorzitter: Ja, het was even richting … Mevrouw Rutgers: Ja, het is een debat.
De voorzitter: Ja, nee, helder. Nee, maar ik kijk even, dan kom ik straks weer terug bij mevrouw Rutgers. Ja, punt van orde van … Ja? De heer Pomper: Ik had net een vraag gesteld en ik heb de beantwoording nodig om een debat aan te kunnen gaan. Want eerst mag CDA en SGP kennelijk hun debatpunten duidelijk maken en daar reageert de wethouder op. Dan vind ik het wel zo fatsoenlijk dat in ieder geval deze vraag beantwoord wordt. De voorzitter: Ja, nee, daar heeft u een punt. Dan ga ik u eerst de gelegenheid geven de vraag van de heer Pomper te beantwoorden. Van de kant van het college, de heer Westendorp. De heer Westendorp: Ja, voorzitter, dat wil ik zeker, dank u wel. Het gaat over of er extra middelen beschikbaar komen. U stelt van tevoren al dat er extra middelen vanuit de lokale overheid beschikbaar moeten komen. Nou, dat is juist iets wat we met elkaar willen bedenken tijdens zo’n armoedeconferentie. Er zijn overigens heel veel verschillende maatschappelijke partijen hier betrokken die allemaal heel goed werk doen, maar ik wil u ook zeggen, vanuit de rijksoverheid, lees de kamerbrief er maar op na, komen er ook heel veel middelen deze kant op. Dus laten we samen bepalen wat nodig is en u weet, volgens mij pleiten we allemaal in deze Raad voor financiële reinheid. Dus de begroting is in beginsel een begroting en anders komen we bij u terug. De voorzitter: Mevrouw Koekoek.
Mevrouw Koekoek: Ja, ik wilde even reageren op de inbreng vanuit de Partij van de Arbeid. Ik heb ook niet voor niks technische vragen gesteld afgelopen week van hoeveel geld is er afgelopen jaren ingezet als het gaat om participatie en wat is het effect ervan geweest? Oftewel, wat de uitstroom geweest? En als ik dan kijk naar de cijfers die ik vandaag tot mij genomen is dat je ziet dat 2019 is 1,3 miljoen beschikbaar gesteld. Vervolgens is er maar een miljoen uitgegeven en zo kan ik nog even doorgaan. Als je dan kijkt naar de grafiek die is toegevoegd dan zie ik een dalende trend naar beneden. Dus budget is naar beneden bijgebracht. Dan kun je nog discussiëren over het feit of dat een bezuiniging is of niet, maar ik zie in het verloop van het aantal uitkeringen heel duidelijk een trend naar beneden. Dus we hebben nadrukkelijk geen extra geld nodig, want het effect is namelijk gerealiseerd en een behoorlijk aantal mensen zijn uit de bijstand, vanuit de uitkering. Dus dan mis ik nog steeds de argumentatie waarom die twee ton extra dan nodig is. De voorzitter: Mevrouw Pullen, ‘…’. Mevrouw Pullen: Ja, ik wou gewoon reageren op het amendement, dus kan dat nu? De voorzitter: Oké. Dan kijk ik even of dit punt voldoende met elkaar bediscussieerd is? Ging in eerste richting ook voor mevrouw Rutgers nog. Mevrouw Rutgers: Ik snap gewoon deze manier van debatvoeren niet zo goed.
Want we hebben een debat, maar we gaan allerlei amendementen bij langs, in plaats van het debat te voeren over de ingebrachte punten, heb ik het idee. Die amendementen zijn, die kondig je aan in je debat, dus het hebben wij net in de eerste ronde gedaan, maar volgens mij waren er nog meer punten voor debat. Het voelt voor mij een beetje apart om nu opeens in een discussie over amendementen te schieten voordat we een debat hebben gevoerd over de kaderbrief maar misschien heb ik het verkeerd.
De voorzitter: Nee, ik heb aan het einde van de eerste termijn de conclusie getrokken dat er een aantal punten zijn die in het debat gebracht worden. Daar waren deze amendementen onderdeel van. Plus het verhaal van de inzet, de brede inzet, extra inzet als het gaat om dorpen, wijken, eigen kracht van de heer Pomper en het verhaal van de SWO van de heer Van Rijn. Dat waren de onderwerpen. Dus het zijn de vijf onderwerpen die wij in debat brengen. Dat zijn de debatpunten en dit is … We hebben ook afgesproken dat we de amendementen die hier aan de orde zijn in deze ronde met elkaar bespreken, zodat we straks niet meer bij de besluitvorming een keer daar allerlei dingen over moeten zeggen. Dus dat is aan de orde en deze punten lopen langs. Ja. Mevrouw Pullen: Ja, ik wou reageren op het amendement van het CDA. Op zich denk ik dat het goed is, we hebben die technische … Op die antwoorden ook gezien. De inzet van het participatiebudget van twee ton, wij denken gewoon dat dat een heel goed bedrag is, zeker gezien de dalende trend van de behoefte, maar je moet natuurlijk niet vergeten dat ook de arbeidsmarkt behoorlijk naar beneden is. Dat daar gewoon steeds minder vacatures zijn, dus dat is één. Meer vacatures en minder mensen, zo moet ik het zeggen.
En wij denken juist dat gewoon doordat er ook minder budget is geweest de afgelopen jaren, dat er gewoon gaten zijn gevallen en dat het heel goed is dat met name voor statushouders en voor jongeren, dat daar gewoon een volle inzet is en laten we alsjeblieft ook straks bij de brede armoedeconferentie het integrale traject gaan voeren. De voorzitter: Anderen nog? De heer Van Rijn? De heer Van Rijn: Dank u wel, voorzitter. Ik wou even op de ChristenUnie reageren, want zij zegt nee, er is 1,3 miljoen was er beschikbaar en er is maar één miljoen gebruikt. Dus het budget was helemaal niet nodig geweest eigenlijk. Mevrouw Pullen: Nou, is er wel een budget van een miljoen uiteindelijk wel gebruikt en dat is de afgelopen drie, vier jaar na 635 gegaan en nu is er echt een budget nodig voor de participatie, met name voor de opdracht voor de statushouders. Ik denk dat het net door het college duidelijk is aangegeven en voor de jongeren, dus het ligt gewoon een opdracht om het werk te kunnen doen. Dat is de inhoud van de verhoging van die twee ton. De voorzitter: Mevrouw Koekoek. Mevrouw Koekoek: Ik blijf het interessant vinden hoor, maar je baseert je voorstel op basis van feiten en als je dan kijkt naar de feiten zoals die terecht zijn gekomen in de beantwoording van de technische vragen, dan is er een budget beschikbaar gesteld.
