Bijlage 3. Beleidsregels bijzondere bijstand 2026
Tekst van het document
Gemeentelijke categoriale regelingen, zowel in de bijzondere bijstand als daarbuiten zijn vrijwel niet meer mogelijk. De wetgever heeft nadrukkelijk gesteld dat er geen ruimte (meer) is voor eigen gemeentelijk categoriaal beleid inzake bijzondere inkomensaanvulling, omdat het Rijk geen ongerichte vergoeding van kosten meer wenst, waarvan slechts aannemelijk is dat ze zijn gemaakt. Na inwerkingtreding van de Participatiewet blijft als categoriale bijzondere bijstand slechts één kostensoort over, namelijk de Collectieve Aanvullende Zorgverzekering (CAV) of een tegemoetkoming in de premie van een aanvullende zorgverzekering. Algemeen, generiek inkomensbeleid is dus voorbehouden aan het Rijk. De wetgever heeft er echter voor gekozen de verstrekking van voorzieningen voor maatschappelijke participatie, zoals de webshop Meedoen, te behouden, omdat bij deze vorm van ondersteuning duidelijk is waaraan de bijdrage van het college door de belanghebbende wordt besteed. Er is daardoor geen sprake van ongerichtheid van de ondersteuning. Het doel van de webwinkel Meedoen is niet primair inkomensondersteuning, maar het stimuleren van het gebruik maken van voorzieningen en deelname aan activiteiten.
Ook de Computerregeling schoolgaande kinderen uit minimagezinnen en de regeling Leszwemmen voor het Nationale Zwemdiploma A voor kinderen uit minimagezinnen kunnen worden aangemerkt als voorzieningen voor maatschappelijke participatie. De verstrekking van voorzieningen voor maatschappelijke participatie valt – zoals vermeld- niet onder de bijstand, maar is gebaseerd op artikel 108 van de Gemeentewet. Dit artikel in de Gemeentewet biedt autonomie aan gemeentebesturen bij het inrichten van de ‘gemeentelijke huishouding’. Het college kan dus op grond van een verordening die is gebaseerd op artikel 108 van de Gemeentewet aan de inwoners van de gemeente een voorziening verstrekken voor deelname aan culturele, maatschappelijke en sportieve activiteiten. Dit betekent dat bovengenoemde drie
65
regelingen in een op artikel 108 van de Gemeentewet gebaseerde verordening moesten worden opgenomen. Andere wijzigingen die in de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026 zijn opgenomen Pedicurekosten In de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2025 was vastgelegd dat voor de pedicurekosten geen bijzondere bijstand meer wordt verleend. Dit beleidsstandpunt werd als volgt onderbouwd. “Pedicurekosten die niet op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) worden vergoed, komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, tenzij er sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 Participatiewet. Wordt in de Zvw of de Wlz een bewuste beslissing genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening? Dan moet de Participatiewet zich bij die keuze aansluiten. Medische of paramedische kosten die op grond van de Zvw of Wlz niet worden vergoed, komen daarom normaal ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Dan moet namelijk worden aangenomen dat een bewuste beslissing is genomen over de omvang van de genees- en heelkundige hulp. Niet valt in te zien waarom voor paramedische kosten als pedicurekosten een uitzondering zou moeten worden gemaakt. “ In CRVB:2014:3731 heeft de CRvB geoordeeld over de weigering van de aanvraag voor de kosten van zes pedicurebehandelingen.
Het college weigert de aanvraag en handhaaft dat besluit in bezwaar. Daaraan ligt ten grondslag dat er sprake is van een voorliggende voorzieningen, in casu de Zorgverzekeringswet, en er geen sprake van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16 WWB. De CRvB heeft over de toepassing van artikel 15 WWB het volgende overwogen. De WWB heeft, gelet op artikel 15 lid 1 tweede volzin, geen functie als binnen de voorliggende voorziening een bewuste beslissing is genomen over de noodzaak van vergoeding van bepaalde kostensoorten in het algemeen of in een specifieke situatie. Worden binnen de voorliggende voorziening dergelijke beslissingen genomen, dan moet daarbij voor de toepassing van de WWB worden aangesloten (CRVB:2011:BU8263). De prestaties en vergoedingen op grond van de Zorgverzekeringswet voor medische en paramedische kosten zijn aan te merken als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen. In deze regelgeving is in het algemeen een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten (CRVB:2010:BM2959). Uit het Besluit zorgverzekering (Stb. 2005, 389) blijkt dat pedicurekosten niet onder paramedische kosten kunnen worden geschaard. Het college heeft de aanvraag dan ook ten onrechte afgewezen op artikel 15 WWB.
