1.Kolhornerweg 3_Toelichting
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN KOLHORNERWEG 3
Kolhornerweg 3
2
Kolhornerweg 3
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Inleiding
7
1.1
Aanleiding voor het bestemmingsplan
7
1.2
Projectlocatie
7
1.3
Planbeschrijving
8
1.4
Bestemmingsplan
11
Hoofdstuk 2
Beleidskader
13
2.1
Rijksbeleid
13
2.2
Provinciaal beleid
14
2.3
Regionaal beleid
19
2.4
Gemeentelijk beleid
19
Hoofdstuk 3
Uitvoerbaarheid
21
3.1
Verkeer en parkeren
21
3.2
Milieuzonering
21
3.3
Externe veiligheid
22
3.4
Bodem
26
3.5
Geluid
27
3.6
Luchtkwaliteit
27
3.7
Besluit milieu effectrapportage
28
3.8
Cultuurhistorie
29
3.9
Water
29
3.10
Ecologie
32
3.11
Archeologie
34
3.12
Spuitcirkels
34
Hoofdstuk 4
Juridische aspecten
37
4.1
Planonderdelen
37
4.2
Dit bestemmingsplan
38
Hoofdstuk 5
Economische uitvoerbaarheid
39
5.1
Inleiding
39
5.2
Beoordeling plan
39
5.3
Conclusie
39
Hoofdstuk 6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Kolhornerweg 3
41
3
6.1
Overleg
41
6.2
Vooroverleg
41
6.3
Zienswijzen
41
6.4
Conclusie
41
Hoofdstuk 7
Conclusie
43
Bijlagen bij toelichting
44
Bijlage 1
Eindrapprtage quick scan natuur
45
Bijlage 2
Aanvullende natuurtoets
71
Bijlage 3
Notitie stikstofdepositie
91
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
110
Bijlage 5
Burenoverleg
144
4
Kolhornerweg 3
Toelichting
Kolhornerweg 3
5
6
Kolhornerweg 3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het bestemmingsplan
Aan de Kolhornerweg 3 in de Wieringerwerf staat een voormalige boerderij (aardappelloods) met aan- en bijgebouwen. Er was een dierenpension met bedrijfswoning gevestigd; het perceel heeft een bestemming Bedrijf. In de nieuwe situatie worden er in de woonboerderij op het perceel 18 zorgappartementen gerealiseerd waarbij de bestaande aan- en uitbouwen gebruikt worden als zorgboerderij. Dit is een maatschappelijke bestemming met een functie-aanduiding woonzorg(boerderij) en past niet binnen de bedrijfsbestemming die vanuit het bestemmingsplan op het perceel rust. De nieuwe functie zal worden gevestigd door Stichting JonkersZorg, die reeds eenzelfde zorginstelling bezit, welke gevestigd is aan de Herenweg 105 te Hoogwoud, gemeente Opmeer. De voorliggende functie te vergelijken met het de functie die is gerealiseerd met het bestemmingsplan Groethaven dat onlangs is vastgesteld op 19 november 2020 door de gemeenteraad van Hollands Kroon. In dit hoofdstuk wordt hierna de locatie beschreven en wordt het initiatief evenals het bestemmingsplan toegelicht. In hoofdstuk 2 wordt kort het relevante beleid behandeld en in hoofdstuk 3 wordt kort ingegaan op de omgevingsaspecten die voor de ontwikkeling aan de orde zijn.
In de laatste drie volgt achtereenvolgens een juridische planbeschrijving, een onderbouwing van de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid waarna afgesloten wordt met een eindconclusie.
1.2
Projectlocatie
De projectlocatie is gelegen langs de weg de Kolhornerweg in Middenmeer die evenwijdig loopt aan de Westfriesche Vaart. De weg loopt van de Provinciale weg N242 bij Middenmeer tot de Groetweg die aansluit op de N248. De projectlocatie is gelegen aan de zuidzijde van de weg. Aan de westzijde is direct grenzend aan het perceel een woonbestemming aanwezig en aan de zuid- en oostzijde is het perceel omgeven door akkerbouwgronden. De projectlocatie heeft een oppervlakte van 7.815 m2 en is aangeduid met het kadastrale nummer 368. De navolgende afbeelding toont de bestaande situatie vanuit de lucht waarbij de projectlocatie is aangegeven met een blauw kader.
Kolhornerweg 3
7
Af beelding: luchtf oto v an de projectlocatie en haar omgev ing (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
1.3
Planbeschrijving
Bestaande situatie In de huidige situatie is op de projectlocatie centraal een oorspronkelijke woonboerderij aanwezig met daarin een bedrijfswoning. Het overige deel van de woonboerderij wordt gebruikt als opslag. Verder is aan de oostzijde van het perceel een gebouw met een afgehekt deel aanwezig voor de opvang van honden en aan de zuidzijde een gebouw voor de opvang van katten. De navolgende afbeeldingen tonen foto's van de bestaande situatie.
Af beelding: zicht op woonboerderij v anuit noordelijke richting (bron: Funda.nl)
8
Kolhornerweg 3
Af beeldingen: bijgebouwen (hondenkennel links en kattenkennel rechts)
Het perceel is ruim opgezet met veel groen waardoor het perceel landschappelijk vrij goed is ingepast en ook ten opzichte van het naastgelegen woonperceel sprake is van een groene afscherming.
Af beelding: zicht ov er perceel v anaf woonboerderij in noordwestelijke richting (bron: Funda.nl)
Gewenste situatie In de gewenste situatie worden (maximaal) 18 zorgappartementen en ondersteunende ruimtes waaronder dagbesteding gerealiseerd in de woonboerderij en bijgebouwen. De mogelijkheden van sloop/nieuwbouw binnen de contouren van de bestaande bebouwing worden tevens onderzocht. De navolgende afbeeldingen tonen schetsontwerpen van de gewenste situatie. Deze kunnen nog wijzigen.
