BP Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo (04-04-23).pdf
Tekst van het document
Dit kan door nieuwe woningen mogelijk te maken in karakteristieke schuren en door gebruik van de rood voor rood-regeling in buurtschappen actief te stimuleren. 4.3.2.2
Toetsing Als gevolg van voorliggende ontwikkeling wordt een nieuwe woning gerealiseerd voor het opheffen van het bedrijf en een tweede woning volgens de Rood voor Rood-regeling zoals opgenomen in de beleidsnotitie 'Grond voor gebruik'. Daarbij wordt 1.000 m2 aan landschapontsierende bebouwing gesloopt en het plangebied landschappelijk ingepast. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen het streefbeeld als geformuleerd in de 'Structuurvisie Landelijk gebied'.
4.3.3
Beleidsnota Grond voor gebruik
4.3.3.1
Algemeen De gemeente Hof van Twente staat voor een enorme opgave als het gaat om het behoud van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Tot 2030 komt naar verwachting meer dan 300.000 m2 aan agrarische bebouwing leeg te staan. Deze vrijkomende erven bieden volop kansen voor nieuwe ontwikkelingen. Om een objectieve en eenduidige toepassing van instrumentarium mogelijk te maken is een duidelijke integrale benadering van nieuwe initiatieven van belang. In het bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente is een aantal regelingen opgenomen die ontwikkelingen in het buitengebied eenvoudig mogelijk maken en het versterken van ruimtelijke kwaliteit (sloop en nieuwe functies) als doel hebben. Voor ontwikkelingen die passend zijn in het bestemmingsplan geldt dat de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit voldoende is gewaarborgd, mits aan de voorwaarden uit het bestemmingsplan wordt voldaan. Is er wel een bestemmingsplanprocedure nodig (herziening of wijziging), dan is er sprake van een (grootschalige) ontwikkeling en moet afhankelijk van de ontwikkeling de hoogte van de aanvullende kwaliteitsprestatie worden bepaald. In voorliggend geval is een herziening van het bestemmingsplan benodigd. De beleidsnotitie 'Grond voor gebruik' voorziet in de kaders om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken.
Deze beleidsnotitie voorziet in de kaders met betrekking tot het VAB-beleid, Rood voor Rood beleid, beleid omtrent veldschuren, landgoederen, niet-agrarische bedrijvigheid in het buitengebied en de sloopvoucher-regeling. In dit
ontwerp
29
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
geval zijn de kaders omtrent het Rood voor Rood van belang. 4.3.3.2
Rood voor Rood De laatste jaren komt er steeds meer voormalige bedrijfsbebouwing leeg te staan. Er wordt enerzijds gezocht naar mogelijkheden tot hergebruik van de bebouwing en anderzijds naar maatregelen om de sloop te bevorderen. Om dit laatste te bewerkstelligen heeft de gemeente Hof van Twente de beleidsregel Rood voor Rood opgesteld. Het doel dat de gemeente voor ogen heeft is de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van landelijk gebied. De regeling gaat uit van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000 m2, waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd. De maximale inhoud voor de te realiseren woning op de compensatiekavel bedraagt 750 m3. Hierbij dient voldaan te worden aan de algemene welstandscriteria. De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning, om de erfstructuur te handhaven en de daarbij behorende clustering van bebouwing (ensemble) te bewerkstelligen. De compensatiekavel mag nabijgelegen (agrarische) bedrijven niet hinderen in hun bedrijfsvoering. Het erf en de tuin worden samen met de nieuwe woning en het daarbij behorende bijgebouw op de compensatiekavel gerealiseerd. Uitgangspunt voor de grootte van het bijgebouw op de compensatiekavel is 150 m2.
De ruimtelijke kwaliteit moet voor alle betrokken locaties zijn gewaarborgd, middels een landschapsplan. Ook een schetsplan c.q. beeldkwaliteitsplan van de nieuw op te richten bebouwing (compensatiewoning en overig nieuw op te richten bijgebouwen) is vereist inclusief materiaal en kleurtoepassing.
