CConstaterende datHof van Twente
Koppel je AI →
Document · PDF

ANONIEM 11. Bijlage 4 bij Locis adviseurs over Onvolledige en onjuiste beantwoording SV Omgevingsvergunning Groen Gas Goor (1028828).pdf

Gemeenteraad 3 november 2025, gemeente Hof van TwenteBij agendapunt: 5: Vaststellen adviezen ingekomen stukken21.816 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

enn )

_

Ló

mm

L (GA G L

Damen

Legal

Postbus

221

5140

Waalwijk

AE

B.V.

(geanonimiseerd) mn

Dd (geanonimiseerd) Beearmeniegaicom

_

® damenlegal.com

AANGETEKEND

Omgevingsdienst Postbus

499

7600

ALMELO

AL

Twente

info@odtwente.nl, proceduremedewerkers@overijssel.nl

Vooruit

per e-mail:

Datum

Drunen, 9

Onze

D2025041

Uw

referentie

referentie

september

Z2025-ODT-009323

(geanonimiseerd) Provincie Overijssel (V4) WK

Inzake

motivering zienswijze

en

verzoek stukken

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Geachte

1.

2025

_Op15 augustus

2025

(geanonimiseerd) AN. heb ik namen (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) | (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)

zienswijze pro forma ingediend tegen het ontwerpbesluit omgevingsvergunning van Gedeputeerde Staten van Overijssel (hierna: GS) van 24 juni 2025 met bovengenoemd zaaknummer. Bij schrijven van 27 augustus 2025 heeft u cliënten gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld om de motivering van hun zienswijze in te dienen. Hierbij, en dus tijdig, dien ik namens cliënten de motivering van hun zienswijze in. 2.

In deze

-__

zienswijze

het advies

wordt

daarnaast verzocht

bouwvergunning

van

Twente

20

(blz.

de

volgende

stukken

toe

te sturen:

ontwerpbesluit); (blz. 25 ontwerpbesluit); januari de zonder enige stukken waarin grondslag gegevens zijn geweigerd de van 18 toelichting op aanvraag juli 2024).

-___de

van

Brandweer

om

22

2025

(de

3.

Het

ontwerpbesluit schiet ernstig tekort. GS zijn ervan op de hoogte dat het bedrijf al jarenlang voor een groot deel illegaal in werking is en dat de vergunningen voor het bedrijf niet op orde zijn. Deze ‘revisievergunning’ zou de vergunningensituatie op orde moeten brengen en de illegale situatie moeten legaliseren. GS zouden de vergunningaanvraag daarom deugdelijk beoordelen en orde op zaken stellen. Daar blijkt echter niets van.

4.

Het

ontwerpbesluit maakt niet eens duidelijk wat er in deze ‘revisie’ wordt vergund. Het ontwerpbesluit is daarnaast innerlijk tegenstrijdig. Ook de stukken bij de onderdeel uitmaken van het (die aanvraag ontwerpbesluit) zijn innerlijk

Damen Legal B.V. verricht haar diensten uitsluitend onder toepasselijkheid van haar algernene voorwaarden (zie damenlegal.com), waarin onder meer een beperking van de aansprakelijkheid is

opgenomen.

_ KvK 76393577 BTW

NL860610408B01

IBAN

_NL29 RABO

tnv.

Damen

0347 8060

Legal B.V.

31

tegenstrijdig. De geurbelasting is slecht en onjuist beoordeeld en er zijn geen fatsoenlijke geurvoorschriften gesteld. Dat is zwaar teleurstellend omdat GS er genoegzaam van op de hoogte zijn dat het bedrijf al jarenlang ernstige geuroverlast in de omgeving veroorzaakt en de omgeving daarover veelvuldig klachten heeft ingediend. Ook weten GS dat het bedrijf een calculerend overtreder is van onder andere de afvalstoffenwetgeving. Desondanks zijn GS voornemens om de vergunning nota bene in strijd met de afvalstoffenwetgeving te verlenen. Dit alles wijst op vooringenomen handelen van GS. Het ontwerpbesluit is in strijd met diverse wet-en regelgeving en in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. waaronder in het bijzonder het zorgvuldigheids-en het motiveringsbeginsel. De aangevraagde omgevingsvergunning moet worden geweigerd. 5. Ook gelet op alle overtredingen en economische delicten die het bedrijf pleegt en het strafrechtelijk onderzoek dat jegens het bedrijf loopt. moet de aangevraagde vergunning -op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur-geweigerd worden. Het bedrijf gebruikt de vergunning namelijk om strafbare feiten te plegen en daarmee zodanig economisch voordeel te genieten , dat zelfs een dwangsom van € l. 500. 000 geen prikkel vormt om overtredingen te beëindigen. 6.

Kennelijk weegt voor GS de politieke druk vanuit Provinciale Staten zwaarder dan het voldoen aan de wet-en regelgeving -door zichzelf én het bedrijf. Dat is ronduit zorgelijk en stuitend te noemen. 0.

Inhoudsopgave

7. Deze zienswijze is als volgt opgebouwd. Algemeen 0. Inhoudsopgave l. Achtergrond 2. Inleiding 3. Formele punten 4. Bevoegd gezag

blz. 2 blz. 4 blz. 5 blz. 5 blz. 6

MER-beoordelingsbesluit 5. MER algemeen 6. Projecten 7 . Kenmerken van het project 8. Plaats van het project 9 . Kenmerken van het potentiële effect 7 0 . M E R t u s s e n c o n c lu s i e

blz. 9 blz. 9 blz. 10 blz. 13 blz. 76 blz. 78

2

Ontwerpvergunning ll. Het project 12. Activiteitenbesluit 13. BBT 14. Afva /stoffen 15. Afvalwater. bodem en energie 16. Externe veiligheid 17. Geluid 18. Geur 19. Lucht 20. Wet bibob 27. Voorschriften 22. Onvolledige vergunning(aanvraag) 23. Conclusie

blz. 19 blz. 25 blz. 27 blz. 29 blz. 36 blz. 37 blz. 42 blz. 45 blz. 50 blz. 52 blz. 53 blz. 54 blz. 55

8. De volgende bijlagen worden meegestuurd l. Ontwerpbesluit (reeds overgelegd bij de pro forma zienswijze) 2. STAB-rapport m. b. t. categorie 4. 3 IPPC-installatie 3. Onderbouwing categorie 4. 3 IPPC-installatie 4. Adviesjurist categorie 4. 3 IPPC-installatie 5. Advies ODRN categorie 4. 3 IPPC-installatie 6. Zienswijze tegen ontwerp natuurvergunning 7. Processchema 2025 8. Processchema 2011 9. Toelichting mestdroging 10. Toelichting open opslagh al vaste stoffen ll. Oorspronkelijk rapport geurmeting 2020

3

Achtergrond

(geanonimiseerd) van Ambt Delden. Op (geanoni(geanonimiseerd) mise rd) ongeveer (geanonimiseerd) is het bedrijf Groen Gas Goor B.V. (hierna: GGG), aan de (geanonimiseerd) in (geanonimiseerd) gevestigd. GGG accepteert en verwerkt | Cliënten een

wonen

afstand

van

aan

de

hemelsbreed

,

(geanonimise rd) (geanonimiseerd)

10.

Cliënten

ondervinden

niet de

ook

al

enigen; geuroverlast van GGG. bedrijf zoals het er nu dateert van 5 april 201, verandering verleend).

jarenlang

buren

en

onaanvaardbare

andere

omwonenden

geuroverlast van GGG. Zij zijn klagen over onaanvaardbare

Deze

geuroverlast duurt al voort sinds eind 2017, toen het in bedrijf is genomen (NB: de oprichtingsvergunning op 5 april 2017 is een vergunning voor een milieuneutrale

staat en

Tijdens vele controles door de toezichthouders van GS (en voorheen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente) zijn sinds sedert 2020 frequent en veelvuldig overtredingen van verschillende ernst en omvang vastgesteld. De meest uit het oog springende overtreding is de jarenlange, forse overschrijding van de toegestane doorzet van dierlijke meststoffen en coproducten. GGG daarvan totaal 36.000 ton per jaar mag in maximaal Terwijl accepteren en verwerken, heeft GGG tot in ieder geval maar liefst 56.302 ton per jaar (!) aan dierlijke meststoffen en coproducten geaccepteerd. Dat is een overschrijding van ruim 20.000 ton (!) op jaarbasis. Zoals GS zelf hebben aangegeven, heeft GGG er willens en wetens voor gekozen om deze overtreding ondanks een opgelegde last onder ‘om de niet te en er bewust voor dwangsom beëindigen gekozen -

-—

productiecapaciteit te overschrijden en aldus economisch voordeel te behalen door het structureel overtreden van de vergunningvoorschriften. " 1 12. GGG heeft voor een uitbreiding van haar bedrijf een omgevingsvergunning milieu bij GS aangevraagd. GS zijn voornemens om deze omgevingsvergunning te verlenen. Mede gelet op de hiervoor (beknopt) geschetste achtergrond maken cliënten zich ernstig zorgen over deze uitbreiding en verzetten zij zich daar met klem tegen.