Kolhornerweg 3
9
Af beelding: schetsontwerp plattegrond begane grond
Af beelding: schetsontwerp plattegrond v erdieping
De zorg wordt geboden door Stichting Jonkerszorg aan ouderen met intensievere begeleidings- en
10
Kolhornerweg 3
zorgbehoeften (bij dementie). Het doel is om met individuele aandacht en zorg de bewoners een vertrouwd gevoel te geven in een huiselijke sfeer. Stichting Jonkerszorg heeft als doelstelling om kwaliteit van leven van haar bewoners te verhogen door het werken vanuit een zeer bewoners- en vraaggerichte houding. Stichting Jonkerszorg heeft op dit moment al contractuele afspraken met de gemeente Hollands Kroon / Incluzio. Het voorliggende initiatief zal een uitbreiding zijn op het huidige contract. Naast de zorgappartementen zullen er (mogelijk) logieseenheden worden gerealiseerd voor bijvoorbeeld mensen die herstellende zijn van een fysieke - mentale gelegenheid of respijtzorg. Hiertoe zullen de functies van dierenopvang verdwijnen van het perceel en in de bijgebouwen waar deze functies nu zitten, zal dagbesteding c.q. logies worden gerealiseerd. Met het nieuwe gebruik wordt een waardevolle voorziening toegevoegd aan het voorzieningenaanbod in de gemeente. De ligging is zeer gunstig te noemen voor het beoogd gebruik: de locatie ligt landelijk en rustig zodat er een kwalitatief hoogwaardig zorgniveau kan worden gegeven. Tegelijk wordt een zinvolle nieuwe invulling gegeven aan een bestaand pand. Er is dus sprake van duurzaam ruimtegebruik. Met de nieuwe planologische status ontstaat een betere basis blijvend te investeren in het pand.
Dit is belangrijk omdat het gaat om een cultuurhistorisch waardevol pand, een typisch voorbeeld van de boerderijen zoals die voor de Tweede Wereldoorlog gebouw werden en naargelang de grootte van het bedrijf, meerdere spanten had en breder van bouw was. Het woonhuis werd links of rechts van de schuur gebouwd, los of met kleine tussenbouw. Ook zijn er een aantal standaardtypen, waarbij woning en schuur een geïntegreerde eenheid vormen. De voorliggende functie is te vergelijken met de functie die is gerealiseerd met het bestemmingsplan Groethaven dat onlangs is vastgesteld op 19 november 2020 door de gemeenteraad.
1.4
Bestemmingsplan
Vigerend is het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009', inclusief eerste partiële herziening van de voormalige gemeente Wieringerwerf. Tevens is het facetbestemmingsplan 'Parkeren en Wonen' van toepassing. Buitengebied 2009 inclusief eerste partiële herziening De projectlocatie heeft de enkelbestemming Bedrijf met de functieaanduidingen 'recreatie' en 'specifieke vorm van agrarisch – dierenpension'. Binnen de bestemming zijn bedrijven uit de categorie 1 en 2 toegestaan die zijn genoemd in de 'Staat van bedrijfsactiviteiten'. Tevens is een dierenpension toegestaan en zijn recreatieappartementen binnen de woonboerderij toegestaan. Op 19 maart 2010 is een bouwvergunning verleend voor de realisatie van 6 recreatieappartementen in de woonboerderij. Tevens zijn er twee gebiedsaanduidingen van toepassing: 'luchtvaartverkeerszone – laagvlieggebied' en 'vrijwaringszone – radar'. Het laagvlieggebied regelt een laagvliegroute voor straaljagers en helikopters en de vrijwaringszone regelt een bouwverbod voor bebouwing hoger dan 89 meter. Het voorliggende initiatief is in strijd met de regels omdat zorgappartementen onder een woonbestemming met een zorgaanduiding vallen en dit niet toegestaan is op grond van de doeleindenomschrijving.
Kolhornerweg 3
11
Af beelding: uitsnede v erbeelding bestemmingsplan
Parkeren en Wonen Het bestemmingsplan bepaalt dat bij een functiewijziging van een bouwwerk in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien op grond van de parkeernormen 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018' of de wijziging daarvan. Duidelijk is dat er voldoende ruimte op het perceel aanwezig is om te voorzien in voldoende parkeergelegenheid op het perceel. Conclusie De gewenste zorgappartementen en zorgboerderij met bijbehorende voorzieningen passen niet in het bestemmingsplan, omdat de woonzorgfunctie niet is toegestaan binnen de bestemming Bedrijf.
12
Kolhornerweg 3
Hoofdstuk 2 2.1
Beleidskader
Rijksbeleid
2.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Voorbeelden van nationale belangen zijn: a. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. b. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. c. Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte. d. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. e. Zorgdragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. f. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. g. Verbeteren en beschermen van biodiversiteit. h.
Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. De belangrijkste keuzes die worden gemaakt richten zich op het volgende. De opwekking van duurzame energie moet worden ingepast met oog op omgevingskwaliteit. Iedereen krijgt de komende jaren te maken met de overstap naar duurzame energie. Daarvoor zijn bijvoorbeeld meer windmolens en zonnepanelen nodig. Clustering is daarbij van belang en zonnepanelen worden in eerste instantie op en aan gebouwen gerealiseerd. Ook moet er ruimte zijn voor een overgang naar een circulaire economie. Hergebruiken van grondstoffen en materialen en benutten van duurzame energiebronnen wordt steeds belangrijker. De inrichting van de leefomgeving moet een aantrekkelijk vestigingsklimaat zoveel mogelijk bevorderen. Een aantrekkelijke omgevingskwaliteit vraagt goede inpassing van bedrijven, logistieke functies en datacentra. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren.
Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Het landgebruik moet in balans zijn met natuurlijke systemen. Bijvoorbeeld door kringlooplandbouw. Zo wordt een goede bodem- en waterkwaliteit en biodiversiteit bevorderd. Om te kunnen blijven genieten van het landschap moet behoud van de kwaliteit van het landschap sterker meewegen in de keuzes die worden gemaakt. Voorliggend plan ziet toe op het realiseren van 18 zorgappartementen in een bestaand pand + logiesfuncties. Dit raakt niet aan Rijksbelangen. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 zijn het Barro en Rarro (Regeling algemene regels ruimtelijke ordening) in
Kolhornerweg 3
13
werking getreden. In het Barro zijn regels opgenomen met betrekking tot onderwerpen die een nationaal belang hebben. Het gaat hierbij onder meer om Rijksvaarwegen, de ecologische hoofdstructuur en primaire waterkeringen. Het voorliggende initiatief raakt geen belangen die in de SVIR en het Barro zijn verwoord. Ladder duurzame verstedelijking Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft regels waar concrete ruimtelijke projecten aan moeten voldoen. Zo is in het Bro de ladder voor duurzame verstedelijking verankerd. Deze ladder is gericht op vraaggericht programmeren en het zorgvuldig benutten van ruimte. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In artikel 3.1.6, lid 2 Bro is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving van de behoefte bevat en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, een motivering is opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Voorliggend perceel is bestemd als 'bedrijf' en daarmee wordt het gezien jurisprudentie aangemerkt als Bestaand Stedelijk Gebied (meer in het algemeen geldt dat wanneer sprake is van een stedelijke bestemming, sprake is sprake van Bestaand Stedelijk Gebied) In de bestaande situatie zijn diverse bedrijven in de milieucategorie 1 en 2 toegestaan evenals een dierenpension en recreatieappartementen. De recreatieappartementen zijn mogelijk binnen de bestaande woonboerderij. Nu in de plaats van recreatieappartementen zorgappartementen worden gerealiseerd, is dit een functiewijziging die niet van een zodanige aard en omvang is dat zou moeten worden gesproken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Inpandige functiewijzigingen zijn namelijk in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Bedrijfsuitbreidingen tot 400 m2 (ECLI:NL:RVS:2014:4409) of van een winkel met 400 m2 (ECLI:NL:RVS:2014:4409), of van een kantoor met 540 m2 (201506789/1/A1) worden niet gezien als stedelijke ontwikkeling. Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat deze aanleiding geeft de ontwikkeling wel als stedelijke ontwikkeling te merken.
