ANONIEM 11. Bijlage 4 bij Locis adviseurs over Onvolledige en onjuiste beantwoording SV Omgevingsvergunning Groen Gas Goor (1028828).pdf
Tekst van het document
193. Hieraan zijn geen beperkingen gesteld in de voorschriften (zie voor een verdere toelichting ook paragraaf 14. 3 van deze zienswijze). In theorie zou het bedrijf dus 60. 000 ton dierlijke mest per jaar kunnen aanvoeren. Dat heeft invloed op de geuremissie. onder andere bij het aanvoeren van dierlijke mest. de opslag van de vaste mest , het drogen van de dikke fractie van het digestaat en het afvoeren van het digestaat (dunne en dikke fractie). Dit is in het geurrapport ten onrechte niet beoordeeld. 194. Gelet op het voorgaande biedt het geurrapport geen inzicht in en beoordeling van de aangevraagde situatie , en al helemaal niet van een worst-case scenario. 195. ln het geurrapport wordt daarnaast ingegaan op de luchtwasser en het biobed. Van de luchtwasser en het biobed zijn echter geen gegevens bekend. Zelfs het type luchtwasser en biobed zijn niet bekend -en dus ten onrechte ook niet vastgelegd. GS vergunnen dus iets. zonder te weten wat ze vergunnen. Dat over de luchtwasser en het biobed geen informatie bekend is. blijkt ook uit voorschrift 2. 7. l en 2. 7. 2 van het ontwerpbesluit. De daarin ·verzochte' informatie had al beschikbaar moeten zijn. Zonder deze informatie kan de vergunningaanvraag niet beoordeeld worden. 196. Ook andere relevante informatie mist om de vergunningaanvraag te beoordelen.
De dimensionering van de luchtwasser en het biobed zijn niet bekend , althans blijkt nergens uit waar de dimensionering op is gestoeld. Het dimensioneringsplan van de luchtwasser geeft enkel aan dat de ventilatiebehoefte voor de mestverwerking 3 29. 987 m/uur is. Maar daaNoor is geen enkele onderbouwing gegeven. Om de ventilatiebehoefte te onderbouwen , moet onder andere inzichtelijk zijn welke bronnen/activiteiten/ruimtes op de luchtwasser zijn aangesloten. Dat is nu onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Dat klemt eens te meer omdat het bedrijf de 50
LAM HI
el TZ
L mf dikke
fractie
het
van
digestaat droogt (zie paragraaf 11.5
ventilatiebehoefte is dus stukken
op
(in het ‘milieuspoor’
enkele
manier
geen en het
van
deze
onderbouwd.
zienswijze).
In de
De
verschillende
‘natuurspoor') noemt GGG hiervoor ook diverse geurrapport lijkt uiteindelijk te zijn uitgegaan van een debiet 11.500 m?/uur, wat nogal opmerkelijk is omdat eerder een debiet van 20.500 van m°/uur is gemeten en er thans sprake is van een uitbreiding van de capaciteit. hoeveelheden.
197.Ook
het
bekend
geurverwijderingsrendement en
niet
onderbouwd
Het
is dus
samenhang. daadwerkelijk ten
198.De
In het
onrechte
voorschriften
handhaafbaar.
en
voor
wordt
van
de
luchtwasser
afzonderlijk bekend
effect hebben in de
en
van
of de zo
en
het
elkaar
als
luchtwasser
ja, wat
biobed in en
dat effect
zijn niet onderlinge
het
biobed
is. Hierover
is
voorschriften.
zijn opgenomen in het ontwerpbesluit, zijn niet gecontroleerd op bijvoorbeeld het voldoen aan zijn ten onrechte geen controlevoorschriften gesteld
geur immers
2.6.2? Ook
artikel 5.5, vierde
lid,
(geanonimiseerd) Er ontbreekt ook ten onrechte
de
een
geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd. De voorschriften voldoen ook overigens niet aan de eisen van artikel 5.5 (geanonimiseerd) Voor wat betreft voorschrift 2.6.4 is verder van belang dat daaraan wordt toegevoegd dat een logboek moet worden bijgehouden van de momenten waarop de lucht niet op de voorgeschreven wijze wordt afgezogen, wat de oorzaak daarvan is, wanneer welke maatregelen zijn getroffen om het afzuigsysteem weer in gebruik te stellen, et cetera. Ook moet worden voorgeschreven dat het logboek minimaal vijf jaar dient te worden bewaard en voor het bevoegd gezag ter inzage moet liggen. 19.
