CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

ANONIEM 11. Bijlage 4 bij Locis adviseurs over Onvolledige en onjuiste beantwoording SV Omgevingsvergunning Groen Gas Goor (1028828).pdf

Gemeenteraad 3 november 2025, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 5: Vaststellen adviezen ingekomen stukken21.816 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

17 Dat bij GGG meer dan 25. 000 m3 dierlijke meststoffen per jaar worden behandeld en sprake is van een categorie 5. 3 IPPC-installatie , staat (ook bij GS en GGG) niet ter discussie. Dat betekent dat zonder meer sprake is van een complex bedrijf zoals bedoeld in het Bal. 18 https://iplo. nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/milieubelastende-activiteiten-hoofdstuk-3-bal/complexe­ bedrijven/toelichting-complexe-bedrijven/

27

Regels Bal voor complexe bedrijven Bij complexe bedrijven is de vergunning het uitgangspunt. Voor complexe bedrijven gelden daarom minder inhoudelijke regels uit hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De reden hiervoor is dat bij complexe bedrijven meer speciaal op de situatie toegespitste voorschriften nodig zijn. Bij complexe bedrijven komen ook veel andere milieubelastende activiteiten uit hoofdstuk 3 van het Bal voor. De artikelen in afdeling 3. 4 tot en met 3. 11 die inhoudelijke regels aanwijzen , gelden niet voor complexe bedrijven. Zie artikel 3. 49 van het Bal. De artikelen in afdeling 3. 2 (bedrijfstakoverstijgende activiteiten) die inhoudelijke regels aanwijzen gelden dus wel. Milieubelastende activiteiten uit afdeling 3. 4 tot en met 3. 11 bij complexe bedrijven regelt de vergunningverlener dus in de omgevingsvergunning. De vergunningverlener kan wel de regels uit het Bal als uitgangspunt nemen om de vergunningvoorschriften op te stellen. Voert het bedrijf een activiteit uit die geen onderdeel is van de activiteit uit afdeling 3.3 , en deze ook niet functioneel ondersteunt? Dan kunnen afdelingen 3. 4 tot en met 3. 11 van het Bal toch van toepassing zijn. Deze activiteit valt dan buiten de milieubelastende activiteit complex bedrijf uit afdeling 3. 3 van het Bal. Dit is niet aan de orde bij Seveso-inrichtingen.

Hierbij valt namelijk de volledige door de exploitant beheerde locatie onder de milieubelastende activiteit en de vergunningplicht.

99. In onderhavige vergunning moet hierop feitelijk dus geanticipeerd worden. Anders valt er een gat in de regels die voor het bedrijf gelden. De regels uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling gelden immers niet meer. en veel regels uit het Bal gelden evenmin voor het bedrijf. Voor de betreffende aspecten en activiteiten moeten daarom voorschriften aan onderhavige vergunning worden verbonden. Nu dergelijke voorschriften niet in het ontwerpbesluit zijn opgenomen. schiet het ontwerpbesluit tekort. 13. 100.

BBT Bij het nemen van een beslissing op de vergunningaanvraag moeten GS op grond van artikel 2. 14. eerste lid. sub c. onder l. van de Wabo in acht nemen dat de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast. Daarvoor zijn onder andere de BBT-conclusies van belang. Welke BBT-conclusies van toepassing zijn. is afhankelijk van de categorie IPPC-installatie(s) waarvan sprake is.

101. In het ontwerpbesluit wordt ervan uitgegaan dat bij GGG alleen sprake is van een categorie 5. 3 IPPC-installatie. Zoals toegelicht (zie hoofdstuk 4 van deze zienswijze). is dit niet volledig. Bij GGG is namelijk ook sprake van een categorie 4. 3 IPPC­ installatie. Voor een categorie 4. 3 IPPC-installatie zijn de volgende BBT-conclusies van toepassing: 19 19 De eerste twee genoemde BBT-conclusies zijn van toepassing en de andere genoemde BBT-conclusies kunnen ook van belang zijn. Zie de websites van lnfomil en IPLO. https://iplo. nl/regelgeving/regels-voor­ activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/vergunning-milieubelastende-activiteit/ippc/bbtco nel usies-per-i ppc-categorie/

28

a. b. c. d. e. f. 102.

BREF anorganische bulkchemicaliën -ammoniak , zuren en kunstmest BREF anorganische fijnchemicaliën (verwijst naar een andere website) BREF koelsystemen BBT-conclusies afgas-en afvalwaterbehandeling BREF op-en overslag bulkgoederen BREF energie-efficiëntie.

Omdat niet aan deze BBT-conclusies is getoetst. is de BBT-toets onvolledig. Het ontwerpbesluit is daarom in strijd met artikel 2.14 , eerste lid , sub c , onder l , van de Wabo.

103. De uitgevoerde BBT-toets is ook overigens onvolledig. Voor een categorie 5. 3 IPPC­ installatie zijn namelijk ook de BBT-conclusies uit de BREF koelsystemen en de BREF monitoring van belang , zoals vermeld in de BBT-toets bij de aanvraag. In het ontwerpbesluit worden deze BBT-conclusies ten onrechte niet genoemd. Daarnaast zijn óók de BBT-conclusies intensieve veehouderijen van belang vanwege de vergisting , verwerking en opslag van mest. 20 Omdat GGG vaste mest opslaat. had de aanvraag aan deze BBT getoetst moeten worden. 21 Dat is ten onrechte niet gedaan. De BBT-toets bij de aanvraag klopt daarom ook op dat punt. niet. 104.

Gelet op het voorgaande wordt in het ontwerpbesluit onterecht geconcludeerd dat de ingediende gegevens voldoende informatie bevatten voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteiten (blz. 26-27). De BBT-toets bij de aanvraag mag daarom in zoverre geen onderdeel uitmaken van de vergunning.

105.

In het ontwerpbesluit staat in het kader van de beoordeling van de BBT vermeld dat binnen het bedrijf alleen gevaarlijke stoffen als hulpstof worden toegepast of voor reinigingsdoeleinden worden gebruikt. Onduidelijk is om welke gevaarlijke hulpstoffen het gaat en waaNoor die worden toegepast. In de toelichting op de aanvraag (blz. 33) worden hulpstoffen alleen genoemd in het kader van toegestane stoffen op grond van bijlage Aa. onder IV , van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en dus als zijnde een stof die bij de covergisting mag worden gebruikt. In vergisters mogen echter geen gevaarlijke stoffen worden toegepast. 2 2 Gevaarlijke afvalstoffen mogen ook niet worden gemengd met andere (gevaarlijke) afvalstoffen. 2 3 Ook zou dan geen sprake meer zijn van een categorie 5. 3 IPPC-installatie maar een categorie 5. 1 IPPC-installatie. Het is daarom van belang dat duidelijk is om welke gevaarlijke hulpstoffen het gaat en waaNoor die worden toegepast. Dit geldt eens te meer omdat GGG in het verleden gevaarlijke stoffen heeft toegepast. 24

20 Zie het toepassingsgebied in Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/1147 en de websites van lnfomil en IPLO. https://iplo. nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastende-activiteiten/vergunning­ milieubelastende-activiteit/ippc/bbt-conclusies-per-ippc-categorie/ 21 Zie in ieder geval BBT 14 en 15 in samenhang met punt 4. 5 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/302. 22 Zie ook het ontwerpbesluit. blz. 29. 23 Zie ook LAP. hoofdstuk 8. 3 en D. 4. 2. 24 Rapport 'Diepgaand Administratiefîoezicht Groen Gas Goor B. V. ' d. d. 5 juli 2024. 29

106.

14. 14. l

Op de BBT-toets wordt verder ingegaan in het kader van de relevante aspecten. Uit het voorgaande blijkt echter al dat de BBT-toets onjuist en onvolledig is. Het bedrijf voldoet niet aan BBT. Het ontwerpbesluit is in strijd met artikel 2.14 , eerste lid , sub c , onder 1 , van de Wabo. Avalstoffen Sectorplannen

107.

In het ontwerpbesluit staat dat sectorplan 65 (dierlijk afval) van het Landelijk Afvalbeheerplan (hierna: LAP) van toepassing is. In de toelichting op de aanvraag staat dat sectorplan 65 niet van toepassing is. Volgens de toelichting op de aanvraag zijn sectorplannen 3 , 7 en 8 van toepassing. Het ontwerpbesluit vermeldt hier niks over. GS hebben hier ten onrechte niet aan getoetst.

108.

Op grond van dictum Il van het ontwerpbesluit maakt de toelichting op de aanvraag onderdeel uit van de vergunning. Doordat het ontwerpbesluit en de toelichting op de aanvraag van elkaar verschillen , is het ontwerpbesluit innerlijk tegenstrijdig.

109.