Budget is niet in zijn totaliteit gebruikt en toch hebben we het maatschappelijk effect met elkaar gerealiseerd, namelijk een grote uitstroom vanuit de bijstand naar de uitkeringen. Dus hoezo kunt u dan stellen dat het broodnodig is dat er nog extra twee ton daarvoor ingezet wordt? Mevrouw Pullen: Ja, maar dat vind ik echt een onlogisch verband dat u nu trekt. Er is hier gewoon een groep die dit nodig heeft, dat is wat wij constateren. De voorzitter: Mevrouw Rutgers. Mevrouw Rutgers: Ja, ik ben benieuwd op basis waarvan mevrouw Pullen dat concludeert, want dat staat niet in die oplegger van de kaderbrief waar dat geld voor nodig is. Dus blijkbaar heeft u meer informatie dan wat
wij hebben gekregen, maar dat is helemaal niet bekend. Dat voor die twee doelgroepen dit bedrag voor nodig is. De voorzitter: Dank. Mevrouw Pullen. Mevrouw Pullen: In het coalitieakkoord is beschreven, even uit mijn hoofd, ook dat er aandacht moet wezen binnen armoede voor jongeren en voor statushouders en mensen met taalachterstand. Dat is beschreven en dat zat er achter. Mevrouw Koekoek: Voorzitter, mag ik daarop reageren? De voorzitter: Mevrouw Koekoek. Mevrouw Koekoek: Kijk, het coalitieakkoord was een aantal weken geleden behandeld. Of ja, behandeld, daar kan je vraagtekens bij stellen, maar die is in ieder geval niet door de raad vastgesteld. Dus dat is voor ons geen kader. Daarnaast zijn het overwegingen die dan in een coalitieakkoord staan, maar niet onderbouwd zijn door feiten en ik zou graag een discussie willen voeren op basis van feiten. De voorzitter: De heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Ja, voorzitter, ik begrijp even iets niet wat de wethouder net gezegd heeft. We hebben het over participatie en daar haalt u ook statushouders bij. Vallen statushouders ook onder participatie? Ik wou graag even daar duidelijk een antwoord op hebben. De voorzitter: De heer Westendorp . De heer Westendorp: Het korte antwoord daarop: ja. Aan de heer Van Rijn en ik moet zeggen, mevrouw Koekoek heeft ook gelijk en mevrouw Pullen heeft ook gelijk.
Het is een hele bewuste, ook politieke keuze om nou te zeggen we willen juist extra inzetten en u redeneert al vanuit het effect dat die er eventueel niet zou zijn, maar het college zegt dit is een taakstellend, uitvoerend budget, dat we een impuls wil geven aan deze groep. Wat een steeds groter wordende groep is, waar het ontzettend belangrijk is, ook in het kader van nieuwe Wet inburgering, om daar al bijna in de AZC’s inzet op te plegen en dat is nu juist wat we een impuls zullen geven. We willen juist aan de basis en de start samen met onderwijs ook taal zorgen dat dat bevliegen en daarom zeggen we, we geven aan deze groep, die steeds groter deel uitmaken van ons inkomensondersteuningsbestand, aan de heer Van Rijn. Het is nu 250, maar gezien de doelstelling worden het er alleen meer. Zeggen we, we geven een extra impuls en een taakstellend uitvoerend budget. Dat betekent dat ook achteraf kan blijken, mevrouw Koekoek, dat dat budget niet nodig is. Het is niet zo dat we zeggen van we gaan het uitgeven omdat we het moeten uitgeven. Nee, we geven pas uit als we daadwerkelijk daar reden toe zien en nu komt daar in het najaar ook geheel tot uw recht, want dan stellen we ook het uitvoeringsplan vast, hier in deze raad voor de nieuwe Wet inburgering, waarin de dan ook juist ingaan over wat er allemaal nodig is voor deze specifieke doelgroep.
Maar we hebben ook gezegd het is goed om deze groep extra te begeleiden, want er liggen ook heel veel kansen om deze mensen aan het werk te hebben en te helpen. Dat is ook iets waarom het college zegt, op basis van het coalitieakkoord, we geven een impuls aan deze twee groepen. Dus in die zin heeft u allebei gelijk. De voorzitter: Mevrouw Rutgers.
Mevrouw Rutgers: Ja, met het verschil dat mevrouw Koekoek zich baseert op de feiten en uw baseert zich op een stuk wat niet is vastgesteld door de Raad en wat ik apart vind, is dat we dan nu dus spreken over het budget dat waarschijnlijk niet nodig is, voor een post waar ook nog geen plan voor is en u noemt een aantal vage invullingen, die u in uw hoofd heeft op basis van het coalitieakkoord, maar de raad is daar nog helemaal niet in meegenomen. Wij hebben geen idee waarom deze doelgroep een impuls nodig heeft, wat daar de concrete plannen voor zijn en toch gaan we nu de beurs trekken. Nou, volgens mij hebben we dan wel andere zaken waar we de beurs voor kunnen trekken. De voorzitter: De heer Pomper. De heer Pomper: Dank u, voorzitter. Ja, feiten, fictie. Dit zijn feiten die misschien ook wel weer achterhaald zijn. Natuurlijk, mevrouw Koekoek heeft gelijk, in het verleden hebben we geld overgehouden. Toen hebben we natuurlijk ook geprobeerd te investeren in de participatie, misschien in de breedte, maar nu gaan we heel gericht participeren en dat is wel heel belangrijk. Overigens niet alleen voor jongeren en statushouders. Ik mag aannemen dat ook de oudere herintreders die nu nog steeds thuis zitten daar ook onder vallen. Ja, het amendement, het klinkt een beetje paradoxaal. We gaan geld weggeven nu aan participatie wat we dan niet aan armoedebestrijding begeven.
Daar komt het misschien even heel zwart-wit op meer. Vandaar mijn vraag ook aan de wethouder van ja, wat gaat er gebeuren als we de armoedeconferentie hebben gehad? Mijn interpretatie is van als we dan geld nodig zijn om bepaalde taken uit te voeren, dan moeten we dat beschikbare gaan maken. Dat antwoord is dan ook voldoende. Kan ik gelijk ook het standpunt van de SP wel vermelden. Wij zullen, alhoewel hoe sympathiek amendement dit ook is, dit niet ondersteunen, omdat wij het belang van de participatie van die kwetsbare doelgroepen nu voorop stellen en laten we dan ook hopen dat we daar uiteindelijk wel geld aan overhouden dankzij goede begeleiding van de statushouders, de jongeren en de herintreders, maar daar kunnen we inderdaad nog niet helemaal op vooruitlopen. Dat zijn op dit moment de feiten. De voorzitter: Dan kijk ik even of mevrouw Koekoek. Ja. Mevrouw Koekoek: Ja, voorzitter. Kijk, het CDA is er absoluut niet voor om kwetsbare mensen constant maar achter de broek aan te blijven zitten.
Op een gegeven moment moet je ook met elkaar accepteren dat een bepaald deel van het kaartenbestand, om het maar zo even te noemen, gewoon niet aan het werk kon komen en dat vinden wij het juist menswaardig om te zeggen van dat accepteren we als een gegeven en hoe ver wil je dan gaan om die mensen aan het werk te krijgen? Tenminste, dat is mijn afdronk van de SP, die wil koste wat kost daarop inzetten, ongeacht wat het rendement daarvan is. De voorzitter: De heer Pomper. De heer Pomper: Dat laatste is niet waar, want we hebben het over verschillende soorten groepen. Ik gaf net ook aan in mijn betoog, de eerste of de voorgaande jaren hebben we gewoon in de brede zin ingezet op participatie. Nu gaan we heel specifiek inzetten. Statushouders en jongeren en ook die herintreders, dat is echt een specifiek en groeiend probleem. Ik ken ook gewoon mensen van een jaar of 55 en die zijn eigenlijk nog helemaal niet oud, maar die hebben gewoon moeite om een baan te vinden. Die krijgen wel een keer een baantje met een nulurencontract, maar die krijgen geen jaarcontract. Ja, hoe kan je dat dan rijmen? Dat zijn mensen die wel willen werken. Dat zijn ook jongeren die wel willen werken, die krijgen ook een nulurencontract, hebben te weinig inkomen, kunnen geen uitkering krijgen. Ja, hoe valt dat dan te rijmen. Zijn allemaal mensen die wel willen.
