Bijlage 3. Beleidsregels bijzondere bijstand 2026
Tekst van het document
44
•
Controle op veranderingen in de situatie vindt plaats door uitwisseling gegevens met gemeente BRP.
4.18 Broodnoodvoorziening voor jongeren tijdens zoektijd van 4 weken De doelgroep Personen van jonger dan 27 jaar, kunnen niet eerder dan 4 weken na datum melding een aanvraag doen. In de zoektijd (1e zoektijd of na verlenging) is er nog geen aanvraag voor een bijstandsuitkering en dus ook geen mogelijkheid voor een voorschot. Een voorschot is alleen mogelijk voor jongeren die vallen onder het begrip uitgenodigde vluchteling of statushouder (artikel 41, 8e lid P-wet). Jongeren die uit de WW komen, kunnen zich 4 weken voor afloop van de WW-uitkering melden. De aanvraag kan dan worden gedaan op het moment dat de WW-uitkering stopt. Als de WW-er zich niet 4 weken voor afloop van de WW meldt, doet dezelfde situatie zich voor, Recht op bijzondere bijstand Er is niet genoeg saldo aanwezig op de rekeningen van de aanvrager. De laatste afschriften moeten worden getoond of er moet digitaal inzage gegeven worden. Er kan geen beroep gedaan worden op ouders, gezinsleden of familie voor een bijdrage. De hoofdregel is dat er geen bijstand gegeven wordt als er nog geen aanvraag voor een bijstandsuitkering is. De broodnoodvoorziening wordt als uitzondering gegeven. Er wordt rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager. De aanwezigheid van kinderen is een omstandigheid waarmee wij rekening houden.
De hoogte van de broodnoodvoorziening Het bedrag dat wij geven is bedoeld voor de eerste levensbehoeften en is zo laag mogelijk. In ieder geval geven wij niet meer dan 90% van de bijstandsnorm waarop de aanvrager waarschijnlijk recht heeft. Vorm van bijstand en afhandeling De broodnoodvoorziening geven wij in de vorm van een lening volgens artikel 48, 2e lid onder a van de P-wet. In het besluit nemen wij de regel op dat moet worden terugbetaald. Terugbetaling vindt in 1 keer plaats. Als uitzondering kan terugbetalen in termijnen. Als de bijstandsuitkering na de zoektijd niet wordt gegeven, wordt de zaak aan Terugvordering en Verhaal gegeven voor incasso. Na wanbetaling wordt de lening op de standaard manier veranderd in een vordering.
4.19 Overbruggingsuitkering In de praktijk kan zich de situatie voordoen dat een bijstandsgerechtigde in acute financiële problemen raakt en daardoor de periode tot de volgende uitbetaling niet meer kan overbruggen. Ook kan het gaan om de verandering van een weekbetaling naar een maandbetaling van de inkomsten. De Participatiewet biedt geen mogelijkheid om voorschotten te geven aan belanghebbenden die een bijstandsuitkering ontvangen. Het inkomen – uit werk of een uitkering – is genoeg om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Voorliggende voorzieningen
45
Het reguliere inkomen is toereikend. Als hoofdregel geldt dat een overbruggingsuitkering niet mogelijk is. Een overbruggingsuitkering is dus altijd een uitzondering. Uitbetalen van opgebouwde tegoed aan vakantiegeld is een optie. Recht op bijzondere bijstand Er is één situatie waarin wij een overbrugging standaard geven. Dat is voor de statushouder die zich vanuit een asielzoekerscentrum in de gemeente vestigt en die een uitkering volgens de Participatiewet gaat ontvangen. Er is dan een overgang van een laag wekelijks inkomen naar een maandelijks inkomen. Deze overbruggingsuitkering wordt ook aan statushouders gegeven bij gezinshereniging waarbij de partner overkomt. Dit is voor de periode waarin de bijstandsnorm aangepast moet worden van alleenstaandennorm naar de gehuwdennorm. Omdat de uitkering pas achteraf wordt uitbetaald ontstaat er namelijk een gat tussen de alleenstaandennorm en de gehuwdennorm. Dit gedeelte wordt in de vorm van een voorschot op de gehuwdennorm verstrekt. Bij de start van de uitkering is het geven van een voorschot na 4 weken verplicht. Het voorschot verrekenen wij in één keer met de uitkering. In de situatie dat er bij de start van de uitkering geen geld beschikbaar is voor levensonderhoud en de verrekening in één keer tot problemen leidt, verrekenen wij het voorschot in termijnen.
Hoogte bijzondere bijstand • De statushouder ontvangt een overbrugging die gelijk is aan één maanduitkering zonder vakantiegeld. Op de overbruggingsuitkering wordt de eerste maand huur ingehouden en doorbetaald aan de verhuurder. • In de overige situaties is de hoogte van het bedrag maatwerk. Vorm bijzondere bijstand • De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven. Bijstand in de vorm van een lening volgens artikel 48 lid 2 van de P-wet is in de jurisprudentie uitgesloten.
4.20 Kindgebondenbudget alleenstaande ouder kop Omschrijving van de kosten De alleenstaande ouder die een bijstandsuitkering heeft, heeft vanaf 01-01-2015 recht op een extra kindgebonden budget. Dit heet de alleenstaande ouderkop (alo-kop). Het is een regeling die door de belastingdienst Toeslagen wordt gegeven. Deze alo-kop is in de plaats gekomen van de norm voor een alleenstaande ouder. De alleenstaande ouder heeft vanaf 01-01-2015 recht op de norm voor een alleenstaande. De alleenstaande ouderkop is een voorziening die bedoeld is voor de kosten van levensonderhoud. Het recht wordt door de belastingdienst beoordeeld volgens de Algemene wet inkomensregelingen (Awir). Voorliggende voorzieningen De alleenstaande ouderkop is een voorliggende voorziening ten opzichte van de P-wet voor de kosten van levensonderhoud. Er zijn situaties waarin de alleenstaande ouder geen recht heeft op de alo-kop en in die situaties geven wij in bijzondere gevallen bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud in aanvulling op de normbijstand voor een alleenstaande. Recht op bijzondere bijstand
46
Er is recht op bijzondere bijstand in plaats van de alo-kop in de volgende situaties: 1. De alleenstaande ouder heeft volgens de bepalingen van de Awir een toeslagpartner en heeft daardoor geen recht op de alo-kop. De toeslagpartner kan als medebewoner onderdeel uitmaken van het huishouden van de alleenstaande ouder, maar kan ook een partner zijn die elders woont (duurzaam gescheiden maar er is nog geen verzoek om echtscheiding bij de rechtbank ingeleverd, opgenomen in een inrichting). Door gebruik te maken van de rekenhulp op de site van de belastingdienst Toeslagen kan worden nagegaan of er een Toeslagpartner is. 2. Er is wel recht op de alo-kop, maar het recht gaat in op de eerste van de maand volgend op de maand waarin de bijstandsuitkering is gegeven. Dat kan bij een nieuwe toekenning of een mutatie tijdens de uitkering. Hoogte en duur van de bijzondere bijstand In de situatie onder 1: De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de alo-kop en wordt als periodiek bijzondere bijstand betaald. De bijzondere bijstand wordt gestopt, zodra er geen toeslagpartner meer is of de partner die elders verblijft zich weer bij het gezin voegt. Controle op veranderingen in de situatie vindt plaats door uitwisseling gegevens met gemeente BRP.
In de situatie onder 2: De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de hoogte van de alo-kop waar recht op zou zijn, over het deel van de maand waarover recht op bijstandsuitkering bestaat. Bewijs Het onderzoek en de vaststelling van het recht is hetzelfde als bij de aanvraag voor een bijstandsuitkering volgens de P-wet. Vorm bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven. In situatie 1: belaste bijzondere bijstand (kosten van levensonderhoud) In situatie 2: De bijzondere bijstand wordt uitbetaald als incidentele bijstand. Regels voor aanvrager De inlichtingenplicht die geldt voor personen die een bijstandsuitkering ontvangen, geldt hier ook. Veranderingen in de situatie moeten zo snel mogelijk worden doorgegeven.