De toelichting op de aanvraag lijkt te veronderstellen dat de aanvraag voldoet aan sectorplannen 3 , 7 en 8. Dat is niet juist. Sectorplan 3 heeft als minimumstandaard voor verwerking recycling. Daar is bij GGG geen sprake van. Sectorplan 7 heeft als minimumstandaard composteren of " vergisten met gebruik van het gevormde biogas als brandstof gevolgd door na rijping (nacompostering of een andere vorm van aerobe droging) met het oog op recycling van het digestaat." Bij GGG is geen sprake van nar ijping. Sectorplan 7 staat -anders dan sectorplan 8 geen andere verwerkingsopties toe. Dat betekent dat de aanvraag in strijd is met sectorplannen 3 en 8 van het LAP en dat het ontwerpbesluit in zoverre in strijd is met artikel 2.14 , eerste lid , aanhef en sub b , onder 2 , van de Wabo.

110. In het acceptatie en verwerkingsbeleid (hierna: AV-beleid) en de Administratieve Organisatie en Interne Controle (hierna: AO/IC) behorende bij de aanvraag wordt daarnaast verwezen naar sectorplannen 6 , 16 , 17 en 58 (en 65). In de toelichting op de aanvraag en het ontwerpbesluit is daar ten onrechte niet aan getoetst. 14. 2

AV-beleid en AO/IC

111. Het ontwerpbesluit zelf geeft al aan dat het AV-beleid bij de aanvraag niet voldoet aan de randvoorwaarden van het LAP. Ook in zoverre is het ontwerpbesluit in strijd met artikel 2. 14. eerste lid , aanhef en sub b , onder 2 , van de Wabo. GS hebben dit willen ondervangen door in de voorschriften op te nemen dat het AV-beleid moet worden aangevuld. Dit is opgenomen in voorschrift 2. 2. 11.

30

2. 2. 11 Het bij de aanvraag gevoegde AV-beleid en/of de AO/IC moet met de volgende onderdelen worden aangepast of aangevuld. Deze onderdelen moeten binnen drie maanden na inwerking treden van deze omgevingsvergunning ter goedkeuring aan het bevoegd gezag zijn voorgelegd: a) Een toelichting hoe afspraken over de vooracceptatie worden vastgelegd; b) In figuur 2 staat " vergunde Euralcode." Vervangen door " vergunde afvalstromen met juiste Euralcode;" c) Een toelichting welke documentatie bij vracht gecontroleerd wordt bij acceptatie; d ) Een toelichting welke informatie wordt vastgelegd in het logboek indien een vracht wordt geweigerd; e) Een overzicht van risico gestuurde procedures in het vooracceptatie-en acceptatieproces.

112. GS hadden hier niet mee mogen volstaan. Het AV-beleid en de AO/IC voldoen niet en daarom mag geen vergunning worden verleend. Dit geldt eens te meer om de volgende redenen. 113. Er is sprake van een bestaand bedrijf. Het bedrijf zou al over een goed AV-beleid en AO/IC moeten beschikken. Dat is niet het geval. Zonder goed AV-beleid en AO/IC. die voldoen aan het LAP , mag geen nieuwe vergunning worden verleend. 114. Voorschrift 2. 2. 10 bepaalt dat het bedrijf moet handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde AV-beleid en de AO/IC. Het AV-beleid en de AO/IC voldoen echter niet. Daarom is het niet toereikend als het bedrijf handelt overeenkomstig het AV-beleid en de AO/IC bij de aanvraag. 2. 2. 10 De vergunninghouder moet altijd handelen overeenkomstig het bij de aanvraag gevoegde AV-beleid en de AO/IC en de op grond van voorschrift 2. 2. 13 doorgevoerde wijzigingen.

115. Het bedrijf lapt vele regels aan de spreekwoordelijke laars , waaronder ook de regels ten aanzien van afvalstoffen. Dit blijkt duidelijk uit onder andere het rapport 'Diepgaand Administratief Toezicht Groen Gas Goor B. V. ' d. d. 5 juli 2024. Dit is eens te meer reden dat het AV-beleid en de AO/IC vóór vergunningverlening op orde (hadden) moeten zijn. Het feit dat GGG het AV-beleid en de AO/IC nog steeds niet op orde heeft , is -zeker gelet op het hiervoor genoemde rapport -zorgwekkend. Ook is het zorgwekkend dat GS gelet hierop toch al een ontwerpbesluit hebben genomen. 116. Over het-ontoereikende -AV-beleid en de AO/IC (hierna kortheidshalve: AV-beleid) zoals die bij de aanvraag zijn gevoegd -wordt het volgende opgemerkt. 117. In het AV-beleid moeten alle te accepteren afvalstoffen worden vastgelegd. Voor iedere afvalstof afzonderlijk moet de wijze van handelen worden opgeschreven , de maximale opslag en doorzet. wanneer iets wordt geaccepteerd , et cetera. Dat moet dus voor iedere soort mest (pluimveemest , rundveemest , drijfmest , et cetera) 37

worden vastgelegd alsook voor alle afzonderlijke coproducten uit onderdeel IV van bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. GGG wil immers al die coproducten (kunnen) accepteren. Dan moet GGG daarover ook alles vastleggen in het AV-beleid. Dat is ten onrechte niet gedaan. 118. In de inleiding van het AV-beleid staat dat het niet voor de hand ligt om het beleid als voorschrift aan een vergunning te verbinden. Nu GGG zich aan het AV-beleid moet houden en wijzigingen van het AV-beleid vooraf ter goedkeuring aan GS moeten worden voorgelegd , is dit terecht in de voorschriften opgenomen. Deze opmerking dient uit het AV-beleid te worden verwijderd. 119. In het AV-beleid staat dat het bijmengen van (afval)stoffen bij dierlijke mest niet via de afvalstoffenwetgeving wordt gereguleerd. Dit is niet helemaal juist. Ook het LAP is hiervoor van belang: dat stelt ook 'regels' aan mengen. 120.

In het AV-beleid staat dat er geen sectorplan geldt voor meststoffen. Dat is niet juist. Zoals in het ontwerpbesluit staat. is sectorplan 65 van toepassing.

127. In het AV-beleid staat (in paragraaf 3. 2. 3) welke parameters in welke frequentie worden gemeten c. q. bepaald. welke monsters worden genomen en welk gehaltes worden vastgesteld. In de voorschriften moet worden vastgelegd dat het bedrijf zich hieraan moet houden. dat alle gegevens moeten worden vastgelegd , dat alle gegevens gedurende minimaal vijf jaar moeten worden bewaard en dat alle gegevens ter inzage liggen voor een daartoe bevoegde ambtenaar. 122. In het AV-beleid staat dat het proces op deze manier 7 dagen in de week 24 uur per dag wordt bewaakt en zo nodig wordt bijgestuurd (blz. 14). In de voorschriften moeten deze monitoring en bijsturing worden geborgd. Ook moet worden vastgelegd dat de gegevens gedurende minimaal vijf jaar moeten worden bewaard en dat alle gegevens ter inzage liggen voor een daartoe bevoegde ambtenaar. 123. In het AV-beleid staat dat het acceptatieproces alleen relevant is voor de acceptatie van coproducten. Dat is niet juist. Het acceptatieproces is ook relevant voor dierlijke mest. In het AV-beleid is dus ten onrechte geen beleid opgenomen voor dierlijke mest. Het AV-beleid volstaat niet. Voor de acceptatie van dierlijke mest is van belang dat elke levering moet zijn voorzien van een realtime vervoersbewijs dierlijke mest 25 • met daarin alle verplichte gegevens over onder andere de leverancier. de transporteur. de datum.

het gewicht , het type mest. etc. 26 Op die manier moet worden bijgehouden welke meststoffen in welke hoeveelheden zijn aangevoerd. De vervoersbewijzen moeten worden bewaard in het afvalstoffenregister. Van elke vracht die wordt aangevoerd van derden moet een monster worden genomen dat ter analyse naar een erkend laboratorium wordt gestuurd. De samenstelling van de 25 Zoals bedoeld in artikel 51 , eerste lid , van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. 26 Vgl. het AV-beleid , blz. 16-17.

32

mest (gehalten N (stikstof) , P (fosfaat) en drogestof) moet later worden toegevoegd aan het afvalstoffenregister. 124. ln het AV-beleid staat dat bij geringe gebreken van de (afval)stoffen de vooracceptatie versneld (opnieuw) plaatsvindt (blz. 11 ). Dit kan niet gevolgd worden. Als de afval(stoffen) niet voldoen en niet geaccepteerd mogen worden , dan moeten ze worden afgevoerd. Een (nieuwe) vooracceptatie kan daar geen verandering in brengen. Het AV-beleid deugt op dit punt niet. 125. ln het AV-beleid staat op blz. 12 dat monsters van coproducten 3 maanden worden bewaard. Dit is echter niet vastgelegd in de voorschriften. Dat moet alsnog gedaan worden , zodat duidelijk vaststaat dat (de resultaten van) de monsters minimaal 3 maanden moeten worden bewaard. 126. ln het AV-beleid wordt op blz. 16 verwezen naar bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat het daarbij alleen gaat om onderdeel IV van bijlage Aa. 127. Op blz. 16 van het AV-beleid staat dat de milieuhygiënische risico's van de bedrijfsvoering niet afhankelijk zijn van de grondstoffen maar van de procesbeheersing. Daarmee wordt miskend dat ook de grondstoffen wel degelijk invloed hebben op de milieuhygiënische risico'. 128. Op blz. 16 van het AV-beleid staat in de eerste zin van paragraaf 7. 2 welke gegevens van binnenkomende producten worden vastgelegd.