welke
niet
vastgelegd
die wél
Hoe
voorschriften 2.6.1
overeenkomstig termijn binnen
helemaal
reducerend
een
ook niets
zowel
-—
De
Lucht
ontwerpbesluit wordt voor het aspect luchtkwaliteit deels verwezen naar het Op grond van artikel 2.3a van het Activiteitenbesluit zijn echter niet alle regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing als sprake is van een IPPCinstallatie. In het ontwerpbesluit is ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt voor welke bedrijfsactiviteiten c.q. -onderdelen wel of geen BBT-conclusies gelden (en zo ja, welke), en of de regels uit het Activiteitenbesluit daarom wel of niet gelden. Voor zover de regels uit het Activiteitenbesluit wel gelden, had daar niet meer naar verwezen kunnen worden. Daarvoor moeten voorschriften in het (ontwerp)besluit gesteld worden. Voor een toelichting daarop wordt. om onnodige herhaling te voorkomen, verwezen naar hoofdstuk 12 van deze zienswijze.
199.[n het
Activiteitenbesluit.
200.
In het
vergunningaanvraag onder andere ziet op drie vergistingstanks, twee na-opslagen voor de dunne fractie van het digestaat en een opslagtank voor drijfmest. Dat wijkt af van in ieder geval de toelichting op de aanvraag, de plattegrondtekening en het processchema. De is dus aanvraag innerlijk tegenstrijdig. Als gevolg daarvan kan niet op de deskundigheid en zorgvuldigheid van de aanvraag en de daarbij behorende stukken
luchtkwaliteitsonderzoek
worden
vertrouwd.
staat dat
Doordat
alle
de
voornoemde
stukken
ook
onderdeel
sl
uitmaken van het ontwerpbesluit , is bovendien ook het ontwerpbesluit innerlijk tegenstrijdig. GS (b)lijken niet te weten wat ze willen vergunnen. Het feit dat de stukken zo duidelijk innerlijk tegenstrijdig zijn , levert ook de vraag op of GS de stukken überhaupt (ook) in onderlinge samenhang hebben beoordeeld. Het ontwerpbesluit is in strijd met het zorgvuldigheids-en motiveringsbeginsel vastgesteld. 201.
In het luchtkwaliteitsonderzoek wordt opgemerkt dat er geen stuifgevoelige coproducten zijn. Dat klopt niet. Onderdeel IV van bijlage Aa bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet bevat verschillende reststoffen die stuifgevoelig zijn. Dat het bedrijf stuifgevoelige stoffen accepteert en verwerkt , blijkt ook uit onderstaande foto.
202.
Het luchtkwaliteitsonderzoek schiet dus alleen al om deze redenen tekort.
203.
Daarnaast is ten onrechte niet , althans niet volledig en niet goed , aan de relevante BBT-conclusies uit de toepasselijke BREF's getoetst. BBT is onder andere dat de opslaghal voor de vaste coproducten en vaste mest luchtdicht is (wat niet het geval is; zie bijlage 10 bij deze zienswijze) , dat het stof bij stuifgevoelige stoffen waarvan vastgelegd moet worden welke stoffen dat zijn -wordt afgevangen (wat gelet op de foto duidelijk niet wordt gedaan) en dat het C02 wordt afgevangen en opgewerkt om zo min mogelijk C0uit te stoten. Aan in ieder geval deze BBTwordt 2 niet voldaan. Het luchtkwaliteitsonderzoek en het ontwerpbesluit schieten alleen al om voornoemde redenen tekort.
52
20.
Wet bibob
204.
Op grond van artikel 2. 20 van de Wabo kan de vergunning geweigerd worden in het geval en onder de voorwaarden bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob). In het ontwerpbesluit staat hierover enkel dat het Cluster Integere Overheid van de provincie Overijssel een beoordeling heeft uitgevoerd. maar dat die beoordeling niet heeft geleid tot een nader onderzoek.
205.
Het is onbekend op basis waarvan en hoe het Cluster Integere Overheid een beoordeling heeft uitgevoerd. Deze kan echter niet juist zijn. Op 23 mei 2023 -dus voorafgaand aan de door GGG aangevraagde vergunning -hebben GS al een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan GGG gestuurd. Die last onder dwangsom ziet op (uiteindelijk) 14 overtredingen. waaronder ernstige overtredingen zoals een jarenlange , grove overschrijding van de toegestane doorzet aan dierlijke mest. cosubstraten en afvalstoffen. Het gaat daarbij om economische delicten. In het voornemen hebben GS er daarom op gewezen dat zij de buitengewoon opsporingsambtenaar van de ODT op de hoogte zouden brengen van de geconstateerde overtredingen en dat er ook strafrechtelijke handhaving kan volgen. GS hebben de last onder dwangsom bij besluit van 7 november 2023 definitief opgelegd.
