1.Kolhornerweg 3_Toelichting
Tekst van het document
28
Kolhornerweg 3
3.8
Cultuurhistorie
In 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Onder meer heeft dit tot gevolg dat in bestemmingsplannen cultuurhistorie meegewogen dient te worden. Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. In hoofdstuk 2 is reeds ingegaan op de geschiedenis; de cultuurhistorische waarden van de locatie worden niet aangetast. Cultuurhistorie vormt geen beperking voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
3.9
Water
Beleid In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB'21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. De uitkomsten uit deze watertoets zijn in deze paragraaf opgenomen. Europees beleid Europese Kaderrichtlijn De Europese Kaderrichtlijn is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2015 moet dat gerealiseerd zijn. De lidstaten moeten in 2009 (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen zij gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Binnen Rijn-West werkt Noord-Holland samen met alle betrokken waterbeheerders (Rijkswaterstaat, buurprovincies, waterschappen en gemeenten) aan het opstellen van het regionale deel van het genoemde stroomgebiedbeheersplan Rijndelta. Rijksbeleid Nationaal Waterplan 2016 Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is in 2016 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050.
Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
Kolhornerweg 3
29
Het kabinet zet de veranderingen in het waterveiligheidsbeleid voort en zal hiertoe een wetsvoorstel met nieuwe normen voor de primaire keringen voorbereiden. Nieuwe normen zijn nodig, omdat de huidige eisen aan primaire keringen grotendeels uit de jaren zestig van de vorige eeuw dateren. Sindsdien zijn het aantal mensen en de economische waarde achter de dijken toegenomen. Ook is nieuwe kennis beschikbaar gekomen over de werking van de keringen en de gevolgen van overstromingen. De doelen op het gebied van waterveiligheid zijn omgerekend naar normspecificaties voor de keringen. Deze zijn niet meer gebaseerd op dijkringen, maar op dijktrajecten. Elk dijktraject krijgt een norm-specificatie die past bij de gevolgen in dat specifieke gebied. De normspecificaties zijn ingedeeld in zes klassen, waarbij de overstromingskans varieert van 1/300 per jaar tot 1/100.000 per jaar. Het Rijk onderkent het belang van verbinden van ruimte en water. Bij het aanpakken van wateropgaven en de uitvoering van watermaatregelen vindt daarom afstemming plaats met andere relevante ruimtelijke opgaven en maatregelen in het gebied, zodat scope, programmering en financiering zo veel mogelijk op elkaar aansluiten of, beter nog, elkaar versterken. Het kabinet streeft daarbij ook naar integrale combinaties, waarbij ruimtelijke inrichting een belangrijke rol speelt bij het oplossen van wateropgaven.
Omgekeerd is het van belang om bij ruimtelijke opgaven vroegtijdig rekening te houden met wateropgaven en de veerkracht van watersystemen. De gewenste betere verbinding tussen water en ruimte geldt voor alle opgaven op het gebied van waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Provinciaal beleid Provinciale Watervisie 2015 De Provinciale watervisie beschrijft de kaders voor waterbeheer in Noord-Holland. De belevingswaarde van het alom aanwezige water en de mogelijkheden die het biedt, het leven met en strijden tegen, dat is wat Noord-Holland uniek maakt. Vanuit dit vertrekpunt wil de provincie met het waterbeleid Noord-Holland mooier, bedrijviger en veiliger maken dan het al is, op een haalbare en betaalbare manier. De provincie zet het waterbeleid daarom zo in dat er een impuls vanuit gaat voor de leefomgevingskwaliteit en/of het vestigingsklimaat. Er wordt onderscheid gemaakt in twee thema's, te weten “Veilig” en “Schoon en “Voldoende”. Binnen deze thema's worden doelen gesteld. De doelen voor het thema Veilig zien vooral toe op het in orde zijn van de regionale keringen, het beperken van
30
Kolhornerweg 3
slachtoffers, economische schade en een adequate rampenbestrijding. Bij dijkversterkingen moet aandacht zijn voor een goede ruimtelijke inpassing. Bij Schoon en Voldoende gaat het er vooral om dat er schoon grondwater moet zijn en schoon en voldoende oppervlaktewater, zwemwater en drinkwater. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Waterprogramma 2016-2021 Met dit Waterprogramma geeft het Hoogheemraadschap richting aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. De komende jaren staat het Hoogheemraadschap voor de taak het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort en schoon water. Ten aanzien van waterveiligheid gelden drie doelen. 1. Veiligheid voor iedereen. Iedereen in Nederland die wordt beschermd door een dijk, duin of dam, heeft een kans van niet meer dan 1 op de 100.000 per jaar (10-5) om te overlijden door een overstroming; 2. Zoveel mogelijk voorkomen van slachtoffers en schade; 3. Bescherming van vitale en kwetsbare functies. Er is extra bescherming voor infrastructuren zoals nutsvoorzieningen, wegen, ziekenhuizen en communicatiemiddelen die tijdens en na een ramp cruciaal zijn voor het functioneren van een gebied. Dit geldt ook voor functies die grote milieu- of gezondheidsschade kunnen opleveren wanneer ze door een overstroming worden getroffen.