Een functiewijziging naar een hotel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI:NL:RVS:2016:1064). De behoefte aan zorg voor dementerende ouderen blijkt uit de uitbreidingsbehoefte van JonkersZorg. De huidige locatie in Hoogwoud biedt niet voldoende ruimte meer om aan alle zorgvraag te kunnen voldoen.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1 Omgevingsvisie NH2050 Op 19 november 2018 heeft de provincie Noord-Holland de “Omgevingsvisie NH2050 – Balans tussen economische groei en leefbaarheid” vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2014. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. Ambities Noord-Holland heeft een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Dit is de hoofdambitie. Als subambities zijn er een aantal opgenomen: I. Leefomgeving II. Klimaatverandering: Noord-Holland moet voorbereid zijn op klimaatverandering en waterrobuust worden ingericht.
14
Kolhornerweg 3
III. Gezondheid en veiligheid: De ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond. Gestreefd wordt naar een gezonde leefomgeving, wat inhoudt: een woonwerkomgeving waar je zo min mogelijk wordt blootgesteld aan ongezonde stoffen en veiligheidsrisico's en die een gezonde levensstijl ondersteunt. IV. Biodiversiteit en natuur: De ambitie is om de biodiversiteit in Noord-Holland te vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt. Dit betekent dat ontwikkelingen zoveel mogelijk natuurinclusief zullen zijn. V. Gebruik van de leefomgeving VI. Economische transitie: De ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. Economische ontwikkelingen dienen qua aard, omvang en vorm aan te sluiten bij de regio of plek. VII. Wonen en werken: De ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. VIII. Mobiliteit: De ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. Clustering van functies is een belangrijk duurzaamheidsprincipe. IX.
Landschap: De ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. X. Energietransitie De ambitie is dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie. Vijf bewegingen Vanuit de ambities zijn een vijftal bewegingen opgesteld die laten zien hoe Noord-Holland wil omgaan met de opgaven die op onze samenleving afkomen en die de provincie wil faciliteren. 1. Dynamisch schiereiland: Benutten van de unieke ligging, waarbij de kustverdediging voorop staat, waar toeristische- en recreatieve kansen worden benut en waar natuurwaarden worden toegevoegd. 2. Metropool in ontwikkeling: De Metropoolregio Amsterdam gaat steeds meer als één stad functioneren en de reikwijdte wordt groter. 3. Sterke kernen, sterke regio's: deze beweging gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die daarmee het voorzieningenniveau in de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden en de kernen hun herkenbare identiteit behouden. 4. Nieuwe energie: het benutten van de economische kansen van de energietransitie en circulaire economie. 5. Natuurlijk- en vitaal landelijke omgeving: het ontwikkelen van natuurwaarden in combinatie met het versterken van de (duurzame) agrifoodsector.
Het voorliggende initiatief is niet in strijd met de doelen en ambities uit de Omgevingsvisie. Het bieden van zorg in een gebied dat vanuit zichzelf rust kan bieden, is een innovatieve en duurzame economische ontwikkeling. De functiewijziging vindt plaats binnen de bestaande bebouwing waarbij de uitstraling van het perceel behouden blijft.
2.2.2 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is een aantal onderwerpen opgenomen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van Noord-Holland, te weten aardkundige waarden, openheid, stilte en donkerte en dorps-DNA. De Provincie Noord-Holland omschrijft ruimtelijke kwaliteit aan de hand van kernkwaliteiten van het landschap. Natuurlijke omstandigheden en vooral ook menselijk handelen, hebben in ieder landschap hun eigen sporen nagelaten. Nieuwe ontwikkelingen moeten zich tot deze karakteristieken verhouden. Elk landschapstype heeft zijn eigen specifieke kernkwaliteiten die gebieden een eigen karakter en identiteit geven. De voornaamste kernkwaliteiten zijn: archeologie en tijdsdiepte (tezamen 'ondergrond'), aardkundige waarden, historische structuurlijnen, cultuurhistorische objecten en openheid, duisternis en
Kolhornerweg 3
15
stilte (tezamen landschaps-DNA) en dorps-DNA. De Provincie beschermt ook de ondergrond van de bijzondere landschappen. Zolang aardkundige verschijningsvormen (zoals stuwwallen, duinen, wadden en beekdalen) onaangetast zijn, vertellen ze veel over de ontstaansgeschiedenis van Noord-Holland en de krachten die daarbij een rol speelden: wind, water, ijs en getijden. Behoud en ontwikkeling van aardkundige waarden is van belang gezien de onschatbare waarde van aardkundig erfgoed voor de inwoners van Noord-Holland en Nederland. Ensemble Wieringen - Wieringermeer De projectlocatie ligt in het ensemble Wieringen – Wieringermeer. Het ensemble bestaat uit het voormalige eiland Wieringen met een zeer oud, kleinschalig, reliëfrijk, cultuurhistorisch waardevol keileemlandschap, de kleinere aandijkingenlandschappen Polder Waard-Nieuwland en Groetpolder, het veel recenter gerealiseerde, grootschalige, vlakke en open droogmakerijlandschap van de Wieringermeerpolder en het Amstelmeer. De landschappelijke en cultuurhistorische verschillen zijn groot binnen het ensemble, mede doordat de stapsgewijze verovering van land op water in heel verschillende perioden heeft plaatsgevonden. De aanleg van de Wieringermeerpolder behoorde, samen met de aanleg van de Balgzanddijk, de Amsteldiepdijk, de N99 en de Afsluitdijk, tot de eerste grote stap in de realisatie van de Zuiderzeewerken.