4.3.3.3
Toetsing van het initiatief aan de beleidsnotitie Grond voor gebruik Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk, in het geval er voldoende sloopmeters zijn, om via een binnenplanse afwijking een extra woning toe te voegen. De nieuwe woning wordt landschappelijk ingepast (Bijlage 1) en zal voldoen aan het opgestelde beeldkwaliteitsplan (Bijlage 2) en zal een maximale inhoud van 750 m3 krijgen. De voorliggende ontwikkeling voldoet daarmee aan de uitgangspunten uit de beleidsnota 'Grond voor gebruik'.
4.3.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het relevante gemeentelijke beleid.
30
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
Hoofdstuk 5
M ilieu- en omgevingsaspecten
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. Artikel 3.1.6. Bro is ook van toepassing op een bestemmingsplan. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit m.e.r..
5.1
Geluid
5.1.1
Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
5.1.2
Situatie plangebied Voorliggende bestemmingsplan voorziet in de mogelijkheden om met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid twee compensatiewoningen te realiseren. De compensatiewoningen betreffen geluidsgevoelige objecten. In deze paragraaf wordt ingegaan op de aspecten wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai.
5.1.2.1
Wegverkeerslawaai In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben. De grootte van deze geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van het plangebied binnen stedelijk gebied of buitenstedelijk gebied. In onderstaande tabel is dit opgenomen.
Aantal rijstroken
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken
200 m
250 m
3 of 4 rijstroken
350 m
400 m
5 of meer rijstroken
350 m
600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). Het plangebied ligt in buitenstedelijk gebied en binnen de wettelijke geluidszones van de N753. Op deze weg geldt een maximum snelheid van 80 km/uur. Door BJZ.nu is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het akoestisch onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoogde compensatiewoningen. De
ontwerp
31
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
bestaande te herbestemmen (bedrijfs)woning wordt buiten beschouwing gelaten. In artikel 76 van de Wgh is namelijk bepaald dat de geluidsbelasting van een aanwezige weg op bestaande woningen niet getoetst hoeft te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het herbestemmen van de voorgenoemde bestaande (bedrijfs)woning. Het akoestisch onderzoek is toegevoegd als Bijlage 3. Hierna wordt in gegaan op de belangrijkste resultaten. Hoewel de twee compensatiewoningen niet bij recht zijn toegestaan met vaststelling van dit bestemmingsplan, is het akoestisch onderzoek wel uitgegaan van de uiteindelijke beoogde situatie. De geluidbelasting als gevolg van de N753 bedraagt hoogstens 49 dB (inclusief reductie). Met deze waarde wordt voldaan niet voldaan aan de voorkeurswaarde van 48 dB uit de Wet geluidhinder en aan de gemeentelijke ambitiewaarde van 43 dB. Er wordt wel voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. De geluidsbelasting exclusief reductie bedraagt hoogstens 51 dB. De bron- en overdrachtsmaatregelen die getroffen kunnen worden om aan de voorkeurswaarde te voldoen ontmoeten bezwaren van stedenbouwkundige, landschappelijke of financiële aard. Met een standaardgevelwering wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012 met betrekking tot de maximale binnenwaarde.
Een hogere waarde voor de compensatiewoning van maximaal 49 dB als gevolg van het wegverkeerslawaai afkomstig van de N753 kan dan ook worden verleend. Het woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen wordt hiermee aanvaardbaar geacht. Omdat de beoogde compensatiewoningen niet bij recht worden toegestaan in voorliggend bestemmingsplan, wordt in het kader van voorliggend bestemmingsplan een hogere waarde procedure niet noodzakelijk geacht. Ten tijde van de verlening van omgevingsvergunning voor de compensatiewoningen kan een hogere waarde procedure doorlopen worden. Geconcludeerd wordt dat het aspect wegverkeeslawaai geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 5.1.2.2
Railverkeers- en industrielawaai In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen, waardoor toetsing aan het aspect railverkeerslawaai niet noodzakelijk is. Tevens zijn er in de omgeving van het plangebied geen gezoneerde bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. In paragraaf 5.5 wordt ingegaan op de in de omgeving aanwezige (individuele) bedrijvigheid en de gevolgen van het voornemen op de omgeving.
5.1.3
Conclusie De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor het plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht.
