BG Noord Hoogeveen, 2022_vastgesteld_1.pdf
Tekst van het document
5.11
Militaire doeleinden
De bestemming In het westen van het plangebied bevindt zich een munitiedepot. Dit depot is met de bestemming Militaire doeleinden in de beheersverordening opgenomen. Het bouwen Voor gebouwen ten behoeve van militaire doeleinden geldt een maximaal bebouwd oppervlak van 10% van het bestemmingsvlak. De bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken mag niet meer dan 8 m bedragen, dan wel de bestaande hoogte. Er dient te worden gebouwd op minimaal 2,5 m uit de perceelgrens. Betreffende het bouwen ten behoeve van de functie wonen, wordt verwezen naar het bepaalde in hoofdstuk 5.6. Het grondgebruik Aangezien een groot deel van het terrein bestaat uit bos, is binnen deze bestemming bosbouw mogelijk. Rond het als Militaire doeleinden bestemde gebied bevinden zich veiligheidszones. Ook de zones rond het munitiedepot bij Nieuw-Balinge zijn in dat kader relevant. Deze zones zijn op de plankaart aangegeven. De planologische beperkingen die uit de verschillende zones voortvloeien zijn vermeld in de regels.
5.12
Zandwinning
De in het zuidwesten van het plangebied aanwezige zandwinning is als zodanig aangeduid. De gronden zijn bestemd voor de winning van zand. Voor gebouwen ten behoeve van de zandwinning geldt een maximaal bebouwd oppervlak van 1% van het als zodanig aangeduide gebied. De bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken mag niet meer dan 8 m bedragen, dan wel de bestaande hoogte. Er dient te worden gebouwd op minimaal 2,5 m uit de perceelgrens. BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 51
8 september 2022
5.13
Gaslocatie
De in het zuidwesten van het plangebied aanwezige gaslocatie is als zodanig aangeduid. Voor gebouwen ten behoeve van de gaslocatie geldt een maximaal bebouwd oppervlak van 5% van het als zodanig aangeduide gebied. De bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken mag niet meer dan 5 m bedragen, dan wel de bestaande hoogte. Er dient te worden gebouwd op minimaal 2,5 m uit de perceelgrens.
5.14
Specifieke functies
5.14.1 Delfstoffen Binnen alle bestemmingen is een aanlegvergunning vereist voor het zoeken naar delfstoffen (seismisch onderzoek en exploratie-onderzoek) in verband met de bescherming van de landschappelijke en natuurlijke waarden, voorzover gronden zijn aangeduid met hydrologisch aandachtsgebied.
5.14.2 Windturbines Op grond van het POP II was het oprichten van hoge windturbines uitsluitend mogelijk in het te realiseren windpark nabij Coevorden. In de voorliggende beheersverordening is hiervoor dan ook geen regeling opgenomen. Wel is is navolging van een in de gemeenteraad aangenomen motie een regeling opgenomen voor het toestaan van kleine windturbines met maximale ashoogte van 15 m. Deze molens, bedoeld voor eigen energieverbruik, dienen in of nabij het eigen bouwblok gerealiseerd te worden. Hiervoor was in eerste instantie een parapluherziening voorbereid en ten behoeve van deze regeling is vooroverleg geweest met diverse instanties. Het verslag hiervan is als bijlage bij deze toelichting opgenomen.
5.14.3 Gebouwen van openbaar nut Tot een inhoud van maximaal 75 m³ en met een maximale bouwhoogte van 3 m mogen gebouwen van openbaar nut worden gebouwd, mits daarvoor afwijking is verkregen. Het betreft hier gebouwen als gemalen, transformatorstations, telefooncellen, wachthuisjes en dergelijke.
5.14.4 Evenementen Op 13 april 2005 heeft de Raad van State bepaald dat meerdaagse evenementen op gronden met een agrarische bestemming in strijd zijn met deze bestemming. In het plangebied vinden ook meerdaagse evenementen plaats. In het plan is daarom een regeling opgenomen die het (via afwijking) mogelijk maakt dat binnen de bestemmingen Landelijk gebied I, Landelijk gebied II, Landelijk gebied III, Landelijk gebied IV en Landelijk gebied VI meerdaagse evenementen kunnen plaatsvinden. In de begripsbepalingen is een definitie opgenomen van het begrip ‘evenement’. Deze afwijkingsbevoegdheid is niet van toepassing voorzover de gronden zijn gelegen in het gebied op de plankaart aangeduid met veiligheidszone munitie A of veiligheidszone munitie B.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 52
8 september 2022
Hoofdstuk 6 6.1
Handhaving
Algemeen
De beheersverordening wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het plangebied. Aan de hand van de in de beheersverordening opgenomen regels worden voorgenomen activiteiten (activiteiten en gebruik van gronden) getoetst. Als blijkt dat in afwijking van de regels activiteiten plaatsvinden, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen.
6.2
Beleidskeuzen
De gemeenteraad heeft op 3 februari 2011 de Kadernota Toezicht en handhaving vastgesteld. Het handhavingsbeleid maakt onderdeel uit van het programma Veilig. De looptijd van de kadernota Integrale handhaving loopt van 2011-2014, waarmee wordt aangesloten bij andere plannen waarin op onderdelen wordt verwezen naar handhaving. Dit zijn het Drentse veiligheidsplan, Integrale veiligheidsplan Hoogeveen en de visie externe veiligheid. De afgelopen jaren is er veel veranderd en de komende jaren gaat er nog veel veranderen. Er vindt een verschuiving plaats van vergunningplicht naar steeds meer algemene regels in het VROM-domein. Gevolg hiervan is dat er meer nadruk komt te liggen op de uitvoering van de handhaving.