Na het droogleggen van het kleine proefpoldertje Andijk in 1927, werd de Wieringermeerpolder in 1930 drooggelegd met het gemaal Lely bij Medemblik. De Afsluitdijk werd in 1932 gesloten waardoor de Zuiderzee veranderde in het IJsselmeer. Landschappelijke karakteristiek De Wieringermeerpolder is als agrarische productiepolder ontworpen vanuit een totaalconcept. Het poldervlak van de Wieringermeer is opgedeeld in vier polderafdelingen met een eigen oriëntatie en maatvoering van de kavels. Het verkavelingsplan is niet ontworpen vanuit een middenlijn naar de randen toe, zoals gebruikelijk was, maar vanuit de randen naar het centrum toe. Hierdoor zijn restkavels aan de randen vermeden, maar ontstond een driehoekig centrum met restkavels. De polder bestaat uit een robuuste geometrische driehoekige webstructuur met een zorgvuldige compositie van vaarten, lanen, linten, regelmatig verspreid liggende agrarische erven en enkele kernen aan vaarten. In de polder zijn, voor de geoefende kijker, kleine hoogteverschillen waarneembaar van de oude kreekruggen. Openheid en ruimtebeleving De Wieringermeerpolder is als geheel een van de meest open landschappen van Noord-Holland, met daarin de regelmatig verspreid liggende massa's van boerderijen en erfbeplanting langs wegen en vaarten. Deze vormen groene eilanden in een zee van ruimte.
In een deel van de polder is het open karakter verdwenen door het glastuinbouwgebied/de Agriport en andere grootschalige ontwikkelingen langs de A7. De navolgende afbeelding toont de schematische openheid van het gebied waarin de projectlocatie met een blauwe pijl is aangegeven.
16
Kolhornerweg 3
Af beelding: openheid en ruimtebelev ing (bron: Leidraad Landschap & Cultuurhistorie)
Ruimtelijke dragers In de Wieringermeerpolder zijn de rechtlijnige vaarten en wegen met beplanting de belangrijke ruimtelijke dragers. De erven zijn aan deze dragers gesitueerd. Op de erven staan boerderijen die met hun hoog opgaande lange kappen en rode panbedekking een ritmiek vormen en rode kleuraccenten in het landschap geven. Dynamiek In de Wieringermeer vinden grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in hoog tempo een plek, vaak met een innovatief karakter. Van alle landschappen in Noord-Holland is dit het landschap dat het beste grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen in zich op kan nemen, mits dit met oog voor een goede omgevingskwaliteit gebeurt en tegelijkertijd geïnvesteerd wordt in het landschap. Delen van het ensemble zijn beleidsmatig beschermd, zoals het eiland Wieringen als aardkundig monument, NNN-gebied, ecologische verbindingen en weidevogelgebied. De Wieringermeerpolder is niet beperkt door deze beleidsvlakken. Ambities en ontwikkelprincipes De Wieringermeerpolder is ontworpen vanuit een totaalconcept. De ruimtelijke ontwikkelingen als
Kolhornerweg 3
17
windmolens, glastuinbouw, datacentra en agrarische schaalvergroting vragen om een nieuw ruimtelijk raamwerk voor de polder als gehele compositie (totaalontwerp), met respect voor het idee van het oorspronkelijk ontwerp. Hieraan moet een goede waardestelling van de gehele Wieringermeer op minimaal drie schaalniveaus ten grondslag liggen. De ruimtelijke kwaliteit kan worden vergroot door: bij het nieuwe totaalontwerp een deel van de polderlijnen te behouden als ruimtelijke dragers van het oorspronkelijk ontwerp. de randen van Wieringermeer te ontwikkelen tot landschappelijke zones, voortbouwend op hun eigen karakteristiek. de A7 te ontwikkelen als ruimtelijke drager voor de polder en voor grootschalige ruimtelijke programma's op gebied van agribusiness en dataverkeer. Beoordeling Het wijzigen van de functie naar zorgappartementen heeft geen negatieve invloed op de ruimtelijke dragers, de openheid en ruimtebeleving of de ruimtelijke dragers van de Wieringermeerpolder. Er verandert immers niets aan de karakteristieke uitstraling van de woonboerderij. Het is een kleinschalige innovatieve ontwikkeling binnen een bestaand perceel dat past in de ontwikkeling van de Wieringermeerpolder van oorspronkelijk eenzijdig landbouwgebruik naar een verandering van gebruik op kleine schaal.
2.2.3 Omgevingsverordening NH2020 De provincie wil met de omgevingsverordening ontwikkelingen, zoals woningbouw en de energietransitie, mogelijk maken en zet in op het beschermen van mooie en bijzondere gebieden in Noord-Holland. We zoeken naar een evenwichtige balans tussen economische groei en leefbaarheid. De belangrijkste belangrijke ambities voor Noord-Holland, zoals omschreven in de Omgevingsvisie, zijn verankerd in de nieuwe Omgevingsverordening Noord-Holland. In de Omgevingsverordening NH2020 zijn regels samengevoegd op het gebied van natuur, milieu, mobiliteit, erfgoed, ruimte en water. Hierdoor is het makkelijker geworden om te zien welke regels waar gelden. De Omgevingsverordening NH2020 geldt vanaf 17 november 2020. Voor de projectlocatie zijn de regels van het werkingsgebied 'Landelijk gebied' relevant. Artikel 6.4 bepaalt dat kleinschalige ontwikkelingen mogelijk zijn indien: a. op de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar een stedelijke functie is toegestaan; b. het toegestane bebouwd oppervlak niet wordt vergroot; en c. het aantal burgerwoningen niet toeneemt. De locatie heeft reeds een stedelijke functie en de functiewijziging gaat niet gepaard met vergroting van bebouwd oppervlak.
Omdat in het voorliggend geval sprake is van zorgappartementen waarbij sprake is van een gezamenlijke woonkamer en keuken is hier geen sprake van het toevoegen van reguliere woningen. Er wordt dus voldaan aan artikel 6.4 en er is geen strijd met de Omgevingsverordening NH2020.
2.2.4 Woonagenda 2020-2025 In de Woonagenda 2020 – 2025 heeft de provincie bepaald dat er voldoende betaalbare, duurzame en toekomstbestendige woningen voor alle doelgroepen moeten komen. Specifiek voor het woonbeleid van de provincie geldt dat de vraag leidend is. Dat heeft niet alleen betrekking op de kwantiteit, bepaald door de huishoudensgroei, maar eerst en vooral op de kwaliteit: het juiste type woningen voor alle verschillende doelgroepen. De provincie is niet verantwoordelijk voor wonen en zorg. Daarom wil de provincie geen kaders meegeven. Wel vraagt de provincie aandacht voor het realiseren van geschikte en bijzondere woonvormen en het bevorderen van doorstroming om zo het zelfstandig wonen te stimuleren. De zorgappartementen voor ouderen met een zorgvraag sluiten aan bij de behoefte aan bijzondere woonvormen.