4.21 Kosten dubbele huur en verhuiskosten Het gaat om de kosten van de verhuizing van de inboedel en de kosten van de dubbele huur bij een noodzakelijke verhuizing. Voorliggende voorzieningen Vanaf het moment dat bekend is dat er een noodzaak is om te verhuizen, mag er verwacht worden dat er gespaard wordt voor de kosten. Ook de individuele inkomenstoeslag kan gebruikt worden voor deze kosten.
47
De Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) is een voorliggende voorziening als de woning waarin belanghebbende woont niet aangepast kan worden en verhuizing naar een aangepaste woning de oplossing is. In dat geval kunnen de verhuiskosten door de WMO vergoed worden. Recht op bijzondere bijstand Er bestaat recht op bijzondere bijstand als de verhuizing noodzakelijk is. Bij een medische indicatie moet de vraag beantwoord worden of het een verhuizing is die door de WMO kan worden vergoed. Is dat niet het geval dan kan er in bepaalde situaties een onafhankelijke derde advies gevraagd worden. Er zijn ook situaties die zo duidelijk zijn dat een advies niet nodig is. De sociale noodzaak voor de verhuizing kan verschillend zijn. De consulent beschrijft in het rapport de noodzaak van de verhuizing. De volgende kosten zien wij als noodzakelijk: • De huur van een bus voor de verhuizing van de inboedel. Denk hierbij bijvoorbeeld ook aan een meubelbak met laadklep en steekwagen. Hierbij moet worden gekozen voor de goedkoopst mogelijke optie. • Kosten van een verhuizing door een verhuisbedrijf zijn alleen noodzakelijk als er geen andere oplossing is. Denk hierbij aan hulp vanuit de omgeving. • De kosten van dubbele huur bij een verhuizing binnen de gemeente. Niet noodzakelijke kosten: • De kosten van dubbele huur bij een verhuizing buiten de gemeente.
Bewijs • Bewijs van inschrijving bij de woningbouwvereniging of een ander document waaruit blijkt vanaf wanneer er gezocht/uitgezien is naar een andere woning • (Pro forma) nota van de huur van de bus of verhuisbedrijf • Huurcontract en huurspecificatie voor het vaststellen van de hoogte van de dubbele huur Vorm bijzondere bijstand • Om niet als er geen spaargeld is, omdat sparen niet mogelijk was. • Geldlening (art. 48, lid 2 onder b P-wet) als er wel gespaard had kunnen worden voor de noodzakelijke verhuizing. Regels voor aanvrager • Inleveren van de nota van de huur van de bus of verhuisbedrijf als deze nog niet aanwezig was op het moment van het krijgen van de bijzondere bijstand • Het geld wordt uitgegeven waarvoor het bedoeld is. Dit kan gecontroleerd worden.
4.22 Legeskosten Het college moet ook bij een aanvraag om bijzondere bijstand toetsen of een belanghebbende behoort tot de kring der rechthebbenden. Een belanghebbende zal dus recht op bijstand moeten hebben (artikel 11 leden 2 en 3 Participatiewet). Zie voor meer informatie hierover: "Vreemdelingen". Voorliggende voorzieningen
48
Een bestaande kredietmogelijkheid bij de gemeentelijke Kredietbank is een voorliggende voorziening voor legeskosten in verband met de verkrijging van vreemdelingendocumenten. Zie bijvoorbeeld: CRvB 22-5-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA7108. Recht op bijzondere bijstand Het college moet een aanvraag om bijzondere bijstand voor legeskosten voor verblijfsvergunningen of naturalisatie beoordelen aan de hand van de vier vragen van artikel 35 Participatiewet. Hiervoor geldt natuurlijk wel dat eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en belanghebbende voldoet aan de overige voorwaarden van het recht op bijstand. In principe geldt de hoofdregel dat voor legeskosten voor een verblijfsvergunning geen bijzondere bijstand wordt verleend. Deze kosten behoren immers tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Een belanghebbende moet deze kosten in beginsel uit de bijstandsnorm voldoen.
4.23 Aanvulling op WTOS Omschrijving van de kosten De tegemoetkoming scholieren is voor studenten van 18 jaar of ouder die voltijd dagonderwijs volgen. Hieronder valt niet het beroepsonderwijs of hoger onderwijs. Het gaat om vmbo, havo, vwo en voortgezet speciaal onderwijs. De hoogte van de basistoelage WTOS vanuit DUO voor levensonderhoud hangt niet af van het inkomen. De toelage wordt elk half jaar door de overheid vastgesteld (per 1 januari en 1 juli). De aanvullende toelage WTOS vanuit DUO is wel afhankelijk van de situatie van de ouders voor jongeren tot en met 20 jaar. Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar gaan wij er van uit dat de ouders bijdragen in de kosten van levensonderhoud van het kind. Dit is de wettelijke onderhoudsplicht. Als de ouders financieel niet kunnen of willen bijspringen dan kan er bijzondere bijstand gegeven worden als aanvulling op de basistoelage WTOS. Voor alle gevallen kan onder bepaalde voorwaarden een aanvullende tegemoetkoming WTOS bij DUO worden aangevraagd. Als deze niet wordt toegekend, of niet toereikend is, kan ook aanvullende bijzondere bijstand voor levensonderhoud worden verstrekt. Voorliggende voorzieningen • Voor thuiswonende studenten van 18 tot en met 20 jaar bestaat de voorliggende voorziening uit de onderhoudsplicht van de ouders.
De jongere die een aanvulling op zijn basistoelage aanvraagt zal dus eerst aan de ouders een bijdrage moeten vragen. • Er kan in bepaalde gevallen een aanvullende tegemoetkoming WTOS vanuit DUO worden verstrekt. Deze is voorliggend. Deze is niet in alle gevallen genoeg. Deze aanvulling kan berekend worden via Rekenhulp tegemoetkoming scholieren van DUO. • Voor studenten van 21 jaar en ouder is er verder geen voorliggende voorziening. Recht op bijzondere bijstand Er is recht op (aanvullende) bijzondere bijstand als: • De ouders van de student door hun financiële situatie het inkomen van het kind tot 21 jaar niet aan kunnen vullen. Dat is in ieder geval het geval als de ouders een inkomen hebben dat even hoog is als de bijstandsuitkering. Is het inkomen hoger, dan maken wij een draagkrachtberekening; • Er geen aanvullende tegemoetkoming WTOS mogelijk is, of deze niet genoeg is;
49
•
De student van 21 jaar en ouder heeft ongeacht het inkomen van de ouders recht op een aanvulling. Er is namelijk geen wettelijke onderhoudsplicht meer voor de ouders voor kinderen van 21 jaar of ouder. Wel kan er recht zijn op een aanvullende tegemoetkoming WTOS.
Geen verhaal op de ouders Wij gaan er vanuit dat ouders die genoeg financiële middelen hebben, het thuiswonende kind tot 21 jaar onderhouden. Het onderzoek naar de draagkracht van ouders maakt daarom onderdeel uit van het recht op de bijzondere bijstand bij kinderen tot 21 jaar. Als er draagkracht bij de ouders aanwezig is om aan de onderhoudsplicht te voldoen, dan bestaat er geen recht op de aanvullende bijzondere bijstand. De onderhoudsplicht van de ouders geldt dan als voorliggende voorziening. In uitzonderingsgevallen waarbij de relatie tussen ouder(s) en kind hierom vraagt, kan hiervan af worden geweken. De relatie tussen ouder en kind wordt dan onderzocht. Bewijs • Het onderzoek naar het recht op bijzondere bijstand is hetzelfde als het onderzoek bij een aanvraag voor een bijstandsuitkering volgens de P-wet. • Besluit DUO aanvullende toelage WTOS, eventueel achteraf als de aanvrager nog in afwachting is van DUO. Hoogte bijzondere bijstand • Wij vullen het inkomen aan tot de voor de leeftijd en situatie geldende bijstandsnorm. Als de kostendelersnorm van toepassing is, wordt deze norm aangehouden. • De inkomsten worden zoals bij een bijstandsuitkering in mindering gebracht • Bij het in afwachting zijn van het besluit DUO aanvullende toelage WTOS, wordt de hoogte van de bijzondere bijstand berekend via Rekenhulp tegemoetkoming scholieren van DUO.
