Bijlage 2 - Buitengebied Hof van Twente, herziening Luttekeveldweg 9 Markelo Bijlagen bij toelichting.pdf
Tekst van het document
dwergvleermuis wegkruipplekken tussen de dakplaten en het beschot. Deze opstallen kunnen dienen als zomer- en paarverblijf en mogelijk als kraamverblijf. De aanwezigheid van een massawinterverblijf is uitgesloten. De schuur en de tuinkas bieden geen verblijfplaatsen voor vleermuizen. Voorafgaand aan dit onderzoek is dit voorjaar en en begin september door mij persoonlijk al onderzocht doormiddel van een batdetector en sporen of er vleermuizen aanwezig waren. In dit geval was dit niet aan de orde. De beoogde ingrepen kunnen tot gevolg hebben dat jaarrond beschermde verblijf- en voortplantingsplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen vernietigd worden in de woning en de garage. Dit is niet toegestaan bij de Wet Natuurbescherming. In dit kader zal er een nader onderzoek naar vleermuizen moeten plaatsvinden. Dit nadere onderzoek dient vast te stellen of er (zo ja, welke soorten en welke functie) gebruik gemaakt wordt van de opstal en dient plaats te vinden op basis van het protocol voor vleermuisinventarisaties 2021 (GaN). Er dient in de periode 15 mei- 15 juli (kraam-/ zomerverblijf) en 15 augustus- 1 oktober (paarverblijf) onderzoek plaats te vinden.
Bij de onderzoeksopzet dient gelet te worden op de diverse functies die het plangebied kan hebben, op de verschillende soorten vleermuizen die gebruik van de woning en de garage kunnen maken en op de zogenaamde 75% regel uit het vleermuizenprotocol. Mogelijk dienen er naar aanleiding van het nadere onderzoek een ontheffing aangevraagd te worden en mitigerende maatregelen genomen te worden. Nader onderzoek dient plaats te vinden voor aanvang bouwwerkzaamheden – tijdens omgevingsvergunning aanvraag nieuwbouwplannen. In de bomen in en nabij het plangebied zijn geen geschikte holtes/ loszittende schors waargenomen die kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. - Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn uit te sluiten. Er zal door vleermuizen gefoerageerd worden in en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In onderhavige situatie zal dit niet aan de orde zijn. - Er gaat geen significant foerageergebied verloren door de ingreep. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een vliegroute. - Er gaan geen significante vliegroutes verloren in het kader van onderhavig project. Verstoring door licht op de (groene) omgeving dient tijdens de werkzaamheden en in de toekomstige situatie zoveel mogelijk voorkomen te worden.
Amfibieën, reptielen en vissen Er is geen oppervlaktewater aanwezig binnen het plangebied. De aanwezigheid van vissen en voortplantingswater van amfibieën kan derhalve worden uitgesloten. Er is eveneens geen (significant) landhabitat te verwachten voor amfibieën, het terrein is grotendeels bebouwd en verhard. Niet-vrijgestelde en vrijgestelde soorten worden zeker niet verwacht door het ontbreken van oppervlaktewater en geschikt leefgebied. Tevens zijn er in het bronnenonderzoek geen waarnemingen van deze soortgroepen aangetroffen. Het plangebied is vanwege het ontbreken van broeihopen, takkenrillen, heide, bosschages en dergelijke niet geschikt bevonden voor reptielen. - Er zijn geen negatieve effecten te verwachten aangaande deze soortgroepen. Ongewervelden/ overige soorten Het ontbreken van specifieke habitats zoals heide en (laag)veen, grote rivieren en oude, rottende eiken maakt dat de veelal veeleisende Habitatrichtlijnsoorten en exemplaren van de nationaal beschermde soorten van ongewervelden en overige soorten niet te verwachten zijn. In het bronnenonderzoek zijn deze soorten dan ook niet aangetroffen. - Er zijn geen negatieve effecten te verwachten aangaande ongewervelden of overige soorten.
De zorgplicht (art 1.11 Wnb) Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten.
5 CONCLUSIE Onderdeel
Overtreding Nader onderzoek naar/ Periode Wnb/ overige vervolg actie wetgeving
Mitigatie
NNN
Nee
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Soorten
Nee
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Stikstof
Niet aan getoetst
Mogelijk AERIUS berekening
N.v.t.
Niet aan getoetst
Houtopstanden
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
N.v.t.
Flora
Nee
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Nee
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Nee
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Nee
Zorgplicht
Broedseizoen loopt globaal van maart tot en met augustus
Ingrepen buiten broedseizoen uitvoeren of starten, anders check broedgevallen
Nee
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Nee
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Nee
Ja Ja
15 mei – 15 juli 15 augustus – 1 oktober
n.v.t
Natura2000
Vogels § 3.1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn
Jaarrond beschermd nest Functioneel leefgebied Niet jaarrond beschermd nest
Grondgebonden zoogdieren Habitatrichtlijn en Nationaal Verblijfplaatsen Functioneel leefgebied Vleermuizen § 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn
Vaste verblijfplaatsen - Woning
- Bomen
Nee N.v.t.
Essentieel foerageergebied Essentiële vliegroute
N.v.t.
Nee Nee Nee
N.v.t.
Nee N.v.t.
Verstoring door licht op de omgeving tijdens werkzaamheden en in toekomstige situatie zoveel mogelijk voorkomen
Amfibieën/ reptielen/vissen (niet vrijgestelde soorten)
Nee
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Ongewervelden/ overige soorten (streng en strikt beschermde soorten)
Nee
Nee
N.v.t.
N.v.t
Vrijgestelde soorten en alle overige dieren en planten
Nee
Zorgplicht
Altijd
Zoveel mogelijk werken buiten kwetsbare periodes
6 VRIJBLIJVEND ADVIES Bij de nieuwbouw en de inrichting van het terrein kan rekening worden gehouden met soorten door kasten voor vogels en vleermuizen in te bouwen of aan te brengen. Over dit zogenaamde natuurinclusief bouwen is tegenwoordig veel te vinden op internet. Een goede site om informatie en inspiratie op te doen is www.bouwnatuurinclusief.nl. De nieuwe schuur zal eerst gebouwd worden. In deze schuur kunnen dus al maatregelen worden genomen voor vleermuizen voordat de oude woning wordt geamoveerd. Het is raadzaam om een ecoloog/ ter zake kundige bij aanschaf en plaatsing te betrekken.
BIJLAGE 1 NDFF
BIJLAGE 2 WETTELIJK KADER
Wet natuurbescherming (Wnb) De Flora- en faunawet is op 1 januari 2017 overgaan in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet dient ter vervanging van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet en heeft als doel te komen tot één integrale en vereenvoudigde regeling van de natuurbescherming. Hierbij is de Europese regelgeving als uitgangspunt genomen. In de wet is nog steeds een deling van bescherming van soorten en gebieden (Natura2000). Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Alle vogels, in totaal ruim 700 soorten, zijn beschermd (Vogelrichtlijn). Sommige soorten genieten een extra bescherming onder het verdrag van Bern of is het nest ervan jaarrond beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. - Verbodsbepalingen Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.