18
Kolhornerweg 3
2.3
Regionaal beleid
2.3.1
Regionaal Actieprogramma Kop van Noord-Holland 2017 - 2020
In het RAP is opgenomen dat de regio vooral inzet op kwaliteit boven kwantiteit. Woningbouwlocaties en transformatiemogelijkheden liggen vooral binnenstedelijk. Er is daarnaast voldoende stimulans en ruimte voor nieuwe initiatieven en woonexperimenten. De bevolkingsgroei- en samenstelling in de Kop verandert. De regio anticipeert hierop door in te zetten op verduurzaming van het wonen door levensloopbestendigheid, energiebesparing en nieuwe woonconcepten te verkennen. Specifiek voor de gemeente Hollands Kroon is beschreven dat de gemeente het faciliteren van initiatieven van bewoners als uitgangspunt neemt. Het accent op voorzieningen ligt in de vier grote kernen waar deze behouden en versterkt zullen worden om de groeiende doelgroep zorgvragers zo goed mogelijk te bedienen. Deze opgave zal samen met inwoners en welzijnsorganisaties georganiseerd en ingevuld worden. De gemeente kijkt naar innovatieve oplossingen, via diverse proeftuinen, voor leegstand zodat de ruimtelijke kwaliteit centraal blijft staan. Het verzorgen van kwaliteit van woningen is de basis voor de woon- en leefomgeving in Hollands Kroon. Het voorliggende initiatief voorziet in de vraag naar zorgwoningen. De locatie ligt niet in een kern, maar betreft wel een stedelijke functie waar via transformatie een passende woonvorm kan worden gerealiseerd waar behoefte aan is.
2.4
Gemeentelijk beleid
2.4.1 Omgevingsvisie Hollands Kroon In de Omgevingsvisie zet de gemeente Hollands Kroon een integrale visie uiteen voor de periode tot 2030. Hoofdrichtingen van de beleidskeuzes voor de onderwerpen zijn: De ruimtelijke kwaliteit en diversiteit van het landschap en de dorpen wordt onderbouwd ontwikkeld, verbeterd en indien nodig getransformeerd. De gemeente zet in op een gezonde woningvoorraad waarbij de focus wordt gelegd op kwaliteit in plaats van kwantiteit van woningbouw. Dit heeft als consequentie dat er tot 2020 beperkte ruimte is: voor andere private initiatieven voor het bouwen van nieuwe woningen; om leegkomende bebouwing te herontwikkelen met woningbouw; om vrijkomende agrarische gebouwen om te bouwen tot woningen (eventueel in combinatie met zorg). Hollands Kroon stelt zich open voor nieuwe woonvormen. Het voorliggende initiatief sluit aan bij de beleidskeuzes en de ambities van de gemeente op het gebied van wonen en zorg.
2.4.2 Gebiedsplan Wieringermeer De gemeente Hollands Kroon, de Provincie Noord-Holland en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier hebben in nauwe samenwerking dit gebiedsplan gemaakt met daarin een totaalvisie over de wenselijkheid, de potentiële locaties en de daarbij behorende ontwikkelprincipes voor nieuwe ontwikkelingen. Het betreft niet alleen ontwikkelingen die passen bij de modernisering en optimalisatie van de landbouw en het toekomstbestendig houden van de droogmakerij als modern productielandschap, maar ook de ontwikkelingen die geen directe relatie hebben met de landbouw of met het huidige gebruik van de Wieringermeer. Het gebiedsplan bevat een kader om gezamenlijk met de drie partners initiatieven te kunnen toetsen. Het gaat daarbij om projecten die niet binnen het huidige beleid passen en op korte termijn gerealiseerd kunnen worden, de ontwikkelprincipes voorzien in een
Kolhornerweg 3
19
kader om gezamenlijk dit soort initiatieven te wegen. Het gebiedsplan is gebaseerd op het beleid van de drie partners en loopt vooruit op een pilot omgevingsplan van de gemeente Hollands Kroon voor een deel van het gebied. Het gebiedsplan is eveneens een uitwerking van, en aanvulling op, de omgevingsvisie van gemeente Hollands Kroon. Productiepolder De projectlocatie is gelegen in het deelgebied 'productiepolder'. Grondgebonden landbouw is en blijft in de hele productiepolder mogelijk en belangrijk. Toch wordt er ook ruimte aangewezen als zoekgebied voor niet agrarische functies. Dit om aan specifieke vragen uit de markt te kunnen voorzien, passend bij de Wieringermeer en het cluster van land-, en glastuinbouw. Het betreft functies die een nationaal of bovenregionaal belang dienen of een andere toegevoegde waarde hebben. Bijvoorbeeld omdat deze meer werkgelegenheid opleveren, nodig zijn voor hogere maatschappelijke doelen (zoals bijvoorbeeld de energietransitie) of voorzien in een (lokale) behoefte. Omdat de voorliggende projectlocatie geen agrarische functie heeft maar een bedrijfsfunctie is er binnen dit initiatief geen sprake van het verdwijnen van een agrarische functie. Daarom biedt de kavel een uitgelezen mogelijkheid om invulling te geven aan een functie met maatschappelijk toegevoegde waarde.
Cultuurhistorisch waardevolle structuur Het ensemble van de Kolhornerweg is aangewezen als 'cultuurhistorisch waardevolle structuur'. De cultuurhistorisch waardevolle structuur is gedefinieerd als de combinatie van rechtlijnige wegen, vaarten, beplantingstructuur met de erfclusters erlangs. De oorspronkelijke ritmiek van de erven is nog duidelijk aanwezig. Op de erven staan karakteristieke boerderijen met oranje daken. De belevingswaarde is het meest van belang en uit zich in het volgende: a. Lange lijnen in het landschap, met zicht op de erfboerderijen. b. De beplantingstructuur is bepalend: het geeft contrast tussen de beschutte erven en het weidse polderlandschap. c. De ruimte tussen opeenvolgende erven is bepalend voor de structuur (poldervenster): een afwisseling tussen het open polderlandschap en de beschutte erven. d. Bij de Schagerweg, Kolhornerweg en Westfriesche Vaart is de combinatie van een rechtlijnige vaart met wegen erlangs het meest aanwezig. De vaart loopt door tot aan de sluis. Af en toe zijn open plekken langs het water gemaakt, waardoor vrij zicht op de vaart mogelijk is. Het voorliggende perceel voldoet aan de kenmerken van de cultuurhistorisch waardevolle structuur. De wijziging van de functie heeft geen negatieve invloed op de kenmerken en behoud de bestaande woonboerderij. Het geeft door de interne verbouwing nieuwe toekomstwaarde aan de bebouwing.