Ten aanzien van wateroverlast wil het Hoogheemraadschap overlast niet tegen elke prijs voorkomen. Men wil wel naar een zo groot mogelijke flexibiliteit bij het beheer van het totale watersysteem (boezem en polders), zodat men bij clusterbuien snel (anticiperend) gebruik kan maken van de ruimte die we in het watersysteem hebben. Door verdere verstedelijking neemt de druk op de openbare ruimte toe. De ruimte voor waterberging is daardoor beperkt. Ook wordt de openbare ruimte vaak multifunctioneel gebruikt. Om achteruitgang van het watersysteem te voorkomen, vraagt het Hoogheemraadschap in ruimtelijke plannen om maatregelen die de nadelige effecten van verharding voorkomen of compenseren. Ten aanzien van watertekort luidt de doelstelling: zoet water wordt kostbaar en minder vanzelfsprekend. We zorgen voor een duurzame en eerlijke verdeling op een basaal niveau en met de huidige infrastructuur. Tot slot zorgt het Hoogheemraadschap voor een gezond oppervlaktewater. Keur en algemene regels In 2016 heeft het hoogheemraadschap een nieuwe Keur en bijbehorende Algemene Regels vastgesteld. Artikel 4.2 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak is in de nieuwe Keur gewijzigd. In de nieuwe Keur 2016 is nu het volgende opgenomen: "Artikel 3.3 Verbod versnelde afvoer door nieuw verhard oppervlak.
Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen." In de Algemene Regels 2016 zijn vervolgens de volgende aanvullingen opgenomen: "Artikel 23. nieuw verhard oppervlak. Op grond van artikel 3.9, eerste lid van de keur geldt een vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 3.3 voor het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak indien: de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m² bedraagt en; de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken." Watertoets Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen aan de waterhuishouding voldoende aandacht is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samenwerken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Situatie plangebied
Kolhornerweg 3
31
Het bebouwde/verharde oppervlak neemt ten opzichte van de bestaande situatie niet toe. Ook de rioleringssituatie verandert niet; er wordt aangesloten op het bestaande gemengd rioleringssysteem. Er wordt niet gewerkt met niet-uitloogbare materialen, zoals zink en wordt geen water gedempt. Er wordt ook niet gebouwd binnen de beschermingszone van een regionale waterkering en wordt geen water gedempt. Gelet hierop worden geen belemmeringen verwacht v.w.b. het aspect water. Overleg Er zal overleg worden gevoerd met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier als onderdeel van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro. De resultaten worden hier vermeld.
3.10
Ecologie
Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet. Soortenbescherming Vanwege de geplande verbouw dient op grond van de Wet natuurbescherming is onderzocht of er beschermde plan- en diersoorten hinder zullen ondervinden. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd2. In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen.
Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van beschermde planten, overige zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen en beschermde ongewervelden wordt uitgesloten. Verder is er een kans op het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw). Directe en indirecte effecten kunnen dan ook niet worden uitgesloten. Op grond hiervan wordt geadviseerd om een gerichte veldinventarisatie uit te voeren naar het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw). Na afronding van deze aanvullende inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en of ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden. In 2022 is aanvullend onderzoek gedaan naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen. De rapportage is als bijlage bijgevoegd3.
Uit deze rapportage komt naar voren dat er geen indicaties verkregen zijn die duiden op de aanwezigheid van broedlocaties van de huismus of gierzwaluw. Op en nabij de planlocatie werden in totaal vier soorten vleermuizen waargenomen. Gewone dwergvleermuis was hierbij veruit het talrijkst aanwezig. De andere soorten: Laatvlieger, Ruige dwergvleermuis en Gewone grootoorvleermuis werden waargenomen maar waren kortdurend aanwezig. Op de planlocatie (woongebouw/schuur) is een verblijflocatie aanwezig van een Gewone dwergvleermuis. Een deel van de buitenruimte grenzend aan het woongebouw/schuur doet dienst als paarterritorium van een Gewone dwergvleermuis. De voorgenomen ontwikkeling leidt naar verwachting tot, in ieder geval tijdelijk, verdwijnen van de verblijfplaats van een Gewone dwergvleermuis. Een negatief effect op de het aanwezigheid van een paarterritorium als gevolg van verlichting is mogelijk, maar lijkt te kunnen worden
32
Kolhornerweg 3
voorkomen. Andere in dit kader relevante negatieve effecten op vleermuizen worden niet verwacht. Overtreding van de Wet natuurbescherming als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling zal afgaande op de verkregen resultaten optreden in het kader van soortbescherming. Wat betreft het paarterritorium kan dit worden voorkomen als de in de rapportage beschreven preventieve maatregelen (beperking lichtuitstraling) worden opgevolgd en nageleefd. Dit geldt niet voor de geconstateerde aanwezigheid van een verblijfplaats van een Gewone dwergvleermuis. Een ontheffingsaanvraag dan wel verklaring van geen bedenkingen is hier aan de orde. Deze kan in het kader van de voorgenomen werkzaamheden worden verkregen, en hoeft daarmee geen blijvende beperking te zijn voor de voorgenomen ontwikkeling. De ontheffingsaanvraag is gedaan. Gebiedsbescherming In de nabije omgeving liggen geen Natura 2000-gebieden, NNN-gebied of weidevogelleefgebied. Van externe effecten is in principe alleen bij Natura 2000-gebieden sprake, gedacht kan worden aan verstoring door licht of een toename van stikstofdepositie op hiervoor gevoelige en reeds overbelaste habittatypen. In een bijgevoegde notitie stikstofdepositie4 is een stikstofonderzoek beschreven dat ingaat op zowel de gebruiksfase als de aanlegfase.
Sinds de Porthos-uitspraak van de Raad van State is het were verplicht ook de aanlegfase mee te nemen bij het bepalen van de stikstofdepositie. Er is in zowel de gebruiksfase als de aanlegfase van de planontwikkeling geen toename van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in de omliggende Natura 2000-gebieden, op basis van de gehanteerde uitgangspunten. Effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in de aanlegfase zijn daarmee op voorhand uit te sluiten. Geadviseerd wordt de checklist natuur inclusief bouwen te volgen. Daarmee kan, vaak zonder extra kosten, een betere leefomgeving gecreëerd worden voor natuur bij de bouw van nieuwe bebouwing.