32
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
5.2.2
Situatie plangebied Voor het plangebied is door Dumea Milieu eerst een historisch vooronderzoek uitgevoerd. Doel van het historisch onderzoek is het beoordelen of op de onderzoekslocatie verdachte deellocaties ten aanzien van het voorkomen van bodemverontreiniging aanwezig zijn. Het historisch onderzoek dient als basis voor het opstellen van het onderzoeksprogramma voor het eventueel uit te voeren verkennend bodemonderzoek. Uit het historisch vooronderzoek is gebleken dat er een verkennend bodemonderzoek nodig is. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek zijn voor de locatie hypotheses geformuleerd ten aanzien van grond en grondwaterverontreiniging. Het uitgevoerde historische onderzoek is samen met een onderzoeksopzet voorgelegd aan de gemeente Hof van Twente. Het verkennend bodemonderzoek is vervolgens uitgevoerd volgens de goedgekeurde onderzoeksopzet. De rapportage van het verkennend bodemonderzoek is opgenomen als Bijlage 4 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Wat betreft NEN5740 zijn er slechts lichte verhogingen aangetroffen in de boven- en/of ondergrondmengmonsters. In het kader van het asbestonderzoek (NEN5707) is er in 1 van de 3 mengmonsters een concentratie van 41 mg/kg ds aangetroffen. Deze bevindt zich onder de grens voor nader onderzoek (50 mg/kg ds).
Op basis van het bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. De onderzoekslocatie is vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik.
5.2.3
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Algemeen Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1
Besluit en de Regeling niet in betekende mate bijdragen Het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
ontwerp
33
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2
Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
5.3.2
Situatie plangebied Gelet op de aard en omvang van dit project (toevoeging van twee woningen) in vergelijking met de voorgenoemde voorbeelden van categorieën, kan worden aangenomen dat het project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen.
5.3.3
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen (Brzo); het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de 'Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en
34
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
plasbrandaandachtsgebied). Het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgeteld vanwege risicovolle inrictingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. De gemeente Hof van Twente heeft haar beleid ten aanzien van externe veiligheid vastgelegd in de nota “Bewuste veiligheid op maat”. 5.4.2
Situatie plangebied Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is hierin indicatief met de blauwe contour aangegeven.
Afbeelding 5.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas leefomgeving) 5.4.2.1
Aardgasleiding Ten noordwesten van het plangebied is een ondergrondse aardgasleiding met beschermingszone aanwezig. Deze leiding heeft een druk van 40 bar. De beschermingszone van de gasleiding ligt op circa 50 meter afstand van het plangebied. De hartlijn van de gasleiding ligt op circa 54 meter afstand van het plangebied. Bij gasleidingen zijn, voor wat betreft het groepsrisico, de 1% en 100% letaliteitsgrens van belang. De 1% letaliteitsgrens bepaalt het invloedsgebied voor het groepsrisico. Binnen de 100% afstand is de invloed van de leiding zodanig groot dat toename van bebouwing en bewoning bijdraagt aan een verhoging van het groepsrisico. Voor
ontwerp
35
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
dergelijke leidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op circa 50 meter. De beschermingszone van de aardgasleiding ligt dus binnen de afstand tot het plangebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico benodigd is. Er is in dit geval namelijk sprake van het toevoegen van kwetsbare objecten, namelijk twee woningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning herbouwd. Of er al dan niet sprake is van het verhogen van het groepsrisico is afhankelijk van: de aanwezige populatiedichtheid; de op grond van het besluit te verwachten dichtheid van personen; het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage aan de hoogte van het groepsrisico van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, vergeleken met de oriëntatiewaarde; de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; de mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de leiding(en) om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. In dit geval is de verwachte populatiedichtheid in de nieuwe situatie lager dan in de oude situatie. Er worden namelijk twee woningen toegevoegd. Dit betreffen kwetsbare objecten.