20
Kolhornerweg 3
Hoofdstuk 3
Uitvoerbaarheid
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 lid 1 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) maar ook de economische uitvoerbaarheid van het plan. Daarvan wordt in dit hoofdstuk verslag gedaan. De toets aan het beleid is in het vorige hoofdstuk al aan de orde gekomen.
3.1
Verkeer en parkeren
In het kader van een nieuwe ontwikkeling moet gekeken worden wat de verkeersgeneratie is, wat de parkeerbehoefte is en hoe de ontsluiting geregeld wordt van de nieuwe functie om voldoende parkeerplaatsen te waarborgen en ongewenste verkeerssituaties tegen te gaan. Verkeer De verkeersgeneratie wordt bepaald met behulp van de laatste CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren'. In de bestaande situatie is er een kleine 1.000 m2 aan bebouwing aanwezig op het perceel. Conform de bestemming is er een aannemersbedrijf met werkplaats toegestaan tot 1.000 m2. Dit kan worden getypeerd als een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf. Overigens kan een dierenpension ook als eenzelfde bedrijf worden getypeerd. In het buitengebied heeft een dergelijk bedrijf een verkeersaantrekkende werking van minimaal 9,1 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo per etmaal. Dit resulteert in een verkeersgeneratie van ruim 90 verkeersbewegingen. Een zorgappartement kan worden getypeerd als een midden/goedkoop huurappartement met een verkeersaantrekkende werking van minimaal 3,7 verkeersbewegingen per woning, per etmaal. 18 zorgappartementen zorgen hiermee voor een verkeersgeneratie van 67 verkeersbewegingen/ etmaal.
Als er rekening wordt gehouden met de verkeersbewegingen van het personeel dan zal het totaal nog steeds niet meer zijn dan de hoeveelheid verkeer dat er planologisch mogelijk is/feitelijk wordt gegenereerd. Bovendien betreft het hier een overschatting van de hoeveelheid verkeersbewegingen. Gezien de zorgvragers – mensen met dementie – zal het autobezit zeer laag liggen. De functiewijziging zal niet tot een significante wijziging in de hoeveelheid verkeer leiden. Parkeren De hoeveelheid parkeerplaatsen wordt bepaald aan de hand van de 'Parkeerregels Hollands Kroon 2018'. Van hieruit wordt de gemiddelde bandbreedte uit de CROW van toepassing verklaard. Voor midden/goedkope appartementen betekent dit een parkeernorm van 1,4 pp per woning. Voor 18 woningen is dit 25 parkeerplaatsen. Voor de zorgverleners kan er rekening worden gehouden met enkele parkeerplaatsen. Er komen dan nog enkele plaatsen bij voor de logieseenheden. Er is voldoende ruimte op het perceel aanwezig om deze hoeveelheid te realiseren op een wijze waardoor ze ook ruimtelijk goed worden ingepast. Zoals hiervoor gesteld zal het autobezit zeer laag liggen omdat de bewoners van de appartementen dementerende ouderen zijn. De hoeveelheid parkeerplaatsen dat benodigd is zal daarom lager zijn. De benodigde behoefte wordt daarom ingeschat op maximaal 10 plaatsen.
3.2
Milieuzonering
Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie.
Kolhornerweg 3
21
Nieuwe situatie Bij het realiseren van een nieuwe functie (woningbouw) dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de zorgwoningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering. Richtafstandenlijsten De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid.
De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevings-kwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functieschei-ding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Di-rect naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd, aldus de VNG-brochure. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. In het voorliggende geval is er sprake van een bedrijfsbestemming in het projectgebied. Er zijn bedrijven toegestaan tot de milieucategorie 2, waaronder aannemersbedrijven. Ook is een dierenpension toegestaan (en ook aanwezig) en is het toegestaan om de woonboerderij te gebruiken ten behoeve van recreatieappartementen. Naast het bedrijfsperceel is een woonbestemming aanwezig. De omzetting van de bedrijfsfuncties naar zorgappartementen betekent een vermindering van de milieu-uitstraling vanaf de projectlocatie. Hiermee wordt een ruimtelijke verbetering gerealiseerd.
3.3
Externe veiligheid
Algemeen Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's bij onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door
22
Kolhornerweg 3
maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind. Er wordt onderscheid gemaakt tussen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde, voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. De grenswaarde mag niet worden overschreden. Voor de oriënterende waarde en richtwaarde geldt dat afwijken alleen met een degelijke motivering is toegestaan. Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen, zoals een chemische fabriek of een lpg-tankstation en de mobiele bronnen, zoals een tankwagen. Wet- en regelgeving Voor inrichtingen (bedrijven) is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid (Revi) van toepassing. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) is van toepassing op onder meer hoofdtransportleidingen voor aardgas. Voor het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het binnenwater is een risiconormering vastgesteld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Op 1 april 2015 is het Basisnet volledig in werking getreden.
Het basisnet bestaat uit een aangewezen aantal routes (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarop het mogelijk moet zijn en blijven om gevaarlijke stoffen te vervoeren. De wet Basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stellen dat bij ruimtelijke besluiten waarbij de vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten in de nabijheid van een weg, waarover het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico (PR) en de oriëntatiewaarde van het groepsrisico (GR) moet worden beschouwd. Nieuw in het Bevt ten opzichte van de huidige situatie is het begrip Plasbrandaandachtsgebied (PAG). Dit begrip heeft betrekking op de kans dat een tankwagen met brandbare vloeistof als gevolg van een calamiteit lek raakt, waardoor brandbare vloeistof vrij komt en vlam vat. De regelgeving voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is een maat voor de veiligheid van het individu op een bepaalde locatie. Het PR heeft een wettelijk vastgelegde grenswaarde van maximaal 10-6 per jaar voor nieuwe situaties. Dit betekent dat de kans op overlijden van een persoon als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen maximaal 1 op een miljoen per jaar mag zijn.