Natura 2000-gebieden in de omgev ing
Conclusie De uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd door het aspect ecologie. De
Kolhornerweg 3
33
benodigde ontheffing van de Wet natuurbescherming van de Gewone dwergvleermuis is verleenbaar en de stikstofdepositie blijft beneden de grenswaarde van 0,00 mol/ha/jaar.
3.11
Archeologie
Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Op grond van het overgangsrecht van deze wet zijn de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht gebleven totdat de Omgevingswet in werking treedt. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Dit plan voorziet niet in grondroerende werkzaamheden, en ter plaatse is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen–er geldt een lage verwachting op archeologische vondsten (hetgeen gezien de geschiedenis van de Wieringermeerpolder ook logisch is). Zodoende kunnen er geen archeologische relicten worden aangetast en is archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Het aspect archeologie is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
3.12
Spuitcirkels
In de omgeving zijn geen bedrijven gevestigd die geuroverlast veroorzaken. Wel zijn de omliggende gronden als bollengrond in gebruik. Er bestaan geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen boomgaarden/bollenvelden waarin met gewasbeschermingsmiddelen kan worden gespoten en nabijgelegen woningen en daarbij behorende tuinen en andere gevoelige functies. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer opgenomen in haar uitspraak van 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8308, wordt een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk geacht. Hierbij wordt gemeten vanaf de bestemmingsgrens: vanaf de bestemming die het telen van bollen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen mogelijk maakt tot aan de grens van de bestemming die de woning(en) mogelijk maakt. Dit betekent dat ook tot tuinen een richtafstand moet worden aangehouden. Dit brengt echter niet met zich dat een kortere afstand in een bepaalde situatie niet redelijk zou kunnen zijn, indien aan die afstand een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. In bepaalde gevallen kan met een geringere afstand worden volstaan. Uit jurisprudentie (onder meer in de uitspraak van 30 maart 2016 in zaak nr.
201402301/3/R3) blijkt dat het aanhouden van een kortere afstand dan de richtafstand zorgvuldig moet worden onderzocht en goed moet worden onderbouwd. Daarbij gaat het om het aspect gezondheid/woon- en leefklimaat en om de milieuruimte voor agrarische bedrijvigheid waarmee zij hun bedrijfsactiviteiten kunnen uitoefenen. Het is zo dat bollenteelt een lagere waarde aan neerslag kent dan fruitteelt. Bij bloembollen wordt intensief, maar neerwaarts gespoten. Deze spuittechniek (naar beneden spuiten) zorgt voor beduidend minder drift in de lucht dan opwaartse of zijwaartse machinale bespuitingen. Uit onderzoeken van de Wageningen UR blijkt dat de gezondheidsrisico's van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden met name liggen bij opname van stoffen door de huid (dermaal risico)5 Door drift (verdwaaiing van spuitvloeistof) kan de mens ongewenst in contact komen met gewasbeschermingsmiddelen. In het algemeen neemt de drift af naarmate de afstand toeneemt6 . In de onderzoeken van de WUR is het maximaal dermale blootstellingseindpunt (AEL) vastgesteld op 100%. Overschrijding van dit eindpunt betekent dat de huidblootstelling van mensen aan bepaalde gewasbeschermingsmiddelen tot schadelijke effecten kan leiden voor de gezondheid. In de winter
34
Kolhornerweg 3
groenblijvende windhagen aan de rand van een perceel kunnen de hoeveelheid drift aanzienlijk beperken. In 2019 is een omvangrijk onderzoek uitgebracht van een consortium van wetenschappers waarin voor het eerst zo uitgebreid de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in Nederland in kaart is gebracht, specifiek bij omwonenden van bollenvelden. In het algemeen blijkt uit het onderzoek dat naast opname van de huid en inademing mensen stofdeeltjes met bestrijdingsmiddelen op hun kleding en schoenen mee kunnen dragen en dat mensen via het eten van groente en fruit uit eigen tuin bestrijdingsmiddelen binnen kunnen krijgen. De belangrijkste routes voor de blootstelling van omwonenden zijn verdamping van bestrijdingsmiddelen vanuit het bollenveld na de bespuiting en inname van bestrijdingsmiddelen via huisstof. Omdat de wind tijdens de bespuitingen niet gericht was op de huizen van omwonenden, werd in het veldonderzoek geen bijdrage via drift tijdens de bespuitingen waargenomen7 . Dit laatste is ook goed gebruik bij telers. Er wordt vrijwel altijd gelet op de windrichting bij bespuitingen8 . Het is namelijk ook in het belang van de teler dat de gespoten middelen op de gewassen terechtkomen, in het gebied van het gewas blijven en niet van het gebied afwaaien (behalve gezondheidsredenen ook vanwege de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en kosten van gewasbeschermingsmiddelen).
Hoewel nooit alle risico's kunnen worden uitgesloten wordt in het onderzoek geconcludeerd dat er geen gezondheidsproblemen naar voren zijn gekomen die samenhingen met het wonen in de nabijheid van bollenteelt. Ook het Ctgb heeft gereageerd op voornoemd onderzoek9. Hun conclusie luidt: “onderzoeken naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen van omwonenden van landbouwgebieden laten zien dat onder realistische gebruiksomstandigheden de veilige grenswaarden niet worden overschreden. Dit betekent dat omwonenden geen gezondheidsrisico's lopen. Er is daarom geen reden om in te grijpen in de toegelaten middelen. De onderzoeken bevestigen dat de door het Ctgb gebruikte beoordelingsmethodieken en de daarin gehanteerde Europese modellen voor verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen naar de omgeving (omwonenden, grond, moestuingewassen) robuust zijn: de feitelijke blootstelling is lager dan de berekende blootstelling bij toelating van de middelen”. Activiteitenbesluit Voor agrarische bedrijven en tuinbouwbedrijven geldt voorts dat zij op grond van het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen rekening dienen te houden met voorwaarden en beperkingen. De regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn de afgelopen jaren aangescherpt.