Bron: Brochure Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, ministerie EZ, versie 1.3 december 2016).
De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten.
Verstoring van vogels is niet verboden indien de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 4 en lid 5). Het is aan de initiatiefnemer om zich ervan te vergewissen – en waar nodig aan te kunnen tonen - dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de vogelsoort en aldus niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort. Het verbod om dieren opzettelijk te doden of te vangen en het verbod om vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, is níet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden (artikel 3.10 lid 3).
- Ontheffing of vrijstelling Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: → Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. → Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn. → Ten slot mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort. De drie criteria op grond waarvan van de verbodsbepalingen afgeweken kan worden, zijn eveneens uit deze twee richtlijnen overgenomen. Dat betekent dat de verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij men een ontheffing kan krijgen (het zogenoemde ‘nee, tenzij-principe’).
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingenmogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Vrijstellingen kunnen in principe gelden voor alle drie de beschermingsregimes. Vrijstellingen van verbodsbepalingen zoals die gelden voor Vogelrichtlijn- of Habitatrichtlijnsoorten, kunnen alleen verleend worden voor in de Europese Vogelrichtlijn of Europese Habitatrichtlijn genoemde belangen. Om soorten vrij te stellen, zal altijd voldaan moeten zijn aan de vereisten van de wet, met name de afweging dat de vrijstelling geen afbreuk mag doen aan het streven de populatie van de betrokken soort in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan (voor
Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten) dan wel dat de vrijstelling niet leidt tot verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoorten. Belangen voor ontheffingsverlening of vrijstelling onder de Wet natuurbescherming Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; • in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; • ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; • ter bescherming van flora of fauna; • voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, • om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Voor soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; • ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; • in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; • voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of • om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben.
Voor andere, 'nationaal' beschermde soorten kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: • de belangen die gelden voor soorten van de Habitatrichtlijn zoals hierboven genoemd; • in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; • ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; • ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; • ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; • in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; • in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; • in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, • in het algemeen belang van de betreffende soort.
Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. In de verordening of regeling staat aangegeven voor
welke verbodsbepalingen, voor welke handelingen en voor welke soorten de vrijstelling geldt. Onder meer op basis van regionale verschillen in de staat van instandhouding van soorten kunnen de vrijgestelde soorten per provincie verschillen.
(Bron: Natuurinclusief, april 2022).
- Gedragscode Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkeling kan een vrijstelling van de verbodsbepalingen mogelijk zijn als u handelt conform een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer of onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Zo is het onder de Wet natuurbescherming mogelijk om via een gedragscode Europees beschermde vogel- en andere dier- en plantensoorten vrij te stellen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, míts er sprake is van een bij respectievelijk Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn genoemd belang.
In een gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt opdat schade aan beschermde dieren en planten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt. Gedragscodes zijn bedoeld voor organisaties die in hun reguliere taken of activiteiten regelmatig met de wet te maken hebben. Elke sector kan een gedragscode opstellen en laten goedkeuren. Wanneer een gedragscode is goedgekeurd, kan eenieder die aantoonbaar in overeenstemming met de betreffende gedragscode handelt, zonder ontheffing de handelingen verrichten. Er kan gecontroleerd worden of er gehandeld wordt volgens de gedragscode. Dat dient aangetoond te worden; de bewijslast dat er correct wordt gehandeld ligt bij de initiatiefnemer. Gedragscodes worden goedgekeurd door de Minister van EZ, in overleg met de provincies. De goedkeuring geldt voor een periode van maximaal vijf jaar. - Ecologisch onderzoek laten uitvoeren Voordat de beoogde ingreep kan plaatsvinden dient inzichtelijk gemaakt te zijn dat er door de ingreep geen overtreding zal plaatsvinden van de Wet natuurbescherming. Meestal wordt eerst een zogenaamde quickscan (natuurtoets) flora en fauna uitgevoerd. Uit dit onderzoek dient naar voren te komen of er vervolgstappen genomen dienen te worden. De vervolgstappen kunnen bestaan uit een nader onderzoek, het nemen van mitigerende maatregelen en/ of het aanvragen van een ontheffing.
De bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn alleen van toepassing als op of rondom de locatie waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden beschermde planten en/of dieren voorkomen of als zich daar hun nesten, voortplantingsplaatsen of rustplaatsen bevinden. Het plangebied is het gebied waar de daadwerkelijke handeling wordt uitgevoerd. Afhankelijk van de kenmerken van de activiteit kunnen storende factoren ook optreden buiten het plangebied. Denk aan verstoring door geluid, waardoor bijvoorbeeld het verbod om soorten opzettelijk te verstoren wordt overtreden. Hoe groot het onderzoeksgebied is hangt dan ook af van de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het onderzoeksgebied is vaak groter dan het plangebied. Andere leefgebieden van een diersoort, zoals foerageergebieden of vaste vliegroutes, worden volgens de uitleg van het Guidance document niet beschermd, tenzij deze samenvallen met de voortplantings- of rustplaatsen. Jurisprudentie maakt echter duidelijk dat in het geval van Habitatrichtlijnsoorten het zodanig verstoren van vaste vliegroutes en/of beschadigen van foerageergebied dat de soort om die reden deze vaste voortplantings- of rustplaatsen (die buiten het plangebied zijn gelegen) zal verlaten, wel onder het verbod van de Habitatrichtlijn valt).
De redenering hierbij is dat bij een dergelijke verstoring de ecologische functionaliteit van de voortplantings- of rustplaatsen niet meer gegarandeerd is. In deze gevallen is dan ook artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming van toepassing. Het ministerie van Economische Zaken heeft een stappenschema opgesteld die door initiatiefnemers doorlopen dient te worden.
Bron: Brochure Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, ministerie EZ, versie 1.3 december 2016).
Natura2000 (gebiedsbescherming) Gebieden die bescherming genieten zijn Natura2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden). Handelingen binnen beschermde gebieden die de wezenlijke kenmerken van het gebied aantasten, zijn in principe verboden en worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Bij ruimtelijke ingrepen in de nabije omgeving van de beschermde gebieden moet worden bepaald in hoeverre de externe werking van de ingreep een effect heeft op het beschermde gebied. Indien er negatieve effecten te verwachten zijn, bijvoorbeeld door een toename van stikstofdepositie, dient er een vervolgonderzoek plaats te vinden. Mogelijk dient er een vergunning Wnb aangevraagd te worden. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming.
Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Ook kan de provincie een ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond. Verder kan de provincie ontheffing verlenen en kan de provincie bij verordening vrijstelling verlenen van zowel de meldingsplicht als de plicht tot herbeplanting.