Vorm bijzondere bijstand • De bijzondere bijstand wordt om niet gegeven • Belastbare bijzondere bijstand
50
5. Categoriale Bijzondere bijstand Algemeen Voor categoriale bijzondere bijstand stellen wij vast dat de inwoner tot een bepaalde doelgroep hoort. De noodzaak van de kosten onderzoeken wij niet, dit nemen wij aan. Vanaf 01-01-2015 is categoriale bijzondere bijstand alleen nog mogelijk voor deelname aan een collectieve zorgverzekering en de vergoeding van (een deel van) de premie van die verzekering (artikel 35 lid 3 P-wet). Univé collectieve zorgverzekering gemeenten Doelgroep zijn personen met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm zoals genoemd in de Participatiewet. Het vermogen laten we hierbij buiten beschouwing. De verzekering Het aanbod van Univé bestaat voor nieuwe verzekerden vanaf 01-01-2023 uit drie pakketten: • Compact; • Compleet; • Compleet + Hoogte gemeentelijke bijdrage De gemeentelijke bijdrage is een vast percentage van de bedragen van de pakketten. • Compact: 15% • Compleet: 20% • Compleet +: 20% • Andere gemeenten vragen wat zij geven. De voordelen van de collectieve zorgverzekering gemeenten • Verzekering die toegang biedt tot goede en betaalbare zorg voor inwoners met een laag inkomen. • Vergoedingen op maat voor inwoners met een lage, middel of hoge zorgvraag. • Belangrijke vergoedingen zijn verzekerd: tandheelkunde, fysiotherapie, brillen, orthodontie en eigen bijdrage WMO. • Regeling verplicht eigen risico.
• Geen gezondheidscheck door de verzekeraar. • Gemeente doet een bijdrage in de premie. • Univé geeft een betalingsachterstand door aan de gemeente en bij achterstand wordt de premie op de uitkering ingehouden en doorbetaald aan Univé. Voor cliënten zonder periodieke uitkering van de gemeente is deze dienstverlening niet mogelijk. De duur van de deelname aan de verzekering • Zolang het inkomen lager is dan 130%van de bijstandsnorm • Gebruik maken van de collectieve verzekering bij een hoger inkomen is niet mogelijk, omdat er dan niet meer gesproken kan worden van een minimum inkomen. Er vindt jaarlijks een controle plaats op het inkomen. • Afmelden voor het gemeentepakket wordt per 1 januari van het daarop volgende kalenderjaar gedaan als het (gezamenlijk) inkomen te hoog is.
51
•
Bij een verhuizing buiten de gemeente wordt de deelnemer de maand na de verhuizing afgemeld.
52
6. Overzicht wijzigingen 2025 Inleiding Generiek inkomensbeleid is de verantwoordelijkheid van het Rijk. Periodiek wordt door het ministerie van SZW het sociaal minimum vastgesteld. Dit is gelijk aan de geldende/toepasselijke bijstandsnorm – eventueel aangevuld met kinderbijslag – en voor mensen van de pensioengerechtigde leeftijd gelijk aan de AOW. Deze norm geldt voor alle burgers van Nederland. Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat deze uitkeringsnorm niet volledig toereikend is om bepaalde noodzakelijke uitgaven te doen. Als een persoon voor dergelijke kosten geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening (zoals huurtoeslag of Studiefinanciering of WTOS ), kan de gemeente individuele bijzondere bijstand verstrekken. Hierbij moet worden vastgesteld of de uitgaven noodzakelijk zijn, daadwerkelijk gemaakt zijn en voortkomen uit bijzondere omstandigheden. Bij het vaststellen levert de gemeente maatwerk. Dit betekent dat de gemeente die voorziening biedt die past bij de hulpvraag van de burger. Bijzondere bijstand is financieel en beleidsmatig gedecentraliseerd aan gemeenten, omdat op lokaal niveau – dichtbij de burger – maatwerk kan worden geboden rekening houdend met individuele en lokale omstandigheden.
Dit vraagt redelijk en consistent beleid met een flexibele uitvoering waarin de dienstverlening telkens afgestemd wordt op de individuele situatie van de burger. Gemeenten bezien de hele situatie waarin de burger zich bevindt en maken een inschatting wat het individu op dat moment nodig heeft. De gemeente Hollands Kroon doet dit zo efficiënt mogelijk, laat geen willekeur bestaan en hanteert de juridische kaders die zijn uitgewerkt in het Handboek Bijzondere Bijstand Hollands Kroon 2024. Herijking bijzonder bijstandsbeleid Gedurende de periode van 1 januari tot en met 31 augustus 2024 heeft een interne ambtelijke werkgroep, bestaande uit een beleidsadviseur en drie inkomensconsulenten van het team Inkomen, de herijking van het bijzondere bijstandsbeleid ter hand genomen. Inkomensconsulenten hebben aangeven dat het bijzondere bijstandsbeleid dat -zoals reeds vermeld- is vastgelegd in het Handboek Bijzondere Bijstand Hollands Kroon 2024 soms onduidelijk, onvolledig en voor meerdere uitleg vatbaar is. Gemeenten zorgen met hun eigen armoedebeleid voor steun van mensen met een laag inkomen. Onder armoedebeleid valt de bijzondere bijstand, de gemeentelijke minimaregelingen (regeling Meedoen, zwemlesregeling en computerregeling) de schuldhulpverlening en kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen.
De middelen voor armoedebestrijding zijn per definitie schaars en gemeenten zijn daarom genoodzaakt deze middelen zo doelmatig mogelijk in te zetten. De gemeente kan het geld immers maar een keer uitgeven. Bovengenoemde werkgroep heeft tijdens de herijking van het bijzondere bijstandsbeleid naast de rechtmatigheid ook kritisch gekeken naar de doelmatigheid. Het streven moet erop zijn gericht dat de beschikbare middelen voor de bijzondere bijstand zo worden ingezet dat zo veel mogelijk inwoners met een laag inkomen optimaal worden ondersteund. De extra aandacht voor de doelmatigheid van het bijzondere bijstandsbeleid is mede ingegeven door het ‘ravijnjaar 2026’. Dit ‘ravijnjaar’ wordt gekenmerkt door een drastische daling van de rijksbijdragen per inwoner. Deze veranderingen zullen volgens berichten in de media een grote impact hebben op de financiële slagkracht van gemeenten. Aangezien het streven erop is gericht om op termijn het minimabeleid van de gemeenten van de regio Noordkop zoveel als mogelijk te harmoniseren, is tijdens de herijking ook gekeken naar het beleid van de gemeenten Schagen, Texel en Den Helder.