Er staat dat dit ook geldt voor drijfmest. Vanzelfsprekend moeten de gegevens ook voor vaste mest worden vastgelegd. 129. Op blz. 17 van het AV-beleid staat -onder verwijzing naar tabel l op blz. 18 -welke meet-en registratiepunten er zijn. Het merendeel van de parameters wordt door het besturingssysteem gemonitord. De gegevens in het besturingssysteem worden niet geregistreerd. Zoals in het voorgaande al is toegelicht , dient dat wel gedaan te worden en geborgd te worden in de voorschriften. 130. Op blz. 19 van het AV-beleid staat dat geen sluitende balans op te maken is. Die opmerking kan niet worden gevolgd. Er moet een sluitende balans gemaakt (kunnen) worden. Ook daarvoor is van belang dat alles per afvalstof wordt vastgelegd. 131. Het AV-beleid voldoet gelet hierop niet , ook niet aan het LAP. Daarvoor is verder van belang dat het AV-beleid niet voldoet aan de volgende randvoorwaarden uit hoofdstuk D. 3. 3. 2 van het LAP: a. b.

een overzicht van voorstelbare verontreinigingen in afvalstoffen die de verwerking kunnen verstoren; een overzicht van voorstelbare ZZS die in de afvalstoffen kunnen voorkomen: 33

c. de vooracceptatieprocedure: ontbrekende elementen zijn in ieder geval de samenstelling van de afvalstoffen. de momenten van monsterneming en de afspraken over wat wordt gedaan met afvalstoffen die niet voldoen; d. de acceptatieprocedure: er is niet beschreven wat deze procedure is voor de situatie waarin geen vooracceptatie heeft plaatsgevonden; e. een overzicht van risico gestuurde procedures in het (voor)acceptatieproces; f. de wijze waarop en welke informatie uit het (voor)acceptatieproces worden vastgelegd; g. de wijze van evaluatie van het AV-beleid. 132. In het AV-beleid moet duidelijk zijn vastgelegd op welke wijze de aard , samenstelling en herkomst van inkomende afvalstoffen wordt geregistreerd. Dat is nu onvoldoende gedaan. terwijl het belang daarvan al duidelijk is aangegeven in het rapport 'Diepgaand Administratief Toezicht Groen Gas Goor B. V. ' d. d. 5 juli 2024. Dit geldt eens te meer nu in dat rapport ook is aangegeven dat " gelet op het gegeven dat GGG. naast de aangevoerde dierlijke mest. jaarlijks meer dan 15. 000 ton cosubstraten ontvangt en verwerkt. [ . . . ] het acceptatierisico van het ontvangen van niet-vergunde afval-en reststromen meer dan middelmatig hoog is." Dat is ook gebleken uit het feit dat GGG illegale afvalstoffen heeft toegelaten. 733. Ook de in het AV-beleid opgenomen AO/IC voldoet niet aan de randvoorwaarden uit (hoofdstuk D. 3. 4.

2 van) het LAP: a. een risicoanalyse van de acceptatie en verwerking van afvalstoffen gericht op milieuhygiënische risico's; b. een beoordeling van de kritieke momenten in het acceptatie- en verwerkingsproces; c. welke stromenb alansen worden gemaakt: d. interne controle maatregelen: ontbrekende elementen zijn in ieder geval de aanwezigheid van werkinstructies. de beveiligen van computersystemen. vastlegging van de maatregelen die getroffen zijn om een juiste en volledige verantwoording in de financiële administratie tot stand te brengen inclusief een stromenbalans per deelproces. 134. Het AV-beleid (inclusief de AO/IC) voldoet dus niet en daar kan in zoverre daarom niet naar worden verwezen in de voorschriften. 14. 3

Voorschriften

735. In het voorgaande is al een opmerking gemaakt over voorschriften 2. 2. 70 en 2. 2. ll en diverse ontbrekende voorschriften. Voor zover het gaat om de voorschriften over afvalstoffen. wordt verder opgemerkt dat voorschriften 2. 2. 8 en 2. 2. 9 ten onrechte verwijzen naar 'bijlage Aa van de Meststoffenwet. Dat moet onderdeel IV van bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet' zijn. In voorschrift 2. 2. 16 moet eveneens worden verduidelijkt dat het (alleen) gaat om onderdeel IV van bijlage Aa. 34

LYAM

L=G

el ZZ

Ook

worden

moet

de euralcode 136. Voor

en

van

de maximaal

toegestaan

en

artikel

worden

5.8,

lid, sub

eerste

andere

bedrijf

“maximaal “het

maximaal

60.000

ton

60.000

Mest

coproducten

zou

zullen

Het aandeel mest

er

mest

60.000

vaste

en

onrechte

dierlijke

mest

en

niet

nader

is

coproducten

(geanonimiseerd) 5 expliciet in de vergunning

ton

en

mest

is minimaal

niet

gevolgen

afvalstoffen

vastgelegd

het

brengen

hoeveel

verwerken. Er staat enkel dat

en

voor

dierlijke per jaar

mest

en

50%

co-producten. kunnen

De maximale

zijn.

co-producten

Naar

dit kan dus ook

oplopen

tot

niet

om

gelang

worden

60.000

de

doorzet

toegevoegd.

1 00%van

de

is 60.000

economische In

aanvoer

Dit

omstandig-

bijlage Aa, zijn.

ton.

onder

De aanvoer

ton.

co-vergisting gaat, brengt het accepteren meer geuremissie en ammoniakemissie dierlijke met zich mee. Daarnaast is ook nog bepalend of sprake is van drijfmest of vaste mest, en welk soort vaste mest en drijfmest. Omdat het ontwerpbesluit niet verbiedt dat GGG 60.000 ton dierlijke mest accepteert en verwerkt, had in de aanvraag en het ontwerpbesluit óók beoordeeld moeten worden wat de gevolgen voor het milieu en de omgeving zijn als het bedrijf 60.000 ton dierlijke mest per jaar van

van

het feit dat het dan

onrechte

de

coproducten” is toegestaan, waarvan digestaat […] altijd 50 procent mest of meer” aanvraag expliciet aan dat het dus ook kan gaan om

vloeibare

theoretisch kunnen

zou

hierin ten aan

tevens

in het

GGG

in theorie ook

heden

138.Los

mest

grondstoffen zijn meststoffen

De

ten

dierlijke

dierlijke geeft in haar ton dierlijke mest.

en

1,

accepteren

mag

aan

aandeel

bedraagt.

dat ton

lijst het gaat, waarbij

van

is daarnaast

voorschriften

het

uit de

belang met het oog op Verschillende coproducten c.q. met zich mee. geuremissies

milieu

deze

verder 60.000

onder

a,

Dit is ook

immers

mest

2.2.9

stoffen

bestaan, welke mag coproducten c.q. afvalstoffen exact zijn in welke hoeveelheden. De toegestane afvalstoffen moeten op grond

aangewezen. en de omgeving.

137.In

geldt

2.2.8

hoeveel

afvalstoffen

van

vastgelegd om welke worden vastgelegd.

voorschriften

vastgelegd uit

moet

60.000

accepteert 139. Voorschrift

ton

en

verwerkt.

onder andere

Dat

is ten onrechte

niet beoordeeld.

registratiesysteem voor “alle aangevoerde afvalstoffen die bij de be- of verwerking van afvalstoffen worden aangevoerde gebruikt”. Hieronder valt zonder meer alle dierlijke mest die het bedrijf accepteert. Uit rechtspraak blijkt immers dat dierlijke mest als afvalstof moet worden aangemerkt. Ook coproducten zullen als afvalstof moeten worden aangemerkt. Voorschrift 2.219 lijkt te veronderstellen dat er ook coproducten niet zijnde afvalstoffen zijn, maar onduidelijk is wanneer daarvan sprake zou kunnen zijn. Het is van belang dat het in voorschrift 2.216 bedoelde registratiesysteem óók ziet op alle dierlijke mest en coproducten die het bedrijf accepteert. Om iedere vorm van en

[….] alle

2.2.16 ziet op

meer

mest

een

stoffen

55

discussie hierover te voorkomen 27 • is het van belang dat in voorschrift 2. 2. 16 expliciet wordt vastgelegd dat het voorschrift ook ziet op alle aangevoerde dierlijke mest en coproducten. 140.