2.

Inleiding

13. GGG heeft op Bjuni 2023 een aanvraag voor een omgevingsvergunning milieu zoals bedoeld in artikel 2. 1. eerste lid. aanhef en sub e. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) bij GS ingediend. Het gaat daarbij om een revisievergunning zoals bedoeld in artikel 2. 6 van de Wabo. Omdat de aanvraag vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is ingediend. is ingevolge artikel 4. 3 van de lnvoeringswet Omgevingswet op de aanvraag het oude recht van toepassing. 14. De vergunningaanvraag ziet op een uitbreiding van de capaciteit tot maximaal 60. 000 ton te vergisten materiaal per jaar. Het project is in de toelichting op de aanvraag als volgt omschreven. " De activiteit betreft een bestaande vergistingsinstallatie met opwerking naar groen gas. De installatie zal in de toekomstige situatie jaarlijks ten hoogste 60. 000 ton aan biomassa (tenminste 50% mest en minder dan 50% co-producten) gaan verwerken. " 15. Van feitelijke wijzigingen in het bedrijf (b)lijkt geen sprake. De wijzigingen zijn in het verleden namelijk al illegaal gerealiseerd. Met de aanvraag wordt beoogd om deze illegale wijzigingen. samen met een uitbreiding van de capaciteit. te legaliseren. Voor de uitbreiding van de capaciteit is ook geen feitelijke wijziging nodig. Het bedrijf heeft die capaciteit namelijk al.

wat ook blijkt uit veelvuldige controles waarbij in ieder geval een capaciteit van 56. 302 ton per jaar is vastgesteld. 16. Op 24 juni 2025 hebben GS een ontwerpbesluit genomen op de aanvraag. Daaruit blijkt dat GS voornemens zijn om de aangevraagde omgevingsvergunning aan GGG te verlenen.

3.

Formele punten

17. Het ontwerpbesluit is ondertekend door GS. Die ondertekening lijkt niet volledig. Het ontwerpbesluit staat namelijk op briefpapier van Omgevingsdienst Twente (hierna: OOT) en is naar verwachting in mandaat door de OOT namens GS genomen. 1 Besluit van GS

van 17 juli 2025. 22024-00006497. blz. 7.

5

18. Door Brandweer Twente is een advies uitgebracht (blz. 22 ontwerpbesluit). Dit advies ontbreekt ten onrechte bij de ter inzage liggende stukken. Namens cliënten verzoek ik u vriendelijk om het advies alsnog toe te sturen. 19. In het ontwerpbesluit wordt verwezen naar een bouwvergunning van 20 januari 2025 (blz. 25 ontwerpbesluit). Deze bouwvergunning is cliënten niet bekend en hiervan is ook geen kennis gegeven. Namens cliënten verzoek ik u vriendelijk om de bouwvergunning van 20 januari 2025 toe te sturen. 20. Uit de aanvraag en de toelichting daarop blijkt dat het gaat om een gefaseerde vergunningaanvraag en dat de eerste fase enkel ziet op milieu. In het ontwerpbesluit staat daar ten onrechte niets over vermeld , en ook niet over het moment van inwerkingtreding van de omgevingsvergunning eerste fase. 4. 4. 1

Bevoegd gezag Algemeen

21. In het ontwerpbesluit staat dat GS bevoegd gezag zijn omdat sprake is van een inrichting zoals bedoeld in categorie 28. 4 in bijlage 1 , onderdeel C , van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) en van een IPPC-installatie. Dit is echter niet volledig. Ook de toelichting op de aanvraag is op dat punt niet volledig. 4. 2

Categorieën inrichting

22. Bij GGG is niet alleen sprake van een inrichting zoals bedoeld in categorie 28. 4 in bijlage 1 , onderdeel C , bij het Bor. Dat blijkt ook uit de uitspraak van rechtbank Overijssel van 3 november 2023 met zaaknummers ZWO 21/1034 en 22/356. Reeds in die uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat sprake is van een inrichting die ook valt onder categorie 7.4 , en meer specifiek (ook) onder categorie 28.4 , onder a , sub 6 , en 28.4 , onder c , sub l. in bijlage 1 , onderdeel C , bij het Bor. GS hebben dit ook vastgesteld in het besluit van (onder andere) 7 november 2023 met zaaknummer 2022-017669. Het ontwerpbesluit vermeldt ten onrechte niet alle categorieën die bij GGG aan de orde zijn. Het ontwerpbesluit is daarom onvolledig.

4. 3

1 PPC-instal latie

23. In het ontwerpbesluit -alsmede in de 'toelichting bij de BBT-toets voor Groen Gas Goor' , behorende bij de vergunningaanvraag -staat dat bij GGG sprake is van een IPPC-installatie zoals bedoeld in categorie 5.3 , onder b , in bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (hierna: RIE). Dat klopt; dat heeft de rechtbank ook vastgesteld in de hiervoor genoemde uitspraak van 3 november 2023. 24. Dit is echter niet volledig. Bij GGG is namelijk ook sprake van een categorie 4. 3 IPPC­ installatie. Deze categorie luidt , voor zover van belang , als volgt.

6

“De

fabricage

van

fosfaat-, stikstof

of samengestelde

meststoffen.”

Daarbij geldt gelet

op

“Voor

de doeleinden

de aanhef

in dit deel

stoffen

groepen

of

van

kaliumhoudende

categorie

dit deel wordt onder

van

activiteiten

of

de

verstaan

stoffen

fabricage

industriële

op

4 het

in de zin

de in 4.1 tot

schaal

(enkelvoudige

volgende.

fabricage van

meststoffen

door

en

van

de

met

46

categorieën genoemde of biologische

chemische

omzetting.” 25.

Dat

bij

GGG

rapport

van

sprake is van een categorie 4.3 IPPC-installatie blijkt uit het STABjuni 2023 met kenmerk STAB-41626. Daar staat onder andere het

30

volgende

in vermeld.

Binnen de

inrichting van Groen

of kalium houdende

omzetting.

Om

Gas Goor is sprake is van de

fabricage

van

meststoffen op industriële schaal door

chemische

of biologische

die reden

inrichting als bedoeld 26.

Cliënten

27.

Dat

in

tijde van de handhavingsbesluiten sprake

categorie

4,3

van

deze conclusie

29.

en

sprake is van een categorie van provincie. Voor de onderbouwing toelichting van de jurist (bijlage 4). GGG

Dat

bij

GGG

sprake

ODRN

in

wordt

integraal

De

van

aan

verwezen

4.3

bevestigt ook de jurist integraal verwezen naar de

IPPC-installatie,

daarvan wordt

categorie 43 IPPC-installatie, concludeert ook de provincie over GGG. Voor de onderbouwing daarvan naar dit advies (bijlage 5). een

de

STAB-rapport, de jurist van de provincie en het advies van de ODRN zijn volstrekt helder: bij GGG is sprake van een categorie 4.3 IPPC-installatie. De aanvraag is op dit Het

Omdat van

?

is

advies

een

punt onvolledig 30;

een

bijlage | (geanonimiseerd)

de

28.

van

verwijzen voor de onderbouwing daarvan integraal naar het STAB-rapport (bijlage 22). In aanvulling daarop verwijzen cliënten die zij destijds op het betreffende concept STAB-rapport hebben naar de reactie ingediend (welke reactie ertoe heeft geleid dat de STAB in het definitieve rapport heeft geconcludeerd dat inderdaad sprake is van een categorie 4.3 IPPC-installatie). Het relevante deel van die reactie is in een afzonderlijk memo gezet, en daar wordt integraal naar verwezen (bijlage 3). bij

onderschrijven

ten

was

fosfaat-, stikstof-

en

in het

bij GGG sprake

artikel 3.3, eerste

nummering

van

de

ontwerpbesluit

is van

een

lid, aanhef

bijlagen loopt door

is daar ten onrechte

categorie en

sub

op de

a,

4.3

IPPC-installatie, zijn

(geanonimiseerd) bevoegd

nummering

aan

in de

pro

forma

voorbijgegaan. GS

gezag.

zienswijze.

ook op

grond

44

31.

Brzo-bedrijf

Bij GGG is daarnaast sprake van een bedrijf waarop het Besluit risico's zware ongevallen 2015 van toepassing is. Ook om die reden zijn GS ook op grond van artikel 3.3, eerste lid, aanhef en sub a, | (geanonimiseerd) bevoegd gezag. Dit wordt toegelicht in hoofdstuk 17 van deze zienswijze, waar wordt ingegaan op de externe veiligheid, Daar wordt daarom integraal naar verwezen.