Op locaties waar het risico hoger is, mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden gesitueerd en in beginsel ook geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten. Op basis van art 5, 1e lid van het Bevi dient het bevoegd gezag bij het vaststellen van een bestemmingsplan de grenswaarde (voor het PR) in acht te nemen. Daarbij is dus niet relevant of het kwetsbare object reeds aanwezig is; op het moment van het vaststellen van het bestemmingsplan dient aangetoond te zijn dat de aanwezige kwetsbare objecten in het plangebied voldoen aan de grenswaarde. Het GR heeft ten opzichte van het PR een extra dimensie; het wordt namelijk beïnvloed door het aantal personen dat zich binnen de invloedssfeer van mogelijke ongevallen bevindt. Het groepsrisico zet de kans op een ongeval uit tegen het aantal mogelijke slachtoffers. Hoe groter de groep slachtoffers kan zijn, hoe lager de kans op een dergelijk ongeval mag zijn. Het GR kent een richtwaarde, de zogenaamde oriëntatiewaarde. Deze oriëntatiewaarde, vaak aangeduid met "1”, geeft weer wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. De oriëntatiewaarde biedt een handvat om tot consensus te komen over de mate van vertrouwen dat de toekomst gevrijwaard blijft van een ramp.
Door het groepsrisico te vergelijken met de oriëntatiewaarde legt het bevoegd gezag verantwoording af of de kans acceptabel is. Het GR wordt berekend binnen het invloedsgebied dat ligt tussen de risicobron en lijn waar 1% letaliteit optreedt. Als oriëntatiewaarde geldt de in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde “norm” voor het GR, namelijk:
Kolhornerweg 3
23
• • • •
10-5 voor een ongeval met meer dan 10 dodelijke slachtoffers; 10-7 voor een ongeval met meer dan 100 dodelijke slachtoffers; 10-9 voor een ongeval met meer dan 1.000 dodelijke slachtoffers; enzovoort (een lijn door deze punten bepaalt de norm).
Beoordeling Om te bepalen of er sprake is van veiligheidsrisico's wordt per potentieel gevaar opleverende activiteit (Inrichtingen, buisleidingen, vervoer over de weg) gekeken naar de aanwezigheid daarvan in de buurt van het plangebied en daarna naar het eventuele plaatsgebonden- en groepsrisico. Inrichtingen en buisleidingen Aan de hand van de Risicokaart (www.risicokaart.nl), kan worden gesteld dat het plangebied - en de omgeving daarvan - niet valt binnen een Plaatsgebonden Risico contour (PR) of binnen het invloedsgebied van een inrichting of een buisleiding. Dit houdt tevens in dat het Groepsrisico (GR) van die activiteiten niet nader hoeft te worden beschouwd.. Zie navolgende uitsnede van de provinciale risicokaart.
Transportroute gevaarlijke stoffen Uit de provinciale risicokaart blijkt wel dat op circa 100 meter van de woonboerderij de N248 aanwezig is waarover brandbare stoffen worden vervoerd. De aanwezigheid van het water tussen de weg en de projectlocatie zal ervoor zorgen dat een plasbrand niet tot aan de projectlocatie komt. Doorgaans zal leidend zijn vervoer van GF3. Niet is bekend om hoeveel vervoersbewegingen het gaat, maar uitgaande van de vergunde doorzet van minder dan 500 m3/jaar voor LPG stations en ervaringen met andere LPG stations met vergelijkbare of zelfs grotere doorzet, is een aantal van 140/jr een redelijke inschatting, of zelfs een worst-case scenario. Gelet op de Handreiking is een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) bij dit wegtracé niet aanwezig met voornoemde transportaantallen. Wanneer het aantal GF3 transporten per jaar namelijk lager is dan 4.000/jr heeft, volgens voornoemde handreiking, een snelweg geen PR 10-06 contour. In artikel 8 van het Bevt is geregeld dat: 1. Indien een bestemmingsplan of omgevingsvergunning betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, wordt in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk in de ruimtelijke onderbouwing van die vergunning tevens ingegaan op: a.
1°.de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige
24
Kolhornerweg 3
personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en 2°.de als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft; b. het groepsrisico op het tijdstip waarop het plan of de vergunning wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat plan of besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de oriëntatiewaarde; c. de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die bij de voorbereiding van het plan of de vergunning zijn overwogen en de in dat plan of die vergunning opgenomen maatregelen, waaronder de stedenbouwkundige opzet en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte, en d. de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. 2. Het eerste lid kan buiten toepassing blijven indien bij de vaststelling van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond dat: a. het groepsrisico, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, of b.
b.1°.het groepsrisico, gelet op de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 2°, met niet meer dan tien procent toeneemt, en 2°.de oriëntatiewaarde, gelet op de dichtheid van personen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 2°, niet wordt overschreden. 3. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, bevat de toelichting bij het besluit de onderbouwing daarvan. 4. Het groepsrisico wordt berekend volgens bij regeling van Onze Minister gestelde regels. Lid 4 heeft betrekking op artikel 14 Revt (methode Basisnet): bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van het Bevt dat betrekking heeft op gronden in de omgeving van een basisnetroute, vindt de berekening van het groepsrisico plaats door toepassing van de rekenmethodiek transportrisico's: hiermee wordt bedoeld HART en RBM II. Bij de berekening van het groepsrisico worden de vervoershoeveelheden uit de tabellen in de bijlagen, genoemd in artikel 2, eerste lid, gebruikt. In dit geval kan de berekening via HART, waarin de volgende vuistregels worden gehanteerd: Toetsing oriëntatiewaarde Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens(bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5(ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.
Niet van toepassing Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan 10 maal de drempelwaarde in Tabel 7 (eenzijdige bebouwing) of 10 maal de drempelwaarde in Tabel 8 (2-zijdige bebouwing) wordt de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet overschreden. Hier wordt (ruimschoots) aan voldaan: de drempel is 2690 (zie hierna). 2690*10=26.900 terwijl GF3 zoals aangegeven 2.517 bedraagt. Toetsing 10% van de oriëntatiewaarde Vuistregel 1: Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe. Niet van toepassing Vuistregel 2: Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 7 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 8 (2-zijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Zie hierna:
Kolhornerweg 3
25
In de bijlage bij voornoemde handleiding is aangegeven dat wanneer het aantal GF3 transporten minder is dan de drempelwaarde in Tabel 3 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 4 (2-zijdige bebouwing) 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Het plangebied ligt op ca 100 m van de as van de weg. Het beschouwde gebied is 14/ha, hierbinnen is een aanwezigheid mogelijk van ca.100 personen (schatting van de nieuwe situatie; het gaat om eenzijdige bebouwing met zowel woningen als bedrijven), derhalve 7/ha. Bij deze waarden is er geen drempelwaarde. De drempelwaarde wordt gelet op tabel 4 anders gezegd dus niet overschreden. Hiermee treedt de vuistregel in werking dat 10% van de orientatiewaarde niet wordt overschreden en kan verdere verantwoording achterwege blijven. Aan lid 3, artikel 8 Bevt wordt tevens voldaan (middels voorgaande toelichting). Zodoende is het plan haalbaar voor wat betreft externe veiligheid.