Er ontbreekt ten onrechte een voorschrift waarin is vastgelegd welke afvalstoffen met welke bijbehorende euralcodes het bedrijf mag accepteren. In bijlagen 2 en 3 bij het AV-beleid is daarvan wel een indicatie gegeven. maar dat is -ook gelet op de randvoorwaarden in hoofdstuk D. 3. 3. 2. van het LAP - onvoldoende. In de voorschriften moet duidelijk worden vastgelegd welke afvalstoffen met euralcode zijn toegestaan.

141. Er ontbreekt ten onrechte een voorschrift over aangevoerde (afval)stoffen die niet mogen worden geaccepteerd. Er dient een voorschrift met onderstaande strekking te worden toegevoegd. " Indien bij de controle van aangevoerde (afval)stoffen blijkt dat deze niet mogen worden geaccepteerd. moeten deze (afval)stoffen door vergunninghouder worden afgevoerd naar een inrichting die beschikt over de vereiste vergunning(en). Deze handelwijze moet in het AV-beleid en de AO/IC zijn vastgelegd. " 142. ln het AV-beleid staat wel dat de leverancier in de gelegenheid wordt gesteld om de aangevoerde (afval)stoffen op te (laten) halen (blz. 11). maar dat is ontoereikend. Er is niet vastgelegd wat er gebeurt als de leverancier de (afval)stoffen niet komt (laten) ophalen. Het AV-beleid is in zoverre onvolledig. en in de voorschriften moet de afvoer van de (afval)stoffen die niet mogen worden geaccepteerd. worden geborgd. 143. De voorschriften over afvalstoffen in het ontwerpbesluit zijn dus niet toereikend. Dit is eens te meer zorgelijk gelet op de structurele en ernstige tekortkomingen c. q. overtredingen van GGG rondom het accepteren van afvalstoffen en het ontbreken van objectieve verificatie en borging van processen. GS geven zelf aan dat GGG een calculerend overtreder is.

Ook geven GS zelf aan dat de juiste registratie van afvalstoffen een fundamenteel onderdeel van het stelsel van milieutoezicht en handhaving vormt en dat dat niet kan worden onderschat. De registratie van alle ontvangen en verwerkte afvalstoffen moet zodanig zijn ingericht dat de aard. hoeveelheid en herkomst van de afvalstoffen altijd duidelijk en controleerbaar zijn en voldoet aan de wettelijke vereisten. Een onjuiste of onvolledige registratie brengt immers mee dat toezicht en handhaving feitelijk onmogelijk worden gemaakt. Hierdoor ontstaat een risico dat afvalstoffen niet conform de geldende milieuregels en de vergunningvoorschriften worden behandeld. met potentieel ernstige schade voor het milieu en de omgeving tot gevolg. Daarom zijn ook juiste en volledige vergunningvoorschriften -waaronder tevens begrepen een juist en volledig AV­ beleid en AO/IC -van essentieel belang. Het is -te meer gelet op de structurele en 27 De praktijk maakt duidelijk dat GGG alle mogelijke mazen in voorschriften en regels opzoekt. de uitleg van menig voorschrift ter discussie stelt en menig voorschrift (onder dat 'mom') overtreedt. Daarom is het belang voor het stellen van duidelijke voorschriften in dit geval bovengemiddeld groot.

36

ernstige tekortkomingen c. q. overtredingen van GGG -kwalijk dat GS die niet hebben geborgd in het ontwerpbesluit. 15.

Afvalwater. bodem en energie

144. In paragraaf 5. 3 en 5. 4 van het ontwerpbesluit wordt voor de aspecten afvalwater en bodem verwezen naar het Activiteitenbesluit. Voor die aspecten worden daarom geen voorschriften aan de vergunning verbonden. Het ontwerpbesluit schiet hierin tekort. GS kunnen niet volstaan met een verwijzing naar het Activiteitenbesluit en moeten voor deze aspecten voorschriften aan de vergunning verbinden. Voor een toelichting hierop wordt integraal verwezen naar hoofdstuk 12 van deze zienswijze. 145. Dit geldt eveneens voor het aspect energie waar in paragraaf 5. 5 van het ontwerpbesluit op is ingegaan. Weliswaar zijn daarvoor enige voorschriften in het ontwerpbesluit opgenomen , maar die zijn niet toereikend. Daarbij is ten onrechte niet aan de BREF energie-efficiëntie getoetst , terwijl die BREF wel van toepassing is. Dat het bedrijf netto leverancier van energie is , betekent niet dat niet aan de BREF energie-efficiëntie hoeft te worden getoetst. De veronderstelling daaromtrent in de BBT-toets bij de aanvraag. klopt dus niet. In het ontwerpbesluit is dat ten onrechte miskend. 146. Doordat niet aan de BREF energie-efficiëntie is getoetst. zijn daarover ten onrechte geen voorschriften in het ontwerpbesluit opgenomen. Bijvoorbeeld voorschriften over de volgende BBT uit de BREF energie-efficiëntie ontbreken. a.

Het continu minimaliseren van de milieu impact van het bedrijf door (energiebesparende) maatregelen te plannen en te investeren in korte , middellange en lange termijn (blz. 274 BREF: 'considering the cost-benefits and cross-media effect'). b. Het periodiek uitvoeren van een audit op het volledige bedrijf , gericht op energie gebruik en efficiëntie , waarbij deze audit toeziet op alle aspecten zoals genoemd in punt 4 , onder a tot en met f , op blz. 275 van de BREF. c. Het toepassen van de noodzakelijke tools en methodes om energie optimalisatie te kwantificeren en te identificeren (zie punt 5 op blz. 276 van de BREF). d. Effectieve controle op processen gewaarborgd door technieken zoals genoemd in punt 14 op blz. 280 van de BREF. e. Het uitvoeren van onderhoud aan installaties om energiebesparing te optimaliseren door toepassing van de acties zoals genoemd in punt 15 op blz. 281 van de BREF. f. Het ontwikkelen van gedocumenteerde procedures om alle belangrijke onderdelen die een significant effect op het energieverbruik hebben te kunnen bemeten en monitoren (zie punt 16 op blz. 281 van de BREF). g . Het optimaliseren van verwarming , ventilatie en klimaatsystemen (zie hoofdstuk 4. 3. 9 en punt 27 op blz. 293 van de BREF). h. Het optimaliseren van verlichting conform punt 28 op blz. 295 van de BREF. 37

L)!\M=N L::GAL i.

Het optimaliseren van onder andere scheidingsprocessen conform punt 29 op blz. 295-296 van de BREF.

147. Daarnaast wordt ook niet (volledig) voldaan aan BBT 23 uit de BREF afvalbehandeling met betrekking tot de energie-efficiëntie. De in voorschrift 2. 13. 6 voorgeschreven energiebalans omvat niet alle vereisten zoals opgenomen in BBT 23. Het voorschrift dient daarop aangevuld te worden. 16. 16. l 16. l. l

Externe veiligheid Brzo en Bevi Algemeen

148. ln het ontwerpbesluit staat dat het bedrijf niet onder het Brzo of het Bevi valt. Daarvoor wordt verwezen naar de toelichting op de aanvraag. De aanvraag en het ontwerpbesluit wijken van elkaar af. Dit is ook van belang bij het beoordelen van de vraag of het bedrijf onder het Brzo valt. Daarom wordt dit toegelicht vanaf de basis. 149. Een vergistingsinstallatie kan afhankelijk van de omstandigheden onder het Brzo vallen. Daarvoor zijn onder andere het gehalte waterstofsulfide (hierna: H 2 S) in het vergistingsgas en de omvang van de gasopslag van belang. a. b. 150.

Vergistingsgas met een H 2 S-gehalte van 0. 2 tot l vol% is toxisch (T). Hiervoor geldt een drempelwaarde van 50 ton , wat gelijk staat aan ongeveer 40. 000 m.3 Vergistingsgas met een HS-gehalte vanaf l vol% is zeer toxisch (T+). 28 Hiervoor 2 geldt een drempelwaarde van 5 ton. wat gelijk staat aan ongeveer 4. 000 m•3

Voor het beantwoorden van de vraag of het bedrijf onder het Brzo valt. moeten dus het H2S-gehalte en de omvang van de gasopslag worden vastgesteld. Het bedrijf valt overigens ook onder het Brzo als sprake is van de opslag van ontvlambaar gas en de drempelwaarde van 10 ton wordt overschreden.

16. l. 2

H2S-gehalte

151. In voorschrift 2. 3. 9 van het ontwerpbesluit staat dat het HS-gehalte in het biogas 2 maximaal 02, volume% mag bedragen. In dat geval zou het Brzo niet van toepassing zijn. Het voorschrift sluit echter niet aan bij de aanvraag en andere voorschriften in het ontwerpbesluit. In (de toelichting op) de aanvraag staat namelijk het volgende.