Nationaal Natuur Netwerk/ Natuurnetwerk Nederland (NNN) De bescherming van het Nationaal Natuurnetwerk/ Natuurnetwerk Nederland (NNN, de voormalige EHS) komt voort uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Het netwerk kan in verschillende provincie andere benamingen hebben, zo heet de NNN in provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en in Noord-Brabant het Natuurnetwerk Brabant. Dit NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur voorrang heeft. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Het NNN kan worden gezien als de ruggengraat van de Nederlandse natuur. In het NNN liggen: bestaande natuurgebieden (waaronder Natura2000, gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt, landbouwgebieden (beheerd volgens agrarisch natuurbeheer) en ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee. In het netwerk geldt voor nieuwe ontwikkelingen het 'nee, tenzij'-principe. Ruimtelijke ingrepen zijn niet toegestaan, tenzij er geen alternatieven zijn. Ook moeten de ontwikkelingen een groot openbaar belang hebben. De schadelijke effecten van de activiteit op de natuur moeten bovendien worden gemitigeerd. De kernkwaliteiten en omgevingscondities vormen het toetsingskader.
De initiatiefnemer dient onderzoek te doen naar eventuele significant negatieve effecten die een activiteit kan hebben op het NNN. Overige natuurgebieden Buiten de bescherming van de Wet natuurbescherming en het NNN bevinden zich ook natuurgebieden beschermd middels provinciaal beleid, veelal beschreven in Omgevingsplannen of Streekplannen. In dit provinciale beleid is de bescherming van bijvoorbeeld ganzenfoerageergebied en weidevogelgebied uitgewerkt. Rode Lijst Rode Lijst soorten zijn soorten die zijn opgenomen op officiële, door het parlement bekrachtigde en in de Staatscourant gepubliceerde, lijsten van soorten die gevoelig of kwetsbaar zijn of zelfs direct in hun voortbestaan bedreigd worden. De bedreigde dier- en
plantensoorten op de Rode Lijsten hebben geen juridische status, tenzij ze ook in de wet zijn opgenomen. De aanwijzing van nationale soorten is mede gebaseerd op de status die de soorten in de rode lijsten hadden ten tijde van het opstellen van de Wnb.
BIJLAGE 3 LIJSTEN BESCHERMDE SOORTEN
BIJLAGE 4
JAARROND BESCHERMDE NESTEN (CATEGORIE 1-5, BRON NATUURINCLUSIEF.NL) Mogelijk dat in de loop der tijd per provincie de lijst met jaarrond beschermde nesten wordt aangepast. Voor een actuele stand van zaken dient altijd de stand van zaken in de desbetreffende provincie bekeken te worden.
BIJLAGE 5 BRONNEN
Atlas van Overijssel www.natura2000.nl www.NDFF.nl www.nederlandsesoorten.nl www.ravon.nl www.synbiosys.alterra.nl www.sovon.nl www.vleermuizenindestad.nl www.vogelbescherming.nl www.vogelvisie.nl www.zoogdiervereniging.nl
Buitengebied Hof van Twente, herziening Luttekeveldweg 9 Markelo
Bijlage 5 Stikstofberekening
vastgesteld
113
AERIUS Calculator 2023 stikstofberekening LUTTEKEVELDWEG 9 MARKELO
Plangegevens Naam
AERIUS berekening Luttekeveldweg 9 Markelo
Plantype
AERIUS Calculator 2023
Status
definitief
Datum
6 oktober 2023
Projectnummer
23AF151
Opdrachtgever
Firma J.W. Welmer en zonen V.O.F. Luttekeveldweg 9 7475 RX Markelo
Opsteller
Ad Fontem Ruimtelijk Advies Stationsstraat 37 7622 LW Borne
074 255 7020 info@ad-fontem.nl www.ad-fontem.nl
H. Visscher Msc
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Contactpersoon
01
INLEIDING
1
02
PROGRAMMA AANPAK STIKSTOF EN DE AERIUS BEREKENING
4
02.1 Programma Aanpak Stikstof (PAS)
4
02.2 Besluit stikstofreductie en natuurverbetering
5
02.3 AERIUS Calculator 2023
5
TOETSING ONTWIKKELING
6
03.1 Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied
6
03.2 Methode
7
03.3 Uitgangspunten
9
03.4 Conclusie
21
ANALYSEBESTANDEN
23
03
04
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Inhoudsopgave
AERIUS BEREKENING
01 INLEIDING
Voor de percelen aan de Luttekeveldweg 9 is een plan ontwikkeld. Op deze locatie bevinden zich nu een timmerbedrijf. De initiatiefnemer is voornemens om de bestaande werkplaatsen aan de Luttekevelweg 9 in Markelo te vervangen door twee nieuwe werkplaatsen. Eén van de werkplaatsen zal door een ander bedrijf worden gebruikt voor het produceren van houtskeletbouw onderdelen.
De initiatiefnemer wenst te waarborgen dat de gezamenlijke oppervlakte aan bedrijfsgebouwen een oppervlakte mag hebben van ten hoogste 1.500 m2. Om de realisatie van de werkplaatsen mogelijk te maken dienen oude werkplaatsen op het terrein te worden gesloopt. De gezamenlijke oppervlakte van de te slopen bebouwing bedraagt circa 760 m2. De ontwikkeling heeft betrekking op het percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Markelo sectie O nummer 328, 725, 726, 727, 728, 729 en 730. De planlocatie ligt in het buitengebied van Markelo.
Verder wordt uitgegaan dat voorliggend project een doorlooptijd heeft van ongeveer een jaar (240 werkdagen) en dat de werkplaatsen niet worden aangesloten op het gasnetwerk. Daarnaast wordt bij de realisatie van de nieuwe werkplaatsen gebruik gemaakt van een elektrische verreiker/miniheftruck, hoogwerker en een hijskraan.
In figuur 1 wordt de ligging van het plangebied weergegeven (rode ster) en in figuur 2 de begrenzing van het plangebied (rood omkaderd). In figuur 3 is een impressie weergegeven van de beoogde
01
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
ontwikkeling op de percelen aan de Luttekeveldweg 9 in Markelo.
AERIUS BEREKENING
Figuur 2: begrenzing van het plangebied (bron: PDOK viewer)
02
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Figuur 1: ligging van het plangebied (bron: Google Maps)
AERIUS BEREKENING
Figuur 3: impressie van de beoogde ontwikkeling (bron: Welmer Timmer en Bouwbedrijf)
Als gevolg van de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling en het gebruik van de bestaande woningen in de toekomstige situatie, zal bij de verbranding van fossiele brandstoffen zowel stikstof als ammoniak worden uitgestoten, welke kunnen neerslaan in kwetsbare natuur. Op voorhand zijn negatieve effecten voor het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet uit te sluiten. Derhalve heeft initiatiefnemer Ad Fontem gevraagd om de effecten van deze emissies op kwetsbare Natura 2000
03
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
gebieden te onderzoeken.
AERIUS BEREKENING
02 PROGRAMMA AANPAK STIKSTOF EN DE AERIUS BEREKENING
02.1
Programma Aanpak Stikstof (PAS)
Volgens de Wet natuurbescherming is een vergunning nodig voor activiteiten die kunnen leiden tot schade aan Natura 2000-gebieden, bijvoorbeeld als gevolg van stikstofdepositie (uitstoot en neerslag van stikstof). Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura 2000– gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Te veel stikstof is slecht voor planten die leven op voedselarme grond. Als deze planten verdwijnen, kan dat ook slecht zijn voor dieren die in dat gebied leven. Daarnaast leidt stikstof tot verzuring van de bodem. In sommige delen van de Natura 2000-gebieden is de hoeveelheid stikstof te hoog.