In artikel 2.6 uit dat Besluit staat namelijk, aldus de CRvB, het volgende: “Paramedische zorg omvat fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, ergotherapie en diëtetiek.” De pedicurekosten worden in dit artikel niet genoemd. De uitspraak is gewezen onder de WWB maar heeft zijn gelding niet verloren, nu de wettelijke bepaling in kwestie in de PW niet is gewijzigd. Ons nieuwe beleid inzake de pedicurekosten is dus in strijd met de wet. Besloten is het oude beleid inzake de pedicurekosten weer van stal te halen en vast te leggen in de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Hollands Kroon 2026, met verdien verstande dat het aantal pedicurebehandelingen dat per jaar wordt vergoed, is verlaagd van dertien naar tien behandelingen per jaar. De gemeente vergoedt maximaal tien pedicurebehandelingen per kalenderjaar jaar tot een maximumbedrag van € 30,- per behandeling. Tevens is in het beleid geregeld wat precies onder een ‘erkende pedicure’ moet worden verstaan. Compensatie huur- en zorgtoeslag in het VTLB en de beoordeling van bijzondere bijstand In paragraaf 2.3 van de beleidsregels hebben wij beleid geformuleerd over de vraag of de compensatie voor huur- en zorgtoeslag, die is opgenomen in het Vrij te laten bedrag (VTLB) bij een
66
schuldenregeling, als middel moet worden aangemerkt bij een aanvraag voor bijzondere bijstand. De gemeente is van oordeel dat dit niet het geval is. Deze beleidslijn is gebaseerd op het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, de Participatiewet en relevante jurisprudentie. Wij achten het niet redelijk en niet rechtvaardig om de compensatie voor huur- en zorgtoeslag in het VTLB als middel aan te merken bij een aanvraag voor bijzondere bijstand. Dit zou leiden tot een ongelijke behandeling van mensen die feitelijk op het sociaal minimum leven, en zou in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. Bijzondere bijstand voor jongeren 18 t/m 20 jaar zelfstandig wonend Dit onderwerp is geregeld in paragraaf 4.1 van deze beleidsregels. In de nieuwe PW heeft de wetgever besloten de norm voor aanvullende bijstand voor jongeren tot 21 jaar te harmoniseren en deze aanvullende norm via de algemene bijstand te verstrekken in plaats van via de bijzondere bijstand. In de nieuwe PW wordt de norm dus geharmoniseerd, waarbij ruimte blijft om af te wijken indien noodzakelijk (art. 18 lid 1 Pw).
De wetgever heeft gekozen voor een normbedrag waardoor de optelsom van algemene bijstand plus aanvulling op basis van het voorgestelde normbedrag terecht komt op een waarde vergelijkbaar met 90% van het netto inkomen van een 18-jarige op basis van wettelijk minimum jeugdloon met een 36-urige werkweek (€ 929,68, inclusief vakantiebijslag). Het voorgestelde normbedrag voor aanvullende algemene bijstand is één vast bedrag, te weten € 634,48 netto per maand (peildatum: 1 januari 2023). Gemeenten kunnen hiervan afwijken, met dien verstande dat het totale bedrag aan algemene bijstand inclusief de aanvulling nooit hoger kan zijn dan de bijstandsnorm voor personen van 21-jaar en ouder in een vergelijkbare situatie. NB De beleidsregels vervat in paragraaf 4.a. worden ingetrokken met ingang van de datum waarop artikel 20, de leden 3 en 4, van de Participatiewet in balans in werking treden.
67
Vaststelling Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon op 30 september 2025. Burgemeester en wethouders secretaris, H. van der Woude
de burgemeester, A. van Dam
68