Bij afwijkende productieomstandigheden kunnen voor korte perioden hogere waarden wor den gevonden. Dit kan variëren van enkele tenden i van volumeprocenten. Door continue metingen zal tijdig kunnen worden bijgestuurd en zal deze nooit meer zijn dan 05, vol%.

28 Zeer toxisch stoffen , ook wel acuut toxische stoffen , zijn in Richtlijn 2012/18/EU betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken (Seveso-richtlijn). bijlage 1. deel l. Hl (acuut toxisch) , op grond van artikel 3 , tiende lid , van die richtlijn , als gevaarlijke stoffen aangewezen. 38

van uit dat het HzS-gehalte (tijdelijk) hoger dan 0,2 vol% voorschrift 2.3.9 is dat niet toegestaan. Omdat de toelichting op de aanvraag volgens het ontwerpbesluit deel uitmaakt van de vergunning, is het ontwerpbesluit c.q. de vergunning innerlijk tegenstrijdig. En omdat het bedrijf méér

152.De

kan

gaat Op zijn. grond

aanvraag

er

dus

van

aanvraagt dan op grond

van

verkapte weigering

de

van

de voorschriften

is toegestaan, is feitelijk

sprake van

een

aangevraagde vergunning.

H‚S-gehalte nooit meer dan 0,5% zal zijn. Dat H2S-gehalte is in de voorschriften onvoldoende 1 geborgd. De praktijk heeft eerder duidelijk gemaakt dat het stellen van een voorschrift met een maximaal toegestaan H2S-gehalte bij het bedrijf onvoldoende is, Tijdens een controle op 4 april 2022 is namelijk vastgesteld dat het H‚S-gehalte 3 vol% bedroeg.

155: De

zou

aanvraag gaat ervan uit dat het onder de vol% blijven, maar dit

Tijdens de controle is mondeling verklaard door | (geanonimiseerd) (mededeling) dat het H2S-gehalte in het biogas teruggebracht wordt naar ongeveer 3%. Dit is een overschrijding van het gestelde in de milieuvergunning, d.d. 5 april 2011, met kenmerk MPM 7290. Hierin staat dat het H2Sgehalte maximaal 1% mag bedragen. Om het daadwerkelijk gehalte H2S-gehalte te bepalen is nader onderzoek nodig tijdens de tweede controle. Het H2S-gehalte is noodzakelijk voor de BRZO-bepaling (zie nadere

gegevens in tweede

rapport).

Maximale

H2S-gehalte Tijdens de controle is verklaard dat het maximale H2S-gehalte dat dit maximaal 1,0 massavolumeprocent mag zijn. Dit is een overtreding van voorschrift 10.18 van de MPM 7290 (zie correctie in tweede rapport).

154, Het

als

HzS-gehalte was/is zeer

toxisch wordt

daarmee

drie

keer

3% is. In de

milieuvergunning,

zo

hoog

vergunning

is vastgelegd

d.d. 5 april 2011, met kenmerk

als de grens vanaf welke

biogas

aangemerkt.

hierbij is ook dat uit de stukken blijkt dat tevens sprake is van vergisting. De gevolgen daarvan zijn ten onrechte niet in beeld gebracht. Bij hogere temperaturen is het proces gevoeliger voor schommelingen en verstoringen. Omdat thermofiele vergisting bij hogere temperaturen plaatsvindt, is er een grote kans op vorming en emissie van schadelijke gassen zoals H‚,S en ammoniak. Dat betekent dat er een risico is op een hoger HzS-gehalte.

1558 Van

belang

thermofiele

156. Onduidelijk

is hoe

geborgd wordt dat het bedrijf met het H‚S-gehalte in het gas nu zal blijven. Dat het bedrijf daaraan niet kan en zal voldoen, blijkt onder reeds uit de aanvraag. Overigens rijst ook de vraag hoe voorschrift 2.39 in het ontwerpbesluit zich verhoudt tot voorschrift 10.18 in de vergunning van 201, omdat daarin een HzS-gehalte van maximaal 1 vol% is toegestaan (en dat in de praktijk al niet gehaald bleek te worden). de 0,2 vol%

H2S-gehalte in het gas is dus onvoldoende geborgd. Dit klemt eens te meer omdat het H2S-gehalte met name afhankelijk is van het type coproduct dat aan de dierlijke mest wordt toegevoegd in de vergisters. Voornamelijk de chemische

157. Het

maximale

59)

eigenschappen van de coproducten bepalen het HS-gehalte in het gas. Als het 2 coproduct meer zwavel bevat , dan leidt dat tot een hoger H2S-gehalte. 29 De praktijk lijkt er (gelet op de vele en ernstige geuroverlast) op te wijzen dat het bedrijf veel zwavelrijke coproducten toevoegt. 158. ln het ontwerpbesluit zijn geen beperkingen gesteld aan de coproducten die mogen worden toegepast. behalve dat deze op grond van onderdeel IV van bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet moeten zijn toegestaan. Het gaat daarbij om veel verschillende soorten coproducten. met (dus) ook verschillende chemische eigenschappen. Dit heeft invloed op het H 2 S-gehalte. Ook gelet hierop is het H2S-gehalte onvoldoende geborgd in het ontwerpbesluit. Daarnaast is het ontwerpbesluit gelet hierop feitelijk innerlijk tegenstrijdig. Want door geen (nadere) beperkingen te stellen aan de toegestane coproducten. is het de vraag of het bedrijf aan het voorgeschreven H2S-gehalte kan voldoen. 159. ln voorschrift 2. 3. ll van het ontwerpbesluit is weliswaar bepaald er een continu werkend meetsysteem aanwezig moet zijn voor onder andere de concentratie H2S in het biogas. Maar niet is vastgelegd wat het bedrijf moet doen als het H 2 S-gehalte hoger is dan 0. 2 vol%.

Volgens de aanvraag wordt het H2S-gehalte wel bewaakt met de volgende vier sturingsmechanismen: 'Voeden met grondstoffen die een lage zwavelconcentratie kennen Continue meting van de H2S concentratie Bijsturen met ijzerzouten Bijsturen door beluchting." 160.

Het is ondudielijk hoe dit wordt gemonitord en of dit automatisch wordt geregeld. Daarom zegt dit niet zoveel. Of en zo ja in hoeverre GGG de sturingsmechanismen daadwerkelijk toepast. is namelijk onduidelijk. Hierover is ook niets vastgelegd in het ontwerpbesluit. net zoals daarin niets is vastgelegd over de vullingsgraad.

161. Gelet op de eerdere vaststelling dat het H 2 S-gehalte bij het bedrijf 3 vol% bedroeg , is het van belang dat in de voorschriften wordt geborgd dat dit nimmer meer kán gebeuren. Want een dergelijk hoog HS-gehalte is drie keer zo hoog als de grens 2 vanaf welke biogas als zeer toxisch wordt aangemerkt. In dat geval zou het bedrijf gelet op de omvang van de gasopslag (waarover hierna meer) onder het Brzo en daarmee onder het Bevi vallen. 16. l. 2

Omvang gasopslag

162. Vervolgens is het van belang om de omvang van de (totale) gasopslag vast te stellen. Het ontwerpbesluit zegt hier niets over. Het ontwerpbesluit stelt hieraan ook geen beperkingen middels voorschriften. De informatie moet daarom uit de aanvraag 29 Zie het rapport Veiligheid grootschalige productie van biogas· van het RIVM.

40

worden herleid. Dat is echter niet volledig mogelijk. Daarin is namelijk ten onrechte en zonder enige grondslag (milieu) informatie geweigerd (zie de toelichting op de aanvraag , blz. 29). Daardoor is de omvang van de opslag niet volledig duidelijk.

Biogas als ontvlambaar gas Om de toepasselijkheid van het Bevi te bepalen is de berekening van de maximaal aanwe­ zige hoeveelheid biogas nodig. De gasopslagen van devergisters hebben een opslagvolume 1 van 1253 mper stuk , qua bouw te onderscheiden in een silo en een gasdak (max-m3)_ De gasdaken hebben een opslag van maximaal -13 , in totaal zijn er 5 opslagen. Het silo­ deel zit liefst zo vol mogelijk met mest en cosubstraten , tot aan de rand waar het gasdak begint , omdat er dan de meeste opbrengst wordt bereikt. Echter , er zit ook wel eens min der vulling in de vergisters_ Daarom houden we een veiligheidsmarge aan van-m3 opslag­ mogelijkheid per (na)vergister , orn worst case te rekenen. 163. De omvang van de opslag is niet te verifiëren , omdat hierover in de aanvraag geen verdere informatie is opgenomen. Uit tekeningen behorende bij de aanvraag blijken wel de diameter en hoogte van de vergisters c. q. 'opslagen'. Daarnaast blijkt uit een controlerapport van 17 mei 2022 en eerdere stukken van het bedrijf dat de gasdaken 3 een opslag hebben van 729 mper gasdak. 30 Daarbij is echter nog geen rekening gehouden met het biogas dat wordt opgeslagen boven het vloeistofniveau van het vergistingsmateriaal in de vergisters. 31 In voornoemde stukken wordt een situatie berekend waarbij 75% van de vergistingscapaciteit zou worden gebruikt.