L) l\ M = N L::GAL MER-beoordelingsbesluit 5.

MER algemeen

32. De situatie waarvoor GGG een omgevingsvergunning heeft aangevraagd , is een m. e. r. -beoordelingsplichtig project in de zin van artikel 7. 2. eerste lid. van de Wet milieubeheer (hierna: Wm). Met het oog daarop moest GGG van het voornemen van het project een mededeling doen aan het bevoegd gezag (artikel 7. 16. eerste lid. van de Wm). Deze mededeling wordt ook wel de m. e. r. -aanmeldnotitie genoemd. 33. De inhoudelijke eisen voor de m. e. r. -aanmeldnotitie staan in artikel 7. 16. tweede. derde en vierde lid. van de Wm in samenhang met bijlage 111 bij Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van projecten (hierna: MER-richtlijn). De inhoudelijke eisen voor het m. e. r. -beoordelingsbesluit staan in artikel 7. 17. derde en vierde lid. van de Wm in samenhang met bijlage 111 bij de MER-richtlijn. 34. GGG heeft op 15 oktober 2022 een m. e. r. -aanmeldnotitie ingediend. Naar aanleiding daarvan hebben GS op 31 mei 2023 een m. e. r. -beoordelingsbesluit genomen. Daarin hebben GS besloten dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die het uitvoeren van een milieueffectrapportage (hierna: MER) nodig maken voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor de voorgenomen activiteiten van GGG. In het ontwerpbesluit wordt naar dit besluit verwezen (blz. 24 ontwerpbesluit). 35. Cliënten zijn het niet eens met de conclusie van het m. e. r.

-beoordelingsbesluit en de verwijzing hiernaar in het ontwerpbesluit. Dit lichten zij hierna toe. Daarbij zal over het algemeen worden gesproken over de m. e. r. -beoordeling. waarmee wordt gedoeld op zowel de m. e. r. -aanmeldnotitie als het m. e. r. -beoordelingsbesluit. Als het van belang is om een onderscheid te maken. wordt dat aangegeven. 6.

Projecten

36. In de m. e. r. -beoordeling is ervan uitgegaan dat een m. e. r. -beoordeling is vereist op grond van artikel 7. 2. eerste lid. aanhef en sub b. van de Wm in samenhang met artikel 2. 5. vijfde lid. onder b. van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m. e. r. ) en categorie 18. l van onderdeel D in de bijlage bij het Besluit m. e. r. Dit is weliswaar juist. maar niet volledig. Er is. anders dan in de m. e. r. -beoordeling staat. namelijk ook sprake van een project zoals bedoeld in categorie 21. 6. onder c. van onderdeel C/D in de bijlage bij het Besluit m. e. r. Deze categorie luidt als volgt. " De oprichting 3 van een geïntegreerde chemische installatie. dat wil zeggen een installatie voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische 3 Respectievelijk " wijziging of uitbreiding·.

9

L)!\M=N L::GAL omzetting , waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn , bestemd voor de fabricage van (. .. ) fosfaat- , stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen)." 37. Bij GGG is hier sprake van. Daarvoor geldt dezelfde motivering als de motivering dat bij GGG sprake is van een categorie 4. 3 IPPC-installatie. Een bedrijf zoals bedoeld in categorie 4. 3 van bijlage I bij de RIE is namelijk hetzelfde als een project zoals bedoeld in categorie 27.6 , onder c , in de bijlage bij het Besluit m. e. r. Om die reden wordt voor de motivering dat sprake is van een categorie 27.6 , onder c , 'MER-project' integraal verwezen naar paragraaf 4. 3 van deze zienswijze. In de m. e. r. -beoordeling is ten onrechte miskend dat sprake is van een categorie 27.6 , onder c , MER-project. Dat betekent dat een MER opgesteld had moeten worden en dat vanwege het ontbreken daarvan de aangevraagde vergunning buiten behandeling had moeten worden gelaten (artikel 7. 28 Wet milieubeheer). Dat het gaat om een bestaande installatie , maakt dat niet anders. Als in het verleden ten onrechte geen MER is uitgevoerd , moet dat gebrek immers hersteld worden (zie bijv. HvJ 3 juni 2008. ECLl:EU:C:2008:380 en HvJ 12 november 2079 , ECLl:EU:C:2079:955). Al hetgeen hierna wordt aangevoerd , dient in zoverre dan ook ten overvloede.

7. 7. 1

Kenmerken van het project Cumulatie met andere projecten

38. In het besluit staat dat er geen cumulatie met andere projecten in de omgeving zal optreden. Dit is niet juist. Voor een toelichting daarop wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van deze zienswijze , waar wordt ingegaan op de cumulatieve effecten. 7. 2

Verontreiniging en hinder

39. In het besluit staat dat voor geluid verschillende maatregelen worden getroffen. Die komen in het akoestisch onderzoek echter niet allemaal terug en/of die zijn niet geborgd in het ontwerpbesluit. Het akoestisch onderzoek toont bovendien de nodige gebreken. Voor een toelichting daarop wordt integraal verwezen naar hoofdstuk 17 van deze zienswijze. 40. In het besluit staat voor geur eveneens dat verschillende maatregelen worden getroffen , dat wordt voldaan aan een aanvaardbaar geurhinderniveau en dat " 'redelijke maatregelen' (beste beschikbare technieken (. . .) ) zijn toegepast. " Er is echter helemaal niet aan de best beschikbare technieken uit de toepasselijke BREF's getoetst. De geurmaatregelen -oftewel: de luchtwasser en het biobed -zijn helemaal niet beoordeeld. Het geurrapport schiet ernstig tekort. Voor een toelichting daarop wordt integraal verwezen naar hoofdstuk 18 van deze zienswijze. 41. Ten onrechte is in het kader van de verontreiniging en hinder niet ingegaan op stikstof , terwijl dit een essentieel onderdeel is. Voor zover het gaat om stikstof , wordt verwezen naar paragraaf 8. 2 van deze zienswijze. Daar wordt ingegaan op het 10

LJAM

el pe

L zG

opnamevermogen van het natuurlijk milieu, in welk kader GS wel stikstof. Ook die beoordeling schiet echter ernstig tekort. 42.

overige milieueffecten zienswijze.

Voor

wordt verder

verwezen

naar

zijn ingegaan

hoofdstuk

11

en

op

volgende

deze

van

a

Het

risico

van

ongevallen

zware

en/of

rampen

45,

me.r.-beoordeling wordt ervan uitgegaan dat het bedrijf niet onder het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (hierna: Brzo) of het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) valt. Dat is (mogelijk) niet juist. Voor de motivering daarvan wordt verwezen naar hoofdstuk 16 van deze zienswijze. Doordat in de mer beoordeling van de onjuiste gegevens (waaronder ook begrepen het H‚S-gehalte en de omvang van de biogasopslag) is uitgegaan, zijn de risico's van zware ongevallen en/of rampen niet goed beoordeeld.

bb,

De

In de

m.e.r.-beoordeling is met betrekking tot niet volledig. Onder andere (de rampen

de

risico's

van

gevolgen

van)

zware

de

ongevallen en/of volgende risico's

ontbreken:

a.

breuk of

b.

instantaan

lekkage

vergister; vergister; c. breuk of lekkage van een gasleiding; instantaan falen van een gasleiding; d. e. gaslekkage uit een vergister of gasopslag; f._instantaan falen van een gasopslag; gebrek aan invoedcapaciteit in het gasnet; g. h. storing aan of falen van de ontzwavelingsinstallatie. falen

van

een

van

een

45.

de

me.r-beoordeling is ten onrechte niet op (de gevolgen van) deze risico's ingegaan. Hierbij is van belang dat GS met onderhavige vergunning twee extra vergisters toestaan (zie ook paragraaf 11.3 van deze zienswijze), zodat bovenstaande risico's toenemen. Het project kan daarom aanzienlijke milieueffecten hebben. Er had een MER opgesteld moeten worden.

46,

Ten

In

overvloede wordt

volgende opgemerkt. In de me.r-beoordeling staat dat GGG het aangrenzende terrein heeft aangekocht. Dit blijkt echter nergens uit en wordt in zoverre dan ook betwist, Daarnaast is in de me.r-beoordeling ten onrechte alleen ingegaan op de woningen aan (geanoni(geanonimiseerd) miserd) GGG bij zijn namelijk bedrijfs(verzamel)gebouwen met (mogelijke) kantoorfuncties gelegen en/of geprojecteerd. Het gaat om de bedrijfs(verzamel)gebouwen op de volgende percelen: nog

het

niente:

4

Dat

het

ook

gaat

om

kantoorfuncties,

blijkt

uit

diverse

ns

waaronder

https://www bedrij fspand.com/bedrijfspanden/bedrijfsruimte, (geanonimiseerd) goor/87147/ https://vastgoedleads.nl/aanbod/bedrijfsruimte/kooimatenttfeatures

deze en

twee

(1)

(2)

n

perceel

a.