De overheid wil de hoeveelheid stikstof in de natuur (stikstofdepositie) terugdringen. Daarvoor introduceerde zij in 2015 het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Dit programma was ook gericht op het versterken van de natuur en het maakte tegelijkertijd economische ontwikkeling mogelijk. Op 29 mei 2019 heeft het hoogste bestuursorgaan van ons land, de Raad van State, de vergunningen op basis van het PAS ongeldig verklaard omdat dit in strijd is met de Europese natuurwetgeving. De overheid werkt nu aan een nieuwe aanpak stikstof. De depositie van stikstof vindt plaats in de vorm van NOx (stikstofoxide) en NH3 (ammoniak). De depositie van NOx vindt onder meer plaats bij de verbranding van fossiele brandstoffen. De depositie van NH3 is voor het overgrote deel afkomstig van de landbouw.
Om voor afzonderlijke projecten aan te tonen wat het effect is op Natura 2000-gebieden is het rekeninstrument AERIUS in het leven geroepen. Op 5 oktober 2023 is de laatste actualisatie van de AERIUS calculator uitgevoerd. De noodzaak voor deze actualisatie bleek uit een nieuw rapport van Wageningen Environmental Research over de Kritische Depositie Waarden (KDW’n) in opdracht van de minister voor Natuur en Stikstof waarin internationaal onderzoek naar Nederland is vertaald. De
groter. De KDW is de wetenschappelijk bepaalde waarde waarboven het risico bestaat dat natuur significante schade lijdt door de invloed van stikstof. Die is per type natuur verschillend. Die waarden worden ongeveer elke tien jaar op Europees niveau geactualiseerd op basis van internationaal onderzoek.
04
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
opgave om de natuur op een gezond niveau te krijgen en wettelijke doelen te halen, wordt daarmee
AERIUS BEREKENING
02.2 Besluit stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Deze wet regelt onder meer drie resultaatverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura-2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningsvrij waren is in de wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden.
De wet maakte een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. De vrijstelling was van toepassing voor de bouw-, aanlegen sloopactiviteiten van projecten. Op 2 november 2022 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak Porthos echter de partiële vrijstelling van tafel geveegd. Dit betekent dat bij het maken van een stikstofberekening (AERIUS) zowel een berekening van de aanleg- als gebruiksfase nodig is.
02.3 AERIUS Calculator 2023 Het rekeninstrument AERIUS Calculator 2023 berekent zowel de stikstof- als ammoniakdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Met het rekeninstrument kan de uitstoot van stikstof/ammoniak en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend. De uitkomst van de berekening geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan voor wat betreft stikstof
05
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
en ammoniak.
AERIUS BEREKENING
03 TOETSING ONTWIKKELING
03.1
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied
Het plangebied ligt aan de Luttekeveldstraat 9 in het buitengebied van Markelo. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Borkeld) ligt op een afstand van circa 1662 meter ten noorden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ligt op 1801 meter. In figuur 4 is de globale ligging van het plangebied ten opzichte van de (stikstofgevoelige) Natura 2000-gebieden weergegeven (rode ster).
Op grotere afstand zijn meerdere Natura 2000-gebieden gelegen, zoals Sallandse Heuvelrug op circa 7,3 kilometer. Deze wordt echter niet op onderstaande kaart weergegeven. De AERIUS-calculator 2023 rekent automatisch de depositiebijdrage tot 25 kilometer vanaf het plangebied. Dus de Natura 2000-gebieden die op onderstaande kaart niet zichtbaar zijn, worden automatisch meegenomen in de voorliggende AERIUS-berekening, wanneer die binnen de straal van 25 kilometer van het plangebied liggen. Indien binnen de afstand van 25 km van de planlocatie ook buitenlandse Natura 2000gebieden liggen, dan moeten deze gebieden ook worden meegenomen. Het dichtstbijzijnde Duitse natuurgebied ligt op 24 km, dit is ‘Vogelschutgebiet ‘Moore und Heiden des westlichen
Figuur 4: afstand plangebied met dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (bron: AERIUS Calculator 2023)
06
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Munsterlandes’’. Derhalve is dit natuurgebied meegenomen in de berekening.
AERIUS BEREKENING
03.2 Methode
03.2.1 Referentiesituatie De stikstofemissie die gepaard gaat met de voorgenomen ontwikkeling moet bezien worden in relatie tot de referentiesituatie. Ingevolge de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt als referentiesituatie bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan ter vervanging van het vigerende bestemmingsplan: de huidige – legale – feitelijke situatie ten tijde van de vaststelling van het nieuwe plan.
03.2.2 Beoogde Situatie Om de emissie/depositie van NOx en/of NH3, als gevolg van de beoogde situatie te berekenen wordt in de voorliggende AERIUS-berekening een onderscheid gemaakt in de aanleg- en gebruiksfase:
Aanlegfase Betreft de daadwerkelijke bouw van een voorliggend project zoals het bouwrijp maken van gronden t.b.v. nieuwbouw (aanleg van kabels etc.), het bouwen van de beoogde nieuwbouw en het afwerken van de overige gronden binnen het plangebied. In de voorliggende AERIUS-berekening kan er in de aanlegfase op twee mogelijke manieren stikstof en ammoniak vrijkomen: 1.
Werkvoertuigen op de bouwlocatie: a.
betreft het werkmateriaal dat wordt ingezet voor het slopen van de bestaande bedrijfsgebouwen en het bouwrijp maken van het plangebied voor de realisatie van de beoogde werkplaatsen (voorbereidingsfase);
b.
betreft het werkmateriaal dat wordt ingezet voor de realisatie van de beoogde werkplaatsen (realisatiefase);
c.
betreft het werkmateriaal dat wordt ingezet voor de afwerking van gronden nadat de beoogde werkplaatsen zijn gerealiseerd (afrondingsfase).
2.
Verkeersbewegingen naar het plangebied: dit betreft de verkeersbewegingen van- en naar het plangebied c.q. de bouwplaats. De calculator berekent de depositiebijdrage van het wegverkeer met een implementatie uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 tot een
nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied op circa 1801 meter afstand van het plangebied. Verkeersbewegingen van en naar het plangebied dienen derhalve meegenomen te worden.
Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende 07
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
afstand van 25 kilometer van de weg. Bij voorliggende ontwikkeling ligt het meest
AERIUS BEREKENING
verkeersbeeld. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit het geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden.
Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase kan er op twee mogelijke manieren stikstof vrijkomen: 1.
Gebruik van de werkplaatsen: in het voorliggende geval zullen er twee werkplaatsen worden gerealiseerd, waarin geen sprake zal zijn van een gasaansluiting. Hierdoor zal geen sprake zijn van uitstoot van stikstof of ammoniak als gevolg van het verwarmen, het koken en/of verwarmen van tapwater in de werkplaatsen. Daarmee zal in de gebruiksfase geen sprake zijn van de uitstoot van NOx. Er vindt geen emissie plaats als gevolg van het verwarmen en/of het verwarmen van tapwater in de werkplaatsen.