6.3
Inzet gemeentelijk apparaat
Op basis van de kadernota Toezicht en handhaving wordt jaarlijks een gemeentelijk werkprogramma opgesteld. Hierin worden op basis van een evaluatie voor het komende jaar de prioriteiten (bij)gesteld. In dit werkprogramma worden alle taken, taakonderdelen, de wettelijke of gewenste prioriteitstelling, prestatie en capaciteitstoekenning op het gebied van handhaving opgenomen. Tevens wordt de voortgang van de projecten die spelen inzichtelijk gemaakt. De werkprogramma's worden gemonitord en geëvalueerd (jaarverslagen). Voor de monitoring en evaluaties zal aansluiting worden gezocht bij de programmasturing zoals die in Hoogeveen wordt gebruikt. Aan deze programma's ligt een visie (1x10 jaar) ten grondslag die vervolgens worden uitgewerkt in beleidsnota's (1x4 jaar) en uitvoeringsprogramma's (jaarlijks). Tevens wordt beoordeeld of nog de juiste prioriteiten worden gesteld en of het handhavingsbeleid en de handhavingsstrategieën nog doelmatig en effectief zijn. Ieder jaar rapporteert het college van B&W de evaluatie aan de gemeenteraad. Indien nodig worden op basis van de evaluatie aanpassingen gedaan in de kadernota.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 53
8 september 2022
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 54
8 september 2022
Hoofdstuk 7
Uitvoerbaarheid
Met deze beheersverordening worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Er zijn dan ook geen andere kosten dan de gebruikelijke plan- en procedurekosten. Met voorliggend beheersverprdening wordt voor de komende tien jaar voldaan aan de wettelijke vereisten van de Wet ruimtelijke ordening.
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) niet verplicht gesteld. Het is uiteraard wel van belang dat burgers, bedrijven en maatschappelijke organisaties worden betrokken bij de totstandkoming van een beheersverordening. In dat kader heeft op de beheersverordening 'Buitengebied Noord 2017' uitgebreid inspraak plaats gevonden. Nu deze reparatie slechts ziet op het aanpassen van enkele technische koppelingen en het aanpassen van foutieve verwijzingen, heeft hier niet nogmaals inspraak op plaatsgevonden. Ten behoeve van de windmolens is de daarvoor in een afzonderlijk participatietraject opgestelde nota vooroverleg bijgevoegd.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 55
8 september 2022
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 56
8 september 2022
Bijlage bij de toelichting
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 57
8 september 2022
Bijlage 1
Vooroverleg windturbines parapluherziening
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 58
8 september 2022
Nota vooroverleg Voorontwerpbestemmingsplan Hoogeveen, parapluherziening Kleine Windmolens 1. Inleiding Op 22 oktober 2020 is het voorontwerpbestemmingsplan Hoogeveen, parapluherziening kleine windmolens naar diverse vooroverleginstanties verzonden voor vooroverleg. Het betreft de volgende instanties: provincie Drenthe, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Waterschap Vechtstromen, Gasunie, Rijkswaterstaat, Rendo, WMD, VRD, Milieufederatie, Tennet, Woonadviescentrum (WAC), LTO Noord, Recreatieschap en het ministerie van Defensie. Van enkele instanties, te weten de provincie Drenthe, het waterschap Drents Overijsselse Delta en de Veiligheidsregio Drenthe/Brandweer hebben wij een reactie ontvangen. Deze reacties zijn hieronder samengevat, beantwoord en aangegeven is wat de reactie betekent voor het ontwerpbestemmingplan. Daarnaast is een reactie ontvangen van de Astron. Ook deze reactie is hieronder weergegeven. 2. Samenvatting en beantwoording vooroverlegreacties Vooroverlegreactie 1 Provincie Drenthe Samenvatting: Op basis van de Omgevingsvisie Drenthe (vastgesteld door Provinciale Staten op 3 oktober 2018) zijn in het voorontwerp bestemmingsplan de aspecten landschap en cultuurhistorie van provinciaal belang.
In ons beleid, geborgd in de provinciale omgevingsverordening Drenthe, hebben wij gesteld dat een ruimtelijk plan kan voorzien in installaties met een ashoogte van maximaal 15 meter wanneer uit het betreffende plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap. Landschap Er worden in de regels behorende bij de voorliggende parapluherziening eisen gesteld aan onder meer de plaatsing van de turbines binnen het bouwvlak, bestemmingsvlak of nabij een bouwvlak. Ook worden er eisen gesteld aan ligging ten opzichte van een andere windturbine of andere elementen in het landschap. Wat wij nog missen is de voorwaarde dat bij het bouwen van één windturbine geen afbreuk gedaan wordt aan het omringend landschap. Deze voorwaarde heeft u nu alleen opgenomen indien er meerdere windturbine opgericht worden (afwijken van bouwregels). Hiermee is nog onvoldoende geborgd dat het aspect ‘passend in binnen het landschap kan worden beoordeeld. Wij vragen u de verplichting voor een landschappelijk inpassingsplan te borgen in de regels behorende bij het bestemmingsplan. In de plantoelichting geeft u aan de beekdalen, essen en natuurgebieden, gezien de landschappelijke waarden van deze gebieden, uit te sluiten voor het plaatsen van windmolens. Deze gebieden zijn opgenomen in de zone windmolens niet toegestaan.
De NNN Drenthe, vastgesteld juni 2020, is echter niet geheel uitgesloten. Dit geldt ook voor een gedeelte van het beekdal ten noordoosten van Hoogeveen en de es van Pesse. Wij vragen daarom deze keuze nader te onderbouwen. Cultuurhistorie Het is voor de landschappelijke inpassing van windturbines van belang dat ook cultuurhistorie betrokken worden bij de vergunningverlening. Zowel het provinciale als het gemeentelijke cultuurhistorische beleid ontbreekt in de plantoelichting. Beantwoording: Met de provincie is overleg geweest over deze elementen. Afgesproken is regels op te nemen waarmee aangetoond wordt dat de turbine passend is in het omringende landschap, wanneer het een aanvraag zal zijn voor bouwen buiten het bestaande bouwvlak. Daarnaast
is onderbouwd waarom de NNN-gebieden niet volledig uitgesloten zijn van plaatsingsmogelijkheden. Gronden binnen deze gebieden zijn ook als Agrarisch bestemd en in het beekdal bevindt zich bijvoorbeeld nog enkele agrarische bedrijven. Wanneer aansluitend bij dit bedrijf een windturbine opgericht wordt, is hier niet direct sprake van verstoring van het natuurnetwerk. Wel zal dit bij toetsing aan de orde moeten komen. De regels zijn hier dus op aangepast. Ook daar waar de verwarring ontstaan is, is de passage in de toelichting aangepast. Dat het provinciaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van cultuurhistorie ontbrak is juist geconstateerd. In het ontwerpbestemmingsplan is dit aangevuld. Cultuurhistorische zichtlijnen kunnen als onderbouwing (of juist niet) voor de passendheid in het landschap dienen. Nadere onderbouwing en de beoordeling hiervan vindt plaats bij de vergunningverlening. Conclusie: De regels zijn op de punten landschap en cultuurhistorie aangepast, waardoor de passendheid van een windturbine in het landschap beter gewaarborgd wordt. Daar waar in het NNN-gebied toch een mogelijkheid gegeven wordt voor het bouwen van een windmolen wordt dit afhankelijk gemaakt van een onderzoek naar eventuele aantasting van natuurwaarden.