53
De herijking van het bijzondere bijstandsbeleid heeft geresulteerd in 21 wijzigingsvoorstellen die hieronder nader worden toegelicht. 1. Stimulansz model beleidsregels bijzondere bijstand Het beleid met betrekking tot de bijzondere bijstand is in de gemeente Hollands Kroon - zoals reeds vermeld- neergelegd in het Handboek Bijzondere Bijstand. Dit handboek biedt een praktisch kader voor de uitvoering van de bijzondere bijstand en geeft antwoord op vragen als: Hoe zit het met de toekenning van bijstand voor medische kosten? Welk inkomen telt mee voor het berekenen van de draagkracht van een inwoner? De in dit handboek opgenomen beleidsregels zijn vaak onnodig complex opgesteld. Hierdoor is het voor de inkomensconsulenten zo nu en dan een uitdaging om maatwerk aan de inwoners te geven. Om voor een glasheldere uitvoering te zorgen, is het cruciaal dat zowel de inkomensconsulenten als inwoners uit de voeten kunnen met de beleidsregels. Het opstellen van de regels in voor iedereen begrijpelijke taal helpt hierbij. In het Stimulansz-model is ervoor gekozen om de beleidsregel en de toelichting bij elkaar te plaatsen, waardoor de inkomensconsulenten en inwoners de ‘regel’ en het ‘waarom’ tegelijk lezen. Dit voorkomt onnodige misverstanden. Verder is de tekst van dit model op B2-niveau geschreven, zodat de gemiddelde lezer snapt wat de bedoeling is.
Uw college wordt daarom voorgesteld aansluiting te zoeken bij het Stimulansz-model voor de beleidsregels bijzondere bijstand. 2. Beleidsregels inzake de draagkrachtbepaling De huidige beleidsregels met betrekking tot de draagkrachtbepaling zijn weinig gestructureerd en vaak voor meerdere uitleg vatbaar. De beleidsregels met betrekking tot dit onderdeel zijn daarom herschreven, in die zin dat er 17 heldere, eenduidige vuistregels zijn geformuleerd aan de hand waarvan de draagkracht wordt bepaald. Het beleid inzake de draagkracht wordt zo op een meer geordende wijze aan de inwoner en de inkomensconsulent gepresenteerd, waardoor het beter uitvoerbaar is en misverstanden worden voorkomen. 3. Spaargeld opgebouwd tijdens de bijstand Spaargelden opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen worden niet als vermogen in aanmerking genomen (artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet). Een belanghebbende moet wel middels controleerbare en verifieerbare gegevens aantonen dat het vermogen is gespaard uit de bijstand. Voor de bijzondere bijstand kan het college ervoor kiezen om spaargeld opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand is ontvangen als vermogen bij de draagkrachtbepaling in aanmerking te nemen. In het huidige handboek wordt voor de bijzondere bijstand spaargeld opgebouwd tijdens de bijstand buiten beschouwing gelaten.
Uit de uitvoeringspraktijk is echter naar voren gekomen dat een aantal klanten in ons bestand dat onder bewind staat maandelijks aanzienlijke bedragen spaart. Dit heeft vaak tot het gevolg dat het vermogen van deze cliënten op den duur uitstijgt boven de op hen van toepassing zijnde vermogensgrens. Voorgesteld wordt dit beleid te wijzigen, in die zin dat voor de bijzondere bijstand spaargeld opgebouwd tijdens de bijstand bij de draagkrachtbepaling wel als vermogen in aanmerking wordt genomen. Dit kan dus betekenen dat een aanvraag bijzondere bijstand van een bijstandsgerechtigde wordt afgewezen omdat hij over voldoende middelen beschikt (het in de bijstand opgebouwde spaargeld tezamen met de reeds aanwezige vermogensbestanddelen zijn hoger dan de van toepassing zijnde vermogensgrens). Vanuit het perspectief van de belastingbetaler valt niet in te zien waarom een schaars goed als bijzondere bijstand moet worden ingezet in situaties waarin de klant kennelijk over voldoende middelen (lees: spaargeld) beschikt om zelf in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd te
54
voorzien. Voor alle duidelijkheid, deze nieuwe beleidsregel geldt voor alle personen die bijzondere bijstand aanvragen en is dus niet alleen van toepassing op personen die onder bewind staan. Echter, spaargeld opgebouwd tijdens een WSNP- traject of een schuldregelingstraject op grond van Wet gemeentelijke schuldhulpverlening wordt niet als vermogen meegeteld. Dit spaargeld is immers bestemd om een deel van de schulden af te lossen. 4. Pleegvergoeding in relatie tot draagkrachtbepaling Ingevolge artikel 31 lid 2 sub a Participatiewet worden middelen die een belanghebbende ontvangt ten behoeve van levensonderhoud van niet in de bijstand begrepen personen niet tot de middelen gerekend. Het gaat hier bijvoorbeeld om pleegvergoedingen. Deze pleegvergoeding wordt dus niet op de bijstandsuitkering gekort. Echter, bij de bijzondere bijstand mag de gemeente deze pleegvergoeding wel tot de middelen van de belanghebbende rekenen. De gemeente heeft hier dus beleidsvrijheid. Volgens het huidige beleid wordt voor de bijzondere bijstand de pleegvergoeding bij de draagkrachtbepaling niet als middel in aanmerking genomen. Er wordt dus met deze pleegvergoeding geen rekening gehouden. Voorgesteld wordt dit beleid te wijzigen. Alvorens inhoudelijk op dit wijzigingsvoorstel in te gaan, wordt eerst in het kort de pleegvergoeding nader toegelicht.
Pleegouders kunnen een vergoeding krijgen voor de kosten van de verzorging en opvoeding van hun pleegkind. De pleegouder vraagt deze pleegvergoeding aan bij de organisatie die het kind bij deze ouder heeft geplaatst. Deze organisatie keert de vergoeding ook uit. De pleegvergoeding is een basisbedrag dat de overheid jaarlijks vaststelt. Hoe hoog het basisbedrag is, hangt af van de leeftijd van het pleegkind. Maandelijks wordt het bedrag uitbetaald. De pleegzorgvergoedingen voor 2024 zijn: 0 t/m 8 jaar: € 722,92 9 t/m 11 jaar: € 732,53 12 t/m 15 jaar: € 797,63 16 t/m 17 jaar: € 880,71 jaar en ouder € 889,70 De pleegvergoeding is bedoeld om normale en terugkerende kosten voor het opvoeden van pleegkinderen te bekostigen. Zo kan de pleegouder het geld bijvoorbeeld gebruiken voor eten en meubilair, kleding en schoenen van de pleegkinderen. De pleegzorgvergoeding mag ook gebruikt worden voor uiterlijke verzorging (bijvoorbeeld toiletartikelen of een bezoek aan de kapper). Ook kan de pleeggeldvergoeding besteed worden aan kleine onderwijskosten (pennen, schriften, agenda etc.), reiskosten voor een schoolbezoek, reiskosten voor een familiebezoek van de pleegkinderen, zakgeld, sport en/of ontspanning en vakantiekosten. Pleegkinderen hebben tot hun 21e jaar recht op pleegzorg. Soms hebben pleegkinderen na hun 21e jaar nog behoefte aan pleegzorg met ondersteuning en begeleiding.
Ze kunnen dan tot hun 23e jaar een beroep doen op voortgezette pleegzorg. Zolang het pleegkind pleegzorg krijgt, ontvangt de pleegouder een pleegvergoeding. Heeft de pleegouder een meerderjarig pleegkind? Dan is het pleegkind in sommige gevallen fiscale partner van de pleegouder. Dit kan invloed hebben op de hoogte van toeslagen die de pleegouder ontvangt, zoals huur-, zorg- of kinderopvangtoeslag. Pleegkinderen en hun verzorgende ouders kunnen aan de Belastingdienst vragen om het fiscaal partnerschap te veranderen. Hierdoor telt de Belastingdienst de inkomens van het 18-jarige pleegkind en ouder niet meer op bij het bepalen van de inkomstenbelasting en het recht op toeslagen.