Uitgaande van de vergunde hoogte van 6 meter van de vergister , resteert er dan 15, meter aan biogasopslag boven het vloeistofniveau. Gelet op de vergunde diameter van 22 3 meter van de vergister , leidt dat tot 570 mextra ruimte voor de opslag van biogas. In die stukken staat dus fout dat het zou gaan om 524 m 3 extra ruimte voor de opslag 3 van biogas. Ook de totale hoeveelheid van l. 253 mper vergister , zoals genoemd in die stukken én de toelichting op onderhavige aanvraag , klopt dus niet. Per vergister gaat het om een totaal van l. 300 m 3 (730 + 570) aan ruimte voor de opslag van biogas. 164. Drie vergisters en twee opslagen met gasdak -of vijf vergisters? (zie paragraaf ll. 3 3 van deze zienswijze)-met een biogasopslag van l. 300 mper vergister/opslag leiden 3 samen tot een ruimte van 6. 500 mvoor de opslag van biogas , wat dus veel meer is

3 0 Zie bijv. de toelichting op onderhavige aanvraag met revisiedatum 8 juni 2023 (dat eerder in het kader van een Woo-besluit openbaar is gemaakt) en de toelichting op de aanvraag om een omgevingsvergunning van GGG van 24 april 2024. waarop GS op 25 juli 2024 een besluit hebben genomen. Zie het document 'Aanvraag omgevingsvergunning onderdeel milieu (artikel 5. 1 tweede lid onder b) voor Groen Gas Goor m. b. t. diverse wijzigingen zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid of het milieu·. 15 april 2024 , P22-0584-046 , paragraaf 8. 2. 3 1 Dat het gas in de vergisters meegerekend moet worden bij de omschrijving van de hoeveelheid gas in de installatie c. q. op de locatie , heeft de ODT zelf (terecht) aangegeven. Dit volgt uit de toelichting op de aanvraag om een omgevingsvergunning van GGG van 24 april 2024. waarop GS op 25 juli 2024 een besluit hebben genomen. zie het document 'Aanvraag omgevingsvergunning onderdeel milieu (artikel 5. 1 tweede lid onder b) voor Groen Gas Goor m. b. t. diverse wijzigingen zonder nadelige gevolgen voor de gezondheid of het milieu· , 15 april 2024 , P22-0584-046. paragraaf 8. 2.

41

3 dan de in 2011 vergunde hoeveelheid van (3 x l. 253=) 3. 759 mbiogasopslag. Het klopt 2 3 dus niet wat er in de aanvraag en het ontwerpbesluit staat.

16. l. 3

Brzo en Bevi van toepassing

165. De omvang van de biogasopslag bij het bedrijf is dus 6. 500 m.3 Dat overschrijdt de drempelwaarde voor zeer toxische stoffen. Om die reden is het van groot belang dat het maximum H2S-gehalte in het gas te allen tijde goed wordt geborgd. Anders valt het bedrijf namelijk (als Seveso-inrichting) onder het Brzo en daarmee onder het Bevi. De voorschriften in het ontwerpbesluit zijn daarvoor -mede gelet op de eerdere vaststelling tijdens een controle -ontoereikend. 16. 2

Veiligheidsrisico's

166. Gelet op wat in paragraaf 16. l is toegelicht. is in de aanvraag en het ontwerpbesluit van de verkeerde feiten en omstandigheden uitgegaan. Daardoor zijn de risico's voor de externe veiligheid ook niet goed beoordeeld. 167. ln het ontwerpbesluit staat dat geen sprake is van een domino-effect bij het falen van een vergister. Dat is niet (volledig)juist en dat volgt ook niet uit het RIVM-rapport 'Veiligheid grootschalige productie van biogas·. Daar staat dat een mogelijke explosie bij een vergister kan leiden tot het falen van andere nabijgelegen vergisters/ gasopslagen. De effecten die dit tot gevolg kan hebben. zullen waarschijnlijk na elkaar plaatsvinden. Weliswaar is de verwachting dat het falen van een tweede opslag niet zal leiden tot relatief veel meer slachtoffers dan de slachtoffers die vallen ten gevolge van een eerste explosie. Maar dat laat onverlet dat mogelijke domino­ effecten moeten worden verdisconteerd. Uit het ontwerpbesluit blijkt niet dat dat is gedaan. 168. Brandweer Twente heeft in haar advies aangegeven dat er een tweede onafhankelijke -route voor de bereikbaarheid van de locatie bij calamiteiten moet worden gerealiseerd en dat nadere afspraken gemaakt moeten worden over de aanwezigheid en bereikbaarheid van voldoende bluswater in de directe omgeving. Dit is weliswaar vastgelegd in voorschrift 2. ll. 4. maar dat is niet toereikend.

De route moet gerealiseerd worden vóórdat een capaciteit van 60. 000 ton wordt vergund. En de nadere afspraken over voldoende bluswater en de aanwezigheid en beschikbaarheid van voldoende bluswater moeten zijn gemaakt c. q. geregeld vóórdat een capaciteit van 60. 000 ton wordt vergund. Door éérst een capaciteit van 60. 000 ton te vergunnen en pas daarná de bereikbaarheid en het bluswater te laten regelen. wordt de veiligheid van de omgeving willens en wetens op het spel gezet. Er (b)lijkt niet eens te zijn onderzocht of/hoe de tweede route kan worden gerealiseerd en of/hoe voldoende bluswater aanwezig/bereikbaar is. De veiligheid is dus niet geborgd. De vergunning mag niet verleend worden. 32 In het ontwerpbesluit staat op blz. 33 alleen vermeld dat het gaat om een opslag van 1. 253 m3 biogas. Daarmee zal gedoeld worden op de opslag van biogas in één vergister. Die hoeveelheid is , zoals toegelicht. onjuist.

42

17.

Geluid

169. De geluidbelasting is onvoldoende beoordeeld en geborgd. Daarover wordt het volgende opgemerkt. 170.

Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is het bedrijf kennelijk op 15 oktober 2018 bezocht. Dat is bijna zeven jaar geleden. De situatie van toen zegt niets over de situatie van nu. Dat geldt ook voor eventuele metingen die toen zijn uitgevoerd. Het bedrijf is niet meer hetzelfde. Er is sprake van verouderde gegevens. Daarvoor wordt ook gewezen op artikel 13.5 , eerste lid. in samenhang met artikel 13. l. tweede lid. van de Wet milieubeheer.

171. In het akoestisch onderzoek staat dat de vergunningaanvraag onder andere ziet op drie vergistingstanks. twee na-opslagen voor de dunne fractie van het digestaat en een opslagtank voor drijfmest. Dat wijkt af van in ieder geval de toelichting op de aanvraag. de plattegrondtekening en het processchema. De aanvraag is dus innerlijk tegenstrijdig. Als gevolg daarvan kan niet op de deskundigheid en zorgvuldigheid van de aanvraag en de daarbij behorende stukken worden vertrouwd. Doordat alle voornoemde stukken ook onderdeel uitmaken van het ontwerpbesluit. is bovendien ook het ontwerpbesluit innerlijk tegenstrijdig. GS (b}lijken niet te weten wat ze willen vergunnen. Het feit dat de stukken zo duidelijk innerlijk tegenstrijdig zijn , levert ook de vraag op of GS de stukken überhaupt (ook) in onderlinge samenhang hebben beoordeeld. Het ontwerpbesluit is in strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel vastgesteld. 172. In het akoestisch onderzoek staat dat het aantal verkeersbewegingen in de representatieve bedrijfssituatie ongewijzigd is ten opzichte van de vigerende vergunde situatie. Dat is ongeloofwaardig. De capaciteit neemt immers toe van 36. 000 ton tot 60. 000 ton op jaarbasis. Dat betekent dat er meer aangevoerd én meer afgevoerd wordt. Het aantal verkeersbewegingen zal dus toenemen. 173. In het akoestisch onderzoek wordt ingegaan op de normering.