Natuurlijk, er is altijd een rechtsgroep aanwezig die niet wil werken. Ja, dan moet je inderdaad, of echt kan werken, daar moet je misschien niet zo heel veel energie inderdaad insteken,
maar de mensen die wel kunnen en willen werken, daar gaan we nou de komende tijd energie in steken en daar moet inderdaad ook een goed plan voorkomen en laten we dan ook echt hopen dat die mensen ook zo snel mogelijk aan het werk gaan, want de keerzijde daarvan is, werken ze niet, dan blijven ze in die armoede terechtkomen. De voorzitter: De heer Van der Meer. De heer Van der Meer: Ja, ik moet eerlijk zeggen dat ik het spoor een beetje bijster ben. Er komt plotseling een nieuwe doelgroepen bij, ouderen, terwijl er net iets gezegd werd over statushouders en jongeren tot 27 jaar. Ik vind het heel charmant, want misschien heb ik dan ook wel voordeel van die nieuwe doelgroep, maar dat wachten we dan nog maar even af. Verder bekruipt me een beetje het gevoel wat we ook doen, we doen het niet goed. In de zin van er wordt door de wethouder gezegd van dat armoedebestrijdingsverhaal, dat kan niet, want er moet nog een armoedeconferentie komen en eerst de inhoud en dan het geld. Nu horen we bij de participatie ook geen inhoud, maar wel geld. Dus dat verbaast me dan wel een beetje en dat ja, brengt mij in ieder geval maar tot herhaling van mijn voorstel van zoek naar die twee ton en doe beide. De voorzitter: Mevrouw Rutgers.
Mevrouw Rutgers: Ja, ik wil er eigenlijk niet zoveel meer aan toevoegen, behalve dat de heer Pomper net een aantal statements maakt die niet iets te maken hebben met het onderwerp. Want dat is allemaal gewoon landelijke wetgeving en heeft niks met een lokaal participatiebeleid te maken. De voorzitter: Ik stel voor … Ja, nee, maar goed, we blijven nu over en weer reageren, maar volgens mij zijn de argumenten op dit punt wel uitgewisseld. Het laatste woord is dan … Een vraag in ieder geval nog aan de heer Pomper en mevrouw Rutgers, dan ronden we af. De heer Pomper. De heer Pomper: Dank u, voorzitter. Kan mevrouw Rutgers dan ook uitleggen welke statements niet kloppen? Mevrouw Rutgers: Ja, over al die contracten. Dat mensen wel hun contract willen, maar geen vast contract krijgen en dat soort dingen. De voorzitter: Ja, de vraag is gesteld en het antwoord is gegeven. Of dat tot tevredenheid is, weten we niet, maar ik wil voorstellen om naar het volgende onderwerp te gaan en het volgende onderwerp is het een buurt, wijk- en dorpshuizen-amendement van D66. Mevrouw Rutgers. Mevrouw Rutgers: Dank u wel, voorzitter. Ja, ik heb het net in de eerste termijn al aangegeven, we zijn op zich een voorstander van om de taakstellingen te schrappen, alleen we zijn er niet voorstander van dat die bedragen uitgegeven worden zoals ze nu uitgegeven worden.
Want er zijn een aantal dorpshuizen die functioneren heel goed. Die hebben een goede rol in het faciliteren van de sociale cohesie in een wijk, buurt, dorp, maar er zijn ook plekken waar dat niet het geval is. Door puur de taakstelling te schrappen blijven we ook de huizen een bijdrage leveren waarvan je je eigenlijk kunt afvragen is dat dan niet geld storten in een bodemloze put? Moeten we niet eerst kijken wat die buurt of wijk of dorp nodig heeft en dus eerst kijken wat is er nodig en dan pas kijken hoe gaan we dat doen en welk geld is daarvoor nodig? Dus we vinden dit eigenlijk een verkeerde volgorde, door eerst te zeggen we blijven geld bieden, terwijl we niet weten of we dan aan iets meebetalen wat over een tijdje misschien wel verdwijnt of dat het geld beter op een andere manier zouden kunnen besteden. Want je kan je ook voorstellen dat er andere vormen zijn in een gebied om aan die cohesie te werken en bij te dragen. Wij denken dat daar een mooie rol is voor de gebiedswethouders. Het is nog niet
helemaal duidelijk wat die gaan doen, maar het lijkt me een hele mooie eerste taak om in hun gebied navraag te doen om op onderzoek uit te gaan van wat is er hier om de sociale cohesie te bevorderen? Hoe functioneert dat? Is dit het geijkte middel of moeten we zoeken naar iets anders en dan kunnen we vervolgens kijken welk geld daarvoor nodig is? Dus vandaar eerst plan, eerst kijken wat is er nodig en dan pas praten over geld. Dat is het. De voorzitter: Oké, dank u wel. De reactie van het college, de heer Zwiers. De heer Zwiers: Ja, voorzitter, ik heb daar zo pas in mijn eerste reactie ook al iets over gezegd. Ja, ik denk dat dorpshuizen, of ze nou een gezonde exploitatie hebben of niet, dat kan best ook los staan van de functie die ze hebben. Dat betekent dat we in gesprek moeten met elkaar over hoe kunnen we dat dan beter doen. Sommigen hebben een gezonde exploitatie, maar is de functie misschien niet helemaal op orde. Ook daar kunnen we over een gesprek, hoe kunnen we dat beter doen? En ik denk dat we niet iets moeten afbreken voordat we die gesprekken hebben gehad en dat is ook wat het voorstel nu is. We willen niet met een taakstelling op pad. We willen in gesprek met de dorpshuizen om ze juist beter te laten functioneren.
Mocht er geen behoefte zijn aan een dorpshuis, ik heb het al gezegd, dan zullen wij daar ook in de gesprekken achter komen en dan zullen wij daar ook naar gaan kijken hoe die sociale cohesie dan georganiseerd zou kunnen worden en hoe moeten dan georganiseerd kan worden. Die behoefte kan dan ook op tafel gelegd worden door de kernen zelf, maar om op voorhand al te zeggen we gaan die bezuiniging toch wel weer doorvoeren, ik denk niet dat dat het voorland moet zijn voor de gesprekken die we nog moeten gaan voeren. De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk wie daarop wil reageren. Mevrouw … De heer Van Eck, sorry. De heer Van Eck: Mevrouw Van Eck is thuis. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dat heeft u net gecheckt natuurlijk, dat dat zo is. De heer Van Eck: Ik moest wel op tijd thuis zijn, zei ze. We hadden net bij het vorig onderwerp ging het over feiten. In de toelichting van dit amendement staat huizen die minder goed lopen zullen dit blijven doen. Dat is natuurlijk een gigantische aanname. Wat ons betreft, als er huizen zijn die het minder doen en die zijn er, gaan we kijken hoe kan dat dat zij het minder doen en wat kunnen zij leren van huizen die het beter doen, maar als je nu toch de bezuiniging doorvoert, ga je al huizen sluiten en ga je enorm veel onrust creëren binnen de besturen. De besturen hebben behoefte aan rust om te kunnen bouwen aan de toekomst van de huizen.
We willen dus rust bij de besturen, maar reuring in de huizen en wat ons betreft kun je ook kijken naar, ik noem het even het buurthuis 2.0. Kun je functies toevoegen wellicht aan huizen, waardoor ze beter gaan lopen. Pas in het laatste geval, als er is gekeken van me kunnen ze niet upgraden, we kunnen ze niet in beweging krijgen en een wijk of een buurt of een dorp staat daar ook achter, dan kun je gaan kijken van moeten we ze dan allemaal in de been houden, maar nu al sluiten en vervolgens naar de functies kijken, is de verkeerde volgorde. De voorzitter: Mevrouw Hooijer had zich ook nog even gemeld. De heer Van Rijn: Voorzitter, mag ik even een vraag aan mijnheer Van Eck stellen? De voorzitter: Ja. Ja, ga uw gang.