55
De pleegvergoeding heeft -zoals vermeld- geen invloed op de eventuele bijstandsuitkering van de pleegouder. Ook hoeft de pleegouder de vergoeding niet op te geven als deze huur- of zorgtoeslag aanvraagt. De vergoeding is belastingvrij. Het maakt niet uit hoeveel pleegkinderen de pleegouder heeft. De Belastingdienst beschouwt de pleegvergoeding als kostenvergoeding. In sommige situaties kan de pleegouder een extra toeslag voor pleegzorg ontvangen. Bijvoorbeeld als deze zorgt voor een kind met een handicap of als deze voor drie of meer pleegkinderen zorgt. De extra toelage is maximaal €4,65 per dag per situatie in 2024. Deze toeslag kan de pleegouder voor verschillende doeleinden gebruiken. Zo gebruiken veel pleegouders een pleegzorgvergoeding om een huishoudelijke hulp in te huren. De pleegouder kan er ook voor kiezen om dit extra geld te gebruiken om een nieuw (huishoudelijk) apparaat aan te schaffen of nieuw meubilair te kopen. Met meerdere kinderen in huis worden apparaten en meubels intensiever gebruikt, waardoor ze sneller slijten en eerder aan vervanging toe zijn.
Gelet op het vorenstaande wordt voorgesteld het beleid op dit punt te wijzigen, in die zin dat voor de bijzondere bijstand voortaan wel rekening wordt gehouden met de pleeggeldvergoeding(en), tenzij de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd uitsluitend betrekking hebben op de persoon van de pleegouder en de pleegkinderen op geen enkele wijze hiervan profijt trekken. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand in de dieetkosten van de pleegouder bijvoorbeeld wordt bij de draagkrachtbepaling de pleegvergoeding niet als middel in aanmerking komen. Immers, alleen de pleegouder profiteert van de bijzondere bijstand. Bij een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting of woonkosten bijvoorbeeld wordt daarentegen wel rekening gehouden met de pleegvergoeding. Deze wordt dan bij de draagkrachtbepaling als inkomen in aanmerking genomen. Ook de pleegkinderen hebben immers in dat geval profijt van de aan de pleegouder verleende bijzondere bijstand. 5. Kostendelersnorm toepassen bij draagkrachtbepaling Op dit moment wordt de kostendelersnorm niet toegepast bij draagkrachtbepaling bijzondere bijstand. Voorgesteld wordt de kostendelersnorm wel te gaan toepassen bij de draagkrachtbepaling. Aan dit voorstel liggen de volgende overwegingen ten grondslag.
Met de invoering van de systematiek van de kostendelersnorm heeft de wetgever beoogd rekening te houden met de voordelen van het delen van kosten binnen één huishouden en wordt een stapeling van uitkeringen binnen een huishouden voorkomen. Daarbij vindt de wetgever het van groot belang dat het lonend blijft om op zoek te gaan naar regulier werk. De invoering van de kostendelersnorm draagt volgens de wetgever hieraan bij. Voor personen die de kosten kunnen delen met anderen zijn de algemene kosten van het bestaan dus lager. Dit betekent bijvoorbeeld dat hij een lager bedrag aan huur, water en verwarming betaalt. De draagkracht van deze persoon is door het kunnen delen van de woonkosten hoger. Hierdoor zal er meer kunnen worden gereserveerd om zelf te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten van het bestaan en kan het college een eventuele aanvraag om bijzondere bijstand wegens aanwezigheid van voldoende draagkracht afwijzen. 6. Draagkracht en vrij te laten vermogen Voor de vaststelling van het vermogen wordt uitgegaan van het vermogen op de datum van de aanvraag. De regels uit de wet voor het vaststellen van het vermogen gelden ook voor bijzondere bijstand. Als de inwoner een vermogen heeft dat niet hoger is dan de bedragen uit artikel 34 lid 3 van de wet, hoeft de inwoner uit zijn vermogen niets bij te dragen aan de kosten.
In afwijking van deze hoofdregel wordt het vrij te laten vermogen zoals bedoeld in artikel 34, derde lid, van de Participatiewet alleen in aanmerking genomen bij de draagkrachtberekening voor zover de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op:
56
• • •
de aflossing van schulden; kosten voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen, of kosten waarvoor alleen om zeer dringende redenen bijzondere bijstand wordt verleend.
7. Geen draagkracht bij WSNP-traject of schuldregeling op grond van Wgs Als een belanghebbende is toegelaten tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen( Wsnp), kan het college volgens de constante jurisprudentie alleen de draagkracht berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft (zie CRvB 01-02-2005). Als de Wsnp van toepassing is, dan kan een belanghebbende alleen daadwerkelijk beschikken over de middelen die buiten de boedel vallen. Het gaat dan om het vrij te laten bedrag (vtlb). Het vtlb bestaat uit de beslagvrije voet en verhogingen daarvan op grond van het vtlb-rapport. Het vtlb ligt op of rond het bijstandsniveau. Dit betekent dat belanghebbende geen draagkracht heeft. Voor de vaststelling van de draagkracht van een belanghebbende die is toegelaten tot de gemeentelijke schuldhulpverlening en in het kader van het minnelijk traject een schuldregeling heeft gesloten met zijn schuldeisers hoeft geen aansluiting gezocht te worden bij de bepaling van de draagkracht in de Wsnp. In het huidige Handboek is niet duidelijk vastgelegd welke keuze de gemeente Hollands Kroon heeft gemaakt. Voorgesteld wordt in de nieuwe beleidsregels vast te leggen dat het bedrag dat tijdens een gemeentelijke schuldhulpverlening op grond van de Wgs voor de aflossing van schulden wordt gereserveerd niet als inkomen in aanmerking wordt genomen.
Personen die in het WSNP- traject zitten, verkeren in nagenoeg dezelfde omstandigheden als personen die in een schuldregelingstraject zitten op grond van Wgs. Beide personen hebben immers de beschikking over het vtlb dat qua hoogte op of rond van het sociaal minimum ligt. Het is uit oogpunt van het gelijkheidsbeginsel niet verdedigbaar om bij een WSNP-traject wel en bij een schuldregelingstraject op grond van de Wgs niet de draagkracht te berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft. 8. Verrekening draagkracht Het huidige handboek bevat geen duidelijke regels over de verrekening van de draagkracht. Voorgesteld wordt hierover het volgende vast te stellen: “De draagkracht wordt op de volgende wijze verrekend: d. De draagkracht uit vermogen wordt het eerst gebruikt. e. Bij incidentele verstrekkingen wordt de draagkracht ineens verrekend. f. Bij periodieke verstrekkingen wordt de draagkracht evenredig gespreid over de maanden waarin de bijzondere bijstand wordt verstrekt en evenredig verrekend met de kosten. g. Bij samenloop van incidentele en periodieke bijzondere noodzakelijke kosten wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.” 9.
Waarde auto’s Uit de uitvoeringspraktijk blijkt steeds vaker dat auto’s van 7 jaar of ouder nog een aanzienlijke marktwaarde vertegenwoordigen. De huidige richtlijn, inhoudende dat auto’s ouder dan 7 jaar niet worden meegeteld bij de vermogensvaststelling, is door de tijd ingehaald. Voorgesteld wordt deze richtlijn als volgt te wijzigen. “De waarde van een auto telt mee bij de vermogensvaststelling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken, indien: • de auto, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is (bijvoorbeeld wanneer een van de gezinsleden ernstig lichamelijk gehandicapt is); • de auto ouder is dan 10 jaar; • de waarde van de auto minder is dan € 3.350,00. Hierbij is aangesloten bij de Regeling kwijtschelding belastingen medeoverheden. Het bedrag van € 3.350,- wordt jaarlijks geïndexeerd.