3.4
Bodem
Voor bodem en bodemverontreiniging is de Wet bodembescherming (Wbb) inclusief de aanvullende besluiten leidend. In de Wbb wordt een algemeen beschermingsniveau ingesteld voor de bodem ten aanzien van het voorkomen van nieuwe verontreiniging van de bodem. Er heeft verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden teneinde de bodemkwaliteit te achterhalen. Het onderzoek is als bijlage toegevoegd1.De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie aan de Kolhornerweg 3 te Middenmeer is vastgelegd. De gestelde hypothese dat geen verontreiniging wordt verwacht is bevestigd. Er zijn zowel in grond als in grondwater geen verhogingen aangetoond. De onderzoeksresultaten vormen zodoende geen belemmeringen voor de nieuwe functie. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. De hypothese van een asbestonverdachte locatie wordt gehandhaafd. Het aspect bodem werpt daarom geen belemmeringen op ten aanzien van de uitvoering van het bestemmingsplan.
26
Kolhornerweg 3
3.5
Geluid
Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) moet wegverkeerslawaai in beschouwing worden genomen. De Wgh heeft geen betrekking op wegen binnen een woonerf ligt of op wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur of lager. De te beschouwen wegen kennen een geluidszone, dit is een aandachtsgebied waar binnen een akoestisch onderzoek moet plaats vinden. De omvang van een zone is afhankelijk van het aantal rijstroken van de weg en de typering van het gebied (binnenstedelijk of buitenstedelijk). Binnenstedelijk is het gebied binnen de bebouwde kom. Buitenstedelijk is het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied waar de zone van een autoweg of autosnelweg ligt. Op grond van artikel 82 van de Wgh bedraagt de voorkeursgrens-waarde 48 dB op de gevel van een geluidsgevoelige bestemming. Artikel 83 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om voor nieuw te bouwen geluidsgevoelige bestemmingen een hogere waarde vast te stellen. Bij een bestaande weg mag voor bestemmingen in buitenstedelijk gebied een hogere waarde van maximaal 53 dB worden vastgesteld, in binnenstedelijk gebied is deze waarde maximaal 63 dB. De woonboerderij ligt binnen de geluidszone van de Kolhornerweg en de N248. De verkeerintensiteit aan de Kolhornerweg is evenwel zeer laag; geschatte intensiteit is minder dan 5 auto's per uur.
De nieuwe zorgfunctie zal daar naar verwachting nauwelijks aan bijdragen (zie paragraaf verkeer). De verwachting is niet dat de Kolhornerweg voor een overschrijding van de voorkeurswaarde (48 dB) gaat zorgen. De N248 ligt voorts op meer dan 100 meter met daartussen een zeer dichte beplantingsstrook. Hoewel deze in de geluidsmodellering doorgaans niet meetelt, heeft dichte beplanting wel degelijk een geluidsreducerend effect. Ook vanwege de N248 is de verwachting dat deze niet leidt tot een onacceptabel woon- en leefklimaat. Tot slot mag er ter plaatse al worden gewoond en neemt de afstand van de zorgwoningen tot voornoemde wegen in de nieuwe situatie ten opzichte van de huidige situatie, niet toe. Onder deze omstandigheden kan worden afgezien van akoestisch onderzoek.
3.6
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen van de regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit zijn te vinden in hoofdstuk 5, titel 5.2, artikel 5.6 tot en met 5.24, van de Wet milieubeheer. De regelgeving is uitgewerkt in onderliggende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) en Ministeriële Regelingen. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer kan de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan, waarvan de uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, worden uitgeoefend indien aannemelijk is gemaakt dat: 1. deze uitoefening niet leidt tot het overschrijden of waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarde; 2. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van die uitoefening of toepassing per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of 3. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert; 4. deze uitoefening niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen; 5.
deze uitoefening is genoemd of beschreven in, dan wel betrekking heeft op, een ontwikkeling of voorgenomen besluit welke is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of in elk geval niet in strijd is vastgesteld programma (NSL). Niet in betekenende mate In het Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de 'Regeling Niet in betekenende mate bijdragen' (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip 'niet in betekende mate (NIBM)'. Projecten waarvan vastgesteld is dat deze 'niet in betekenende mate' bijdragen aan de luchtverontreiniging zijn vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit.
Kolhornerweg 3
27
De grens voor NIBM is sinds de inwerkingtreding van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in het Besluit gesteld op 3%, wat betekent dat de concentratie stikstofdioxide of fijn stof met maximaal 3% van de grenswaarde mag toenemen als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen die een besluit toestaat. Deze grenswaarde bedraagt 40 ug/m3 voor NO2 en PM10 en 25 ug/m3 voor PM2,5. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen' is voor een aantal specifieke bouwprogramma's vastgelegd wanneer er nog sprake is van "niet in betekenende mate". Dit is als het project betrekking heeft op maximaal 1.500 woningen of 100.000 m2 kantoren (bij één ontsluitingsweg) of een combinatie van beiden. De voorliggende toename van 18 zorgappartementen is overduidelijk NIBM. Dit is gestaafd met een berekening met de NIBM-tool, zie hierna. Zeker wanneer daar tegenover de afname van bedrijfsverkeer wordt beschouwd. De uitvoerbaarheid van het initiatief wordt door de luchtkwaliteitseisen niet nadelig beïnvloed.
3.7
Besluit milieu effectrapportage
In het Besluit milieueffectrapportage is voor projecten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu (in de breedste zin van het woord) bepaald dat er een Milieueffectrapportage (m.e.r.) moet worden gemaakt of dat door het bevoegd gezag moet worden beoordeeld of dat er een m.e.r. moet worden gemaakt. In het Besluit MER zijn in bijlage C de projecten aangewezen waarvoor een m.e.r. verplicht is. In bijlage D zijn de projecten opgesomd waarvoor een m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De bouw van woningen is conform bijlage D, punt 11.2 pas m.e.r.-beoordelingsplichtig als het de bouw van 2.000 woningen of meer betreft. Duidelijk is dat hier geen m.e.r.-beoordelingsplicht aan de orde is. Er is hier sprake van de ontwikkeling van 18 zorgappartementen binnen een bestaand volume, waarbij een bedrijfsfunctie verdwijnt. Van significante gevolgen voor het milieu is hier dan ook geen sprake.