De heer Van Rijn: Want ik begrijp de redenatie van de Partij van de Arbeid, want waarom zou je niet ergens een steuntje kunnen geven of het één heeft het wiel uitgevonden en vertelt dat bij de andere dat ook zo gaat functioneren, maar er zijn ook die hebben gewoon geen bezoekers. De vrijwilligers die de dorpshuizen draaiende houden, die zijn op het punt om ermee te stoppen. Ik bedoel, dat werkt dan toch niet? De voorzitter: De heer Van Eck. De heer Van Eck: Ja, maar dat is toch het onderzoek? Dat is toch dat we gaan kijken dat we in gesprek gaan? Maar als we nu al gaan bezuinigen dan slaan we die fase van onderzoek doen en gesprek voeren over. De voorzitter: Mevrouw Rutgers. Mevrouw Rutgers: Ja, ik hoor zowel de wethouder als de heer Van Eck zeggen bezuinigen, maar de eerste zin van ons amendement is dat wij het eens zijn met het voorstel om die taakstelling te schrappen. Dus er is geen dreigende bezuiniging, alleen wij zetten er onze vraagtekens bij, moet je dan de weg zoals die nu loopt continueren of moet je kritisch zijn op wat je met dat geld gaat doen? En wij denken dat je niet zomaar moet doorgaan, maar dat je dat gesprek moet aangaan en met een plan moet komen waar het geld aan gaat besteden. Dus nee, er hangt geen dreigende bezuiniging boven het hoofd, maar er hangt wel een gesprek boven het hoofd om te kijken hoe loopt het hier en wat kan er anders en beter.
De voorzitter: Mevrouw Hooijer. Mevrouw Hooijer-Everts: Nou ja, de wethouder heeft al toegezegd dat er een gesprek komt en dat is in het verleden ook al gezegd en dat is ook de bedoeling dat er in gesprek gegaan wordt met de dorpshuizen. Dus ja, wat dat betreft is het dan wat ons betreft overbodig, want wij willen dan niet wat dan ook meegegeven wordt, die vrijheid moeten wel zijn. Iets van bezuinigen willen we op voorhand zeker niet meegeven en dan denk ik van ja, als het de bedoeling is, als u zegt van uw oproep om goed in gesprek te gaan en goed die verbinding aan te gaan, ja, daar staan wij achter, maar niet om dit al mee te geven. Dus wij zullen dit niet steunen dit amendement. De voorzitter: De heer Pomper. De heer Pomper: Dank, voorzitter. Ja, ik vraag me dan ook hardop af wat is dan de toegevoegde waarde van dit amendement? Ik denk dat er belangrijkere zaken zijn om over te spreken, want zoals ook in de Hoogeveensche Courant hebben gelezen, heel veel buurthuizen die zijn ook gewoon aan vernieuwing toe. Er moet heel veel onderhoud gepleegd worden.
Kijk, de SP had net ook al in de bijdrage gezegd van onderhoud is natuurlijk hartstikke duur, maar waarom kunnen we dat ook niet overlaten zoveel mogelijk aan de omgeving zelf? Daar zit ook kennis en kunde en dat kan wellicht en dat mag ook nader onderzocht worden, voor heel wat minder dan dat we dat externen aan laten besteden. De voorzitter: De heer Van der Meer? Nee. O, ik dacht dat de heer Van Rijn naar u aan het wijzen was. De heer Van Rijn: Nee, ik wou graag nog even regeren op … De voorzitter: O, nee, sorry, mijnheer … Sorry. Sorry. Ja, nee, want u wees naar mij van u bent iemand vergeten. De heer Van Rijn: ‘…’ nog wilde reageren op Van Eck.
De voorzitter: Oké. Dan is het mijn interpretatie van uw bewering verkeerd geweest. Dan geef ik eerst de heer Feenstra het woord. De heer Feenstra: Voorzitter, ik heb een vraag aan het college. Er is hier in dit huis vorig jaar een motie aangenomen van de VVD van Bisschop om een onderzoek te doen naar het functioneren van de dorpen en buurthuizen. In die motie stond vermeld dat de Raad voor 1 juli geïnformeerd zal worden over de uitkomsten van dat onderzoek. Wij zijn zeer geïnteresseerd in de uitkomsten van het onderzoek. De voorzitter: Dat is ook even een vraag aan het college, daar graag even de heer Zwiers. De heer Zwiers: Dan moet ik wel even graven in mijn geheugen, maar ik begrijp dat we dat opgeschort hebben, hangende deze discussie. De voorzitter: De heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Ja, nog even een vervolgvraag aan mijnheer Van Eck, want ik begrijp ook zijn redenatie daarover, maar er wordt subsidie verstrekt aan de buurthuis. Er wordt voor het vastgoed geld verstrekt, maar als er nou, iemand met zo’n buurthuis in gesprek, maar dat blijft doorlopen. Is dat dan eigenlijk niet gewoon een soort geldverspilling dan op zo’n ‘…’. Kijk, die goedlopers, daar staan we ook 100 procent achter. Er is niks mooier als je een goed florerend buurthuis hebt, maar het gaat juist om diegenen die niet goed lopen, daar gaat het even over. De voorzitter: De heer Van Eck.
De heer Van Eck: Ja, het wordt een herhaling van zetten. Eerst kijken waarom lopen bepaalde huizen niet goed. Kunnen we die beter laten lopen? En pas in een veel latere fase eventueel een bezuiniging doorvoeren, maar niet beginnen met een bezuiniging. De voorzitter: Ik zag nog even de hand van de heer Zwiers. De heer Zwiers: Ja, er wordt gesteld dat er geen bezuiniging plaatsvindt, maar er vindt wel degelijk een bezuiniging plaats, we weten alleen nog niet waar. Want dat is de dreiging die met dit amendement boven de markt hangt. Nou en dat vind ik eigenlijk ook bezwaarlijk. Het is zo dat als je zegt van we stellen het geld ter beschikking aan de gebiedswethouders, dan moet je dat geld ergens vandaan halen. Dan komt dat daar al automatisch bij de wijk- en dorpshuizen weg en dat betekent dus ook en dat je wel bezuinigt, maar alleen nog niet weet om welk dorpshuis of welke wijkhuis. Buurthuis. Wijkgebouw. De voorzitter: Mevrouw Rutgers.
Mevrouw Rutgers: Ja en dat is in combinatie met wat de heer Pomper zei precies ook het antwoord op de vraag van mevrouw Hooijer, want een meerwaarde van dit amendement is dat je dat geld, wat we nu dus niet gaan bezuinigen, direct op al die buurthuizen, dat je dat vrij speelt om goed in te kunnen zetten daar waar het nodig is en daar heeft die gebiedswethouder zicht tot straks, nadat hij in gesprek is geweest met die buurt, wijk of dorp en dan weet je dus precies waar is wat nodig, hoe gaan we dat geld besteden en dan storten we het niet in een bodemloze put zonder na te denken over welke lopen niet goed en waar moeten we wat anders bieden. De voorzitter: Oké, dank u wel. Ik kijk even rond, ik zie verder geen … De heer Pomper nog.
De heer Pomper: Ja, dank u, voorzitter. Mevrouw Rutgers, is het dan niet beter om dit amendement gewoon eerst aan te houden en desnoods om te gieten in een motie, nadat we de onderzoeksresultaten binnen hebben en voordat we de begroting vast te stellen? De voorzitter: De heer Feenstra nog. Antwoord hierop of is het een ander punt? Nee, antwoord hierop. Ja, de heer Feenstra. De heer Feenstra: Ja, niet het antwoord, maar wel aansluitende vraag, want ik ben even het spoor bijster over welk onderzoek dan nog wel functioneert, want het onderzoek van Bisschop is opgeschort. Krijgen we nu een onderzoek van Van Eck? Kortom, welk onderzoek? De voorzitter: Ja, ik kijk even eerst naar mevrouw Rutgers en dan … Mevrouw Rutgers: Ja, het wordt nu wel al laat, wat is de vraag ook alweer, mijnheer Pomper? De voorzitter: Nee, nee, de vraag was meer van welk onderzoek is er nu … Mevrouw Rutgers: Ja, maar er zat een vraag voor aan mij. De voorzitter: Nee, nee. Dat is een vraag voor de wethouder, die gaat hij zo beantwoorden, maar ik dacht dat u dan wilde reageren op de heer Pomper. Mevrouw Rutgers: Ja, dat wou ik ook, maar ik weet nu niet meer wat hij zei. De voorzitter: Dat gaat hij nu herhalen. De heer Pomper: Om dit amendement gewoon aan te houden en desnoods om te gieten in een motie voor de begroting. De voorzitter: Ja, mevrouw Rutgers.