57
De auto (niet ouder dan 10 jaar) wordt gewaardeerd aan de hand van de ANWB/BOVAG autokoerslijst op internet: http://www.anwb.nl/auto/koerslijst.” Nieuw is dat rekening wordt gehouden met situaties waarin een auto, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is. De voorgestelde beleidswijziging houdt dus enerzijds een inperking en anderzijds een verruiming in ten opzichte van het huidige beleid. Voor alle duidelijkheid, deze beleidsregel geldt ook bij de algemene bijstand. 10. Begrafenisverzekeringen De beleidsregels inzake de draagkrachtbepaling in relatie tot begrafenisverzekeringen waren niet heel duidelijk. In de nieuwe beleidsregels zijn hierover de volgende vuistregels opgenomen: a. Bij een begrafenisverzekering in natura doen wij niets. Wij nemen deze verzekering niet in aanmerking. b. Bij een levensverzekering die is afgesloten om de kosten van een begrafenis of crematie te kunnen dekken geldt dat deze kan worden vrijgelaten indien de levensverzekering alleen bij overlijden wordt uitgekeerd en niet tussentijds afkoopbaar is. Als deze levensverzekering tussentijds afkoopbaar is en de afkoopwaarde gelijk is aan of lager is dan de gemiddelde kosten voor een uitvaart zoals die door het CBS zijn vastgesteld, dan wordt deze afkoopwaarde vrijgelaten. c.
Wanneer in plaats van een verzekering een bedrag in contanten is gereserveerd voor begrafeniskosten wordt dit alleen onder de volgende voorwaarden niet als vermogen aangemerkt: • het geld is uitsluitend bestemd voor de kosten van een uitvaart en mag niet tussentijds opvraagbaar zijn (staat op een aparte rekening); • het tegoed alleen bij overlijden kan worden opgenomen (er zal dus een gemachtigde zijn aangewezen die het geld kan opnemen), en • het tegoed mag niet bovenmatig hoog zijn. Een tegoed is bovenmatig hoog als het tegoed de gemiddelde kosten voor een uitvaart zoals die door het CBS zijn vastgesteld overstijgt. Voor alle duidelijkheid, bovengenoemde richtlijnen gelden ook voor de algemene bijstand. 11. Duur draagkrachtperiode De regels die in het huidige handboek zijn opgenomen met betrekking tot de duur van de draagkracht zijn verouderd en uit het oogpunt van rechtmatigheid zeker niet zonder risico’s aangezien binnen de huidige regels de draagkrachtperiode voor onbepaalde tijd kan worden vastgesteld. In de nieuwe beleidsregels worden hierover de volgende regels opgenomen: “Het draagkrachtjaar start op de eerste dag van de maand waarin de kosten zich voordoen.
De duur van de draagkrachtperiode wordt vastgesteld voor: • een periode van 12 maanden als sprake is van variabele inkomsten zoals inkomen uit of in verband met arbeid, alimentatie of uitkeringen (waaronder uit WW of ZW); • een periode van 36 maanden als sprake is van een vast inkomen zoals een (aanvullende) bijstandsuitkering, IOAW, IOAZ, Wajong, WIA of AOW al dan niet met een aanvullend pensioen, voor zover het inkomen niet uitstijgt boven de van toepassing zijnde inkomensgrens (afhankelijk van de kostensoort is dat 100 of 120% van de bijstandsnorm); • een periode van 12 maanden als sprake is van draagkracht.” 12. Geen bijzondere bijstand voor eigen bijdrage Wlz en eigen bijdrage Wmo In de nieuwe beleidsregels wordt expliciet vastgelegd dat bijzondere bijstand in de kosten van de eigen bijdrage Wlz en Wmo niet mogelijk is. Binnen het huidige beleid was dit wel mogelijk. Dit is buitenwettelijk begunstigend beleid.
58
De voorgestelde beleidskeuze kan als volgt worden onderbouw. De eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz of voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 wordt met toepassing van het Besluit langdurige zorg (Blz) respectievelijk het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgesteld en is afhankelijk van het inkomen en vermogen van een belanghebbende. En dat is precies de reden dat bijzondere bijstand voor deze kosten niet aan de orde kan zijn. De afstemming van de hoogte van de eigen bijdrage op de individuele inkomenssituatie van een belanghebbende maakt dat eigen bijdragen voor Wlz-zorg en Wmo-maatwerkvoorzieningen altijd ‘financieel draagbaar’ zijn. En dat betekent weer dat de voorliggende voorzieningen (in dit geval dus de Wlz en de Wmo 2015) toereikend en passend zijn te achten. Aanvragen bijzondere bijstand voor deze eigen bijdragen kunnen dan ook worden afgewezen op grond van artikel 15 lid 1, eerste volzin Participatiewet. Bevestiging voor dit standpunt kan gezocht worden in de jurisprudentie: CRvB 25-04-2017, nr. 15/7831 WWB (eigen bijdrage Wlz), en Rechtbank Overijssel 17-07-2017, nr. AWB 17/568 (eigen bijdrage Wmo). Bijstandsverlening voor deze eigen bijdrage zou dan alleen aan de orde kunnen zijn in geval van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Participatiewet. 13.
Kosten met een medische kant (kosten kledingslijtage, stookkosten en dieetkosten) Met betrekking tot kosten van kledingslijtage en bewassing, stookkosten en dieetkosten was nog geen beleid ontwikkeld. In de nieuwe beleidsregels worden hierover richtlijnen opgenomen. Deze komen -kort gezegd- op het volgende neer: de gemeente vraagt een medisch advies aan en sluit voor het vaststellen van de extra kosten aan bij de normbedragen uit de Nibud-prijzengids. 14. Pedicurekosten In de nieuwe beleidsregels wordt vastgelegd dat voor deze kosten geen bijzondere bijstand meer wordt verstrekt. Dit beleidsstandpunt kan als volgt worden onderbouwd. Pedicurekosten die niet op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden vergoed, komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, tenzij er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Participatiewet. Wordt in de Zvw of de Wlz een bewuste beslissing genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening? Dan moet de Participatiewet zich bij die keuze aansluiten. Medische of paramedische kosten die op grond van de Zvw of Wlz niet worden vergoed, komen daarom normaal ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Dan moet namelijk worden aangenomen dat een bewuste beslissing is genomen over de omvang van de genees- en heelkundige hulp.
Niet valt in te zien waarom voor paramedische kosten als pedicurekosten een uitzondering zou moeten worden gemaakt. 15. Kosten thuisabonnement Wonen Plus Welzijn Voorgesteld wordt voor deze kosten geen bijzondere bijstand meer te verlenen. De kosten zijn dermate laag, dat in redelijkheid van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij deze kosten uit de bijstandsuitkering betaalt. 16. Aanhouden eigen woning detentie Ingevolge artikel 13 lid 1sub a Participatiewet heeft geen recht op bijstand degene aan wie rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Voor de kosten van het aanhouden van woning in de periode van detentie, kan daarom geen bijzondere bijstand worden verstrekt. Het is de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om eventueel een regeling te treffen. Wanneer tijdens de detentieperiode iemand geen middelen heeft om de woonlasten te betalen, bestaat de kans dat diegene zijn of haar woning verliest. Omdat het maatschappelijk niet gewenst is dat ex-gedetineerden na een korte detentieperiode geen beschikking meer hebben over een zelfstandige woning, wordt voorgesteld om contra legem onder de volgende voorwaarden bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten:
59
• • •
de bijzondere bijstand wordt voor een detentieperiode van maximaal 3 maanden toegekend (mag ook over meerdere, kortere detentieperiodes tot totaal drie maanden); alle financiële reserves dienen te worden aangewend om de woonkosten zelf te betalen. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34 van de wet is daarom niet van toepassing; het netto inkomen hoger dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geheel meegerekend in de draagkrachtberekening.
Dit is buitenwettelijk begunstigend beleid. Aansluiting is gezocht bij het beleid van de gemeente Den Helder. 17. Mentorschap, curatele en bewindvoering Het huidige beleid wordt aangevuld met de volgende regels: • Naast de jaarbeloning kunnen professionele curators, bewindvoerders en mentoren in voorkomende gevallen ook aanspraak maken op een forfaitaire beloning voor bepaalde incidentele werkzaamheden. De kosten in verband met deze incidentele werkzaamheden kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Een machtiging van de rechter dient in dat geval aan het college te worden overgelegd. •
Wanneer de aanvrager die onder curatele is gesteld, zelf om de curatele heeft verzocht, komen de kosten voor publicatie in de landelijke dagbladen in aanmerking voor bijzondere bijstand.