2.
Gebruik van de twee-onder-een-kapwoningen: in het voorliggende geval zal er sprake zijn van bestaande woningen, waarin sprake zal zijn van een gasaansluiting. Hierdoor zal sprake zijn van uitstoot van stikstof of ammoniak als gevolg van het verwarmen, het koken en/of verwarmen van tapwater in de werkplaatsen. Daarmee zal in de gebruiksfase sprake zijn van de uitstoot van NOx. Er vindt emissie plaats als gevolg van het verwarmen en/of het verwarmen van tapwater in de woningen.
3.
Verkeersbewegingen gebruiksfase: dit betreft de verkeersbewegingen van- en naar de planlocatie. De calculator berekent de depositiebijdrage van het wegverkeer met een implementatie uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007 tot een afstand van 25 kilometer van de weg. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is gelegen op circa 1801 meter afstand. Dit betekent dat de verkeersbewegingen in de berekening meegenomen dienen te worden.
Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is dit het
stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. De berekening heeft dienovereenkomstig plaatsgevonden.
08
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
geval op het moment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en
AERIUS BEREKENING
03.3 Uitgangspunten
03.3.1 Referentiesituatie In de huidige situatie is er binnen het plangebied sprake van de volgende bebouwing: •
twee twee-onder-een-kap woningen,
•
een kantoor/berging,
•
een garage
•
bedrijfsgebouwen: werkplaatsen schafgelegenheid en opslag.
Het gebruik van deze gebouwen leidt tot een bepaalde verkeersgeneratie. Voor het opwarmen van de woningen, het koken en/of verwarmen van tapwater in de woningen wordt er gas verbruikt. Derhalve wordt er in de huidige feitelijke legale situatie stikstof- en/of ammoniak ongetwijfeld al stikstof uitgestoten. Onderstaand worden de twee mogelijke manieren van uitstoot nader beschreven en worden de emissies als gevolg daarvan weergegeven. De beschreven emissies zullen in de AERIUScalculator 2023 worden opgenomen en de resultaten worden later in de voorliggende rapportage beschreven.
Gas verbruik De bestaande twee-onder-een-kapwoningen, kantoor en een deel van de bedrijfsgebouwen worden met gas verwarmd. Het totale gasgebruik bedroeg tussen mei 2022 – mei 2023 in totaal 6111 m3.
Volgens de Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator 2023, levert 1 m³ aardgas circa 9 m³ rookgas op. Dit komt neer op 54.999 nm³ rookgas per jaar (berekening: 6111*9). Met een emissieconcentratie van 70 mg/nm³ NOx bedraagt de NOx emissie afgerond 3,84 NOx kg/j ((berekening: 54.999 * 70) / 1.000.000).
Verkeersbewegingen Dit betreft de verkeersgeneratie die de woning en de bedrijfsgebouwen met zich mee brengt. Als uitgangspunt zijn de kengetallen van de 381e CROW uitgave, het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte, aangehouden. Voor de berekening van de
•
De twee-onder-een-kapwoningen vallen onder de categorie: ‘koop, huis, twee-onder-een-kap';
•
De bedrijfsgebouwen vallen onder ‘bedrijf arbeidsintensief/bezoekersextensief (industrie, laboratorium, werkplaats);
09
•
Het kantoortje valt onder ‘kantoor (zonder baliefunctie);
•
stedelijkheidsgraad: niet stedelijk en buitengebied.
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:
AERIUS BEREKENING
De twee-onder-een-kapwoningen Voor een twee-onder-een-kapwoning geldt een verkeersgeneratie van dagelijks maximaal 8,2 verkeersbewegingen. Voor de twee woningen samen komt dit uit op afgerond 17 verkeersbewegingen per etmaal (berekening: 8,2 * 2)
Omdat het gebruik van de woningen mogelijk tot huishoudelijk afval zal leiden dat dient te worden opgehaald door een vuilniswagen, is in de voorliggende AERIUS berekening rekening gehouden met 0,02 zware bewegingen per woning. Dit conform de CROW-publicatie 381. Dit leidt in totaal tot 0,04 zware verkeersbewegingen per dag (berekening: 0,02*2). Omdat de AERIUS calculator met hele getallen rekent, wordt in de berekening worst-case uitgegaan van 2 zware verkeersbewegingen per dag.
De bedrijfsgebouwen Voor
de
bedrijfsgebouwen
geldt
een
verkeersgeneratie
van
dagelijks
maximaal
10,9
verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. Voor circa 760 m2 aan bedrijfsgebouwen bedraagt de verkeersgeneratie 83 verkeersbewegingen per etmaal. Dit is inclusief vrachtwagenverkeer (berekening:760/100*10,9).
Omdat we uitgaan van werkdagen dient het aantal verkeersbewegingen vermenigvuldigd te worden met 1.33. Dit komt derhalve neer op afgerond 111 verkeersbewegingen. .(berekening…
Volgens CROW bestaat 20% van de verkeersgeneratie uit vrachtverkeer. Dagelijks gaat het om 23 verkeersbewegingen
gegenereerd
door
vrachtverkeer
(berekening:
111*0,2).
Dit
kan
weer
onderverdeeld worden in 60% zwaar en 40% middelzwaar. In totaal komt dit neer op afgerond 10 middelzware vrachtbewegingen (berekening: 23*0.4) en 14 zware vrachtbewegingen (berekening: 23 * 0.6) en 87 lichte verkeersbewegingen (berekening: 111-24).
Kantoor Voor het kantoorgebouwtje dat een oppervlakte van circa 65 meter heeft, geldt een verkeersgeneratie van dagelijks maximaal 9,6 verkeersbewegingen per 100 m2 bvo. Dit komt neer op
Omdat we uitgaan van werkdagen dient het aantal verkeersbewegingen vermenigvuldigd te worden met 1.33. Dit komt derhalve neer op afgerond 10 verkeersbewegingen (berekening: 7*1,33).
10
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
een totaal van afgerond 7 verkeersbewegingen (berekening: 65/100* 9,6).
AERIUS BEREKENING
Het totaal van de woningen, kantoor en bedrijfsgebouwen komt uit op 114 lichte verkeersbewegingen per
etmaal
(berekening:
17+87+10),
10
middelzware
verkeersbewegingen
en
16
zware
verkeersbewegingen (berekening: 14+2).
Bij het modelleren van het wegverkeer is rekening gehouden met een file percentage van 75% om stagnatie op de weg (rood stoplicht, bochten e.d.) in de berekening mee te nemen. Ook is rekening gehouden met manoeuvrerende bewegingen van middelzware en zware vrachtwagens op eigen terrein middels een separate bron. Omdat vrachtwagens in bepaalde gevallen met een draaiende motor laden en lossen, is tevens een separate bron opgenomen voor de emissies tijdens het laden/lossen op de bouwplaats. Voor zowel het middelzwaar als het zwaar vrachtverkeer wordt uitgegaan van de kencijfers die gelden voor zwaar vrachtverkeer. Hiervoor is gebruik gemaakt van de emissiekengetallen opgenomen als bijlage bij de handreiking ‘instructie gegevensinvoer voor AERIUScalculator 2023’, uitgaande van een NOx emissie van afgerond 79 gram/uur en een NH3 emissie van afgerond 0,90 gram/uur en een lostijd van 10 minuten. Dit resulteert in de volgende emissies: 0,35 kg/j NOx en 0,039 g/j.