Mevrouw Rutgers: Nou, als ik dit in een motie … Dat is geen voetbal, maar er wordt wel een raadsvergadering live teruggekeken, van weet ik niet wanneer. De voorzitter: En wat had mevrouw Hooijer nou ook alweer gezegd? Want ik hoorde de stem van mevrouw Hooijer. Mevrouw Rutgers: Ja, precies. De voorzitter: Ja, heel goed. Ga uw gang. Mevrouw Rutgers: Kijk, als ik dit amendement in een motie vat dan, met de strekking van ga onderzoek doen. Nou, dat is al toegezegd, dus dat voegt niks toe. In een amendement regel ik toch echt iets anders dan in een motie, dus vandaar dat het in een amendement staat en niet in een motie en dat die nu op tafel ligt en niet pas straks, want nu gaan we straks besluiten over die kaderbrief met de oplegger en dan hebben we dus dat bedrag niet alleen, de taakstelling niet alleen geschrapt, maar ook geen andere invulling daarvoor bedacht, dan het gewoon te storten aan alle buurthuizen in plaats van eerst te kijken naar wat nodig is, zoals beloofd was en ja, dan regelt dit amendement dus net iets anders dan wanneer je het in een motie zou verpakken.
De voorzitter: De heer Zwiers. De heer Zwiers: Ja, we hebben de motie destijds aangehoord, maar we hebben het onderzoek stopgezet en opgeschort omdat wij eerst ook vanwege de verkiezingsuitslag wisten wat er zou gaan gebeuren. Of dachten te weten wat er zou gaan gebeuren. We hebben wel toegezegd dat we in gesprek zouden gaan en het is ook zo dat wij daar ook uiteraard naar aanleiding van die gesprekken bij u op terugkomen. Dus wij zullen de gesprekken gaan voeren en wij zullen daar u ook over informeren wat de uitkomsten zijn van die gesprekken. De voorzitter: Dat betekent dat het onderzoek geen twee, maar één is, dit onderzoek. De heer Sieders: Ja, of je het nou een onderzoek noemt of je noemt het gesprekken, we gaan met de dorpshuizen in gesprek om te kijken waar het beter kan, waar we met elkaar beter kunnen samenwerken en dat willen we u natuurlijk presenteren. De voorzitter: De heer Reneman. De heer Reneman: Ja, als tweede wethouder en in het vorige college ook wat nauwer betrokken hierbij, is het misschien goed om even heel precies te worden. Er zijn gesprekken gevoerd met de dorps- en wijkhuizen. De vervolgstappen zijn vervolgens niet genomen omdat het college even moet afwachten van hoe u nu beslist over de taakstellende kant van de dorps- en wijkhuizen.
Als u de kaderbrief aanneemt dan ontstaat er voor dit college een nieuwe situatie en dan zullen we bij u terug komen over hoe we het proces dat we met de dorpsen wijkhuizen hebben ingezet, hoe we dat zullen vervolgen, gegeven de nieuwe wens van de raad. Nou goed, ik denk dat het verstandig is wat de heer Zwiers zegt, dat we daar ook u gewoon over informeren en vertellen over hoe we dat proces voor ons zien, zodat u ook weet wat wij van plan zijn. De voorzitter: Oké, dank u wel. De heer Pomper nog. De heer Pomper: Ja, dank u, voorzitter. Ja, hoe sympathiek dit amendement dan ook is, de SP zal wel tegenstemmen. We willen ook eerst, noem het onderzoek of de gesprekken in ieder geval, afwachten. We stellen nu inderdaad gewoon deze taakstelling vast en daar komen we dus op terug, want dat is ook toegezegd door de wethouders. De voorzitter: Anderen nog? Niet? Dan ga ik met u naar het punt van de heer Pomper dat hij ingebracht heeft voor deze debatronde. Dat is het punt van de extra inzet, de extra, of de … In de kracht van buurt en dorp, op eigen kracht, zal ik maar even zeggen. Hij kan zelf nog wel even de aftrap doen. De heer Pomper. De heer Pomper: Ja. Dank u, voorzitter. Kijk, natuurlijk, wanneer er bijvoorbeeld onderhoud gepleegd moet worden aan wijkhuizen, buurthuizen, noem maar op, dat moet natuurlijk wel op een bepaald niveau gebeuren en dat moet aan allerlei eisen voldoen.
Ik zou dat wel eens onderzocht willen hebben van wat is daar allemaal voor nodig, moeten we daar ook echt een extern bureau voor inschakelen of kunnen we dat ook gewoon overlaten door een pakket van eisen neer te leggen? Dat een collectief, dat kan dus de buurt, het dorp zelf zijn. Wellicht dat het ook wel goed is dat de wethouder daar eerst over kan beantwoorden wat daarin mogelijk is. Want ja, als het echt gewoon niet kan, heeft een debat natuurlijk ook weinig zin. De voorzitter: Dan gaan we eerst de wethouder vragen of het zinvol is dat geen externen het onderzoek doen, maar dat het vanuit de eigen geledingen komt, dat is de vraag van de heer Pomper.
De heer Pomper: Ja, de uitvoering, hè. De voorzitter: Ja, de uitvoering. Ja. De heer Zwiers. De heer Zwiers: Volgens mij kijken we daar in eerste plaats zelf naar en ik denk ook dat we in de gesprekken zullen beleven wat de wensen zijn en ook wat de staat van het gebouw is en of wij daar dan op welke manier dan ook iets in moeten doen, ook dat zal altijd in overleg gaan en ook dat zal betekenen dat we moeten kijken naar onze middelen die we ter beschikking hebben, maar ook welke eigendomssituatie er is. Dus ja, daar waar de kracht van de samenleving gebruikt kan worden, waar het ook een stuk in de sociale cohesie kan helpen, zullen we wellicht maatwerk kunnen toepassen en met elkaar afspraken maken, maar ja, ik kan, ik durf daar niet op vooruitlopen. De gesprekken moeten allemaal nog plaatsvinden. Dus ik kan ook daar ook geen toezegging indoen van hoe we dat dan verder zullen oppakken. De voorzitter: De heer Pomper. De heer Pomper: Kunt u wel een toezegging doen om het in de evaluatie mee te nemen wat daarover besproken is? De voorzitter: De heer Zwiers. De heer Zwiers: Ja, alle soorten. We hebben besproken daar wat relevant is. Ja, daar kunnen we natuurlijk altijd u over informeren. Dus dat zal ook geen probleem zijn. De voorzitter: Betekent dat het geen debatpunt meer hoeft te zijn. Akkoord? Dan komen we bij het laatste debatpunt, dat is bezuiniging SWO.