206.
Medio 2023 hebben toezichthouders in opdracht van GS een operationele analyse met betrekking tot de activiteiten van GGG uitgevoerd. De uitkomsten van die analyse waren aanleiding om een onderzoek in de vorm van diepgaand administratief onderzoek bij GGG uit te voeren. GS hebben dit onderzoek in 2024 laten uitvoeren. Er zijn wederom grove overtredingen -nota bene met betrekking tot de afvalstoffenwetgeving -vastgesteld. Op 13 december 2024 hebben GS hiervoor een last onder dwangsom aan GGG opgelegd. Omdat het wederom gaat om economische delicten. hebben GS de buitengewoon opsporingsambtenaar hiervan wederom op de hoogte gebracht.
207.
Verder hebben de toezichthouders namens GS in april 2025 ook gaslekkages bij GGG vastgesteld. Op 9 mei 2025 hebben GS daarvoor een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom naar GGG gestuurd. Omdat het wederom gaat om economische delicten. hebben GS de buitengewoon opsporingsambtenaar hiervan wederom op de hoogte gebracht.
208.
En dan hebben we het nog niet gehad over alle (grove) overtredingen die al zijn vastgesteld bij GGG vóórdat GS (eindelijk) erkenden dat zij bevoegd gezag zijn ten aanzien van GGG.
209.
Gelet op het voorgaande is het een feit dat GGG haar bedrijf gebruikt om strafbare feiten te plegen. GS hebben GGG zelf -terecht-als calculerend overtreder (indeling in interventieklasse C overeenkomstig de landelijke handhavingsstrategie) aangemerkt. Het economisch voordeel dat GGG met haar overtredingen geniet. is 53
kennelijk zelfs dusdanig groot dat een opgelegde dwangsom van€ 1. 500. 000 voor haar geen (voldoende) prikkel vormt om de overtredingen te beëindigen. 210.
Het zal dan ook niet bevreemden dat tegen het bedrijf een strafrechtelijk onderzoek loopt. Wat wel bevreemdt. is dat het Cluster Integere Overheid geen nader onderzoek heeft uitgevoerd. Dat roept de nodige vraagtekens op.
211. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden moet de door GGG aangevraagde vergunning op grond van artikel 2. 20 van de Wabo in samenhang met artikel 3 van de Wet bib ob geweigerd worden. 21.
Voorschriften
212. ln het voorgaande is al ingegaan op onjuiste en ontbrekende voorschriften in het ontwerpbesluit. In aanvulling daarop wordt het volgende opgemerkt. 213. Voorschrift 2. 1. l bepaalt dat de vergunninghouder moet beschikken over een milieuzorgsysteem. oftewel een milieubeheersysteem (hierna: MBS). De invoering en naleving van een MBS is de best beschikbare techniek (hierna: BBT) om de algehele milieuprestaties te verbeteren. waarbij in de MBS de elementen moeten zijn opgenomen die zijn genoemd in BBT l van de BREF Afvalbehandeling. In voorschrift 2. 7. 1. ontbreken in afwijking van BBT l -en dus onterecht -de volgende elementen: a. een inventarisatie van afvalwater-en afgasstromen (BBT 2): b. een residuen beheerplan (punt 6. 5 van de BBT-conclusies): c. een beheerplan voor geluid en trillingen (BBT 17). 214. Voorschrift 2. 1. l bepaalt daarnaast ten onrechte niet dat GGG het MBS ook moet naleven. Daarnaast is in de voorschriften ten onrechte niet bepaald dat het MBS binnen (bijvoorbeeld) een halfjaar na het in werking treden van de vergunning moet zijn vastgesteld en ter goedkeuring aan GS moet worden voorgelegd. Dit is eens te meer van belang nu GGG nog geen MBS heeft vastgesteld en gelet op de 'toelichting bij de BBT toets voor Groen Gas Goor' bij de vergunningaanvraag (hierna: BBT-toets bij de aanvraag) ook niet voornemens is om dat te doen (blz. 6 BBT-toets).
De BBT toets bij de aanvraag mag om die reden geen deel uitmaken van de vergunning. Het ontwerpbesluit is gelet hierop overigens ook innerlijk tegenstrijdig. 215. Voorschrift 2. 1. 2 bepaalt dat binnen het bedrijf een plattegrond aanwezig moet zijn waarop alle gebouwen en installaties met hun functies moeten zijn aangegeven. De plattegrond bij de aanvraag voldoet hier niet aan. In de plattegrond staat namelijk niet wat de tussenvergister en de navergister zijn. Die vergisters mogen geen hoofdvergisters zijn. Voor de overige opmerkingen bij de plattegrond c. q. tekeningen wordt verwezen naar paragraafll. 4 van deze zienswijze.