Op basis van het handboek buisleidingen in bestemmingsplannen wordt voor woningen een gemiddelde van 2,54 personen per woning aangehouden. Dit maakt 5,08 personen als gevolg van deze ontwikkeling. In de huidige situatie is er echter een bedrijfsbestemming aanwezig, waarbinnen een bouwbedrijf toegestaan is. Het bouwbedrijf bestaat uit een kantoor en een werkplaats, waar gemiddeld 15-20 mensen per dag aanwezig zijn. Er is in dit geval dan ook sprake van een afname van de populatiedichtheid. Daarmee is er tevens sprake van een afname van het groepsrisico. De oriëntatiewaarde kan immers niet stijgen nu er planologisch gezien sprake is van een afname van de personendichtheid. Een nader onderzoek in het kader van externe veiligheid wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.4.2.2
Kans op natuurbrand Nabij het plangebied is een gebied aangewezen als gebied waar een grote natuurbrand kan ontstaan. een natuurbrand kan zich in een droge periode snel en onvoorspelbaar ontwikkelen. Het planvoornemen bevindt zich echter niet ín het gebied waar een grote natuurbrand kan ontstaan. Een nadere verantwoording van het groepsrisico voor de kans op een natuurbrand is daarom niet noodzakelijk.
5.4.3
Conclusie Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
36
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is.
Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen Volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente langs de provinciale weg N753. Verder bevinden zich in de omgeving, naast woonfuncties, ook maatschappelijke functies zoals een woonzorgcomplex. In de ruimere omgeving zijn onder meer een verblijfsrecreatieterrein en een horeca-voorziening gevestigd.
Het plangebied is daarmee aan te merken als een 'gemengd gebied'. Onderstaande tabel geeft de richtafstanden weer voor de verschillende omgevingstypes.
Milieucategorie Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
ontwerp
37
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
5.5.3
Situatie plangebied
5.5.3.1
Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2
Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden wordt aangetast. De functie 'wonen' is geen milieubelastende functie. Er is dan ook geen sprake van een (onaanvaardbare) aantasting van het woon- en leefklimaat van omliggende functies.
5.5.3.3
Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In voorliggend geval worden er twee nieuwe milieugevoelige objecten gerealiseerd, betreffende twee compensatiewoningen. De milieubelastende functies in de omgeving betreft de bedrijvigheid die op verschillende plekken aanwezig zijn dan wel zijn toegestaan. De onderstaande tabel toont de voor het plangebied meest relevante vormen van bedrijvigheid die op basis van het geldende bestemmingsplan zijn toegestaan.
Functie en locatie
Hoogste Grootste richtafstand Afstand tot milieucategorie woonbestemming voor nieuwe woning
Transformatorhuisje (elektriciteitsdistributiebedrijf < 10 MVA) Goorseweg 45
2
10 meter (geluid)
circa 4 meter
Erve Tichelwaark Tichelweg 4
1
0 meter
circa 50 meter
Vakantiepark Buitencentrum Hessenheem Potdijk 8
3.1
30 meter (geluid)
circa 350 meter
Camping Monte Bello Goorseweg 48
3.1
30 meter (geluid)
circa 670 meter
Binnen het plangebied staat een transformatorhuisje. Het transformatorhuisje is een standaard huisje met een transformator die het middenspanningsnet verbindt met het laagspanningsnet. Het vermogen van dit transformatorhuisje is ruimschoots lager dan 10 MVA. De kleinste categorie in de VNG-publicatie voor een elektriciteitsdistributiebedrijf geldt tot een vermogen van 10 MVA. Hiervoor geldt een
38
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
richtafstand voor geluid van 10 meter. De geluidproductie van het transformatorhuisje is ruimschoots lager dan de geluidproductie van een 10 MVA installatie. Met de beoogde afstand tot de woonbestemming van circa 4 meter kan daarom met redelijkheid worden gesteld dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Aan de overkant van de Goorseweg, aan de Tichelweg 4, is een maatschappelijke locatie gesitueerd. Deze locatie kan het beste worden vergeleken met 'dagverblijf' volgens de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering”. Hiervoor geldt een hoogst aan te houden milieucategorie 1. In de omgeving van het plangebied zijn diverse recreatieterreinen gevestigd. Zoals blijkt uit de tabel, liggen deze terreinen allen ruim buiten de grootst aan te houden richtafstand. Gezien de afstand tot omliggende milieubelastende functies mag er van uit worden gegaan dat ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd levert deze ontwikkeling geen belemmeringen op voor de betreffende functies. 5.5.4
Conclusie Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
5.6.1.1
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht.
De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.
ontwerp
39
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
5.6.1.2
Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitenbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden.