Daarbij wordt gewezen op de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: Handreiking). Op grond daarvan gelden voor een landelijke omgeving -waar in het geval van cliënten sprake van is -40. 35 en 30 dB(A) als richtwaarde voor de dag- , avond-respectievelijk nachtperiode. Aard van de woonomgeving

Landelijke omgeving Rustige woonwijk , weinig verkeer Woonwijk in de stad

Aanbevolen richtwaarden in de woonomgeving in dB(A ) dag

avond

nacht

40 45 50

35 40 45

30 35 40

43

174. De de

vergunning woning van

van

voldoet daar

2011

cliënten

(zie hierna

volgens

de voorschriften

voorschrift 3.1 uit de

betreft

aan

voor

wat

vergunning

van

2011).

langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (La-‚r). veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en de daarin plaatsvindende activiteiten, mogen de Het

hieronder beschreven

Immissiepunt

‚

—

Ì

(geanonimise rd) 175.

Volgens

het akoestisch

aan

de

van

cliënten.

Tabel 5:

niet niet meer bedragen dan: | Langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus „L{LAr,LT) in dB(A) Avond í Nacht __ïDag 00

waarden

richtwaarde

T

(0r.00-

19.00u)

mk

en

onderzoek voldoet ook

van

40, 35

Dit blijkt uit tabel

respectievelijk 5 in het

voor

de

aangevraagde

30

d(BA)

akoestisch onderzoek.

Rekenpunten omschrijving

de

situatie nog steeds van de woning

ten aanzien

langtijdgemiddetde beoordelingsniveaus met tussen haakjes (…) (bedrijfs)woningen buiten en op het bedrijventerrein. LarT

(geanonimise rd) aangevraagde

situatie

u)

Er

Berekende den

176.In

{(23.00-07

!419.00-2300 u)

Dag (ho =1,5 m)

[dB(A)]

Avond

(ho

de toetswaar-

=5

Nacht

m)

(ho= 5m)

44

(55)

41

(50)

40

(45)

37

(55)

38

(50)

37

(45)

31

(50)

28

(45)

28

(40)

30

(50)

26

(45)

25

(40)

27

(50)

19

(45)

19

(40)

28

(50)

20

(45)

20

(40)

35

27

(45)

26

29

(50) (50)

21

(45)

20

(40) (40)

24

(50)

22

(45)

21

(40)

geluidbelasting zelfs lager zijn dan in de bestaande situatie. Dat is gelet op de uitbreiding van de capaciteit ongeloofwaardig. Het akoestisch onderzoek is er echter duidelijk over dat de geluidbelasting op de woning van cliënten (ruim) onder de richtwaarden uit de Handreiking blijft. GS willen het bedrijf kennelijk echter veel meer ‘geluidruimte’ geven. In voorschrift 2.4.2 van het ontwerpbesluit is namelijk het volgende bepaald. zou

de

AA

LJAMEN

L=GAL Het

langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Larr veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt |

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Larur

en

omschrijving

(geanonimise rd)

Dag

Avond

07.00 -19.00

19.00 -23.00

uur

uur

dB(A)

Nacht

|

23.00

-07.00

uur

|

_|

45

50 Ì

40 4

50

45

40

45

40

35

45

40

35

45

in

40

|

45

35 |

40

45

L_

35

40

35

45

40

35

40

35

30

willen op de woning van cliënten dus een geluidbelasting van 45, 40 en 35 dB(A) toestaan voor de dag-, avond- respectievelijk nachtperiode. Dit is véél meer dan wat

177.GS

is

aangevraagd.

vergund én meer dan richtwaarde in de Handreiking. Hiervoor is geen enkele onderbouwing gegeven. Het ontwerpbesluit is daarom in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en de Handreiking, Bovendien is niet gemotiveerd dat hiermee is voldaan aan artikel 5.5, zesde lid,

Ook

is

dit

veel

meer

dan

wat

in

2011

is

Ll

(geanonimiseerd)

178.Hetzelfde

geldt voor het maximale geluidniveau. Aangevraagd is een maximaal geluidniveau van 44,1/451, 25,5/31,3 en 25,5/31,3 dB(A) op de woning van cliënten in de dag-, avond- respectievelijk nachtperiode (zie bijlage 6 in het akoestisch onderzoek).

(geanonim(geanonimiseerd) iserd)

05_A 058

179.

Volgens

238402.97 238402.97

474115,23 474M5,23

150

44,

25,5

25,5

5,00

451

31,3

31,3

de

Handreiking geldt als grenswaarde voor het maximaal geluidniveau de hiervoor genoemde richtwaarde (ook opgenomen in tabel 2 van de Handreiking) vermeerderd met 10 dB. Dat betekent een maximaal geluidniveau van 50, 45 en 40 dB(A) in de dag-, avond- respectievelijk nachtperiode. Ten onrechte en zonder enige motivering staat het ontwerpbesluit in voorschrift 24.35 meer toe dan wat is aangevraagd en wat in de Handreiking is voorgeschreven.

45

LJAMEN L=GAL

Het maximale geluidsniveau Lamax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag op de onderstaande beoordelingspunten niet meer bedragen dan: Beoordelingspunt

Maximale

en

omschrijving

(geanonimise rd)

geluidsniveau Lamax

Dag

Avond

07.00 -19.00

19.00

en

motiveringsbeginsel

voldaan 181. In

GS

artikel 5.5

Handreiking.

ontbreken

Ook

in

strijd met het zorgvuldigheidsgemotiveerd dat hiermee is

is niet

daarnaast

controlevoorschriften, zoals die op zijn gesteld. Op grond daarvan

de

DN

voorschriften

de

monitoring van geluid aan de nagelaten. Het ontwerpbesluit is daarom

over

vergunning strijd met

in

(geanonimiseerd)

ontbreekt

onrechte

ten

dagperiode zijn toegestaan. aangevraagd, en mogen dus 18.

23.00 -07.00

lid, (geanonimiseerd)

verbinden. Dat is ten onrechte

182.Verder

-23.00

artikel 5.5, vierde lid, (geanonimiseerd) verpicht

van

moeten

|

Nacht

61

de

artikel 5.5, zesde

ontwerpbesluit

het

grond

aan

en

dB(A)

uur

_ Ook op dit punt is het ontwerpbesluit daarom

180.

in

voorschrift

een

Vrachtwagens

dat

vrachtwagens

alleen

zijn immers dagperiode

alleen

in de

in de

worden

toegestaan.

het aspect

geurhinder

verwezen

ook alleen

in

de

dagperiode

Geur

183.ln

ontwerpbesluit

het

van

het

van

voor

Activiteitenbesluit.

Activiteitenbesluit lucht

wordt

is

artikel

Op

grond

27a

echter

IPPC-installatie

een

indien

en

van

niet voor

artikel van

23a,

voor

artikel

tweede

toepassing

zover

naar

de

lid, “op emissies activiteit

2.7a

van

het

naar

de

of het

type

productieproces BBT-conclusies voor deze emissies zijn vastgesteld op grond van artikel 13, vijfde en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies”. Op grond van

artikel

toepassing

vierde

lid,

van

emissies

van

stoffen

2.3a, op

het Activiteitenbesluit voor

zover

in de

artikel

2.7a

ook

hoofdstukken

3, 4

en

is

niet

van

5 emissie-

46

eisen aan die stoffen zijn gesteld. In het ontwerpbesluit is hier ten onrechte aan voorbij gegaan. In het ontwerpbesluit is ten onrechte niet beoordeeld voor welke activiteiten bij het bedrijf BBT-conclusies gelden. Ook is ten onrechte niet beoordeeld voor welke activiteiten bij het bedrijf eventueel emissie-eisen zijn (of beter gezegd: waren) gesteld in de hoofdstukken 3 , 4 en 5 van het Activiteitenbesluit. Voor zover dergelijke emissie-eisen zouden zijn gesteld in die hoofdstukken. geldt dat daar niet meer naar verwezen kan worden en dat daarvoor voorschriften in het (ontwerp)besluit gesteld moeten worden. Dat geldt ook voor het voldoen aan artikel 2. 7a van het Activiteitenbesluit als zodanig. Voor een toelichting daarop wordt , om onnodige herhaling te voorkomen. verwezen naar hoofdstuk 12 van deze zienswijze. 184. ln het ontwerpbesluit worden twee geurreducerende maatregelen genoemd. GS beschouwt die maatregelen als BBT. Hiervoor is echter geen toelichting gegeven. In het ontwerpbesluit is ten onrechte niet getoetst aan de BBT-conclusies -uit de diverse toepasselijke BREF's (zie hoofdstuk 13 van deze zienswijze) -die gelden voor het bedrijf. Het ontwerpbesluit schiet daarom ook op dit punt ernstig tekort en is in strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel en bovenal met artikel 2. 14. eerste lid. sub c. onder 1. van de Wabo. 185.

ln het ontwerpbesluit en het geurrapport staat een overzicht van aangevraagde geurbronnen. In dit overzicht ontbreken in ieder geval de opslag van vaste mest. het drogen van de dikke fractie van digestaat en verdringingslucht. Ook ontbreken ten onrechte voorschriften over deze geurbronnen in het ontwerpbesluit. a. Opslag vaste mest: dat vaste mest wordt opgeslagen. staat in de toelichting op de aanvraag (blz. 14). In het geurrapport is de opslag van vaste mest ten onrechte buiten beschouwing gelaten (zie blz. 12 geurrapport). Hierna wordt nog verder op deze opslag ingegaan. b. Drogen dikke fractie: dat de dikke fractie van het digestaat wordt gedroogd , is toegelicht in paragraaf 11. 5 van deze zienswijze. Daar wordt daarom integraal naar verwezen. In aanvulling daarop wordt het volgende opgemerkt. In het geurrapport wordt ervan uitgegaan dat " de droge digestaat " zes keer per week wordt opgehaald. De frequentie van het afvoeren van 'de droge digestaat· is van belang voor de geurbelasting. Hoe minder vaak 'de droge digestaat' wordt afgevoerd , hoe langer 'de droge digestaat' in de opslag zal blijven liggen. En hoe langer 'de droge digestaat' in de opslag blijft liggen. hoe meer droging er plaatsvindt en hoe hoger de geurbelasting zal zijn. De frequentie van het afvoeren van 'de droge digestaat' is ten onrechte niet in de voorschriften vastgelegd.