De heer Van Rijn: Ja, voorzitter, er was een taakstelling opgelegd in Schone Lei en ja, goed, we hebben de wethouder gehoord. Die acht het wel dat dit onrealistisch is. Toen was het wel re… Maar wat ik even wilde inbrengen daarom, wij hebben in de gespreksnotities gelezen dat dit bedrag juist moest, laat ik het maar gewoon zeggen, even geschrapt worden op deze taakstelling die moet gestopt worden, omdat dat geld gebruikt moest gaan worden voor fte om de vijfde wethouder te ondersteunen en dat zou ik toch wel heel erg vinden als dat de methode is om zo een vijfde wethouder te ondersteunen. Dus ik wil daar gewoon even van de coalitie een antwoord op hebben. De voorzitter: Ja, u spreekt de coalitie aan, maar … Of het college, het is me … De heer Van Rijn: Ik heb het gelezen. In de gespreksnotities in de onderhandelingen van de coalitie, voorzitter, dus daar mag ik toch de coalitie daarop aanspreken? De voorzitter: Nee, maar het ging mij even om even scherp te zijn aan wie u de vraag stelde. De heer Van Rijn: Oké. Nee, ik heb dit aan de coalitie gesteld, ja. De voorzitter: En daar legt u een verband mee met de kadernota? De heer Van Rijn: Voorzitter, die taakstelling die stond gewoon vast. Die is er nu uitgehaald en in die gespreknotitie staat dat de taakstelling eruit gehaald moet worden, want dan kan er geld benut worden om
fte in te zetten om ambtenaren te ondersteunen die de vijfde wethouder nodig hebben. Dat wil ik gewoon weten of dat zo is, ja of nee. De voorzitter: Ja. Dan geef ik eerst even een woord aan de heer Reneman en daarna aan de coalitie. De heer Reneman. De heer Reneman: Ja, voorzitter, de coalitie heeft inderdaad gesproken over de taakstelling op SWO en de redelijkheid daarvan in relatie tot een uitbreiding van het bestuur. Dat is gewisseld, maar dat is niet de reden waarom het college voorstelt om de taakstelling op SWO te schrappen. Dat heeft daar niks mee van doen. Die taakstelling was in zichzelf al niet realistisch. Om de redenen die ik net in de vorige termijn ook heb uitgelegd. Die taakstelling is realistisch onder de voorwaarden dan wij pak hem beet nog 6,5 miljoen hadden bezuinigd op het sociaal domein.
Dan had de SWO gezegd van ja, dan kunnen we inderdaad toe met minder ambtenaren en dat geldt niet alleen voor die taakstelling, maar er zijn nog wel meer taakstellingen die we ook niet hebben doorgevoerd en omdat dat volume aan taakstellingen aanzienlijk minder was dan oorspronkelijk het idee was, is het restant van de taakstelling op SWO ook gewoon niet realistisch en als u dat wel realistisch acht, bent u uitgenodigd om in de huidige begroting van Hoogeveen taken te schrappen tot een niveau dat u een personeelsbestand van pak hem beet vijf tot zes ton minder nodig heeft, maar het is zoals het is. Dus de coalitie heeft erover gesproken. Voor mij geldt dat het al onrealistisch was vanaf het moment dat wij de taakstelling op het sociaal domein niet realistisch achten. De voorzitter: Dit als toelichting. De heer … Ja, mevrouw Hup. Mevrouw Pullen. Mevrouw Pullen: Ja. Ja, nou ja, … De voorzitter: Hup, hup, mevrouw Pullen. Mevrouw Pullen: De SGP spreekt de coalitie aan en die refereert aan het gesprek tijdens de coalitie. Nou, ik denk dat zoals de SGP, de heer Van Rijn dit aanreikt, lijkt alsof er een causaal verband zit tussen aan de ene kant die taakstellingen en aan de andere kant die vierde, vijfde wethouder. Dat is niet het geval. Ik denk dat het verhaal wat de heer Reneman houdt, dat gaat echt over de niet realistische taakstelling op de SWO.
Daar hebben wij vanuit de ChristenUnie ons altijd op een andere manier ingezet dan uw kritische houding daarin. Dus in die zin wil ik u eigenlijk gewoon voorhouden dat het causale verband niet bestaat. De voorzitter: Waar deze toelichting. Verder geen reacties daarop. Nee. De heer Sieders. Ja, u zat achter de heer Meesters, dus ik kon u niet zien. De heer Sieders, ga je gang. De heer Sieders: Ja, dank u wel, voorzitter. Nou, de heer Van Rijn vroeg aan de coalitie dan de uitleg. Ik sluit me volledig aan bij de woorden van mevrouw Pullen van de ChristenUnie. De voorzitter: Dank u wel. Dan constateer ik dat wij deze debatronde afgerond hebben. 2.4 Sluiting debatronde De voorzitter: Daarmee sluiten we ook de debatronde en gaan we over naar de besluitvormende vergadering.
Besluitvormende vergadering (Raadzaal) 4.2 Benoeming en herbenoeming leden Raad van Toezicht STOVOH De voorzitter: Die heropen ik, want die hadden wij geschorst en we zijn bij agendapunt 4.2 en u weet dat bij alle voorstellen die nu volgen er een digitale stemming volgt, dus bereidt u er maar vast even op voor dat dat ook gaat gebeuren. Aan de orde is agendapunt 4.2, Benoeming, herbenoeming leden van de Raad van Toezicht STOVOH. De stemming komt nu voor. En dan kunt u stemmen. De heer Sieders moet nog stemmen. Ja, dat … Dan weten we in ieder geval dat de meeste leden gestemd hebben. Eén is net afwezig, dat is dan jammer, maar we kijken nu naar de uitslag. Dan zijn er dertig voor en nul tegen. We hebben dus dertig mensen aan de stemming meegedaan. Daarmee is dit voorstel aangenomen en kan iemand de heer Walda op de wc even waarschuwen dat we nu naar het volgende punt overgaan? Ja, we gaan door, maar ik probeer even nog wat te rekken. 4.3 Jaarrekening 2021 De voorzitter: Dan gaan we naar agendapunt 4.3, de jaarrekening 2021, komt in stemming. Tenzij er nog even, ik wacht even tot ik kijk of er nog stemverklaring. De heer Van Rijn: Voorzitter, ik had nog een vraag. De voorzitter: De heer Van Rijn.
De heer Van Rijn: ik weet niet waarom de reactie van het college over het accountantsverslag en de beantwoording technische vragen en de resterende antwoorden van de technische vragen achter een slotje zitten. We hebben het allemaal gedaan voor onze inwoners. De jaarrekening is dus ook voor onze inwoners. Waarom zit dit achter een slotje? Het lijkt net of die gordijnen van het glazen huis van Thorbecke weer potdicht getrokken worden zo. Dus ik zou graag naar een reactie op willen hebben. De voorzitter: Reactie van de kant van het college. De heer Reneman. De heer Reneman: Vanuit ons is er geen enkel beletsel. De voorzitter: Als het geen beletsel is, dan … De heer Van Rijn: Ja, voorzitter, dan verzoek ik om die slotjes er af te halen. De voorzitter: Als dat geen beletsel is, kan dat. Ja. Dan is … We hebben nog dankzij de interruptie en de vraag van de heer Van Rijn u gered dat u mee kunt doen aan de stemming over het volgende agendapunt. We zijn bij punt 2.3 … Of sorry, 4.3, de jaarrekening 2021. Die komt nu in stemming. Ja, toch nog even een nabrander. Er is een stemverklaring, de heer Kleine. De heer Kleine: Ja, dat klopt. Dat is niet om per se nou contrair te stemmen, alleen 2021 waren wij niet bij betrokken, dus het is voor ons onmogelijk om daar voor te stemmen. De voorzitter: Ja, u weet u heeft inderdaad de keuze of voor of tegen en dan één van die twee gaat u kiezen.
Ja, nee, dank u wel. Dan komt die nu in stemming.