5.6.2
Situatie plangebied In de omgeving van het plangebied zijn geen agrarische bedrijven gevestigd. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich op meer dan 1,5 kilometer van het plangebied. Het uitvoeren van een geuronderzoek is niet noodzakelijk.
5.6.3
Conclusie Vanuit het oogpunt van geur zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebiedsen soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1
Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In afbeelding 5.2 is met de afbeelding de ligging van het plangebied (blauwe ster) ten opzichte van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied weergegeven (gele vlak). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Borkeld" bedraagt in dit geval circa 3,2 kilometer ten noordenwesten van het plangebied. Overige Natura 2000-gebieden bevinden zich op meer afstand van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habittatypen binnen het Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen heeft BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. In de AERIUS-berekening is uitgegaan van de uiteindelijk beoogde situatie met drie woningen op één erf.
40
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
Hierna wordt de belangrijkste conclusie weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar Bijlage 5 bij deze toelichting. Geconcludeerd wordt dat voor de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
Afbeelding 5.2 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied (Bron: Atlas Leefomgeving) 5.7.2.2
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlands natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Afbeelding 5.3 toont de ligging van het plangebied (blauwe ster) ten opzichte van het NNN. De bescherming van het NNN kent geen externe werking. Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland.
ontwerp
41
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
Afbeelding 5.3 Ligging van het plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland gebied (Bron: Atlas Leefomgeving) 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1
Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
5.7.3.2
Situatie plangebied In dit bestemmingsplan wordt bij recht de bouw van één woning toegestaan. Het gaat om de her te bouwen bedrijfswoning. De locatie van de beoogde woning is momenteel in gebruik als agrarische grond en is onbebouwd. De huidige inrichting en het beheer maken de locatie van de woning tot een ongeschikt leefgebied voor beschermde soorten. Daarnaast wordt dit grasland intensief onderhouden (maaien). Door uitvoering van de voorgenomen activiteit wordt verwacht dat er geen beschermde soorten verstoord, beschadigd of gedood worden en er wordt geen beschermd functioneel leefgebied van bepaalde soorten zoals bijvoorbeeld vleermuizen aangetast. Daarnaast wordt gesteld dat het plangebied, mede gelet op de terreingesteldheid en het onderhoud hiervan, ongeschikt is voor beschermde flora. Het is om voorgenoemde redenen niet te verwachten dat de ontwikkeling negatieve effecten zou kunnen hebben op flora- en fauna die de wet beoogd te beschermen.
42
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
Overigens wordt benadrukt dat rekening wordt gehouden met de in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming opgenomen zorgplichtbepaling. Op termijn worden de bestaande bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen gesloopt. De bedrijfswoning wordt pas gesloopt als de her te bouwen woning is gerealiseerd. De bedrijfsgebouwen worden pas gesloopt als de bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd. Het is op dit moment nog niet bekend wanneer dit plaats zal vinden. Een ecologisch onderzoek naar soortenbescherming wordt uitgevoerd voordat er gesloopt gaat worden. Op die manier wordt geborgd dat de meest actuele situatie ter plaatse ecologisch wordt beoordeeld. Met eventueel noodzakelijke mitigerende maatregelen is het mogelijk om te slopen zonder overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. 5.7.4
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect gebiedsbescherming de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg staat. Voor het aspect soortenbescherming vormt de Wet natuurbescherming naar verwachting geen belemmering. Voordat sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd, dient een ecologisch onderzoek naar soortenbescherming uitgevoerd te worden. Met eventueel noodzakelijke mitigerende maatregelen is het mogelijk om te slopen zonder overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming. Vanuit het oogpunt van ecologie zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
5.8
Archeologie & Cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1
Algemeen Initiatiefnemers hebben op basis van de Erfgoedwet een archeologische zorgplicht bij projecten waarbij de bodem wordt verstoord. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
5.8.1.2
Situatie plangebied De gemeenteraad van Hof van Twente heeft het archeologische beleid verwerkt in het geldende bestemmingsplan. Het plangebied kent daarom de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op of in deze gronden mogen zonder archeologisch onderzoek geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld verstoord wordt of het nieuw te bebouwen oppervlak groter is dan 2.500 m2. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' wordt maximaal één woning gerealiseerd. De woning heeft een oppervlakte van circa 155 m2. Dit is ruim beneden de grens van 2.500 m2 zoals opgenomen in de regels van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' . Bovendien wordt de woning gebouwd op gronden waar momenteel een bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen zijn gelegen. De gronden ter plaatse van de beoogde woning zijn dus met zekerheid al geroerd. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
ontwerp
43
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
Gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Op of in deze gronden mogen zonder archeologisch onderzoek geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld verstoord wordt of het nieuw te bebouwen oppervlak groter is dan 10 hectare. Binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' worden maximaal twee woningen met bijgebouwen gerealiseerd. De nieuw te bouwen gebouwen hebben een oppervlakte van circa 455 m2. Dit is ruim beneden de grens van 10 hectare (= 10.000 m2) zoals opgenomen in de regels van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3'. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en 'Waarde Archeologische verwachting 3' overgenomen in de regels en op de verbeelding van voorliggend bestemmingsplan. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1
Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
5.8.2.2
Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf en in de directe omgeving geen bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.