Voor het tillen of verplaatsen goederen en laden/lossen vrachtwagens wordt rekening gehouden met de inzet van elektrische werkvoertuigen op eigen terrein.
Het aannemelijk dat een gedeelte van het gebruiksverkeer van en naar de locatie rijdt via de Luttekeveldweg en aansluitend de Borkelweg en de Holterweg. Vanaf de Holterweg kan eenvoudig de A1 worden bereikt. De verkeersbewegingen worden geacht in het heersende verkeersbeeld te zijn opgenomen, indien ze oprit van het erf aan de Luttekeveldweg 11 hebben bereikt. Vanaf hier zal de maximale toegestane snelheid op de betreffende wegen eenvoudig behaald kunnen worden en is het verkeer vanwege het rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden van het overige verkeer. Het is aannemelijk dat het overige gedeelte van het gebruiksverkeer van en naar de locatie rijdt via de Luttekeveldweg en aansluitend de Leusmanweg en de Holterweg. Vanaf de Holterweg kan eenvoudig het centrum van Markelo worden bereikt. De verkeersbewegingen worden geacht in het heersende verkeersbeeld te zijn opgenomen, indien ze de oprit van het erf aan de Luttekeveldweg 1. Vanaf hier zal de maximale toegestane snelheid op de betreffende wegen eenvoudig behaald kunnen worden en
03.3.2 Aanlegfase 03.3.2.1
Algemeen
Voor de berekening van de stikstofdepositie in de aanlegfase wordt er gebruik gemaakt van kengetallen op basis van ervaringen bij vergelijkbare bouwprojecten elders in het land. In deze
11
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
is het verkeer vanwege het rij- en stopgedrag niet meer te onderscheiden van het overige verkeer.
AERIUS BEREKENING
gegevens wordt uitgegaan van het brandstofverbruik per type werkvoertuig. Het (te verwachten) aantal draaiuren is berekend op basis van het aantal dagen dat een werkvoertuig gemiddeld op de bouwplaats staat. Deze twee gegevens worden met elkaar vermenigvuldigd om het totaal aantal brandstofverbruik (B = P max * 0,095 + 0,54 * D) en de daarmee gemoeide stikstof- en ammoniak depositie te berekenen, e.e.a. conform de “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS-calculator 2023”.
In het voorliggende geval wordt uitgegaan dat werktuigen vanaf STAGE IV gebruikt zullen worden, omdat nieuwere machines in het gebruik en verbruik duurzamer zijn. Ook zijn ze tegenwoordig eenvoudig te vinden. Bovendien is duurzaam ontwikkelen vaak een vereiste vanuit de gemeente om nadelige effecten voor het natuur zo veel mogelijk te beperken. Door gebruik van STAGE IV werktuigen kunnen nadelige effecten voor het natuur door toepassing van nieuwe technieken beperkt worden. Zo is o.a. mogelijk om aan het dieselverbruik AdBlue toe te voegen, waarmee het verbruik zuiniger wordt en dus minder stikstof wordt uitgestoten. Omdat AdBlue relatief eenvoudig te regelen is voor ontwikkelaars en aannemers, wordt in de voorliggende AERIUS-berekening uitgegaan dat er AdBlue wordt toegepast op de bouwplaats. De hoeveelheid AdBlue verbruik wordt in de AERIUScalculator bij STAGE IV werktuigen gelimiteerd tot 7% van het dieselverbruik. Echter blijkt uit onderzoek van de TNO (Ligterink et al 2021) dat het AdBlue verbruik maximaal 6% van het dieselverbruik mag bedragen. Hierdoor wordt in de voorliggende AERIUS-berekening maximaal 6% AdBlue verbruik toegepast.
In aansluiting van het vorenstaande wordt er vanuit gegaan dat een werkvoertuig op de bouwplaats gemiddeld zes uur per dag gebruikt zal worden. In feite zal de werkelijke belasting van het werktuig lager liggen, omdat deze niet continue volledig worden belast. De meeste tijd zullen de werktuigen immers uitstaan, dan wel stationair draaien. Verder wordt bij het maken van berekeningen telkens naar boven afgerond, aangezien de AERIUS-calculator met hele getallen rekent. Voor het berekenen van het AdBlue verbruik wordt worst-case naar beneden afgerond. Door gebruik te maken van deze uitgangspunten kan er een defensieve inschatting worden gemaakt van het te verwachten gebruik. In praktijk zal het verbruik en de daarbij behorende stikstofdepositie naar verwachting dan ook lager uitvallen, aangezien werkvoertuigen niet allemaal volledig en continue gebruikt zullen worden.
03.3.2.2
Voorbereidingsfase
Alvorens de gronden binnen het plangebied bouwrijp gemaakt kunnen worden, dienen er vier schuren/werkplaatsen gesloopt te worden. De te slopen bebouwing heeft een gezamenlijk oppervlakte van circa 760 m2. Voor het verzetten van puinafval zal naar verwachting een graafmachine en shovel worden ingezet, waarbij het puinafval in containers geladen zal worden.
12
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Sloop
AERIUS BEREKENING
Het is op voorhand niet exact bekend hoelang de graafmachine daarvoor ingezet zal worden. Ook is niet exact bekend hoeveel puinafval zal vrijkomen. Op het internet is er een vuistregel te vinden voor het berekenen van puinafval. Die vuistregel is: lengte muur x hoogte muur x dikte muur x 1,3. De te slopen bebouwing heeft een oppervlak van circa 760 m². (opslag: (13 m * 9m) + (3.4 m * 6 m) = 137 m2, werkplaats 1: 9.5 * 20 = 190 m2, houtopslag; 13.6 m * 8 m = 109 m2, werkplaats 2: 16 m * 20 m = 320 m2) Indien alle lengtes en breedtes bij elkaar op worden geteld en een hoogte van 10 meter (maximale bouwhoogte bestemmingsplan) wordt aangehouden en een muurdikte van 10 cm, bedraagt de inhoud van het puinafval op basis van de vuistregel circa 309 m3 (berekening: lengte: ((13 + 3.4 + 9.5 + 13.6 + 16)* 10 * 0.1 * 1.3 * 2 = 144.4 m3), breedte ((9 + 6 + 20 + 8+ 20) *10 * 0.1 * 1.3 * 2 = 163,8 m3) lengte + breedte = 309). Een kraanbak heeft een minimale inhoud van 0,7 m³. Dit zorgt voor afgerond 442 scheppen (berekening: 300/0.7). Een graafbeweging duurt gemiddeld 1,5 minuut. Dit komt neer op afgerond 12 uur (berekening: 442*1,5/60) voor de graafmachine. Omdat er zowel gesloopt als geladen gaat worden, wordt er volledigheidshalve uitgegaan van he dubbele aantal draaiuren (24 uur).