Hof b.

van

perceel perceel

c.

2023, d.

47.

nr.

Twente

62008);

2023,

4152 en

ener (geanonimiseerd) A

(geanonimiseerd) (Gemeenteblad 2023, 417691);

Sectie A,

aan

(geanonimiseerd) Gemeenteblad

nr.

3757;

2150

Goor,

af

530007)

perceel 2023,

Goor, sectie A,

aan

de

Kooimaten:

553565).

nabij

(geanonimiseerd) ee

Gemeenteblad

percelen zijn gelegen bij en rondom de locatieprikker op de volgende afbeelding, en daarmee op een afstand van slechts circa 65 meter van GGG. Deze

(geanonimise rd) 48.

plaatsgebonden risico van deze kantoorfuncties, moeten groepsrisico's in beeld worden gebracht. In de m.e.r-beoordeling is ten niet op (de gevolgen van) de risico's voor deze kantoorfuncties ingegaan. Naast

het

Risico's

JA

voor

de

menselijke

ook

de

onrechte

gezondheid

49.

In de

me.r.-beoordeling staat er een grote gasbuffer aanwezig is om het plotseling vrijkomen van biogas zoveel mogelijk te voorkomen. Onduidelijk is waarop wordt gedoeld met de gasbuffer en waar deze zich zou bevinden. In de plattegrond van het bedrijf staat namelijk geen gasbuffer.

50.

In

de

m.e.r.-beoordeling staat dat het H2S-gehalte “gemiddeld altijd onder de 200 ppm gehouden” wordt. Dit is in de praktijk echter niet geborgd en wordt ook in het ontwerpbesluit onvoldoende geborgd. Dit wordt verder toegelicht in hoofdstuk 16 van deze zienswijze. Daar wordt daarom integraal naar verwezen.

LJAM HI

Pel PZ

L =G

21:

In

het

me.r-beoordelingsbesluit staat verder dat “de opgenomen maatregelen voldoen aan de huidige technische inzichten en aan de uitgangspunten van de Verordening dierlijke bijproducten” (blz. 13). ‘Met de aangegeven maatregelen en voorzieningen wordt een acceptabel risico voor de menselijke gezondheid bereikt” (blz. 13). Over welke maatregelen en voorzieningen hebben GS het? In de me.raanmeldnotitie staat hier niets over. Omdat onduidelijk is over welke maatregelen en voorzieningen het hier zou gaan, kan ook niet worden nagegaan of hierover iets in de aanvraag en het ontwerpbesluit is opgenomen. GS achten deze echter wel van belang om een acceptabel risico voor de menselijke gezondheid te kunnen Nu bereiken. niet vastgesteld kan worden dat de benodigde maatregelen en voorzieningen worden getroffen, is geen acceptabel risico geborgd.

52

Het

project kan ook gelet hierop aanzienlijke MER opgesteld moeten worden.

een

55

Plaats

van

Het

grondgebruik

In de

het

niet de

nn de

Daarom

had

(bestemmingsplan worden

hiervoor

(geanonimise(geanonimiseerd) rd) aan

hebben.

project

me.r-beoordeling

project

milieueffecten

in het

genoemde

kader

van

de

kantoorfuncties

en

c.q. de plaats niet de woningen

de locatie benoemd.

EE van

locatie

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Dat

zijn

de

van

het

(geanonimiseerd) op

woningen

54,

In de

me.r-beoordeling wordt summier ingegaan op het bestemmingsplan. Wat er staat, klopt echter niet. De activiteiten van GGG passen namelijk niet binnen het 2017° Het bestemmingsplan Zenkeldamshoek bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein staat bedrijven tot en met categorie 3.2 toe. De activiteiten van GGG vallen onder een hogere categorie. Daar zijn verschillende redenen voor.

597

Een

sprake is van mestverwerking. Deze van bedrijven zoals die hoort bij het bedrijfsactiviteit is niet opgenomen in de bestemmingsplan. Dat betekent dat de bedrijfsactiviteit op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Dat bij GGG sprake is van mestverwerking, blijkt uit de me.r.-beoordeling. Daarin staat namelijk vermeld dat “de dikke fractie wordt opgewerkt (hygiënisatie) tot een exportwaardig mestproduct en afgevoerd naar het buitenland”® Dat dat nu niet anders is, blijkt ook uit de website van GGG. Daar staat vermeld dat de dikke fractie wordt geëxporteerd.” Bij het namelijk exporteren van dierlijke meststoffen is er sprake van mestverwerking (vergelijk eerste

reden

is dat

er

bij GGG

onder andere Staat

artikel 1, sub dd, 56.

Een

tweede

toegelicht > $

Sinds 1 januari

in

van

reden

de Meststoffenwet). is

dat

bij

GGG

paragraaf 11.5

van

deze

2024 onderdeel blz.

M.e.r.-beoordelingsbesluit, 1 www.groengas.nl

van

9 en

sprake is zienswijze,

van waar

mestdroging (dit wordt verder integraal naar wordt verwezen).

het

Omgevingsplan gemeente Hof van Twente. me.r-aanmeldnotitie. blz. 14. Zie ook toelichting op aanvraag. blz. 16.

13

Ook deze bedrijfsactiviteit is niet opgenomen in de Staat van bedrijven zoals die hoort bij het bestemmingsplan. en is dus niet toegestaan. Mestdroging valt simpelweg niet onder de wel toegestane activiteit " covergisting , verbranding en vergassing van mest , slib , GFT en reststromen voedingsindustrie." Mestdroging valt ook niet onder een andere categorie bedrijven in de Staat van bedrijven behorende bij het Omgevingsplan. Volgens de planregels zijn alleen bedrijven toegestaan die zijn vermeld in de Staat van bedrijfsactiviteiten. Omdat mestdroging niet is vermeld in de Staat van bedrijven. is mestdroging simpelweg in strijd met het bestemmingsplan. 57. Een derde reden is dat bij GGG sprake is van composteren. Dat staat in de m. e. r. ­ aanmeldnotitie (blz. 10). Daar staat dat daar nu al sprake van is. Het composteren is echter. anders dan GGG in de m. e. r. -aanmeldnotitie stelt. niet vergund. In de inrichting van Groen Gas Goor zijn op hoofdlijnen de volgende stappen te onder­ scheiden. Deze stappen zijn voor een lagere productiecapaciteit dan nu voorzien reeds vergund: ► Het opslaan van de vaste mest en co-producten; ► Het vergisten van de meststoffen en co-producten; ► Het scheiden van de digestaat in een dunne en dikke fractie m. b. v.

ontwatering; ► Het composteren en opslaan van de dikke fractie uit het digestaat; ► Het opwerken naar groen (bio)gas en invoeding naar bestaand gasnetwerk. De installatie is ISCC gecertificeerd (certificatie van gebruik van duurzame biomassa en productie van groene energie daaruit). 58. Bedrijven die composteren en een capaciteit hebben zoals GGG , vallen onder milieucategorie 4. 1 / 5. 2. Dat is op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. 59. Een vierde reden is dat GGG een Seveso-inrichting is. Een Seveso-inrichting valt niet onder de Staat van bedrijven bij het bestemmingsplan en is daarom niet toegestaan. Dat bij GGG sprake is van een Seveso-inrichting , wordt toegelicht in hoofdstuk 17 van deze zienswijze. Daar wordt daarom integraal naar verwezen. 60. Een vijfde reden is dat GGG een IPPC-installatie exploiteert voor het maken van fosfaathoudende , stikstofhoudende of kaliumhoudende meststoffen. zoals bedoeld in categorie 4. 3 van bijlage I bij de RIE (zie paragraaf 4. 3 van deze zienswijze). Een dergelijk bedrijf , voor het be-/verwerken van mest c. q. het produceren van meststoffen , is niet opgenomen in de Staat van bedrijven bij het bestemmingsplan. Dat betekent dat de bedrijfsactiviteiten op grond van het bestemmingsplan niet zijn toegestaan. 61. In de m. e. r. -beoordeling staat dus ten onrechte dat de activiteiten van GGG binnen het bestemmingsplan passen.