Hierbij is van belang dat in artikel 3.78a, lid 1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer is vastgelegd dat in ieder geval een driftreductie moet worden bereikt van 75% (ten opzicht van een vastgelegde referentietechniek). Uit artikel 3.83, lid 5 van het Activiteitenbesluit volgt daarnaast een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij een windsnelheid groter dan 5 m/s. Gelet op bovenstaande, wordt gemotiveerd de conclusie getrokken dat de aanwezigheid van bollenvelden rondom het plangebied, geen belemmering vormt voor het woon- en leefklimaat en daarmee uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
Kolhornerweg 3
35
36
Kolhornerweg 3
Hoofdstuk 4
4.1
Juridische aspecten
Planonderdelen
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende planregel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: a. via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen; b. via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de planregels 'iets' geregeld.
Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen bestemmingsregel hebben. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. Het hoofdstuk “inleidende regels bestaat uit een tweetal artikelen te weten de begrippen en de wijze van meten. In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/- bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijkebegrippen zijn opgenomen in dit artikel.
De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de planregels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in debestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Eerst voor gebouwen, dan voor de overige bouwwerken. Deze worden genoemd 'bouwwerken, geen gebouwen zijnde', en betreffen de constructies van enig omvang die toch geen gebouw zijn. Te denken valt aan erfscheidingen, hekwerken, lichtmasten, speelvoorzieningen, vlaggenmasten, lantaarnpalen, en dergelijke. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is
Kolhornerweg 3
37
geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
4.2
Dit bestemmingsplan
In het bestemmingsplan is een bestemming Maatschappelijk met aanduiding zorgboerderij opgenomen. Het gehele terrein mag als zodanig gebruikt worden. Datzelfde geldt voor de zorgwoningen, waarvan er maximaal 18 zijn toegestaan. De gebouwen mogen dus ook gebruikt worden voor logieseenheden (=onderdeel zorgboerderij), of ten behoeve van functies ter ondersteuning van de zorgboerderij/zorgwoningen. De gebiedsaanduidingen uit het geldende bestemmingsplan zijn onverkort overgenomen. De bouwregels zijn afgestemd op de bestaande situatie, inhoudende dat er 3 gebouwen zijn toegestaan met een totale oppervlakte van 880 m2, en met een maximale bouwhoogte van 12,5 m (= hoogte hoofdgebouw).
38
Kolhornerweg 3
Hoofdstuk 5
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Inleiding
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is in dit kader de vraag relevant of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade.
5.2
Beoordeling plan
Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). De begeleiding van de planologische procedure is door middel van het heffen van leges gedekt. Daarnaast is het aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied niet aan de orde en wordt het opstellen van het bestemmingsplan door de initiatiefnemer bekostigd. Voor de gemeente Hollands Kroon zijn derhalve geen kosten verbonden aan het opstellen en uitvoeren van dit plan. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst afgesloten.
5.3
Conclusie
De economische uitvoerbaarheid van het plan is daarmee voldoende aangetoond.
Kolhornerweg 3
39
40
Kolhornerweg 3
Hoofdstuk 6
6.1
M aatschappelijke uitvoerbaarheid
Overleg
In oktober 2021 zijn op verschillende data de omwonenden geïnformeerd; daarvan is verslag opgetekend welke als bijlage is toegevoegd10. De reacties waren positief.
6.2
Vooroverleg
Het plan wordt in het kader van artikel 3.1.1 Bro voorgelegd aan de overleginstanties. De reacties worden t.z.t. hier samengevat en van een antwoord voorzien.
6.3
Zienswijzen
Op de bestemmingsplanplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan wordt het ontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage worden gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. De zienswijzen die binnen de termijn binnenkomen worden te zijner tijd hier beantwoord.
6.4
Conclusie
Het plan is in het kader van het vooroverleg toegestuur aan vooroverlegpartners. De reacties zijn verwerkt in het voorliggende bestemmingsplan. Gedurende de inzagetermijn zijn geen zienswijzen binnen gekomen.
Kolhornerweg 3
41
42
Kolhornerweg 3
Hoofdstuk 7
Conclusie
Het plan maakt inzichtelijk dat het perceel Kolhornerweg 3 zich leent voor een omzetting van 18 zorgappartementen en zorgboerderij. Binnen het bestaande volume van de woonboerderij kunnen de zorgappartementen worden gerealiseerd, dan wel kan via sloop/nieuwbouw met eenzelfde volume. Het perceel is ruim opgezet waardoor parkeren geen probleem is. In de bestaande situatie is het perceel reeds goed met groen ingepast door een ruime groene omzoming. De functiewijziging betekent een verbeterde milieuhindersituatie voor het naastgelegen perceel. Omdat het geen agrarisch perceel betreft past het ook in de gemeentelijke beleidsvisie met betrekking tot de Wieringermeerpolder. Er verdwijnt immers geen agrarische functie. Ook stelt de gemeente zich open op naar bijzondere woonvormen en betreft het initiatief een functie waar maatschappelijk behoefte aan is. Door het omzetten van de functie binnen het bestaande volume is de ruimtelijke invloed van het initiatief beperkt. Tevens is gemotiveerd dat de relevante omgevings- en milieuaspecten de ontwikkeling niet in de weg zullen staan, eventueel na het doen van onderzoek.