54
216. Voorschrift 2. l. 2 bepaalt daarnaast dat op de plattegrond ook moeten zijn aangegeven " alle opslagen van stoffen welke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken met vermelding van aard en maximale hoeveelheid." De plattegrond bij de aanvraag voldoet hier niet aan. Bij onder andere de volgende opslagen staan ten onrechte niet de aard en/of de maximale hoeveelheid van de stoffen: a. vergisters: aard en maximale hoeveelheid van de stoffen: b. solid storage: er staat alleen een benadering ('ca. ') van de inhoud maar geen maximum , en volgens de tekening worden hier enkel coproducten opgeslagen , wat afwijkt van de rest van de vergunningaanvraag; 34 c. invoerbakken: aard van de stoffen: d. solid fraction storage: aard en maximale hoeveelheid van de stoffen. 217. De plattegrond maakt gelet op dictum Il van het ontwerpbesluit deel uit van de vergunning. De plattegrond voldoet echter niet aan de eisen die daaraan worden gesteld. De plattegrond kan in zoverre geen deel uitmaken van de vergunning. Ook is het ontwerpbesluit in zoverre innerlijk tegenstrijdig. 218. Voorschrift 2. 12. l bepaalt dat het fakkelsysteem zo min mogelijk moet worden gebruikt. Ten onrechte is hieraan geen harde beperking gesteld. Dat had vanwege de gevolgen van affakkelen voor de omgeving en het milieu wel gedaan moeten worden. Aan voorschrift 2. 12. 6 en/of 2. 12.
7 moet worden toegevoegd dat het logboek minimaal vijf jaar moet worden bewaard. 219. ln algemene zin wordt nogmaals opgemerkt dat de voorschriften niet voldoen aan de eisen die daaraan in artikel 5. 5 en volgende van het Bar worden gesteld. 22. 220.
Onvolledige vergunning(aanvraag) Op grond van artikel 2.7 , eerste lid , van de Wabo moet een aanvraag voor een omgevingsvergunning betrekking hebben op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. De aanvraag -en daarmee ook het ontwerpbesluit voldoet daar niet aan.
221. Het bedrijf ('project') is namelijk in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Zenkeldamshoek 2017' 35 . Dat betekent dat sprake is van de onlosmakelijk samenhangende activiteit zoals bedoeld in artikel 2. l. eerste lid , aanhef en sub c , van de Wabo. Nu daarvoor geen vergunning is aangevraagd en GS dus ook niet het voornemen hebben om daarvoor een vergunning te verlenen. had de aangevraagde vergunning ook vanwege strijd met artikel 2. l. eerste lid , aanhef en sub c , van de Wabo geweigerd moeten worden. 34 Zie bijv. toelichting op de aanvraag
blz. 14 en AV-beleid blz. 13. 35 Sinds l januari 2024 onderdeel van het Omgevingsplan gemeente Hof van Twente.
55
LJAMEN L=GAL Dat
het
8.1 van
deze
222.
naar
bedrijf in strijd is met het bestemmingsplan. is toegelicht in paragraaf zienswijze. Om onnodige herhaling te voorkomen, wordt daar integraal
verwezen.
23.
Conclusie
223.
In
me.r-beoordelingsbesluit is ten onrechte geconcludeerd dat geen MER MER is vereist. Er had wél een opgesteld moeten worden. Daarom moet de aangevraagde omgevingsvergunning worden geweigerd. Ook overigens moet de aangevraagde omgevingsvergunning worden geweigerd. Die is namelijk in strijd met verschillende wet- en regelgeving. In het ontwerpbesluit is dit ten onrechte miskend. Het ontwerpbesluit is daarnaast in strijd met verschillende algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
224.
Cliënten van
225.
het
de
gegrondverklaring aangevraagde omgevingsvergunning.
Cliënten
concluderen
behouden
tot
zich
van
hun
zienswijze
en
weigering
nota bene gelet op het feit dat het ontwerpbesluit tegelijkertijd met een ander ontwerpbesluit voor dit bedrijf - midden in de zomer(vakantieperiode ter inzage is gelegd en slechts een beperkte aanvullende termijn is gesteld voor het indienen van de motivering van de zienswijze, het recht voor om hun zienswijze later nader aan te vullen. Ook behouden zij zich het recht voor om hun zienswijze nader aan te vullen na ontvangst van de ontbrekende stukken bij het ontwerpbesluit c.q. de vergunningaanvraag. -
(geanonimiseerd)
56