5.8.3
Conclusie Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is in het kader van dit bestemmingsplan niet noodzakelijk. Tevens worden als gevolg van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden geraakt die een belemmering vormen voor de uitvoering van de gewenste ontwikkeling.
5.9
Besluit milieueffectrapportage
5.9.1
Algemeen In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: Een plan kan m.e.r.-plicht zijn indien een passende beoordeling op basis van art.
44
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
2.8 van de Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden.
Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor een bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.- beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. 5.9.2
Situatie plangebied
5.9.2.1
Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet binnen of op korte afstand van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied 'Borkeld' ligt op een afstand van circa 3,2 kilometer van het plangebied. Gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de afstand tot de Natura 2000-gebieden wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Derhalve is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer.
5.9.2.2
Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significante negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in Bijlage 6 van deze toelichting.
ontwerp
45
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
5.9.3
Conclusie Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.-beoordelingsplichtig is.
46
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1
Vigerend beleid
6.1.1
Europees- en rijksbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
6.1.2
Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Water Programma 2022-2027. Het NWP geeft het integrale kader voor het waterbeleid en -beheer van het Rijk voor de periode 2022-2027 (inclusief het Noordzeebeleid). De Stroomgebiedbeheerplannen en Overstromingsrisicobeheerplannen voor de stroomgebieden van de Rijn, Maas, Schelde en Eems en het Programma Noordzee (inclusief het programma Kaderrichtlijn Mariene Strategie) zijn een bijlage bij het NWP. In het NWP worden de nationale componenten van de herijking van het Deltaprogramma vastgelegd. In het NWP worden de voor het waterbeleid relevante nationale belangen uit de NOVI en de toepassing van de afwegingsprincipes hierbij, verder uitgewerkt. Verder geeft het NWP uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en overstromingsrisico's.
6.1.3
Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
6.1.4
Waterschap Rijn en IJssel Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Drents Overijsselse Delta, Vechtstromen en Rijn en IJssel. Het waterschap Rijn en IJssel heeft de doelen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 beschreven. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Het waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. De sturende werking ervan wordt mede bepaald door de mate waarin doelen en maatregelen geconcretiseerd worden. Voor het overgrote deel zijn de lange termijn doelen voor de
ontwerp
47
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
beleidsthema's al vastgesteld; het waterbeheerprogramma 2022-2027 geeft aan hoe het waterschap in de planperiode met deze doelen aan de gang gaat en waar het waterschap in 2027 denkt te staan. 6.1.5
Waterplan Hof van Twente Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinke) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten: Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort. Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.
Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.
6.2
Waterparagraaf
6.2.1
Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).
6.2.2
Watertoetsproces Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het resultaat van de watertoets is opgenomen als Bijlage 7 bij deze toelichting. De beantwoording van de vragen heeft geleid tot een 'normale procedure'. Door het waterschap zijn enkele adviezen voor de waterhuishouding aangegeven.