Kolhornerweg 3
43
Bijlagen bij toelichting
44
Kolhornerweg 3
Bijlage 1 Eindrapprtage quick scan natuur
Kolhornerweg 3
45
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN KOLHORNERWEG 3 TE MIDDENMEER
Eindrapport
QUICK SCAN BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN KOLHORNERWEG 3 TE MIDDENMEER
rapportnummer 2021.3945 januari 2022 In opdracht van: Stichting Jonkerszorg Herenweg 105 1718 AD Hoogwoud
Adviesbureau Mertens B.V.
Bureau voor natuur, ruimtelijke ordening en natuurwetgeving Utrechtseweg 120, 6871 DV Renkum 06-29458456 info@adviesbureau-mertens.nl www.adviesbureau-mertens.nl
© Adviesbureau Mertens BV, Renkum, 2022. Deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming vrij worden vermenigvuldigd. De verzamelde data zijn alleen te gebruiken voor het hier geschetste onderzoek en mogen niet voor andere doeleinden worden gebruikt.
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING .......................................................................................................................................................... 2 1.1 INLEIDING ................................................................................................................................................. 2 1.2 HET PLANGEBIED EN DE PLANNEN .............................................................................................................. 2 1.3 DOELSTELLING VAN HET ONDERZOEK ........................................................................................................ 7 1.4 OPBOUW RAPPORT ................................................................................................................................... 7
2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN ............................................................................................... 8 2.1 WET NATUURBESCHERMING ...................................................................................................................... 8 2.2 RODE LIJST............................................................................................................................................... 8
3. METHODE......................................................................................................................................................... 10
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING .................................................................................... 11 4.1 FLORA .................................................................................................................................................... 11 4.2 VLEERMUIZEN ......................................................................................................................................... 11 4.3 OVERIGE ZOOGDIEREN............................................................................................................................ 11 4.4 BROEDVOGELS ....................................................................................................................................... 12 4.5 AMFIBIEËN .............................................................................................................................................. 12 4.6 VISSEN ................................................................................................................................................... 14 4.7 REPTIELEN ............................................................................................................................................. 14 4.8 OVERIGE ................................................................................................................................................ 14
5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE .................................................................................................................... 15
GERAADPLEEGDE LITERATUUR ...................................................................................................................... 16
BIJLAGEN ............................................................................................................................................................ 17 1. PLANGEBIED ......................................................................................................................................... 18 2. BEGRIPPEN ........................................................................................................................................... 19 3. VOORWAARDEN ................................................................................................................................... 21
Adviesbureau Mertens
1
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
1. INLEIDING
1.1 Inleiding Er is het voornemen voor de functiewijziging van bebouwing aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer dat zal samen gaan met het omvormen van de bebouwing (zie figuur 1 voor de globale ligging en bijlage 1 voor de exacte ligging en begrenzing van het plangebied). De aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten vormt een te onderzoeken aspect omdat met de plannen effecten kunnen ontstaan op soorten die beschermd zijn via de Wet natuurbescherming. Op grond hiervan is aan Adviesbureau Mertens B.V. uit Renkum gevraagd om een verkennend veldonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van wettelijk beschermde soorten en indien aanwezig, aan te geven hoe hiermee dient te worden omgegaan. In dit rapport worden de resultaten van deze verkenning gepresenteerd.
N▲
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer (rood).
1.2 Het plangebied en de plannen Aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer is voormalige agrarische bebouwing gelegen (schuur met aangrenzende woning). In het gebied is verder een loods ten zuiden van de schuur / woning gelegen. Voorzien is een vestiging voor demente ouderen. Het gaat om een inpandige functiewijziging ten behoeve van de realisatie van 18 zorgappartementen. Wel wordt het dak vernieuwd of compleet vervangen. De loods ten zuiden van de schuur / woning zal worden gesloopt. In en direct rond het plangebied van deze opstallen ontbreekt het aan oppervlaktewater en bomen. Op enige afstand is van de opstallen zijn wel bomen gelegen en is oppervlaktewater gelegen. Ten behoeve van deze functiewijziging worden dan ook geen bomen gekapt en wateren gedempt of beïnvloed. In figuur 2 wordt een beeld gegeven van het plangebied op woensdag 8 september 2021 en in figuur 3 wordt een beeld gegeven van de plannen.
Adviesbureau Mertens
2
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
Figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer.
Adviesbureau Mertens
3
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer.
Adviesbureau Mertens
4
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer.
Adviesbureau Mertens
5
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer.
Adviesbureau Mertens
6
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
Vervolg figuur 2. Foto-impressie van het plangebied aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer.
1.3 Doelstelling van het onderzoek De doelstelling van het onderzoek is tweeledig. Enerzijds wordt inzichtelijk gemaakt welke wettelijk beschermde natuurwaarden in het kader van de soortbescherming van planten- en diersoorten te verwachten zijn. Anderzijds worden de consequenties van deze aanwezigheid voor de planontwikkeling weergegeven. Gelet op de opdracht genoemd in de inleiding en de doelstelling, is het van belang dat de volgende vragen worden beantwoord: 1. Welke wettelijk beschermde planten- en diersoorten komen mogelijk voor ter plaatse van en in de directe omgeving van het plangebied aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer? 2. Welke verwachte wettelijk beschermde planten- en diersoorten ondervinden nadelen van de plansituatie? 1.4 Opbouw rapport Na een korte uitleg over de soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) komen achtereenvolgens aan de orde: - De onderzoeksmethode (hoofdstuk 3). - Een beschrijving van de aanwezigheid van beschermde soorten (hoofdstuk 4). - Een beoordeling van de effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 5). In bijlage 2 wordt een overzicht gegeven van de gebruikte definities en afkortingen. In bijlage 3 worden de voorwaarden van het onderzoek weergegeven.