Dat betekent dat er ook een omgevingsvergunning planologisch strijdig gebruik c. q. omgevingsplanactiviteit nodig is. Gelet op het

14

voorgaande is ook niet goed beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten heeft. 8. 2

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu (Natura 2000)

62. In de m. e. r. -beoordeling wordt voor de beoordeling van Natura 2000-gebieden verwezen naar de natuurvergunning die GGG op grond van artikel 2.7 , tweede lid , van de Wet natuurbescherming heeft aangevraagd. Het m. e. r. -beoordelingsbesluit vermeldt wanneer dit volstaat als passende beoordeling. 63. Los van het feit dat in het m. e. r. -beoordelingsbesluit niet is getoetst of een van de genoemde situaties zich in dit geval voordoet (quod non) , miskennen GS daarmee hun eigen standpunt/ beleid van de afgelopen drie jaren om geen medewerking te verlenen aan extern salderen en de behandeling van aanvragen voor een natuurvergunning op basis van extern salderen op te schorten. GS hebben in het besluit van 20 juli 2022 (kenmerk 2022/0732857) namelijk besloten om " extern salderen " enkel " bij uitzondering toe te staan als bij een project per saldo sprake is van een verbetering voor de natuur en het bijdraagt aan het realiseren van andere provinciale beleidsdoelstellingen op het gebied van duurzaamheid. " Anders staat volgens GS het additionaliteitsvereiste aan extern salderen in de weg. Om die reden schorten GS het verlenen van natuurvergunningen op basis van extern salderen al jarenlang op. Op 28 januari 2025 hebben GS besloten om deze vergunningverlening nog een jaar langer , dus tot l februari 2026 , op te schorten.

8 Onderwerp: Opschorting vergunningverlening tot 1 februari 2026

Kenmerk: D2025-01-007050

Gedeputeerde Staten hebben besloten om de vergunningverlening op nieuwe en lopende aanvragen voor Natura 2000-activiteiten onder de Omgevingswet en lopende aanvragen onder het overgangsrecht van de Wet natuurbescherming , voor intern en extern salderen op te schorten tot 1 februari 2026. De reden voor de opschorting is een uitspraak van de hoogste bestuursrechter in Nederland: de Raad van State. Door deze uitspraak is intern salderen met natuurvergunningen niet meer mogelijk wanneer de natuurdoelen in de Overijsselse Natura 2000-gebieden onvoldoende zijn geborgd. Voor extern salderen is het al langere tijd niet mogelijk om een vergunning te krijgen om deze reden. Met de opschorting wordt voorkomen dat lopende aanvragen geweigerd moeten worden. Gedurende de opschorting wordt er continu gekeken naar mogelijkheden om vergunningverlening snel weer mogelijk te maken. Wanneer deze mogelijkheden er zijn wordt de opschorting heroverwogen.

64. De m. e. r. -beoordeling schiet dus ernstig tekort in de beoordeling ten aanzien van Natura 2000-gebieden. Omdat het bedrijf een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaakt , leidt dit tot significante nadelige gevolgen voor die gebieden. Het project tast de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden aan en heeft aanzienlijke milieueffecten. Er had daarom een MER opgesteld moeten worden.

8 https://overijssel. notubiz. nl/document/l5100061/l#search=%22extern%20salderen%22

15

65. Dat tegelijkertijd met het ontwerpbesluit omgevingsvergunning milieu een ontwerp natuurvergunning ter inzage is gelegd. maakt het voorgaande niet anders. Dat brengt namelijk geen verandering in het feit dat de m. e. r. -beoordeling ernstig tekort schiet en dat daarom een MER opgesteld had moeten worden. Daar komt bij dat ook de ontwerp natuurvergunning niet deugt. Geen van de locaties waarmee extern gesaldeerd wordt. voldoet aan alle voorwaarden voor extern salderen. Daarom komt geen van de saldogevers in aanmerking voor extern salderen. Daarnaast is ten onrechte niet aan het additionaliteitsvereiste getoetst. Er is geen passende beoordeling opgesteld. Ook is niet getoetst aan de relevante rechtspraak. waaronder de uitspraken van de Afdeling van l8 december 2024. In de beoogde situatie zijn veel stikstofbronnen buiten beschouwing gelaten. waardoor de aanvraag. de AERIUS-berekeningen en de ontwerp natuurvergunning niet compleet zijn. Voor de verdere motivering hiervan wordt integraal verwezen naar de zienswijze van cliënten tegen de ontwerp natuurvergunning (bijlage 6). Die zienswijze dient als hier herhaald en ingelast beschouwd te worden. 66. Gelet hierop tast het project de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden aan en is sprake van aanzienlijke milieueffecten. Er had een MER opgesteld moeten worden. Dat is ook het beleid van de ODT (20220524).

In dit geval is ten onrechte. en zonder enige motivering. van dit beleid afgeweken. 9.

Kenmerken van het potentiële effect

67. In het m. e. r. -beoordelingsbesluit staat dat de intensiteit en complexiteit van de effecten bekend zijn en dat de aspecten geluid. geur en lucht niet nader hoeven te worden onderzocht (blz. 16). Onduidelijk is wat GS hiermee bedoelen. Cliënten zijn het niet eens met de beoordeling van de effecten van het project. Voor de motivering daarvan verwijzen zij naar hun zienswijze tegen de ontwerpvergunning. 68. In het m. e. r. -beoordelingsbesluit staat dat de beschreven effecten van dien aard zijn dat geen onaanvaardbare nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. " Het voorkomen en beperken van nadelige milieugevolgen kan door middel van vergunningverlening gereguleerd worden " (blz. 16). In het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning worden de milieugevolgen echter niet voorkomen en ook niet. althans onvoldoende. beperkt. Er zijn geen deugdelijke voorschriften gesteld. Dit wordt verder toegelicht vanaf hoofdstuk ll van deze zienswijze. 69. In het m. e. r. -beoordelingsbesluit wordt ingegaan op de cumulatie van effecten. Daar staat vermeld dat " de bijdrage van de bestaande projecten en de voorgenomen activiteiten zijn onderzocht in het Plan MER uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg en [niet zal] leiden tot cumulatie van effecten met bestaande en/of goedgekeurde projecten " (blz. 16). Deze overweging roept nogal wat vragen op.

Want waarom wordt er gesproken over een bedrijvenpark (Laarberg) dat in een andere provincie ligt? In hoeverre zijn de stukken dan überhaupt zorgvuldig bekeken. beoordeeld en/of opgesteld? 76

N L=G > L

med 70.

is

ten

onrechte

Het

gaat

daarbij

Daarnaast

effecten.

cumulatie

De

a.

Reterra

-

b.

en

naar geur door GGG en Plukon (pluimveeslachterij).® -

de

van

naastgelegen bedrijf De

c.

ingegaan op de (wel aanwezige) cumulatie in ieder geval om de volgende cumulaties.

van

cumulatie

De

niet

cumulatie

bij

zeggen

GGG'°

en

de

in ieder

GGG

van

compostering

geval

bij

het

Reterra.

de

risico's

en

het

van

Seveso-inrichting

compostering

eigen

van

de

voor

bedrijf

veiligheid

externe

de

aan

als

gevolg

GGG

als

(dat onder

het

van

(geanonimiseerd)

(geanonimise rd)

niet beoordeeld.

Dit is vooral

Bevi viel). 71.

Deze

cumulatieve

betreft in

de

cumulatie

van

de

procedure omliggende

menig

schuiven gewezen E.e.a.

effecten

op

het

Op

het

weergegeven Terug

de

naar

uitsluitend dat

Een

voorbeeld

Goor B.V,

situatie,

veroorzaakt

in de

Ecosol Isolatie.

en

Hoewel door

hiervan

is

opzichte

zouden

het

GGG

het

dat

van

de

met zich

B.V.

(geanonimiseerd) |

haar

ervaren

om

voor

brengen. Bruins &

luchtfoto is

en

GGG

meerdere

mee

(voorheen:

onderstaande

door

van

kunnen

zij uitsluitend GGG

omgeving

Reterra

Op

worden

kan

gevestigd is, zijn

belang goed meerdere bedrijven zijn

geuroverlast

geuroverlast

egen

gevestigd

te houden die

geur

veroorzaken.

gelegen bedrijf Reterra (voorheen: Bruins & en veegzand, riolen-, kolken- en gemalenslib inzamelt, maar bijvoorbeeld ook Plukon, een pluimveeslachterij. Ter illustratie van de situatie ter plaatse verwijst GGG naar onderstaande luchtfoto waarbij rood omkaderd de Kwast)

dat

onder

locatie

van

GGG

kaders

enkele

is

meer

is

naast

ten

(geanonimiseerd) Ne:

GGG

‘Zenkeldamshoek’

daarmee

en

Daarvoor

volgende"!

waar GGG

bedrijfsactiviteiten geuren

bedrijven zijn gelegen

huidige

wordt

Plukon.

en

naastgelegen afvalverwerkingsbedrijf

deze

bedrijventerrein

uitstoten

de

slachtbedrijf Plukon waar

Reterra

wat

kwalijk. GGG probeert geuroverlast van GGG af te

GGG, waaronder de

bedrijventerrein Zenkeldamshoek,

waarvan

aan

zoals van

voor

uiterst

en

ondervonden

(geanonimiseerd) | nimmer duidelijk heeft gemaakt waarom

Denk

met name

opmerkelijk

cliënten

bedrijven

maakt.

het

uiterst

verschillende stukken

bedrijven gevestigd Kwast),

geur door

ten onrechte

op

klemt temeer omdat

verwijten

zijn

compost

weergegeven,

andere

bedrijven

verwerkt

rood zijn

omcirkeld

aangeduid

de

locatie

die geur

van

uitstoten

(geanonimiseerd) | zoals

en

het

ret

de

blauwe

riaastgelegen

Reterra.