Vooroverlegreactie 2 Waterschap Drents Overijsselse Delta Samenvatting: De keur, de legger en de algemene regels van WDODelta geven aan waar welke regels vanuit het waterschap gelden. De eisen die het waterschap hieraan stelt verschillen per locatie. Dit hangt af van de afstand van de windturbine tot aan een watergang. Ten behoeve van onderhoud moet een afstand van 5 meter (vanaf boveninsteek watergang) in acht worden genomen. Zo blijft de watergang toegankelijk voor onderhoud. Bij initiatieven nabij watergangen worden wij graag meegenomen in de planvorming. Bij de aanleg van nieuwe kabels en transformatoren, stroomverdeelstations of andere aanpassingen tbv de windmolens onder of boven een waterstaatswerk of in een bijbehorende beschermingszone (watergangen of keringen), gelden vanuit WDODelta de algemene regels, de beleidsregels, de Keur en de Legger. De werkzaamheden kunnen meldingsplichting en/of vergunningsplichtig zijn. Zolang de kleine windmolens buiten de beschermingszone van de waterkeringen worden geplaatst en buiten de beschermingszones van primaire en secundaire watergangen en er rekening wordt gehouden met het valbereik, is het geen probleem voor het waterschap Beantwoording: In de regels wordt opgenomen dat vanaf de boveninsteek watergang een onderhoudszone in achtgenomen moet worden.
Wanneer werkzaamheden in de nabijheid van watergangen plaats vindt zijn regels vanuit het waterschap van toepassing. Conclusie: In de regels wordt een regel ten behoeve van de afstand tot watergangen opgenomen. Vooroverlegreactie 3 VRD/Brandweer Samenvatting: In de parapluvoorziening wordt verwezen naar het Handboek Risicozonering Windturbines. VRD gaat er vanuit dat het hier gaat om de herziene versie van dit jaar (HRW2020) en wil graag extra aandacht vestigen op domino-effecten, waterwegen en de afstand tot rietendaken en risicovolle inrichtingen. Daarnaast wordt verzocht om toe te voegen dat de kleinschalige windmolens voor hulpdienstvoertuigen bereikbaar dienen te zijn. Bereikbaarheidseisen treft u aan in het bouwbesluit 2012 hoofdstuk 6.
Beantwoording: Het is juist dat de meest actuele versie van het Handboek Risicozonering Windturbines aangehaald moet worden, waar relevant. Aandachtspunt is echter dat dit Handboek opgesteld is voor de ‘grote’ windturbines. Ook de afstanden die de VRD vraagt lijken meer passend bij de grote turbines. Het spreekt vanzelf dat domino-effecten, rietendaken en de nabijheid van risicovolle inrichtingen meegenomen wordt in de analyse of een turbine op de gewenste plek mogelijk is. Vooralsnog hanteren wij hiervoor de in de regels opgenomen afstanden tot derden en diverse risicobronnen. Ook is er een afstand gehanteerd voor de onderlinge afstand van windmolens tot elkaar. Wanneer er een daadwerkelijke vergunningaanvraag voor oprichting van een windmolen bij ons binnenkomt zal de VRD hierbij betrokken worden en indien er dan nog aandachtspunten in het kader van veiligheid of bereikbaarheid zijn, kunnen zij deze op dat moment concreet aangeven Ten aanzien van waterwegen wordt verwezen naar de reactie van het waterschap. Een zone van 50 meter vrijhouden lijkt voor de kleine turbines te fors. Echter gezien de ligging van bouwvlakken waarop de turbines in ieder geval moeten aansluiten, is feitelijk niet logisch dat dichtbij een waterweg een turbine opgericht zal worden.
Conclusie: De reactie van de VRD wordt voor kennisgeving aangenomen en de tekst met betrekking tot veiligheidsrisico’s en de bereikbaarheid voor hulpdiensten wordt aangescherpt. Wanneer er een daadwerkelijke vergunningaanvraag voor oprichting van een windmolen bij ons binnenkomt zal de VRD hierbij betrokken worden. Bij deze toetsing wordt ook getoetst aan het Bouwbesluit. Vooroverlegreactie 4 ASTRON Samenvatting: Door de ASTRON is gevraagd rekening te houden met de storingsvrije zone van de radiotelescoop Dwingeloo. Hoewel bepaalde types kleine windmolens inmiddels goedgekeurd zijn, vraagt de ASTRON in de aangegeven zones, in ieder geval bij de toetsing betrokken te worden. Beantwoording: In het voorontwerpbestemmingsplan was de storingsvrije zone niet opgenomen. In onze beheersverordening Buitengebied Noord is al wel een dergelijke zone opgenomen. Deze zones zullen juist opgenomen worden, zodat bij aanvraag voor oprichting van een kleine windturbine in deze zone, contact gezocht zal worden met de ASTRON voor goedkeuring. Conclusie: Op de verbeelding is een zone opgenomen waarbinnen voor de aanvraag van windmolens goedkeuring van de ASTRON benodigd is en in de regels zal mogelijke realisatie van een turbine hiervan afhankelijk gemaakt worden. 3.
Vervolg procedure Gezien uitspraken van de Raad van State is het technisch niet mogelijk om een parapluherziening vast te stellen voor een plangebied waar ook een beheersverordening geldt. Dit betekent dat de aangepaste regels uit het ontwerpbestemmingsplan voor dat deel van het gemeentelijk grondgebied in de beheersverordening opgenomen wordt.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 62
8 september 2022
Regels
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 63
8 september 2022
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen
1.1 plan: beheersverordening BG Noord Hoogeveen, 2022 van de gemeente Hoogeveen; 1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 met de bijbehorende regels (en eventuele bijlagen); 1.3 aanbouw een bijgebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.6 aaneengebouwde woningen: woningen gekoppeld door middel van gebouwen; 1.7 aan-huis-verbondenbedrijfsactiviteit: het verlenen van diensten, waaronder mede wordt verstaan e-commerce, c.q.