Adviesbureau Mertens
7
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
2. BESCHERMDE PLANTEN- EN DIERSOORTEN
2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht geworden. Deze wet implementeert de Vogelen Habitatrichtlijn en andere verdragen in het nationaal natuurbeschermingsrecht. Het bevoegd gezag is Gedeputeerde Staten van de Provincie(s) waar een project wordt gerealiseerd. Gedeputeerde Staten kunnen deze bevoegdheid ook overdragen conform lid 7 van deze wet. Doorgaans zijn dit Omgevingsdiensten. De soortbescherming richt zich dan ook primair op de bescherming van plant- en diersoorten die genoemd zijn in deze richtlijnen. Daarnaast is een deel van de soorten van de Rode Lijst (zie paragraaf 2.2) beschermd via de Wet natuurbescherming. Voor alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten is de algemene zorgplicht van toepassing; handelen of nalaten die gevolgen kunnen hebben dienen achterwege gelaten te worden of er dienen maatregelen getroffen te worden om effecten te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Indien een plan resulteert in negatieve beïnvloeding van een soort of soorten kan ontheffing worden verleend conform artikel 3.3 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.1 en 3.2 (Vogelrichtlijnsoorten). Ontheffing kan worden verleend conform artikel 3.8 van de Wet natuurbescherming voor soorten van artikel 3.4 en 3.6 (Habitatrichtlijnsoorten).
De criteria voor ontheffingsverlening voor deze soorten zijn identiek aan die Vogel- en Habitatrichtlijn omdat deze richtlijnen zijn geïmplementeerd in het nationaal recht. Het nationaal recht staat het niet toe om hiervan af te wijken. De criteria zijn: in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren; ter bescherming van flora en fauna. Om in aanmerking te komen voor een ontheffing dienen mitigerende en eventueel compenserende maatregelen genomen te worden die tot gevolg hebben dat soorten niet nadelig worden beïnvloed in het voorkomen en gedurende de uitvoering van een project. Provincies kunnen voor de nationaal beschermde soorten een algemene vrijstelling verlenen. In de Provincie Noord-Holland wordt voor een aantal soorten generieke vrijstelling verleend in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Het betreft o.a. aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat. 2.2 Rode lijst De Rode lijst met bedreigde soorten zijn eind 2004 gepubliceerd in de Staatscourant en voor een deel in 2009 en 2017 herzien.
Aan de op deze lijst genoemde soorten komt bescherming toe voor zover zij vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Tussen de Wet natuurbescherming en de Rode lijsten bestaat geen formele relatie. Alleen op basis van “gunstige staat van instandhouding” kunnen bij beschermde Rode lijstsoorten "zwaardere" randvoorwaarden gelden ten aanzien van mitigerende en compenserende maatregelen dan voor algemene soorten. Zo zal het bij zeer algemeen voorkomende soorten die gering afnemen in aantal (Rode lijstsoort met het criterium gevoelig) relatief eenvoudig zijn om aan te tonen dat de "gunstige staat van Adviesbureau Mertens
8
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022 instandhouding" niet in het geding komt. Voor soorten met een beperkt verspreidingsbeeld en die afnemen in aantal (soorten van de Rode lijst met het criterium bedreigd of ernstig bedreigd) is een uitgebreide effectenstudie wenselijk. Voor deze soorten geldt namelijk de zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Op deze manier wordt nader invulling gegeven aan de bescherming van soorten die in aantal en/of verspreiding afnemen.
Adviesbureau Mertens
9
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
3. METHODE
Op woensdag 8 september 2021 is een bezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving dat gelegen is aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Gedurende dit bezoek is dit gebied en de directe omgeving beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde planten- en diersoorten. Dit vond plaats aan de hand van aanwezige ecotopen en sporen. Om dit te bepalen is een ladder gebruik om bijvoorbeeld de dakgoot en onderste dakpannen te controleren op nesten van vogels. Het controleren onder de onderste dakpannen op nesten van vogels is uitgevoerd nadat was vastgesteld dat er geen aanwijzingen waren van nesten van vogels (veertjes / strootjes onder de dakpannen). Er is beperkt gebruik gemaakt van bestaande verspreidingsgegevens om het (potentieel) voorkomen van beschermde soorten te bepalen omdat deze via o.a. Waarneming.nl worden beheerd voor een veel groter gebied. Overige waarnemingen worden tevens bewaard voor een groot gebied, namelijk op kilometerniveau zoals weergegeven op www.telmee.nl. en op een nog groter schaalniveau in verspreidingsatlassen.
Figuur 3. Onderzoek met ladder aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer.
Adviesbureau Mertens
10
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
4. RESULTAAT INVENTARISATIE EN BEOORDELING
4.1 Flora Het plangebied en directe omgeving aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer is volledig in cultuur gebracht. Gedurende het verkennend veldonderzoek op woensdag 8 september 2021 zijn geen beschermde plantensoorten of resten van beschermde plantensoorten vastgesteld. Op grond hiervan wordt de aanwezigheid van beschermde plantensoorten uitgesloten.