De heer Kleine: Ja, maar dat is … De voorzitter: Kijken we even naar het resultaat. Dan is het met negenentwintig voor, twee tegen is de jaarrekeningvaststelling aangenomen en komen we bij de kaderbrief. 4.4 Kaderbrief De voorzitter: En de kaderbrief kent drie amendementen. Amendementen zijn wijzigingsvoorstellen. Daar moet u eerst overstemmen en dan pas over het totaal van de kaderbrief, om te kijken of die al dan niet gewijzigd wordt door die amendementen. Het eerste amendement wat aan de orde is, is het amendement Geen indexatie ozb. Die komt ook in stemming, want we hebben inmiddels in het debat de verklaringen gegeven. Het amendement Geen indexatie ozb. Dank u wel. Dan kijk ik naar … Dan is het voor dertien, tegen achttien. Daarmee is het amendement verworpen. Komen we bij het amendement Echt werk maken van armoedebestrijding en bestaanszekerheid. Motie van het CDA en de SGP. Het ligt voor stemming voor. Heel goed, mijnheer Van Rijn. Ik had verwacht dat de heer Klok zou reageren, maar. Stemming is gehouden. Voor het amendement elf, tegen twintig. Daarmee is het amendement verworpen. Dan komen we bij het amendement Kaderbrief 2023 Buurt-, wijk- en dorpshuizen van de fractie van D66. De heer Van Rijn: Voorzitter, ik wil een stemverklaring afleggen. De voorzitter: Dat hadden we eigenlijk al in de rondes die we net hebben gehad, maar goed.
U heeft dat schijnbaar niet … U heeft dat gemist. De heer Van Rijn: Nee, dat heb ik niet … Ja, sommigen hebben stemverklaring, sommigen niet. Maar goed. De voorzitter: Gaat uw gang. De heer Van Rijn: Oké. Dank u wel, voorzitter. De SGP is voor buurthuizen, maar om zomaar te zeggen door te laten gaan en ook in buurthuizen die niet floreren, vinden wij onverstandig en wij vonden deze route die nu de D66 in dit amendement kiest, vinden wij dan een betere route en het doet niks af dat wij echt het belang van buurthuizen zien en daar ook voor zijn, maar wij zullen voor dit amendement zijn. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Dan brengen we dit amendement in stemming. Dan is de stemming voor het amendement acht leden, tegen drieëntwintig. Daarmee is het amendement verworpen en is aan de orde de volledige kaderbrief. De heer Feenstra: Voorzitter, mag ik hier een punt van orde, dat ik hier graag even een korte schorsing voor wil? Voor beraad in de fractie. De voorzitter: Ja, zeker, dat wil ik u toestaan en een korte, hoe lang denkt u ongeveer nodig te hebben? De heer Feenstra: Twee minuten. Dan schors ik twee minuten. Dames en heren, neemt u even de plaatsen weer in. Inmiddels zijn de files bij de wc opgelost. Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de totale kaderbrief voorstel. De fractie van het CDA heeft gevraagd om een schorsing. De heer Feenstra.
De heer Feenstra: Wij willen ook graag een stemverklaring afleggen. Wij hebben besloten om tegen dit voorstel te stemmen. Dat doen we met een zwaar gemoed, omdat we eigenlijk vinden van hier zouden we
met elkaar een stap kunnen maken, maar wij vinden het punt van de ozb dusdanig zwaarwegend dat we op dit moment niet voor dit voorstel kunnen stemmen. De voorzitter: Dank u wel. Anderen nog? Mevrouw Rutgers. Mevrouw Rutgers: Ja, wij staan ook in dubio, want de kaderbrief, daar zijn we zeker voor. De update van de kaderbrief daar hebben wij onze bedenkingen bij en dat zit hem met name in dat deze niet kaderstellend is, maar eigenlijk eerder kaderverruimend, zonder onderbouwing en daar hebben wij moeite mee. Desalniettemin zitten er een aantal punten in ook zonder onderbouwing die we wel waarderen, zoals bijvoorbeeld het punt over marketing. Dus we zullen uiteindelijk over de kaderbrief als geheel voorstemmen, maar niet van harte. De voorzitter: Dank u wel. De heer Vos. De heer Vos: Dank u, voorzitter. Los van de inhoudelijke kaders die worden gesteld en het geld, wij zouden het op een hele andere manier uitgeven, hebben we eigenlijk ook niet het vertrouwen in de hele coalitie dat op lange termijn de gevaren worden gezien van de tijd waar we nu met z’n allen naar toe gaan. Wij vinden dat hier onduidelijk en te weinig antwoord op is gegeven en we zien dat ze daar niet echt een visie op hebben, dus we zullen ook tegenstemmen. De voorzitter: Dank u wel. De heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Ja, dank u wel, voorzitter.
Ja, het is natuurlijk een kaderbrief, maar het geeft toch wel de kaders aan zoals ze straks naar de begroting gaan. Zitten veel onzekerheden in, in deze kaderbrief. Alleen al aan PM-posten zit al heel veel onzekerheid in. Wij hadden graag met het CDA gewoon dus ook de indexatie van de ozb op nul willen hebben, maar aan de andere kant, een kaderbrief heb je wel nodig om je begroting te maken. Dus wij zullen hier wel voor zijn, maar ja, wij doen het ook eigenlijk maar een beetje schoorvoetend dit keer. De voorzitter: Dank u wel. De heer Pomper. De heer Pomper: Dank u, voorzitter. Ja, er zitten natuurlijk heel veel onzekerheden een, maar wij gaan met zekerheid wel voor deze kaderbrief stemmen. Het is wel belangrijk om in ieder geval kaders te gaan stellen. De voorzitter: Dank u wel. Dan constateer ik dat er geen verdere … Nee, geen verdere ‘…’meldingen zijn. Dan is aan de orde de stemming over de kaderbrief. Dank u wel. Dan is de uitslag dat voor het vaststellen van de kaderbrief hebben gestemd drieëntwintig leden van uw Raad, tegen acht en daarmee is de kaderbrief vastgesteld. 4.5 Omgevingswet: delegatie, bindend advies, verplichte participatie De voorzitter: Dan gaan we naar agendapunt 4.5, die in drie delen bestaat.
Dat is namelijk de Omgevingswet op een aantal onderdelen en we gaan ze per onderdeel behandelen, omdat daar ook per onderdeel een aantal amendementen zijn ingediend. En ik zal u ook even aangeven in welke volgorde dat zal gebeuren in verband met de verstrekkendheid van de diverse amendementen.
4.5.1 Omgevingswet: delegatie De voorzitter: Dan gaan we eerst naar de Omgevingswet: delegatie. Daar zijn twee amendementen ingediend. Die staan in uw agenda in ieder geval in de juiste volgorde, dus in die volgorde gaan we ook deze amendementen behandelen. Deze wijzigingsvoorstellen. Het eerste amendement is het amendement Omgevingsvisie delegatie die ingediend is door de SGP. Ik geef het woord aan de heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Ja, dank u wel, voorzitter. Zoals bij debat aangegeven had de SGP veel moeite en niet alleen de SGP, alle fracties die hadden daar wel zo wat op- en aanmerkingen over, over die lijsten. De inhoud van die lijsten, daar was geen goede definitie bij. Het was voor tweeërlei uitleg vatbaar. Je kon er later andere interpretaties aangeven. Nou, dat vinden wij dat moet je niet in een raadsbesluit hebben willen staan. Dat is gewoon te onzeker, daar kun je later gewoon allerlei gedoe over krijgen. Dat moet je niet willen. Dus vandaar dachten wij we moeten een oplossing gaan vinden dat zowel voor het college werkbaar is als voor de raad. Kaderstellende rol, dat het daar ook gewoon bij kan blijven. Dus we dachten, we gaan een oplossing bedenken en wij dachten die gevonden te hebben. We hadden daar even vooraf wel met het college overleg over gehad.