9

Dit heeft GGG onder andere aangegeven in haar schrijven aan uw rechtbank d.d. 4 november 2024 in de zaak met zaaknummer ZWO 24 / 3411 WABOA. Die zaak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening dat cliënten in deze zaak tijdens de bezwaarfase hebben ingediend. 0

Zie mer-aanmeldnotitie, Dagvaarding van GGG

blz. 10.

de rechter te verzoeken (geanonimiseerd) en | (geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) het beroep van GGG tegen de last onder dwangsom van (afgewezen); GS van 7 novel IE op leggen. eactie van GGG naar aanleiding van het verzoek voorlopige van voorziening (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) tegen de omgevingsvergunning voor GGG van 25 juli 2024. NW

procedeerverbod

aan

jegens

om

om

een

te

om

17

Hoewel verzoekers stellen dat de door hen ervaren geuroverlast uitsluitend wordt veroorzaakt door GGG is het van belang om goed voor ogen te houden dat bedrijventerrein 'Zenkeldamshoek' meerdere bedrijven zijn gevestigd die geur uitstoten en daarmee geuroverlast zouden kunnen veroorzaken. Een voorbeeld hiervan is het naast GGG gelegen bedrijf Reterra (voorheen: Bruins & Kwast) dat onder meer compost verwerkt en veegzand , riool- , kolken-en gemalenslib inzamelt , maar bijvoorbeeld ook Plukon , een pluimveeslachterij. Ter illustratie van de situatie ter plaatse verwijst GGG naar onderstaande luchtfoto (zoals afgebeeld op volgende pagina) waarbij rood omkaderd de locatie van GGG is weergegeven , rood omcirkeld de locatie van verzoekers en met de blauwe kaders enkele andere bedrijven zijn aangeduid die geur uitstoten , zoals het naastgelegen Reterra. 72. Dus terwijl GGG de geuroverlast in andere procedures probeert af te schuiven op omliggende bedrijven , vergeet zij de geuremissie van die andere bedrijven ineens op het moment dat zij die juist in de beoordeling moet betrekken. Sterker nog: bij de cumulatie van effecten benoemt zij geur niet eens. Dit alles is nogal kwalijk te noemen. 73. Ook GS zijn ervan op de hoogte dat er andere bedrijven in de omgeving liggen die geuremissie veroorzaken.

Daarvoor kan bijvoorbeeld worden gewezen op het plan van aanpak van 8 januari 2025 voor geurwaarnemingen. Bij het bedrijf Groen Gas Goor B. V. lopen diverse handhavings-en controletrajecten. Aanleiding van deze trajecten is geuroverlast dat door omwonenden wordt ervaren. Op het industrieterrein waar Groen Gas Goor B. V. is gevestigd , industriegebied " Zenkeldamshoek " en het nabij gelegen industriegebied " de Spechthorst " bevinden zich meerdere bedrijven die in potentie veroorzaker van geuroverlast zouden kunnen zijn. Het gaat om de volgende bedrijven: Groen Gas Goor B. V. -co-vergistingsinstaliatie Reterra B. V. (voorheen Bruins & Kwast-Composteringsbedrijf (groenafval) Plukon Goor B. V. -Kuikenslachterij 74. De cumulatie van deze effecten is ten onrechte niet beoordeeld. De m. e. r. ­ beoordeling schiet op dit punt dus ernstig tekort. Gelet op de verschillende geur emitterende bedrijven , de ernstige geuroverlast en de vele geurklachten die door de omgeving van GGG bij GS c. q. de ODT worden ingediend , is sprake van een geurprobleem en is sprake van aanzienlijke milieueffecten. Er had daarom een MER opgesteld moeten worden. 10.

MER tussenconclusie

75. In het voorgaande is toegelicht dat de m. e. r. -beoordeling niet voldoet aan de eisen die de artikelen 7. 16 en 7. 17 van de Wm in samenhang met bijlage 111 bij de MER­ richtlijn daaraan stellen. De m. e. r. -beoordeling kan niet de conclusie dragen dat geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Met name de cumulatie van geur is daarbij van belang. Er had een MER voor het project opgesteld moeten worden.

18

76. Het m. e. r. -beoordelingsbesluit is in strijd met artikel 7. 17 van de Wm. GS hadden een MER moeten eisen en de aangevraagde vergunning gelet daarop moeten weigeren (artikel 7. 28. vierde lid , van de Wm).

19

An mr

LI

Ontwerpvergunning u.

Het

project Algemeen

1.1

77:

De

vergunning wordt verleend voor “het vergroten van capaciteit van de co(geanonimiseerd) in | (geanonimiseerd) vergistingsinstallatie en wijziging van de installatie aan de | | Wat van het er nou wordt staat niet in (dictum ontwerpbesluit). precies vergund, het ontwerpbesluit. Dat moet uit de aanvraag worden afgeleid. Het ontwerpbesluit schiet hierin tekort. Uit de vergunning zelf moet blijken wat wordt vergund. Dat geldt eens te meer omdat het gaat om een revisievergunning en het bedrijf vanaf de oprichting grotendeels illegaal in werking is (geweest). Het is de vraag of GS zelf weten wat ze voornemens zijn om te vergunnen. Er worden namelijk afwijkingen van de vergunning uit 201 toegestaan, zonder dat die worden benoemd en beoordeeld. Ook worden afwijkingen van de vergunning van 25 juli 2024 toegestaan, zonder de

dat die worden

dunne

fractie

processchema

van

benoemd het

beoordeeld

en

digestaat

stemmen

niet

het

en

van

78,

Capaciteit

van

tussenbuffer

voor

tekening

en

het

installatie

is

niet

De

elkaar af en

uitgangspunten, et cetera. Het ontwerpbesluit schiet ernstig verder toegelicht, zonder daarbij uitputtend te zijn. 12

extra

vergisters). capaciteit van de

de

overeen,

beoordeeld, stukken bij de aanvraag wijken

(zoals de

aantal

hanteren

verschillende

tekort. Hierna

wordt dit

de installatie

heden

(b)lijkt nimmer inzichtelijk te zijn gemaakt wat de capaciteit van de bij bedrijf is. Het is echter van belang dat vaststaat wat de maximale capaciteit van de installatie is. Die is namelijk bepalend. Datis alleen anders als deze capaciteit technisch of juridisch beperkt is. Dit is namelijk de enige betrouwbare eenheid? Dit blijkt niet alleen uit de rechtspraak, maar ook uit het document ‘Answers given by DG Environment on the implementation of the Industrial emissions directive - annex | (hierna: Leidraad RIE). Daar staat namelijk het volgende Tot op

installatie

het

in.

“The

coherent

installation 79.

meaning of “capacity” is the technically or legally.”

Gelet op het feit dat de aanvraag ziet op een installatie daarvoor feitelijk niet gewijzigd

capaciteit

van

technische

maximum

capacity

to

which

the

is limited

de

installatie

minimaal

capaciteit feitelijk nóg groter

doorzet

60.000

van

60.000

ton

per jaar en de

hoeft

te

worden,

is

ton.

Het

is echter

de

technische

onduidelijk

of de

is.

12

Aldus ook https//iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastendeactiviteiten/vergunning-milieubelastende-activiteit/ippc/bepalen-ippc-installatie/ 15

Zie

bijv. ABRvS

7 november

2018,

ECLIENL:RVS:2018:3607.