•
Bewindvoerders mogen sinds 2020 een keer per jaar bankkosten in rekening brengen. Deze kosten kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Bewindvoerders hebben voor deze extra kosten geen keuze en ook geen mogelijkheid om deze te vermijden. Met deze verhoging is ook geen rekening gehouden in de regeling beloning die door de minister is vastgesteld. Voorgesteld wordt in de nieuwe beleidsregels op te nemen dat voor deze kosten bijzondere bijstand kan worden verleend. Dit is conform het advies van Schulinck.
18. Budgetbeheer Het bijzondere bijstandsbeleid inzake het budgetbeheer wordt als volgt aangevuld. Voorgesteld wordt in de nieuwe beleidsregels de volgende regel op te nemen: “De budgetbeheerder moet een deskundige en professioneel werkende instelling zijn. Hij beheert namelijk de gelden van de belanghebbende. Daarom verdient het de voorkeur dat de budgetbeheerder is aangesloten bij een branchevereniging.“ 19. Bijzondere bijstand in relatie tot reiskosten Het beleid op het gebied van de reiskosten is op vier punten aangevuld. Er zijn de volgende aanvullende regels opgesteld: - inburgering: op dit moment vallen reiskosten nog niet binnen de financiële afspraken tussen gemeenten en het Rijk. Indien gewenst, kunnen gemeenten reiskosten voor inburgeraars financieren uit de bijzondere bijstand. In de nieuwe beleidsregels wordt de volgende regel opgenomen: “Reiskosten zijn algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel uit het eigen inkomen voldaan dienen te worden. Bijzondere omstandigheden kunnen echter met zich meebrengen dat toch bijstand verleend dient te worden. Voor het volgen van een traject in het kader van de Wet inburgering 2013 en 2021 kan voor de gehele duur van het traject bijzondere bijstand worden verleend voor de reiskosten”. - omgangsregeling: de reiskosten van de kinderen komen altijd ten laste van de verzorgende ouder.
- uithuisgeplaatste kinderen: als kinderen onder Bureau Jeugdzorg vallen en er een kinderbeschermende maatregel is getroffen, kan bij Bureau Jeugdzorg een beroep worden
60
-
gedaan op een reiskostenvergoeding. Als het kind in een instelling verblijft die onder de Wet langdurige zorg (Wlz) valt, is er geen vergoeding mogelijk vanuit Bureau Jeugdzorg. Als een kind niet thuis verblijft is het soms wel mogelijk om kinderbijslag te ontvangen. Als er veel kosten zijn voor een uitwonend kind kan soms tweemaal kinderbijslag worden toegekend. Als er geen beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening is bijzondere bijstand voor reiskosten mogelijk. Voor de bezoekfrequentie wordt aangesloten bij de bezoekregeling zoals bepaald door de instelling. Sociale contacten: reiskosten die verband houden met het onderhouden van sociale contacten dienen uit het inkomen te worden voldaan. Voor deze kosten wordt dan ook geen bijzondere bijstand verleend.
20. Computerregeling aanpassen aan reguliere omstandigheden Ingevolge het huidige beleid geven wij bij een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm een vergoeding voor een computer voor schoolgaande kinderen (€ 450,-). Het gezin met schoolgaande kinderen vanaf het 3e jaar basisonderwijs tot 18 jaar heeft recht op één laptop per schoolgaand kind in het 3e jaar basisonderwijs of hoger tot 18 jaar. Er kan eens in de vijf jaar per kind een bedrag voor een laptop gegeven worden. Vroeger werd er één computer per gezin verstrekt. Toen in maart 2020 in Nederland corona uitbrak en alle kinderen, in verband met de door het Rijk getroffen maatregelen om de coronabesmettingen te beteugelen, vanuit huis digitaal onderwijs moesten gaan volgen, is besloten de regeling te verruimen in die zin dat aan ieder schoolgaand kind uit een gezin met een inkomen tot 110% een computer kan worden verstrekt. Nu wij de periode van corona achter ons hebben gelaten en alle kinderen weer normaal school gaan, achten wij het redelijk om uit het oogpunt van doelmatigheid de regeling aan te passen aan de nieuwe situatie. In de voorgestelde regeling wordt een onderscheid gemaakt tussen een computervoorziening ten behoeve van kinderen die naar de basisschool gaan en een computervoorziening voor kinderen die voortgezet onderwijs volgen. Een computervoorziening bestaat uit een laptop en muis.
Het college verstrekt een computervoorziening basisschool, indien de belanghebbende: a. op de peildatum een inwoner is; b. een inkomen heeft dat gedurende een periode van drie maanden voorafgaande aan de maand waarop de aanvraag is ingediend gemiddeld lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet; c. gedurende een periode van drie maanden voorafgaande aan de maand waarop de aanvraag is ingediend over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de wet bedoelde vermogensgrens; d. op de peildatum een kind heeft dat in groep 3 of hoger zit van de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs of een school voor speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra. Het college verstrekt een computervoorziening voortgezet onderwijs, indien de belanghebbende: a. op de peildatum een inwoner is; b. een inkomen heeft dat gedurende een periode van drie maanden voorafgaande aan de maand waarop de aanvraag is ingediend gemiddeld lager is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet; c.
gedurende een periode van drie maanden voorafgaande aan de maand waarop de aanvraag is ingediend over een vermogen beschikt dat niet hoger is dan de in artikel 34, tweede lid, onderdeel b, en derde lid, van de wet bedoelde vermogensgrens;
61
d. op de peildatum een kind heeft dat voortgezet onderwijs volgt als bedoeld in de Wet op het voortgezet onderwijs. Het belangrijkste verschil tussen deze twee voorzieningen is dat de eerste voorziening per gezin wordt verstrekt en de tweede per kind. Ter verduidelijking van het voorgaande het volgende voorbeeld. Als een gezin twee kinderen heeft die naar de basisschool gaan, dan wordt er één computervoorziening verstrekt. Als een gezin drie kinderen heeft die naar de basisschool gaan en twee die voortgezet onderwijs volgen, dan wordt er één computervoorziening verstrekt ten behoeve van de drie kinderen die naar de basisschool gaan en twee computervoorzieningen voor de twee kinderen die voortgezet onderwijs volgen. Dit gezin krijgt in totaal dus drie computervoorzieningen (lees: drie laptops). Aan dit verschil ligt de volgende overweging ten grondslag. Kinderen op de basisschool hebben ten behoeve van hun schoolwerk minder vaak een computer nodig en gebruiken deze minder intensief dan kinderen die voortgezet onderwijs volgen. Kinderen uit een gezin die naar de basisschool gaan, worden daarom geacht hun computer te kunnen delen. Dit geldt echter niet voor kinderen die voortgezet onderwijs volgen. Daarom wordt aan ieder kind uit een gezin met een laag inkomen dat voortgezet onderwijs volgt een computervoorziening verstrekt.
De computervoorziening wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Deze financiële tegemoetkoming bedraagt maximaal € 450,- en wordt een keer in de vijf jaar verstrekt. De computervoorziening wordt dus niet in natura verstrekt. 21. Categoriale inkomensregeling (Computerregeling, Regeling leszwemmen en Meedoen) De minimaregeling Meedoen, de Computerregeling ten behoeve van schoolgaande kinderen uit minimagezinnen en de Regeling leszwemmen diploma A voor kinderen uit minimagezinnen zijn ondergebracht in hoofdstuk 6 van de nieuwe beleidsregels bijzondere bijstand. De regelingen worden dus beschouwd als bijzondere bijstand. Dit is echter vanuit juridisch oogpunt bezien niet juist. Gemeentelijke categoriale regelingen, zowel in de bijzondere bijstand als daarbuiten zijn vrijwel niet meer mogelijk. De wetgever heeft nadrukkelijk gesteld dat er geen ruimte (meer) is voor eigen gemeentelijk categoriaal beleid inzake bijzondere inkomensaanvulling, omdat het Rijk geen ongerichte vergoeding van kosten meer wenst, waarvan slechts aannemelijk is dat ze zijn gemaakt. Na inwerkingtreding van de Participatiewet blijft als categoriale bijzondere bijstand slechts één kostensoort over, namelijk de Collectieve Aanvullende Zorgverzekering (CAV) of een tegemoetkoming in de premie van een aanvullende zorgverzekering.