Eerst leken ze wel positief, later zeiden ze ja, het is niet werkbaar, maar dat vinden wij een beetje te kort door de bocht. Het college moet wel even heel duidelijk aangeven waarom het niet werkbaar zou zijn, want ik begrijp dat de Omgevingswet, die heeft universele punten waar ze samen moeten werken met het provinciaal bestuur, met andere gemeentes, maar we hebben het goed gehoord in de uitleg die wij in de informatieronde erover, elke gemeente gaat die Omgevingswet op zijn eigen taken gewoon klaarmaken. Nou, de SGP vindt gewoon dat met wat wij hier voorstellen, dat dat er een hele goede uitvoering aangegeven. Wij willen graag dat die lijsten eruit gaan. Wij willen graag dat de nu geldende kaders blijven van toepassing als onderleggers in de nieuwe Omgevingswet. Als er behoefte vanuit het college is om daar op onderdelen wijziging of wijzigingen in aan te brengen, komt het college daar met voorstellen mee naar de gemeenteraad, zodat er dan daarover op dat moment een integrale afweging kan plaatsvinden. Dat de voorgestelde voorbeelden geen duidelijkheid geven, dat heb ik net benoemd. Wat bereiken we hiermee? Dat indien er nodig is of wenselijk, stapsgewijze aanpassingen gedaan gaan worden, zodat de nieuwe Omgevingswet uiteindelijk voor Hoogeveen een werkbaar geheel gaat worden en de gemeenteraad in haar kaderstellende rol hierbij betrokken blijft.
Tot zover mijn bijdrage, voorzitter, dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Dan volgt de reactie van het college, de heer Bisschop. De heer Bisschop: Dank u wel, voorzitter. Allereerst wil ik even aangeven dat dit de grootste wetswijziging is sinds 1848 en het ontstaan van de grondwet hier in Nederland. Dus dit is nog wel wat. Deze voorstellen die wij hier neergelegd hebben in de raad en laten we over delegatie eerst eens beginnen, dat zijn voorstellen die voor het proces, de technische uitvoering, na de implementatie toe per 1-1-2023, noodzakelijk zijn. Dat de kaders van de wet daarin ook zijn gesteld in de wet, maar ook nog uitvoerbaar gemaakt moeten worden, dat is aan de raad, aan het college, maar ook aan de organisatie. We hebben afgelopen week de week van de Omgevingswet afgesloten binnen de organisatie en ik heb die afsluiting donderdag zelf gedaan en naar heb ik een presentatie van een uur van alle projectgroepen gekregen. Als ik dan later terug krijg van mensen bij de borrel van goh, dat men nu daarin de ambitie, de drive, de passie heeft om echt iets te maken van die Omgevingswet, dat doet mij deugd als wethouder.
Om dat te zien hoe de organisatie eigenlijk vanuit de vorige week van de Omgevingswet, dat is in het voorjaar geweest, dat men daar een hele mooie 180 graden omwenteling is gekeerd en dat men daar nu iets van wil maken en dat ook de drive aanwezig is voor de Omgevingswet om per 1 januari gewoon van start te gaan. Nou, dan moeten we als raad ook onze organisatie in staat stellen om die processen en die procedures rondom die Omgevingswet op een goede manier neer te
zetten. Dit is een technisch verhaal, delegatie. Delegatie, dat wil alleen maar zeggen dat wij eigenlijk wat we nu allemaal in de bak hebben zitten aan bestemmingsplannen, dat we die gaan omzetten naar omgevingsplannen. Nou, daar moeten wij als college een bepaalde ruimte in hebben. Daar moeten we als college dat eigenlijk al het maatwerk dat in die bak zit, moeten we gaan pompen in die Omgevingswet, in die omgevingsplannen. Dus dat is een hele opgave en daar krijgen we vijf jaar de tijd voor om dat te doen, maar dat is wel een hele opgave en dit zijn de kaders die we daarvoor nodig hebben en die lijst die hebben we daar ook echt voor nodig. Als we nu zeggen van jongens, we gaan de oude kaders pakken. Dat kan eigenlijk helemaal niet, want dat zijn 26 wetten, 158 algemene maatregelen van bestuur, plus nog eens een keer de lokale kaders die we daarin mee hebben gegeven. Dat is een hele brij, daar kunnen we niks mee, dus we moeten nu aan de processen werken om dit neer te zetten. Nou, dit amendement is voor ons binnen dit kader wat we in de Omgevingswet hebben, niet uitvoerbaar en dus ik zou het ook niet aanraden aan de raad om dit amendement aan te nemen. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Ik kijk even naar overige partijen of daar een reactie op moet komen. De heer Meesters.
De heer Meesters: Ja, voorzitter, ik denk gewoon dat het überhaupt onmogelijk is om dit amendement aan te nemen omdat we gaan inderdaad naar een nieuwe wetgeving, wanneer die ook mag ingaan. Voorlopig lijkt het nog steeds in januari te zijn, maar als we dit aanhouden blijven we dus inderdaad de Wet ruimtelijke ordening aanhouden en dat soort zaken en dat kan gewoon niet. We kunnen niet iets anders doen dan wat de wet voorschrijft. Dus ondanks dat ik het punt van de heer Van Rijn zeker begrijp, dat hij zegt we willen graag die grip houden, is het gewoon wettelijk gezien onmogelijk en dat zal ook de reden waarom wij niet mee zullen gaan in dit amendement De voorzitter: Dan nog de heer Van der Meer. De heer Van der Meer: Ja, ik kan ook daarbij aansluiten. Het zou ook mijn opmerking zijn, want met de vraag van ja, wat zal er veranderen als je het amendement laat staan zoals het nu staat, dan gebeurt er feitelijk niets, want dan houd je de huidige wet- en regelgeving intact en dat kan volgens mij niet. De voorzitter: Anderen nog? Ja. De heer Dekker. De heer Dekker: Ja, dank u wel, voorzitter.
Ja, moet ik nu wel of niet wat zeggen, want anderen hebben het eigenlijk al gezegd, maar wel even om aan te geven dat wij straks tegen zullen stemmen omdat het om redenen die de wethouder aangaf, het lijstje is nodig, we hebben er ook geen verdere bezwaren tegen en ja, wij zullen dit dus niet steunen. De voorzitter: De heer Van der Heide. De heer Van der Heide: Ja, dank u wel, voorzitter. Allereerst zou juist zou ik willen zeggen ik wou de heer Brand … De heer Van Rijn wel heel veel waardering uitspreken voor het feit dat hij dit probeert meer grip te brengen, maar dat wordt nog een hele opgave en daar zullen we door de jaren heen, by learning, by doing, dat moeten gaan ervaren, is mijn beeld. Maar gezegd hebbende wat de anderen gezegd hebben, hoef ik niks meer te zeggen. Wij zullen ook tegenstemmen. De voorzitter: De heer Pomper.
De heer Pomper: Idem dito. De voorzitter: De heer Otten. De heer Otten: Ja, voorzitter, zo zitten wij er ook in. Wij zijn eigenlijk ook niet voor al die oude regeltjes. We krijgen nieuwe regels en die moeten we compact maken, maar het wordt natuurlijk een organisch proces, het uitbreiden van die Omgevingswet, het inwerken van de organisatie en de hele wereld eromheen. Maar ik vertrouw vooral ook op de toezegging van de wethouder van veertien dagen geleden, van zo gauw we tegen problemen aanlopen, komen we direct bij jullie terug en wachten we ook niet op evaluatie of zo, maar komen we direct naar de raad toe en dat is veel belangrijker en dan moeten we het college daarin de ruimte geven om dat zo goed mogelijk te kunnen doen en als er problemen zijn, dan zien we ze komen. De voorzitter: Anderen nog? Zo niet, dan … Ja, de heer Van Rijn. De heer Van Rijn: Voorzitter, dan trek ik dit amendement voor de delegatie in, want ik begrijp op dit punt de wethouder heel goed. De voorzitter: Dank u wel. Dan is het amendement ingetrokken en gaan we naar het amendement over het raadsbesluit delegatie van GroenLinks en de SP. Het woord aan de heer Van der Meer. De heer Van der Meer: Ja, een korte toelichting.