80. Het is daarom eens te meer van belang dat de capaciteit juridisch wordt begrensd. In de Leidraad RIE staat daarover het volgende. 'ïnstruments created to limit the capacity of a specific installation. In such cases a degree of monitoring and reporting is required to guarantee that the legal restriction is effective. For instance , the operator should demonstrate that the installation does not exceed the maximum allowed capacity , and should monitor and report this to the competent authority (for example annually). The competent authority should also check compliance with the restriction. Where such a legal instruments is used , it is for the Member State concerned to establish the specific mechanism to be applied and to ensure this guarantees that the Directive is fully implemented. " 87. Voor een juridische beperking van de capaciteit is dus nodig dat er meet-en registratievoorschriften zijn die waarborgen dat de juridische beperking effectief is. Er moet aangetoond kunnen worden dat de vergunde capaciteit op geen enkel moment is overschreden. 14 Het stellen van een voorschrift dat het bedrijf maximaal 60. 000 ton aan dierlijke mest en coproducten per kalenderjaar mag accepteren en verwerken (voorschrift 2. 2. 8 ontwerpbesluit} , is dus onvoldoende. Daarmee is immers niet geborgd dat de capaciteit niet kan worden overschreden.

Controles over de voorgaande jaren bevestigen dat. Tijdens die controles is namelijk vastgesteld dat het bedrijf al jarenlang meer biomassa , dierlijke mest , cosubstraten en afvalstoffen accepteert en verwerkt dan dat zij op grond van de vergunning van 2071 mag. Dan is geen sprake van een juridische begrenzing zoals bedoeld in de Leidraad RIE. 82. In de voorschriften moeten dus nadere voorschriften worden opgenomen waarin de capaciteit van de installatie wordt begrensd overeenkomstig de Leidraad RIE. ll. 3

Aantal vergisters

83. Het ontwerpbesluit maakt niet duidelijk hoeveel vergisters worden vergund. Ook de tekeningen bij de aanvraag -die overigens onderdeel uitmaken van het ontwerpbesluit -zijn hierover niet eenduidig. In de ene tekening bij de aanvraag staan drie hoofdvergisters en twee (na)vergisters , en in de andere tekening staan drie hoofdvergisters , één tussenvergister en één navergister. Als dat is wat GS willen vergunnen , dan willen GS twee extra vergisters vergunnen. Tot nu toe zijn naar eigen zeggen van GS namelijk drie vergisters vergund en twee gasdaken boven opslagsilo's (waarin volgens GS geen vergisting plaatsvindt). In het besluit van 28 november 2024 met zaaknummer 2024-025477 hebben GS namelijk het volgende overwogen.

14 Zie ook https://iplo. nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/toelichting-milieubelastendeactiviteiten/vergunning-milieubelastende-activiteit/ippc/bepalen-ippc-installatie/

21

L)l\M::N L::GAL Het aantal gasdaken neemt toe ten opzichte van de vergunde situatie. Boven ieder van de gerealiseerde opslagen of vergisters is een gasdak voorzien. Het feit dat er op een silo een gasdak is geplaatst betekent niet dat onder dat gasdak ook vergisting plaatsvindt.

84. Gelet op het feit dat GS naar eigen zeggen in de vergunning van 25 juli 2024 -die met de beslissing op bezwaar van 28 november 2024 in stand is gebleven -slechts drie vergisters hebben vergund en nu voornemens (b)lijken te zijn om vijf vergisters te vergunnen. zijn GS dus voornemens om twee extra vergisters te vergunnen. GS hebben ten aanzien daarvan echter geen enkele beoordeling uitgevoerd -niet in het ontwerpbesluit. en ook niet eerder in het besluit van 25 juli 2024 of 28 november 2024. GS willen dus zonder enige beoordeling twee extra vergisters vergunnen. Dat getuigt van onbekwaam. vooringenomen handelen. in strijd met in ieder geval artikel 2. 14 van de Wabo en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. 85. Doordat GS de twee extra vergisters niet hebben beoordeeld. hebben GS ook niet beoordeeld of de vergisters aan de daaraan te stellen eisen voldoen. of ze zijn voorzien van een noodafblaasinrichting en waterslot of gelijkwaardige voorziening. hoe het gas naar de opwerking wordt geleid. of ze zijn voorzien van een overdrukbeveiliging. et cetera. Ook de gevolgen die de twee extra vergisters voor het milieu en de omgeving kunnen hebben. inclusief het affakkelen. zijn niet (kenbaar) in het ontwerpbesluit beoordeeld. 86. De tekeningen bij de aanvraag zijn. zoals gezegd. niet eenduidig. De tekeningen maken deel uit van het ontwerpbesluit.

Ook het processchema maakt deel uit van het ontwerpbesluit. Volgens het processchema zijn er drie hoofdvergisters. één tussenvergister en één navergister. Dat is dus een andere opzet dan in één van de tekeningen. Het ontwerpbesluit is daardoor innerlijk tegenstrijdig. Onduidelijk is hoe het nu zit. Uit de tekening blijkt ook niet wat dan de tussenvergister zou zijn en wat de navergister. 87. Het ontwerpbesluit moet duidelijk maken wat wel of niet wordt vergund en welk proces wordt vergund. Dat doet het ontwerpbesluit niet. Het ontwerpbesluit deugt van geen kanten.

11. 4

Afwijkend proces

88. Het processchema dat bij het ontwerpbesluit hoort (bijlage 7). wijkt substantieel af van het processchema bij de vergunning van 2011 (bijlage 8). In het ontwerpbesluit wordt het afwijkend proces nergens benoemd. In de aanvraag worden enkele afwijkingen van het proces benoemd (die ook in eerdere procedures al aan de orde zijn geweest). maar niet de meest wezenlijke afwijkingen van het proces (die in eerdere procedures nog niet aan de orde zijn geweest). Ook wijkt het processchema af van de tekeningen en toelichting bij de aanvraag. Het gaat daarbij in ieder geval om de volgende afwijkingen die niet worden benoemd (zonder daarmee uitputtend te zijn).

22

L)�M=N L::GAL a.

b.

c.

d.

e. f. g. h.

i. j.

Volgens het nieuwe processchema worden in de tussenvergister (vloeibare) coproducten ingevoerd. Dit wijkt af van het processchema uit 2077. Waarom worden coproducten in de tussenvergister ingevoerd? Het vergistingsproces moet daar immers tot rust komen en dat gebeurt niet als dan nog cosubstraten worden toegevoegd. Volgens het nieuwe processchema vindt hygiënisatie ná de tussenvergister maar vóór de navergister plaats. Dit wijkt af van het processchema uit 2071. Als gevolg daarvan vindt de scheiding van het digestaat niet meer plaats na de hygiënisatie maar na de navergister. De vraag is hoe dit kan en waarom ervoor is gekozen om het proces op deze manier te wijzigen. Waarom wordt het digestaat gehygiëniseerd vóórdat het naar de navergister gaat? Kan de vergister tegen het tot 70 graden verwarmde digestaat? Wat is de invloed hiervan op het proces en de gevolgen voor het milieu en de omgeving? Volgens tekening K22-0584-007-03 zijn er invoerpunten voor de rechtstreekse invoer van digestaat (mest?) in vier vergisters. Dat wijkt af van het processchema. Het invoeren van digestaat (mest?) in vier vergisters betekent dat er vier hoofdvergisters zijn. Dat wijkt af van tekening K22-0584-007-07 en van de toelichting op de aanvraag. Volgens tekening K22-0584-007-03 gaat er vanuit de tussen-of navergister digestaat naar buffertank T320.

Dat wijkt af van het processchema en van de toelichting op de aanvraag; daaruit volgt namelijk dat de mest ná de decanter naar buffertank T320 gaat. Volgens tekening K22-0584-007-03 wordt er digestaat in (in ieder geval) vier van de vijf vergisters ingevoerd. Dat het zou gaan om digestaat. lijkt niet te kloppen. In de tekening is echter bewust voor dit woord gekozen en niet voor mest. Uit de tekeningen en het processchema blijkt niet waar de drijfmest blijft. In welke vergister wordt dit ingevoerd? En waar blijft de drijmest als de aanvoer te veel is? Er is immers namelijk drijfmestopslag. Uit tekening K22-0584-007-03 blijkt niet waar de (volledige) leiding voor de hygiënisatie loopt en of dit in overeenstemming is met het processchema. Volgens het processchema wordt er direct uit de navergister digestaat geladen. Dat blijkt niet uit de tekeningen en de aanvraag. Waar wordt het digestaat in de tussentijd opgeslagen? En welke temperatuur heeft het digestaat na het hygiëniseren? In de vergunde situatie was alleen sprake van mesofiele vergisting. Uit de stukken blijkt nu dat ook sprake is van thermofiele vergisting. Hieraan zijn grotere risico's verbonden die niet zijn beoordeeld. Wat is de verhouding van de drijfmest en de vaste mest? De vaste mest wordt slechts sporadisch genoemd. waardoor onduidelijk is in hoeverre daarvan sprake is en in hoeverre sprake is van drijfmest.