het uitoefenen van ambachtelijke –geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen- bedrijvigheid, waarvan de aard, omvang en uitstraling zodanig zijn, dat de activiteit in de (bedrijfs) woning en/of daarbij behorende bijgebouwen, met behoud van de woonfunctie ter plaatse, kan worden uitgeoefend; 1.8 aan-huis-verbondenberoep: het in een woning en/of daarbij behorende bijgebouwen uitoefenen van een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, kunstzinnig of ontwerptechnisch dan wel daarmee gelijk te stellen gebied, alsmede de beroepen van schoonheidsspecialist(e) en mani- en/of pedicure, waarbij de (bedrijfs)woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie, hieronder mede begrepen Bed & Breakfast; 1.9 afhankelijkewoonruimte: een aanbouw c.q.
een vrijstaand bijgebouw waarin één of meerdere hulpbehoevenden vanuit het oogpunt van mantelzorg gehuisvest zijn en dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning; 1.10 agrarisch bedrijf: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, waaronder tot een capaciteit van 100 ton per dag tevens wordt begrepen co-vergisting ten behoeve van energieopwekking;
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 64
8 september 2022
1.11 agrarische nevenactiviteit: een agrarisch bedrijf kan ondergeschikt aan de hoofdfunctie op het bouwperceel een bedrijfs- of beroepsmatige activiteit uitoefenen. Deze moet in ruimtelijk, functioneel en inkomensverwervend opzicht ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie. Al deze activiteiten mogen uitsluitend bij een volwaardig agrarisch bedrijf en uitsluitend binnen de bestaande bebouwing worden uitgeoefend, waarbij maximaal 30% van de oppervlakte van de bestaande bedrijfsbebouwing mag worden gebruikt en maximaal 30% van de inkomsten uit de ondergeschikte activiteit mogen worden gegenereerd. De ondergeschiktheid moet aangetoond worden door middel van een bedrijfsplan. 1.12 ander werk: een werk, geen bouwwerk zijnde; 1.13 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.14 bebouwingslint: een lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg of vaart in het buitengebied met voldoende doorzichten en ritme in massa en ruimte.
1.15 bebouwingspercentage: een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage dat de grootte van het deel van het bouwperceel aangeeft dat maximaal of minimaal bebouwd mag/moet worden; 1.16 bed and breakfast: een kleinschalige, aan de betreffende bestemming ondergeschikte, kortdurende, toeristische verblijfsvoorziening, voor uitsluitend logies en ontbijt, die deel uitmaakt van het hoofdgebouw of is gevestigd in één van de bestaande bijgebouwen, aan- of uitbouwen en wordt gerund door de gebruikers van het betreffende perceel." Onder een B&B voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid. Een B&B voorziening mag de toegestane maximale oppervlakte van de aan-huis-verbonden beroepsactiviteit niet overschrijden. 1.17 bedrijfsgebouw: een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.18 bedrijfsmatige uitoefening van het agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of omvang heeft van ten minste één volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen en waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd, dat wil zeggen in zowel bedrijfseconomisch opzicht als op milieutechnisch verantwoorde wijze.
1.19 bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel, bedrijf of daarmee vergelijkbare voorzieningen, met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten; 1.20 bedrijfswoning: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, ten behoeve van de bedrijfsbestemming van het gebouw of het terrein; 1.21 begraafplaats: een (gedeelte van een) terrein dat geschikt is gemaakt voor het begraven van overleden personen, het bijzetten van urnen en asverstrooiing. 1.22 beperkt kwetsbaar object: een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het plaatsgebonden risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening wordt gehouden;
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 65
8 september 2022
1.23 beroeps- cq. bedrijfsvloeroppervlakte: de totale vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep c.q. een (dienstverlenend) bedrijf of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.24 bestaand: de op het moment van ter inzage legging van het ontwerpbeheersverordening en conform de op dat moment geldende regels aanwezige gebouwen/ oppervlakten/ gebruik of waarvoor een bouwvergunning is verleend danwel een aanvraag om bouwvergunning is ingediend die kan worden verleend; 1.25 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.26 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.27 Bevi-inrichtingen: inrichtingen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen; 1.28 bosbouw: het geheel van bedrijfsmatig handelen en activiteiten gericht op de instandhouding en ontwikkeling van bestaande en nieuwe bossen ten behoeve van (de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu en recreatie.
1.29 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.30 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.31 bouwlaag: een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of horizontale balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.32 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.33 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel; 1.34 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.35 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.36 bouwwerk geen gebouw zijnde: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond en een niet voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 66
8 september 2022
1.37 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.38 camper: een motorvoertuig, ingericht voor het vervoeren van personen en kamperen c.q. buitenshuis verblijven met de mogelijkheid tot overnachten 1.39 camperplaats: een kampeerplaats op een kleinschalig kampeerterrein, die uitsluitend wordt gebruikt door campers en het hele jaar verhuurd mag worden voor recreatief verblijf met een camper 1.40 consumentenvuurwerk: vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik; 1.41 dak: iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.42 detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.43 dienstverlenend bedrijf: bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en prostitutie; 1.44 dienstverlening: het verlenen van economische en
maatschappelijke diensten aan derden, evenwel met uitzondering van prostitutie; 1.45 dierenbegraafplaats: een (gedeelte van) een terrein dat geschikt is gemaakt voor het begraven van overleden huisdieren. 1.46 e-commerce: vorm van bedrijfsvoering waarbij het bedrijf uitsluitend goederen aan particulieren verhandelt door middel van contact met die particulieren dat uitsluitend verloopt via post, fax, telefoon, e-mail of internet waardoor geen handelswaren op het bedrijf worden aangeprezen en waarbij het bedrijfspand geen uitstraling heeft van een winkelpand, de goederen niet uitstalt ten verkoop, en daarmee een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met magazijn c.q. opslag van goederen ten behoeve van de op grond van de bestemming toegelaten bedrijven.