4.2 Vleermuizen Getoetst is op de verschillende functies die het plangebied kan hebben voor vleermuizen. Dit betreft plaatsen waar vleermuizen kunnen verblijven (verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en winterverblijfplaatsen), vaste routen tussen verblijfplaatsen in de zomer en winter; respectievelijk vlieg- en migratierouten en plaatsen en gebieden waar vleermuizen foerageren. De aanwezigheid van verblijfplaatsen zoals kolonie-, paar- en overwinteringsplaatsen van vleermuizen kan niet volledig worden uitgesloten al is de kans hierop klein. In het dak zijn namelijk beperkte mogelijkheden aangetroffen op woensdag 8 september 2021 waarin vleermuizen zich kunnen verbergen. Het betreft vleermuissoorten die in bebouwing kunnen voorkomen zoals laatvlieger, gewone dwergvleermuis en grootoorvleermuis. Gedurende het verkennend veldonderzoek zijn echter geen sporen van vleermuizen vastgesteld zoals keutels en afgebeten vleugels van vlinders. Ook inpandig zijn geen sporen van vleermuizen vastgesteld. De mogelijkheden in het dak waarin vleermuizen zich zouden kunnen ophouden gaan verloren bij vernieuwen of compleet vervanging van het dak. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. Met de realisatie van de plannen gaan geen doorgaande landschapselementen verloren voor vleermuizen.
De schuur met woning wordt behouden waardoor vleermuizen zich kunnen blijven oriënteren. Daarnaast zijn er voldoende alternatieve landschapselementen in de omgeving. Negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen kunnen derhalve worden uitgesloten. De aanwezigheid van migratieroutes wordt uitgesloten omdat grootschalige landschapselementen zoals dijken en rivieren niet voorkomen in het plangebied of aansluiten op het plangebied. Met de realisatie van de plannen zal het gebied niet wezenlijk van vorm veranderen, gelet op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Mogelijk foerageert er gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en grootoorvleermuis als gevolg van de aanwezige ecotopen (verhardingen en cultuurgroen rondom). Het plangebied is nu niet van waarde als essentieel foerageergebied en in de toekomst zal deze functie niet negatief verminderen doordat er geen essentiële zaken veranderen. In de omgeving zijn ook voldoende alternatieve foerageerplaatsen aanwezig. Negatieve effecten op de foerageermogelijkheden van vleermuizen worden derhalve uitgesloten. 4.3 Overige zoogdieren Gelet op de aanwezige ecotopen van het plangebied en de geografische ligging (zie Broekhuizen e.a., 2016) wordt het de aanwezigheid van overige zoogdieren uitgesloten. Adviesbureau Mertens
11
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022 Voor steenmarter is het plangebied geen leefgebied omdat er geen sporen zijn vastgesteld gedurende het verkennend veldonderzoek op woensdag 8 september 2021. Daarnaast ontbreekt het aan geschikte gaten en openingen waarin de steenmarter kan verblijven. Voor overige marters zoals de zoals de wezel, hermelijn of bunzing is het feitelijk plangebied te veel in cultuur gebracht. Bovendien ontbreken in het plangebied aan elementen als ruigten, struweel van voldoende omvang en takkenhopen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor deze soorten. In het feitelijk plangebied zijn geen aanwijzingen gevonden van het voorkomen van marters zoals de wezel, hermelijn of bunzing. Het plangebied is ook ongeschikt voor deze soorten door het ontbreken van een dekkende vegetatie en prooidieren in ruime mate. Molshopen, rattenholen, drainagepijpen, houtstapels, takkenhopen, opgestapeld puin, holle bomen, schuurtjes, stapels hooi- en strobalen en alle andere mogelijke schuilplaatsen voor kleine marters ontbreken in en direct rond het plangebied. In de omgeving komen mogelijk bosmuis en huisspitsmuis voor. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Nood-Holland.
4.4 Broedvogels Gedurende het verkennend veldonderzoek op woensdag 8 september 2021 zijn geschikte (potentiële) nestlocaties aangetroffen voor vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen. Voor huismus en gierzwaluw zijn er geschikte nestelmogelijkheden. Gierzwaluw heeft potentiële nestelmogelijkheden op enkele dakaansluitingen. Huismus kan tot broeden komen onder de onderste dakpannen. Op woensdag 8 september 2021 zijn echter geen nesten van huismus aangetroffen onder de dakpannen. De kans op nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen wordt derhalve klein geschat. Doordat er beïnvloeding van de dak zal plaatsvinden (vernieuwen of compleet vervanging van het dak), kunnen negatieve effecten van de plannen op vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen niet op voorhand worden uitgesloten. Er zijn gedurende het verkennend veldonderzoek op woensdag 8 september 2021 geheel geen sporen vastgesteld van steen- of kerkuil. Braakballen, veren of krijtstrepen van uilen ontbraken. Negatieve effecten op nesten en eieren van vogels (al dan niet met vaste rust- en verblijfplaatsen) kunnen derhalve worden uitgesloten. In de omliggende tuin kunnen algemene broedvogels broeden zoals roodborst en merel.
In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden.
4.5 Amfibieën In de omgeving komen mogelijk gewone pad en bruine kikker voor. Door het ontbreken van een dekkende en natuurlijke vegetatie rond de opstallen is het directe gebied rond de opstallen geen marginaal landhabitat. Voor deze algemeen voorkomende zoogdieren bestaat een algemene provinciale vrijstelling in de Provincie Noord-Holland.
Adviesbureau Mertens
12
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
Figuur 4. Foto-impressie van het dak aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer.
Adviesbureau Mertens
13
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
4.6 Vissen Door het ontbreken van oppervlaktewater in het plangebied Kolhornerweg 3 te Middenmeer, wordt de aanwezigheid van vissen uitgesloten.