En wat is de samenstelling van de vaste mest? Uit hoeveel pluimveemest en/of rundveemest bestaat deze? En hoeveel wordt maximaal opgeslagen van welk soort vaste mest? En welke vaste coproducten worden opgeslagen? En hoeveel wordt van welke coproducten opgeslagen? In de toelichting op de aanvraag wordt gesproken over een opslag van l. 000 m 3 en op de tekening over een opslag van 800 m 3 . zonder dat er een scheiding is gemaakt tussen de hoeveelheid vaste mest en coproducten.

23

Overigens blijkt uit een controle dat de opslag in werkelijkheid veel groter is dan wat in de tekening en de toelichting op de aanvraag is vermeld. k. De ontzwaveling en gaskoeler die in het processchema uit 2011 staan , komen niet terug in het nieuwe processchema. 89. Dit is een greep van de meest in het oog springende afwijkingen in de stukken behorende bij de aanvraag en het ontwerpbesluit. Al deze afwijkingen en de gevolgen daarvan zijn niet (kenbaar) beoordeeld. Het ontwerpbesluit is daarom ook op dit punt in strijd met artikel 2. 14 van de Wabo en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Bovendien is het ontwerpbesluit , zoals gezegd , innerlijk tegenstrijdig. Gelet op de afwijkingen kunnen niet én de tekeningen én het processchema én de toelichting én de overige rapporten juist zijn. Deze zijn dan ook ten onrechte aan het ontwerpbesluit verbonden. Voor zover de tekeningen en/of het processchema onjuist zijn , zijn deze ook ten onrechte in verschillende stukken bij de aanvraag opgenomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het AV-beleid. Daarin is overigens een afwijkend processchema opgenomen. Aangezien zowel het processchema als het AV-beleid onderdeel uitmaakt van het ontwerpbesluit , is het ontwerpbesluit ook op dat punt innerlijk tegenstrijdig.

De tekeningen en het processchema dienen in alle betrokken stukken aangepast te worden en in overeenstemming met elkaar gebracht te worden. Dit is eens te meer van belang nu veel stukken als onderdeel van het ontwerpbesluit zijn aangemerkt. De aanvraag , het ontwerpbesluit en alle daarbij behorende stukken moeten duidelijk en éénduidig zijn. Dat is nu geenszins het geval.

11. 5

Mestdroging

90. Een afwijking die niet (expliciet) in de tekening(en) en het processchema staat , maar die wel uit de aanvraag volgt , is het drogen van de dikke fractie van de mest. Dat gebeurt in de ruimte die in de tekeningen behorende bij het ontwerpbesluit is aangeduid als 'sleufsilo's' , 'solid fraction storage' respectievelijk 'opslag dikke fractie digestaat (2 ruimtes)'. In de aanvraag wordt gesproken over het ontwateren van de dikke fractie -oftewel: het drogen van de dikke fractie. Daarvoor wordt gewezen op onder andere de volgende stukken: toelichting op de aanvraag , blz. 25 , 26 en 27 (droog " digestaat " , " de ontwatering en opslag van de dikke fractie van het digestaat):" akoestisch rapport , blz. 7 en 8 (een " ontwateringsinstallatie voor het ontwateren van de dikke fractie van het digestaat):" luchtkwaliteitsonderzoek , blz. 7 en 11 (een " ontwateringsinstallatie voor het ontwateren van de dikke fractie van het digestaat):"

24

geuronderzoek. zie o. a. blz. 7. 9 , 54. 55 en 56 (droog " digestaat " , " gedroogde digestaat " , " strippen van ammoniak uit de dikke fractie door middel van doorleiden lucht''lS , " het strippen van ammoniak uit het digestaat); " 16 notitie aanvullingen aanvraag geur. blz. l en 4 (droog " digestaat);" bijlage N , bevattende een reactie op vragen van de ODT. blz. 7. 10. 12. 74 , 16 , 17. 19 (gedroogd " digestaat " , " droog digestaat)." 91. Dat binnen het bedrijf de dikke fractie van het digestaat wordt gedroogd , blijkt ook uit (de stukken behorende bij) de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit zoals GS die op 19 december 2024 aan GGG hebben verleend. Daarin staat expliciet vermeld dat in de ruimte waar de dikke fractie van het digestaat wordt opgeslagen. een " mestdroogsysteem " is gerealiseerd. Het gaat om een " betonconstructie (keldervloer met betonwanden van 3500mm) en de fundatie tbv een mestdrogerij." Diezelfde constructie is óók te zien in de tekening 'gevels en doorsnedes· (VS17-00l4. doorsnede B) behorende bij het thans bestreden ontwerpbesluit. Daarvan staat hierna een uitsnede als afbeelding. Daarna staat een afbeelding van de betreffende constructie zoals die is weergegeven in (de stukken behorende bij) de omgevingsvergunning van 19 december 2024. i

..

1 �,

1

n

1

J

' ' '

1 1

- -j---

·- . -. J

1 1

1 11 L.

. .cv., . .. . m n

CII.>\..

1

- ·---

-

-

-

-- - -

'

1

1

'Roo;tcrl'loe( + onc:krcon3tructio , do: < oJXJracntue11:r

' '

,1

1

' !Q

1

-...1'-

b''

L

1

,-

1

Rnt,.....,1,..�,. :,en,...,... a....., ,, ,

1

15 Let op: in de oorspronkelijke versie van

het geuronderzoek stond hier expliciet vermeld " drogen van de dikke fractie." 16 Let op: in de oorspronkelijke versie van het geuronderzoek stond hier expliciet vermeld " drogen van het digestaat·.

25

Sleufsilo Belastingsschema sleufsilo: belastingsbreedte 100 , mtr.

jCld.

nziJèe o.:cirg

--,--....+tll

1 1 1L __ _ 1

Dwarsdoorsnede sleufsilo

92. Dit is verder toegelicht in het als bijlage 9 bijgevoegde memo. Daar wordt integraal naar verwezen. Alles wat in het memo is aangevoerd , dient als hier herhaald en ingelast beschouwd te worden. 93. In het thans bestreden ontwerpbesluit wordt niet gesproken over het drogen van de dikke fractie van het digestaat. GS hebben deze activiteit dus ten onrechte niet beoordeeld. In de aanvraag en de daarbij behorende stukken lijkt te worden gedaan alsof de dikke fractie niet wordt gedroogd door te spreken over het ontwateren of het indikken van de dikke fractie. Maar uit alles blijkt duidelijk dat de dikke fractie van het digestaat wordt gedroogd (zie de toelichting in deze paragraaf en het als bijlage 9 bijgevoegde memo). Door te doen alsof de dikke fractie niet wordt gedroogd , zijn deze activiteit en de gevolgen daarvan ten onrechte niet beoordeeld. Het ontwerpbesluit schiet daarom ook op dit punt ernstig tekort.

12.

Activiteiten besluit

94. In het ontwerpbesluit wordt meerdere keren verwezen naar de rechtstreeks werkende regels uit het Activiteitenbesluit (zie bijv. paragraaf 4. 2. 5. 3. 5. 4. 5. 8 en 5. 9 van het ontwerpbesluit). Voor zover aspecten en activiteiten zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. zijn geen voorschriften aan de vergunning verbonden.

26

95. Het ontwerpbesluit schiet hierin tekort. GS kunnen niet volstaan met een verwijzing naar het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling. Weliswaar is op de aanvraag het oude recht van toepassing. maar het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling -en dus de rechtstreeks werkende regels die daarin waren opgenomen -gelden niet meer. De regels zijn nu opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). 96. De rechtstreeks werkende regels in het Bal gelden echter niet voor alle bedrijven of beter gezegd: voor alle milieubelastende activiteiten. Voor 'complexe bedrijven· gelden veel regels uit het Bal niet. Voor dergelijke bedrijven moet daarom meer in de omgevingsvergunning middels voorschriften worden vastgelegd. 97. Bij GGG is sprake van een complex bedrijf zoals bedoeld in het Bal. Dit blijkt uit het feit dat bij GGG sprake is van de volgende milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in het Bal: a.

artikel 3. 91. eerste lid: het behandelen van meer dan 25. 000 m 3 dierlijke meststoffen per jaar: b. artikel 3. 79. eerste lid: een categorie 5. 3 IPPC-installatie: c. artikel 3.73 , eerste lid: een categorie 4. 3 IPPC-installatie: d. artikel 3. 57. eerste lid: een Seveso-inrichting. 17 98. Deze milieu belastende activiteiten vallen allemaal onder afdeling 3. 3 van het Bal dat ziet op complexe bedrijven. Zoals gezegd , gelden voor complexe bedrijven veel regels uit het Bal niet en moet er meer worden geregeld in de vergunning middels voorschriften. 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hofvantwente.nl/api/v1/meetings/4179/documents/59225