Algemeen, generiek inkomensbeleid is dus voorbehouden aan het Rijk. De wetgever heeft er echter voor gekozen de verstrekking van voorzieningen voor maatschappelijke participatie, zoals de stadspas en de webshop Meedoen, te behouden, omdat bij deze vorm van ondersteuning duidelijk is waaraan de bijdrage van het college door de belanghebbende wordt besteed. Er is daardoor geen sprake van ongerichtheid van de ondersteuning. Het doel van de stadspas en webwinkel Meedoen is niet primair inkomensondersteuning, maar het stimuleren van het gebruik maken van voorzieningen en deelname aan activiteiten. Ook de Computerregeling schoolgaande kinderen uit minimagezinnen en de Regeling Leszwemmen voor het Nationale Zwemdiploma A voor kinderen uit minimagezinnen kunnen worden aangemerkt als voorzieningen voor maatschappelijke participatie. De verstrekking van voorzieningen voor maatschappelijke participatie valt echter niet onder de bijstand, maar is gebaseerd op artikel 108 van de Gemeentewet. Dit artikel in de Gemeentewet biedt autonomie aan gemeentebesturen bij het inrichten van de ‘gemeentelijke huishouding’. Het
62
college kan dus op grond van een verordening die is gebaseerd op artikel 108 van de Gemeentewet aan de burgers van de gemeente een voorziening verstrekken voor deelname aan culturele, maatschappelijke en sportieve activiteiten. Dit betekent dat de drie genoemde regelingen in een op artikel 108 van de Gemeentewet gebaseerde verordening moeten worden opgenomen. De regels met betrekking tot Meedoen, de computervoorziening en het leszwemmen voor diploma A moeten dus in een verordening worden vastgelegd, de Verordening Voorzieningen voor maatschappelijke participatie genaamd. Aanvankelijk was het de bedoeling dat deze verordening in september/oktober 2024 aan de raad zou worden voorgelegd. Het college heeft besloten medio 2025 met het oog op het ravijnjaar 2026 de inkomensgrenzen van Meedoenregeling en de zwemlesregeling te heroverwegen. Ook zullen in het kader van de regionale samenwerking de minimaregelingen van de gemeenten uit de regio Noordkop zoveel als mogelijk worden geharmoniseerd. Om te voorkomen dat twee keer de gang naar de raad moet worden gemaakt, is besloten genoemde verordening pas in september/oktober 2025 aan de raad voor te leggen. Gemeentepolis en categoriale bijzondere bijstand Categoriale bijzondere bijstand wijkt af van individuele bijzondere bijstand.
Dat komt omdat voor belanghebbenden die behoren tot de aangewezen categorie niet nagegaan hoeft te worden of de kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn. Door te horen tot een aangewezen categorie is het al aannemelijk dat die persoon zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan. En waarin de algemene bijstand niet voorziet en de aanwezige draagkracht te boven gaat. Het categoriaal toekennen van bijzondere bijstand is sinds de invoering van de Participatiewet beperkt tot één kostensoort. Namelijk een collectieve aanvullende zorgverzekering of een tegemoetkoming in de kosten van de premie van zo'n verzekering. Deze kostensoort komt in aanmerking voor het verlenen van categoriale bijzondere bijstand omdat de wetgever vindt dat bij deze vorm van ondersteuning duidelijk is waaraan de bijdrage van het college door de belanghebbende wordt besteed. Er is daardoor geen sprake van ongerichtheid van de ondersteuning. Het college kan categoriale bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een collectieve aanvullende zorgverzekering (ook wel gemeentepolis of gemeentepakket genoemd). In dat geval sluit het college zelf een contract met de zorgverzekeraar.
Maar het college kan ook categoriale bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een tegemoetkoming in de kosten van de premie van een collectieve aanvullende zorgverzekering. De gemeente Hollands Kroon heeft gekozen voor de eerste optie. De gemeente Hollands Kroon biedt in samenwerking met Univé een collectieve zorgverzekering aan voor inwoners met een inkomen tot 130% van de bijstandsnorm. Het vermogen laten we hierbij buiten beschouwing. Het aanbod van Univé bestaat voor nieuwe verzekerden vanaf 01-01-2023 uit drie pakketten: • Compact • Compleet • Compleet +. De gemeentelijke bijdrage is een vast percentage van de bedragen van de pakketten. • Compact: 15% • Compleet: 20% • Compleet +: 20%
63
Hieronder treft u per pakket aan hoe de zorgpremie die de inwoner moet betalen is opgebouwd. De premieopbouw Compact Zorg Geregeld polis Univé Gemeentepakket Compact Totaal Af Collectiviteitskorting Af gemeentelijke bijdrage Totaal
€ 147,30 € 24,40 € 171,70 € 0,00 € 24,40 € 147,30
In de gemeente Schagen bedraagt de gemeentelijke bijdrage € 10,- en in de gemeente Den Helder € 17,50. De premieopbouw Compleet Zorg Geregeld polis Univé Gemeentepakket Compact Totaal Af Collectiviteitskorting Af gemeentelijke bijdrage Totaal
€ 147,30 € 54,25 € 201,55 € 0,00 € 40,31 € 161,24
In de gemeente Den Helder bedraagt de gemeentelijke bijdrage € 35,-. De gemeente Schagen heeft geen Compleet. De premieopbouw Compleet+ Zorg Geregeld polis Univé Gemeentepakket Compact Totaal Af Collectiviteitskorting Af gemeentelijke bijdrage Totaal
€ 147,30 € 83,15 € 230,45 € 0,00 € 46,09 € 184,36
In de gemeente Schagen bedraagt de gemeentelijke bijdrage € 37,48 en in de gemeente Den Helder € 35,-. Uit bovenstaand overzicht volgt dat de gemeentelijke bijdrage van de gemeente Hollands Kroon hoger is dan die van de gemeenten Schagen en Den Helder. Eind 2025 wordt het minimabeleid van de gemeenten in de regio Noordkop geharmoniseerd. In het kader van deze harmonisatie is het streven er ook op gericht om de gemeentelijke bijdragen met betrekking tot de gemeentepolis te harmoniseren. 13 november 2024 Werkgroep Herijking Bijzondere Bijstandsbeleid
64
7. Overzicht wijzigingen 2026 In de maand november 2025 heeft de gemeenteraad van de gemeente Hollands Kroon de Verordening voorzieningen voor maatschappelijke participatie gemeente Hollands Kroon vastgesteld. Als gevolg van hiervan diende hoofdstuk 6 uit de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2025, genaamd Categoriale inkomensregelingen, te worden geschrapt. Het college heeft hiertoe de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026 vastgesteld, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2025. De Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026 zijn op 1 januari 2026 in werking getreden. Onderbouwing van bovengenoemde besluiten van het college en de raad In het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Hollands Kroon, dat is neergelegd in het document genaamd Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2025, zijn de volgende minimaregelingen opgenomen: • de regeling Meedoen; • de Computerregeling voor schoolgaande kinderen uit minimagezinnen; • de regeling Leszwemmen voor het Nationale Zwemdiploma A voor kinderen uit minimagezinnen. De regelingen worden dus beschouwd als onderdeel van het bijzondere bijstandsbeleid. Dit is echter vanuit juridisch oogpunt bezien niet juist.