1.47 evenement: een publieke activiteit met een tijdelijk, plaatsgebonden en van het reguliere gebruik afwijkend karakter, plaatsvindend in de open lucht of in (tijdelijke) onderkomens en in het algemeen bedoeld ter ontspanning en/of vermaak, waaronder begrepen commerciële, culturele, religieuze, recreatieve en/of sportieve of een daarmee gelijk te stellen activiteiten, zoals markten, braderieën, beurzen, festiviteiten, wedstrijden, bijeenkomsten, e.d.; 1.48 erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij en onder het hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. Een agrarisch erf valt uiteen in een woongedeelte van het erf en een werkgedeelte van het erf, welke door inrichting en beplanting van elkaar te onderscheiden zijn. ;
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 67
8 september 2022
1.49 gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, waaronder mede een carport en overkapping wordt verstaan; 1.50 geluidbelasting vanwege een weg: de etmaalwaarde van het equivalente geluidniveau in dB op een bepaalde plaats, veroorzaakt door het gezamenlijke wegverkeer op een bepaald weggedeelte of een combinatie van weggedeelten; 1.51 groepsaccommodatie: (Deel van) een gebouw dat is bestemd voor periodiek recreatiefnachtverblijf door groepen, met permanent daarvoor ingerichte ruimten met gemeenschappelijke voorzieningen 1.52 grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarbij hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van open grond; 1.53 hogere (geluidsgrens)waarde: een waarde voor de geluidbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, c.q.
het Besluit geluidhinder; 1.54 hoofdgebouw: een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw is aan te merken; 1.55 horecabedrijf: een bedrijf, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie; 1.56 horecabedrijf categorie 1: een complementair horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag bereiden en verstrekken van (niet of licht alcoholhoudende) dranken en eenvoudige etenswaren aan bezoekers van andere functies, met name functies als centrumvoorzieningen en dagrecreatie, zoals een broodjeszaak, een crêperie, een croissanterie, een eetcafé, een konditorei, een lunchroom, een pannenkoekenhuis, een patisserie, een petitrestaurant, een poffertjeszaak, een theehuis, een traiteur, een ijssalon, en/of een naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf; 1.57 horecabedrijf categorie 2: een horecabedrijf met een in het algemeen hoge bezoekersfrequentie gedurende de avond, dat voornamelijk is gericht op het bereiden en verstrekken van maaltijden en/of (alcoholische) dranken, zoals een afhaalcentrum, een automatiek, een café, een café-restaurant, een
cafetaria, een grillroom, een hotel-café, een hotel-café-restaurant, een restaurant, een shoarmazaak, een snackbar, en/of een naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen horecabedrijf; 1.58 inrichtingsplan: een inrichtingsplan is de grafische beschrijving van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling binnen het plangebied, inclusief een schriftelijke onderbouwing, door een deskundig bureau. Een landschappelijk inpassingplan bestaat in ieder geval uit een analyse van het omliggende landschap. Het ontwerp is een logisch vervolg van deze analyse.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 68
8 september 2022
1.59 intensieve veehouderij: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate is gericht op het houden van dieren zonder te beschikken over open grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten-, - of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden melkveehouderij en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet; 1.60 kampeermiddel: tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel andere onderkomens of andere voertuigen, gewezen voertuigen of gedeelten daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf dan wel voor nachtverblijf van personeel, werkzaam op het kampeerterrein waar deze onderkomens of voertuigen zijn geplaatst; 1.61 kampeerplaats: een stuk grond voor het plaatsen van één kampeermiddel met bijzettentjes; 1.62 kap: een gesloten en (overwegend) hellende bovenbeëindiging van een bouwwerk, bestaande uit ten minste één niet horizontaal vlak; 1.63 kas: een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, bloemen of
planten; 1.64 kleinschaligeverblijfsrecreatie: het houden van een kampeerterrein voor ten hoogste 25 kampeerplaatsen;
1.65
kleinschalige windturbine
een bouwwerk voor het opwekken van elektrisch vermogen uit wind, met een ashoogte van niet meer dan 15,00 m; 1.66 kwekerij: een bedrijfsvoering dat het kweken omvat van houtachtige en/of kruidachtige gewassen, zoals (sier) bomen, (sier)heesters, coniferen, vaste planten en één- en tweejarigen; 1.67 kwetsbaar object: een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in acht genomen moet worden; 1.68 landschap: De waarneembare ruimtelijke verschijningsvorm van het aardoppervlak die wordt bepaald door de onderlinge samenhang en wederzijdse beïnvloeding van de factoren reliëf, bodem, water, klimaat, flora en fauna alsmede de wisselwerking met de mens. 1.69 landschappelijkeinpassing: Een zodanige vormgeving en inpassing dat deze optimaal is afgestemd op de bestaande dan wel nog te ontwikkelen ruimtelijke, natuurlijke en cultuurhistorische landschapskwaliteiten. 1.70 leisureactiviteiten: activiteiten die gericht zijn op recreatie en ontspanning welke individueel of in groepen kunnen plaatsvinden, zoals karten, overdekt skiën en bowlen; 1.71 lessenaarsdak: een dak bestaande uit één hellend dakvlak;
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 69
8 september 2022
1.72 maatschappelijkedoeleinden: educatieve, sociaal-medische (hieronder niet bedoeld zorgwoningen), sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen; 1.73 mantelzorg: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond; 1.74 nabij bestaande kernen: Direct aansluitend op de bebouwde kom van de bestaande dorpen, de stad Hoogeveen en de bebouwingslinten 'Alteveer', 'Riegshoogtendijk', 'Brugstraat' en 'Johannes Poststraat', voor zover gelegen in het beheersverordening Buitengebied Noord of Zuid. 1.75 niet agrarisch bedrijf, categorie B1: een bedrijf dat naar de aard van zijn activiteiten is gebonden aan het buitengebied of waarvan de activiteiten zijn gericht op het buitengebied.
1.76 niet agrarisch bedrijf, categorie B2: een bedrijf dat naar de aard van zijn activiteiten niet is gebonden aan het buitengebied of waarvan de activiteiten niet zijn gericht op het buitengebied. 1.77 niet-grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf waarbij in hoofdzaak geen gebruik wordt gemaakt van open grond; 1.78 ondergeschikte horecavoorziening: een ondergeschikte horecavoorziening, ten opzichte van de hoofdfunctie op een perceel, die gericht is op het hoofdzakelijk overdag bereiden en verstrekken van (niet of licht alcoholhoudende) dranken en etenswaren 1.79 1. 2.
peil: voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
1.80 perceelgrens: de grens van een bouwperceel; 1.81 permanente bewoning: de bewoning van een recreatiewoning of een vast kampeermiddel als hoofdverblijf. 1.82 platdak: horizontaal of nagenoeg horizontaal gelegen dak; 1.83 productiegebonden detailhandel: detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie; 1.84 prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.85 reconstructie van een weg: een of meer wijzigingen op of aan een aanwezige weg, ten gevolge waarvan de geluidsbelasting vanwege de weg met 1,5 dB of meer wordt verhoogd;
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 70
8 september 2022
1.86 recreatief medegebruik: een recreatief gebruik van gronden en opstallen dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan; 1.87 recreatieve bewoning: de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie; 1.88 recreatiewoning: een gebouw dat naar aard en inrichting is bedoeld voor recreatieve bewoning; 1.89 saldering ruimte voor ruimte: het voldoen aan de voorwaarden door niet één slooplocatie, maar twee slooplocaties te betrekken bij de ontwikkeling. 1.90 seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden.
Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.91 Staat van Bedrijfsactiviteiten: de Staat van Bedrijfsactiviteiten die van deze regels onderdeel uitmaakt; 1.92 twee-aan-een gebouwde woning: blok van twee aaneengebouwde woningen; 1.93 tuincentrum: een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewasen en/of detailhandel en groothandel in al dan niet ter plaatse geteelde gewassen en andere goederen voor het inrichten van tuinen.
1.94 uitbouw: een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.95 vast kampeermiddel: een op de grond staand of vast met de grond verbonden bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf en het hele jaar verhuurd mogen voor recreatief verblijf; 1.96 verblijfsrecreatie : activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting is toegestaan; 1.97 verblijfsrecreatieve voorzieningen: speciaal aangelegde accommodatie al dan niet overdekt ten behoeve van verblijfsrecreatie; 1.98 verkoopvloeroppervlakte: de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel; 1.99 volwaardig agrarisch bedrijf: een agrarisch bedrijf dat jaarrond een arbeidsbehoefte of omvang heeft van ten minste één volledige arbeidskracht, met een daarbij passend jaarinkomen en waarvan het behoud ook op langere termijn in voldoende mate en op duurzame wijze is verzekerd, dat wil zeggen in zowel bedrijfseconomisch opzicht als op milieutechnisch verantwoorde wijze.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 71
8 september 2022
1.100 voorkeursgrenswaarde: de streefwaarde voor de geluidbelasting, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder c.q. het Besluit grenswaarden binnen zones rond industrieterreinen, het Besluit grenswaarden binnen zones langs wegen en/of het Besluit geluidhinder spoorwegen; 1.101 voorgevel: het meest naar de zijde van de weg, waaraan de hoofdontsluiting van het perceel is gelegen, gekeerde deel van een hoofdgebouw; 1.102 winkel: een gebouw of een deel van een gebouw, dat een ruimte omvat, welke door zijn indeling kennelijk bedoeld is te worden gebruikt voor de detailhandel; 1.103 woning: een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één (of meerdere) huishouden(s).
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 72
8 september 2022
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de ashoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan het middelpunt van de (wieken)as van de windturbine.
2.2 de rotordiameter de diameter wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 73
8 september 2022
2.3 de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.4 de afstand tot de perceelgrens: de afstand tussen de perceelgrens en het dichtstbijzijnde punt van een bouwwerk. 2.5 de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.6 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.7 de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.8 de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.9 de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 74
8 september 2022
2.10 a.
b.
ondergeschikte bouwdelen: Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, a l s plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. De maximale bouwhoogte mag ten behoeve van deze ondergeschikte bouwwerken met ten hoogste 1 meter worden overschreden.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 75
8 september 2022
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Agrarisch I
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch I' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c.
behoud en herstel van de landschappelijke waarden; behoud van de natuurlijke waarden; behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden, uitsluitend voorzover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met 'natuur'; d. uitoefening van het agrarisch bedrijf; e. bosbouw, met uitzondering van de gronden aangeduid met 'open gebied'; f. dagrecreatie; g. wonen, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'woning' of 'dubbele woning'; h. tuincentrum, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'tuincentrum'; i . tweede bedrijfswoning, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'tweede bedrijfswoning'; j. niet-agrarische bedrijven, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'bedrijven, categorie B1' en 'bedrijven, categorie B2'; k. verblijfsrecreatieve voorzieningen in de vorm van recreatiewoningen met bijbehorende recreatieve voorzieningen en beheersvoorzieningen, uitsluitend voorzover de gonden zijn aangeduid met 'recreatiewoningterrein'; l . camping, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'camping'; m. gaslocatie, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'gaslocatie'; n. recreatiewoning, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'recreatiewoning'; o. sportterrein, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'sportterrein'; p.
maatschappelijke doeleinden, uitsluitend voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met 'maatschappelijke doeleinden'; q. bestaand bos, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'bestaand bos'; r. verkeer, uitsluitend voorzover het de bestaande wegen betreft; s . water en waterhuishoudkundige voorzieningen; t. terrein van archeologische betekenis, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'terrein van archeologische betekenis'; u. terrein van hoge archeologische waarde, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangeduid met 'terrein van hoge archeologische waarde'; v. veiligheidszone munitie, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met 'veiligheidszone munitie A , 'veiligheidszone munitie B en 'veiligheidszone munitie C'; w. vrijwaringszone radiotelescoop, uitsluitend voorzover de gronden zijn aangegeven met vrijwaringszone radiotelescoop; x. zend- en ontvangstinstallaties uitsluitend voor zover de gronden zijn aangegeven met 'zend-/ontvangstinstallantie'; y. ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken.
3.1.1
Nadere uitwerking bestemmingsomschrijving
In het doel 'behoud en herstel van de landschappelijke waarden' is het aanbrengen van landschapselementen groter dan 1 ha niet begrepen; In het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' is het kweken van laan- en parkbomen en boomfruitteelt niet begrepen indien de gronden op de toetsingskaart zijn aangeduid met 'open gebied'; In het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' is het vergisten van mest/organische bijproducten begrepen tot een doorzet van maximaal 100 ton per etmaal; Mestopslagplaatsen, toren- en sleufsilo's, buiten het in 3.2.1 genoemde aaneengesloten oppervlak, zijn niet in het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' begrepen; In het doel 'tuincentrum' is detailhandel toegestaan;
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 76
8 september 2022
Voorzover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met 'natuur', is de bestemming gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden; Het doel 'bosbouw' is beperkt tot bestaand bos, bestaande bosstroken en de aanleg van bos en bosstroken. De aanleg van bos en bosstroken is niet toegestaan voorzover de gronden zijn aangeduid met 'open gebied'. Het doel 'niet-agrarische bedrijven' is beperkt tot de, op het moment dat de beheerverordening is vastgesteld, aanwezige bedrijfsuitoefening en voor nijverheidsbedrijven of ambachtelijke of dienstverlenende bedrijven (waaronder opslag begrepen) genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijven dan wel hiermee wat betreft het leefklimaat vergelijkbare bedrijven. Bij de beoordeling of sprake is van een bedrijf dat wat betreft het leefklimaat vergelijkbaar is met de bedrijven genoemd in de categorieën 1 en 2, ligt de nadruk op de aspecten geluid, lucht, water, bodem en verkeer. In het doel 'Ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aanduidingen en bouwvlakken' geldt dat nieuwe ontsluitingsvoorziening alleen zijn toegestaan, voor zover de overige doeleinden uit de bestemming niet in hun doelmatig gebruik en/of hun functie worden beperkt.