Naast de inzet van shovel en de graafmachine zal er lichamelijk arbeid plaatsvinden, bijvoorbeeld met een breekijzer bebouwing slopen, of met een schop puin laden in een container. Dit leidt niet tot een stikstof of ammoniakuitstoot.
Voor wat betreft het afvoeren van puinafval wordt zoals hierboven beschreven, naar verwachting gebruik gemaakt van containers. Gelet op de omvang van het te slopen gedeelte wordt verwacht dat voor de 4 schuren/werkplaatsen, 8 containers met een inhoud van 40 m³ volstaan voor het afvoeren van het puinafval (berekening: 309/40). Wanneer een container vol zit, dan komt er een vrachtwagen om deze op te halen. Geacht wordt dat voor elke container 1 vrachtwagen is benodigd. Op basis van dit uitgangspunt komt dit neer op 8 vrachtwagens. De hierboven beschreven informatie is in de AERIUS calculator 2023 ingevoerd. In onderstaande tabel worden de ingevoerde gegevens overzichtelijk weergegeven.
Bouwrijp maken
grond bouwrijp te worden gemaakt. Hierbij kan worden gedacht aan het afgraven van een sleuf voor de fundering, bedradingen en voor leidingen. Hierbij zal naar verwachting gebruik worden gemaakt van een graafmachine en een shovel om de afgegraven grond af te voeren.
13
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
Alvorens de nieuwe werkplaatsen gerealiseerd kunnen worden, dient de voor nieuwbouw bestemde
AERIUS BEREKENING
De beoogde bouw van het bedrijfspand heeft een oppervlakte van maximaal 1500 m². Deze oppervlakte dient bouwrijp te worden gemaakt. Ervan uitgaande dat de sleuf 0,7 m diep wordt afgegraven, leidt dit afgerond tot 1.050 m³ grond (berekening: 1500*0,7). Een kraanbak heeft een minimale inhoud van 0,7 m³. Dit zorgt voor afgerond 1500 scheppen (berekening: 1050/0.7). Een graafbeweging duurt gemiddeld 1,5 minuut. Dit komt neer op afgerond 38 uur (berekening: 1500*1,5/60) voor de graafmachine.
De grond zal naar verwachting middels een shovel in een container worden geladen. Volledigheidshalve wordt hiervoor net zo veel uren gerekend als voor de graafmachine (tevens 38 uur).
Voor het afvoeren van grond zal naar verwachting een container op de bouwplaats worden geplaatst. Ervan uitgaande dat er een container wordt geplaatst met een inhoud van circa 40 m³, zijn er afgerond 39 containers benodigd (1050/40). Wanneer een container vol zit, dan komt er een vrachtwagen om deze op te halen. Geacht wordt dat voor elke container 1 vrachtwagen is benodigd. Op basis van dit uitgangspunt komt dit neer op 39 vrachtwagens (39*1).
Tot slot wordt rekening gehouden met de inzet van eventuele overige werktuigen, zoals een trilstamper of trilplaat, voor het aanstampen van grond. Volledigheidshalve wordt hiervoor maximaal 12 uur uitgetrokken, te weten 2 volledige werkdagen.
De hierboven beschreven informatie is in de AERIUS calculator ingevoerd. Dit heeft geresulteerd tot de volgende emissies:
03.3.2.3
Realisatiefase
Funderingen en bouwlagen Uitgegaan wordt dat de fundering van de werkplaatsen wordt aangebracht door gebruik te maken van een betonpomp. Gezien de maximale aanvoer- en loscapaciteit van beton en de stortcapaciteit van
gat afgegraven van 1050 m³. Indien er worst-case vanuit wordt gegaan dat het gehele gat wordt vol gestort, dan komt dit neer op afgerond 15 uur voor de betonpomp (berekening: 1050/72).
14
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
een betonpomp wordt uitgegaan van maximaal 72 m³ beton per uur. In de voorbereidingsfase is er een
AERIUS BEREKENING
Ruwbouw Als de fundering is gestort, dan kan er worden begonnen met het plaatsen van de ruwbouw van de bedrijfshal. Bij het plaatsen van de ruwbouw kan worden gedacht aan het plaatsen van de dakconstructie, wanden en andere zware bouwelementen. Daarnaast dient het gebouw wind- en waterdicht te worden gemaakt. Er wordt uitgegaan dat het isoleren zal worden verricht door het gebruik van (elektrisch) handgereedschap. Voor het plaatsen van de staal- en wandconstructie zal naar verwachting een elektrische hijskraan worden ingezet.
Voor de werkzaamheden waarbij een hijskraan benodigd is, wordt uitgegaan van een inzet van 4 weken in totaal voor de bouw van de twee werkplaatsen. In totaal zal de hijskraan voor bovengenoemde werkzaamheden in totaal 20 werkdagen worden ingezet (berekening: 4 weken * 5 werkdagen). Ervan uitgaande dat de hijskraan binnen deze periode maximaal 6 uur per dag wordt ingezet, dan zal de hijskraan naar verwachting voor 120 uur worden ingezet (berekening: 20*6). De opdrachtgever heeft aangeven zelf over een elektrische bouwkraan te beschikken. Dit werktuig is derhalve niet opgenomen in de AERIUS-berekening.
Afbouw Nadat de ruwbouw gereed is, kunnen de werkplaatsen worden afgebouwd. Tijdens de afbouw zal naar verwachting een elektrische verreiker worden ingezet voor het tillen/verplaatsen van zware bouwmaterialen. Ook zal naar verwachting een elektrische hoogwerker worden ingezet, voor als de bouwvakkers bij bepaalde plekken moeilijk kunnen komen om montages te verrichten. Het is niet exact bekend hoelang het duurt om een werkplaats af te bouwen. Voor het afbouwen van de werkplaatsen wordt uitgegaan van een doorlooptijd van 8 weken, voor het hele project. De verreiker en hoogwerker zullen binnen deze periode naar verwachting niet volledig worden ingezet, maar alleen indien ze noodzakelijk zijn. Ervan uitgaande dat de elektrische hoogwerker binnen de periode van 8 weken respectievelijk maximaal 2 uur per dag worden ingezet, komt dit neer op 80 uur voor de hoogwerker (berekening: 8 weken * 5 werkdagen * 2 uur). Omdat de verreiker met name zal worden ingezet voor het heen en weer verplaatsen of tillen van bouwmaterialen wordt uitgegaan dat de verreiker binnen de periode van 8 weken maximaal 1 uur per dag worden ingezet. Dit komt neer op 40 uur voor de elektrische verreiker (berekening: 8 weken * 5 werkdagen * 1 uur). De opdrachtgever heeft beschikken over zowel een elektrische hoogwerker als verreiker. Deze werktuigen zijn derhalve niet
De hierboven beschreven informatie is in de AERIUS calculator ingevoerd. Dit heeft geresulteerd tot de volgende emissies:
15
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
opgenomen in de AERIUS berekening.