4.7 Reptielen Gezien de huidige aanwezige ecotopenen de verspreiding van reptielen, kan de aanwezigheid van reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen worden derhalve uitgesloten. 4.8 Overige Gezien de huidige aanwezige ecotopen kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden (o.a. diverse soorten dagvlinders en libellen) worden uitgesloten. Nationaal beschermde dagvlinders en libellen komen alleen voor in specifieke ecotopen. Negatieve effecten op overige beschermde diersoorten worden derhalve uitgesloten.
Adviesbureau Mertens
14
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
5. SAMENVATTENDE CONCLUSIE
Er is het voornemen voor de functiewijziging van bebouwing aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer dat zal samen gaan met het omvormen van de bebouwing. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten. Op grond hiervan is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten. In verband met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om de werkzaamheden te starten buiten het broedseizoen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Mogelijk vliegen en foerageren er vleermuizen. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Het voorkomen van beschermde planten, overige zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen en beschermde ongewervelden wordt uitgesloten. Verder is er een kans op het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw). Directe en indirecte effecten kunnen dan ook niet worden uitgesloten. Op grond hiervan wordt geadviseerd om een gerichte veldinventarisatie uit te voeren naar het voorkomen van verblijfplaatsen van vleermuizen en nesten van vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw).
Na afronding van deze aanvullende inventarisatie kan worden bepaald of verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden en of ontheffing van de Wet natuurbescherming is vereist. De zorgplicht blijft onverkort van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild levende dieren, inclusief hun leefomgeving en voor alle planten en hun groeiplaats. Dit artikel is derhalve ook gericht op het voorkomen van doden en verwonden van algemene soorten. Voor- en gedurende de uitvoering dient hierbij rekening gehouden te worden.
Adviesbureau Mertens
15
Renkum
Quick scan beschermde planten- en diersoorten Kolhornerweg 3 te Middenmeer. Eindrapport januari 2022
GERAADPLEEGDE LITERATUUR
Literatuur Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, VZZ, Nijmegen, 1-348. Creemers, C.M., Delft, J., 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nijmegen, 1-476. EEG, 1979. Richtlijn 79/43/EEG inzake het behoud van de Vogelstand. Publicatieblad den Europese Gemeenschap, nummer L. 103. EEG, 1992. Richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van wilde flora en fauna. Publicatieblad van den van de Europese Gemeenschap, nummer L. 206/7. Gerstmeier, R., Romig, T., 1997. Zoetwatervissen van Europa, Tirion, Baarn, 1-368. Hustings, F., Vergeer, J.W., Eekelder, P., 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Leiden, SOVON, Beek-Upbergen, 1-584. Limpens, H., Mostert, K., Bongers, W., 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV, Overijssel, 1-260. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009a. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag. Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, Dienst Regelingen, 2009b. Uitleg aangepaste beoordeling ontheffing ruimtelijke ingrepen Flora- en faunawet. Ministerie van ELI (Dienst Regelingen), Den Haag.
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2004. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, 2009. Rode lijsten diverse soortgroepen. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming). Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden 34 (2016), 1-84. SOVON, 1987. Atlas van de Nederlandse broedvogels. Nie, H.W. de, 1996. Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Media Publishing, Doetinchem, 1-151. Spikmans, F, Jong, T. de, 2006. Het waarnemen van zoetwatervissen, Nijmegen, 1-55. Staro, 2019. Toets flora en fauna Kolhornerweg 3 te Middenmeer. 1-13.
Website www.ravon.nl www.waarneming.nl www.sovon.nl www.telmee.nl www.zoogdiervereniging.nl www.netwerkecologischemonitoring.nl www.verspreidingsatlas.nl
Adviesbureau Mertens
16
Renkum
BIJLAGEN
1. PLANGEBIED
2. BEGRIPPEN
Baltsplaats
Plaats waar een vleermuis al roepend rondvliegt in de herfst en die doorgaans wordt verdedigd tegen andere mannetjes.
Foerageergebied
Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert. Dat gebied wordt regelmatig bezocht door vleermuizen om in te foerageren en dat doorgaans meerdere foerageerplaatsen kent die langere tijd worden gebruikt.
Foerageerplaats
Plek (jachtplek) waar wordt gejaagd door vleermuizen. De plek kan in de directe omgeving van de kolonieplaats liggen maar ook kilometers verderop.
Kolonie
Groep vleermuizen (kleine groep mannetjes of meestal grotere groep vrouwtjes, soms gemengd (soorten, geslacht)) die in het voorjaar tot de herfst bijeen blijven. De groep kan zich vestigen in gebouwen (in spouwmuren of onder daklijsten e.d.) of bomen (spechtengaten, scheuren). Een groep vrouwelijke vleermuizen wordt ook wel aangeduid als een kraamkolonie. In zo'n groep worden jongen geboren en grootgebracht. Een kolonie maakt vaak gebruik van meerdere verblijfplaatsen die soms gelijktijdig worden gebruikt.
Migratieroute
Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa (zie ook vliegroute) of een route in een andere tijd; bijvoorbeeld tussen foerageerplaatsen.
Paarplaats
Territorium van territoriale mannetjes. Voor de ruige dwergvleermuis en de rosse vleermuis is dit doorgaans te vinden in boomholten. Voor de laatvlieger en de dwergvleermuis is dit te vinden in gebouwen. Voor de watervleermuis is dit te vinden in bomen en later, tegen de winter, zijn ze te vinden in overwinteringverblijven. Het mannetje vormt een harem met meerdere vrouwtjes. De paartijd valt in de herfst (uitgezonderd de grootoorvleermuis waarbij het in april valt (vroege voorjaar). De hier geschetste situatie van de paring wordt in dit rapport omschreven als “herfst situatie”.