De doeleinden ten aanzien van het behoud en herstel van de landschappelijke waarden en behoud van de natuurlijke waarden en voorzover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid als 'natuur' het behoud, herstel en ontwikkeling van de landschappelijke en natuurlijke waarden worden nagestreefd door middel van behoud en herstel van de landschappelijke waarden en behoud van de natuurlijke waarden en, voorzover de gronden op de plankaart zijn aangeduid als 'natuur', het behoud, herstel en de ontwikkeling van de volgende essentiële ruimtelijke randvoorwaarden: verwevenheid tussen bosstroken en openheid ten noordoosten en oosten van Pesse en rond de Haar; grootschalige openheid van het Pesserveld en het gebied ten noorden en zuiden van Kremboong; cultuurhistorisch waardevolle wijken nabij Nieuweroord; lintbebouwing en verspreide bebouwing; bebouwing in één bouwlaag met kap; beekdal Ruiner Aa ten noorden van Pesse; overheersend regelmatige verkaveling; rond de Haar en Pesse veel bosjes en houtwallen; terrein van archeologische betekenis nabij Nuil; Nuil cultuurhistorisch waardevolle nederzetting.
Het doel 'dagrecreatie' is beperkt tot de inrichting en het gebruik van de bestaande dagrecreatieve terreinen en van dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van voet-, fiets- en ruiterpaden, picknickplaatsen, parkeervoorzieningen, visoevers en naar de aard daarmee gelijk te stellen voorzieningen; Van de in de bestemming begrepen wegen mag het aantal rijstroken ten hoogste twee bedragen. 3.1.2 a.
Onderlinge verhoudingen
Ondergeschikte doeleinden
Alle overige doeleinden zijn ondergeschikt aan het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf'. b.
Bovengeschikte doeleinden
Het doel 'uitoefening van het agrarisch bedrijf' is bovengeschikt aan de overige doeleinden. c.
Nevengeschikte doeleinden
Voorzover de onderlinge verhouding niet is aangemerkt als ondergeschikt of bovengeschikt zijnde doeleinden nevengeschikt aan elkaar. Voorzover activiteiten slechts toelaatbaar zijn op grond van een afwijking of aanlegvergunning zal voorzover het betreft het behoud en/of herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden de onderlinge verhouding worden bepaald ten opzichte van de landschappelijke en/of natuurlijke BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 77
8 september 2022
waarden van de in 3.1 genoemde kenmerken en kwaliteiten.
3.2
Bouwregels
3.2.1
Bebouwing ten dienste van de bedrijfsmatigeuitoefening van het agrarisch bedrijf
de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende bebouwing i s toegestaan, ter plaatse van de aanduiding agrarisch bedrijf, mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1,5 ha, met dien verstande dat deze oppervlakte 1 ha mag bedragen voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met 'veiligheidszone munitie A' en/of 'veiligheidszone munitie B'; de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende bebouwing i s toegestaan, waarbij een intensieve tak i s uitgesloten, ter plaatse van de aanduiding grondgebonden agrarisch bedrijf, mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1,5 ha, met dien verstande dat deze oppervlakte 1 ha mag bedragen voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met 'veiligheidszone munitie A' en/of 'veiligheidszone munitie B'; de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak met bijbehorende bebouwing i s toegestaan, ter plaatse van de aanduiding grondgebonden agrarisch bedrijf met intensieve tak, mits deze gegroepeerd wordt binnen een oppervlakte van 1,5 ha, met dien verstande dat deze oppervlakte 1 ha mag bedragen voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid met 'veiligheidszone munitie A' en/of 'veiligheidszone munitie B'.
3.2.1.1 Bedrijfsgebouwen De oppervlakte van gebouwen ten behoeve van fokkerijen, mesterijen en/of pluimvee mag per bedrijf aangeduid met 'grondgebonden agrarisch bedrijf' ten hoogste 250 m² dan wel ten hoogste de bestaande oppervlakte bedragen indien deze meer bedraagt; onder bedrijfsgebouwen zijn kassen toegestaan met een bouwhoogte van meer dan 1,2 m tot een oppervlakte van 1000 m2, met dien verstande dat het oprichten van kassen niet i s toegestaan voor zover de gronden zijn gelegen binnen het gebied dat op de verbeelding aangeduid i s met 'veiligheidszone munitie C'; Van gebouwen mag de goot- en bouwhoogte ten hoogste 4,5 m, respectievelijk 12 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen. De bouwhoogte van kassen bedraagt ten hoogste 8 m. De afstand tot de perceelgrens bedraagt ten minste 2,5 m.
3.2.1.2 Bedrijfswoningen Per bedrijf is ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan, met dien verstande dat twee bedrijfswoningen zijn toegestaan voorzover de gronden zijn aangeduid met 'tweede bedrijfswoning'. Wat betreft de bouwvoorschriften van dienstwoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 3.2.2; 3.2.1.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 12 m bedragen binnen het genoemde aaneengesloten oppervlak van 1,5 ha of 1 ha; Buiten het genoemde aaneengesloten oppervlak van 1,5 ha of 1 ha: 1. i s de bouw van kassen toegestaan, met uitzondering van de gronden aangeduid met 'open gebied' en tot een bouwhoogte van 1,2 m; 2. i s de bouw van overkappingen niet toegestaan; 3. mogen uitsluitend andere bouwwerken, niet zijnde overkappingen en mest- en sleufsilo's, worden gebouwd tot een maximale bouwhoogte van 3 m.