48
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
6.2.3
Plangebied Waterhuishoudkundige consequenties van een plan mogen niet op de omgeving afgewenteld worden. Het waterschap streeft er naar om de ingrepen binnen een deelstroomgebied waterneutraal te houden. Binnen het plangebied wordt rekening gehouden met de uitgangspunten van het waterschap. Advies klimaatadaptatie Binnen het plangebied wordt netto geen verharding toegevoegd aangezien de bedrijfsbebouwing gesloopt gaat worden. Hemelwater kan infiltreren in de grond en worden vastgehouden. Op deze manier is het plangebied bestand tegen zwaardere buien en langere droge perioden. Advies kwaliteit oppervlaktewater Hemelwater dat van verhard oppervlak direct afstroomt naar het oppervlaktewater kan verontreinigd raken door specifieke activiteiten binnen een plan. In het plangebied worden enkel woningen mogelijk gemaakt die het oppervlaktewater niet verontreinigen. Tevens ligt er geen oppervlaktewater in de nabijheid van het plangebied. Hemelwater wordt in het plangebied opgevangen en zoveel mogelijk ter plaatse geïnfiltreerd in de omliggende tuinen van de woningen en andere onverharde delen binnen het plangebied. Er is voldoende onverhard oppervlak om hemelwater op te vangen. Advies afvalwaterketen Dit bestemmingsplan maakt het mogelijk om het bestaande bedrijf te beëindigen en te slopen. Hierdoor zal er minder afvalwater op het gemeentelijk rioolstelsel worden geloost.
Binnen het plangebied is het tevens mogelijk om twee extra woningen te realiseren. Het afvalwater afkomstig van de nieuwe wording wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van de bestaande gemeentelijke riolering. Advies grondwaterbeheer De ontwikkeling is kleinschalig en zal weinig invloed hebben op het grondwater. Bij de bouw van de nieuwe woning(en) zal rekening worden gehouden met de grondwaterstanden en de benodigde verschillen in hoogten. Verder geldt voor het plangebied de aanduiding 'milieuzone - intrekgebied' ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater. Via deze aanduiding is geborgd dat er, voordat er gebouwd mag worden, advies is gevraagd aan het waterleidingbedrijf. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal dit advies worden opgevraagd en nageleefd. Advies waterwingebied Overijssel In een waterwingebied wordt het grond- of oppervlaktewater gebruikt om er drinkwater van te maken. Om de kwaliteit van het drinkwater te waarborgen moet er voorkomen worden dat grond- en oppervlaktewater binnen een waterwingebied vervuild raakt. Voor het plangebied is de aanduiding 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' opgenomen. Via deze aanduiding is geborgd dat er, voordat er gebouwd mag worden, advies is gevraagd aan het waterleidingbedrijf. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal dit advies worden opgevraagd en nageleefd.
6.2.4
Conclusie De voorgenomen ontwikkeling, het resultaat van de watertoets en de waterparagraaf zijn voorgelegd aan waterschap Rijn en IJssel. Het waterschap concludeert dat de waterbelangen goed zijn gewogen en heeft een positief wateradvies gegeven. Daarnaast zal in kader van de omgevingsvergunning advies gevraagd worden aan het waterleidingbedrijf. Op deze manier wordt voldoende rekening gehouden met het grondwaterbeheer.
ontwerp
49
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische planopzet
Inleiding De in deze toelichting beschreven planopzet is juridisch-planologisch vertaald in een bestemmingsregeling, die (digitaal) bindend is voor overheid en burgers. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen.
7.2
Opbouw van de regels
7.2.1
Algemeen In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP 2012 (Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012). De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels; 4. Overgangs- en slotregels.
7.2.2
Inleidende regels
7.2.2.1
Begrippen In Artikel 1 zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
7.2.2.2
Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten (Artikel 2) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan.
50
ontwerp
Buitengebied Hof van Twente, herziening Goorseweg 45 Markelo
7.2.3
Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a: Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd. Afwijken van de bouwregels: Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan. Specifieke gebruiksregels: In de specifiek gebruiksregels is bepaald welk gebruik van gronden en opstallen in elk geval strijdig is met of wordt toegestaan binnen deze bestemming. Daarbij zijn niet alle mogelijke toegestane en strijdige gebruiksvormen genoemd. Afwijken van de gebruiksregels: Deze afwijking geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om met omgevingsvergunning af te wijken van functies die in eerste aanleg strijdig zijn met de bestemmingsomschrijving of de specifieke gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden: Omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.