AERIUS BEREKENING
Tot slot moeten bouwmaterialen, beton en mogelijk andere benodigdheden worden gelost op de bouwplaats. Het is op voorhand niet bekend hoeveel vrachtwagens exact naar de bouwplaats zullen komen. Rekening wordt gehouden met dagelijks 2 vrachtwagens voor het aanleveren van beton, bouwmaterialen en andere benodigdheden. Uitgaande van een totale bouwtijd van circa 13 weken, komt dit neer op 130 vrachtwagens (berekening: 13*5*2).
03.3.2.4
Afrondingsfase
Wanneer de bouw van de bedrijfshal is afgerond, dienen de gronden eromheen te worden afgewerkt. Dit heeft met name betrekking op de realisatie van bestrating, parkeerplaatsen en groen. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 6500 m2. De oprit en een deel van het erf zal worden bestraat. Aangenomen wordt dat naar verwachting een oppervlakte van circa 1200 m2 zal worden bestraat. Voor het bestraten van de gronden dienen deze eerst enigszins afgegraven te worden. Klinkers hebben ongeveer een diepte van maximaal 15 centimeter. Door de gronden 25 centimeter diep af te graven leidt dit afgerond tot 300 m³ grond (berekening: 1200 *0,25). Zo is er tevens ruimte voor vulzand of breekzand dat kan worden aangebracht onder de klinkers.
Voor het afgraven van de gronden zal naar verwachting een graaflaadcombinatie worden ingezet. Voor het afvoeren van grond zal naar verwachting een shovel worden gebruikt. Een kraanbak heeft een minimale inhoud van 0,7 m³. Dit zorgt voor afgerond 429 scheppen (berekening: 300/0.7). Een graafbeweging duurt gemiddeld 1,5 minuut. Dit komt neer op afgerond 11 uur (berekening: 429*1,5/60) voor de graafmachine. Voor het afvoeren van grond wordt volledigheidshalve ook 11 uur gerekend. Voor het afvoeren van grond zal naar verwachting een container op de bouwplaats worden geplaatst. Ervan uitgaande dat er een container wordt geplaatst met een inhoud van circa 40 m³, zijn er afgerond 8 containers benodigd (berekening: 300 /40). Wanneer een container vol zit, dan komt er een vrachtwagen om deze op te halen. Dit komt neer op 8 vrachtwagens.
Daarnaast dienen de klinkers en eventuele beplanting naar het plangebied te worden gebracht. Op
oppervlak van 1200 m² aan klinkers komt dit neer op maximaal afgerond 150 pallets (berekening: 1200/8). Een vrachtwagen kan circa 35 pallets vervoeren. Dit betekent dat er maximaal 5 vrachtwagenladingen benodigd zijn (berekening: 150/35). Voor het brengen van eventuele beplanting wordt uitgegaan van 1 vrachtwagenlading. In totaal worden in de afrondingsfase gebruik gemaakt van 14 vrachtwagens (8 voor grond, 5 voor bestrating en 1 voor beplanting).
16
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
een pallet past circa een oppervlak van 8 m² aan klinkers. Op basis van dit uitgangspunt en een totaal
AERIUS BEREKENING
Tot slot dienen de gronden te worden aangestampt, hiervoor wordt naar verwachting een trilplaat/trilstamper ingezet. Voor het aanplanten van bomen en beplanting wordt naar verwachting een mini-graafmachine ingezet. Gezien het grote oppervlakte van het terrein (circa 6500 m2) wordt er in deze berekening ervan uitgegaan dat de mini-graafmachine 1 volle werkdag (6 uur) wordt ingezet (berekening: 1*6). Voor de trilstamper wordt uitgegaan van een inzet van 2 volle werkdag (12 uur). De hierboven beschreven informatie is in de AERIUS calculator ingevoerd. Dit heeft geresulteerd tot de volgende emissies:
Voor de verkeersbewegingen door vrachtwagens wordt een separate bron opgenomen die later in het voorliggende document wordt behandeld.
03.3.2.5
Bouwverkeer
Voor het bouwverkeer tijdens de aanlegfase van en naar het plangebied is een onderscheid gemaakt tussen lichtverkeer en middel- en zwaar verkeer.
Licht verkeer (verkeersgeneratie vaklieden) De totale duur van de aanlegfase duurt naar verwachting maximaal een jaar. Binnen deze periode komen er naar verwachting dagelijks maximaal 5 voertuigen (auto’s en busjes) tegelijk op de bouwplaats. Uitgaande van een doorlooptijd van een jaar en een werkbare periode van 240 werkdagen ((52-4)*5)), komt dit neer op 1200 voertuigen (berekening: 240*5) tijdens de aanlegfase. Dit leidt tot 2400 lichte verkeersbewegingen per jaar (berekening: 1200*2).
Middelzwaar en zwaar vrachtverkeer (o.a. aanleveren bouwmateriaal)
voorbereidingsfase + 130 vrachtwagens in de realisatiefase + 14 vrachtwagens in de afrondingsfase). Ook is rekening gehouden met de inzet van diverse mobiele werkvoertuigen. Deze zullen éénmalig naar het plangebied moeten worden gebracht en weer opgehaald moeten worden. Er zijn 14 werktuigen gebruikt. Geacht wordt hiervoor dat er maximaal 14 extra vrachtwagens nodig zullen zijn.
17
A D FONTEM RU IMTE L IJK A DV IE S
In de gehele aanlegfase is rekening gehouden met 191 vrachtwagens (47 vrachtwagens in de
AERIUS BEREKENING
In totaal komt het aantal vrachtwagens in de aanlegfase op 205 vrachtwagens die leiden tot middel en zwaar verkeersbewegingen. Uitgegaan wordt dat 40% van het aantal vrachtwagens aangemerkt kunnen worden tot middelzware vrachtwagens. Dit zijn afgerond 82 middelzware vrachtwagens (berekening: 40%*205). Dit komt neer op 164 middelzware verkeersbewegingen (berekening: 82*2) tijdens de gehele aanlegfase.
De overige 60% van het aantal vrachtwagens kunnen derhalve tot zwaar vrachtverkeer worden aangemerkt. Dit zijn afgerond 123 zware vrachtwagens (60% x 205 voertuigen). Dit komt neer op 246 zware verkeersbewegingen (berekening: 123*2) tijdens de gehele aanlegfase.
Bij het modelleren van het wegverkeer is rekening gehouden met een file percentage van 75% om stagnatie op de weg (rood stoplicht, bochten e.d.) in de berekening mee te nemen. Ook is rekening gehouden met manoeuvrerende bewegingen op de bouwplaats middels een separate bron. Omdat middelzware en zware vrachtwagens in bepaalde gevallen met een draaiende motor laden en lossen, is tevens een separate bron opgenomen voor de emissies tijdens het laden/lossen op de bouwplaats. Hiervoor is gebruik gemaakt van de emissiekengetallen opgenomen als bijlage bij de handreiking ‘instructie gegevensinvoer voor AERIUS-calculator 2023’, uitgaande van een NOx emissie van afgerond 79 gram/uur en een NH3 emissie van afgerond 0,90 gram/uur en een lostijd van 10 minuten.