3.2.1.4 Overige bepalingen De bebouwing dient per bedrijf te worden geconcentreerd binnen een denkbeeldige vierhoek. De uitbreidingsrichting dient aan te sluiten bij het aanwezige bebouwingspatroon, waarbij tevens rekening dient te worden gehouden met het uitzicht van woningen.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 78
8 september 2022
3.2.2
Bebouwing ten dienste van wonen
3.2.2.1 Bouwregels hoofdgebouw a. b. c. d. e. f. g.
Ten behoeve van wonen i s per met 'woning' aangeduid gebied ten hoogste één woning toegestaan; Per met 'dubbele woning' aangeduid gebied zijn ten hoogste twee woningen toegestaan, uitsluitend in de vorm van twee-aaneen-gebouwde woningen dan wel in de vorm van twee wooneenheden in een voormalig agrarisch bedrijf; De goothoogte bedraagt voor ten minste 65 % van de lengte maximaal 3,5 m en voor het resterende gedeelte ten hoogste 4,5 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer bedragen; De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m. Het hoofdgebouw moet zijn voorzien van een kap, waarvan de helling minimaal 30° en maximaal 60° dient te bedragen; Bij verbouw dient te worden aangesloten bij de bestaande verschijningsvorm; De oppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt ten hoogste 200 m², dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is.
3.2.2.2 Bouwregels bijgebouwen Voor het bouwen van bijgebouwen, waaronder begrepen aan- en uitbouwen, de volgende bepalingen gelden: a.
De gezamenlijke oppervlakte aan aan- en bijgebouwen per hoofdgebouw bedragen maximaal: 1. 150 m2 bij een erf met een oppervlakte tot 1.500 m2; 2. 175 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 1.500 m2 tot 2.000 m2; 3. 200 m2 bij een erf met een oppervlakte vanaf 2.000 m2 en groter;
met dien verstande dat: b. c. d. e. f.
ten hoogste 50% van het bij het hoofdgebouw aansluitende erf mag worden bebouwd; de afstand tussen het hoofdgebouw en bijgebouwen maximaal 30 meter mag bedragen; de bouwhoogte niet meer dan 80% van de bouwhoogte van het hoofdgebouw mag bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte in ieder geval maximaal 6 meter mag bedragen, ongeacht de bouwhoogte van het hoofdgebouw; een bijgebouw moet zijn voorzien van kap, waarvan de dakhelling niet minder dan 30° en niet meer dan 60° mag bedragen; In aanvulling op het bepaalde onder sub a tot en met sub e i s de bestaande maatvoering toegestaan, met uitzondering van op het tijdstip van inwerking treden van het plan bestaande maatvoering die i s gebouwd zonder vergunning en in strijd i s met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan. Wanneer dit bestaande bijgebouw wordt gesloopt i s voor de bebouwing het bepaalde onder sub a tot en met sub e van toepassing, met uitzondering van de oppervlakte. Hiervoor geldt dat de bestaande overschrijding van het aantal vierkante meters aan aan- en bijgebouwen terug mag worden gebouwd, tot een maximum van 500 m2 aan aan- en bijgebouwen. Hierbij zijn de m 2 die bij recht zijn toegestaan inbegrepen.
BG Noord Hoogeveen, 2022 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2020BV9006010-VG01 79
8 september 2022
3.2.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet zijnde overkappingen, niet meer dan 3 meter mag bedragen, met dien verstande dat voor erf- of perceelsafscheidingen geldt dat de hoogte: a. b.
maximaal 1 meter mag bedragen; of maximaal 2 meter mag bedragen, mits meer dan 1 meter achter het verlengde van de voorgevel van het hoofdgebouw wordt gebouwd.
3.2.3 a. b. c. d. e. f.
Ten behoeve van de betreffende bedrijven op de verbeelding aangeduid met 'bedrijven, categorie B1' en 'bedrijven, categorie B2' mag de oppervlakte van de bestaande gebouwen met maximaal 10% worden vergroot; De goot- en bouwhoogte van de gebouwen mogen maximaal 4,5 m respectievelijk 12 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte bedragen, indien deze meer bedragen; De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; Per op de verbeelding met 'bedrijven, categorie B1' aangeduid bedrijf i s de bouw van maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Voor het overige i s de bouw van bedrijfswoningen, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoningen, niet toegestaan; Wat betreft de regels van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 3.2.2; De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen.
3.2.4 a. b. c. d. e. f.
Bebouwing ten dienste van niet-agrarische bedrijven
Bebouwing ten dienste van tuincentrum
Gebouwd dient te worden binnen het bouwvlak; De goot- en bouwhoogte van gebouwen mogen maximaal 3,5 m respectievelijk 8 m, dan wel ten hoogste de bestaande goot- en bouwhoogte, indien deze meer bedragen; De afstand tot de perceelsgrens bedraagt tenminste 2,5 m; Bedrijfswoningen (met uitzondering van de bestaande) zijn niet toegestaan. Wat betreft de bouwvoorschriften van bedrijfswoningen gelden de bepalingen zoals opgenomen in 3.2.2; De hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde mag ten hoogste 3 m bedragen.
3.2.5
Bebouwing ten dienste van recreatiewoningenterrein
Voorzover de gronden zijn aangeduid met 'recreatiewoningterrein' gelden de volgende bepalingen: a. b. c. d. e. f.
g. h. i. j. 1. 2.
het bebouwde oppervlak per recreatiewoning bedraagt maximaal 100 m² (inclusief aanbouwen en bijgebouwen) dan wel de bestaande oppervlakte indien deze groter is; de perceelsoppervlakte bedraagt per recreatiewoning minimaal 300 m²; de afstand van gebouwen tot de grens met de aanduiding 'recreatiewoningterrein' dient ten minste 10 m, dan wel ten minste de bestaande afstand indien deze minder is, te bedragen; de gronden met de aanduiding 'recreatiewoningterrein' mogen tot een oppervlakte van 5 ha voor ten hoogste 3% worden bebouwd ten behoeve van beheer en voorzieningen, te verhogen met 1% van het aantal meerdere hectares boven de 5 ha; uitbreiding van het aantal bestaande recreatiewoningen op het recreatiewoningterrein i s niet toegestaan; gebouwd dient te worden in één bouwlaag met of zonder kap met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3,5 m en 6,5 m voor de recreatiewoningen (inclusief aanbouwen en bijgebouwen), dan wel ten hoogste de bestaande goothoogte en bouwhoogte indien deze meer bedragen; de afstand tot de perceelgrens bedraagt ten minste 2,5 m; de bouwhoogte voor gebouwen ten behoeve van beheer en voorzieningen bedraagt ten hoogste 10 m, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedragen. Gebouwd dient te worden in één bouwlaag met kap; per recreatiewoningterrein i s ten hoogste één bedrijfswoning toegestaan.