Ook de toegestane oppervlakte (m 2 ) en inhoud/omvang (m 3 ) van de opslag voor de dikke fractie van het digestaat zijn ten onrechte niet in de voorschriften vastgelegd. c. Verdringingslucht: verdringingslucht komt op meerdere plekken vrij en is ten onrechte niet meegenomen in het geurrapport. Er komt onder andere verdringingslucht vrij bij de drie ontluchtingspijpen bij de mestzak. Op de volgende afbeelding zijn de ontluchtingspijpen te zien bij de drie 'punten' in het midden van de mestzak verspreid over de lengte van de mestzak. 47

(geanonimiserd)

Daarnaast

de

is in ieder

aanvoer

ventielen 186.Al

deze

hierover

van

vloeibare

van

separatorruimte. de

geval sprake

Verder

is

van

mest,

sprake

verdringingslucht de van

invoer

van

vrijkomende

de

gasdaken, bij en de coproducten lucht de overdruk bij tussen

vergisters.

geurbronnen zijn ten onrechte niet in het geurrapport zijn ten onrechte geen voorschriften gesteld.

meegenomen

en

opslag van vaste mest én de opslag van vaste coproducten is verder het volgende van belang. De vaste mest en vaste coproducten worden gezamenlijk in één hal opgeslagen (hierna: opslaghal). Het is niet duidelijk welke soorten vaste mest (bijvoorbeeld pluimvee-/frundveemest) worden opgeslagen en hoeveel van iedere soort. Ook is niet duidelijk welke soorten vaste coproducten worden opgeslagen en hoeveel van iedere soort. Dit heeft echter wel invloed op de geuremissie. In het

187.Voor

188.

de

geurrapport is hierover niets opgenomen.

Dit is ten onrechte

onrechte

gesteld.

zijn

hierover

geen

voorschriften

niet beoordeeld

en

ten

de toegestane oppervlakte (m2) en inhoud/omvang (m?) van de opslag voor mest en de vaste cosubstraten zijn ten onrechte niet in de voorschriften

Ook vaste

vastgelegd. daarvoor

Dat

had

wel

gedaan

moeten

worden.

De

tekening bij

slechts

een

Daar

staat

maximale

de

inhoud

aanvraag is in vermeld,

namelijk geen bij benadering. Die inhoud bij benadering in de tekening stemt echter niet overeen met de inhoud die wordt vermeld in de toelichting op de aanvraag. Bovendien is de opslaghal qua oppervlakte en inhoud (veel) groter dan in de tekening en toelichting op de aanvraag staat vermeld. Het bedrijf kan die oppervlakte en inhoud dus eenvoudig overschrijden en heeft in het verleden ook meerdere malen gedaan. Toezichthouders hebben daarnaast geconstateerd dat de toegestane oppervlakte en inhoud niet goed zijn te controleren en te handhaven. Daarom is het eens te meer van belang dat ook maatregelen worden getroffen én voorgeschreven waarmee wordt geborgd dat de toegestane oppervlakte en inhoud maar

niet toereikend. inhoud

48

niet kunnen worden overschreden. Voor een verdere toelichting hierop wordt integraal verwezen naar het als bijlage lO bijgevoegde memo. 189. Dit alles met betrekking tot de opslaghal is eens te meer van belang omdat de opslaghal niet luchtdicht is afgesloten en dus geuremissie veroorzaakt. Het geurrapport en het ontwerpbesluit (zie voorschrift 2. 6. 6) gaan er ten onrechte van uit dat dat niet zo is. Voor een toelichting hierop wordt (opnieuw) integraal verwezen naar het als bijlage lO bijgevoegde memo. Alles wat daarin is aangevoerd. dient als hier herhaald en ingelast beschouwd te worden. 190.

Met betrekking tot het geurrapport wordt verder het volgende opgemerkt. Het geurrapport verwijst naar geurmetingen die in 2021 zijn uitgevoerd. Daarvoor wordt verwezen naar het rapport 'Groen Gas Goor: geuronderzoek 2020· van 12 januari 2024 als bijlage 5 bij het geurrapport is opgenomen. a. Het geuronderzoek 2020 ziet op geurmetingen die op 4 augustus 2020 en 14 september 2020 zijn uitgevoerd. en dus niet op geurmetingen die in 2021 zijn uitgevoerd. b. Het geuronderzoek 2020 is reeds vastgelegd in een rapport van 19 mei 2021. met kenmerk R0Ol-l27349lFAG-V05-hjr-NL. Het rapport is kennelijk herzien/ gereviseerd. Dat is nogal opmerkelijk. Daar is ook geen reden voor genoemd. Dat het rapport is herzien. bevreemdt eens te meer omdat in het rapport van 19 mei 2021 nog expliciet werd gesproken over het " drogen van de dikke fractie " (zie bijlage ll). 33 In het rapport dat als bijlage 5 bij het 'nieuwe· geurrapport is gevoegd , is de woordkeuze aangepast. Dat wijst erop dat GGG probeert te verhullen dat sprake is van het drogen van mest. terwijl daar evident sprake van is. c. Verwijzen naar geurmetingen in 2020 treft geen doel. Dat betreft namelijk een momentopname en die zegt niets over de aangevraagde situatie. d. Het is onduidelijk hoeveel mest en welke soorten mest en hoeveel coproducten en welke coproducten tijdens de meting waren opgeslagen.

Ook om die reden zeggen de geurmetingen in 2020 niets over de aangevraagde situatie.

191. Wat betreft dat laatste punt is verder het volgende van belang. Verwijzen naar geurmetingen uit het verleden heeft geen zin , omdat het daarbij gaat om een momentopname. Voor de geuremissie zijn echter vele factoren van belang. waaronder de soorten dierlijke mest die worden aangevoerd (bijvoorbeeld pluimveemest. rundveemest , drijfmest. etc. ). de hoeveelheden die van iedere soort dierlijke mest worden aangevoerd , de soorten co producten die worden aangevoerd. de hoeveelheden die van iedere soort coproduct worden aangevoerd. et cetera. Dit alles heeft grote invloed op de geuremissie. Een enkele meting zegt daar niets over. In het geurrapport dat bij (de aanvraag voor) het thans bestreden ontwerpbesluit hoort. zijn de geurmetingen uit 2020 dan ook ten onrechte als basis gebruikt (zie 33 Vanwege de omvang van het geurrapport is voor nu alleen de betreffende pagina uit het geurrapport als bijlage toegevoegd.

49

hoofdstuk 2 en paragraaf 3. 1 van het geurrapport). De geuremissie is daardoor niet goed beoordeeld. 192. Dit klemt eens temeer omdat ook in het geurrapport geen onderscheid wordt gemaakt naar soorten en hoeveelheden dierlijke mest en soorten en hoeveelheden coproducten. Die brengen echter , zoals gezegd , allemaal een verschillende geuremissie met zich. Ook is ten onrechte niet beoordeeld wat de geuremissie is als het bedrijf alleen dierlijke mest zou aanvoeren. Die mogelijkheid benoemt het bedrijf echter wel expliciet in haar aanvraag. Mest en coproducten

De grondstoffen zijn meststoffen en co-producten. De maximale doorzet is 60. 000 ton. Dil zou in theorie ook 60. 000 ton mest kunnen zijn. Naar gelang de economische omstandig­ heden zullen er vaste en vloeibare co-producten worden toegevoegd. In bijlage Aa , onder Het aandeel mest is minimaal 50% dit kan dus ook 100%van de aanvoer zijn. De aanvoer mest zou theoretisch kunnen oplopen tot 60. 000 ton.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4179/documents/59225